Wet van 16 december 1993, houdende nieuwe bepalingen inzake identificatie van cliënten bij financiële dienstverlening
- BWB-id
- BWBR0006330
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- 2008-02-01 t/m 2008-07-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006330
- ELI
- /eli/nl/wet/1994/wet-identificatie-bij-dienstverlening
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1994/wet-identificatie-bij-dienstverlening/2008-02-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006330&g=2008-02-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006330&z=2026-06-06&g=2008-02-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006330/2008-02-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1994/wet-identificatie-bij-dienstverlening
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. instelling: 1°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een kredietinstelling als bedoeld in; 2°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een verzekeraar als bedoeld in; 3°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een beleggingsinstelling als bedoeld in; 4°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een beleggingsonderneming als bedoeld in; 5°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in; 6°. De beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper, alsmede degene die beroeps- of bedrijfsmatig bemiddeling verleent bij verkoop, van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden, juwelen, dan wel andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken van grote waarde, voor zover betaling van deze zaken in contanten plaatsvindt. 7°. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie beroepen, bedrijven of instellingen; b. dienst: het door een instelling in of vanuit Nederland: 1°. in bewaring nemen van effecten, bankbiljetten, munten, muntbiljetten, edele metalen en andere waarden; 2°. openstellen van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden; 3°. verhuren van een safe-loket; 4°. verrichten van een uitbetaling ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren; 5°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht artikel 1:1 van die wet sluiten van een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld integen een premie als bedoeld in die wet boven een door Onze Minister te bepalen bedrag, alsmede het daarbij bemiddelen als bedoeld in; 6°. doen van een uitkering uit hoofde van een levensverzekeringsovereenkomst als bedoeld onder 5° welke meer bedraagt dan een door Onze Minister te bepalen bedrag; 7°. verlenen van een dienst ter zake van een transactie of van kennelijk met elkaar samenhangende transacties, met een tegenwaarde of gezamenlijke tegenwaarde welke gelijk is aan dan wel meer bedraagt dan een door Onze Minister te bepalen bedrag, dat voor onderscheiden soorten van transacties verschillend kan zijn; 8°. Verkopen, alsmede het verlenen van bemiddeling bij verkoop, van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden, juwelen dan wel andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken van grote waarde tegen geheel of gedeeltelijke contante betaling waarbij het contant te betalen gedeelte gelijk is aan dan wel meer bedraagt dan een door Onze Minister te bepalen bedrag, dat voor onderscheiden soorten van zaken verschillend kan zijn. 9°. verlenen van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten; c. b cliënt: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een dienst wordt verleend, daaronder begrepen in geval van een dienst als bedoeld in onderdeel, onder 5° en 6°, degene die de premie betaalt alsmede degene aan wie de uitkering wordt gedaan; d. Trb. lid-staat: een staat die lid is van de Europese Gemeenschappen alsmede een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Gemeenschappen, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1992, 132); e. Onze Minister: Onze Minister van Financiën. 2 b Het ingevolge het eerste lid, onderdeel, onder 7°, te bepalen bedrag is ten hoogste € 18 151,21. 3 De krachtens het eerste lid, onderdeel b, onder 9°, aan te wijzen diensten hebben geen betrekking op werkzaamheden van een advocaat of een notaris betreffende de bepaling van de rechtspositie van een cliënt, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. 2006 605 07-12-2006 20-11-2006 30658 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De instelling is verplicht de identiteit van een cliënt vast te stellen voordat zij aan die cliënt een dienst verleent. Indien de cliënt een natuurlijke persoon is die onbekwaam is de met de dienst verband houdende rechtshandeling te verrichten, kan de instelling volstaan met het vaststellen van de identiteit van degene die daarbij als de wettelijke vertegenwoordiger optreedt. artikelen 3 4 Indien de instelling bij de vaststelling van de identiteit overeenkomstig deenin redelijkheid kan twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens, verleent zij geen dienst dan nadat zij door het inwinnen van nadere informatie voldoende zekerheid heeft verkregen omtrent de identiteit van de cliënt. 2 Het eerste lid is bovendien van toepassing indien: a. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7° bij het verlenen van de dienst, bedoeld in, niet bekend is welk bedrag daarmee gemoeid zal zijn; b. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5° artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 6° artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7° artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 8° artikel 8 van de Wet melding ongebruikelijke transacties De premie, bedoeld in, de uitkering, bedoeld in, het bedrag van de transactie, bedoeld in, of het contante gedeelte van de betaling, bedoeld in, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienst betrekking heeft op een transactie die aan de hand van de ingevolgevastgestelde indicatoren als een ongebruikelijke transactie als bedoeld in die wet dient te worden aangemerkt; of c. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5° artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 6° artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7° artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 8° De premie, bedoeld in, de uitkering, bedoeld in, het bedrag van de transactie, bedoeld in, of het contante gedeelte van de betaling, bedoeld in, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de instelling weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de transactie waarop de dienst betrekking heeft deel uitmaakt van een geheel van met elkaar samenhangende transacties, waarbij verschillende instellingen zijn betrokken. 3 artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5° en 6° artikel 1 van de Pensioenwet artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de dienst, bedoeld in, voor zover het betreft een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld inen, tenzij deze wordt afgekocht of als zekerheidsstelling dient. 4 Aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, is voldaan, indien de instelling voor de vaststelling van de identiteit van een cliënt gebruik maakt van de gegevens die zij bij een eerder aan die cliënt verleende dienst, overeenkomstig de bepalingen van deze wet of ingevolge de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening heeft vastgesteld. De eerste volzin is niet van toepassing indien het betreft een dienst ter zake van een transactie met een tegengestelde waarde of gezamenlijke tegenwaarde welke gelijk is aan dan wel meer bedraagt dan een bedrag van € 10 000 en deze dienst wordt verricht door een ander filiaal van de dienst dan het filiaal dat de identiteit van de cliënt heeft vastgesteld. 5 Onze Minister kan vrijstelling verlenen van het eerste lid indien als cliënt optreedt: a. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van kredietinstelling of financiële instelling mag uitoefenen; b. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen; c. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge debeleggingsinstellingen mag beheren of een financiële onderneming die ingevolge deze wet rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden; d. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge debeleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten; e. een onderneming of dienst die behoort tot een door Onze Minister aan te wijzen categorie. 6 Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. 7 Aan een vrijstelling als bedoeld in het vijfde lid en aan een ontheffing als bedoeld in het zesde lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. 2007 406 31-10-2007 30-10-2007 31086 2007 408 31-10-2007 30-10-2007 01-11-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Indien de cliënt een natuurlijke persoon is, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een document als bedoeld indan wel een ander document dat door Onze Minister is aangewezen. 2 Indien de cliënt een Nederlandse rechtspersoon is dan wel een buitenlandse rechtspersoon die in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een gewaarmerkt uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Fabrieken waar die rechtspersoon is ingeschreven dan wel met behulp van een door een in Nederland gevestigde notaris opgemaakte akte. In dit uittreksel of deze akte zijn in elk geval de volgende gegevens opgenomen: 1°. van de rechtspersoon: de rechtsvorm, de statutaire naam, de handelsnaam, het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van vestiging, het land van statutaire zetel en, indien de rechtspersoon bij een Kamer van Koophandel is geregistreerd, het registratienummer bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken en de plaats van vestiging van de Kamer van Koophandel en Fabrieken waar de rechtspersoon is ingeschreven; 2°. van degenen die de rechtspersoon bij de instelling vertegenwoordigen: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum en het document aan de hand waarvan hun identiteit is vastgesteld. 3 Indien de cliënt een buitenlandse rechtspersoon is die niet in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een gewaarmerkt uittreksel uit het officiële handelsregister van de staat waar zich de statutaire zetel van die rechtspersoon bevindt, dan wel met behulp van een verklaring, afgegeven door een notaris of door een andere van de rechtspersoon onafhankelijke functionaris uit die staat, die de betrouwbaarheid van deze verklaring op grond van de aard van zijn functie voldoende kan waarborgen. In dit uittreksel of deze verklaring zijn, voor zover van toepassing, in elk geval de volgende gegevens opgenomen: 1°. van de rechtspersoon: de rechtsvorm, de statutaire naam, de handelsnaam, het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van vestiging, het land van statutaire zetel en het registratienummer bij het handelsregister en de plaats van vestiging van het handelsregister waar de rechtspersoon is ingeschreven; 2°. van degenen die de rechtspersoon bij de instelling vertegenwoordigen: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum en het document aan de hand waarvan hun identiteit is vastgesteld; 3°. van de functionaris die de identiteit van de rechtspersoon vaststelt een verklaring dat hij onafhankelijk is van de te identificeren rechtspersoon. 4 Indien de cliënt een publiekrechtelijke rechtspersoon is, kan de identiteit, onverminderd het tweede en derde lid, tevens worden vastgesteld door een verklaring van het bestuursorgaan, indien het een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon betreft, of een verklaring van het bevoegde gezag, indien het een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon betreft. In deze verklaring, die blijkens haar dagtekening niet langer dan een jaar tevoren mag zijn afgegeven, zijn, voor zover van toepassing, in elk geval de volgende gegevens opgenomen: 1°. de datum van afgifte; 2°. van de rechtspersoon: de naam, de wettelijke regeling of het besluit waaraan de publiekrechtelijke rechtspersoon zijn rechtspersoonlijkheid ontleent, het adres met huisnummer, de plaats van vestiging en het land van zetel; 3°. van degenen die de rechtspersoon bij de instelling vertegenwoordigen: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, de functie, het document aan de hand waarvan hun identiteit is vastgesteld, alsmede het document op grond waarvan de bevoegdheid tot het vertegenwoordigen van de publiekrechtelijke rechtspersoon ten aanzien van de betreffende dienst bestaat; 4°. van degene die de verklaring namens het bestuursorgaan dan wel het bevoegde gezag afgeeft: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum en de functie. 5 De identiteit van kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen hiervan of lichamen waarin zij zijn verenigd kan, onverminderd het tweede en derde lid, tevens worden vastgesteld aan de hand van een verklaring van de organisatie waarvan het kerkgenootschap, het zelfstandig onderdeel of het lichaam deel uitmaakt. Indien het kerkgenootschap, zelfstandige onderdeel of het lichaam geen deel uitmaakt van een organisatie, kan de identiteit worden vastgesteld aan de hand van een eigen verklaring van het kerkgenootschap of het lichaam, welke verklaring blijkens haar dagtekening niet langer dan een jaar tevoren mag zijn afgegeven. In de verklaring zijn, voor zover van toepassing, in elk geval de volgende gegevens opgenomen: 1°. de datum van afgifte; 2°. van het kerkgenootschap, het zelfstandig onderdeel of het lichaam: de rechtsvorm, de naam, het adres met huisnummer, de plaats en het land van vestiging; 3°. van degenen die het kerkgenootschap, het zelfstandig onderdeel of het lichaam bij de instelling vertegenwoordigen: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, de functie bij het kerkgenootschap, het zelfstandig onderdeel of het lichaam alsmede een vermelding van het type en nummer van het document aan de hand waarvan de identiteit door het kerkgenootschap, het zelfstandig onderdeel of het lichaam is vastgesteld; 4°. van de organisatie die de verklaring afgeeft: de naam en plaats van vestiging; 5°. van degene die de verklaring namens de organisatie, het kerkgenootschap of het lichaam afgeeft: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum en de functie. 2004 300 06-07-2004 24-06-2004 29218 2004 583 18-11-2004 09-11-2004 01-01-2005
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 3 artikel 3, eerste lid artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2° In afwijking vankan een instelling de identiteit van een cliënt die niet in persoon verschijnt, vaststellen door een afschrift van één van de in, genoemde documenten, dan wel het officiële nummer van dit document te verlangen, indien met de transactie geen contant geld gemoeid is en de eerste betaling die met de dienst verband houdt wordt gedaan ten gunste of ten laste van een rekening van de cliënt bij een instelling als bedoeld in, met zetel in een van de lidstaten, die beschikt over een vergunning van de bevoegde autoriteit van die lidstaat om haar bedrijf te mogen uitoefenen, of in een staat die door Onze Minister is aangewezen. 2 Indien de identiteit wordt vastgesteld op de in het vorige lid omschreven wijze, gaat de instelling na of de identiteit van de cliënt overeenkomt met de identiteit van de cliënt ten laste of ten gunste van wiens rekening de eerste betaling, bedoeld in het vorige lid, is gedaan. 3 In afwijking van het eerste lid is geen afschrift dan wel nummer van het document vereist: a. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5° of 6° artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°of 2° artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5° artikel 2, eerste lid indien met betrekking tot de dienst, bedoeld in, de eerste premiebetaling wordt gedaan ten laste van de rekening van de cliënt bij een instelling als bedoeld in, met zetel in een van de lidstaten, die beschikt over een vergunning van de bevoegde autoriteit van die lidstaat om haar bedrijf te mogen uitoefenen, dan wel indien de uitkering uit hoofde van de levensverzekeringsovereenkomst wordt betaald ten gunste van een rekening van een cliënt bij een instelling als hiervoor bedoeld, dan wel indien de betrokken assurantietussenpersoon, bedoeld in, heeft voldaan aan de in, bedoelde verplichting; b. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5° of 6° artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2° indien met betrekking tot de dienst, bedoeld in, de premiebetaling wordt gedaan ten laste van, dan wel de uitkering uit hoofde van de levensverzekeringsovereenkomst wordt betaald ten gunste van een rekening van de cliënt bij een instelling als bedoeld in, met zetel in een staat, niet zijnde een lidstaat, die door Onze Minister is aangewezen, mits de instelling die de dienst verleent van die instelling bevestiging heeft verkregen dat de identiteitsvaststelling van de cliënt en de registratie daarvan op diens naam zijn uitgevoerd; c. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 4° of 7° indien met betrekking tot de dienst, bedoeld in, voor zover verband houdende met de handel in effecten, de eerste betaling die met de dienst verband houdt door de cliënt wordt gedaan of indien een betaling die met de dienst verband houdt aan de cliënt wordt gedaan ten laste onderscheidenlijk ten gunste van een rekening van die cliënt bij een kredietinstelling met zetel in een van de lidstaten of in een staat die door Onze Minister is aangewezen. Indien deze rekening wordt aangehouden bij een kredietinstelling die niet is gevestigd in een lidstaat of indien de in de vorige volzin bedoelde betaling wordt gedaan aan de cliënt dient de instelling van de kredietinstelling bevestiging te hebben verkregen dat de identiteitsvaststelling van die cliënt en de registratie daarvan op diens naam zijn uitgevoerd; d. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen. 4 Wet melding ongebruikelijke transacties artikel 5, vierde lid Met uitzondering van het derde lid, onderdeel a, zijn het eerste en derde lid niet van toepassing indien de financiële dienst betrekking heeft op een transactie die als een ongebruikelijke transactie in de zin van dedient te worden aangemerkt, of indien, van toepassing is. 5 Ten aanzien van de rekeningen, bedoeld in het eerste of derde lid, ten gunste of ten laste waarvan de eerste betaling die met de financiële dienst verband houdt wordt gedaan, dient identificatie te hebben plaatsgevonden overeenkomstig de bepalingen van deze wet of de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening. 2002 272 11-06-2002 16-05-2002 28255 2002 272 11-06-2002 16-05-2002 28255 01-09-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikelen 3 4 De instelling is verplicht de identiteit van de natuurlijke persoon die namens een cliënt of namens een vertegenwoordiger van een cliënt bij haar verschijnt overeenkomstig deenvast te stellen voordat zij de dienst verleent. 2 De instelling is verplicht na te gaan of de natuurlijke persoon die voor haar verschijnt voor zichzelf optreedt dan wel voor een derde. 3 artikel 3 artikel 2, eerste lid, tweede volzin artikel 2, eerste lid, tweede volzin Indien de natuurlijke persoon optreedt voor een derde is de instelling verplicht de identiteit van die derde vast te stellen met behulp van door de natuurlijke persoon over te leggen documenten, bedoeld intenzij, van toepassing is. Indien de derde optreedt voor een andere derde is de instelling verplicht de identiteit van die andere derde op dezelfde wijze vast te stellen tenzij, van toepassing is. 4 Indien de instelling weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de natuurlijke persoon die voor haar verschijnt niet voor zichzelf optreedt, dient zij redelijke maatregelen te treffen teneinde de identiteit van de cliënt voor wie hij optreedt en, ingeval van vertegenwoordiging van een cliënt door een derde van die vertegenwoordiger te achterhalen. 5 artikel 2, vijfde lid artikel 2, zesde lid Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de natuurlijke persoon een instelling is dan wel optreedt namens een instelling waarop een vrijstelling als bedoeld in, of een ontheffing als bedoeld in, van toepassing is, mits die instelling de identiteit van de derde voor wie zij optreedt overeenkomstig deze wet dan wel overeenkomstig de wet van een door Onze Minister aangewezen staat heeft vastgesteld. 6 Onze Minister kan vrijstelling en, op verzoek, ontheffing verlenen van het derde en vierde lid. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 28-12-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De instelling is verplicht de volgende gegevens vast te leggen op een zodanige wijze dat deze toegankelijk zijn: a. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het adres en de woonplaats dan wel plaats van vestiging van de cliënt en van degene te wiens name het depot of de rekening wordt gesteld, van degene die toegang tot het safe-loket zal hebben of degene te wiens name een uitbetaling of transactie wordt verricht, alsmede van hun vertegenwoordigers; b. artikel 4, derde lid de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden, behoudens indien, van toepassing is; c. de aard van de dienst; en d. 1°. b artikel 1, eerste lid, onderdeel, onder 1° in het geval van het in bewaring nemen van de in, genoemde waarden: het desbetreffende depotnummer en de marktwaarde die deze waarden vertegenwoordigen op het tijdstip van de inbewaringneming, of bij ontstentenis van een marktwaarde het bedrag dat deze waarden vertegenwoordigen, berekend volgens andere in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke waarderingsgrondslagen, of indien het bedrag dat deze waarden vertegenwoordigen in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, een nauwkeurige omschrijving van die waarden; 2°. in het geval van het openstellen van een rekening: een duidelijke omschrijving van de soort rekening en het aan die rekening toegekende nummer; 3°. in het geval van verhuur van een safe-loket: het nummer of een andere onderscheidende aanduiding van het desbetreffende safe-loket; 4°. in het geval van het verrichten van uitbetalingen ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren: het bedrag dat met de transactie is gemoeid en het desbetreffende rekeningnummer; 5°. in het geval van het sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst: het nummer van de rekening ten laste waarvan de eerste premiebetaling wordt gedaan; 6°. in het geval van het doen van een uitkering uit hoofde van een levensverzekeringsovereenkomst: het nummer van de rekening ten gunste waarvan de uitkering wordt gedaan; 7°. b artikel 1, eerste lid, onderdeel, onder 7° in het geval van een dienst als bedoeld in: het bedrag dat met de transactie is gemoeid en het desbetreffende rekeningnummer; 8°. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 8° In het geval van een dienst als bedoeld in: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde en de hoogte van het contante gedeelte van de betaling. 9°. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 9° in het geval van een dienst als bedoeld in: de op die dienst betrekking hebbende gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 28-12-2001
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 6 artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, 7° of 8° De instelling bewaart de inbedoelde gegevens op toegankelijke wijze tot vijf jaar na het beëindigen van de overeenkomst op grond waarvan de dienst is verleend of tot vijf jaar na het uitvoeren van een dienst als bedoeld in. 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 28-12-2001
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Het is de instelling verboden een dienst te verlenen indien de identiteit van de cliënt niet op de bij deze wet voorgeschreven wijze is vastgesteld. 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 28-12-2001
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a 1 artikelen 2, eerste, tweede, en zevende lid 4, eerste en tweede lid 5 6 7 8 Bij besluit van Onze Minister kunnen een of meer rechtspersonen worden aangewezen, die belast zijn met het toezicht op de naleving door de instellingen van de,,,,envan deze wet. 2 hoofdstuk 5, afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht Ten aanzien van personen die door een op grond van het eerste lid aangewezen rechtspersoon belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen, genoemd in het eerste lid, zijn de bepalingen vanvan overeenkomstige toepassing. 3 Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8b — Artikel 8b#
Artikel 8b 1 artikelen 2, eerste, tweede, en zevende lid 4, eerste en tweede lid 5 6 7 8 artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen de,,,,envan deze wet en van. 2 artikel 5:32, tweede tot en met vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Ten aanzien van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, isvan toepassing. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op de degene die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening, onderworpen is aan tuchtrechtspraak. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8c — Artikel 8c#
Artikel 8c 1 artikelen 2, eerste, tweede, en zevende lid 4, eerste en tweede lid 5 6 7 8 artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen de,,,,envan deze wet en van. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de degene die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening, onderworpen is aan tuchtrechtspraak. 3 De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8d — Artikel 8d#
Artikel 8d 1 bijlage Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald door vermenigvuldiging van het bedrag van € 5445 met de factor die van toepassing is op grond van de categorie-indeling in de. 2 bijlage Dekan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. 3 bijlage Onze Minister kan het bedrag van de bestuurlijke boete lager stellen dan in deis bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval onevenredig hoog is. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8e — Artikel 8e#
Artikel 8e Degene jegens wie Onze Minister een handeling heeft verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat deze hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal opleggen, is niet verplicht ter zake daarvan enige inlichting te verstrekken. Hij wordt hiervan door Onze Minister in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie met betrekking tot de desbetreffende overtreding wordt gevraagd. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8f — Artikel 8f#
Artikel 8f 1 Indien Onze Minister voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. 2 afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht bijlage In afwijking van, stelt Onze Minister de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in deis aangewezen. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8g — Artikel 8g#
Artikel 8g 1 Onze Minister legt de bestuurlijke boete op bij beschikking. 2 De beschikking vermeldt in ieder geval: a. het feit ter zake waarvan de bestuurlijke boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift; b. het bedrag van de bestuurlijke boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en c. artikel 8h, eerste lid de termijn, bedoeld in, waarbinnen de bestuurlijke boete moet worden betaald. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8h — Artikel 8h#
Artikel 8h 1 De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd. 2 De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken. 3 Indien de bestuurlijke boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd. 4 Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de bestuurlijke boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen. 5 Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het. 6 Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat. 7 Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist. 8 Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8i — Artikel 8i#
Artikel 8i 1 De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. 2 artikel 8c Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding van de artikelen genoemd invervalt, indien Onze Minister ter zake van die overtreding reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd. 2006 330 18-07-2006 07-07-2006 29849 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2008 4 10-01-2008 21-12-2007 01-02-2008
Artikel 8j — Artikel 8j#
Artikel 8j 1 De bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan. 2 De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8k — Artikel 8k#
Artikel 8k De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding of het daaraan voorafgegane onderzoek. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8l — Artikel 8l#
Artikel 8l Onze Minister kan het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen zonodig onder vermelding van de overwegingen die tot de kennisgeving hebben geleid. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8m — Artikel 8m#
Artikel 8m artikel 8l Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat deze zijn handelen of nalaten op grond vanter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8n — Artikel 8n#
Artikel 8n 1 artikel 8l Onze Minister geeft, indien hij voornemens is op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. 2 artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht In aanvulling opis Onze Minister niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen. 3 artikel 8l De beschikking om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval: a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht; b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht. 4 artikel 8l Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 5 artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vantreedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8o — Artikel 8o#
Artikel 8o 1 artikel 8l De bevoegdheid om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. 2 artikel 8l Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld invervalt, indien Onze Minister het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht. 2006 330 18-07-2006 07-07-2006 29849 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2008 4 10-01-2008 21-12-2007 01-02-2008
Artikel 8p — Artikel 8p#
Artikel 8p 1 artikel 8l De bevoegdheid om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaatsgehad. 2 De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8q — Artikel 8q#
Artikel 8q artikel 8l De werkzaamheden in verband met het op grond vanter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit of het daaraan voorafgegane onderzoek. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8r — Artikel 8r#
Artikel 8r artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanis voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 8s — Artikel 8s#
Artikel 8s 1 artikel 8a, eerste lid De bevoegdheden die Onze Minister op grond van dit hoofdstuk heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen die ingevolge, zijn aangewezen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk jegens Onze Minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon. 2 Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. 2006 187 20-04-2006 02-02-2006 29990 2006 211 27-04-2006 13-04-2006 01-05-2006
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 704 16-12-1993 23008 1994 48 28-01-1994 18-01-1994 01-02-1994
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening wordt ingetrokken. 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1994 358 19-05-1994 23656 1994 358 19-05-1994 23656 01-06-1994
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 1993 704 16-12-1993 23008 1994 48 28-01-1994 18-01-1994 01-02-1994
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Deze wet wordt aangehaald als: Wet identificatie bij dienstverlening. 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 2001 665 27-12-2001 13-12-2001 28018 28-12-2001
Artikel 8d#
artikel 8d