Wet van 11 november 1993, houdende regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg
- BWB-id
- BWBR0006251
- Type
- Wet
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-05
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006251
- ELI
- /eli/nl/wet/1994/wet-op-de-beroepen-in-de-individuele-gezondheidszorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1994/wet-op-de-beroepen-in-de-individuele-gezondheidszorg/2025-07-05
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006251&g=2025-07-05
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006251&z=2026-06-06&g=2025-07-05
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006251/2025-07-05
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1994/wet-op-de-beroepen-in-de-individuele-gezondheidszorg
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – andere overeenkomstsluitende staat: staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; – BIG-nummer: artikel 3, tweede lid nummer, bedoeld in; – erkend specialistenregister: artikel 14, eerste lid artikel 16 een specialistenregister ten aanzien waarvan op grond van, de specialistentitel is erkend, dan wel een specialistenregister dat op grond vanin het leven is geroepen; – geneeskunst: gebied van de individuele gezondheidszorg in het kader waarvan handelingen worden verricht, die: a. ertoe strekken een persoon van een ziekte te genezen; b. ertoe strekken een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden; c. ertoe strekken de gezondheidstoestand van een persoon te beoordelen; d. ertoe strekken verloskundige bijstand bij een persoon te verlenen; e. gericht zijn op het afnemen van bloed bij een persoon dan wel het wegnemen van weefsel, voor andere doeleinden dan die bedoeld onder a tot en met d; f. gericht zijn op het wegnemen van weefsel bij een overledene en het verrichten van sectie; g. gericht zijn op het aanbrengen, modificeren, herstructureren en wegnemen van weefsel bij een persoon, voor andere doeleinden dan die bedoeld onder a tot en met d; – individuele gezondheidszorg: zorg die rechtstreeks betrekking heeft op een persoon en ertoe strekt diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen, waaronder geneeskunst; – inspecteur: de inspecteur van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; – Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; – register: artikel 3, eerste lid artikel 36b, eerste lid een overeenkomstig, of, ingesteld register; – vooronderzoeker: artikel 66, eerste lid degene die op grond van, tot het verrichten van een vooronderzoek is aangewezen dan wel dit onderzoek als aangewezene heeft verricht. 2025 151 04-06-2025 26-05-2025 36682 2025 174 04-07-2025 30-06-2025 05-07-2025
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Er worden registers ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als: arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige, physician assistant, orthopedagoog-generalist, klinisch technoloog. 2 Bij elke inschrijving worden in het register vermeld de naam, voornamen, geslacht, geboortedatum, nationaliteit en adres van de betrokkene en het nummer en het tijdstip van inschrijving. Bij ministeriële regeling kunnen gegevens worden aangewezen die ten behoeve van het identificeren van beroepsbeoefenaren bij de inschrijving worden vermeld. 3 De naam, de voorletters, het geslacht, het BIG-nummer en het betreffende beroep en specialisme van een ingeschrevene zijn openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen andere gegevens worden aangewezen die openbaar zijn om een beroepsbeoefenaar in het register te kunnen vinden. 4 artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties artikel 12, derde lid Indien de inschrijving van een beroepsbeoefenaar plaatsvindt op basis van een gedeeltelijke toegang als bedoeld in, wordt dit bij de inschrijving aangetekend, waarbij wordt vermeld voor welke beroepswerkzaamheden de gedeeltelijke toegang geldt en onder welke beroepstitel die beroepsbeoefenaar zijn beroepswerkzaamheden op grond van, uitvoert. 5 Elk register wordt ingesteld en beheerd door Onze Minister. 6 artikel 12 artikelen 4 17 De registers worden ingesteld ten einde te kunnen voldoen aan een verzoek om informatie als bedoeld inen ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van deen. 7 hoofdstuk VII De regionale tuchtcolleges en het centraal tuchtcollege hebben voor de uitoefening van hun taak als bedoeld in, toegang tot de informatie in de registers. Bij ministeriële regeling kunnen daarover nadere regels worden gesteld. 2019 182 20-05-2019 24-04-2019 35045 2020 132 07-05-2020 24-04-2020 01-07-2020
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 48, eerste lid, onder d artikel 3, eerste lid Onverminderd, is aan degene die in een register ingeschreven staat het recht voorbehouden de in, aan de hoedanigheid waarin zij ingeschreven wordt, gegeven benaming als titel te voeren. 2 artikel 93 Het is degene wie het recht tot het voeren van een in deze wet geregelde titel niet toekomt op grond van het eerste lid, verboden deze titel, een daarop gelijkende benaming dan wel een op die titel betrekking hebbend onderscheidingsteken, aangegeven met toepassing vanof daarmee in hoofdzaak overeenstemmend, te voeren. 3 artikel 3, eerste lid Waar in deze wet of in daarop berustende bepalingen personen met een der in, vermelde benamingen worden aangeduid, worden, voor zover niet anders blijkt, daaronder verstaan degenen die in het betrokken register ingeschreven staan. 4 artikelen 17, tweede lid 34, vierde lid 36a, derde lid, tweede volzin artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Voor zover het tweede lid, en de,, en, een verbod inhouden op het voeren van een titel, is dat verbod niet van toepassing in het geval dat een beroepsbeoefenaar, aan wie op grond vangedeeltelijke toegang is verleend tot een op grond van het eerste lid aangewezen beroep, zijn beroepswerkzaamheden uitoefent onder de beroepstitel van zijn staat van herkomst of oorsprong. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a artikel 3, eerste lid artikel 36a, eerste lid artikel 36b, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze de beoefenaar van een beroep als bedoeld in, en van een beroep als bedoeld in, voor zover daarvoor een tijdelijk register als bedoeld in, is ingesteld, het publiek kenbaar maakt onder welk BIG-nummer hij is ingeschreven. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 36, veertiende lid Onze minister is bevoegd op de aanvrage tot inschrijving in een register te beslissen. Onze Minister is voorts bevoegd te beslissen op de aanvraag van een verpleegkundige tot vermelding in het register van de bevoegdheid van de aanvrager de krachtens, aangewezen UR-geneesmiddelen voor te schrijven. De vermelding houdt mede in de aanduiding van de categorie van verpleegkundigen waartoe de aanvrager behoort. Onze Minister is bevoegd een vermelding als bedoeld in de vorige volzin door te halen indien de betrokken verpleegkundige niet meer voldoet aan de krachtens artikel 36, veertiende lid, onder d, gestelde eisen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het bedrag dat voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid moet worden betaald alsmede over de wijze van indiening van een aanvrage en de daarbij te verstrekken gegevens of bescheiden, nodig voor de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag wordt zodanig bepaald dat daarmee de kosten van de behandeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden betaald. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een bedrag worden vastgesteld dat per in de maatregel aangewezen periode aan ingeschreven beroepsbeoefenaren in rekening wordt gebracht voor het ingeschreven zijn in het register. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag wordt zodanig bepaald dat daarmee de kosten, verbonden aan het in het register ingeschreven zijn, worden gedekt. 4 artikel 6, onderdeel f Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De inschrijving wordt geweigerd: a. hoofdstuk III indien de aanvrager niet voldoet aan de inbedoelde opleidingseisen; b. indien de aanvrager ingevolge in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld wegens lichamelijke of geestelijke toestand; c. indien de aanvrager ingevolge rechterlijke uitspraak ontzet is van het recht het betrokken beroep uit te oefenen; d. indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet jegens de aanvrager genomen maatregel; e. indien ten aanzien van de aanvrager een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is op grond waarvan de aanvrager zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren, f. indien de aanvrager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst om zijn beroep in Nederland uit te kunnen oefenen. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De inschrijving wordt doorgehaald: a. in geval van overlijden van de ingeschrevene; b. op verzoek van de ingeschrevene; c. artikel 6, onder b of c indien de ingeschrevene in een der in, genoemde omstandigheden is komen te verkeren; d. indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet jegens de ingeschrevene genomen maatregel; e. indien ten aanzien van de ingeschrevene een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren; f. Wet medisch tuchtrecht BES indien zulks voortvloeit uit een maatregel, berustend op een op grond van deopgelegde maatregel, op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 6, onderdeel e artikel 7, onderdeel e Onze Minister kan, en, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2 artikel 10 artikel 9, tweede lid, onderdeel a Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van besluiten, bedoeld in, die strekken tot het plaatsen van een aantekening als bedoeld in. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de inschrijving in een bij de maatregel aangewezen register wordt doorgehaald indien na de in het tweede lid bedoelde datum een bij de maatregel aangegeven periode is verstreken. 2 De in het eerste lid bedoelde datum is de meest recente van de volgende data: a. hoofdstuk III VI artikel 41, eerste lid, onder b Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties de datum waarop de ingeschrevene een bij of krachtensofaangewezen getuigschrift of een in, bedoelde verklaring of de datum waarop de ingeschrevene een diploma heeft behaald op grond waarvan de ingeschrevene een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in deheeft verkregen; b. artikel 14, eerste lid de naar aanleiding van een aanvrage van de ingeschrevene in het register aangetekende datum voorafgaand waaraan hij in de in het eerste lid bedoelde periode overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels met goed gevolg scholing heeft afgerond of de datum van toelating tot een opleiding die leidt tot een wettelijk erkend specialisme als bedoeld in; c. de naar aanleiding van een aanvrage van de ingeschrevene in het register aangetekende datum voorafgaande waaraan de ingeschrevene op het desbetreffende gebied van de beroepsuitoefening werkzaamheden heeft verricht die wat betreft duur in de in het eerste lid bedoelde periode voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen. 3 artikel 15, eerste lid In afwijking van het eerste lid wordt de inschrijving van een specialist, waarvoor een regeling geldt als bedoeld in, in het in het eerste lid bedoelde register niet doorgehaald zolang deze als specialist is ingeschreven in een erkend specialistenregister. 4 artikel 5 Op een aanvrage als bedoeld in het tweede lid, onder b of c, isvan overeenkomstige toepassing. 5 De doorhaling blijft achterwege zolang niet is beslist op een reeds ingediende aanvrage tot aantekening van een datum als bedoeld in het tweede lid, onder b of c. 6 artikel 6 Ingeval ten aanzien van een bepaald register toepassing is gegeven aan het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in, inschrijving in dat register geweigerd indien de aanvrager niet in de krachtens het eerste lid vastgestelde periode, voorafgaande aan de indiening van de aanvrage tot inschrijving, een getuigschrift, een verklaring of een diploma als bedoeld in het tweede lid heeft verkregen dan wel een scholing of tijdvak van werkzaamheid als bedoeld in dat lid heeft afgesloten. 7 Onze Minister kan: a. c eisen vaststellen waaraan de aard van de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder, voor de toepassing van dit artikel moeten voldoen; b. al dan niet op het gebied van de individuele gezondheidszorg liggende werkzaamheden aanwijzen die voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het desbetreffende gebied der beroepsuitoefening. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 In het register wordt, indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet genomen maatregel of besluit, een aantekening geplaatst van: a. artikel 48, elfde lid een opgelegde berisping indien dit op grond van, door het regionale tuchtcollege of het centraal tuchtcollege is beslist; b. artikel 48, elfde lid een opgelegde geldboete indien dit op grond van, door het regionale tuchtcollege of het centraal tuchtcollege is beslist; c. artikel 48, eerste lid, onder d de schorsing van de bevoegdheid, bedoeld in; d. de voorwaarden die zijn opgelegd; e. de gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid het betrokken beroep uit te oefenen; f. artikel 7, onder c, d of e de doorhaling van de inschrijving in het register op grond van; g. de ontzegging van het recht wederom in het register te worden ingeschreven; h. het eindigen van een schorsing, anders dan ten gevolge van het verstrijken van de in een maatregel vastgestelde tijdsduur; i. het niet langer gelden van de onder e bedoelde voorwaarden, anders dan ten gevolge van het verstrijken van de proeftijd, en van de onder f bedoelde ontzegging; j. artikel 5 artikel 36, veertiende lid de bevoegdheid van een krachtensaangewezen beroepsbeoefenaar om de krachtens, aangewezen UR-geneesmiddelen voor te schrijven, onder vermelding van de categorie van beroepsbeoefenaren waartoe de betrokken beroepsbeoefenaar behoort; k. artikel 48, tweede lid de op grond van, opgelegde beperkingen met betrekking tot het beroepsmatig handelen op het gebied van de individuele gezondheidszorg; l. artikel 48a, tweede lid de beslissing als bedoeld in, tot de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke maatregel; m. artikel 85a de last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten, bedoeld in. 2 In het register wordt ten aanzien van een geregistreerd of voormalig geregistreerd beroepsbeoefenaar een aantekening geplaatst van: a. een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de beroepsbeoefenaar zijn rechten ter zake van de uitoefening van het recht het betrokken beroep uit te oefenen in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel of gedeeltelijk heeft verloren. Indien die rechterlijke uitspraak tevens inhoudt een beperking in het recht om andere beroepen in de individuele gezondheidszorg uit te oefenen, wordt die beperking eveneens aangetekend. b. Wet medisch tuchtrecht BES een op grond van degegeven tuchtrechtelijke beslissing op grond waarvan de beroepsbeoefenaar zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep op Bonaire, St. Eustatius en Saba tijdelijk of blijvend geheel of gedeeltelijk dan wel voorwaardelijk heeft verloren. Indien die tuchtrechtelijk beslissing tevens inhoudt een beperking in het recht om andere beroepen in de individuele gezondheidszorg uit te oefenen, wordt die beperking eveneens aangetekend. 3 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg In het register wordt een aantekening geplaatst van een aan de beroepsbeoefenaar op grond van degegeven bevel of aanwijzing, indien dat bevel of die aanwijzing inhoudt dat aan de betrokkene een beperking is opgelegd in de uitoefening van het betrokken beroep. 4 In het register wordt ten aanzien van een geregistreerd of voormalig geregistreerd beroepsbeoefenaar een aantekening geplaatst van: a. rechterlijke uitspraken inhoudende de ontzetting van of beperking op het recht het betrokken beroep uit te oefenen. Indien die rechterlijke uitspraak tevens inhoudt een ontzetting van of beperking in het recht om ook andere beroepen in de individuele gezondheidszorg uit te oefenen, wordt die ontzetting of beperking eveneens aangetekend. b. artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een op grond vangestelde bijzondere voorwaarde waaruit een inperking voortvloeit van de bevoegdheid het betrokken beroep uit te oefenen. Indien die bijzondere voorwaarde tevens inhoudt een beperking van de bevoegdheid om andere beroepen in de individuele gezondheidszorg uit te oefenen, wordt die inperking eveneens aangetekend. 5 Bij een aantekening als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid wordt vermeld: a. de datum waarop van de schorsing een aantekening wordt geplaatst alsmede de duur van de schorsing, indien die reeds bekend is; b. de datum waarop de berisping, de geldboete, de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, de ontzegging, de doorhaling, de ontzegging van het recht op wederinschrijving, de last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten of het bevel of de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, zijn gaan gelden alsmede, ingeval de voorwaarden of de in het tweede lid bedoelde maatregel tot een proeftijd zijn beperkt, de duur daarvan dan wel c. de datum waarop de schorsing of de last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten is geëindigd of vanaf welke de in eerste lid bedoelde voorwaarden of de in het tweede en derde lid bedoelde maatregelen niet langer gelden. 6 Wet medisch tuchtrecht BES Indien de in het tweede lid bedoelde aantekening in het register is geplaatst, geldt de in het buitenland dan wel de op grond van deopgelegde bevoegdheidsbeperking ook voor de beroepsuitoefening in Nederland. 7 artikel 48, eerste lid, onder b en c De in het eerste, tweede, derde, vierde en achtste lid bedoelde aantekening wordt gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn in het register vermeld en daarbij wordt indien bekend de aard van het verwijt vermeld dat tot de aantekening heeft geleid, alsmede een met redenen omklede toelichting op een genomen maatregel als bedoeld in. 8 artikel 7, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet medisch tuchtrecht BES In het register wordt voorts een aantekening geplaatst van een maatregel als bedoeld in, indien dit op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet medisch tuchtrecht BES, door het College is beslist. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Iedere inschrijving, aantekening of doorhaling in een register geschiedt op grond van een daartoe strekkende gedagtekende beschikking. 2 artikel 14 van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg artikel 7.2.7 van de Jeugdwet Onze Minister zendt een afschrift van een beschikking als bedoeld in het eerste lid aan de beheerder van het register van zorgaanbieders, bedoeld inen, indien de inschrijving, aantekening of doorhaling een arts, een psychotherapeut of een orthopedagoog-generalist betreft, de beheerder van de autorisatielijst van jeugdhulpaanbieders, bedoeld in. 2019 288 04-09-2019 10-07-2019 35087 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Onze Minister draagt zorg voor openbare kennisgeving van: a. artikel 9 hetgeen op grond vanin het register is aangetekend en vermeld, met dien verstande dat van de aan een beroepsbeoefenaar opgelegde voorwaarden uitsluitend wordt kennisgegeven in de bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen; b. artikel 48, eerste lid, onderdelen b en c artikel 36a, zesde lid de maatregelen bedoeld in, welke op grond van, zijn opgelegd; c. de wederinschrijving van een persoon ingeval op grond van onderdeel a openbaar kennis is gegeven van een eerdere doorhaling van de voorafgaande wederinschrijving van die persoon. 2 Staatscourant In de openbare kennisgeving worden de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld. Bij de openbare kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c, wordt eveneens het BIG-nummer vermeld. De openbare kennisgeving geschiedt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze en voor de daarbij vast te stellen duur, met dien verstande dat de kennisgeving in ieder geval in degeschiedt. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Aan de betrokkene wordt op diens verlangen medegedeeld wat te zijnen aanzien in het register vermeld staat. 2 Aan een ieder die zulks verlangt, wordt medegedeeld: a. artikel 3, derde lid of een persoon in een register ingeschreven staat alsmede de ten aanzien van die persoon opgenomen gegevens die bij ministeriële regeling op grond van, zijn aangewezen; b. artikel 9 hetgeen ten aanzien van een beroepsbeoefenaar op grond vanin het register is aangetekend en vermeld, met dien verstande dat van de aan een beroepsbeoefenaar opgelegde voorwaarden uitsluitend mededeling wordt gedaan in de bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. 3 De verstrekking van mededelingen, bedoeld in het tweede lid, anders dan aan bestuursorganen en daaronder ressorterende diensten, geschiedt, voor zover zij schriftelijk plaats vindt, tegen betaling van een vergoeding volgens een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tarief. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Noodwet geneeskundigen Wet marktordening gezondheidszorg De in de registers opgenomen gegevens kunnen tevens worden gebruikt ten behoeve van de uitvoering van de, deen de toezending van informatie, de volksgezondheid betreffende, door de Inspectie gezondheidszorg en jeugd of door andere door Onze Minister aangewezen bestuursorganen aan de in registers ingeschreven personen. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 hoofdstuk 11 van de Wet bescherming persoonsgegevens artikel 31a, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties artikel 3 34 36a Onverminderdkan Onze Minister besluiten de bevoegde autoriteiten van andere staten dan de staten bedoeld inonverwijld in kennis te stellen van een in Nederland door een rechterlijke instantie of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie aan een beroepsbeoefenaar opgelegd verbod of een opgelegde beperking van een beroep dat op grond van,ofis gereguleerd. 2 Een kennisgeving op grond van een besluit als bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden indien het opgelegd verbod of de opgelegde beperking van kracht is en Onze Minister over informatie beschikt waaruit blijkt dat de beroepsbeoefenaar in de staat waaraan de kennisgeving wordt gedaan woonachtig is, woonachtig is geweest, zijn beroep heeft uitgeoefend, uitoefent of voornemens is uit te oefenen. 3 De kennisgeving bevat de volgende gegevens: a. naam, adres, woonplaats, geboortedatum van de beroepsbeoefenaar; b. het betrokken beroep; c. de instantie die het verbod of de beperking heeft opgelegd; d. de reikwijdte van de beperking of het verbod; en e. de periode gedurende welke de beperking of het verbod van kracht is. 4 De instanties, bedoeld in het eerste lid, verstrekken Onze Minister de gegevens, bedoeld in het derde lid. 5 Indien een verbod of een beperking is ingesteld voor onbepaalde tijd, stelt Onze Minister de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, onverwijld in kennis van de beëindiging daarvan. 6 Indien tegen een op grond van het eerste lid genomen besluit bezwaar of beroep aanhangig wordt gemaakt, deelt Onze Minister dit mede aan de bevoegde autoriteiten van de landen die op grond van het eerste lid in kennis zijn gesteld. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b 1 artikel 31a, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Indien bij besluit van Onze Minister inschrijving in een register is geweigerd, de afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid wordt geweigerd of een beroepsbeoefenaar de bevoegdheid zijn beroep uit te oefenen heeft verloren omdat hij de aanvraag tot inschrijving of tot afgifte van een verklaring gebaseerd heeft op valse kwalificaties, kan Onze Minister besluiten, onverminderd de hoofdstuk V van de Algemene verordening gegevensbescherming, de bevoegde autoriteiten van andere staten dan de staten bedoeld in, daarvan in kennis stellen. 2 Artikel 13a, tweede tot en met zesde lid , zijn van overeenkomstige toepassing. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c 1 artikel 3, tweede lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het nummer, bedoeld in, wordt gebruikt ter bevordering van transparantie inzake financiële betrekkingen tussen beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en bedrijven in een daartoe gehouden register. 2 Bij toepassing van het eerste lid, zendt Onze Minister jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het in het eerste lid bedoelde register. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019 Voorheen art. 13a.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 3 Indien een organisatie van beoefenaren van een beroep als bedoeld in, voor de inschrijving van beroepsbeoefenaren die een bijzondere deskundigheid hebben verworven met betrekking tot de uitoefening van een deelgebied van hun beroep, een specialistenregister heeft en daaraan een titel is verbonden, kan Onze Minister bepalen dat die titel als wettelijk erkende specialistentitel wordt aangemerkt. Een aanvraag daartoe wordt gedaan door het bestuur van de organisatie; het bestuur kan de bevoegdheid daartoe overdragen aan het orgaan, bedoeld in het tweede lid, onder d. 2 Een dergelijk besluit neemt Onze Minister uitsluitend indien dat wenselijk is ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg en indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de organisatie is, naar het oordeel van Onze Minister, voldoende representatief voor de beoefenaren van het betrokken beroep; b. de organisatie is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid; c. de organisatie stelt regels waarin in ieder geval worden vastgelegd – de procedure voor de besluitvorming binnen de organisatie met betrekking tot het instellen van een specialistenregister, – de taken en samenstelling van de verschillende organen en – het bedrag dat, ter dekking van de kosten, voor de behandeling van een aanvraag voor inschrijving en voor erkenning van een opleidingsinstelling, onderscheidenlijk opleider, is verschuldigd; d. de organisatie kent een orgaan dat – belast is met het besluit tot instelling van een specialistenregister, en – regels stelt met betrekking tot de eisen die gesteld worden aan de inschrijving als specialist en aan de erkenning van opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk opleiders, voor een specialisme; e. de organisatie kent tevens een orgaan dat is belast met – de inschrijving van specialisten, – de erkenning van opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk de opleiders en – het toezicht op de uitvoering van de regels door de erkende opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk opleiders. 3 Een door een orgaan als bedoeld in het tweede lid, onder d, vastgestelde regeling is in overeenstemming met de bij of krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gestelde regels en de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86). 4 De regelingen, bedoeld in het tweede lid, onder c en d, behoeven de instemming van Onze Minister; de instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 5 Inschrijving in een erkend specialistenregister is niet afhankelijk van het lidmaatschap van de organisatie. 6 Inschrijving in een erkend specialistenregister is uitsluitend mogelijk voor personen die in het betrokken register zijn ingeschreven. 7 Aan een ieder die zulks verlangt wordt door de beheerder van een erkend specialistenregister meegedeeld of een persoon in het specialistenregister is ingeschreven. 8 Onze Minister kan een orgaan als bedoeld in het tweede lid, onder d, met betrekking tot de in dit artikel bedoelde taken in verband met bindende besluiten van de Europese Gemeenschap alsmede ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg aanwijzingen geven. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij het betrokken orgaan. Een aanwijzing kan niet inhouden dat een specialistenregister voor een bepaald deelgebied tot stand dient te worden gebracht. Een aanwijzing heeft geen betrekking op een individuele specialist, opleidingsinstelling of opleider. 9 Onze Minister kan een op grond van het eerste lid genomen besluit intrekken indien niet meer wordt voldaan aan het bepaalde in dit artikel. 10 Het orgaan, bedoeld in het tweede lid, onder d, verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 11 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Deis van toepassing op een orgaan als bedoeld in het tweede lid, onder e, voor zover dit orgaan werkzaamheden uitoefent met betrekking tot een erkend specialistenregister. In afwijking van de eerste volzin isniet van toepassing, voor zover het besluiten betreft ter zake van de inschrijving. 12 In de Staatscourant wordt mededeling gedaan van: a. de besluiten van Onze Minister krachtens het eerste, vierde, achtste en negende lid; b. vaststelling en wijziging van een regeling als bedoeld in het tweede lid, onder c en d. 13 Het vierde en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een regeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, voor zover die strekt tot wijziging van de bedragen, bedoeld in dat onderdeel, overeenkomstig de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige wijziging van de bedragen en de organisatie mededeling doet van de wijziging van de bedragen op de eigen website en de bedragen op de website plaatst. 2024 291 18-10-2024 02-10-2024 36357 2024 322 05-11-2024 23-10-2024 01-01-2025
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 14, tweede lid, onder d Een regeling als bedoeld in, kan mede inhouden dat degene die de opleiding tot specialist heeft voltooid wordt ingeschreven als specialist voor een bij de regeling bepaalde periode en dat een aansluitende hernieuwde inschrijving slechts plaatsvindt indien de specialist gedurende een bij die regeling bepaald tijdvak, voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot hernieuwde inschrijving, regelmatig op het desbetreffende deelgebied van de beroepsuitoefening werkzaam is geweest dan wel het beroep zal uitoefenen onder de bij de hernieuwde inschrijving aan te geven scholingsvoorwaarden. 2 Indien in een regeling toepassing is gegeven aan het eerste lid kunnen in die regeling: a. eisen worden vastgesteld waaraan de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, voor de toepassing van dat lid moeten voldoen; b. al dan niet op het gebied van de individuele gezondheidszorg liggende werkzaamheden worden aangewezen die voor de toepassing van het eerste lid worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het desbetreffende deelgebied der beroepsuitoefening; c. tevens eisen worden gesteld ter zake van deelname aan deskundigheidsbevorderende activiteiten gedurende de in het eerste lid bedoelde periode van werkzaam zijn. 3 Een regeling als bedoeld in het eerste lid biedt aan degene die niet opnieuw als specialist wordt ingeschreven vanwege het niet voldoen aan de daartoe gestelde eisen, de mogelijkheid wederom als specialist te worden ingeschreven zodra door het volgen van scholing, die is afgestemd op het kennis- en vaardigheidsniveau van betrokkene, opnieuw wordt voldaan aan de eisen voor zodanige inschrijving. 4 artikel 14, eerste lid In gevallen waarin toepassing is gegeven aan, is de beroepsorganisatie gehouden van elke inschrijving als specialist en van elke doorhaling van een zodanige inschrijving opgave te doen aan Onze Minister. Van elke inschrijving en van elke doorhaling van een inschrijving wordt een gedagtekende aantekening in het register geplaatst. Indien een inschrijving als specialist is doorgehaald op grond van een regeling als bedoeld in het eerste lid, vindt de in de eerste en tweede volzin bedoelde opgave, onderscheidenlijk aantekening, alleen plaats indien de desbetreffende persoon niet binnen vier weken na de doorhaling wederom als specialist is ingeschreven. 5 artikel 12, tweede lid Onverminderd hetgeen ingevolge, met betrekking tot de ingeschrevene geldt, wordt aan een ieder die zulks verlangt, medegedeeld of de betrokkene is ingeschreven als specialist. 6 Doorhaling van een inschrijving in het register of schorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijving verbonden rechten uit te oefenen, heeft tot gevolg dat de inschrijving van de betrokkene als specialist is vervallen, onderscheidenlijk dienovereenkomstig is geschorst. Van elke doorhaling of schorsing wordt mededeling gedaan aan de betrokken organisatie. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 artikel 3 Artikel 15 Indien op een bepaald deelgebied van een beroep als bedoeld ingeen erkend specialistenregister bestaat en zulks in verband met bindende besluiten van de Europese Gemeenschap wel noodzakelijk is, dan wel dat ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg gewenst is, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter zake regels worden gesteld.is op een bij die regels in het leven geroepen specialistenregister van overeenkomstige toepassing. 2006 472 24-10-2006 28-09-2006 30207 2006 639 14-12-2006 20-11-2006 15-12-2006
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het recht om een specialistentitel te voeren is voorbehouden aan degenen die zijn ingeschreven in het desbetreffende erkende specialistenregister. 2 Het is degene wie het recht tot het voeren van een krachtens deze wet erkende specialisten-titel niet toekomt op grond van het eerste lid, verboden deze titel of een daarop gelijkende benaming te voeren. 3 artikelen 4, tweede lid 34, vierde lid 36a, derde lid, tweede volzin artikel 14, eerste lid Voor zover het tweede lid, en de,, en, een verbod inhouden op het voeren van een titel, is dat verbod niet van toepassing in het geval dat een beroepsbeoefenaar met toepassing van artikel 4 septies van Richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255) door een organisatie als bedoeld in, gedeeltelijk is toegelaten tot een beroep waarvan de beoefenaar de bevoegdheid heeft een titel te voeren, en die beroepsbeoefenaar zijn beroepswerkzaamheden uitoefent onder de beroepstitel van zijn staat van herkomst of oorsprong. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Om in het desbetreffende register als arts te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 1992 593 08-10-1992 21073 1994 803 02-11-1994 23558 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 Treedt in werking als de artikelen 18, 20 en 22 van de wet in
werking treden.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Tot het gebied van deskundigheid van de arts wordt gerekend het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst. 2 Geneesmiddelenwet In de gevallen waarin een huisarts dan wel een arts die in die hoedanigheid in dienst is van het Ministerie van Defensie, op grond van debevoegd is geneesmiddelen te bereiden of ter hand te stellen, behoort het bereiden of ter hand stellen mede tot het gebied van zijn deskundigheid. 2018 175 19-06-2018 25-05-2018 34694 2018 407 15-11-2018 31-10-2018 01-01-2019
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Om in het desbetreffende register als tandarts te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 1992 593 08-10-1992 21073 1994 803 02-11-1994 23558 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 Treedt in werking als de artikelen 18, 20 en 22 van de wet in
werking treden.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Tot het gebied van deskundigheid van de tandarts wordt gerekend het verrichten van handelingen op het gebied van de tandheelkunst. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Om in het desbetreffende register als apotheker te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 1992 593 08-10-1992 21073 1994 803 02-11-1994 23558 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 Treedt in werking als de artikelen 18, 20 en 22 van de wet in
werking treden.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 1, eerste lid, onder ll, van de Geneesmiddelenwet Tot het gebied van deskundigheid van de apotheker worden gerekend het bereiden van geneesmiddelen, het bewaren van geneesmiddelen onder de daarvoor volgens de stand van de wetenschap geschikte omstandigheden, het ter hand stellen, bedoeld in, het geven van advies aan de patiënten aan wie geneesmiddelen ter hand worden gesteld over het gebruik daarvan, het bewaken van het gebruik van de aan patiënten ter hand gestelde geneesmiddelen. 2007 93 20-03-2007 08-02-2007 29359 2007 227 28-06-2007 18-06-2007 01-07-2007
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Om in het desbetreffende register als gezondheidszorgpsycholoog te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 2002 220 16-05-2002 18-04-2002 28222 2002 328 27-06-2002 14-06-2002 28222 01-07-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Tot het gebied van deskundigheid van de gezondheidszorgpsycholoog wordt gerekend het verrichten van psychologisch onderzoek, het beoordelen van de resultaten daarvan alsmede het toepassen van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen psychologische behandelingsmethoden ten aanzien van een persoon met het oog op diens gezondheidstoestand. 2002 220 16-05-2002 18-04-2002 28222 2002 328 27-06-2002 14-06-2002 28222 01-07-2002
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Om in het desbetreffende register als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 2 artikel 14 artikel 16 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een bewijs van een krachtensonderscheidenlijkverleende erkenning als specialist op een bij de maatregel aangewezen deelgebied van de uitoefening van een beroep waarop een register betrekking heeft. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1998 157 24-03-1998 17-03-1998 01-04-1998
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Tot het gebied van deskundigheid van de psychotherapeut wordt gerekend het onderzoeken en het volgens bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen methoden beïnvloeden van stemmingen, gedragingen en houdingen van een persoon met een psychische stoornis, afwijking of klacht, teneinde deze te doen verdwijnen of te verminderen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1998 157 24-03-1998 17-03-1998 01-04-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Om in het desbetreffende register als fysiotherapeut te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Tot het gebied van deskundigheid van de fysiotherapeut wordt gerekend het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het gebied van de fysiotherapie, voor zover zij liggen op het gebied van de geneeskunst. 2 Tot het gebied van deskundigheid van de fysiotherapeut wordt mede gerekend het verrichten van handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheidstoestand te bevorderen of te bewaken, welke overeenkomen met de krachtens het eerste lid omschreven handelingen, doch niet liggende op het gebied van de geneeskunst. 2005 525 01-11-2005 06-10-2005 30124 2005 649 20-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Om in het desbetreffende register als verloskundige te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Tot het gebied van deskundigheid van de verloskundige wordt gerekend het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het gebied van de verloskunst alsmede het verrichten van bij de maatregel te omschrijven andere handelingen, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de maatregel te stellen. Bij of krachtens de maatregel kunnen geneesmiddelen of medische hulpmiddelen worden aangewezen waarvan het voorschrijven, toedienen onderscheidenlijk toepassen tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige behoort en kan apparatuur worden aangewezen waarvan het gebruik tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige behoort. 2013 560 20-12-2013 04-12-2013 33507 2014 62 13-02-2014 03-02-2014 15-02-2014
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Wet educatie en beroepsonderwijs Om in het desbetreffende register als verpleegkundige te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen dan wel voor zover het betreft het diploma van een beroepsopleiding als bedoeld in de, voldoet aan de bij en krachtens die wet voor de afgifte van dat diploma gestelde vereisten. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Tot het gebied van deskundigheid van de verpleegkundige wordt gerekend: a. het verrichten van handelingen op het gebied van observatie, begeleiding, verpleging en verzorging; b. het ingevolge opdracht van een beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten van handelingen in aansluiting op diens diagnostische en therapeutische werkzaamheden. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1995 559 28-11-1995 14-11-1995 01-12-1995
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a Om in het betreffende register als physician assistant te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 2017 374 13-10-2017 04-10-2017 34630 2018 130 11-05-2018 19-04-2018 01-09-2018
Artikel 33b — Artikel 33b#
Artikel 33b Tot het gebied van deskundigheid van de physician assistant wordt gerekend het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het deelgebied van de geneeskunst waarbinnen de physician assistant is opgeleid, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de maatregel te stellen. Deze handelingen omvatten het onderzoeken, behandelen en begeleiden van patiënten met veel voorkomende aandoeningen binnen dat deelgebied van de geneeskunst. 2017 374 13-10-2017 04-10-2017 34630 2018 130 11-05-2018 19-04-2018 01-09-2018
Artikel 33c — Artikel 33c#
Artikel 33c Om in het betreffende register als klinisch technoloog te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 2019 182 20-05-2019 24-04-2019 35045 2020 132 07-05-2020 24-04-2020 01-07-2020
Artikel 33d — Artikel 33d#
Artikel 33d 1 Tot het gebied van deskundigheid van de klinisch technoloog wordt gerekend: a. het optimaliseren van bestaande technisch medische handelingen alsmede het ontwerpen en ontwikkelen van nieuwe diagnostische methoden en therapieën met behulp van technologie. b. het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen binnen het technisch medische deelgebied van de geneeskunst waarin de klinisch technoloog is opgeleid, een en ander met inachtneming van de beperkingen bij de maatregel te stellen. 2019 182 20-05-2019 24-04-2019 35045 2020 132 07-05-2020 24-04-2020 01-07-2020
Artikel 33e — Artikel 33e#
Artikel 33e Om in het desbetreffende register als orthopedagoog-generalist te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. 2019 288 04-09-2019 10-07-2019 35087 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 33f — Artikel 33f#
Artikel 33f Tot het gebied van deskundigheid van de orthopedagoog-generalist wordt gerekend het verrichten van onderzoek en diagnostiek en het behandelen en begeleiden van zich in een persoonlijke afhankelijkheidsrelatie bevindende personen met leer-, gedrags-, en ontwikkelingsproblemen. 2019 288 04-09-2019 10-07-2019 35087 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan ter bevordering van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg de opleiding tot een bij de maatregel aangewezen beroep worden geregeld of aangewezen. 2 Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt tevens bij de maatregel het gebied van deskundigheid omschreven van personen die de krachtens het eerste lid geregelde of aangewezen opleiding hebben voltooid. Bij of krachtens de maatregel kunnen geneesmiddelen worden aangewezen waarvan het toedienen tot het deskundigheidsgebied behoort van personen, die de krachtens het eerste lid geregelde of aangewezen opleiding hebben voltooid, en kan apparatuur worden aangewezen waarvan het gebruik tot het deskundigheidsgebied behoort van personen, die de krachtens het eerste lid geregelde of aangewezen opleiding hebben voltooid. 3 Aan degenen die de krachtens het eerste lid geregelde of aangewezen opleiding tot dat beroep hebben voltooid, is het recht voorbehouden een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven titel te voeren. 4 artikel 93 Het is degene wie het recht tot het voeren van een krachtens het derde lid geregelde titel niet toekomt, verboden deze titel, een daarop gelijkende benaming dan wel een op die titel betrekking hebbend onderscheidingsteken, aangegeven met toepassing vanof daarmee in hoofdzaak overeenstemmend, te voeren. 5 artikelen 4, tweede lid 17, tweede lid 36a, derde lid, tweede volzin artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Voor zover het vierde lid, en de,, en, een verbod inhouden op het voeren van een titel, is dat verbod niet van toepassing in het geval dat een beroepsbeoefenaar aan wie op grond vangedeeltelijke toegang is verleend tot een beroep als bedoeld in het eerste lid, zijn beroepswerkzaamheden uitoefent onder de beroepstitel van zijn staat van herkomst of oorsprong. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 36 Het is anderen dan de op grond van dit hoofdstuk aangewezen personen in de bij of krachtens dit hoofdstuk aangewezen gevallen, verboden om buiten noodzaak beroepsmatig de handelingen, genoemd in, te verrichten ten aanzien van personen, tenzij: a. artikelen 36 36a, eerste lid 37, eerste lid zulks geschiedt ingevolge een opdracht van een persoon die zijn bevoegdheid ontleent aan het bepaalde bij of krachtens de,, of; b. hij redelijkerwijs mag aannemen dat hij beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk uitvoeren van de opdracht; en c. hij, voor zover de opdrachtgever aanwijzingen heeft gegeven, handelt overeenkomstig die aanwijzingen. 2 Met inachtneming van het eerste lid is de opdrachtnemer bevoegd tot het verrichten van de in het eerste lid bedoelde handeling. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a 1 artikel 36 De op grond vanbevoegde personen zijn tot het verrichten van de handelingen, genoemd in artikel 36, uitsluitend bevoegd voor zover zij redelijkerwijs mogen aannemen dat zij beschikken over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van die handelingen. 2 artikelen 35, eerste lid, onder a 38 39 artikel 36 Indien de bevoegde personen niet voldoen aan het vereiste van bekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, worden zij voor de toepassing van de,en, aangemerkt als personen die hun bevoegdheid ontlenen aan het bijbepaalde. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Tot het verrichten van heelkundige handelingen - waaronder worden verstaan handelingen, liggende op het gebied van de geneeskunst, waarbij de samenhang der lichaamsweefsels wordt verstoord en deze zich niet direct herstelt - zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b, c, d en f genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de tandartsen, c. de verloskundigen, d. de physician assistants, e. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, f. de klinisch technologen, 2 Tot het verrichten van verloskundige handelingen zijn bevoegd: a. de artsen, b. hoofdstuk III de verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. 3 Tot het verrichten van endoscopieën zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de physician assistants, c. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, 4 Tot het verrichten van catheterisaties zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b, c en e genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de verloskundigen, c. de physician assistants, d. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, e. de klinisch technologen, 5 Tot het geven van injekties zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b, c, d en f genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de tandartsen, c. de verloskundigen, d. de physician assistants, e. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, f. de klinisch technologen, 6 Tot het verrichten van punkties zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b, c en e genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de verloskundigen, c. de physician assistants, d. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, e. de klinisch technologen, 7 Tot het brengen onder narcose zijn bevoegd: a. de artsen, b. hoofdstuk III de tandartsen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bijbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. 8 Tot het verrichten van handelingen, op het gebied van de individuele gezondheidszorg, met gebruikmaking van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden, zijn bevoegd: Kernenergiewet Stb. hoofdstuk III doch uitsluitend voor zover zij voldoen aan de krachtens de(1963, 82) ter zake van het gebruiken van zodanige stoffen en toestellen gestelde eisen, alsmede, voor zover het betreft tandartsen en klinisch technologen, uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bijbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de tandartsen, c. de klinisch technologen, 9 Tot het verrichten van electieve cardioversie zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de physician assistants, c. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, 10 Tot het toepassen van defibrillatie zijn bevoegd: hoofdstuk III doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. a. de artsen, b. de physician assistants, c. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, 11 Tot het toepassen van electroconvulsieve therapie zijn bevoegd: de artsen. 12 Tot steenvergruizing voor geneeskundige doeleinden zijn bevoegd: de artsen. 13 Tot het verrichten van handelingen ten aanzien van menselijke geslachtscellen en embryo's, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand brengen van een zwangerschap, zijn bevoegd: de artsen. 14 artikel 1, eerste lid, onder s, van de Geneesmiddelenwet Tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld inzijn bevoegd: a. de artsen; b. de tandartsen; c. hoofdstuk III de verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid; d. verpleegkundigen, die behoren tot een ter bevordering van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg bij ministeriële regeling aan te wijzen categorie, doch dezen uitsluitend: 1°. voor zover een onder a, b of c bedoelde beroepsbeoefenaar de diagnose heeft gesteld met betrekking tot de patiënt voor wie het geneesmiddel is bestemd, 2°. voor zover medische protocollen en standaarden ter zake van het voorschrijven van UR-geneesmiddelen worden gevolgd, 3°. binnen de bij de regeling te stellen beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de in de aanhef bedoelde bevoegdheid, en 4°. voor zover van die bevoegdheid een aantekening in het register is gemaakt; e. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen, f. hoofdstuk III de physician assistants, doch deze uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtensbepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. 15 Het ontwerp van de ministeriële regeling, bedoeld in het veertiende lid, onder d, treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal. 2019 182 20-05-2019 24-04-2019 35045 2020 132 07-05-2020 24-04-2020 01-07-2020
Artikel 36a — Artikel 36a#
Artikel 36a 1 artikel 36 artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van de Geneesmiddelenwet Bij algemene maatregel van bestuur kan in afwijking vanvan deze wet en vanbij wijze van experiment worden bepaald, dat voor een termijn van maximaal vijf jaar een bij de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren, die werkzaam is op het gebied van de individuele gezondheidszorg en die met goed gevolg een bij de maatregel aangewezen opleiding met betrekking tot de aan te wijzen voorbehouden handeling heeft afgerond, wordt aangewezen als zijnde bevoegd tot het verrichten van in die maatregel aangewezen handelingen. 2 artikel 35a Op de in de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren isvan overeenkomstige toepassing. 3 Bij de maatregel kan aan de in het eerste lid omschreven categorie van beroepsbeoefenaren gedurende de in dat lid bedoelde periode het recht verleend worden een in de maatregel aan te geven titel te voeren. Gedurende deze periode is het aan anderen verboden deze titel of een daarop gelijkende benaming te voeren. 4 artikelen 4, tweede lid 17, tweede lid 34, vierde lid artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Voor zover het derde lid, tweede volzin, en de,, en, een verbod inhouden op het voeren van een titel, is dat verbod niet van toepassing in het geval dat een beroepsbeoefenaar aan wie op grond vangedeeltelijke toegang is verleend tot een beroep, behorende tot een categorie van beroepsbeoefenaren als bedoeld in het eerste lid, zijn beroepswerkzaamheden uitoefent onder de beroepstitel van zijn staat van herkomst of oorsprong. 5 artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van de Geneesmiddelenwet artikel 61, eerste lid, onderdeel a of b, van de Geneesmiddelenwet Met een recept als bedoeld inwordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld een document dat is opgesteld door een met naam en werkadres aangeduide beroepsbeoefenaar, die behoort tot de bij de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren die op grond van de maatregel bevoegd is tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet, en waarin aan een persoon als bedoeld in, een voorschrift wordt gegeven om een met zijn stofnaam of merknaam aangeduid geneesmiddel in de aangegeven hoeveelheid, sterkte en wijze van gebruik ter hand te stellen aan een te identificeren patiënt en dat is ondertekend door de desbetreffende beroepsbeoefenaar dan wel, zonder te zijn ondertekend met een zodanige code is beveiligd dat een daartoe bevoegde persoon of instantie de authenticiteit ervan kan vaststellen. 6 Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing op de bij de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren. 7 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 8 artikel 36 Indien voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn een voorstel van wet tot wijziging vanin de zin van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd, met een maximum van vijf jaren en vervalt op a. het moment van inwerkingtreding van de bedoelde wijzigingswet, danwel b. het moment dat de bedoelde wijzigingswet wordt ingetrokken of verworpen door een der Kamers der Staten-Generaal. 2017 374 13-10-2017 04-10-2017 34630 2024 171 19-06-2024 14-06-2024 01-07-2024
Artikel 36b — Artikel 36b#
Artikel 36b 1 artikel 36a, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat door Onze Minister een tijdelijk register wordt ingesteld en beheerd waarin beroepsbeoefenaren van een in de maatregel, bedoeld in, omschreven categorie voor de duur van het in die maatregel bedoelde experiment, op hun aanvraag worden ingeschreven. 2 artikel 3, eerste en vijfde lid 4 eerste, tweede en derde lid 6, onderdeel a 8 Met betrekking tot de registers, bedoeld in het eerste lid, zijn de,,, enniet van toepassing. 3 artikel 36a, achtste lid, onder a artikel 3 Indien voor het betreffende beroep op grond van het eerste lid een tijdelijk register is ingesteld, gaat dat tijdelijk register op het tijdstip dat de wet, bedoeld in, in werking treedt, over in het in die wet voor dat beroep op grond vaningestelde register. Het tweede lid is vanaf dat tijdstip niet langer van toepassing ten aanzien van dat register. 4 artikel 8, eerste lid artikel 3, eerste lid artikel 36a, achtste lid, onder a In afwijking van, geldt voor de beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in een tijdelijk register, dat op grond van het derde lid is overgegaan in een register als bedoeld in, dat de inschrijving een half jaar na de inwerkingtreding van de wet, bedoeld in, wordt doorgehaald. 5 artikel 8, eerste lid In afwijking van het vierde lid, geldt voor degene die op de datum, bedoeld in het vierde lid, korter dan vijf jaar ingeschreven is, als datum, bedoeld in, de datum van vijf jaar na die van de eerste inschrijving in het register, bedoeld in het eerste lid. 6 artikel 47, eerste lid Na het eindigen van het experiment, blijft de beroepsbeoefenaar die was ingeschreven in het tijdelijk register ter zake van enig in, bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat hij ingeschreven stond, aan de tuchtrechtspraak onderworpen. 7 artikel 48, eerste lid Indien toepassing gegeven wordt aan het zesde lid, geeft het tuchtcollege een oordeel over de gegrondheid van de klacht, met dien verstande dat geen maatregelen bedoeld in, opgelegd kunnen worden. 8 artikel 36a, eerste lid artikel 65, eerste lid Indien de termijn, bedoeld in, vervalt, anders dan door toepassing van artikel 36a, achtste lid, onder a, bestaat gedurende een half jaar na het verstrijken van die termijn de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift, bedoeld in. Van de datum waarop deze bevoegdheid aanvangt, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 9 artikelen 55, eerste lid 56, eerste lid Na het eindigen van het experiment, kunnen leden-beroepsgenoten en plaatsvervangende leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges, bedoeld in deen, bij besluit van Onze Minister benoemd worden, voor zover dit noodzakelijk is voor de behandeling van zaken over klachten die tot een half jaar na het eindigen van het experiment zijn ingediend. Deze leden en plaatsvervangende leden worden benoemd uit personen die ten tijde van het experiment waren ingeschreven in het tijdelijk register. 10 artikel 36a, eerste lid artikel 9 Indien de termijn, bedoeld in, vervalt, anders dan door toepassing van artikel 36a, achtste lid, onder a, blijven de aantekeningen die op grond vanin het tijdelijk register zijn geplaatst gedurende vijf jaar raadpleegbaar. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 36 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels overeenkomstigworden gesteld met betrekking tot bij de maatregel omschreven handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, niet vallende onder dat artikel. 2 artikelen 35 36 Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat deenmet betrekking tot bij de maatregel omschreven handelingen niet langer gelden. 3 artikel 36 Indien niet binnen zes maanden na de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste of tweede lid bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal een wetsvoorstel is ingediend tot wijziging vanovereenkomstig die maatregel, alsook indien zodanig voorstel wordt ingetrokken of verworpen, wordt de maatregel onverwijld ingetrokken. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 37a — Artikel 37a#
Artikel 37a Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen voor zover ten aanzien van die handelingen bij of krachtens andere wetten regels zijn gesteld. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 artikelen 36 tot en met 37 Het is degene die zijn bevoegdheid tot het verrichten van een bij of krachtens deomschreven handeling ontleent aan het bij of krachtens die artikelen bepaalde verboden aan een ander opdracht te geven tot het verrichten van die handeling, tenzij: a. in gevallen waarin zulks redelijkerwijs nodig is aanwijzingen worden gegeven omtrent het verrichten van de handeling en toezicht door de opdrachtgever op het verrichten van de handeling en de mogelijkheid tot tussenkomst van een zodanig persoon voldoende zijn verzekerd en b. a hij redelijkerwijs mag aannemen dat degene aan wie de opdracht wordt gegeven, in aanmerking genomen het onderbepaalde, beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van de handeling. 2011 568 02-12-2011 07-11-2011 32261 2011 631 21-12-2011 13-12-2011 01-01-2012
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikelen 36 37 Indien een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg zulks vordert, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald dat tot het gebied van deskundigheid van personen, behorende tot een der in het tweede lid genoemde categorieën, wordt gerekend het verrichten van bij de maatregel aangewezen categorieën van handelingen, behorende tot de bij of krachtens deenomschreven categorieën van handelingen, zonder toezicht door de opdrachtgever en zonder diens tussenkomst. 2 Ingevolge het eerste lid kunnen de volgende categorieën van personen worden aangewezen: a. categorieën van personen die in een bij het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen register staan ingeschreven; b. artikel 34, eerste lid categorieën van personen die een krachtens, geregelde of aangewezen opleiding hebben voltooid; c. a b categorieën van personen, behorende tot de onderofbedoelde categorieën van personen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikel 3 artikel 34, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien zulks noodzakelijk is gebleken ter bevordering van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg, voor degenen die in een register als bedoeld instaan ingeschreven of die een beroep uitoefenen waarvan de opleiding krachtens, is geregeld of aangewezen, regels worden gesteld inhoudende: a. een verplichting in bij de maatregel aangegeven gevallen van een door hen gegeven behandeling aan een bij de maatregel aangewezen inspecteur van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd opgave te doen overeenkomstig regels, bij de maatregel gesteld; b. artikel 1, eerste lid, onder pp, van de Geneesmiddelenwet een verplichting om bij de maatregel aangegeven gegevens te vermelden op het recept, bedoeld in; c. een verbod om een overeenkomst die hun bijzondere voordelen verschaft, aan te gaan met bij de maatregel aangewezen categorieën van personen. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 40a — Artikel 40a#
Artikel 40a Vervallen 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 6, onder a hoofdstuk III In afwijking van het in, bepaalde wordt aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtensvoor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd: a. indien hij in het buitenland een door Onze Minister aangewezen getuigschrift heeft verkregen dat als zodanig door Onze Minister is erkend en dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde eisen mag worden afgeleid; b. indien Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan; c. Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties indien hij ten aanzien van het betrokken beroep in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties ofwel aan hem gedeeltelijke toegang is verleend tot het betrokken beroep als bedoeld in de. 2 Onze Minister kan ten aanzien van een door hem krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen getuigschrift de toepasselijkheid van deze bepaling op belanghebbenden afhankelijk stellen van de nationaliteit der betrokkenen, met dien verstande evenwel dat die bepaling ten aanzien van een aangewezen getuigschrift van een lidstaat van de Europese Unie alsmede van een andere overeenkomstsluitende staat in elk geval van toepassing dient te zijn op de onderdanen van de lidstaten van die Unie. 3 Bij afgifte van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan Onze Minister daarin bepalen: a. dat de gelet op die verklaring tot stand gekomen inschrijving in het register op een in de verklaring aangegeven tijdstip zal worden doorgehaald; b. dat de betrokkene, in het register ingeschreven staande, zijn beroep slechts zal mogen uitoefenen met inachtneming van in de verklaring omschreven beperkingen. 4 Behoudens in bijzondere gevallen kan een verklaring zonder toepassing van het derde lid slechts worden afgegeven, indien het door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift naar het oordeel van Onze Minister kan gelden als bewijs van verworven vakbekwaamheid die de in het eerste lid, onder a, bedoelde gelijkwaardigheid bezit. 5 Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Onze Minister stelt voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem op zijn verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen inzake de toepassing van dit artikel en ten aanzien van het verlenen van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de. Bij algemene maatregel van bestuur worden de samenstelling, taak en werkwijze van de commissie geregeld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets en het daarvoor in rekening te brengen tarief. 6 artikel 11, vierde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties De buitenslands gediplomeerde komt de keuze, bedoeld inniet toe in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen. 7 Staatscourant Van een besluit krachtens het eerste lid, onder a, of het tweede lid, wordt mededeling gedaan in de. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in rekening brengen van een tarief voor de aanvraag van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, waarbij wordt bepaald: a. artikel 41, eerste lid, onder b welke gegevens of bescheiden bij de aanvrage om een verklaring als bedoeld in, aan Onze Minister moeten worden verstrekt of overgelegd en op welke wijze haar indiening behoort te geschieden; b. artikel 41 welke bewijsstukken omtrent de toepasselijkheid vanaan Onze Minister moeten worden overgelegd bij de aanvrage om inschrijving in het register met toepassing van dat artikel. 2 artikel 7 artikel 41, derde lid, onder a Onverminderd het inbepaalde, wordt in gevallen waarin toepassing werd gegeven aan, de inschrijving van de betrokkene op het daarvoor geldende tijdstip doorgehaald. 3 artikel 41 Bij inschrijving van een persoon in het register met toepassing vanwordt in het register een desbetreffende aantekening geplaatst, waarbij, ingeval Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het derde lid van dat artikel, tevens wordt omschreven hetgeen daarbij is bepaald. 4 artikel 41, derde lid Van de totstandkoming van een inschrijving ten aanzien waarvan toepassing werd gegeven aan, wordt op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kennisgegeven, met omschrijving van hetgeen daarbij werd bepaald. Van een krachtens het tweede lid van het onderhavige artikel verrichte doorhaling van een inschrijving wordt eveneens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kennisgegeven. In kennisgevingen als bedoeld in het onderhavige lid worden de naam, de woonplaats en het BIG-nummer van de betrokkene vermeld. 5 artikel 12, tweede lid artikel 41 Onverminderd hetgeen ingevolge, met betrekking tot de ingeschrevene geldt, wordt aan een ieder die zulks verlangt, medegedeeld of een inschrijving in het register met toepassing vanis tot stand gekomen, met, ingeval ten aanzien van de aldus tot stand gekomen inschrijving toepassing werd gegeven aan het derde lid van dat artikel, een omschrijving van hetgeen daarbij werd bepaald. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de termijnen waarbinnen de gegevens, bescheiden en bewijsstukken als bedoeld in het eerste lid, moeten worden verstrekt, onderscheidenlijk worden ingediend. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 artikel 3 Ten aanzien van een migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, die buiten Nederland in een der lidstaten van de Europese Unie dan wel in een van de andere overeenkomstsluitende staten gevestigd is als beoefenaar van een ingenoemd beroep en aan de in het tweede lid omschreven voorwaarden voldoet, blijven ter zake van de diensten die hij in de uitoefening van dat beroep verleent aan een persoon hier te lande, buiten toepassing: a. artikel 4, tweede lid het in, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft, waarvan het voeren voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep betrekking hebbende hoedanigheid in het desbetreffende register ingeschreven staan; b. artikel 35, eerste lid het in, gestelde verbod, voor zover het handelingen betreft, waartoe de onder a bedoelde personen bevoegd zijn. 2 De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn: a. artikel 41, eerste lid, onder a artikel 27 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties de betrokkene dient in een van de lidstaten dan wel in een van de andere overeenkomstsluitende staten een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend getuigschrift te hebben verkregen, dat krachtens, is aangewezen, ofwel de beroepskwalificaties van de betrokkene zijn overeenkomstiggeverifieerd; b. artikel 6, onderdeel e ten aanzien van hem geen maatregel als bedoeld in, van kracht is en voor zover zijn rechten ter zake van de uitoefening van zijn beroep in de lidstaat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat waar hij gevestigd is, beperkt is op grond van een in dat land gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, hij zich houdt aan de in dat land opgelegde bevoegdheidsbeperking; c. de betrokkene dient aan Onze Minister te hebben gemeld dat hij als beoefenaar van het desbetreffende beroep in Nederland diensten verleent en dient de volgende bescheiden te hebben overgelegd: 1°. een bewijsstuk, niet ouder dan twaalf maanden, waaruit blijkt dat hij de desbetreffende werkzaamheden in de lidstaat onderscheidenlijk de andere overeenkomstsluitende staat waar hij gevestigd is, wettig uitoefent; 2°. een bewijsstuk dat hij het onder a bedoelde getuigschrift heeft verkregen; 3°. een bewijs van de nationaliteit van de betrokkene. 3 De verplichting tot het overleggen van bescheiden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt niet indien ten behoeve van de betrokkene als beoefenaar van het desbetreffende beroep door Onze Minister een beroepskaart is afgegeven. 4 In geval van een dienstverlening in Nederland, ten aanzien waarvan het eerste lid van toepassing is, is de betrokkene, indien de in dat lid, onder a, bedoelde personen aan tuchtrechtspraak overeenkomstig deze wet onderworpen zijn, ter zake van hetgeen door hem in het kader van die dienstverlening wordt verricht, eveneens aan bedoelde rechtspraak onderworpen. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikelen 41, eerste lid, onder a, en tweede lid 43, tweede lid, onder a Voor de toepassing van de, en, wordt met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat, die in het bezit is van een krachtens eerstgenoemde bepaling aangewezen getuigschrift van een van de lidstaten van die Unie onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat, gelijkgesteld de onderdaan van een lidstaat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat, die vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend ander getuigschrift van een van de lidstaten onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat heeft verkregen indien hij, blijkens een door een lidstaat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat afgegeven verklaring, zijn beroep in de loop van een door Onze Minister aangegeven tijdvak, aan de afgifte van die verklaring voorafgaande, tenminste gedurende een door Onze Minister aangegeven aaneengesloten periode daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend. 2 Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere overeenkomstsluitende staat, die een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend ander getuigschrift van een van de lidstaten of van een andere overeenkomstsluitende staat heeft verkregen ter afsluiting van een opleiding betreffende een door Onze Minister aangewezen beroep, welke vóór het krachtens het vorige lid vastgestelde tijdstip is aangevangen en eerst nadien is voltooid. 3 De krachtens het eerste lid vast te stellen tijdstippen, tijdvakken en perioden kunnen voor onderscheidene categorieën van gevallen verschillend zijn. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Ten aanzien van degenen artikel 34, vierde lid artikel 34, eerste lid blijft het in, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft waarvan het voeren op grond van het derde lid van dat artikel voorbehouden is aan degenen die voldoen aan de desbetreffende krachtens, gestelde eisen, buiten toepassing. a. artikel 34, eerste lid die in het buitenland een door Onze Minister aangewezen getuigschrift hebben verkregen dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan de desbetreffende krachtens, gestelde eisen mag worden afgeleid, b. artikel 34, eerste lid aan wie Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat hun vakbekwaamheid gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan de desbetreffende krachtens, gestelde eisen mag worden afgeleid, of, c. Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties aan wie Onze Minister ten aanzien van het betrokken beroep een erkenning van beroepskwalificaties ofwel gedeeltelijke toegang tot het betrokken beroep als bedoeld in deheeft verleend, 2 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is, op grond waarvan hij zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing gegeven is, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, heeft verloren. 3 artikelen 41, tweede, vijfde, zevende en achtste lid artikel 42, eerste lid, onder a De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 96, derde lid artikel 34, eerste lid Voor de toepassing van, wordt met degene die voldoet aan de krachtens, gestelde eisen gelijkgesteld degene die in het bezit is van een krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen getuigschrift of aan wie een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b, is afgegeven. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 In hetgeen verder ter uitvoering van de richtlijnen van de Europese Unie alsmede van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en van de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86), betreffende beoefenaren van beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg regeling behoeft, wordt voorzien door Onze Minister. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van: a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die die beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van: 1°. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen; 2°. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft; 3°. de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde personen; b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. 2 De in het eerste lid bedoelde hoedanigheden zijn die van: arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige, physician assistant, orthopedagoog-generalist, klinisch technoloog. 3 De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges en in beroep door een centraal tuchtcollege. 4 In geval van doorhaling van een inschrijving in het register blijft de betrokkene ter zake van enig in het eerste lid bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat hij ingeschreven stond, aan de tuchtrechtspraak onderworpen. 2019 182 20-05-2019 24-04-2019 35045 2020 132 07-05-2020 24-04-2020 01-07-2020
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Het berechtende college kan ten aanzien van een aan de tuchtrechtspraak onderworpen persoon een van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen: a. waarschuwing; b. berisping; c. geldboete van ten hoogste € 4 500; d. schorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor ten hoogste één jaar; e. gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het betrokken beroep uit te oefenen; f. doorhaling van de inschrijving in het register; g. binding aan bijzondere voorwaarden om het beroep uit te oefenen waarvoor de beroepsbeoefenaar in het register is ingeschreven. 2 Bij de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register kan het berechtende college aan de beroepsbeoefenaar, indien gedragingen van de beroepsbeoefenaar een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van personen, beperkingen opleggen met betrekking tot het beroepsmatig handelen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. 3 artikel 69, derde lid De volgende maatregelen kunnen gezamenlijk worden opgelegd en gelden voor de toepassing van de aanhef van het eerste lid en van, als één maatregel: a. de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c en d; b. de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder d en e; c. de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder e en g. 4 artikel 47, vierde lid f In gevallen waarin de berechting plaatsvindt met toepassing van, kan, in plaats van de in het eerste lid van het onderhavige artikel, onder, bedoelde maatregel, als maatregel worden opgelegd een ontzegging van het recht wederom in het register te worden ingeschreven. 5 Opgelegde geldboeten komen ten bate van de Staat. Bij het opleggen van een geldboete kunnen twee of meer termijnen worden vastgesteld, waarin zij moet worden voldaan. 6 De maatregel van doorhaling, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt vanwege Onze Minister ten uitvoer gelegd. Indien de maatregel van doorhaling van de inschrijving niet ten uitvoer kan worden gelegd omdat de inschrijving reeds om andere redenen is doorgehaald, geldt de datum van de om andere reden uitgevoerde doorhaling als datum waarop de maatregel is uitgevoerd. Onze Minister doet hiervan mededeling aan de betrokkene. 7 De maatregelen, genoemd in het eerste lid, onder d en f, kunnen voorwaardelijk worden opgelegd en worden alsdan niet ten uitvoer gelegd dan nadat het college dat de maatregel heeft opgelegd, zulks heeft gelast op grond dat de betrokkene binnen een bij die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste twee jaar een gestelde voorwaarde niet is nagekomen. 8 c, d f Een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderof, kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de beslissing waarbij hij is opgelegd, niet onherroepelijk is geworden. Een maatregel als in dat lid, onder e, g, tweede of in het vierde lid bedoeld, wordt eerst bij het onherroepelijk worden van de desbetreffende beslissing van kracht, tenzij het college, indien het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zulks vordert, bij zijn beslissing heeft bepaald dat hij onmiddellijk van kracht wordt. Bij toepassing van het zevende lid gaat de in dat lid bedoelde proeftijd eerst bij het onherroepelijk worden van de desbetreffende beslissing in. 9 Bij een beslissing tot het opleggen van de maatregel van doorhaling van de inschrijving kan het college tevens, indien het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zulks vordert, bij wijze van voorlopige voorziening een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d of e, opleggen. Deze maatregelen kunnen bij wijze van de voorlopige voorziening gezamenlijk worden opgelegd. De voorlopige voorziening wordt terstond van kracht en wordt vanwege Onze Minister onverwijld ten uitvoer gelegd. De voorlopige voorziening blijft van kracht totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd. 10 artikel 9 Een tot het eerste lid, onder d, strekkende maatregel of voorlopige voorziening wordt ten uitvoer gelegd door het plaatsen van een aantekening van de maatregel in het register overeenkomstig het bepaalde in. 11 Indien het belang van de individuele gezondheidszorg dat vordert kan het tuchtcollege bij het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, besluiten tot openbaarmaking van de opgelegde maatregel, al dan niet met de gronden waarop zij berust, op de door hem te bepalen wijze. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 48a — Artikel 48a#
Artikel 48a 1 artikel 48, zevende lid De inspecteur ziet toe of een beroepsbeoefenaar de op grond van, aan de maatregel verbonden voorwaarden naleeft. 2 Het regionale tuchtcollege beslist op verzoek van de inspecteur over de tenuitvoerlegging van de maatregel, indien de beroepsbeoefenaar aan wie de voorwaardelijke maatregel is opgelegd, de aan de maatregel verbonden voorwaarden niet heeft nageleefd. 3 De inspecteur is in zijn verzoek niet-ontvankelijk wanneer het verzoek later wordt ingediend dan drie maanden na het verstrijken van de proeftijd. 4 artikelen 54 55, tweede lid 61 63 63a 65, zesde lid 65d, eerste, tweede, vierde en vijfde lid 65e 67 67b 70 71 De,,,,,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 5 Tegen een beslissing als bedoeld in het tweede lid kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van die beslissing bij het centrale tuchtcollege beroep worden ingesteld door: a. de inspecteur, voor zover het verzoek is afgewezen, of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard; b. de beroepsbeoefenaar, voor zover het verzoek is toegewezen. 6 artikelen 56, tweede lid 61 63 63a 65d, eerste, tweede, vierde en vijfde lid 65e 67 67b 70 71 Op de procedure in beroep zijn de,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing. 7 artikel 65d, eerste lid Bij de toepassing van de in het vierde en zesde van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen, dient waar in die artikelen onderscheidenlijk wordt gesproken over «klager, beklaagde of klacht» te worden gelezen inspecteur, beroepsbeoefenaar en verzoek. Bij de toepassing van, dient waar gesproken wordt van «zijn klacht», gelezen te worden: het beroep. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikel 48, eerste lid, onder c Degene aan wie een boete als bedoeld in, is opgelegd, wordt door Onze Minister bij gedagtekende brief uitgenodigd de verschuldigde geldboete binnen de gestelde termijn dan wel met inachtneming van de gestelde termijnen te betalen. 2 Indien de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant Onze Minister hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 49a — Artikel 49a#
Artikel 49a 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De beslissing tot het opleggen van een geldboete levert een executoriale titel op, die met toepassing van hetten uitvoer kan worden gelegd. De secretaris van het tuchtcollege verstrekt een afschrift van de beslissing aan de partij die tot de tenuitvoerlegging van de beslissing kan overgaan, opgemaakt in executoriale vorm. 2 artikel 48, eerste lid, onder c Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 49b — Artikel 49b#
Artikel 49b artikel 69, vijfde lid artikel 49a Op een veroordeling in de kosten bedoeld in, isvan overeenkomstige toepassing. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 48, eerste lid, onder e, f en g, tweede en vierde lid In gevallen waarin een der in, omschreven maatregelen is opgelegd, kan, zo bijzondere omstandigheden zulks wettigen, bij koninklijk besluit worden bepaald dat de betrokkene in de hem ontzegde bevoegdheid wordt hersteld dan wel dat de aan de betrokkene opgelegde beperkingen worden opgeheven, dat hij, tenzij een buiten de opgelegde maatregel staande weigeringsgrond aanwezig blijkt, wederom in het register zal kunnen worden ingeschreven onderscheidenlijk dat de voorwaarden die de betrokkene bij die maatregel werden gesteld, komen te vervallen. 2 In een besluit krachtens het eerste lid kunnen, al dan niet met een beperking tot een in dat besluit te bepalen proeftijd, voorwaarden worden gesteld, door de betrokkene, in het register ingeschreven staande, in acht te nemen. Indien blijkt dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan niet-naleving van een gestelde voorwaarde, kan, onder intrekking van dat besluit, bij koninklijk besluit worden bepaald dat de opgelegde maatregel opnieuw van kracht wordt. In een besluit krachtens het eerste lid, dat aan betrokkene het recht verleent wederom in het register te worden ingeschreven, kan ook worden bepaald dat dit recht eerst zal ingaan zodra de betrokkene aan vooraf te vervullen bijzondere voorwaarden, in dat besluit omschreven, zal hebben voldaan. 3 De voordracht tot een besluit krachtens het eerste of tweede lid, tweede volzin, wordt gedaan door Onze Minister. Alvorens zodanige voordracht wordt gedaan, wint Onze Minister het advies in bij het tuchtcollege dat de maatregel heeft opgelegd. 4 artikel 5, eerste lid, tweede volzin Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt de bevoegdheid van een verpleegkundige als bedoeld in, wederom in het register vermeld. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 artikel 47, eerste lid Niemand kan andermaal ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk worden berecht ter zake van enig in, bedoeld handelen of nalaten waaromtrent te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 artikel 48, eerste, tweede of vierde lid Herziening van een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing waarbij een in, omschreven maatregel werd opgelegd, is mogelijk, wanneer naderhand omstandigheden zijn gebleken die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid, indien zij tijdig bekend waren geworden. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld. De herziening zal niet kunnen leiden tot een wijziging in hetgeen voorheen was beslist, ten nadele van de betrokkene. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Er zijn drie regionale tuchtcolleges die zijn gevestigd te: a. Amsterdam; b. ’s-Hertogenbosch; c. Zwolle. 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt het Europese deel van Nederland in gebieden ingedeeld, waarvan elk het rechtsgebied van een regionaal tuchtcollege uitmaakt. 3 Het centrale tuchtcollege is gevestigd te 's-Gravenhage. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022 Artikel III van Stb. 2022/15 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 53a — Artikel 53a#
Artikel 53a 1 De terechtzittingen en de vooronderzoeken vinden plaats in de vestigingsplaats van het regionale tuchtcollege. 2 De voorzitter van een regionaal tuchtcollege kan in het belang van de behandeling van een zaak, bepalen dat een terechtzitting of een vooronderzoek in het kader van die zaak op een andere plaats plaatsvindt dan bedoeld in het eerste lid. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Bevoegd tot het behandelen van een zaak in eerste aanleg is: a. het regionale tuchtcollege van het rechtsgebied waarin de beklaagde zijn woonplaats heeft; of b. het regionale tuchtcollege binnen wiens rechtsgebied de gedraging waarop de zaak betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. 2 Bevoegd tot het behandelen van een zaak in eerste aanleg tegen meerdere beklaagden is: a. het regionale tuchtcollege van het rechtsgebied waarin één van de beklaagden zijn woonplaats heeft; of b. het regionale tuchtcollege van het rechtsgebied waarin een op alle beklaagden betrekking hebbende gedraging heeft plaatsgevonden. 3 In het geval geen der regionale tuchtcolleges op grond van het eerste of tweede lid bevoegd is tot het behandelen van een zaak, is het regionale tuchtcollege te Amsterdam bevoegd. 4 Indien de beklaagde in een zaak tevens lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot is van het regionale tuchtcollege waar het klaagschrift is ingediend, kan de voorzitter in het belang van een onafhankelijke behandeling, de zaak ter behandeling verwijzen naar een ander regionaal tuchtcollege. De zaak wordt in het behandelend regionale tuchtcollege behandeld door leden die daartoe door de voorzitter zijn aangewezen. Bij die aanwijzing draagt de voorzitter er zorg voor dat een onafhankelijke behandeling is gewaarborgd. 5 Indien een klaagschrift is ingediend bij een onbevoegd regionaal tuchtcollege, verwijst de voorzitter van dat tuchtcollege de zaak onverwijld door naar een bevoegd regionaal tuchtcollege. De klager wordt gelijktijdig over de verwijzing geïnformeerd. De voorzitter kan een zaak tevens verwijzen naar een ander tuchtcollege wanneer tegen een beklaagde bij meerdere regionale tuchtcolleges zaken aanhangig zijn gemaakt. Bij verwijzing geldt als de datum van indiening van het klaagschrift de datum van de indiening bij het verwijzende college. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 54a — Artikel 54a#
Artikel 54a artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling artikel 53, tweede lid Indien een herindelingsregeling als bedoeld inleidt tot een wijziging van het rechtsgebied van een regionaal tuchtcollege of indien het rechtsgebied van een regionaal tuchtcollege op basis van, wordt gewijzigd, heeft die wijziging geen gevolgen voor de bevoegdheid in zaken die op de datum van herindeling bij dat tuchtcollege aanhangig zijn. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikel 47, tweede lid artikel 36a, eerste lid Een regionaal tuchtcollege heeft rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is, alsmede, voor elk van de in, of krachtens, aangegeven categorieën van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen, leden-beroepsgenoten. Van het college maken mede deel uit plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens voor elk van de in de eerste volzin bedoelde categorieën, plaatsvervangende leden-beroepsgenoten. 2 Aan de behandeling van een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, een ander rechtsgeleerd lid en drie leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin kan de voorzitter bepalen dat aan de behandeling van een zaak die hem daartoe geschikt voorkomt, wordt deelgenomen door de voorzitter en door twee leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden ongeschikt is voor behandeling overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin, wordt de behandeling voortgezet met toepassing van de eerste volzin. 3 Artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De voorzitter en zijn plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister voor de tijd van zes jaar benoemd en zijn herbenoembaar. Op hun verzoek wordt hun bij koninklijk besluit tussentijds ontslag verleend. Hun wordt in ieder geval ontslag verleend met het bereiken van de zeventigjarige leeftijd.is te hunnen aanzien van overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 5, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De overige leden en plaatsvervangende leden worden bij besluit van Onze Minister voor de tijd van zes jaar benoemd en zijn herbenoembaar. Op hun verzoek wordt hun door Onze Minister tussentijds ontslag verleend. Hun wordt in ieder geval ontslag verleend met het bereiken van de zeventigjarige leeftijd.is ten aanzien van de in de eerste volzin bedoelde personen, voor zover zij rechtsgeleerden zijn, van overeenkomstige toepassing. De leden-beroepsgenoten en de plaatsvervangende leden-beroepsgenoten worden benoemd uit personen die ingeschreven staan in het desbetreffende register. Voor de besluiten, als bedoeld in de eerste, tweede en derde zin, wordt geen mandaat verleend. 5 De leden van de tuchtcolleges blijven na het verstrijken van hun benoemingstermijn of na hun ontslag vanwege het bereiken van de zeventigjarige leeftijd, bevoegd om deel te nemen aan de verdere behandeling van en de beslissing over klachten, aan de behandeling waarvan zij voor het verstrijken van hun benoemingstermijn of hun ontslag reeds hebben deelgenomen. 6 Het college heeft één of meer secretarissen, allen rechtsgeleerden. Zij worden bij besluit van Onze Minister aangewezen. De aanwijzing eindigt met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. Degenen die als secretaris zijn aangewezen bij een regionaal tuchtcollege zijn tevens aangewezen als secretaris bij de andere regionale tuchtcolleges. 7 De leden van een regionaal tuchtcollege zijn tevens plaatsvervangend lid van de overige regionale tuchtcolleges. Indien een voorzitter of plaatsvervangend voorzitter op grond van de eerste volzin plaatsvervangend rechtsgeleerd lid is bij de andere regionale tuchtcolleges, is hij bij die andere regionale tuchtcolleges tevens plaatsvervangend voorzitter. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022 De artikelen IV, tweede lid, en V, van Stb. 2022/15 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 55bis — Artikel 55bis#
Artikel 55bis Een benoeming van een plaatsvervangend lid van een regionaal tuchtcollege vervalt wanneer dat plaatsvervangend lid als: a. plaatsvervangend rechtsgeleerd lid is benoemd en wordt benoemd tot rechtsgeleerd lid bij een regionaal tuchtcollege; b. plaatsvervangend lid-beroepsgenoot is benoemd en voor hetzelfde beroep wordt benoemd als lid-beroepsgenoot bij een regionaal tuchtcollege. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 55ter — Artikel 55ter#
Artikel 55ter 1 De regionale tuchtcolleges stellen een gemeenschappelijk reglement van orde vast. 2 artikel 54, vierde lid Onverminderd, bevat het reglement van orde in ieder geval regels over deelname van de leden aan de behandeling van een zaak. 3 De vaststelling van het reglement van orde geschiedt door de voorzitters van de drie regionale tuchtcolleges gezamenlijk. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a 1 Onze Minister draagt zorg voor de indienstneming van ambtenaren, die klagers kunnen adviseren bij het opstellen en wijzigen van hun klacht. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikel 47, tweede lid artikel 36a, eerste lid Het centrale tuchtcollege heeft rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is, alsmede, voor elk van de in, of krachtens, aangegeven categorieën van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen, leden-beroepsgenoten. Van het college maken mede deel uit plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens voor elk van de in de eerste volzin bedoelde categorieën, plaatsvervangende leden-beroepsgenoten. 2 Aan de behandeling van een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, door twee andere rechtsgeleerde leden en door twee leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. 3 artikel 55, derde, vierde lid en vijfde lid Ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de voorzitter en zijn plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers en van de overige leden en plaatsvervangende leden is, van overeenkomstige toepassing. 4 Indien de beklaagde in een zaak tevens lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot is van het centrale tuchtcollege wordt de zaak behandeld door leden die daartoe door de voorzitter zijn aangewezen. Bij die aanwijzing draagt de voorzitter er zorg voor dat een onafhankelijke behandeling is gewaarborgd. 5 artikelen 55, zesde lid, eerste en tweede volzin 55ter De, en, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het reglement van orde als bedoeld in artikel 55ter, eerste lid, voor het centrale tuchtcollege gezamenlijk wordt vastgesteld door de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitters van dat college. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022 Artikel V van Stb. 2022/15 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 De voorzitter van een tuchtcollege kan ten aanzien van twee of meer met elkaar samenhangende zaken bepalen dat zij door het college ter terechtzitting gezamenlijk worden behandeld. 2 artikel 47, tweede lid artikel 36a, eerste lid artikel 55, tweede lid artikel 56, tweede lid Ingeval in deze zaken de beklaagden tot verschillende in, of krachtens, aangegeven categorieën behoren, wordt aan het onderzoek ter terechtzitting door het ingevolge, onderscheidenlijk, vereiste aantal leden-beroepsgenoten of plaatsvervangende leden-beroepsgenoten van elk van de betrokken categorieën deelgenomen. 3 artikel 55, tweede lid artikel 56, tweede lid artikel 61, tiende of elfde lid, van de Geneesmiddelenwet Ingeval is geklaagd over een arts ter zake van verrichtingen op het gebied van de uitoefening der artsenijbereidkunst, wordt in het tuchtcollege ten minste één der plaatsen, bij, onderscheidenlijk, toegewezen aan leden-beroepsgenoten, vervuld door een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot, die op grond vanmede bevoegd is geneesmiddelen ter hand te stellen. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 1995 518 02-11-1995 14-09-1995 24116 1995 518 02-11-1995 14-09-1995 24116 03-11-1995
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 De benoeming van een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een regionaal tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege eindigt: a. indien zijn inschrijving in het register wordt doorgehaald; b. bij de schorsing van zijn bevoegdheid om de aan de inschrijving verbonden rechten uit te oefenen; c. artikel 48, eerste lid, onder e of g, of tweede lid bij een beslissing waarbij ten aanzien van hem een maatregel als bedoeld in, is opgelegd onherroepelijk is geworden; of d. 7 onder e 7a indien het lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot op grond van de artikelen 5a,, ofin de uitoefening van zijn beroep wordt beperkt. 2 artikel 48, eerste lid, onder e, f of g of tweede lid Een nog niet onherroepelijk geworden beslissing tot oplegging te zijnen aanzien van een van de in, bedoelde maatregelen heeft, indien zij is gegeven met toepassing van het aan het slot van de tweede volzin van het achtste of het in het negende lid van dat artikel bepaalde, voor een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een regionaal tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege tot gevolg dat hij in zijn functie bij dat college van rechtswege is geschorst. 3 artikel 80, eerste lid Een nog niet onherroepelijk geworden beslissing tot oplegging te zijnen aanzien van een van de in, bedoelde maatregelen heeft, indien zij is gegeven met toepassing van het aan het slot van het derde lid of het in het vijfde lid van dat artikel bepaalde, voor een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een regionaal tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege tot gevolg dat hij in zijn functie bij dat college van rechtswege is geschorst. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 artikelen 46c, onderdelen b en c 46ca, eerste lid, onderdeel d 46d, tweede lid 46f 46i 46j 46l, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid 46m 46o 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren vijfde lid van artikel 46p Het in de,,,,, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c,,,,enbepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden en de plaatsvervangende leden van de regionale tuchtcolleges en van het centrale tuchtcollege, met dien verstande dat de in hetbedoelde mededeling te hunnen aanzien eveneens wordt gedaan aan Onze Minister. artikelen 13a 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie De,, enzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van deze leden en plaatsvervangende leden, met dien verstande dat: a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van het regionaal tuchtcollege onderscheidenlijk centrale tuchtcollege; en b. artikel 13a de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld in, te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 De leden, plaatsvervangende leden en secretarissen van de tuchtcolleges is het verboden zich over een zaak die bij hun college aanhangig is of naar zij weten of vermoeden zal worden, in te laten in enig onderhoud met belanghebbenden of van dezen enige bijzondere inlichting of schriftuur dienaangaande aan te nemen. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 De leden en de plaatsvervangende leden van de tuchtcolleges ontvangen een vacatiegeld, alsmede vergoeding van reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten, een en ander overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels. 2 artikel 66, eerste lid, tweede volzin In de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan bij koninklijk besluit, in afwijking van het eerste lid, aan de voorzitter, een ander lid of plaatsvervangend lid dat met toepassing van, vooronderzoek verricht, of de secretaris van een tuchtcollege een salaris worden toegekend op een bij dat besluit te bepalen voet. In dat geval geniet de betrokkene bovendien een tijdelijke toelage voor kinderen, een vakantieuitkering, een ziektekostenvergoeding, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een vergoeding van verplaatsingskosten, alsmede een spaarpremie, overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren bij de ministeries zijn of zullen worden vastgesteld. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 62a — Artikel 62a#
Artikel 62a 1 bijlage De leden, plaatsvervangende leden en de secretarissen van een tuchtcollege leggen voorafgaand aan de aanvang van hun werkzaamheden voor het college de eed of belofte af, volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in debij deze wet. 2 De voorzitter legt de eed of de belofte af ten overstaan van een plaatsvervangend voorzitter. De overige in het eerste lid bedoelde personen leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter. 3 Bij een herbenoeming worden de in het eerste lid bedoelde personen niet opnieuw beëdigd. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 62b — Artikel 62b#
Artikel 62b artikel 62a, eerste lid De in, bedoelde personen zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitvoering van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 artikelen 512 tot en met 524 van het Wetboek van Strafvordering Een lid van een tuchtcollege, dat voor de behandeling van een zaak zitting heeft in dat college, kan zich verschonen en kan worden gewraakt, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a artikel 55 In afwijking vanwordt aan de behandeling van een verzoek tot wraking of verschoning slechts deelgenomen door drie rechtsgeleerde leden, van wie één tevens voorzitter is. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 Het centrale tuchtcollege waakt tegen nodeloze vertraging in de behandeling van zaken door de regionale tuchtcolleges. 2 Het centrale tuchtcollege kan zich de stukken, betrekking hebbende op een bij een regionaal tuchtcollege aanhangige zaak, doen overleggen en een termijn stellen, waarbinnen het regionale tuchtcollege het vooronderzoek dan wel het onderzoek op de terechtzitting moet sluiten. 3 Indien het regionale tuchtcollege hieraan niet voldoet, kan het centrale tuchtcollege de behandeling van de zaak aan een ander regionaal tuchtcollege overdragen. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 Een zaak wordt in eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift door: a. een rechtstreeks belanghebbende; b. degene die aan de beklaagde een opdracht heeft verstrekt; c. degene bij wie of het bestuur van een instelling waarbij de beklaagde werkzaam of voor het verlenen van individuele gezondheidszorg ingeschreven is; d. de inspecteur. 2 De inhoud van het klaagschrift moet voldoen aan de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. 3 De vooronderzoeker kan, indien de zaak hem daartoe geschikt voorkomt, bij het horen van de klager en de beklaagde, een minnelijke oplossing beproeven. 4 Indien een minnelijke oplossing mogelijk blijkt, wordt deze op schrift gesteld en door de klager en de beklaagde ondertekend. Met een aldus vastgestelde minnelijke oplossing geeft de klager te kennen zijn klacht in te trekken. 5 De bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift vervalt door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. 6 Indien naar zijn oordeel de behandeling van de zaak door het tuchtcollege geen uitstel gedoogt zonder groot nadeel voor het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg, verzoekt de inspecteur het tuchtcollege de zaak met spoed te behandelen. 7 De inspecteur is verplicht ter zake van door hem ingediende klaagschriften aan de ambtenaren van het openbaar ministerie de door hen gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij kan de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren ook uit eigen beweging ter zake inlichten. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 65a — Artikel 65a#
Artikel 65a 1 De secretaris van het tuchtcollege heft van de indiener van het klaagschrift een griffierecht van € 50. 2 Indien het een klaagschrift betreft tegen twee of meer beroepsbeoefenaren en dat ten aanzien van elke beroepsbeoefenaar betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex of samenhangende feitencomplexen, is eenmaal griffierecht verschuldigd. 3 De secretaris wijst de indiener van het klaagschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op het daarbij aangegeven bankrekeningnummer. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven, verklaart de voorzitter de klager niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager ten aanzien van de betaling in verzuim is geweest. 4 In afwijking van het eerste lid wordt geen griffierecht geheven indien een klaagschrift wordt ingediend door de inspecteur. 5 Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, wordt het griffierecht aan de klager terugbetaald. 6 Onze Minister kan het in het eerste lid bedoelde bedrag wijzigen voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 65b — Artikel 65b#
Artikel 65b 1 De secretaris van het college zendt een afschrift van het klaagschrift aan de beklaagde zodra het griffierecht is betaald. 2 De secretaris van een college zendt aan de inspecteur een periodiek geaggregeerd overzicht van de ingediende klaagschriften. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het geaggregeerd overzicht bedoeld in de eerste volzin. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 65c — Artikel 65c#
Artikel 65c 1 De klager kan zijn klacht tot uiterlijk twee weken voor de behandeling van de zaak op de terechtzitting schriftelijk wijzigen of aanvullen. 2 De secretaris verstrekt de beklaagde een afschrift van de schriftelijke wijziging. De beklaagde wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord over de wijziging, dan wel aanvulling van de klacht. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 65d — Artikel 65d#
Artikel 65d 1 De klager kan zijn klacht tot aan de uitspraak door het tuchtcollege intrekken. De secretaris bericht de beklaagde indien een klager zijn klacht heeft ingetrokken. 2 Indien de klacht wordt ingetrokken, wordt de behandeling daarvan gestaakt, tenzij: a. de beklaagde schriftelijk verklaart voortzetting van de behandeling te verlangen; b. het tuchtcollege beslist dat de behandeling van de klacht om redenen, aan het algemeen belang ontleend, moet worden voortgezet. 3 Indien om redenen van algemeen belang wordt beslist tot voortzetting van de klacht wordt de inspecteur voor het vervolg van de zaak als klager aangemerkt. De secretaris bericht de inspecteur over de voortzetting van de klacht. 4 Indien de beklaagde overlijdt, wordt de behandeling van de klacht gestaakt. 5 Indien de klager overlijdt, kan het tuchtcollege om redenen van algemeen belang beslissen dat de behandeling van de klacht wordt voortgezet. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 65e — Artikel 65e#
Artikel 65e De klager en de beklaagde kunnen zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde en zich laten bijstaan door een raadsman. De gemachtigde, niet zijnde een advocaat, legt desgevraagd ten bewijze van de machtiging een schriftelijke volmacht over. De voorzitter van het regionale tuchtcollege kan slechts weigeren een persoon, niet zijnde een advocaat, als gemachtigde of als raadsman toe te laten, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat door de toelating van die persoon een behoorlijke uitoefening van de tuchtrechtspraak zal worden belemmerd. De weigering wordt door de voorzitter schriftelijk gemotiveerd. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 65f — Artikel 65f#
Artikel 65f artikel 65, eerste lid, onderdeel d paragraaf 5 Onze Minister kan ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd aanwijzen aan wie dezelfde bevoegdheden toekomen als waarover de inspecteur, bedoeld in, beschikt voor het voeren van een procedure bij een tuchtcollege in eerste aanleg als bedoeld in deze paragraaf of in beroep als bedoeld invan dit hoofdstuk. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 artikel 65b, eerste lid Na verzending van het afschrift, bedoeld in, gelast de voorzitter van het regionale tuchtcollege een vooronderzoek. De voorzitter draagt het vooronderzoek op aan een of meer leden, plaatsvervangende leden of de secretaris van het regionale tuchtcollege. 2 artikel 68 Het vooronderzoek kan zich mede uitstrekken tot andere dan in het klaagschrift vermelde feiten en omstandigheden. De vooronderzoeker stelt de klager en de beklaagde in de gelegenheid door hem te worden gehoord. Hij kan de betrokken inspecteur, alsmede getuigen en deskundigen horen; ten aanzien van de getuigen en deskundigen isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de oproeping, het verzoek tot dagvaarding en het doen afleggen van de eed of belofte geschieden door de vooronderzoeker. 3 artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden Bij de vervulling van de hem op grond van het eerste en het tweede lid toekomende taak is de vooronderzoeker bevoegd, vergezeld van de door hem aangewezen personen, elke plaats te betreden teneinde een onderzoek te verrichten waarvan het uitvoeren ter betrokken plaatse door hem noodzakelijk wordt geoordeeld. Ingeval tijdens zodanig onderzoek de orde wordt verstoord of hem tegenstand wordt geboden, kan de vooronderzoeker de hulp van de sterke arm inroepen. De voorzitter van het regionale tuchtcollege is bevoegd een machtiging als bedoeld inte geven. 4 De vooronderzoeker kan de klager, de beklaagde en anderen verzoeken om binnen een door hem te bepalen termijn inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. Indien de klager of de beklaagde niet voldoet aan het verzoek, kan het regionale tuchtcollege daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. 5 Tijdens de behandeling van een zaak op de terechtzitting kan het regionale tuchtcollege de vooronderzoeker opdragen alsnog een aanvullend onderzoek in te stellen. Het tweede en derde lid zijn te dezen van overeenkomstige toepassing. Het aanvullend onderzoek wordt gesloten door de zaak wederom naar een terechtzitting te verwijzen. 6 De vooronderzoeker, die tevens lid of plaatsvervangend lid is van het regionale tuchtcollege en die een vooronderzoek in een zaak heeft verricht, neemt, op straffe van nietigheid, geen deel aan de behandeling van die zaak op de terechtzitting. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 De klager en de beklaagde worden in de gelegenheid gesteld de behandeling van de zaak op de terechtzitting bij te wonen en tijdens de behandeling te worden gehoord. 2 De klager en de beklaagde worden gedurende een termijn van tenminste zes dagen in de gelegenheid gesteld van de processtukken kennis te nemen. De laatste dag van de in de eerste volzin genoemde termijn ligt tenminste acht dagen vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting. 3 Indien dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, bepaalt de voorzitter van het tuchtcollege dat het kennisnemen van bepaalde processtukken of gedeelten ervan niet wordt toegestaan aan de klager persoonlijk, maar uitsluitend aan een gemachtigde, die arts of advocaat is, dan wel van de voorzitter bijzondere toestemming heeft verkregen. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 67a — Artikel 67a#
Artikel 67a 1 Tenzij reeds is bepaald dat de zaak ter terechtzitting zal worden behandeld, kan door de voorzitter dan wel door het regionale tuchtcollege in raadkamer een eindbeslissing worden gegeven, inhoudende dat: a. het college kennelijk onbevoegd is; b. de klager kennelijk niet-ontvankelijk is; c. de klacht kennelijk ongegrond is; of d. de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is. 2 Artikel 69, zesde lid 72, eerste lid , en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 67b — Artikel 67b#
Artikel 67b 1 De voorzitter van het tuchtcollege kan bepalen dat de beklaagde of de klager wordt opgeroepen om in persoon op de zitting te verschijnen teneinde hun standpunten toe te lichten of het college inlichtingen te verschaffen. Zij worden opgeroepen door de secretaris. De klager en de beklaagde zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. Partijen worden hierop gewezen. 2 Indien de beklaagde of de klager, hoewel behoorlijk opgeroepen niet op de zitting verschijnt, kan het college daaruit de gevolgtrekkingen maken die het geraden voorkomt. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Het regionale tuchtcollege kan getuigen en deskundigen ter terechtzitting oproepen en horen. Ieder die als getuige of deskundige is opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven. 2 De klager en de beklaagde kunnen getuigen en deskundigen ter terechtzitting uitnodigen of bij deurwaardersexploit oproepen; in geval van oproeping gelden voor hen dezelfde verplichtingen als voor getuigen en deskundigen, opgeroepen door het tuchtcollege. 3 Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering Verschijnt een getuige of een deskundige op de oproeping niet, dan doet de officier van justitie op verzoek van het college hem dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging.is van overeenkomstige toepassing. 4 De voorzitter van het college doet de getuigen de eed of belofte afleggen dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. De getuigen en deskundigen zijn verplicht op de gestelde vragen te antwoorden, onderscheidenlijk de van hen gevorderde diensten te verlenen. De deskundigen zijn gehouden hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. 5 artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn devan overeenkomstige toepassing. 6 Wet griffierechten burgerlijke zaken De getuigen en deskundigen, opgeroepen door het tuchtcollege, ontvangen, desverkiezende op vertoon van hun oproeping of dagvaarding, uit ’s Rijks kas schadeloosstelling, door de voorzitter van het college te begroten overeenkomstig het bij of krachtens debepaalde. De voorzitter begroot op overeenkomstige wijze de schadeloosstelling voor getuigen en deskundigen, opgeroepen of uitgenodigd ingevolge het tweede lid, welke ten laste komt van degene door wie zij zijn opgeroepen of uitgenodigd. Deurwaarders ontvangen voor de werkzaamheden verricht ingevolge het tweede lid, van hun opdrachtgever een vergoeding overeenkomstig de bepalingen van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 504 24-12-2019 18-12-2019 35311 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 68a — Artikel 68a#
Artikel 68a 1 artikel 47 artikel 79 Indien naar aanleiding van het vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting van een klacht als bedoeld ineen vermoeden is gerezen dat een beklaagde mogelijk ongeschikt is om zijn beroep uit te oefenen als bedoeld in, stelt de voorzitter de inspecteur daarvan op de hoogte. De voorzitter zendt de stukken waarop het vermoeden van de mogelijke ongeschiktheid van de beroepsbeoefenaar is gebaseerd aan de inspecteur. 2 artikel 79 De voorzitter die een vermoeden als bedoeld in het eerste lid heeft geuit, neemt geen deel aan de behandeling van een zaak tegen die beroepsbeoefenaar, als bedoeld in. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 Binnen twee maanden na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting wordt de eindbeslissing van het regionale tuchtcollege uitgesproken. 2 Een in het eerste lid bedoelde beslissing strekt tot: a. het niet-ontvankelijk verklaren van de klager, b. het ongegrond verklaren van de klacht, of c. het gegrond verklaren van de klacht. 3 artikel 48, eerste, tweede en vierde lid Indien het regionale tuchtcollege de klacht gegrond verklaart, kan het tuchtcollege een maatregel als bedoeld in, opleggen. 4 artikel 48, eerste, tweede en vierde lid Een maatregel als bedoeld in, wordt niet opgelegd indien dit door het regionale tuchtcollege raadzaam wordt geacht in verband met de geringe ernst van het handelen of nalaten, de omstandigheden waaronder het handelen of nalaten heeft plaatsgevonden, dan wel omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan. 5 Indien het regionale tuchtcollege de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en een maatregel oplegt als bedoeld in het derde lid, kan het in zijn beslissing opnemen dat de kosten, of een deel daarvan, die de klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken, door de beklaagde aan wie de maatregel wordt opgelegd aan de klager worden vergoed. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over welke kosten vergoed kunnen worden, wat de hoogte van de te vergoeden kosten is en over de tenuitvoerlegging van de beslissing van het regionale tuchtcollege. 6 De beslissing is met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 Het regionale tuchtcollege behandelt de zaak in een openbare terechtzitting. Het college kan evenwel om gewichtige redenen bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. 2 De eindbeslissing van het regionale tuchtcollege van een zaak die in een openbare terechtzitting is behandeld, wordt in het openbaar uitgesproken. 3 Bij de openbare uitspraak van een beslissing worden de naam, de voornamen, de hoedanigheid en de woonplaats van de bij de zaak betrokken patiënt, van de klager en van de getuigen weggelaten. 4 Tijd en plaats van een openbare terechtzitting of openbare uitspraak worden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bekend gemaakt. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Staatscourant Het regionale tuchtcollege kan om redenen, aan het algemeen belang ontleend, bepalen dat zijn eindbeslissing geheel of gedeeltelijk in dezal worden bekendgemaakt en aan door hem aangewezen tijdschriften of nieuwsbladen ter bekendmaking zal worden aangeboden, een en ander met weglating van de namen, voornamen en woonplaatsen van de in de beslissing genoemde personen alsmede van de daarin voorkomende andere gegevens die omtrent deze personen een aanwijzing bevatten. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 1 Van de eindbeslissing van het regionale tuchtcollege wordt, binnen een week na de uitspraak daarvan, een afschrift gezonden aan: a. de klager; b. de beklaagde; c. de inspecteur; d. de secretaris van het centrale tuchtcollege; e. Onze Minister van Defensie, ingeval de beslissing betrekking heeft op een persoon die militair is. 2 artikel 48, eerste lid, onder b tot en met g, tweede en vierde lid Van een eindbeslissing waarbij een der in, omschreven maatregelen is opgelegd, wordt voorts binnen een week na de uitspraak daarvan een afschrift gezonden aan Onze Minister. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 Tegen een eindbeslissing van het regionale tuchtcollege en tegen een eindbeslissing van de voorzitter van het regionale tuchtcollege kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van die beslissing bij het centrale tuchtcollege beroep worden ingesteld door: a. de klager, voor zover zijn klacht ongegrond is verklaard, hij niet-ontvankelijk is verklaard, het college kennelijk onbevoegd is, of voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is; b. de beklaagde; c. de inspecteur. 2 Het beroep wordt schriftelijk ingesteld. De inhoud van het beroepschrift moet voldoen aan de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. 3 Artikel 65a is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar in dat artikel wordt gesproken over «klaagschrift» daar voor de toepassing van dat artikel «beroepschrift» moet worden gelezen. 4 De secretaris van het college zendt een afschrift van het beroepschrift aan de klager, de beklaagde en de inspecteur, voor zover het beroepschrift niet door hen is ingediend, zodra het griffierecht is betaald. 5 De personen, bedoeld in het vierde lid, kunnen binnen zes weken na de datum van verzending van een afschrift van het beroepschrift als bedoeld in het vierde lid, incidenteel beroep instellen. De voorschriften omtrent de procedure in beroep zijn van toepassing, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald. 6 De in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde personen worden door de voorzitter van het centrale tuchtcollege in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na toezending van de gronden van het incidenteel beroep schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het incidenteel beroep kenbaar te maken. 7 Wanneer het beroepschrift na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. 8 Het centrale tuchtcollege kan degene die beroep heeft ingesteld niet-ontvankelijk verklaren, het beroep verwerpen of het beroep gegrond verklaren. 9 Indien het centrale tuchtcollege het beroep gegrond verklaart dan wel bij de behandeling van het beroep op andere dan de in het beroepschrift aangevoerde gronden tot het oordeel komt dat de in eerste aanleg gegeven beslissing niet kan worden gehandhaafd, vernietigt het deze beslissing en doet de zaak alsdan zelf af. 10 Indien tegen de eindbeslissing van het regionale tuchtcollege door twee of meer personen beroep is ingesteld en tenminste twee van hen ontvankelijk zijn, worden deze beroepen gezamenlijk behandeld. 11 artikelen 65, zevende lid 65d De, en, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar in dat artikel wordt gesproken over «klaagschrift» daar voor de toepassing van dat artikel «beroepschrift» moet worden gelezen. 2025 151 04-06-2025 26-05-2025 36682 2025 174 04-07-2025 30-06-2025 05-07-2025
Artikel 73a — Artikel 73a#
Artikel 73a 1 De voorzitter van het centrale tuchtcollege kan kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde beroepen, alsmede beroepen die naar zijn oordeel niet zullen leiden tot een andere beslissing dan die van het regionale tuchtcollege, binnen zes weken nadat zij zijn ingesteld, bij met redenen omklede beslissing afwijzen. 2 Artikel 69, zesde lid 72, eerste lid , en, zijn van overeenkomstige toepassing 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024 Artikel XXV van Stb. 2023/293 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 73b — Artikel 73b#
Artikel 73b 1 artikel 73a, eerste lid Tegen een beslissing als bedoeld in, kunnen de klager en de beklaagde binnen veertien dagen na de verzending van het afschrift van de beslissing, schriftelijk verzet doen bij het centrale tuchtcollege. 2 Alvorens te beslissen op het verzet, stelt het centrale tuchtcollege klager en beklaagde in de gelegenheid te worden gehoord. 3 artikel 73a bedoelde Het verzet wordt behandeld in een samenstelling van het centrale tuchtcollege waarvan degene die de inbeslissing heeft genomen geen deel uitmaakt. 4 De beslissing op verzet is met redenen omkleed en strekt tot: a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet; b. ongegrondverklaring van het verzet; of c. gegrondverklaring van het verzet. 5 Indien het centrale tuchtcollege het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de beslissing waartegen verzet was gedaan in stand. 6 Indien het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de beslissing waartegen verzet was gedaan en wordt de behandeling van de zaak voortgezet. 7 artikel 72 Tegen de beslissing op verzet staat geen rechtsmiddel open. Van de beslissing zendt de voorzitter onverwijld een afschrift aan degenoemde personen. 8 In afwijking van het zesde lid kan het centrale tuchtcollege zonder behandeling ter terechtzitting uitspraak doen op de klacht, indien het verzet gegrond is en nader onderzoek of nadere behandeling redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de klacht. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 artikel 73, tweede lid artikel 66, tweede en derde lid Indien een beroepschrift afkomstig is van een persoon die niet bevoegd is tot het instellen van beroep, niet tijdig is ingediend of niet voldoet aan de krachtens, gestelde eisen, kan het centrale tuchtcollege op voorstel van de voorzitter zonder verder onderzoek, in raadkamer, een beslissing geven, welke strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van degene die het beroep heeft ingesteld. De beslissing is met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld. In andere dan in de eerste volzin bedoelde gevallen kan de voorzitter, alvorens de zaak naar een terechtzitting te verwijzen, een vooronderzoek op de voet van het in, bepaalde gelasten. 2 artikelen 66, vijfde en zesde lid 67 67b 68 68a 69 tot en met 72 Op de behandeling in beroep zijn de,,,,, envan overeenkomstige toepassing. 3 Het centrale tuchtcollege kan het regionale tuchtcollege dat de beslissing waartegen beroep is ingesteld, heeft gegeven, uitnodigen inlichtingen te verstrekken. 4 Het centrale tuchtcollege kan mede oordelen over onderdelen van de beslissing van het regionale tuchtcollege, waartegen in het beroepschrift geen bezwaren zijn aangevoerd. 5 Indien alleen de beklaagde beroep heeft ingesteld, kan het centrale tuchtcollege slechts met eenparigheid van stemmen een beslissing geven die een wijziging te zijnen nadele brengt in hetgeen door het regionale tuchtcollege was beslist. 6 De eindbeslissing van het centrale tuchtcollege van een zaak die in een openbare terechtzitting is behandeld, wordt in het openbaar uitgesproken. 7 Een afschrift van de beslissing van het centrale tuchtcollege wordt mede toegezonden aan het regionale tuchtcollege dat in eerste aanleg besliste. 2023 293 13-09-2023 25-08-2023 36002 2023 323 04-10-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Tegen een beslissing van het centrale tuchtcollege staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 artikel 72, eerste lid De secretaris van het centrale tuchtcollege bewaart en registreert de hem overeenkomstig, toegezonden beslissingen. 2 De secretaris van het centrale tuchtcollege verstrekt desgevraagd aan de tuchtcolleges, de leden van de rechterlijke macht en de ambtenaren van het openbaar ministerie inlichtingen omtrent onherroepelijke beslissingen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent het in het eerste en het tweede lid bepaalde nadere regels worden gesteld. Daarbij kunnen de in het eerste lid gestelde verplichtingen, voor zover zulks uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling toelaatbaar is, worden beperkt. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 De secretarissen van de tuchtcolleges kunnen aan degene die daarom verzoekt, tegen betaling der kosten, afschriften van onherroepelijke beslissingen van de tuchtcolleges verstrekken. Zodanige afschriften worden niet dan na machtiging van de voorzitter van het college dat de desbetreffende beslissing heeft gegeven, verstrekt. Een verzoek daartoe wordt alleen toegestaan ingeval de verzoeker heeft aangetoond dat hij daarbij belang heeft. In de afschriften worden de in de desbetreffende beslissingen vermelde namen, voornamen en woonplaatsen van de klagers, de beklaagden, de getuigen en de deskundigen weggelaten. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 De tuchtcolleges brengen jaarlijks vóór 1 april verslag uit omtrent hun werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 artikel 47, tweede lid Het regionale tuchtcollege is bevoegd op schriftelijke voordracht van een inspecteur een voorziening te treffen, ertoe strekkende een beroepsbeoefenaar die in een der in hetvermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, uit dat register te doen verwijderen dan wel diens uitoefening van het betrokken beroep met bijzondere waarborgen te omkleden indien de beroepsbeoefenaar moet worden geacht de geschiktheid tot het uitoefenen dan wel tot het zonder zodanige waarborgen uitoefenen van dat beroep te missen, wegens: 1°. zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid; of 2°. artikelen 2 3 van de Opiumwet zijn gewoonte van drankmisbruik of van misbruik van middelen, bedoeld in deen. 2 Overeenkomstig het eerste lid is het regionale tuchtcollege tevens bevoegd op schriftelijke voordracht van een inspecteur een voorziening te treffen, ten aanzien van een beroepsbeoefenaar die ten hoogste een jaar voordat de voordracht wordt ingediend in een register heeft ingeschreven gestaan. De voordracht wordt in dat geval geacht te strekken tot ontzegging tot het recht op wederinschrijving. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de inspecteur in bij de maatregel omschreven gevallen tot het doen van een voordracht niet mag overgaan dan na overleg met een of meer andere inspecteurs. 4 Onze Minister kan ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd aanwijzen aan wie dezelfde bevoegdheden toekomen als waarover de inspecteur, bedoeld in het eerste lid, beschikt voor het voeren van een procedure als bedoeld in dit hoofdstuk. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 79a — Artikel 79a#
Artikel 79a 1 Bevoegd tot het behandelen van een voordracht in eerste aanleg is het regionale tuchtcollege van het rechtsgebied waarin de beroepsbeoefenaar zijn woonplaats heeft. 2 Indien de beroepsbeoefenaar geen woonplaats heeft in een rechtsgebied van een van de regionale tuchtcolleges, is het regionale tuchtcollege te Amsterdam bevoegd tot het behandelen van de voordracht. 3 artikel 79, eerste lid Indien een voordracht als bedoeld in, wordt gedaan tegen een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot dat tevens lid is van het regionale tuchtcollege waar de voordracht wordt gedaan, kan de voorzitter in het belang van een onafhankelijke behandeling, de zaak ter behandeling verwijzen naar een ander regionaal tuchtcollege. De zaak wordt in het behandelend regionale tuchtcollege behandeld door leden die daartoe door de voorzitter zijn aangewezen. Bij die aanwijzing draagt de voorzitter er zorg voor dat een onafhankelijke behandeling is gewaarborgd. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 1 artikel 79, eerste lid Een voorziening, bedoeld in, kan bestaan in het opleggen van een der volgende maatregelen ten aanzien van de betrokkene: a. binding aan bijzondere voorwaarden om het beroep uit te oefenen waarvoor de beroepsbeoefenaar in het register is ingeschreven; b. gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het betrokken beroep uit te oefenen; c. doorhaling van de inschrijving in het register. 2 a b De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderen, kunnen ook gezamenlijk worden opgelegd. 3 a b Een maatregel, bedoeld in het eerste lid, onderof, wordt eerst van kracht bij het onherroepelijk worden van de beslissing waarbij hij is opgelegd, tenzij het regionale tuchtcollege, indien het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zulks vordert, bij zijn beslissing heeft bepaald dat hij onmiddellijk van kracht wordt. 4 De maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register wordt vanwege Onze Minister ten uitvoer gelegd zodra de beslissing waarbij hij is opgelegd, onherroepelijk is geworden. 5 artikel 48, eerste lid, onder d of e Bij het opleggen van de maatregel van doorhaling van de inschrijving kan het regionale tuchtcollege tevens, indien het belang van de individuele gezondheidszorg zulks vordert, bij wijze van voorlopige voorziening, een maatregel als bedoeld in, opleggen. Deze voorziening wordt terstond van kracht en wordt vanwege Onze Minister onverwijld ten uitvoer gelegd; de voorlopige voorziening blijft in afwijking van artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van kracht totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd. Artikel 48, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing. 6 artikel 79, tweede lid Indien toepassing is gegeven aan, kan de voorziening worden opgelegd tot ontzegging van het recht op wederinschrijving. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 1 artikel 80, eerste lid, onder a, b of c Ingeval de omstandigheden op grond waarvan een maatregel, bedoeld in, was opgelegd, hebben opgehouden te bestaan, kan bij koninklijk besluit worden bepaald dat de voorwaarden die de betrokkene bij die maatregel werden gesteld, komen te vervallen, dat hij in de hem ontzegde bevoegdheid wordt hersteld, onderscheidenlijk dat hij, tenzij een buiten de opgelegde maatregel staande weigeringsgrond aanwezig blijkt, wederom in het register zal kunnen worden ingeschreven. In laatstbedoeld geval kan bij dat besluit worden bepaald dat het recht wederom in het register te worden ingeschreven eerst zal ingaan zodra de betrokkene aan vooraf te vervullen bijzondere voorwaarden, in dat besluit omschreven, zal hebben voldaan. 2 De voordracht tot een besluit krachtens het eerste lid wordt gedaan door Onze Minister. Alvorens zodanige voordracht wordt gedaan, wint Onze Minister het advies in bij het regionale tuchtcollege dat de maatregel heeft opgelegd. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019 Artikel IX, onderdeel D, van Stb. 2018/260 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 Aan de behandeling van een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, een ander rechtsgeleerd lid en drie leden-beroepsgenoten die behoren tot de categorie arts of gezondheidszorgpsycholoog, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 1 artikel 79, tweede lid artikel 80, eerste lid Artikel 65, zesde lid Een voordracht als bedoeld in, dient een omschrijving van de ter zake dienende feiten en omstandigheden te bevatten en te vermelden welke der in, bedoelde maatregelen worden voorgesteld en, zo het een maatregel als in dat lid, onder a en b, omschreven betreft, de inhoud daarvan., is van overeenkomstige toepassing. 2 Van een voordracht als bedoeld in het eerste lid zendt de secretaris van het regionale tuchtcollege een afschrift aan degene op wie de voordracht betrekking heeft. 3 artikel 79, eerste lid artikel 47 De voorzitter van het regionale tuchtcollege kan besluiten dat een zaak om een voorziening te treffen, bedoeld in, gevoegd wordt behandeld met een zaak, bedoeld in, indien de voordracht en het klaagschrift betrekking hebben op dezelfde beroepsbeoefenaar. 4 artikel 79, eerste lid artikel 47 Bij de gevoegde behandeling van een zaak als bedoeld in het derde lid, is het college voor de behandeling van een zaak bedoeld in, samengesteld uit de voorzitter, een gemeenschappelijk rechtsgeleerd lid en drie leden-beroepsgenoten die behoren tot de categorie arts of de categorie gezondheidszorgpsycholoog en voor de behandeling van een zaak, bedoeld in, uit de voorzitter, het gemeenschappelijk rechtsgeleerde lid en drie leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. 5 De inspecteur en degene op wie de voordracht betrekking heeft, kunnen zich doen vertegenwoordigen door een gemachtigde en zich doen bijstaan door een raadsman. De gemachtigde moet, desgevraagd, zijn bevoegdheid aantonen door het overleggen van een schriftelijke volmacht. Advocaten, als gemachtigden optredende, zijn tot deze overlegging niet gehouden. De voorzitter van het regionale tuchtcollege kan slechts weigeren een persoon die geen advocaat is als gemachtigde of als raadsman toe te laten, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat door de toelating van die persoon een behoorlijke uitoefening van de rechtspraak zal worden belemmerd. De weigering wordt door de voorzitter schriftelijk gemotiveerd. 6 artikel 68 Artikel 66, derde en zesde lid Na verzending van het afschrift, bedoeld in het tweede lid, gelast de voorzitter een vooronderzoek, dat zich mede kan uitstrekken tot andere dan in de voordracht vermelde feiten en omstandigheden. De voorzitter draagt het vooronderzoek op aan een of meer leden of plaatsvervangende leden of aan de secretaris van het regionale tuchtcollege. Degene die het vooronderzoek verricht stelt degene op wie de voordracht betrekking heeft, en de inspecteur die de voordracht heeft gedaan, in de gelegenheid door hem te worden gehoord. Hij kan voorts getuigen en deskundigen horen; ten aanzien van de getuigen en deskundigen isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de oproeping, het verzoek tot dagvaarding en het doen afleggen van de eed of belofte geschieden door degene die het vooronderzoek verricht. Van de uitkomsten van het vooronderzoek wordt aan de inspecteur mededeling gedaan voordat de zaak ter rechtszitting in behandeling wordt genomen., is van overeenkomstige toepassing. 7 Het vooronderzoek wordt gesloten met verwijzing naar een rechtszitting. 8 Degene op wie de voordracht betrekking heeft, en de inspecteur die de voordracht heeft gedaan, worden in de gelegenheid gesteld de behandeling van de zaak ter rechtszitting bij te wonen en tijdens de behandeling te worden gehoord. Zij worden gedurende een termijn van tenminste zes dagen in de gelegenheid gesteld van de processtukken kennis te nemen. De laatste dag van deze termijn ligt tenminste acht dagen vóór de aanvang van het onderzoek ter rechtszitting. 9 artikel 68 Ten aanzien van de getuigen en deskundigen isvan overeenkomstige toepassing. 10 Tijdens de behandeling van een zaak ter rechtszitting kan het regionale tuchtcollege een of meer leden, plaatsvervangende leden of de secretaris opdragen alsnog een aanvullend vooronderzoek in te stellen. Het vierde lid is te dezen van overeenkomstige toepassing. Het aanvullende vooronderzoek wordt gesloten door de zaak wederom naar een rechtszitting te verwijzen. 11 Het regionale tuchtcollege kan, indien het termen daartoe aanwezig acht, de betrokkene schriftelijk aanzeggen dat het belang van de zaak vordert dat hij zijn medewerking verleent aan een te zijnen aanzien door of vanwege een of meer artsen of gezondheidszorgpsychologen, door het regionale tuchtcollege hiertoe als deskundigen aangewezen, uit te voeren geneeskundig onderzoek. De kosten van het onderzoek komen ten laste van de Staat. Indien de betrokkene de van hem verlangde medewerking geheel of gedeeltelijk onthoudt, kan het regionale tuchtcollege bij zijn op de voordracht te geven beslissing deze omstandigheid in zijn overwegingen betrekken. 12 Zolang het regionale tuchtcollege zijn onderzoek van de zaak ter rechtszitting niet heeft beëindigd, kan de inspecteur de door hem gedane voordracht intrekken, in welk geval de behandeling van de zaak wordt gestaakt, tenzij degene op wie de voordracht betrekking heeft schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de behandeling te verlangen. Evenzo kan de inspecteur zijn voordracht zo nodig nog wijzigen of aanvullen. In zodanig geval wordt aan degene op wie de voordracht betrekking heeft, een afschrift van de aldus herziene voordracht verstrekt en wordt deze in de gelegenheid gesteld alsnog te worden gehoord. Indien degene op wie de voordracht betrekking heeft, overlijdt, wordt de behandeling van de zaak gestaakt. 13 artikel 80, eerste lid Binnen twee maanden na sluiting van het onderzoek ter rechtszitting wordt de eindbeslissing van het regionale tuchtcollege uitgesproken. De eindbeslissing strekt hetzij tot het opleggen van een der in, omschreven maatregelen, hetzij tot het afwijzen van de voordracht. Zij is met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld. Bij de keuze van de op te leggen maatregel kan het regionale tuchtcollege afwijken van hetgeen in de voordracht werd voorgesteld, met dien verstande dat de in artikel 80, eerste lid, onder c, omschreven maatregel niet dan in overeenstemming met de voordracht kan worden opgelegd. 14 artikel 70, eerste, derde en vierde lid artikel 80, eerste lid Ten aanzien van de behandeling van de zaak ter rechtszitting en het uitspreken van de beslissing is, van overeenkomstige toepassing. Een beslissing, strekkende tot het opleggen van een der in, omschreven maatregelen, wordt in het openbaar uitgesproken. Ten aanzien van een beslissing, strekkende tot het afwijzen van de voordracht, kan het regionale tuchtcollege om redenen, aan het algemeen belang ontleend, bepalen dat zij in het openbaar wordt uitgesproken, met dien verstande dat zodanige beslissing in elk geval in het openbaar wordt uitgesproken indien de zaak in een openbare rechtszitting is behandeld. 15 Van de eindbeslissing van het regionale tuchtcollege wordt binnen een week na de uitspraak daarvan, een afschrift gezonden aan: a. degene op wie de voordracht betrekking heeft; b. de inspecteur die de voordracht heeft gedaan; c. de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen; d. de secretaris van het centrale tuchtcollege; e. artikel 80, eerste lid Onze Minister, ingeval de beslissing strekt tot het opleggen van een der in, omschreven maatregelen; f. Onze Minister van Defensie, ingeval de beslissing betrekking heeft op een persoon die militair is. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 1 Tegen een eindbeslissing van het regionale tuchtcollege kan degene op wie de voordracht betrekking heeft, alsmede de betrokken inspecteur, binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van die beslissing bij het centrale tuchtcollege beroep instellen. 2 artikel 56, tweede lid Ten aanzien van de samenstelling van het centrale tuchtcollege bij de behandeling van zodanig beroep is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in die bepaling aan leden-beroepsgenoten toegewezen plaatsen in alle gevallen worden ingenomen door leden of plaatsvervangende leden van het college, benoemd uit de personen die in het desbetreffende register als arts of gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven staan. 3 artikelen 73, tweede tot en met tiende lid 83, vijfde en twaalfde lid De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. In geval van intrekking van een ingesteld beroep door degene op wie de voordracht betrekking heeft, wordt de behandeling in beroep gestaakt, tenzij het college zijn onderzoek van de zaak ter rechtszitting reeds heeft beëindigd. 4 artikel 73, tweede lid artikel 83, zesde en zevende lid Indien een beroepschrift afkomstig is van een persoon die niet bevoegd is tot het instellen van beroep, niet tijdig is ingediend of niet voldoet aan de krachtens het derde lid met overeenkomstige toepassing van, gestelde eisen, kan het centrale tuchtcollege op voorstel van degene die het vooronderzoek heeft verricht zonder verder onderzoek, in raadkamer, een beslissing geven, welke strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van degene die het beroep heeft ingesteld. De beslissing is met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld. In andere dan in de eerste volzin bedoelde gevallen kan de voorzitter, alvorens de zaak naar een rechtszitting te verwijzen, een vooronderzoek op de voet van, gelasten. 5 artikelen 74, derde tot en met vijfde lid 83, achtste tot en met elfde lid, dertiende lid, met uitzondering van de tweede volzin, en veertiende lid Op de behandeling in beroep en de uitspraak van de eindbeslissing zijn de, en, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beslissing van het centrale tuchtcollege eveneens in het openbaar wordt uitgesproken indien de beslissing van het regionale tuchtcollege, waartegen beroep is ingesteld, in het openbaar werd uitgesproken. 6 artikel 83, vijftiende lid Ten aanzien van de toezending van afschriften van de eindbeslissing van het centrale tuchtcollege is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een afschrift mede wordt toegezonden aan het centrale tuchtcollege. 7 artikel 83, vijftiende lid artikel 76 Met betrekking tot de overeenkomstig het zesde lid juncto, aan de secretaris van het centrale tuchtcollege toegezonden afschriften van de beslissingen isvan overeenkomstige toepassing. 8 Indien degene op wie de voordracht betrekking heeft in een zaak tevens lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot is van het centrale tuchtcollege wordt de zaak behandeld door leden die daartoe door de voorzitter zijn aangewezen. Bij die aanwijzing draagt de voorzitter er zorg voor dat een onafhankelijke behandeling is gewaarborgd. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 artikel 84 artikel 62 Ten aanzien van het centrale tuchtcollege is met betrekking tot zaken die bij dat college ingevolge een krachtensingesteld beroep aanhangig zijn,van overeenkomstige toepassing. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 85a — Artikel 85a#
Artikel 85a 1 artikel 47, tweede lid De inspecteur kan een beroepsbeoefenaar die in een der in, vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, een last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten voor het betrokken beroep opleggen. 2 Een last als bedoeld in het eerste lid kan worden opgelegd indien: a. gedragingen van de beroepsbeoefenaar hebben geleid tot ernstige benadeling van de gezondheid van personen of een aanmerkelijke kans daarop, dan wel indien die gedragingen blijk geven van een persoonlijkheid die zich niet verdraagt met het door hem uitgeoefende beroep, en b. artikel 47, derde lid de gedragingen van de beroepsbeoefenaar van zodanige aard zijn dat het belang van de volksgezondheid meebrengt dat de beroepsbeoefenaar zijn beroepsactiviteiten staakt totdat een regionaal tuchtcollege als bedoeld in, over dat handelen heeft geoordeeld. 3 artikel 79 De in het eerste lid bedoelde last eindigt acht weken na de dag waarop de last aan de beroepsbeoefenaar is bekend gemaakt, tenzij de inspecteur binnen die periode van acht weken tegen de beroepsbeoefenaar bij het regionale tuchtcollege een klaagschrift heeft ingediend dan wel met betrekking tot die beroepsbeoefenaar een voordracht als bedoeld inheeft gedaan. 4 Indien de inspecteur met inachtneming van het derde lid een zaak aanhangig heeft gemaakt bij het regionale tuchtcollege, blijft de in het eerste lid bedoelde last van kracht totdat dat tuchtcollege een einduitspraak heeft gedaan. 5 artikel 79 Indien de inspecteur binnen de periode van acht weken afziet van het indienen van een tuchtklacht dan wel het doen van een voordracht als bedoeld in, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de beroepsbeoefenaar. De last komt daarmee ten einde. In de mededeling wordt de datum vermeld waarop de last ten einde is gekomen. 6 artikel 79 De inspecteur meldt de beroepsbeoefenaar aan wie hij een last heeft opgelegd na het verstrijken van de periode van acht weken zo spoedig mogelijk dat de last is beëindigd indien hij niet binnen die periode een tuchtklacht heeft ingediend dan wel een voordracht heeft gedaan als bedoeld in. 7 De inspecteur vermeldt in zijn klaagschrift dan wel de voordracht dat aan de betrokken beroepsbeoefenaar een last als bedoeld in het eerste lid is opgelegd. 8 De secretaris zendt het afschrift van het klaagschrift dan wel van de voordracht zo spoedig mogelijk aan de betrokken beroepsbeoefenaar. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 85b — Artikel 85b#
Artikel 85b artikel 85a, derde lid artikel 65, zesde lid Indien de inspecteur een zaak aanhangig heeft gemaakt dan wel een voordracht heeft gedaan bij het regionale tuchtcollege als bedoeld in, behandelt het tuchtcollege de zaak overeenkomstig. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 artikel 40 hoofdstuk X artikel 85a, eerste lid Met het toezicht op de naleving van de krachtens deze wet geregelde opleidingen, de krachtensgestelde voorschriften, de voorschriften waarvan overtreding instrafbaar is gesteld en het toezicht op de naleving van een last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten als bedoeld in, zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. 2025 151 04-06-2025 26-05-2025 36682 2025 174 04-07-2025 30-06-2025 05-07-2025
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 1 artikelen 5:18 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht De met het toezicht belaste ambtenaren beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in deen. 2 artikelen 5:16 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht De aan de met het toezicht belaste ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in deen, hebben mede betrekking op patiëntendossiers. 3 artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 88 Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking vanen vanvan deze wet, niet inroepen tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 87a — Artikel 87a#
Artikel 87a Vervallen 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 artikel 3 34 36a De beoefenaren van een op grond van,ofgereguleerd beroep zijn verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 Vervallen 1993 690 23-12-1993 23258 1995 559 28-11-1995 14-11-1995 01-12-1995
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 hoofdstukken II III VI XI artikel 93 Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de,,enen inkan worden bepaald dat Onze Minister met betrekking tot onderwerpen die in de maatregel worden geregeld, nadere regels kan dan wel moet stellen. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 artikel 8 34 40 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur waarbij ten aanzien van een bij de maatregel aangewezen beroep voor de eerste maal toepassing wordt gegeven aan,of, dan wel een algemene maatregel van bestuur, inhoudende intrekking van een algemene maatregel van bestuur waarbij ten aanzien van een bepaald beroep toepassing is gegeven aan artikel 8, 34 of 40, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 artikel 35 Beoefenaren van een beroep dat vergelijkbaar is met dat van arts, tandarts, verloskundige, verpleegkundige, physician assistant of klinisch technoloog en die zijn verbonden aan een buitenlandse krijgsmacht, worden voor de toepassing vangelijkgesteld met de op grond van hoofdstuk IV aangewezen personen, indien zij: a. in Nederland, in een Nederlands luchtvaartuig of op een Nederlands schip verblijven; b. artikel 36 zij in het land van de krijgsmacht waaraan zij verbonden zijn, als beoefenaar van het betreffende beroep, bevoegd zijn tot het verrichten van de handelingen als bedoeld in, en c. zij hun beroep uitoefenen ten behoeve van: – personeel behorende tot de krijgsmacht waaraan de beroepsbeoefenaar is verbonden; – personeel behorende tot een andere buitenlandse krijgsmacht; – degenen met wie het personeel, bedoeld onder a en b, duurzaam samenleeft, of – artikel 1, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie militaire ambtenaren als bedoeld in. 2 artikel 4, tweede lid artikel 17, tweede lid artikel 34, vierde lid De verboden, bedoeld in, onderscheidenlijk, en, zijn niet van toepassing ten aanzien van beroepsbeoefenaren: a. artikel 3, eerste lid artikel 14, eerste lid artikel 34, eerste lid die in het land van herkomst een beroep uitoefenen vergelijkbaar met een beroep als bedoeld in, dan wel een beroep dat zijn grondslag vindt inof, en die een titel voeren die overeenkomt met dat uitgeoefende beroep, en b. die handelen in de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder a en c. 3 De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de toepassing van in andere wetten opgenomen bepalingen, betrekking hebbende op degenen die in het desbetreffende register ingeschreven staan, gelijkgesteld met laatstbedoelde personen, voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het verrichten van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden. 2022 15 11-01-2022 22-12-2021 35547 2022 98 01-03-2022 24-02-2022 01-04-2022
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 artikel 34, derde lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik van een bij de maatregel aangegeven onderscheidingsteken door degenen die in een bij de maatregel aangewezen register ingeschreven staan of aan wie krachtens, het recht is voorbehouden een krachtens dat artikellid aangegeven titel te voeren. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1995 559 28-11-1995 14-11-1995 01-12-1995
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1995 559 28-11-1995 14-11-1995 01-12-1995
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 1 Degene die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak benadeling of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander veroorzaakt, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat hij bij het verrichten van die handelingen benadeling of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. 2 Degene die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak benadeling of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander veroorzaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 3 Bij veroordeling wegens een der in het eerste of tweede lid omschreven feiten kan de betrokkene tevens worden ontzet van het recht het betrokken beroep uit te oefenen. 4 Indien het feit, bedoeld in het eerste lid, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. 5 Indien het feit, bedoeld in het eerste lid, de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 96a — Artikel 96a#
Artikel 96a 1 artikel 96 Indien tegen de verdachte van overtreding vanernstige bezwaren zijn gerezen en de bescherming van de volksgezondheid dat dringend vordert, is de officier van justitie, zolang de behandeling ter terechtzitting nog niet is aangevangen, bevoegd, gehoord de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, de verdachte bij aan deze te betekenen kennisgeving als voorlopige maatregel te bevelen zich van bepaalde handelingen te onthouden. 2 De verdachte kan tegen het bevel binnen veertien dagen na de betekening in beroep komen bij het gerecht waar de zaak wordt vervolgd of vervolgd zal worden. Het gerecht beslist zo spoedig mogelijk. De verdachte wordt gehoord, althans behoorlijk opgeroepen. 3 Artikel 28, tweede en derde lid artikelen 30 tot en met 32 van de Wet op de economische delicten , en dezijn van overeenkomstige toepassing. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 96b — Artikel 96b#
Artikel 96b artikel 96 Artikel 29, tweede en derde lid artikelen 30 tot en met 32 van de Wet op de economische delicten Indien tegen de verdachte van overtreding vanernstige bezwaren zijn gerezen en de bescherming van de volksgezondheid dat dringend vordert, kan het met de behandeling van de zaak belaste gerecht voor de behandeling ter terechtzitting, op de vordering van het openbaar ministerie, op de voordracht van de rechter-commissaris, met onderzoek in de zaak belast, en, indien de zaak te zijner zitting wordt behandeld, mede ambtshalve, de verdachte, gehoord de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, als voorlopige maatregel bevelen zich van bepaalde handelingen te onthouden., en dezijn van overeenkomstige toepassing. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 artikel 35, eerste lid 38 Degene die handelt in strijd met het in, ofgestelde verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 1 artikel 41, derde lid, onder b 48, eerste lid, onder e 48, tweede lid artikel 48, eerste lid, onder g artikel 80, eerste lid, onder a en b 105, derde lid Degene die een beperking van bevoegdheid of een voorwaarde, overeenkomstig,,, onderscheidenlijk overeenkomstig,, of, opgelegd om door de betrokken beroepsbeoefenaar te worden inachtgenomen, niet naleeft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2 artikel 96a artikel 96b Op dezelfde wijze wordt gestraft degene die handelt in strijd met een ingevolgeofgegeven bevel zich van bepaalde handelingen te onthouden. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 98a — Artikel 98a#
Artikel 98a artikelen 254a 260 295 305 309 van het Wetboek van Strafrecht Onverminderd de,,en, kan een persoon die werkzaam is in de individuele gezondheidszorg worden ontzet van het recht om een of meer beroepen in de individuele gezondheidszorg uit te oefenen, indien hij wordt veroordeeld voor een van de strafbare feiten omschreven in: a. artikel 96, eerste of tweede lid ; b. artikelen 241 243 245 tot en met 253 255 257 287 tot en met 291 301 tot en met 303 307 308 van het Wetboek van Strafrecht de,,,en,,enen. 2024 59 27-03-2024 20-03-2024 36222 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 1 artikel 48, eerste lid onder d artikel 80, vijfde lid artikel 4, tweede lid 17, tweede lid Degene die, hoewel hij in de uitoefening van zijn bevoegdheden is geschorst ten gevolge van een onherroepelijk geworden overeenkomstig, en 48, tweede lid opgelegde maatregel, een maatregel berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep tijdelijk geheel heeft verloren, dan wel een maatregel, bij wijze van voorlopige voorziening opgelegd overeenkomstig, tijdens de duur dier schorsing handelt in strijd met het in, of, gestelde verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2 artikel 48, eerste lid, onder f 80, eerste lid, onder c artikel 4, tweede lid 17, tweede lid Op dezelfde wijze wordt gestraft degene die, hoewel zijn inschrijving in het desbetreffende register is doorgehaald ten gevolge van een onherroepelijk geworden overeenkomstig, of, opgelegde maatregel, dan wel een maatregel berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep blijvend geheel heeft verloren, handelt in strijd met het in, of, gestelde verbod. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 1 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 4a Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de eerste categorie, bedoeld inop te leggen bij handelen in strijd met de krachtensgestelde verplichtingen. 2 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld inop te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens: – artikel 4, tweede lid ; – artikel 17, tweede lid ; – artikel 34, vierde lid ; – artikel 35 ; – artikel 36a, derde lid, tweede volzin ; – artikel 38 ; – artikel 40 ; – artikel 41, derde lid, onder b ; – artikel 48, eerste lid, onder d, e, en g ; – artikel 48, tweede lid ; – artikel 80, eerste lid, onder a of b ; – artikel 88 ; – artikel 96 ; – artikel 105, derde lid ; – artikel 108, tweede lid . 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 100a — Artikel 100a#
Artikel 100a artikel 85a Onze Minister is bevoegd een last onder dwangsom op te leggen aan een beroepsbeoefenaar die handelt in strijd met een krachtensopgelegde last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 100b — Artikel 100b#
Artikel 100b Vervallen 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 artikel 40 Degene die handelt in strijd met een krachtensgesteld voorschrift voor zover dit is aangeduid als strafbaar feit wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 1 artikel 96, eerste lid De in, strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. 2 artikelen 96, tweede lid 97 98 99 101 De in de,,,enstrafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 1 artikel 97 artikelen 96 Indien tijdens het plegen van een strafbaar feit, omschreven in, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in deen 97, onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie worden opgelegd. 2 artikel 96, eerste lid 97 Indien tijdens het plegen van een strafbaar feit, omschreven in, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96 en, onherroepelijk is geworden, kan de gevangenisstraf met een derde worden verhoogd. 3 artikel 96, tweede lid 97 Indien tijdens het plegen van een strafbaar feit, omschreven in, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96 en, onherroepelijk is geworden, kan hechtenis voor de duur van een jaar en vier maanden worden opgelegd. 4 artikelen 96 97 Onder vroegere veroordeling als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan een vroegere veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in deen. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 Vervallen 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 1 artikel 3, eerste lid hoofdstuk III Degenen die de bevoegdheid hadden verkregen tot het voeren van de titel van verpleegkundige vóór het tijdstip waarop, ten aanzien van het desbetreffende beroep in werking is getreden, wordt inschrijving in het desbetreffende register niet geweigerd vanwege het niet voldoen aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtensvoor inschrijving in dat register gestelde eisen. 2 artikel 3, eerste lid Met de in het eerste lid bedoelde personen worden gelijkgesteld degenen die een op de bekwaamheid tot de uitoefening van een daar bedoeld beroep dan wel op het voeren van de daar bedoelde titel betrekking hebbend getuigschrift hebben verkregen ter afsluiting van een wettelijk geregelde opleiding welke vóór het tijdstip waarop, ten aanzien van het desbetreffende beroep in werking is getreden, is aangevangen en eerst nadien is voltooid. 3 Artikel 12 Ingeval de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid of toelating onder beperkingen of voorwaarden is verleend, mag de betrokkene, in het register ingeschreven staande, het desbetreffende beroep slechts uitoefenen met inachtneming van die beperkingen of voorwaarden. Bij inschrijving van de betrokkene in het register wordt in de in de vorige volzin bedoelde gevallen in het register een aantekening geplaatst, inhoudende een omschrijving van die beperkingen of voorwaarden. Indien de bevoegdheid of de toelating voor een bepaalde tijd is verleend, wordt de inschrijving van de betrokkene na afloop van die tijd doorgehaald.is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in de tweede volzin bedoelde aantekening. 4 Het derde lid, eerste volzin, is niet van toepassing ten aanzien van: a. Stb. de in artikel 7, eerste volzin, van de Wet van 24 juni 1876,117, bedoelde tandartsen; b. a d a degenen aan wie een met de bevoegdheid van de onder a bedoelde tandartsen overeenkomende bevoegdheid of toelating krachtens artikel 7en 7van de ondergenoemde wet was verleend; c. Stb. degenen die krachtens artikel 1 van de Wet van 18 december 1957,589, waren toegelaten tot het uitoefenen van de tandheelkundige praktijk in Nederland. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 Vervallen 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 1 artikel 34, vierde lid artikel 34, eerste lid artikel 34 Voor de toepassing van, worden met degenen die een krachtens, geregelde of aangewezen opleiding tot een beroep dat ook wettelijk geregeld was vóór de datum van inwerkingtreding van, hebben voltooid, gelijkgesteld: a. artikel 34, derde lid personen die vóór het tijdstip waarop voor het desbetreffende beroep een algemene maatregel van bestuur krachtens, in werking treedt de bevoegdheid hadden verkregen tot de uitoefening van het desbetreffende beroep dan wel de bevoegdheid hadden verkregen tot het voeren van een op dat beroep betrekking hebbende titel; b. artikel 34, derde lid personen die een wettelijk geregelde opleiding tot het desbetreffende beroep vóór het tijdstip waarop voor dat beroep een algemene maatregel van bestuur krachtens, in werking treedt, hebben aangevangen en nadien hebben voltooid; c. a b artikel 34, derde lid artikel 34, eerste lid personen, andere dan de onderenbedoelde, die het betreffende beroep hebben uitgeoefend gedurende een aaneengesloten periode van tenminste zes maanden in het tijdvak van vijf jaren, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop voor dat beroep een algemene maatregel van bestuur krachtens, in werking treedt en ten aanzien van wie Onze Minister op hun daartoe strekkende aanvrage heeft verklaard dat hun verworven vakbekwaamheid geacht kan worden gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voltooid hebben van de krachtens, geregelde of aangewezen opleiding tot het desbetreffende beroep kan worden afgeleid. 2 c artikel 34, eerste lid De beoordeling of de vakbekwaamheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder, geacht kan worden gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan die welke mag worden afgeleid uit het voltooid hebben van de krachtens, geregelde of aangewezen opleiding tot het desbetreffende beroep, geschiedt aan de hand van het bezit van door Onze Minister aangewezen getuigschriften, door het afnemen van een proef, of, ter beoordeling van Onze Minister, op andere wijze, eventueel nadat de betrokkene gelegenheid is gelaten tot het volgen van aanvullende opleiding. 3 c artikel 34, derde lid Een aanvrage als bedoeld in het eerste lid, onder, is slechts ontvankelijk indien zij wordt ingediend binnen zes maanden na het tijdstip waarop een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, ten aanzien van het desbetreffende beroep in werking is getreden. Later ingediende aanvragen kunnen slechts in behandeling worden genomen indien een aannemelijke oorzaak voor de vertraging aanwezig is, en in dat geval slechts binnen twee maanden nadat de oorzaak heeft opgehouden te werken. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 107a — Artikel 107a#
Artikel 107a artikel 34, vierde lid artikel 34, eerste lid artikel 34 artikel 34, eerste lid Voor de toepassing van, worden met degenen die een krachtens, geregelde of aangewezen opleiding tot een beroep dat niet wettelijk geregeld was vóór de datum van inwerkingtreding van, hebben voltooid, gelijkgesteld: personen wier verworven vakbekwaamheid, gelet op het bezit van een door Onze Minister aangewezen getuigschrift, geacht kan worden gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voltooid hebben van de krachtens, geregelde of aangewezen opleiding tot het desbetreffende beroep kan worden afgeleid. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 1 Stb. Aan degene die vóór het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden de bevoegdheid tot uitoefening van heilgymnastiek en massage hadden verkregen krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wet op de paramedische beroepen (1963, 113) dan wel op de in artikel 41, tweede of vierde lid, van die wet omschreven voet, is het recht voorbehouden de titel van heilgymnast-masseur te voeren. 2 Het is degene wie het recht tot het voeren van de in het eerste lid geregelde titel niet toekomt, verboden die titel of een daarop gelijkende benaming te voeren. 3 Tot het gebied van deskundigheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, wordt gerekend het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het gebied van de bewegingstherapie en de massagetherapie, voor zover zij liggen op het gebied van de geneeskunst en het verrichten ervan geschiedt op grond van een door een arts afgegeven verwijzing die aan bij de maatregel te stellen eisen voldoet. 4 Tot het gebied van deskundigheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend het verrichten van handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheidstoestand te bevorderen of te bewaken, welke overeenkomen met de handelingen, bedoeld in het derde lid, doch niet liggende op het gebied van de geneeskunst. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 1997 570 27-11-1997 26-11-1997 25340 1997 575 27-11-1997 26-11-1997 25340 01-12-1997
Artikel 109 — Artikel 109#
Artikel 109 1 Stb. De krachtens de Medische Tuchtwet (1928, 222) opgelegde maatregelen behouden na de intrekking van die wet hun rechtskracht. 2 De op het tijdstip van die intrekking aanhangige zaken worden nog op de voet van het bij of krachtens de Medische Tuchtwet bepaalde afgehandeld, met dien verstande evenwel dat daarbij geen maatregel opgelegd kan worden wegens feiten ter zake waarvan geen maatregelen zouden kunnen worden opgelegd overeenkomstig hoofdstuk VII of VIII van de onderhavige wet. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 110 — Artikel 110#
Artikel 110 artikel 48, eerste lid, onder f artikel 80, eerste lid, onder c artikel 48, vierde lid Ingeval overeenkomstig de Medische Tuchtwet bij onherroepelijk geworden beslissing de in artikel 5, eerste lid, onder 5°, van die wet vermelde maatregel is opgelegd, wordt deze naar zijn rechtsgevolgen gelijkgesteld met een krachtens, of, dan wel met een krachtens, opgelegde maatregel, zulks naar gelang de betrokkene op het tijdstip van onherroepelijk worden van bedoelde beslissing al dan niet in het desbetreffende register ingeschreven stond. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 111 — Artikel 111#
Artikel 111 artikel 8, eerste lid artikel 8, tweede lid In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, kan voor personen die hun getuigschrift hebben behaald vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze maatregel een van, afwijkende aanvangsdatum worden vastgesteld vanaf welke de in de maatregel aangegeven periode begint te lopen. 2007 237 10-07-2007 07-06-2007 30463 2008 556 22-12-2008 12-12-2008 01-01-2009
Artikel 112 — Artikel 112#
Artikel 112 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 113 — Artikel 113#
Artikel 113 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 114 — Artikel 114#
Artikel 114 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 115 — Artikel 115#
Artikel 115 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 116 — Artikel 116#
Artikel 116 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1994 16 28-12-1993 12-01-1994
Artikel 117 — Artikel 117#
Artikel 117 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 1995 518 02-11-1995 14-09-1995 24116 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 Treedt in werking als de artikelen 45, 49, 117 en 144-145 van de
wet in werking treden.
Artikel 118 — Artikel 118#
Artikel 118 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 119 — Artikel 119#
Artikel 119 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 120 — Artikel 120#
Artikel 120 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 121 — Artikel 121#
Artikel 121 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 122 — Artikel 122#
Artikel 122 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 123 — Artikel 123#
Artikel 123 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 124 — Artikel 124#
Artikel 124 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 125 — Artikel 125#
Artikel 125 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 126 — Artikel 126#
Artikel 126 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 127 — Artikel 127#
Artikel 127 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 128 — Artikel 128#
Artikel 128 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 129 — Artikel 129#
Artikel 129 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 130 — Artikel 130#
Artikel 130 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 131 — Artikel 131#
Artikel 131 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 132 — Artikel 132#
Artikel 132 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 133 — Artikel 133#
Artikel 133 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 134 — Artikel 134#
Artikel 134 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 135 — Artikel 135#
Artikel 135 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 136 — Artikel 136#
Artikel 136 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 137 — Artikel 137#
Artikel 137 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 138 — Artikel 138#
Artikel 138 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 139 — Artikel 139#
Artikel 139 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 140 — Artikel 140#
Artikel 140 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 141 — Artikel 141#
Artikel 141 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 142 — Artikel 142#
Artikel 142 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 143 — Artikel 143#
Artikel 143 Vervallen 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 144 — Artikel 144#
Artikel 144 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 1995 588 07-12-1995 06-12-1995 24334 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 Treedt in werking als artikel 144 van de wet in werking treedt.
Artikel 144a — Artikel 144a#
Artikel 144a Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 518 02-11-1995 14-09-1995 24116 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997 Treedt in werking als de artikelen 45, 49, 117 en 144-145 van de
wet in werking treden.
Artikel 145 — Artikel 145#
Artikel 145 Stb. De Wet van 1 juni 1865,60, regelende de uitoefening der geneeskunst, Stb. de Wet van 24 juni 1876,117, houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst, Stb. de Wet van 25 december 1878,222, houdende regeling der voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van arts, tandarts, apotheker, vroedvrouw en apothekersbediende, Stb. de Wet tot bescherming van het diploma van verpleegkundige (1921, 702), Stb. Stb. de Wet van 30 december 1926,454, tot herziening van de uitvoering van de Wet van 29 juni 1925,282 (volledige tandprothese), Stb. de Medische Tuchtwet (1928, 222), Stb. Stb. de Wet van 18 mei 1929,257, tot het in de gelegenheid stellen van hen, die ingevolge de wet van 30 december 1926 (454) geen visum op hun bewijs van vestiging hebben ontvangen, om alsnog van hun practische bekwaamheid te doen blijken, Stb. de Wet van 13 mei 1939,801, tot nadere voorzieningen inzake de tandheelkunde, Stb. de Wet van 11 juli 1957,330, houdende aanvullende bepalingen tot het verlenen van de bevoegdheid van tandheelkundige, Stb. de Wet van 18 december 1957,589, tot regeling van de toelating van in Indonesië bevoegde Nederlandse tandartsen en vroedvrouwen tot de uitoefening van de praktijk in Nederland, Stb. de Wet op de paramedische beroepen (1963, 113), Stb. Stb. de Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters (1963, 289), alsmede de Wet inzake de tandprothetici (1989, 329) worden ingetrokken. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1999 487 30-11-1999 13-11-1999 01-12-1999 Artikel 145 treedt in werking voor zover betrekking hebbende op
de Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters.
Artikel 146 — Artikel 146#
Artikel 146 Stb. Staatsblad Stb. Staatsblad Waar in deze wet "Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (1993, 655)" voorkomt, worden bij plaatsing van deze wet in hetna "" ingevoegd de jaargang en het nummer van hetwaarin deze wet wordt geplaatst. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1997 553 27-11-1997 19-11-1997 01-12-1997
Artikel 147 — Artikel 147#
Artikel 147 1 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 2 Voorts kan het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 3 tot en met 7, 12, 100, 104, eerste lid, onder a, tweede en zesde lid, en 105, eerste en derde lid, per bij koninklijk besluit aan te wijzen regio verschillend worden gesteld ten aanzien van degenen die in Nederland woonachtig zijn en vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip de bevoegdheid tot het voeren van de titel van verpleegkundige hebben verkregen. 1995 518 02-11-1995 14-09-1995 24116 1994 16 28-12-1993 01-01-1994 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1994 16 28-12-1993 01-01-1994
Artikel 148 — Artikel 148#
Artikel 148 Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. 1993 655 23-12-1993 11-11-1993 19522 1994 16 28-12-1993 01-01-1994
Artikel 62a#
artikel 62a, eerste lid