Wet van 31 mei 1995, houdende balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting
- BWB-id
- BWBR0007419
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2013-01-01 t/m 2015-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007419
- ELI
- /eli/nl/wet/1995/wet-balansverkorting-geldelijke-steun-volkshuisvesting
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1995/wet-balansverkorting-geldelijke-steun-volkshuisvesting/2013-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007419&g=2013-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007419&z=2026-06-06&g=2013-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007419/2013-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1995/wet-balansverkorting-geldelijke-steun-volkshuisvesting
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: a. artikel 70 van de Woningwet toegelaten instelling: voor 1 januari 1995 ingevolgeals zodanig aangewezen instelling, b. woningen: te verhuren of verhuurde woningen, bejaardenwoningen, wooneenheden in verzorgingstehuizen voor bejaarden en te verhuren of verhuurde woningen en wooneenheden in woongebouwen met een bijzonder karakter, c. bijdrage: ingevolge de desbetreffende regeling of deze wet te ontvangen jaarlijkse bijdrage of bijdrage ineens, d. woongelegenheid: woning of bejaardenoord als bedoeld in de Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van die wet, e. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. 2 artikel 70 van de Woningwet Voor de toepassing van deze wet wordt, voor zover niet anders is bepaald, onder toegelaten instelling mede verstaan een instelling welke na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 ingevolgeals zodanig is aangewezen. 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 13-06-2008
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 67 van de Woningwet 1962 artikel 56 van de Woningwet Onze Minister stelt voor elke in een gemeente werkzame toegelaten instelling afzonderlijk de som vast van de contante waarden op 1 januari 1995 van de, uit hoofde van geldelijke steun aan de gemeente verleend krachtensof1901 met het oog op de toepassing van artikel 60 onderscheidenlijk artikel 51 van die wetten, op of na die datum te ontvangen bijdragen voor woningen welke op die datum in eigendom zijn van die toegelaten instelling of die zijn onderworpen aan een recht van erfpacht dat toebehoort aan die toegelaten instelling. 2 c Het in het eerste lid bepaalde geldt mede voor de geldelijke steun voor woningen die deel uitmaken van het op of na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van een andere rechtspersoon zonder winstoogmerk verworven totale bezit aan woningen die deel uitmaakten van een bejaardenoord als bedoeld in artikel 1, onderdeel, van de Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van die wet. 3 Het eerste lid is voor de gemeente van overeenkomstige toepassing ten aanzien van door die gemeente te ontvangen bijdragen voor woningen, in eigendom van de gemeente zelf. 1996 478 01-10-1996 26-09-1996 24606 1996 567 28-11-1996 15-11-1996 01-01-1997
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2 Onze Minister stelt de inbedoelde som vast op grond van de hem ter beschikking staande gegevens. 2 artikel 2 Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, verzoekt Onze Minister de gemeente en de toegelaten instelling binnen een door hem gestelde termijn de gegevens en bescheiden te verstrekken die nodig zijn voor nadere vaststelling van de inbedoelde som. 3 artikel 2 Onze Minister stelt de inbedoelde som nader vast binnen een jaar na het verstrijken van de door hem krachtens het tweede lid gestelde termijn doch in elk geval binnen vijf jaar na de in het eerste lid bedoelde vaststelling. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikelen 2 3 Voor de toepassing van deenwordt voor het tijdvak van de geldigheidsduur van de beschikkingen tot verlening van bijdragen met een ingangsdatum voor 1 januari 1995 overeenkomstig de desbetreffende regelingen uitgegaan van de jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten, het rendement over het geïnvesteerd vermogen en de jaarlijkse stijging van de huur als in die beschikkingen is vermeld. 2 Voor het tijdvak na het verstrijken van de geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde beschikkingen overeenkomstig de desbetreffende regelingen wordt uitgegaan van: a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 3 procent, b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en c. een jaarlijkse stijging van de huur met 5 procent met ingang van 1 juli 1995. 3 Indien geldelijke steun is verleend met toepassing van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 of de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1995, rekening gehouden met een dynamische kostprijshuur als bedoeld in die regelingen, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van: a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 0 procent, b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en c. a artikel 60, derde lid, onderdeel, van de Woningwet 1962 een jaarlijkse stijging van de huur met 0 procent voor woningen voor welke op het tijdstip van toekenning van de geldelijke steun tevens een lening werd verstrekt als bedoeld in, en van 5 procent voor andere woningen. 4 Indien geldelijke steun is verleend met toepassing van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1995, rekening gehouden met een dynamische kostprijshuur als bedoeld in die regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van: a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 0 procent, b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en c. een jaarlijkse stijging van de huur met 0 procent. 5 Woningwet 1962 Woningwet Onze Minister kan voor de toepassing van daarbij aan te geven krachtens deof de1901 gegeven ministeriële regelingen een ander percentage van de jaarlijkse stijging van de huur vaststellen. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikelen 2 3, eerste lid Een ingevolge deen, gegeven beschikking heeft tot gevolg dat: a. artikel 67 van de Woningwet 1962 artikel 56 van de Woningwet een verbintenis van het Rijk jegens de gemeente uit hoofde van geldelijke steun, verleend op grond vanof1901, teniet gaat, voor zover deze strekt tot betaling van bijdragen uit hoofde van verleende geldelijke steun over het tijdvak na de inwerkingtreding van de beschikking, b. artikelen 2 3, eerste lid ten laste van het Rijk een verbintenis ontstaat tot betaling aan de gemeente van de ingevolge deen, vastgestelde som, c. artikel 67 van de Woningwet 1962 artikel 56 van de Woningwet vorderingen van het Rijk uit hoofde van leningen, aan de gemeente verstrekt krachtensof1901 berekend naar de stand op 1 januari 1995, met inbegrip van de verschuldigde rente tot die datum in hun geheel opeisbaar worden, d. artikel 60 van de Woningwet 1962 artikel 51 van de Woningwet de verbintenis van de gemeente jegens de toegelaten instelling uit hoofde van geldelijke steun, verleend op grond vanof1901, teniet gaat, voor zover deze strekt tot betaling van een of meer bijdragen over het tijdvak na de inwerkingtreding van de beschikking, e. artikelen 2 3, eerste lid ten laste van de gemeente een verbintenis ontstaat tot betaling aan de toegelaten instelling van de ingevolge deen, vastgestelde som, f. artikel 60 van de Woningwet 1962 artikel 51 van de Woningwet c vorderingen van de gemeente uit hoofde van leningen, aan de toegelaten instelling verstrekt krachtensof1901, berekend naar de stand op 1 januari 1995, met inbegrip van de verschuldigde rente tot die datum, voor zover deze betrekking hebben op door het Rijk aan de gemeente verstrekte leningen als bedoeld in onderdeel, in hun geheel opeisbaar worden, en g. c f artikel 8 het verschuldigde uit hoofde van leningen als bedoeld in de onderdelenen, voor zover de uit het verstrekken van die leningen ontstane verbintenissen niet ingevolgete niet gaan, bevrijdend kan worden betaald, zonder dat overeengekomen boeten of kosten verschuldigd worden. 2 b e a d De schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdelenen, worden vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking en vervolgens verminderd met de in onderdeel, onderscheidenlijk onderdeel, bedoelde bijdragen die op of na 1 januari 1995 zijn of worden betaald, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar over die bijdragen, berekend over het tijdvak van de betaling tot de inwerkingtreding van de beschikking. 3 c f De vorderingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelenen, worden vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking en vervolgens verminderd met de daarop op of na 1 januari 1995 betaalde bedragen, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar over die bedragen, berekend over het tijdvak van de betaling tot de inwerkingtreding van de beschikking. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 a artikel 61 van de Woningwet 1962 artikel 56 van de Woningwet artikelen 2 3, eerste lid Onze Minister verleent aan de toegelaten instelling of gemeente aan welke een of meer leningen zijn verstrekt op grond van artikel 60, derde lid, onderdeel, of artikel 67 voor de toepassing vanof op grond van1901 een rentebijdrage op een aanvraag ingediend binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de beschikking tot vaststelling, bedoeld in deen. 2 De rentebijdrage is gelijk aan: a. artikelen 2 3, eerste lid de som van de per jaar berekende contante waarden op 1 november 1993 van de rente die over het tijdvak vanaf de vervroegde aflossing of de inwerkingtreding van een ingevolge deen, gegeven beschikking tot de datum van de eerste renteherziening van de in het eerste lid bedoelde leningen verschuldigd is of zou zijn, indien op de kapitaalmarkt of bij een gemeente ter vervanging van die leningen een of meer leningen zijn of zouden zijn gesloten met een gelijke hoofdsom en met gelijke aflossingsvoorwaarden, verminderd met b. a a artikel 3, eerste lid de som van de per jaar berekende contante waarden op 1 november 1993 van de rente die over de in het eerste lid bedoelde leningen verschuldigd zou zijn, over het in onderdeelbedoelde tijdvak indien die leningen niet vervroegd zouden zijn afgelost of die leningen niet opeisbaar zouden zijn geworden, en vermeerderd met de contante waarde op 1 november 1993 van de kosten die de toegelaten instelling aan het Waarborgfonds sociale woningbouw of aan een gemeente verschuldigd is voor borgstelling terzake van de in onderdeelbedoelde vervangende leningen tot ten hoogste 0,75 procent van de hoofdsom van die leningen, mits deze leningen zijn gesloten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de beschikking tot vaststelling bedoeld in. 3 a Indien een gemeente of toegelaten instelling geen vervangende lening heeft gesloten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel, is het rentepercentage het op de datum van de vervroegde aflossing geldende gemiddelde effectief rendement van staatsobligaties met een resterende looptijd van vijf tot acht jaar, zoals dit door het Centraal Bureau voor de Statistiek op die datum wordt bekend gemaakt, dan wel het dagrendement zoals laatstelijk voor die datum bekendgemaakt, verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde gemiddelde verschil tussen genoemd rendement en het rendement van leningen zoals aangeboden aan gemeenten en andere openbare lichamen, met een looptijd van 10 jaren, een vast rentepercentage en aflossing ineens, een en ander naar boven op 0,125 procent afgerond. 4 Het eerste lid is niet van toepassing op leningen die voor 1 november 1993 zijn afgelost of voor die datum door de gemeente bij Onze Minister voor vervroegde aflossing zijn aangemeld. 5 Een beschikking krachtens het eerste lid wordt gegeven binnen een jaar na ontvangst van de aanvraag. 6 Over schulden, voortvloeiend uit beschikkingen gegeven krachtens het eerste lid, is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1 november 1993. 7 Geen rente is verschuldigd met ingang van de dag waarop Onze Minister de gemeente of toegelaten instelling uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Onze Minister verleent aan elke gemeente en aan elke in een gemeente werkzame toegelaten instelling, die aan de in het tweede lid gestelde eis omtrent eerder verleende geldelijke steun voldoet, een aanvullende bijdrage voor woningen die: a. artikel 2, tweede lid op 1 januari 1995 in eigendom aan een gemeente of toegelaten instelling toebehoorden, dan wel op 1 januari 1997 aan een toegelaten instelling in eigendom toebehoorden en die overgenomen zijn van een rechtspersoon, als bedoeld in, waarvoor het in dat lid bepaalde van toepassing is, b. zijn tot stand gekomen met geldelijke steun, verleend met toepassing van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986 of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 en c. artikel 2, tweede lid op 1 januari 1993 in eigendom toebehoorden aan een gemeente of een toegelaten instelling, dan wel aan een rechtspersoon, als bedoeld in. 2 artikel 2, tweede lid De aanvullende bijdrage wordt verleend, indien van het totaal van de woningen die op 1 januari 1993 aan de gemeente of de toegelaten instelling dan wel de rechtspersoon, bedoeld in, in eigendom toebehoorden, 40 procent of meer tot stand is gekomen met geldelijke steun, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden in afwijking in zoverre van die leden op een vóór een door Onze Minister te bepalen tijdstip in te dienen aanvraag mede in aanmerking genomen alle woningen die op 1 januari 1993: Daarbij worden in afwijking van de eerste volzin niet in aanmerking genomen woningen: a. in eigendom aan een toegelaten instelling of gemeente toebehoorden, en b. door de gemeente of toegelaten instelling die de aanvraag indient voor haar risico en rekening werden beheerd als ware zij eigenaar van die woningen. 1°. die op 1 januari 1993 in eigendom toebehoorden aan de aanvrager, maar op die datum voor risico en rekening van een derde werden beheerd als ware die derde eigenaar van de woningen, of 2°. waarvoor de gemeente niet vóór 1 januari 1993, vooruitlopend op de overdracht in eigendom door de gemeente of een toegelaten instelling aan de toegelaten instelling die de aanvraag indient, aan laatstbedoelde instelling de geldelijke steun, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft verleend, of 3°. waarvoor op grond van het eerste lid aan een ander een aanvullende bijdrage is of kan worden verleend, voor zover die ander niet schriftelijk aan Onze Minister te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen herziening van het bij hem in aanmerking te nemen percentage woningen met geldelijke steun, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor de aan de aanvrager ingevolge dit lid toe te rekenen woningen. 4 c In afwijking van het eerste lid, onderdeelverleent Onze Minister een aanvullende bijdrage: a. voor woningen van een toegelaten instelling indien deze die woningen na 1 januari 1993 doch voor 1 januari 1995 op verzoek van Onze Minister van een te saneren instelling in eigendom heeft verkregen, b. artikel 2, tweede lid voor woningen van een toegelaten instelling indien deze die woningen na 1 januari 1993 doch voor 1 januari 1997 van een rechtspersoon als bedoeld in, in eigendom heeft verkregen, c. artikel 70 van de Woningwet voor woningen van een toegelaten instelling indien deze na 1 januari 1993 doch voor 1 januari 1995 als zodanig ingevolgeis aangewezen. 5 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, worden mede in aanmerking genomen a. woningen die zijn onderworpen aan een recht van erfpacht dat toebehoort aan een gemeente of een toegelaten instelling, en b. woningen die op 1 januari 1993 nog niet in eigendom van een gemeente of toegelaten instelling waren, maar waarvoor aan die gemeente of toegelaten instelling voor 1 januari 1993 geldelijke steun overeenkomstig de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 was verleend en nadien is vastgesteld voor zover die woningen voor 1 januari 1995 zijn tot stand gekomen. 6 De aanvullende bijdrage is gelijk aan het verschil tussen: telkens voor zover die som betrekking heeft op woningen als bedoeld in het eerste lid. a. artikelen 2 3, eerste of derde lid de som, vastgesteld overeenkomstig deen, en b. artikelen 2 3, eerste of derde lid de som, zoals die overeenkomstig deen, zou zijn vastgesteld indien daarbij zou zijn uitgegaan van een jaarlijkse stijging van de huur met het percentage, vermeld in de bijlage bij deze wet, in plaats van met 5 procent, 7 Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor een vaststelling met toepassing van het derde lid een aanvraag vereist is. 8 Artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdelen b en e , is van overeenkomstige toepassing. 9 Over schulden als bedoeld in het eerste lid is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking. 1998 45 03-02-1998 15-01-1998 24514 1998 45 03-02-1998 15-01-1998 24514 04-02-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikelen 5, eerste lid, onderdeel b 6 7 artikel 5, eerste lid, onderdeel c De verbintenissen van het Rijk jegens de gemeente als bedoeld in de,en, en de verbintenis van de gemeente jegens het Rijk als bedoeld in, gaan tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. 2 artikelen 5, eerste lid, onderdeel e 7, achtste lid artikel 5, eerste lid, onderdeel f De verbintenissen van de gemeente jegens de toegelaten instelling als bedoeld in de, en, en de verbintenis van de toegelaten instelling jegens de gemeente als bedoeld in, gaan tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. 1998 45 03-02-1998 15-01-1998 24514 1998 45 03-02-1998 15-01-1998 24514 04-02-1998
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikelen 2 3, derde lid artikelen 2 3, eerste lid artikelen 2 3, derde lid Indien de overeenkomstig deen, vastgestelde som hoger is dan de overeenkomstig deen, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling bedoeld in deen, tot gevolg dat ten laste van het Rijk onderscheidenlijk de gemeente een verbintenis ontstaat tot betaling aan de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het verschil tussen beide sommen. 2 artikelen 2 3, derde lid artikelen 2 3, eerste lid artikelen 2 3, derde lid Indien de overeenkomstig deen, vastgestelde som lager is dan de overeenkomstig deen, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling, bedoeld in deen, tot gevolg dat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis ontstaat tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide sommen. 3 artikel 3, derde lid artikel 7 artikel 3, eerste lid Indien de met overeenkomstige toepassing van, verleende bijdrage, bedoeld in, hoger is dan de met overeenkomstige toepassing van, verleende bijdrage, ontstaat ten laste van het Rijk onderscheidenlijk de gemeente een verbintenis tot betaling aan de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het verschil tussen beide bijdragen. 4 artikel 3, derde lid artikel 7 artikel 3, eerste lid Indien de met overeenkomstige toepassing van, verleende bijdrage, bedoeld in, lager is dan de met overeenkomstige toepassing van, verleende bijdrage, ontstaat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide bijdragen. 5 Over schulden als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Voor de toepassing van deze wet wordt de contante waarde berekend met een rentepercentage van 6,75 procent en met dien verstande dat wordt uitgegaan van maanden van dertig dagen en jaren van driehonderdzestig dagen. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Een krachtens deze wet gegeven beschikking treedt in werking dertien weken na de bekendmaking daarvan. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikelen 2 3, derde lid 6 7 Een ingevolge deen,ofgegeven beschikking kan worden ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende worden gewijzigd: a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan het in de beschikking genoemde bedrag lager zou zijn vastgesteld, of b. indien de vaststelling onjuist was en belanghebbende dit wist of behoorde te weten. 2 Een in het eerste lid bedoelde beschikking kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende worden gewijzigd indien sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt vijf jaren zijn verstreken. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 1998 231 23-04-1998 26-03-1998 25841 1998 231 23-04-1998 26-03-1998 25841 24-04-1998 01-01-1998 Werkt terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Een ieder is verplicht aan Onze Minister gegevens en bescheiden te verstrekken voor zover dat voor de uitvoering van deze wet redelijkerwijs nodig is. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van deze wet welke regels in elk geval betrekking kunnen hebben op: a. de wijze van indiening van aanvragen, de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden alsmede het vaststellen van daarvoor te gebruiken formulieren, b. artikel 2 Woningwet 1962 de vaststelling van de inbedoelde te ontvangen bijdragen op grond van gegevens, verstrekt door een gemeente of toegelaten instelling ingevolge de op voet van degegeven van toepassing zijnde regelingen tot het verlenen van geldelijke steun, c. artikel 2 Woningwet 1962 de vaststelling van de inbedoelde te ontvangen bijdragen indien de ingevolge degegeven van toepassing zijnde regelingen tot het verlenen van geldelijke steun niet of slechts beperkt uitgaan van een genormeerde woningexploitatie, d. artikel 6 de wijze van berekening van de inbedoelde rentebijdrage, e. artikel 7, vierde lid, onderdeel a het verlenen van een aanvullende bijdrage als bedoeld in, f. artikel 7, vierde lid, onderdeel c het verlenen van een aanvullende bijdrage als bedoeld in. 1998 45 03-02-1998 15-01-1998 24514 1998 45 03-02-1998 15-01-1998 24514 04-02-1998
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 7 Onze Minister zendt één jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens ieder jaar tot het jaar volgend op de definitieve afwikkeling van de op grond van deze wet aan toegelaten instellingen uit te keren bijdragen, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In het verslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de aanwending door de toegelaten instellingen van de op grond vanverleende aanvullende bijdragen ten behoeve van huurmatiging alsmede aan de voortgang van de financiële afwikkeling. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Staatsblad Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van hetwaarin zij wordt geplaatst. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting Deze wet wordt aangehaald als:. 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 1995 313 22-06-1995 31-05-1995 23817 23-06-1995
Artikel 7#
artikel 7
Artikel 7#
artikel 7, vierde lid, onderdeel b
Artikel 7#
artikel 7, eerste, tweede en vierde lid