Wet van 21 april 1994, houdende voorzieningen ter bevordering van de totstandkoming van regionaal bestuur in daartoe aangewezen gebieden
- BWB-id
- BWBR0006620
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2005-11-02 t/m 2005-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006620
- ELI
- /eli/nl/wet/1994/kaderwet-bestuur-in-verandering
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1994/kaderwet-bestuur-in-verandering/2005-11-02
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006620&g=2005-11-02
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006620&z=2026-06-06&g=2005-11-02
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006620/2005-11-02
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1994/kaderwet-bestuur-in-verandering
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; b. artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 2 samenwerkingsgebied: een samenwerkingsgebied als bedoeld in, waarop ingevolgedeze wet van toepassing is verklaard; c. hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen hoofdstuk 2 afdelingen 2 3 7 van hoofdstuk 2 regeling: een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in, waarin voorzieningen zijn getroffen met betrekking tot regionaal bestuur als bedoeld inen die is vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de,en; d. hoofdstuk 2 regionaal openbaar lichaam: een openbaar lichaam als bedoeld in. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Deze wet is van toepassing op: a. het samenwerkingsgebied waarin de gemeente Amsterdam is gelegen; b. het samenwerkingsgebied waarin de gemeente Rotterdam is gelegen; c. het samenwerkingsgebied waarin de gemeente 's-Gravenhage is gelegen; d. het samenwerkingsgebied waarin de gemeente Utrecht is gelegen; e. het samenwerkingsgebied waarin de gemeenten Eindhoven en Helmond zijn gelegen; f. het samenwerkingsgebied waarin de gemeenten Enschede en Hengelo (O) zijn gelegen; g. het samenwerkingsgebied waarin de gemeenten Arnhem en Nijmegen zijn gelegen. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 2 In afwijking vankan, indien zulks noodzakelijk is met het oog op de door een regionaal openbaar lichaam uit te oefenen bevoegdheden, bij algemene maatregel van bestuur een inbedoeld samenwerkingsgebied worden vastgesteld. 2 artikel 2 van Wet gemeenschappelijke regelingen Bij toepassing van het eerste lid houdt het krachtensdoor provinciale staten genomen indelingsbesluit voor dat samenwerkingsgebied op te gelden. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 3, eerste lid Bij toepassing van, stellen provinciale staten binnen zes maanden na inwerkingtreding van de in dat artikel bedoelde algemene maatregel van bestuur, de indeling in samenwerkingsgebieden opnieuw vast, met inachtneming van die maatregel. 2 Artikel 3, vierde lid, derde volzin, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is niet van toepassing op het indelingsbesluit, bedoeld in het eerste lid. 3 Artikel 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen Indien provinciale staten niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, de indeling in samenwerkingsgebieden hebben aangepast, stelt Onze Minister, provinciale staten gehoord, de indeling in samenwerkingsgebieden opnieuw vast.is van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Artikel 5, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 3, eerste lid , is niet van toepassing ten aanzien van een wijziging van een krachtens, vastgesteld samenwerkingsgebied. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 3, eerste lid artikel 3, eerste lid Indien krachtens, een samenwerkingsgebied is vastgesteld dat in meer dan één provincie is gelegen, wordt bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, bepaald welk van de betrokken provinciebesturen binnen dat samenwerkingsgebied de bevoegdheden met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen uitoefent die bij of krachtens de wet aan het provinciebestuur zijn toegekend. 2005 534 01-11-2005 06-10-2005 29310 2005 535 01-11-2005 20-10-2005 02-11-2005
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De besturen van de in een samenwerkingsgebied gelegen gemeenten leggen binnen zes maanden na de dag waarop deze wet voor het samenwerkingsgebied in werking is getreden, een regeling ter goedkeuring voor aan gedeputeerde staten. Tegelijk met de verzending ter goedkeuring wordt een afschrift van de regeling gezonden aan Onze Minister. 2 artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken bekendgemaakt. In afwijking vankan een besluit omtrent goedkeuring niet worden verdaagd. Van hun besluit zenden gedeputeerde staten onverwijld afschrift aan Onze Minister. 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van, voorziet een regeling in de instelling van een openbaar lichaam. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van, kan in een regeling worden bepaald dat: a. de leden van het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam door de leden en de voorzitters van de raden van de in het samenwerkingsgebied gelegen gemeenten gezamenlijk worden aangewezen; b. als lid van het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam tevens kunnen worden aangewezen degenen die voorkomen op de kandidatenlijsten voor de laatst gehouden of gelijktijdig te houden verkiezing van de raden van de in het samenwerkingsgebied gelegen gemeenten, doch die niet tot raadslid zijn of worden verkozen; c. het lidmaatschap van het algemeen bestuur niet van rechtswege eindigt, zodra men ophoudt lid of voorzitter te zijn van de raad uit wiens midden men is aangewezen dan wel secretaris van de desbetreffende gemeente. 2 a artikel 13, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel, isniet van toepassing. In de regeling wordt het aantal leden van het algemeen bestuur vastgesteld. 3 a artikel 16, eerste en derde tot en met zesde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel, isniet van toepassing. 4 b artikelen 12 tot en met 15 van de Gemeentewet Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel, en personen tot lid van het algemeen bestuur worden aangewezen, die niet tevens lid van de raad of wethouder zijn van een in het samenwerkingsgebied gelegen gemeente, zijn op hen devan overeenkomstige toepassing. 2003 56 18-02-2003 06-02-2003 28243 2003 57 18-02-2003 08-02-2003 19-02-2003 07-03-2002 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Werkt niet terug ten aanzien van de gemeenten Bemmel, Bergen,
Dalfsen, Denekamp, Echt-Susteren, Hardenberg, Hof van Twente, Hulst,
Kesteren, Olst-Wijhe, Oss, Overbetuwe, Raalte, Rijssen,
Sittard-Geleen, Sluis, Steenwijk, Terneuzen, Venlo, Zwartewaterland
en Zwijndrecht.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 13, negende lid, van de Wet gemeenschappelijk regelingen In afwijking van, kan het algemeen bestuur een voorzitter aanwijzen van buiten de kring van het algemeen bestuur. 2 artikel 21 van de Wet gemeenschappelijke regelingen Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, isniet van toepassing. Bij de regeling, of krachtens de regeling door het algemeen bestuur, wordt de bezoldiging van de voorzitter geregeld, alsmede aangelegenheden zijn rechtspositie betreffende die regeling behoeven. 3 artikelen 66, tweede tot en met vierde lid 67 tot en met 71 van de Gemeentewet Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid zijn de, envan overeenkomstige toepassing. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 In een regeling kan worden bepaald dat het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam commissies kan instellen waaraan de behartiging van de belangen van een deel van het samenwerkingsgebied is opgedragen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en samenstelling. 2 artikelen 94 139 tot en met 144 van de Gemeentewet artikelen 21 23, eerste en tweede lid 25, tweede tot en met zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen Deenen de,, enzijn van overeenkomstige toepassing. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 112, eerste lid, van de Grondwet artikel 112, tweede lid, van de Grondwet In een regeling kan worden bepaald datniet van toepassing is. In dat geval voorziet de regeling anderszins in de beslechting van geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling, voorzover zij niet behoren tot die, vermeld inof tot die, waarvan de beslissing krachtensis opgedragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 a artikel 30, eerste lid, onderdeel, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 222 van de Gemeentewet In afwijking van, kan aan het bestuur van het regionaal openbaar lichaam de bevoegdheid worden overgedragen de baatbelasting, genoemd in, te heffen. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Een regeling voorziet in de bevoegdheid van het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam voorschriften te geven met betrekking tot het door de in het samenwerkingsgebied gelegen gemeenten verwerven en uitgeven van gronden, de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, het verhaal van kosten daarvan, alsmede de mate waarin de financiële gevolgen worden verdeeld over de in het samenwerkingsgebied gelegen gemeenten. 2 Een regeling voorziet tevens in de bevoegdheid van het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam gebieden aan te wijzen, ten aanzien waarvan dat bestuur kan bepalen dat de verwerving en de uitgifte van de gronden, de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, alsmede het verhaal van kosten daarvan, uitsluitend door of vanwege het bestuur van het regionale openbaar lichaam kan plaatsvinden. 3 Een regeling voorziet voorts in de bevoegdheid van het bestuur van het regionaal openbaar lichaam voorschriften te geven met betrekking tot het onderhoud en het beheer van de in het eerste en het tweede lid bedoelde gronden. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet Een regeling voorziet in de bevoegdheid van het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam een huisvestingsverordening als bedoeld invast te stellen. 2 artikel 81, derde lid, van de Woningwet Een regeling voorziet in de bevoegdheid van het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam regels te stellen inzake de uitoefening van de aan het regionaal openbaar lichaam krachtensovergedragen bevoegdheden en verplichtingen. 2000 505 30-11-2000 15-11-2000 27160 2000 505 30-11-2000 15-11-2000 27160 01-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Een regeling voorziet erin dat het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam een regionaal verkeers- en vervoerplan vaststelt, dat met het oog op de bevordering van de bereikbaarheid en de leefbaarheid richting geeft aan de door het bestuur van het regionaal openbaar lichaam te nemen beslissingen inzake verkeer en vervoer en op grond waarvan het bestuur van het regionaal openbaar lichaam aan de in het samenwerkingsgebied gelegen gemeenten aanwijzingen kan geven met betrekking tot het door die gemeenten terzake te voeren beleid. 2 Een regionaal verkeers- en vervoerplan is een geïntegreerd plan, waarin in ieder geval zijn opgenomen het fietsbeleid, het parkeerbeleid, het verkeersveiligheidbeleid, het openbaar-vervoerbeleid, het wegenbeleid, het lokatiebeleid, het carpoolbeleid en het beleid inzake het goederenvervoer. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een regionaal verkeers- en vervoerplan isvan toepassing. 4 Bij het opstellen van het plan houdt het algemeen bestuur rekening met het bestaande rijks- en provinciaal beleid ten aanzien van de in het tweede lid genoemde beleidsterreinen en vindt afstemming plaats met het regionaal structuurplan, met oog op de samenhang tussen enerzijds wonen, werken en recreëren en anderzijds het geïntegreerd verkeers- en vervoerbeleid. 5 Wet BDU verkeer en vervoer Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan een regionaal openbaar lichaam een financiële bijdrage verlenen voor de kosten van uitvoering van het regionaal verkeers- en vervoerplan, behoudens in de gevallen waarin een uitkering wordt verstrekt ter uitvoering van de. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, kunnen regels worden gesteld over het verlenen van deze bijdrage. 6 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent slechts een bijdrage als bedoeld in het vijfde lid, indien het regionaal verkeers- en vervoerplan past binnen het rijksbeleid ten aanzien van de in het tweede lid genoemde beleidsterreinen. 7 Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, worden regels gesteld over de compensatie van kosten verbonden aan het voorbereiden en opstellen van een regionaal verkeers- en vervoerplan. Deze regels bevatten in elk geval bepalingen over: a. de gegevens die bij een aanvraag moeten worden verstrekt; b. de voorwaarden, waaraan moet worden voldaan om voor een bijdrage in aanmerking te kunnen komen; c. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; d. de controle op de besteding van de bijdrage. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Een regeling voorziet in de behartiging door het regionaal openbaar lichaam van het belang van de economische ontwikkeling van het samenwerkingsgebied. 2 Hiertoe voorziet de regeling er ten minste in dat het regionaal openbaar lichaam: a. periodiek een regionaal-economische ontwikkelingsstrategie opstelt; b. bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het terrein van de ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, milieu en arbeidsmarktbeleid, rekening houdt met de regionaal-economische ontwikkelingsstrategie; c. het beleid aangeeft ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot bedrijfsterreinen, kantoorlokaties en detailhandelsvoorzieningen die van regionaal belang zijn, daaronder mede begrepen de zee- en luchthavens en de daarbij behorende bedrijfslokaties; d. het regionaal economisch onderzoek bevordert; e. de hoofdlijnen vaststelt van een regionaal promotie- en acquisitiebeleid gericht op bedrijfsvestiging en toerisme. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikelen 14 tot en met 18 Indien bij de besturen van de in een samenwerkingsgebied gelegen gemeenten bezwaren van overwegende aard bestaan tegen opneming in de regeling van één of meer van de bevoegdheden, bedoeld in de, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, op gezamenlijk verzoek van die besturen besluiten: a. dat één of meer van die bevoegdheden niet in de regeling behoeven te worden opgenomen, danwel b. dat de desbetreffende bevoegdheden wel in de regeling worden opgenomen, doch dat zij gedurende een door Onze Minister te bepalen termijn niet behoeven te worden uitgeoefend. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 artikel 107, eerste lid, van de Provinciewet Provinciewet Artikel 107, tweede tot en met achtste lid, van de Provinciewet Onverminderd het bepaalde in, kan het provinciebestuur bevoegdheden van regeling en bestuur, gevorderd bij of krachtens een andere wet dan de, voor het samenwerkingsgebied overdragen aan het bestuur van een regionaal openbaar lichaam, voor zover die bevoegdheden zich naar hun aard en schaal daartoe lenen en het bestuur van dat regionaal openbaar lichaam daarmee instemt.is van overeenkomstige toepassing. 2005 534 01-11-2005 06-10-2005 29310 2005 535 01-11-2005 20-10-2005 02-11-2005
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Het bestuur van een in het samenwerkingsgebied gelegen gemeente verleent zijn medewerking aan de uitvoering van besluiten die het bestuur van het regionaal openbaar lichaam neemt in verband met de uitoefening van de aan dat bestuur overgedragen bevoegdheden. 2 Indien het bestuur van een gemeente naar het oordeel van het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam de in het eerste lid bedoelde medewerking niet of niet in voldoende mate verleent, kan het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam zelf ten laste van de betrokken gemeente een besluit uitvoeren of doen uitvoeren. 3 Alvorens over te gaan tot toepassing van het tweede lid, wordt het bestuur van de betrokken gemeente in kennis gesteld van het daarop gerichte voornemen. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 23 hoofdstuk X van de Wet gemeenschappelijke regelingen In het inbedoelde geval treden de artikelen 24 tot en met 26 in de plaats van. 2 afdelingen 2 6 van dit hoofdstuk artikelen 24 26 artikelen 9 tot en met 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen Onverminderd het bepaalde in deen, zijn bij de oplegging van een regeling ingevolge deendevan toepassing. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 7, eerste lid b artikel 36, vierde lid, onder, van de Wet gemeenschappelijke regelingen Indien niet binnen de termijn van zes maanden, bedoeld in, door de besturen van de in een samenwerkingsgebied gelegen gemeenten een regeling ter goedkeuring aan gedeputeerde staten is voorgelegd, of indien gedeputeerde staten een regeling goedkeuren met toepassing van, wordt door gedeputeerde staten een regeling opgelegd. 2 Onder oplegging van een regeling wordt mede begrepen de oplegging van een toetreding tot en uittreding uit, alsmede wijziging van een regeling. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 23 Gedeputeerde staten leggen een regeling op binnen acht weken na het verstrijken van de ingenoemde termijn. 2 Alvorens een regeling op te leggen, horen gedeputeerde staten de besturen van de betrokken gemeenten. 3 Gedeputeerde staten zenden een afschrift van de opgelegde regeling aan Onze Minister. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 24 Indien Onze Minister, gelet op de door een regionaal openbaar lichaam uit te oefenen bevoegdheden, bedenkingen heeft tegen een door gedeputeerde staten ingevolgeopgelegde regeling, geeft hij, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, binnen acht weken na de datum waarop gedeputeerde staten de regeling hebben opgelegd, een aanwijzing aan gedeputeerde staten die inhoudt dat gedeputeerde staten een nieuwe regeling moeten opleggen overeenkomstig het in de aanwijzing bepaalde. 2 De aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat Onze Minister het bestuur van de betrokken provincie of provincies heeft gehoord. 3 Bij de aanwijzing stelt Onze Minister een termijn binnen welke gedeputeerde staten een nieuwe regeling moeten opleggen. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 24, eerste lid artikel 24, tweede lid Indien niet binnen de termijn, genoemd in, door gedeputeerde staten een regeling is opgelegd, wordt een regeling opgelegd bij koninklijk besluit. In dat geval is, van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 25, derde lid Een regeling wordt voorts bij koninklijk besluit opgelegd, indien niet binnen de termijn, bedoeld in, in de oplegging is voorzien. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 hoofdstuk 4 Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten het bestuur van een regionaal openbaar lichaam tekortschiet in de uitoefening van een aan dat bestuur krachtens de regeling of krachtensvan deze wet overgedragen bevoegdheid of opgedragen taak, kunnen gedeputeerde staten aan dat bestuur een aanwijzing geven die inhoudt dat het bestuur die bevoegdheid of taak uitoefent op de wijze als in de aanwijzing bepaald. 2 De aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat gedeputeerde staten het bestuur van het regionaal openbaar lichaam hebben gehoord. 3 Bij de aanwijzing stellen gedeputeerde staten een termijn binnen welke het bestuur van het regionaal openbaar lichaam aan de aanwijzing moet voldoen. 4 Indien het bestuur van het regionaal openbaar lichaam niet binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, aan de aanwijzing voldoet, oefenen gedeputeerde staten de desbetreffende bevoegdheid of taak uit namens het bestuur van het regionaal openbaar lichaam en ten laste van dat openbaar lichaam. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 27, eerste lid Onze Minister wie het aangaat, kan, in overeenstemming met Onze Minister, gedeputeerde staten uitnodigen toepassing te geven aan. 2 artikel 27, eerste lid De uitnodiging vermeldt de termijn binnen welke een aanwijzing als bedoeld in, dient te worden gegeven. 3 Artikel 27, tweede tot en met vierde lid Indien gedeputeerde staten aan de uitnodiging geen gevolg geven, wordt de aanwijzing gegeven door Onze Minister wie het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister., is van overeenkomstige toepassing. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht Indien het bestuur van een in het samenwerkingsgebied liggende gemeente beroep tegen een besluit van het bestuur van een regionaal openbaar lichaam instelt, isniet van toepassing. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikelen 24 26 artikelen 27, eerste lid 28, derde lid Tegen een besluit als bedoeld in deenen tegen een aanwijzing als bedoeld in de, en, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 27, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen Een regeling bepaalt de datum waarop zij in werking treedt, met dien verstande dat die datum niet kan zijn gelegen vóór de datum van opneming in het register, bedoeld in. 2 Een regeling geldt gedurende ten hoogste 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid. 3 Op verzoek van het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam kan bij koninklijk besluit de in het tweede lid genoemde termijn eenmaal worden verlengd met ten hoogste vier jaar. 4 Een regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 31, tweede lid Uiterlijk een jaar voor het verstrijken van de in, genoemde termijn rapporteren de raden van de in een samenwerkingsgebied gelegen gemeenten en het algemeen bestuur van het betrokken regionaal openbaar lichaam afzonderlijk of gezamenlijk aan provinciale staten van de betrokken provincie of provincies en aan Onze Minister omtrent het functioneren van het regionaal openbaar lichaam. In de rapportage doen zij voorts verslag van hun overige bevindingen. 2 Binnen drie maanden nadat provinciale staten de rapportage hebben ontvangen delen zij hun oordeel daaromtrent mee aan de raden van de betrokken gemeenten, aan het algemeen bestuur van het betrokken regionaal openbaar lichaam en aan Onze Minister. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikel 32, eerste lid De Minister van Binnenlandse Zaken deelt binnen zes maanden na ontvangst van de in, bedoelde rapportage zijn standpunt omtrent de rapportage aan beide Kamers der Staten-Generaal mede. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 De Minister van Binnenlandse Zaken zendt jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Dit hoofdstuk is van toepassing voor het samenwerkingsgebied waarin de gemeente Rotterdam is gelegen. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. artikel 37 de commissie: de commissie, bedoeld in; b. de betrokken besturen: het bestuur van de gemeente Rotterdam, het bestuur van de provincie Zuid-Holland, het bestuur van het regionaal openbaar lichaam en Onze Minister; c. de nieuwe bestuurlijke organisaties: de bestuurlijke organisaties die in het samenwerkingsgebied worden ingesteld door een wet die voorziet in een regeling van de bestuurlijke organisatie. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Er is een commissie reorganisatie bestuur regio Rotterdam. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 De commissie bereidt de totstandkoming voor van een overeenkomst te sluiten tussen de betrokken besturen. 2 In de overeenkomst wordt de afstemming geregeld van de werkzaamheden van de betrokken besturen bij het opbouwen van de nieuwe bestuurlijke organisaties. 3 De overeenkomst bevat ten minste een werkprogramma voor het tot stand brengen van: a. een beschrijving van de organisatorische vormgeving van de nieuwe bestuurlijke organisaties; b. personeelsformatieplannen die een in aantallen en bezoldigingsniveaus uitgedrukte opgave bevatten van de te verwachten functies in de nieuwe bestuurlijke organisaties; c. personeelsplannen die bestemmingsbeslissingen inhouden voor de overgang van personeel naar de nieuwe bestuurlijke organisaties; d. verdelingsplannen voor de overgang van rechten en verplichtingen naar de nieuwe bestuurlijke organisaties. e. een beschrijving van het voorgestane stelsel van informatievoorziening. 4 a c De overeenkomst bevat een regeling van het overleg met de bonden van overheidspersoneel over de uitvoering van de in het derde lid, ondertot en met, bedoelde onderdelen van het werkprogramma. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 38, eerste lid a d artikel 38, derde lid, ondertot en met De commissie bevordert de goede uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in. Daarbij besteedt zij met name aandacht aan de samenhang van de in, bedoelde onderdelen. 2 artikel 38, derde lid De betrokken besturen rapporteren volgens regels door de commissie te stellen, aan de commissie over de uitvoering van het in, bedoelde werkprogramma. 3 Indien uit de rapportage, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat de uitvoering van het werkprogramma niet loopt volgens het bepaalde in de overeenkomst, brengt de voorzitter dit zo spoedig mogelijk ter kennis van de commissie. Daarbij doet de voorzitter voorstellen voor door de commissie te nemen besluiten. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 De commissie bevordert waar nodig de integratie van gemeenschappelijke regelingen met de regeling. Zij bevordert tevens de aanpassing van gemeenschappelijke regelingen, die ten gevolge van de inwerkingtreding van een wet die voorziet in een regeling van de bestuurlijke organisatie noodzakelijk is. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 De commissie bestaat uit een voorzitter en zeven andere leden. 2 Onze Minister is lid en tevens voorzitter van de commissie. 3 De andere leden worden als volgt aangewezen: a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wijst twee leden aan; b. het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam wijst twee leden aan; c. het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland wijst twee leden aan; d. Onze Minister wijst een lid aan. 4 De voorzitter en leden kunnen zich doen vervangen. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 De commissie regelt haar werkwijze. 2 De commissie is bevoegd subcommissies in te stellen, waarin ook personen van buiten de commissie zitting hebben. 3 De commissie is bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de werkzaamheden van de commissie een bijdrage te leveren. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Onze Minister treft in overleg met de betrokken besturen voorzieningen ten behoeve van het secretariaat van de commissie. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de commissie worden voor twee-zesde deel gedragen door Onze Minister, voor twee-zesde deel door het bestuur van het regionaal openbaar lichaam, voor een-zesde deel door het bestuur van de gemeente Rotterdam en voor een-zesde deel door het bestuur van de provincie Zuid-Holland. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Het beheer van het archief van de commissie geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het Besluit Algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie op overeenkomstige wijze als bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het archief wordt bij opheffing van de commissie overgedragen aan het hoofd van de algemene secretarie van dat ministerie. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1998 735 29-12-1998 24-12-1998 26220 1998 735 29-12-1998 24-12-1998 26220 30-12-1998
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Artikel 32 is niet van toepassing. 1998 735 29-12-1998 24-12-1998 26220 1998 735 29-12-1998 24-12-1998 26220 30-12-1998
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Staatsblad Een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van hetwaarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Staatsblad Gemeentewet Gemeentewet Voor de plaatsing van deze wet in hetbrengt Onze Minister de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, titels, hoofdstukken en paragrafen van dein overeenstemming met de op dat moment geldende nummering van de. 2 Staatsblad Provinciewet Provinciewet Voor de plaatsing van deze wet in hetbrengt Onze Minister de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, titels, hoofdstukken en paragrafen van dein overeenstemming met de op dat moment geldende nummering van de. 3 Staatsblad Algemene wet bestuursrecht Voor de plaatsing van deze wet in hetbrengt Onze Minister de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen en afdelingen van dein overeenstemming met de door Onze Minister van Justitie opnieuw vastgestelde nummering daarvan. 4 Wet bodembescherming Wet bodembescherming Indien het bij koninklijke boodschap van 18 mei 1990 ingediende voorstel van wet, houdende uitbreiding van demet een regeling inzake de sanering van de bodem, tot de wet wordt verheven en in werking treedt op een eerder tijdstip dan deze wet, brengt Onze Minister de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen van dein overeenstemming met de door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer opnieuw vastgestelde nummering daarvan. 5 Wet bodembescherming Wet bodembescherming Wet bodembescherming artikel 51 Staatsblad Indien het bij koninklijke boodschap van 18 mei 1990 ingediende voorstel van wet, houdende uitbreiding van demet een regeling inzake de sanering van de bodem, tot wet wordt verheven en in werking treedt op hetzelfde of een later tijdstip dan deze wet, wordt de tekst van het krachtensgewijzigde onderdeel van dedoor Onze Minister van Justitie in hetgeplaatst, nadat de in dat artikel voorkomende aanhalingen van artikelen van dedoor Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de door hem opnieuw vastgestelde nummering daarvan zijn gebracht. 6 Staatsblad Voor de plaatsing van deze wet in hetstelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken daarmee in overeenstemming. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 Onze Minister is belast met de uitvoering van deze wet. 2 Voor zover bij die uitvoering belangen zijn betrokken, welke aan de zorg van een andere minister zijn toevertrouwd, geschiedt de uitvoering in overeenstemming met de desbetreffende minister. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen datum. 2 Artikel 54 treedt in werking een jaar na de datum, bedoeld in het eerste lid, tenzij bij koninklijk besluit een eerder tijdstip wordt vastgesteld. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Deze wet kan worden aangehaald als: Kaderwet bestuur in verandering. 1994 396 21-04-1994 23048 1994 397 14-06-1994 20-05-1994 01-07-1994