Wet van 16 september 1993, houdende regels voor de besluitvorming met betrekking tot de aanleg of wijziging van hoofdwegen, van landelijke railwegen en van hoofdvaarwegen
- BWB-id
- BWBR0006147
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2021-07-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006147
- ELI
- /eli/nl/wet/1994/trac-wet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1994/trac-wet/2021-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006147&g=2021-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006147&z=2026-06-06&g=2021-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006147/2021-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1994/trac-wet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet wordt verstaan onder: geluidproductieplafond: artikel 11.1 van de Wet milieubeheer geluidproductieplafond als bedoeld in; hoofdvaarweg: een vaarweg van nationaal belang; hoofdweg: een auto- of autosnelweg van nationaal belang; landelijke spoorweg: een spoorweg van nationaal belang; Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; referentiepunt: artikel 11.19 van de Wet milieubeheer referentiepunt als bedoeld in; startbeslissing: artikel 2, eerste lid de beslissing, bedoeld in. 2 Ontheffingen, dispensaties, afwijkingen en soortgelijke beschikkingen worden voor de toepassing van deze wet als vergunning aangemerkt. 3 In deze wet wordt onder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg mede verstaan de aanleg of wijziging van een deel van die hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg. 2012 267 20-06-2012 24-11-2011 32625 2012 268 20-06-2012 06-06-2012 01-07-2012
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De beslissing om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaand of toekomstig probleem op of door het ontbreken van een hoofdweg, een landelijke spoorweg of een hoofdvaarweg wordt genomen door Onze Minister. 2 Bij de voorbereiding van de startbeslissing betrekt Onze Minister de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg. 3 De startbeslissing bevat ten minste: a. een omschrijving van het gebied waarop de verkenning is gericht; b. een beschrijving van de aard van het te verkennen probleem en die van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen in het gebied; c. de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg worden betrokken bij de verkenning; d. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd. 4 hoofdstuk III artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening De startbeslissing kan tevens inhouden dat ter voorbereiding van de besluitvorming op grond vaneen structuurvisie als bedoeld inwordt vastgesteld. Een structuurvisie wordt in ieder geval vastgesteld indien Onze Minister voornemens is ter oplossing van het eerste lid bedoelde probleem de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg of de wijziging van een hoofdweg of een landelijke spoorweg met meer dan twee rijstroken onderscheidenlijk meer dan twee doorgaande sporen in overweging te nemen. 5 artikel 12 van de Bekendmakingswet Onze Minister geeft kennis van de startbeslissing op de inbepaalde wijze. 6 Onze Minister zendt de startbeslissing tevens aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 2, eerste lid Bij de verkenning vergaart Onze Minister de nodige kennis en inzichten omtrent de aard van het probleem, bedoeld in, de relevante ruimtelijke ontwikkelingen en mogelijke oplossingen voor dat probleem. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2, vierde lid De structuurvisie, bedoeld in, bevat: a. de resultaten van de uitgevoerde verkenning; b. een verantwoording over de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg zijn betrokken bij de verkenning en de resultaten daarvan; c. artikel 2, eerste lid de voorkeur van Onze Minister voor de oplossing van het in, bedoelde probleem en de motivering van die voorkeur. 2 artikel 8 hoofdstuk III afdeling 3.1 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening In de structuurvisie kan worden aangegeven dat vanwege de samenhang met andere te verwezenlijken ruimtelijke ontwikkelingen voor de verdere besluitvorming over de activiteit, bedoeld in, toepassing wordt gegeven aanofendientengevolge buiten toepassing blijft. 3 Artikel 2.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 4, eerste lid, onderdeel c De voorkeur, bedoeld in, kan inhouden: a. de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg; b. een oplossing zonder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg; c. een combinatie van a of b met de realisering van andere ruimtelijke projecten; d. dat er geen oplossing wordt uitgewerkt. 2 Indien de voorkeur, bedoeld in eerste lid, geheel of mede uitgaat naar onderdeel a van dat lid, bevat de structuurvisie tevens: a. artikel 10 een globale beschrijving van de te treffen maatregelen en van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen als bedoeld in; b. een beschrijving van de verwezenlijking van de voorgenomen activiteit in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen; c. een raming van de kosten en een onderbouwing van de financiële uitvoerbaarheid. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister geeft kennis van het ontwerp van de structuurvisie met overeenkomstige toepassing van. Hij zendt het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg. 2 artikelen 3:11 3:14 3:15, eerste lid 3:16 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 12 van de Bekendmakingswet Onze Minister geeft kennis van de structuurvisie op de inbepaalde wijze. 2 Onze Minister zendt de structuurvisie toe aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, aan de beheerder van de landelijke spoorweg. 3 Artikel 2.3, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikel 4, tweede lid Dit hoofdstuk is, tenzij toepassing is gegeven aan, van toepassing op: a. de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg; b. een wijziging van een hoofdweg, die bestaat uit: 1°. de ombouw van een weg tot autosnelweg; of 2°. de uitbreiding van een weg met één of meer rijstroken, indien het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt; c. een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee Onze Minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren, en die bestaat uit: 1°. een uitbreiding van die spoorweg met één of meer sporen, indien het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt; 2°. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken; 3°. de aanleg van een verbindingsboog; of 4°. een geheel van onderling samenhangende maatregelen ten aanzien van die spoorweg; d. het opnieuw in gebruik nemen van een reeds aangelegde landelijke spoorweg voor zover het gaat om een lengte van vijf kilometer of meer; e. een wijziging van de hoofdvaarweg, die bestaat uit een vergroting of verdieping waardoor het ruimteoppervlak van de hoofdvaarweg met ten minste twintig procent toeneemt dan wel de hoofdvaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 2, vierde lid Het tracébesluit wordt uiterlijk twee jaar nadat de structuurvisie is toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal vastgesteld door Onze Minister. Indien geen toepassing is gegeven aan, wordt het tracébesluit vastgesteld uiterlijk twee jaar nadat de startbeslissing is toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 2 artikel 4, eerste lid, onderdeel c artikel 5, eerste lid, onderdeel c Indien de voorkeur, bedoeld in, een keuze voor, inhoudt, bevordert Onze Minister de vaststelling van de voor de verwezenlijking van die voorkeur noodzakelijke ruimtelijke plannen. 2016 34 19-01-2016 16-12-2015 33348 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Het tracébesluit bevat ten minste: a. artikel 11.35 van de Wet milieubeheer een beschrijving van de te treffen maatregelen, de inpassing van die maatregelen en de te realiseren ligging in het terrein, waaronder begrepen de maatregelen, bedoeld in; b. een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk, voor zover die voorzieningen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het werk; c. een beschrijving van de te treffen voorzieningen die dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg; d. een beschrijving van de tijdelijke maatregelen en de tijdelijk te treffen voorzieningen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de voorgenomen aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg; e. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van het werk, waarbij gebruik wordt gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten; f. de termijn waarbinnen Onze Minister de gevolgen van de ingebruikneming van de aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg onderzoekt en een opgave van de daarbij te onderzoeken milieuaspecten. 2 Het tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een hoofdweg bevat, voor zover van toepassing, voorts: a. een beschrijving van het aantal te realiseren rijstroken; b. artikel 11.27, eerste lid, van de Wet milieubeheer het ingevolgevastgestelde geluidproductieplafond; c. artikel 11.28, eerste lid, van de Wet milieubeheer het ingevolgegewijzigde geluidproductieplafond; d. de nieuwe en gewijzigde referentiepunten, en e. artikel 104a, eerste lid, van de Wet geluidhinder de hogere waarden als bedoeld in. 3 Het tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg bevat, voor zover van toepassing, voorts: a. een beschrijving van het aantal te realiseren sporen; b. artikel 11.27, eerste lid, van de Wet milieubeheer het ingevolgevastgestelde geluidproductieplafond; c. artikel 11.28, eerste lid, van de Wet milieubeheer het ingevolgegewijzigde geluidproductieplafond; d. de nieuwe en gewijzigde referentiepunten, en e. artikel 104a van de Wet geluidhinder de hogere waarden als bedoeld in. 4 artikel 3 Bij het tracébesluit wordt aangegeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties betrokken zijn. Indien geen structuurvisie is vastgesteld, wordt bij het tracébesluit aangegeven wat de resultaten van de verkenning, bedoeld in, zijn en verantwoording afgelegd over de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg zijn betrokken bij die verkenning en de resultaten daarvan. 2017 57 23-02-2017 10-02-2017 34525 2017 131 03-04-2017 17-03-2017 01-05-2017
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het tracébesluit isvan toepassing, met dien verstande dat zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 2 Bij de voorbereiding van het tracébesluit betrekt Onze Minister de betrokken bestuursorganen van gemeenten, provincies en waterschappen. 3 Onze Minister zendt het ontwerp-tracébesluit aan: a. de betrokken bestuursorganen; b. de beheerder van de spoorweg, indien het betrekking heeft op een landelijke spoorweg. 2012 267 20-06-2012 24-11-2011 32625 2012 268 20-06-2012 06-06-2012 01-07-2012
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Onze Minister kan zich bij de vaststelling van het tracébesluit in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 2 Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van de methoden en uitgangspunten voor de beoordeling van effecten van een project tot aanleg of wijziging van een hoofdweg, een landelijke spoorweg of een hoofdvaarweg. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in. Voor zover het tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing. Het tracébesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste volzin bedoelde gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit van kracht is geworden. 2 Vervallen. 3 Artikel 3.3, eerste tot en met derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van die wet is niet van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld inter uitvoering van het tracébesluit. 4 artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.10 van die wet Voor zover het tracébesluit en het bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het tracébesluit als omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang met toepassing vanvan het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de toepassing vanwordt onder het bestemmingsplan of beheersverordening mede het tracébesluit begrepen. 5 artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Voor zover een bestemmingsplan, een beheersverordening of een ander besluit voor de uitvoering van werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld invereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van het tracébesluit in het gebied dat is begrepen in een tracébesluit. 6 artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 Indien ter uitvoering van het tracébesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtenseen verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing. 7 Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft. 8 Wet natuurbescherming artikel 2.8 van die wet Indien handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in dekunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, wordt het tracébesluit uitsluitend vastgesteld indien is voldaan aan. 9 artikel 2.9, eerste, tweede of derde lid, van de Wet natuurbescherming Het zevende en achtste lid zijn niet van toepassing indien ten aanzien van het project of de andere handeling waarop het tracébesluit betrekking heeft, is voldaan aan. 10 Wet ruimtelijke ordening De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in deovereenkomstig het tracébesluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het tracébesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan. 11 Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracébesluit, verleent het college van burgemeester en wethouders aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het tracébesluit. 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister kanbuiten toepassing laten bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van een tracébesluit waartegen beroep aanhangig is, indien het een wijziging van ondergeschikte aard betreft. 2 Het wijzigingsbesluit als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld uiterlijk tien dagen voor de zitting, die plaatsvindt ten behoeve van de beoordeling van het bestreden besluit. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 bijlage Het tweede lid is van toepassing op projecten opgenomen in de bij deze wet behorendeen voor zover het ontwerp-tracébesluit na 1 januari 2009 ter inzage is gelegd. 2 artikel 7.2 van de Wet milieubeheer artikelen 7.27, eerste tot en met vijfde en zevende lid 7.32, vijfde lid 7.39 tot en met 7.42 van die wet Indien op grond vaneen milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een tracébesluit zijn de,, enniet van toepassing. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 [VERVALLEN] 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van een tracébesluit voor de aanleg of wijziging van een hoofdweg wordt beperkt tot het gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende aansluiting op of aan de aan te leggen of te wijzigen weg en ter weerszijden van dit wegvak tot één kilometer vanuit de meest buiten gelegen rijstroken, een en ander voor zover gelegen op Nederlands grondgebied. Onder aansluiting wordt tevens knooppunt verstaan. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van een tracébesluit voor de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Onze Minister zendt het tracébesluit aan de betrokken bestuursorganen en, indien het tracébesluit betrekking heeft op een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. 2 De terinzagelegging geschiedt tevens ten kantore van de betrokken bestuursorganen. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Het tracébesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 Voorheen art. 18.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Vervallen. . 2 Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een tracébesluit. 3 Onze Minister kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking. 4 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde besluiten isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 3:13, eerste lid, van die wet de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze Minister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze Minister, die zorg draagt voor de inbedoelde toezending; b. artikelen 3:11, eerste lid 3:12 van die wet Onze Minister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de, en; c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; d. artikel 3:18 van die wet in afwijking vande besluiten worden genomen binnen een door Onze Minister te bepalen termijn; e. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze Minister. 5 Artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet is niet van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld inter uitvoering van het tracébesluit. 6 Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 7 Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde ambtshalve te nemen besluiten. 8 Indien bij de toepassing van het zesde lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze in dat lid bedoelde Ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas. 9 Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde aanvragen is Onze Minister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen. 10 De in het tweede lid bedoelde besluiten worden, voor zover ten aanzien daarvan het vierde lid is toegepast, gelijktijdig door Onze Minister bekendgemaakt. 11 Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het tweede lid, zijn grondslag vindt in een tracébesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 8 Belemmeringenwet Privaatrecht De inbedoelde werken worden voor de toepassing van deaangemerkt als openbare werken van algemeen nut. 2 artikel 20, tweede lid Belemmeringenwet Privaatrecht Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in, toepassing van denoodzakelijk is: a. artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht kan Onze Minister in afwijking van: 1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt; 2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister aan te wijzen persoon; b. 3, derde lid 2, zevende lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht worden in afwijking van de artikelen 2, zevende lid, en, junctogedeputeerde staten niet gehoord; c. artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht artikel 2, vijfde lid artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht geldt in plaats vandat de werking van een besluit als bedoeld in, ofopgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 01-01-2015
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet De inbedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het tracébesluit is vastgesteld. 2011 10 13-01-2011 23-12-2010 32488 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 Voorheen art. 20b.
Artikel 21b — Artikel 21b#
Artikel 21b 1 artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet Onverminderd het bepaalde inkan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden. 2 artikelen 54n 59 van de onteigeningswet In aanvulling op deenis ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het tracébesluit onherroepelijk is geworden. 2011 10 13-01-2011 23-12-2010 32488 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 Voorheen art. 20c.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Indien een belanghebbende ten gevolge van een tracébesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2 Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid. 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 Voorheen art. 20d.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 10, eerste lid, onderdeel f Onze Minister onderzoekt voor afloop van de termijn, genoemd in, de gevolgen van de ingebruikneming van een aangelegde of gewijzigde hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg ten aanzien van de in dat artikel bedoelde milieuaspecten. 2 artikel 5.14 van de Wet milieubeheer Indien het onderzoek betrekking heeft op het aspect luchtkwaliteit, wordt, voor zover voorhanden, gebruik gemaakt van de gegevens als bedoeld in, aangegeven welke aanvullende maatregelen naar aanleiding van dat onderzoek nodig zijn en binnen welke termijn die maatregelen worden getroffen. 3 Indien het onderzoek betrekking heeft op het aspect geluidhinder, wordt inzicht gegeven in de geluidproductie of geluidsbelasting na realisering van de in het tracébesluit opgenomen geluidmaatregelen, aangegeven welke aanvullende maatregelen naar aanleiding van dat onderzoek nodig zijn en binnen welke termijn die maatregelen worden getroffen. 4 Onze Minister zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg de resultaten van het onderzoek toe alsmede een beschrijving van de maatregelen die nodig zijn om alsnog te voldoen aan de milieueisen die ten grondslag liggen aan de in het tracébesluit opgenomen maatregelen. 5 artikel 24 De in het vierde lid bedoelde toezending geschiedt gelijktijdig met die van het eerstvolgende verslag, bedoeld in. 2012 267 20-06-2012 24-11-2011 32625 2012 268 20-06-2012 06-06-2012 01-07-2012
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Onze Minister zendt de Staten-Generaal ieder half jaar een verslag over de voortgang van de projecten. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 20, tweede lid In afwijking vanvangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de in, bedoelde besluiten aan met ingang van de dag na die waarop de in artikel 20, tiende lid, bedoelde bekendmaking is geschied. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Met betrekking tot beroepen tegen een tracébesluit beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twaalf maanden na ontvangst van een verweerschrift. Met betrekking tot beroepen tegen het tracébesluit A74 beslist de Afdeling in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift. 2 In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen. 3 artikel 20, tweede lid Met betrekking tot beroepen tegen de in, bedoelde besluiten beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van de desbetreffende verweerschriften. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 Voorheen art. 25b.
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 artikel 20, tweede lid Indien tegen een in, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, kunnen bij dit beroep geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een tracébesluit waarop dat besluit rust. 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012 Voorheen art. 25c.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 28a — Artikel 28a#
Artikel 28a Vervallen 2011 595 15-12-2011 01-12-2011 32377 2011 649 28-12-2011 14-12-2011 01-01-2012
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Onze Ministers zenden binnen drie jaar na het in werking treden van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast. 1993 582 16-09-1993 22500 1993 614 15-11-1993 22500 01-01-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 582 16-09-1993 22500 1993 614 15-11-1993 22500 01-01-1994
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 1994 28 22-12-1993 23015 1994 28 22-12-1993 23015 19-01-1994
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Wijzigt deze wet. 1993 582 16-09-1993 22500 1993 614 15-11-1993 22500 01-01-1994
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 1993 582 16-09-1993 22500 1993 614 15-11-1993 22500 01-01-1994
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Staatsblad Algemene wet bestuursrecht Voor de plaatsing van deze wet in hetbrengt Onze Minister de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen en afdelingen van dein overeenstemming met de door Onze Minister van Justitie opnieuw vastgestelde nummering daarvan. 1993 582 16-09-1993 22500 1993 614 15-11-1993 22500 01-01-1994
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Deze wet kan worden aangehaald als: Tracéwet. 1993 582 16-09-1993 22500 1993 614 15-11-1993 22500 01-01-1994
Artikel 15#
artikel 15
Artikel 15#
artikel 15