Wet van 23 december 1994, houdende vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag
- BWB-id
- BWBR0007168
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007168
- ELI
- /eli/nl/wet/1995/wet-belastingen-op-milieugrondslag
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1995/wet-belastingen-op-milieugrondslag/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007168&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007168&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007168/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1995/wet-belastingen-op-milieugrondslag
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting op leidingwater; b. een afvalstoffenbelasting; c. een belasting op kolen; d. een energiebelasting; e. 2 een minimum CO-prijs elektriciteitsopwekking; f. 2 een CO-heffing industrie; g. 2 een CO-heffing glastuinbouw; h. een vliegbelasting. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; b. Onze Ministers: Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; c. GN-code: de code, bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256), zoals deze luidde op 1 januari 2018. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283), in overeenstemming met artikel 2, vijfde lid, van die richtlijn zijn aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de laatstgenoemde datum in het eerste lid, onderdeel c, worden vervangen door de datum van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 01-01-2012
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012 Artikel XXXVIc, eerste lid, van Stb. 2011/639 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. leidingwater: water dat door een drinkwaterbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld, al dan niet van drinkwaterkwaliteit; b. artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in; c. afzonderlijke watervoorziening: landgebonden voorziening, niet zijnde een drinkwaterbedrijf, voor de winning of behandeling van water dat met behulp van een distributienet als leidingwater ter beschikking wordt gesteld; d. artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in, op het distributienet van een drinkwaterbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening, waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten; e. artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken particuliere installatie voor centrale watervoorziening: installatie voor de levering van water aan meer dan een onroerende zaak als bedoeld in, welke installatie permanent is aangesloten op het distributienet van een drinkwaterbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening; f. verbruiksperiode: 1°. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen: tijdvak waarop de eindfactuur betrekking heeft; 2°. in overige gevallen: kalenderjaar; g. eindfactuur: definitieve factuur waarin verrekening plaatsvindt met de voorschotnota’s of voorschotbedragen die betrekking hebben op het tijdvak waarop de factuur ziet; h. verbruiker: degene die, anders dan in de hoedanigheid van drinkwaterbedrijf of afzonderlijke watervoorziening, leidingwater verkrijgt van een drinkwaterbedrijf of afzonderlijke watervoorziening. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, onder 2°, is de verbruiksperiode in de aldaar bedoelde gevallen: a. ingeval de overeenkomst tot levering in de loop van het kalenderjaar aanvangt: het gedeelte van het kalenderjaar vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst tot levering aanvangt; b. ingeval de overeenkomst tot levering in de loop van het kalenderjaar wordt beëindigd: het gedeelte van het kalenderjaar tot het tijdstip waarop de overeenkomst tot levering eindigt. 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 01-01-2016
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Onder de naam belasting op leidingwater wordt een belasting geheven op leidingwater. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 11b. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 23.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De belasting wordt geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 50.000 kubieke meter per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden wordt de hoeveelheidsgrens, genoemd in de eerste volzin, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd. 2 Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt de levering van leidingwater via een aansluiting op het distributienet van een afzonderlijke watervoorziening, tenzij degene die de levering verricht leidingwater levert via in totaal ten minste 1000 aansluitingen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor vaststelling van het aantal aansluitingen dat bij toepassing van de eerste volzin in aanmerking wordt genomen, in het geval dat het water wordt geleverd aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening. 3 artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken Bij de levering van leidingwater aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd water, met dien verstande dat, indien de exploitant van de installatie aan degene die het leidingwater heeft geleverd een verklaring heeft overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken als bedoeld indat door de installatie van water wordt voorzien, ten hoogste wordt geheven over een hoeveelheid van 50.000 kubieke meter vermenigvuldigd met dat aantal. 4 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 11d. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 25.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in kubieke meter. 2 Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke meter bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt aan die verbruikers. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 11e. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 26.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De belasting wordt verschuldigd: a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen: 1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede 2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode; b. in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt en geen voorschotbedrag wordt ontvangen, op het tijdstip van de uitreiking van de factuur; c. in overige gevallen op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. 2 artikel 14, eerste lid Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met, wordt de hoeveelheid leidingwater, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid. 3 artikel 14, eerste lid In gevallen waarin per verbruiksperiode van twaalf maanden meer dan 50.000 kubieke meter leidingwater via een aansluiting aan een verbruiker wordt geleverd en ter zake van die levering voorschotnota’s worden uitgereikt of voorschotbedragen worden ontvangen, wordt bij de berekening van de op de verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotbedragen naar evenredigheid rekening gehouden met de belasting die overeenkomstig, ter zake van de hoeveelheid van 50.000 kubieke meter is verschuldigd. 4 artikel 12, eerste lid, onderdeel g Indien de verrekening, bedoeld in, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Het tarief bedraagt € 0,437 per kubieke meter leidingwater. 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a artikel 12, tweede lid, onderdeel b artikel 14, eerste lid, tweede volzin In de gevallen, bedoeld in, wordt de belasting ter zake van de leveringen die vanaf het begin van het kalenderjaar zijn verricht, herrekend met inachtneming van. Indien deze herrekening leidt tot een hoger of lager belastingbedrag dan de belasting die zonder de herrekening over de gehele verbruiksperiode verschuldigd zou zijn, wordt de belasting die moet worden voldaan over het tijdvak waarin de overeenkomst tot levering wordt beëindigd dienovereenkomstig verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. Bij de bepaling van de belasting die op de laatste factuur aan de verbruiker wordt vermeld, wordt de verhoging of verlaging, bedoeld in de tweede volzin, in aanmerking genomen. 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 01-01-2016 01-01-2015
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van leidingwater door middel van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 11h. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 31.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor zover de belasting over de hoeveelheden leidingwater die door een verbruiker gedurende dezelfde periode binnen een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier. 2 De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de verbruiker. 3 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan. 4 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 01-01-2015 01-07-2014
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 15 De inbedoelde belastingplichtige voert een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn. 2 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 33. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 11k.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. afvalstoffen: Wet milieubeheer afvalstoffen als bedoeld in de, en zeer laag radioactief afval; b. zeer laag radioactief afval: bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming radioactieve afvalstoffen van natuurlijke bronnen van ioniserende straling, waarin de activiteit van de betrokken natuurlijke bronnen op enig moment gelijk is aan of hoger is dan de invermelde waarde, en de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bronnen gelijk is aan of hoger is dan de in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vermelde waarde en lager is dan tien maal die waarde; c. verwijderen van afvalstoffen: 1°. bijlage bij de Omgevingswet artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet het storten van afvalstoffen op een stortplaats als bedoeld in de, waar op grond van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld inafvalstoffen mogen worden gestort, of het storten van afvalstoffen op een vergelijkbare stortplaats buiten Nederland; 2°. Richtlijn 2010/75 artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet het verbranden van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, veertigste lid, onderscheidenlijk eenenveertigste lid, van/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PbEU 2010, L 334), waarin op grond van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld inhuishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand, of het verbranden van afvalstoffen in een vergelijkbare installatie buiten Nederland; d. nuttige toepassing: Wet milieubeheer nuttige toepassing als bedoeld in de; e. storten: Wet milieubeheer storten als bedoeld in de; f. inrichting: artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet een terrein, dan wel een geheel van functioneel of organisatorisch samenhangende terreinen op dezelfde locatie, in Nederland, waar op grond van een of meer omgevingsvergunningen voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in, afvalstoffen mogen worden verwijderd; g. houder van de inrichting: de houder van een of meer omgevingsvergunningen als bedoeld in onderdeel c, op grond waarvan binnen de inrichting afvalstoffen mogen worden verwijderd; h. baggerspecie: 1°. materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter; 2°. sediment en het residu van de reiniging van baggerspecie; i. stoffen: Wet milieubeheer stoffen als bedoeld in de; j. preparaat: artikel 1.1 van de Wet milieubeheer een mengsel als bedoeld in; k. percolaat: vloeistof die uit gestorte afvalstoffen komt of daarmee in contact is geweest; l. stortgas: gas dat uit gestorte afvalstoffen vrijkomt als gevolg van biologische afbraakreacties; m. EVOA: Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); n. overbrenging: overbrenging in de zin van de EVOA; o. zuiveringsslib: bezinksel dat overblijft na het biologisch zuiveren van afvalwater van huishoudens en bedrijven in een rioolwaterzuiveringsinstallatie. 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden niet tot afvalstoffen gerekend die stoffen, preparaten en voorwerpen, die voldoen aan de voorwaarden van bij algemene maatregel van bestuur opgesomde besluiten en regelingen volgens welke deze stoffen, preparaten en voorwerpen buiten inrichtingen met een stortplaats milieuhygiënisch verantwoord zijn toe te passen, dan wel bestemd zijn te worden gebruikt voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen toepassingen die hetzij verband houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uitmaken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 06-02-2018
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Onder de naam afvalstoffenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van: a. de afgifte ter verwijdering van afvalstoffen aan een inrichting; b. de verwijdering van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan; c. de overbrenging van afvalstoffen uit Nederland om deze buiten Nederland te verwijderen of te laten verwijderen met toepassing van een ingevolge de EVOA bij beschikking verleende toestemming tot overbrenging, met uitzondering van afvalstoffen waarvan uit boeken en bescheiden blijkt dat zij naar Nederland zijn overgebracht in de zin van de EVOA. 2 De aan een inrichting afgegeven afvalstoffen en de uit Nederland overgebrachte afvalstoffen worden geacht alle ter verwijdering te zijn afgegeven, onderscheidenlijk overgebracht. 3 De uitzondering voor afvalstoffen die naar Nederland zijn overgebracht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geldt niet voor afvalstoffen die in Nederland zijn ontstaan of zijn vermengd met afvalstoffen die in Nederland zijn ontstaan. 4 Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan, voor zover die verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van aan die inrichting ter verwijdering afgegeven afvalstoffen ter zake waarvan afvalstoffenbelasting is geheven. 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 01-01-2020
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a Vervallen 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Wordt tot 1 januari 2022 niet toegepast ten aanzien van de
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland met toepassing van een
ingevolge Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni betreffende de overbrenging van afvalstoffen
(PbEU 2006, L 190) bij beschikking verleende toestemming tot
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland die is verleend vóór 25
oktober 2018.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 De belasting wordt geheven: a. artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b bij toepassing van: van de houder van de inrichting; b. artikel 23, eerste lid, onderdeel c bij toepassing van: van de kennisgever, bedoeld in artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA, aan wie de toestemming is verleend. 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Wordt tot 1 januari 2022 niet toegepast ten aanzien van de
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland met toepassing van een
ingevolge Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni betreffende de overbrenging van afvalstoffen
(PbEU 2006, L 190) bij beschikking verleende toestemming tot
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland die is verleend vóór 25
oktober 2018.
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a 1 artikel 24, onderdeel b Voor de toepassing van, stelt de kennisgever, indien hij niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de belasting. 2 De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe door de inspecteur verstrekte vergunning. 3 Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. 4 artikel 23, eerste lid, onderdeel c Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring overgelegd van degene aan wie de toestemming, bedoeld in, is verleend, waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger. 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken. 6 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De belasting wordt berekend: a. artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b bij toepassing van: over het gewicht van de afvalstoffen die ter verwijdering worden afgegeven, onderscheidenlijk worden verwijderd binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan, gemeten in kilogrammen; b. artikel 23, eerste lid, onderdeel c bij toepassing van: over het gewicht van de afvalstoffen die uit Nederland worden overgebracht ter verwijdering buiten Nederland, gemeten in kilogrammen. 2 Wanneer de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in het buitenland op een zodanige wijze zijn gestort of verbrand dat bij een vergelijkbare verwerking in Nederland een lager belastingbedrag verschuldigd zou zijn, wordt ook voor de heffing ten aanzien van de uit Nederland overgebrachte afvalstoffen dit lagere belastingbedrag in aanmerking genomen. 3 Artikel 1, derde lid hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Het gewicht van de uit Nederland overgebrachte afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsmede, indien van toepassing, de wijze van verwerking in het buitenland, bedoeld in het tweede lid, blijkt uit een beschikking van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat., enzijn niet van toepassing met betrekking tot deze beschikking. 4 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het gewicht van de afvalstoffen wordt bepaald. 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Wordt tot 1 januari 2022 niet toegepast ten aanzien van de
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland met toepassing van een
ingevolge Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni betreffende de overbrenging van afvalstoffen
(PbEU 2006, L 190) bij beschikking verleende toestemming tot
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland die is verleend vóór 25
oktober 2018.
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a 1 artikel 24, onderdeel b artikel 25, derde lid De kennisgever, bedoeld in, dient de aanvraag tot het geven van de beschikking, bedoeld in, in bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Zodra de kennisgever constateert dat gegevens in de aanvraag onjuist of onvolledig zijn meldt hij dit onverwijld aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2 artikel 23, eerste lid, onderdeel c De kennisgever dient de aanvraag in binnen vier weken nadat de verklaring, bedoeld in artikel 16, onderdeel e, EVOA, is ontvangen, dan wel ontvangen had moeten zijn, voor alle afvalstoffen die zijn overgebracht uit Nederland met toepassing van de toestemming, bedoeld in. 3 artikel 25, derde lid Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat trekt de beschikking, bedoeld in, in indien na afgifte van de beschikking blijkt dat de in de aanvraag of de beschikking vermelde gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn, dat het gewicht, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b of de wijze van verwerking in het buitenland, bedoeld in artikel 25, tweede lid, niet juist kan worden vastgesteld. 4 artikel 25, derde lid Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft de beschikking, bedoeld in, ambtshalve af indien: artikel 25, derde lid artikel 26, aanhef en onderdeel c Een ambtshalve afgegeven beschikking als bedoeld onder b vervangt voor de toepassing van, de op grond van het derde lid ingetrokken beschikking met ingang van het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt ingevolge. a. de aanvraag niet binnen de termijn, genoemd in het tweede lid, is ontvangen; dan wel b. de beschikking op grond van het derde lid is ingetrokken. 5 artikel 25, derde lid Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekt de gegevens van de beschikking, bedoeld in, aan de inspecteur ten behoeve van de belastingheffing. 6 Bij of krachtens op voordracht van Onze Ministers vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: a. artikelen 2:7, tweede lid 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht de wijze van indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, waarbij in afwijking van de, enkan worden bepaald dat de aanvraag geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt ingediend of in ontvangst wordt genomen; b. de gegevens die de kennisgever verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; c. de wijze waarop de kennisgever gehouden is zijn administratie te voeren; d. artikel 25, derde lid de inhoud en het afgeven van de beschikking, bedoeld in; e. de wijze waarop de melding, genoemd in het eerste lid, tweede zin, wordt gedaan. 7 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens het zesde lid, onderdeel c, gestelde regels zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen ambtenaren. 8 Van een besluit als bedoeld in het zevende lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 9 In geval van overtreding van de bij of krachtens het zesde lid, onderdeel c, gestelde regels kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een last onder dwangsom opleggen. 10 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop: a. de afvalstoffen ter verwijdering worden afgegeven; dan wel b. de afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze afvalstoffen zijn ontstaan, worden verwijderd; dan wel c. de geldigheidsduur van de beschikking, houdende toestemming tot overbrenging, is verlopen, en zes kalendermaanden zijn verstreken sinds de maand waarin de verklaring, bedoeld in artikel 16, onderdeel e, van de EVOA, is ontvangen, dan wel ontvangen had moeten zijn, voor alle afvalstoffen die met toepassing van de toestemming zijn overgebracht uit Nederland. 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Wordt tot 1 januari 2022 niet toegepast ten aanzien van de
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland met toepassing van een
ingevolge Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni betreffende de overbrenging van afvalstoffen
(PbEU 2006, L 190) bij beschikking verleende toestemming tot
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland die is verleend vóór 25
oktober 2018.
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 23, eerste lid, onderdeel a of b Op de ingevolge, verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of voorwerpen die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, hebben verlaten, met dien verstande dat de vermindering niet wordt toegepast ter zake van percolaat, stortgas of stoffen die na verbranding via de schoorsteen de inrichting verlaten. 2 Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover uit boeken en bescheiden blijkt: a. dat de stoffen, preparaten en voorwerpen niet op enig moment in het voor stort bestemde gedeelte van de inrichting op of in de bodem zijn gebracht en zich niet langer dan drie jaar binnen de inrichting hebben bevonden; b. hoeveel belasting ter zake van de stoffen, preparaten en voorwerpen geheven is. 3 Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat voor de berekening van de verschuldigde belasting met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen. 4 Het in het derde lid bedoelde verhoudingsgetal wordt gebaseerd op de gegevens uit het voorafgaande tijdvak. Na afloop van het kalenderjaar vindt herrekening plaats op de voet van het eerste en tweede lid. 5 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde vermindering van belasting en het in het derde lid bedoelde verhoudingsgetal worden toegepast. 6 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a 1 artikel 23, eerste lid, onderdeel a of b artikel 22, tweede lid Op de ingevolge, verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of voorwerpen die in de inrichting in een zodanige staat zijn gebracht, dat deze op grond van, niet langer tot afvalstoffen worden gerekend. 2 artikel 22, tweede lid Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover uit boeken en bescheiden blijkt dat ten aanzien van de stoffen, preparaten en voorwerpen wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, gesteld bij of krachtens. 3 Artikel 27, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 4 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde vermindering wordt toegepast. 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Wordt tot 1 januari 2022 niet toegepast ten aanzien van de
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland met toepassing van een
ingevolge Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni betreffende de overbrenging van afvalstoffen
(PbEU 2006, L 190) bij beschikking verleende toestemming tot
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland die is verleend vóór 25
oktober 2018.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Het tarief bedraagt in geval van: a. het storten van afvalstoffen: € 40,85 per 1.000 kilogram; b. het verbranden van afvalstoffen in andere gevallen dan als bedoeld onder c: € 40,85 per 1.000 kilogram; c. Wet milieubeheer Omgevingswet het verbranden van afvalstoffen in een installatie waarin op grond van bij of krachtens deof degestelde voorschriften, dan wel een op grond van laatstgenoemde wet afgegeven omgevingsvergunning, geen huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen en gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand: nihil; d. de overbrenging van afvalstoffen: € 40,85 per 1.000 kilogram. 2 artikel 23, eerste lid, onderdeel c Bij toepassing van, wordt voor de gehele periode van overbrenging het laagste tarief toegepast dat gedurende deze periode op enig moment geldt ingevolge het eerste lid, onderdeel d. De periode van overbrenging vangt aan op het tijdstip van aanvang van de eerste fysieke overbrenging met toepassing van de toestemming, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, en eindigt op het tijdstip van de aanvang van de laatste fysieke overbrenging met toepassing van die toestemming. 3 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde bij het tweede lid. 4 Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het tarief voor het storten van afvalstoffen die ter verwijdering worden afgegeven in partijen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit door bij die regeling vast te stellen categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, wordt vastgesteld tot een verlaagd percentage van het tarief, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel tot nihil. 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 01-01-2024
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Vrijgesteld is de afgifte ter verwijdering of overbrenging ter verwijdering van baggerspecie. 2 Wet milieubeheer Indien baggerspecie ter verwijdering wordt afgegeven aan inrichtingen waar op grond van de voor die inrichting geldende omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in de, ook andere afvalstoffen dan baggerspecie mogen worden gestort, wordt door de aanbieder van de baggerspecie aan de houder van de inrichting een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van baggerspecie. 3 De in het tweede lid bedoelde verklaring wordt verstrekt door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Wordt tot 1 januari 2022 niet toegepast ten aanzien van de
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland met toepassing van een
ingevolge Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni betreffende de overbrenging van afvalstoffen
(PbEU 2006, L 190) bij beschikking verleende toestemming tot
overbrenging van afvalstoffen uit Nederland die is verleend vóór 25
oktober 2018.
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Onder bij of krachtens op de voordracht van Onze Minister bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen is vrijgesteld de afgifte ter verwijdering aan een inrichting van zuiveringsslib dat is bestemd om binnen die inrichting te worden verbrand. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2018 01-01-2015 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786
Artikel 29b — Artikel 29b#
Artikel 29b 1 Vrijgesteld is de afgifte ter verwijdering of overbrenging ter verwijdering van afzonderlijk aangeboden asbest en asbesthoudende producten die toegepast zijn geweest als dakbedekking. 2 Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend. 2018 506 28-12-2018 19-12-2018 35029 2018 506 28-12-2018 19-12-2018 35029 01-01-2019
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 18.2 van de Wet milieubeheer artikel 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op verzoek wordt teruggaaf verleend van belasting ter zake van afvalstoffen die afkomstig zijn van een overtreder jegens wie krachtensofbestuursdwang is toegepast, indien: a. de afvalstoffen ter verwijdering aan een inrichting zijn afgegeven door of vanwege het bevoegd gezag van een provincie of van een gemeente; b. de afvalstoffenbelasting door de houder van de inrichting bij de provincie of de gemeente in rekening is gebracht; c. de afvalstoffen gescheiden van andere afvalstoffen zijn afgegeven aan de inrichting; en d. de kosten die verband houden met de toepassing van bestuursdwang, hieronder begrepen de stortkosten, de verschuldigde afvalstoffenbelasting en de overige kosten die direct met de verwijdering van de afvalstoffen verband houden, niet of niet geheel verhaald kunnen worden op de overtreder. 2 De teruggaaf wordt verleend aan de provincie of de gemeente, die de afvalstoffen ter verwijdering heeft afgegeven. 3 De teruggaaf bedraagt maximaal de betaalde afvalstoffenbelasting die naar evenredigheid is toe te rekenen aan het deel van de totale kosten van de toepassing van bestuursdwang dat niet verhaald kan worden op de overtreder. 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-04-2014
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De belastingplichtige is gehouden een administratie te voeren zodanig dat daaruit te allen tijde duidelijk blijken de aard, de hoeveelheid en de herkomst van de afvalstoffen. 2 artikel 24, onderdeel a artikel 22, tweede lid De belastingplichtige, bedoeld in, is gehouden de administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze is opgenomen welke stoffen, preparaten of voorwerpen als bedoeld in, in welke hoeveelheden en op welk tijdstip de inrichting zijn binnengebracht dan wel hebben verlaten. 3 artikel 24, onderdeel b De belastingplichtige, bedoeld in, is gehouden de administratie zodanig in te richten dat daarin per overbrenging op overzichtelijke wijze is opgenomen: a. op basis van welke beschikking, houdende toestemming tot overbrenging, de afvalstoffen zijn overgebracht uit Nederland; b. welke stoffen, preparaten en voorwerpen in welke hoeveelheden uit Nederland zijn overgebracht en op welk tijdstip het vervoer van de afvalstoffen in het kader van de overbrenging is aangevangen. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2015 244 25-06-2015 18-06-2015 01-07-2015
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a artikel 23, eerste lid, onderdeel c artikel 28, tweede lid Met betrekking tot een toestemming tot overbrenging als bedoeld in, die is verleend vóór 1 januari 2019, wordt de periode van overbrenging, bedoeld in, in afwijking van dat lid geacht aan te vangen op het tijdstip van de aanvang van de eerste fysieke overbrenging na 31 december 2018 met toepassing van die toestemming. 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 513 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. kolen: producten van de GN-codes 2701, 2702 en 2704; b. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor de verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten; c. duaal gebruik: aanwenden van kolen zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof; d. vervaardigen van kolen: elk handelen waarbij of waardoor kolen ontstaan; e. inrichting: iedere plaats waar op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk kolen onder schorsing van belasting mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden; f. een plaats voor tijdelijke opslag: een ruimte voor tijdelijke opslag of een andere plaats die is aangewezen of goedgekeurd voor de opslag van goederen in tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 147, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie; g. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie; h. derde land: elke staat of elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet van toepassing is; i. EU-douaneregeling: de bijzondere regelingen douanevervoer, douane-entrepot, tijdelijke invoer en actieve veredeling, bedoeld in artikel 210 van het Douanewetboek van de Unie, uitvoer als bedoeld in artikel 269 van dat wetboek en wederuitvoer als bedoeld in artikel 270 van dat wetboek; j. schorsing van belasting: stelsel waarin van kolen die worden vervaardigd, worden verwerkt, voorhanden zijn of worden vervoerd, op grond van de bepalingen van deze wet de belasting nog niet is geheven; k. artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ondernemer: ondernemer in de zin van; l. uitslag: brengen van kolen buiten een plaats die voor kolen als inrichting is aangewezen; m. invoer: vanuit een derde land brengen van kolen in Nederland. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van kolen als brandstof binnen een inrichting. 2 Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van kolen waarvan de belasting niet is geheven, door: a. een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een inrichting; b. een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer; c. een natuurlijk persoon voor andere doeleinden dan voor persoonlijk gebruik. 3 Het tweede lid is, onder bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, niet van toepassing met betrekking tot kolen die worden vervoerd naar: a. een inrichting; b. een andere lidstaat via Nederland; c. een derde land. 4 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verplichtingen waaraan de in het tweede lid bedoelde personen of lichamen voor de toepassing van dit hoofdstuk moeten voldoen. 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 45. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 21.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Als uitslag wordt niet aangemerkt het brengen van kolen vanuit een inrichting naar: a. een andere inrichting; b. een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, in een andere lidstaat; c. een derde land. 2 artikel 47, eerste lid, onderdeel m artikel 48, tweede lid artikel 25 van de Wet op de accijns Als uitslag wordt niet aangemerkt het gebruik van kolen voor het vervaardigen van kolen, aardgas als bedoeld in, producten die op grond van, als aardgas worden aangemerkt, of minerale oliën als bedoeld in. 3 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder het eerste en tweede lid toepassing vinden. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 46. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 22.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Als invoer wordt mede aangemerkt: a. het in Nederland beëindigen van een EU-douaneregeling waaronder kolen zijn geplaatst, anders dan door plaatsing onder een andere EU-douaneregeling; b. het in Nederland onttrekken van kolen aan een EU-douaneregeling; c. het eigen gebruik als brandstof in Nederland van kolen die onder een EU-douaneregeling zijn geplaatst of binnen een plaats voor tijdelijke opslag. 2 Als invoer wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden: a. brengen van kolen vanuit een derde land naar een inrichting of naar een plaats voor tijdelijke opslag; b. in Nederland plaatsen onder een EU-douaneregeling van vanuit een derde land binnengebrachte kolen; c. brengen van kolen die zijn geplaatst onder een EU-douaneregeling naar een inrichting; d. brengen van kolen vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een inrichting; e. onder ambtelijk toezicht vernietigen van kolen die onder een EU-douaneregeling zijn geplaatst. 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Onder de naam kolenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van kolen. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 24.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 Ter zake van uitslag wordt de belasting geheven van de vergunninghouder van de inrichting. 2 artikel 33, tweede lid In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van, geheven van degene die de kolen voorhanden heeft. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 89. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 25.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur. 2 Als inrichting kan worden aangemerkt: a. een plaats waar kolen worden vervaardigd; b. een plaats waar geen kolen worden vervaardigd maar die dient voor de opslag van kolen, indien de hoeveelheid kolen die gemiddeld over een jaar voorhanden is meer bedraagt dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen hoeveelheid. 2007 476 06-12-2007 08-11-2007 30887 2007 514 18-12-2007 10-12-2007 01-01-2008 Door Stb. 2008/1 vernummerd tot art. 93. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 26.
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. 2 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek dient te bevatten. 3 artikel 38, tweede lid In afwijking van, kan, indien degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen niet beschikt over een plaats waar kolen worden vervaardigd dan wel opgeslagen, een verzoek om een vergunning voor een inrichting door de inspecteur worden toegewezen, indien deze persoon in Nederland is gevestigd en in de uitoefening van zijn onderneming optreedt als: a. handelaar in kolen, maar de door hem gekochte kolen niet zelf in opslag neemt, of b. tussenpersoon die de kolen niet zelf in opslag neemt. 4 artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2008 262 10-07-2008 03-07-2008 31404 2008 262 10-07-2008 03-07-2008 31404 11-07-2008 01-01-2008
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 Ter zake van uitslag wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van de uitslag. 2 artikel 33, tweede lid In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van, verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de kolen. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 28.
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in, met uitzondering van artikel 88 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, van overeenkomstige toepassing. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 De belasting wordt berekend over het gewicht van de kolen, uitgedrukt in kilogram. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 30.
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Het tarief bedraagt per 1000 kilogram kolen € 18,85. 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt anders dan als brandstof. 2 Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit. 3 Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die duaal worden gebruikt. 4 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend. 5 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 2015 545 30-12-2015 23-12-2015 31-12-2015 Vindt voor het eerst toepassing op 1 januari 2016.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 44, eerste tot en met derde lid Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een in, bedoelde wijze. 2 Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die – anders dan vanuit een inrichting – zijn gebracht naar een andere lidstaat dan wel een derde land. 3 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 2015 545 30-12-2015 23-12-2015 31-12-2015 Vindt voor het eerst toepassing op 1 januari 2016.
Artikel 45a — Artikel 45a#
Artikel 45a artikelen 2, vijfde, zesde, zevende en elfde lid 83 van de Wet op de accijns De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2021 656 27-12-2021 22-12-2021 35918 2021 656 27-12-2021 22-12-2021 35918 13-02-2023
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 De belastingplichtige voert een administratie waaruit, voor zover dat voor de heffing van belang kan zijn, de gegevens betreffende het vervaardigen, invoeren, uitslaan en gebruik van kolen duidelijk blijken. 2 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van de belasting, regels worden gesteld met betrekking tot: a. het vervoer van kolen; b. het leveren van kolen; c. het voorhanden hebben van kolen buiten een inrichting. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op kolen die zijn geplaatst onder een EU-douaneregeling. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns motorrijtuig: hetgeen ingevolgeonder dit begrip wordt verstaan; b. vervallen; c. vervallen; d. verbruiksperiode: 1°. in gevallen waarin periodiek voorschotnota’s worden uitgereikt of, indien geen voorschotnota’s worden uitgereikt, periodiek voorschotbedragen worden ontvangen, gevolgd door een jaarlijkse eindfactuur: het tijdvak waarop de eindfactuur betrekking heeft; 2°. in overige gevallen: kalenderjaar; e. eindfactuur: definitieve jaarlijkse factuur waarin verrekening plaatsvindt met de voorschotnota’s of voorschotbedragen die betrekking hebben op de verbruiksperiode waarop de jaarlijkse factuur ziet; f. artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld inop een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten; g. installatie voor elektriciteitsopwekking: een zelfstandige installatie waarin elektriciteit wordt opgewekt door middel van aardgas of elektriciteit, waarbij tot de installatie behoren onderdelen die rechtstreeks worden ingezet voor het opwekken van elektriciteit, daarmee in technisch verband staan en gevolgen kunnen hebben voor het opwekken van elektriciteit, alsmede onderdelen die zijn aangebracht uit het oogpunt van milieuverbetering, veiligheid of efficiëntie; h. artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken installatie voor blokverwarming: een gemeenschappelijke voorziening voor de verwarming van meer dan een onroerende zaak als bedoeld in; i. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; j. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; k. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is; l. 3 Nm: een normaalkubiekemeter; m. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00; n. elektriciteit: elektrische energie van de GN-code 2716; o. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten; p. kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit, productiewaarde en toegevoegde waarde: hetgeen ingevolge artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283) onder deze begrippen wordt verstaan; q. CNG: aardgas dat na compressie geschikt is voor de aanwending in motorrijtuigen; r. CNG-vulstation: een rechtstreeks op het distributienet van aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen; s. zakelijk verbruik: verbruik door een zakelijke eenheid die zelfstandig, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of verrichter van diensten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Rijks-, regionale en lokale overheden, alsmede andere publiekrechtelijke lichamen worden als zakelijke eenheid aangemerkt voor zover zij werkzaamheden of transacties verrichten die bij een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoring van enige betekenis zouden leiden; t. niet-zakelijk verbruik: verbruik anders dan het zakelijk verbruik, bedoeld in onderdeel t; u. artikel 1.1 van de Energiewet productie-installatie: installatie als bedoeld in, die bestemd is voor de productie van elektriciteit; v. walstroominstallatie: een installatie aan land die het mogelijk maakt om schepen die zijn afgemeerd te voorzien van elektriciteit en die beschikt over een zelfstandige aansluiting of die is voorzien van een comptabele meetinrichting die voldoet aan bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden; w. energieopslag: het omzetten van elektrische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, het opslaan van dergelijke energie, en de daaropvolgend omzetting van dergelijke energie in elektrische energie; x. energieopslagfaciliteit: een installatie waar energieopslag plaatsvindt; y. eindafrekening: de laatste factuur aan de verbruiker die wordt opgemaakt bij het beëindigen van het contract; z. begunstigde: een onderneming als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die staatssteun ontvangt als gevolg van een steunmaatregel; aa. Verordening (EU) nr. 651/2014 kmo: een kleine, middelgrote onderneming of micro-onderneming als bedoeld in bijlage I vanvan de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); ab. EAN-code: uniek identificatienummer conform de Europese Artikel Nummering betreffende de aansluiting; ac. waterstof: producten van de GN-code 2804 1000. 2 Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa. 3 Wet op de omzetbelasting 1968 Onder levering van aardgas, onderscheidenlijk elektriciteit, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge de. 4 artikel 1.1 van de Energiewet Met betrekking tot elektriciteit wordt onder distributienet verstaan een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in, met uitzondering van een distributiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van ten hoogste 0,4 kilovolt en een verbruik van ten hoogste 0,1 GWh per jaar, indien een ander dan een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet een recht van gebruik heeft van dat systeem. 5 artikel 1.1 van de Energiewet Met betrekking tot aardgas wordt onder distributienet verstaan een transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in. 6 Indien in een tijdvak van 18 maanden een of meerdere voorschotnota’s worden uitgereikt dan wel een of meerdere voorschotbedragen worden ontvangen en uiterlijk binnen 13 weken na afloop van dat tijdvak geen eindfactuur wordt uitgereikt, wordt dat tijdvak van 18 maanden aangemerkt als verbruiksperiode. 7 In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, is de verbruiksperiode in de aldaar bedoelde gevallen: a. ingeval de overeenkomst tot levering in de loop van het kalenderjaar aanvangt en niet voorafgegaan is door een overeenkomst tot levering bij dezelfde leverancier: het gedeelte van het kalenderjaar vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst tot levering aanvangt; b. ingeval de overeenkomst tot levering in de loop van het kalenderjaar wordt beëindigd en niet wordt opgevolgd door een overeenkomst tot levering bij dezelfde leverancier en ter zake van deze beëindiging een eindafrekening wordt opgemaakt: het gedeelte van het kalenderjaar tot het tijdstip waarop de overeenkomst tot levering eindigt. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026 2025 12 23-01-2025 11-12-2024 36378 2025 40 21-02-2025 17-02-2025 01-01-2026 Abusievelijk is voor het zesde lid “een een transmissie- of
distributiesysteem” gepubliceerd waar “een transmissie- of
distributiesysteem” is bedoeld. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 2025 349 13-11-2025 29-10-2025 36776 2025 350 13-11-2025 10-11-2025 01-01-2026
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Onder de naam energiebelasting wordt een belasting geheven op aardgas en elektriciteit. 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt als aardgas mede aangemerkt elk product dat direct of indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als aardgas. 3 artikelen 47, zesde lid 55 59 tot en met 62 64, derde lid In afwijking van het tweede lid wordt voor de toepassing van de,,en, en de op die artikelen berustende bepalingen waterstof niet als aardgas aangemerkt. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Artikel XIV van Stb. 2009/611 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 De belasting wordt geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit via een aansluiting aan de verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een aansluiting aan een CNG-vulstation. 2 artikel 2.31 van de Energiewet Indien de verbruiker, bedoeld in het eerste lid, via een aansluiting elektriciteit op het distributienet heeft ingevoed ter zake waarvanwordt toegepast, is het eerste lid van toepassing op het positieve saldo van de via de aansluiting geleverde elektriciteit minus de via de aansluiting ingevoede elektriciteit. 3 De belasting wordt voorts geheven ter zake van: a. de levering, anders dan via een aansluiting, van aardgas of elektriciteit aan de verbruiker, of van aardgas aan een CNG-vulstation; b. artikel 1.1 Energiewet het verbruik van aardgas of elektriciteit, indien dit product is verkregen door tussenkomst van een energiehandelsmarkt als bedoeld inof een waterstofbeurs en geen sprake is van een levering via een aansluiting; c. het verbruik van aardgas of elektriciteit door degene die leveringen aan de verbruiker verricht of het verbruik van elektriciteit door een organisatorische eenheid die een energieopslagfaciliteit exploiteert; d. het verbruik van aardgas of elektriciteit, indien het aardgas of de elektriciteit is verkregen op andere wijze dan door een levering. 4 Indien een levering van aardgas of elektriciteit wordt verricht aan een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het leveren van aardgas of elektriciteit of die een energieopslagfaciliteit exploiteert dan wel aan een verbruiker die op zijn beurt het geleverde aardgas of de geleverde elektriciteit levert aan een verbruiker, wordt eerstgenoemde levering niet aangemerkt als een levering als bedoeld in het eerste lid of het derde lid, onderdeel a. 5 Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing met betrekking tot de levering van elektriciteit aan een huurder van een woning, voor zover die elektriciteit door de verhuurder van die woning is opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, waarbij de productie-installatie is aangebracht op of aan het gebouw met toebehoren waarvan de woning onderdeel uitmaakt, dan wel op of aan de bij dat gebouw behorende grond met toebehoren. 6 Het derde lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing met betrekking tot het verbruik van: a. elektriciteit die de verbruiker heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit biomassa die niet als zuivere biomassa wordt aangemerkt; b. elektriciteit die de verbruiker heeft opgewekt door middel van een noodinstallatie in geval van storingen bij de levering via het distributienet; c. stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas dat de verbruiker heeft gewonnen; d. elektriciteit die de verbruiker heeft opgewekt door middel van een installatie voor elektriciteitsopwekking met een totaal opgesteld elektrisch vermogen van niet meer dan 20 megawatt. 7 Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaraan een organisatorische eenheid die een energieopslagfaciliteit exploiteert moet voldoen. 8 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2025 12 23-01-2025 11-12-2024 36378 2025 40 21-02-2025 17-02-2025 01-01-2026 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 artikel 50, derde lid, onderdeel d artikel 25, eerste lid, van de Wet op de accijns Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt als verbruik in de zin van, niet aangemerkt het verbruik van aardgas voor de vervaardiging van aardgas en minerale oliën als bedoeld in, in dezelfde inrichting waarin dat aardgas is ontstaan. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016 01-01-2015
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Artikel XIV van Stb. 2009/611 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht. 2 artikel 50, derde lid, onderdelen b, c en d In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van, de belasting geheven van de verbruiker. 3 artikel 1.1 van de Energiewet In afwijking van het eerste lid, wordt bij een levering van elektriciteit waarbij sprake is van peer-to-peer handel als bedoeld in, de belasting geheven van de marktdeelnemer die de automatische uitvoering en afwikkeling van de levering realiseert. 2025 12 23-01-2025 11-12-2024 36378 2025 40 21-02-2025 17-02-2025 01-01-2026
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikel 53, eerste lid Voor de toepassing van, stelt degene die de levering aan de verbruiker verricht, indien hij niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de belasting. 2 De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe door de inspecteur verstrekte vergunning. 3 Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. 4 Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger. 5 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken. 6 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Artikel XIV van Stb. 2009/611 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 De belasting wordt berekend: a. Energiewet voor aardgas: per eenheid brandstof, uitgedrukt in kubieke meter, met inachtneming van de bij of krachtens degestelde regels ter bepaling van de geleverde hoeveelheid; b. voor elektriciteit en waterstof: per eenheid energie-inhoud, uitgedrukt in kWh. 2025 12 23-01-2025 11-12-2024 36378 2025 40 21-02-2025 17-02-2025 01-01-2026 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 De belasting met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd: a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen: 1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede 2°. artikel 47, zesde lid op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode, dan wel, bij toepassing van, op de laatste dag van het aldaar bedoelde tijdvak van 18 maanden; b. in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt of voorschotbedrag wordt ontvangen, maar wel een factuur wordt uitgereikt: op het tijdstip van de uitreiking van de factuur; c. in overige gevallen: op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden. 3 artikel 50, derde lid, onderdelen b, c en d In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt. 4 artikel 47, eerste lid, onderdeel e Indien de verrekening, bedoeld in, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 artikel 53, tweede lid Indien in een verbruiksperiode ten aanzien van degene van wie op grond van, de belasting wordt geheven zowel sprake is van door hem op grond van artikel 53, tweede lid, verschuldigde belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair wordt geheven van degene, bedoeld in artikel 53, eerste lid. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Artikel XIV van Stb. 2009/611 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Artikel XIV van Stb. 2009/611 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 Het tarief bedraagt voor: a. 3 aardgas, met uitzondering van aardgas als bedoeld in onderdeel b, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nmvoor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat: – niet hoger is dan 1 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,60066; – hoger is dan 1 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 170 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,60066; – hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,33085; – hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,21396; – hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,05313; b. 3 aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm, dat wordt geleverd aan een CNG-vulstation € 0,20928 per kubieke meter; c. elektriciteit voor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat: – niet hoger is dan 2 900 kWh, per kWh € 0,09161; – hoger is dan 2 900 kWh, maar niet hoger dan 10 000 kWh, per kWh € 0,09161; – hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000 kWh, per kWh € 0,06671; – hoger is dan 50 000 kWh, maar niet hoger dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,03735; – hoger is dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,00379 voor niet-zakelijk verbruik en per kWh € 0,00310 voor zakelijk verbruik; d. waterstof per kWh het tarief voor zakelijk gebruik, genoemd in onderdeel c, vijfde aandachtsstreepje. 2 3 Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas het tarief, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje, per kubieke meter voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler. 4 artikel 48, tweede lid In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en d, bedragen de tarieven nihil voor in, als aardgas aangemerkte producten en waterstof voor zover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan. 5 Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk verbruik als niet-zakelijk verbruik, worden de tarieven, genoemd in het eerste lid, voor verbruik boven 10 000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig aangemerkt. 6 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste en derde lid. 7 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste lid. 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 01-01-2026 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2026 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026
Artikel 59a — Artikel 59a#
Artikel 59a Vervallen 2020 540 23-12-2020 16-12-2020 35572 2020 540 23-12-2020 16-12-2020 35572 01-04-2021 Artikel XXXII van Stb. 2020/540 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 59b — Artikel 59b#
Artikel 59b Vervallen 2020 540 23-12-2020 16-12-2020 35572 2020 540 23-12-2020 16-12-2020 35572 01-04-2021 Artikel XXXII van Stb. 2020/540 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 59c — Artikel 59c#
Artikel 59c artikel 59a, eerste lid artikel 47, eerste lid, onderdelen u tot en met y artikel 59b Indien de verlaging van het tarief, bedoeld in, wordt verminderd of komt te vervallen, blijven de bepalingen gesteld bij of krachtens, artikel 59a en, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de dag met ingang waarvan de verlaging van het tarief wordt verminderd of komt te vervallen, gedurende 15 jaren na het tijdstip waarop de coöperatie is aangewezen als bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van toepassing ten aanzien van de levering van elektriciteit aan personen ten aanzien van wie op de eerst genoemde dag artikel 59a en, indien het een vereniging van eigenaars betreft, artikel 59b, van toepassing waren. Een eventuele rechtsopvolger van de persoon treedt in de plaats van die persoon. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 59, eerste lid, onderdeel a 3 In afwijking van, bedraagt het tarief voor aardgas voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten voor aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm, voor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat: – artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje niet hoger is dan 170 000 kubieke meter, per kubieke meter 30% van het tarief, genoemd in; – artikel 59, eerste lid, onderdeel a, derde aandachtsstreepje hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter 48% van het tarief, genoemd in; – artikel 59, eerste lid, onderdeel a, vierde aandachtsstreepje hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter 100% van het tarief, genoemd in; – artikel 59, eerste lid, onderdeel a, vijfde aandachtsstreepje hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter 100% van het tarief, genoemd in. 2 De tarieven, genoemd in het eerste lid, zijn niet van toepassing als de verbruiker een onderneming in moeilijkheden is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter vaststelling wanneer de verbruiker moet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden. 3 artikel 59, eerste lid, onderdeel a Indien behalve voor het in het eerste lid vermelde doel mede aardgas wordt toegepast in één of meerdere woonhuizen, wordt per verbruiksperiode van twaalf maanden per woonhuis een geleverde hoeveelheid van 5000 kubieke meter in de heffing betrokken naar de tarieven, bedoeld in, tenzij de geleverde hoeveelheden voor de verschillende toepassingen en de verschillende woonhuizen afzonderlijk worden gemeten. 4 3 Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm, worden de in het eerste lid genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid. 6 Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige: a. aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 3.2.1.4, punt 58, onder (b), van de Richtsnoeren 2022/C 80/01 staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022 met betrekking tot transparantievereisten: 1°. de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd; 2°. artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 het nummer, bedoeld in; 3°. de datum waarop de steun voor het eerst is verleend; 4°. per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar; b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 7 Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt: a. aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in paragraaf 3.2.1.4, punt 58, onder (b), van de Richtsnoeren 2022/C 80/01 staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022, en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is; b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de noodzakelijke gegevens en inlichtingen beschikt. 8 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, of zevende lid, onderdeel a. 9 Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien hij hierover beschikt aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: a. de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast; b. artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 het nummer, bedoeld in, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2026
Artikel 60b — Artikel 60b#
Artikel 60b 1 artikel 59, eerste lid, onderdeel c artikel 70a, derde lid In afwijking van, bedraagt het tarief voor elektriciteit die wordt geleverd aan een walstroominstallatie die geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen als bedoeld in, per kWh 30% van het tarief, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel c, vierde aandachtstreepje. 2 Het tarief, genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als de verbruiker een onderneming in moeilijkheden is. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder het tarief, genoemd in het eerste lid, wordt toegepast en worden nadere regels gesteld ter vaststelling wanneer de verbruiker moet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste tot en met derde lid. 5 Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige: a. aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening met betrekking tot transparantievereisten: 1°. de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd; 2°. artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 het nummer, bedoeld in; 3°. de datum waarop de steun voor het eerst is verleend; 4°. per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar; b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 6 Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt: a. aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in artikel Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is; b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de gegevens en inlichtingen beschikt. 7 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, of zesde lid, onderdeel a. 8 Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien beschikbaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: a. de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast; b. artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 het nummer bedoeld in, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2026
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 artikel 59, eerste lid artikel 60, eerste en derde lid 67, eerste lid 68, tweede lid Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de hoeveelheidsgrenzen, genoemd in,,, en, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd. 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 01-01-2016 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 61a — Artikel 61a#
Artikel 61a artikel 47, zevende lid, onderdeel b artikel 61 In de gevallen, bedoeld in, wordt de belasting ter zake van de leveringen die vanaf het begin van het kalenderjaar zijn verricht, herrekend met inachtneming van. Indien deze herrekening leidt tot een hoger of lager belastingbedrag dan de belasting die zonder de herrekening over de gehele verbruiksperiode verschuldigd zou zijn, wordt de belasting die moet worden voldaan over het tijdvak waarin de overeenkomst tot levering wordt beëindigd dienovereenkomstig verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. Bij de bepaling van de belasting die op de eindafrekening aan de verbruiker wordt vermeld, wordt de verhoging of verlaging, bedoeld in de tweede volzin, in aanmerking genomen. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 3 artikel 59, eerste lid, onderdeel a, en derde lid artikel 60, eerste lid Indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de verbruiker de geleverde hoeveelheid aardgas gemeten wordt in Nm, worden de tarieven toegepast, zoals die met betrekking tot aardgas in, en, worden toegepast per kubieke meter. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 36id.
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 artikel 50, eerste lid Op de ter zake van de levering van elektriciteit, bedoeld in, verschuldigde belasting wordt een vermindering toegepast met betrekking tot onroerende zaken die op zich als gebouwde eigendommen zijn aan te merken en die kunnen dienen als woning of ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben. De vermindering bedraagt € 519,80 per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting. 2 Indien het bedrag van de over de verbruiksperiode verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald. 3 In de gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen, wordt bij de berekening van het voorschotbedrag naar evenredigheid rekening gehouden met de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid. 4 Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de in het eerste lid genoemde bedragen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd. 5 artikel 50, derde lid Bij toepassing van, zijn het eerste en vierde lid van overeenkomstige toepassing. 6 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend. 7 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 01-01-2026 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2026 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van: a. 3 aardgas dat wordt gebruikt in een installatie voor elektriciteitsopwekking tot een volume dat correspondeert met 0,2635 Nmper opgewekte kWh elektriciteit; b. aardgas dat wordt gebruikt in een installatie voor elektriciteitsopwekking met behulp waarvan elektriciteit wordt opgewekt uitsluitend door middel van hernieuwbare energiebronnen en elektriciteit; c. elektriciteit die wordt gebruikt in een installatie voor elektriciteitsopwekking; en d. elektriciteit en aardgas die worden gebruikt voor de instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren. 2 3 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt bij een installatie voor elektriciteitsopwekking met een totaal opgesteld elektrisch vermogen van niet meer dan 20 megawatt vrijstelling van de belasting verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit tot een hoeveelheid die correspondeert met 0,2635 Nmper kWh elektriciteit die de exploitant van de installatie invoedt op een distributienet alsmede 0,1498 Nmper kWh elektriciteit die de exploitant van de installatie niet invoedt op een distributienet. De hoeveelheid opgewekte elektriciteit die wordt betrokken bij de berekening van de hoeveelheid aardgas waarvoor de per verbruiksperiode te berekenen vrijstelling wordt verleend is maximaal de hoeveelheid elektriciteit die de exploitant heeft opgewekt met de installatie. 3 3 Indien het aardgas, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en in het tweede lid, een bovenste verbrandingswaarde heeft die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm, wordt het volume, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar evenredigheid verhoogd, onderscheidenlijk verlaagd. 4 Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van: Als levering of verbruik van elektriciteit voor elektrolytische procedés wordt in ieder geval aangemerkt de levering of het verbruik van elektriciteit voor de productie van waterstof, waaronder wordt verstaan de demineralisatie of elektrolyse van water alsmede de purificatie en compressie van de uit dit water ontstane waterstof. Als metallurgische procedés worden aangemerkt: De vrijstelling voor metallurgische procedés geldt alleen voor bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 6 september 2025 van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 24 of 25. – elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procedés; en – aardgas dat wordt gebruikt voor metallurgische procedés. a. de vervaardiging van metalen in primaire vorm; b. smeden, persen, stampen en profielwalsen van metaal; c. oppervlaktebehandeling bestaande uit harden of warmtebehandeling van metalen. 5 Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor mineralogische procedés. Als mineralogische procedés worden aangemerkt de vervaardiging van glas en glaswerk, de vervaardiging van keramische producten, de vervaardiging van cement, kalk of gips, de vervaardiging van kalkzandsteen of cellenbeton en de vervaardiging van steenwol. De vrijstelling voor mineralogische procedés geldt alleen voor de bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 6 september 2025 van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 23. 6 Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt anders dan als brandstof dan wel aardgas dat wordt gebruikt als additief of als vulstof in producten die direct of indirect zijn bestemd voor verbruik, worden aangeboden voor verkoop of worden verbruikt als aardgas. De vrijstelling is niet van toepassing indien het gebruik van die producten: a. artikel 51, eerste lid niet als verbruik wordt aangemerkt ingevolge; of b. artikel 59, vierde lid is onderworpen aan het tarief van nihil, bedoeld in. 7 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, worden verleend. 8 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2026 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 06-09-2025 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2026
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2012 672 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 2021 651 27-12-2021 22-12-2021 35927 2021 651 27-12-2021 22-12-2021 35927 01-01-2023
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 artikel 59, derde lid artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in, voor zover het verbruik van warmte in een onroerende zaak als bedoeld indie door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 5 372 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf maanden. 2 artikel 59, eerste lid, onderdeel a De teruggaaf wordt verleend aan de gebruiker van de onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het positieve verschil tussen het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, en het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van, als aan die gebruiker een hoeveelheid aardgas geleverd zou zijn die correspondeert met de verbruikte warmte. 3 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2024
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door een verbruiker gedurende dezelfde periode binnen een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier. 2 Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend voor zover met betrekking tot zakelijk verbruik van elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht. 3 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 01-01-2015
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. 2 artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij een algemeen nut beogende instelling of bij een instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, mits: a. de in de aanhef bedoelde instellingen niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs; b. de in de aanhef bedoelde instellingen geen publiekrechtelijk lichaam zijn; c. de in de aanhef bedoelde instellingen beschikken over een eigen aansluiting; d. de in de aanhef bedoelde algemeen nut beogende instelling niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld; e. artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de werkzaamheden van de in de aanhef bedoelde instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, geheel of nagenoeg geheel worden verricht door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. 3 artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die een algemeen nut beogende instelling is of die een instelling is die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, en het tweede lid, onderdeel e, mits: a. de in de aanhef bedoelde instellingen niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs; b. artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de in de aanhef bedoelde instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, beschikt over notarieel verleden statuten waaruit de een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt, dan wel, voor zover het gaat om verenigingen als bedoeld indie niet beschikken over notarieel verleden statuten, over door die verenigingen verstrekte verklaringen waaruit de een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt; c. de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert, beschikt over notarieel verleden statuten waaruit blijkt dat de instelling zich ten doel stelt de onroerende zaak te beheren en exploiteren ten nutte van instellingen als bedoeld in de aanhef; d. de feitelijke werkzaamheden van de instelling, bedoeld in onderdeel c, overeenkomen met de doelstelling; e. de in de aanhef bedoelde algemeen nut beogende instelling en de instelling, bedoeld in onderdeel c, niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen dan wel daarvan zijn vrijgesteld; f. de in de aanhef bedoelde instellingen en de instelling, bedoeld in onderdeel c, geen publiekrechtelijk lichaam zijn, en g. de instelling, bedoeld in onderdeel c, beschikt over een eigen aansluiting. 4 artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Voor de toepassing van dit artikel en de op dit artikel berustende bepalingen wordt een statuut als bedoeld ingelijkgesteld met notarieel verleden statuten indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd. 5 De teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend aan de gebruiker van de desbetreffende onroerende zaak en bedragen 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting. 6 De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting. 7 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in dit artikel, worden verleend. 8 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2012 544 08-11-2012 01-11-2012 33245 2012 544 08-11-2012 01-11-2012 33245 01-01-2013 01-01-2012
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 artikel 64, eerste lid, onderdeel d Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit die worden gebruikt op een in, bedoelde wijze. 2 artikel 64, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, eerste volzin, eerste aandachtsstreepje Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in, bedoelde wijze. 3 artikel 64, eerste lid, onderdeel b, vierde lid, eerste volzin, tweede aandachtsstreepje, vijfde en zesde lid Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in, bedoelde wijze. 4 Op verzoek wordt aan de verbruiker van wie geen belasting wordt geheven als bedoeld in artikel 53 teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid bedoelde wijze. 5 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, worden verleend. 6 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 70a — Artikel 70a#
Artikel 70a 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend voor aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren, met inbegrip van de visserij. 2 De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor particuliere pleziervaartuigen. 3 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een particulier pleziervaartuig verstaan een vaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 artikel 53, eerste en tweede lid De belastingplichtigen, bedoeld in, voeren een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn. 2 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan. 3 Bij regeling van Onze Minister worden voorwaarden gesteld aan de administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt of waarin stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Artikel XIV van Stb. 2009/611 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 71a — Artikel 71a#
Artikel 71a Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. broeikasgas: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer broeikasgas als bedoeld in; b. broeikasgasemissierecht: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer broeikasgasemissierecht als bedoeld in; c. broeikasgasinstallatie: artikel 16a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer broeikasgasinstallatie als bedoeld in; d. één ton kooldioxide-equivalent: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer één ton kooldioxide-equivalent als bedoeld in; e. elektriciteitsemissieverslag: artikel 16a.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer elektriciteitsemissieverslag als bedoeld in. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022
Artikel 71aa — Artikel 71aa#
Artikel 71aa hoofdstuk VIC Dit hoofdstuk is niet van toepassing op broeikasgasinstallaties van een glastuinbouwbedrijf of energiebedrijf voor glastuinbouw waaropvan toepassing is. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71b — Artikel 71b#
Artikel 71b 2 minimum CO-prijs elektriciteitsopwekking Onder de naamwordt een belasting geheven ter zake van de emissie van broeikasgas als gevolg van de opwekking van elektriciteit. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet minimum CO2-prijs
elektriciteitsopwekking in werking treedt.
Artikel 71c — Artikel 71c#
Artikel 71c 1 artikel 16.11, eerste lid, tweede zin, van de Wet milieubeheer De belasting wordt geheven van degene die een broeikasgasinstallatie exploiteert. De exploitant van een broeikasgasinstallatie is de exploitant, bedoeld in. 2 Indien de werking van een broeikasgasinstallatie is beëindigd, wordt de belasting geheven van degene die als laatste de broeikasgasinstallatie heeft geëxploiteerd. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet minimum CO2-prijs
elektriciteitsopwekking in werking treedt.
Artikel 71d — Artikel 71d#
Artikel 71d 1 De belasting wordt berekend over het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt overeenkomstig het elektriciteitsemissieverslag van de broeikasgasinstallatie. 2 artikel 16a.8, tweede lid, van de Wet milieubeheer In afwijking van het eerste lid wordt, indien de emissieautoriteit ambtshalve de elektriciteitsjaarvracht heeft vastgesteld als bedoeld inen die vaststelling is onherroepelijk geworden, de belasting berekend over het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt overeenkomstig die vaststelling. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022
Artikel 71e — Artikel 71e#
Artikel 71e De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van broeikasgas plaatsvindt. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022
Artikel 71f — Artikel 71f#
Artikel 71f 1 Het tarief bedraagt per ton kooldioxide-equivalent: € 0. 2 Aan het begin van elk kalenderjaar wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, bij regeling van Onze Minister vervangen door een ander tarief. Dit tarief wordt berekend als volgt. Als uitgangspunt wordt genomen het bedrag voor dat kalenderjaar, genoemd in het vierde lid. Vervolgens wordt dat bedrag verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil. 3 De termijnkoers van het broeikasgasemissierecht, bedoeld in het tweede lid, is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar waarvoor het tarief wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan dat jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van broeikasgasemissierechten in die maanden. 4 Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde zin, bedraagt voor: – het kalenderjaar 2020: € 12,30; – het kalenderjaar 2021: € 13,50; – het kalenderjaar 2022: € 14,90; – het kalenderjaar 2023: € 16,40; – het kalenderjaar 2024: € 18,00; – het kalenderjaar 2025: € 19,80; – het kalenderjaar 2026: € 21,80; – het kalenderjaar 2027: € 24,00; – het kalenderjaar 2028: € 26,40; – het kalenderjaar 2029: € 29,00; – de kalenderjaren vanaf 2030: € 31,90. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022
Artikel 71g — Artikel 71g#
Artikel 71g 1 Invorderingswet 1990 Voor de heffing en invordering van de belasting wordt voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, deen de op die wetten berustende bepalingen onder rijksbelastingdienst verstaan de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit. Hierbij staat deze dienst onder het gezag van de Minister van Financiën. 2 artikel 16a.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 67c 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit de elektriciteitsjaarvracht, bedoeld in, ambtshalve vaststelt en deze vaststelling onherroepelijk is geworden op een tijdstip na vier jaren en tien maanden na het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag, bedoeld inen de bevoegdheid tot het opleggen van de boeten, bedoeld in deentwee maanden na het hiervoor bedoelde tijdstip. 3 artikelen 10, tweede lid 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting In afwijking van de, enworden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan uiterlijk op het tijdstip waarop het elektriciteitsemissieverslag moet worden ingediend. 4 hoofdstuk 16a van de Wet milieubeheer Bestaande geheimhoudingsbepalingen staan er niet aan in de weg dat de ambtenaren van de dienst Nederlandse emissieautoriteit gegevens of informatie verkregen op grond van deze afdeling gebruiken voor de taak, bedoeld in, dan wel gegevens of informatie verkregen op grond van de taak, bedoeld in hoofdstuk 16a van de Wet milieubeheer, gebruiken voor de taak, bedoeld in deze afdeling. 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 2022 132 04-04-2022 16-03-2022 35216 05-04-2022
Artikel 71h — Artikel 71h#
Artikel 71h Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. afvalverbrandingsinstallatie: Richtlijn 2010/75 artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, veertigste, onderscheidenlijk eenenveertigste, lid, van/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PbEU 2010, L 334) waarin blijkens een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld inhuishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand; b. broeikasgas: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer broeikasgas als bedoeld in; c. broeikasgasinstallatie: artikelen 16.1, tweede lid 16.3 van de Wet milieubeheer broeikasgasinstallatie als bedoeld in de, en; d. dispensatierecht: artikel 71p, eerste lid, onderdeel a overdraagbaar recht om gedurende het kalenderjaar een emissie van één ton kooldioxide-equivalent in de lucht te veroorzaken in het kalenderjaar waarin die uitstoot plaatsvindt zonder toepassing van het tarief, genoemd in; e. één ton kooldioxide-equivalent: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer één ton kooldioxide-equivalent als bedoeld in; f. industrieel emissieverslag: artikel 16b.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer industrieel emissieverslag als bedoeld in; g. industriële installatie: broeikasgasinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie of lachgasinstallatie; h. industriële jaarvracht: 2 aantal ton kooldioxide-equivalent van een industriële installatie in een kalenderjaar dat in de lucht is veroorzaakt en ter zake waarvan de CO-heffing industrie wordt geheven; i. lachgasinstallatie: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht installatie die blijkens een op grond van deafgegeven omgevingsvergunning bestemd is voor de productie van acrylonitril of caprolactam en die geen broeikasgasinstallatie is; j. meetbare warmte: Richtlijn 2003/87/EG meetbare warmte als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis vanvan het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59); k. Restgassen : afgas als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten; l. stadsverwarming: Richtlijn 2003/87/EG stadsverwarming als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis vanvan het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59). 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2023 89 22-03-2023 20-03-2023 01-01-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 5 van de
Omgevingswet in werking treedt.
Artikel 71ha — Artikel 71ha#
Artikel 71ha Indien een afvalverbrandingsinstallatie tevens een broeikasgasinstallatie is, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk met betrekking tot afvalverbrandingsinstallaties van toepassing. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025
Artikel 71i — Artikel 71i#
Artikel 71i Dit hoofdstuk is van toepassing op industriële installaties met uitzondering van broeikasgasinstallaties van een glastuinbouwbedrijf of energiebedrijf voor glastuinbouw waarop hoofdstuk VIC van toepassing is en broeikasgasinstallaties die direct of indirect uitsluitend worden geëxploiteerd voor: a. stadsverwarming; b. het verwarmen of koelen van ruimten van gebouwen of locaties, daaronder begrepen het nagenoeg uitsluitend verwarmen of koelen van ruimten van gebouwen of locaties, en de meetbare warmte niet wordt gebruikt voor de productie van producten en daarmee verband houdende activiteiten; of c. het opwekken van elektriciteit zonder het gebruik van restgassen als brandstof. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71j — Artikel 71j#
Artikel 71j 1 2 CO-heffing industrie Onder de naamwordt een belasting geheven ter zake van: a. de emissie van broeikasgas door een broeikasgasinstallatie; b. de emissie van kooldioxide door een afvalverbrandingsinstallatie; of c. de emissie van kooldioxide en distikstofoxide door een lachgasinstallatie. 2 Van de heffing zijn uitgezonderd de emissies door broeikasgasinstallaties: a. als gevolg van het opwekken van elektriciteit zonder het gebruik van restgassen als brandstof; of b. als gevolg van het opwekken van meetbare warmte die wordt uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming indien de broeikasgasinstallatie in het belastingtijdvak meer dan driekwart van zijn totaal geproduceerde meetbare warmte in dat belastingtijdvak heeft uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming. 3 Van de heffing is uitgezonderd de emissie van kooldioxide door broeikasgasinstallaties en afvalverbrandingsinstallaties die worden overgedragen voor geologische opslag en waarbij wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71k — Artikel 71k#
Artikel 71k 1 2 De CO-heffing industrie wordt geheven van degene die een industriële installatie exploiteert. 2 artikel 16.11, eerste lid, tweede zin, van de Wet milieubeheer artikel 71h, onderdeel a De exploitant van een broeikasgasinstallatie is de exploitant, bedoeld in. De exploitant van een afvalverbrandingsinstallatie is degene aan wie de omgevingsvergunning, bedoeld in, is verleend. De exploitant van een lachgasinstallatie is degene aan wie de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 71h, onderdeel i, is verleend. 3 Indien de werking van een industriële installatie is beëindigd, wordt de belasting geheven van degene die als laatste de industriële installatie heeft geëxploiteerd. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71l — Artikel 71l#
Artikel 71l 1 De belasting wordt berekend over: a. de industriële jaarvracht van een industriële installatie in het belastingtijdvak verminderd met het aantal dispensatierechten voor die industriële installatie in hetzelfde belastingtijdvak; en b. de industriële jaarvracht van een industriële installatie in het belastingtijdvak die niet onder onderdeel a valt. 2 De grondslag is niet lager dan nihil. 2022 535 27-12-2022 21-12-2022 36206 2022 535 27-12-2022 21-12-2022 36206 01-01-2023
Artikel 71m — Artikel 71m#
Artikel 71m 1 De industriële jaarvracht is overeenkomstig hetgeen is vermeld in het industrieel emissieverslag. 2 artikel 16b.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit de industriële jaarvracht ambtshalve heeft vastgesteld als bedoeld inen die vaststelling is onherroepelijk geworden, is de industriële jaarvracht overeenkomstig die vaststelling. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71n — Artikel 71n#
Artikel 71n 1 artikel 16b.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer Het aantal dispensatierechten is het aantal dispensatierechten dat de exploitant voor een industriële installatie op 1 september van het jaar na afloop van het belastingtijdvak op zijn rekening heeft als bedoeld in. 2 artikel 16b.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit op of na de datum, genoemd in het eerste lid, op de rekening dispensatierechten stort of afboekt als bedoeld in, is het aantal dispensatierechten het aantal dispensatierechten dat na die storting of afboeking op de rekening staat. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71o — Artikel 71o#
Artikel 71o De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van broeikasgas plaatsvindt. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71p — Artikel 71p#
Artikel 71p 1 Het tarief bedraagt: a. artikel 71l, eerste lid, onderdeel a in het geval van, per ton kooldioxide-equivalent voor een broeikasgasinstallatie of lachgasinstallatie € 78,67 en voor een afvalverbrandingsinstallatie € 103,66; b. artikel 71l, eerste lid, onderdeel b artikel 71f, eerste lid in het geval van, per ton kooldioxide-equivalent het tarief, genoemd in. 2 artikel 90 Het tarief voor een afvalverbrandingsinstallatie, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij aanvang van de volgende kalenderjaren, alvorenswordt toegepast, telkens verhoogd. Deze verhoging is voor: Artikel 90 vindt geen toepassing op een bedrag in dit lid nadat daarmee het tarief is verhoogd. – het kalenderjaar 2027: € 49,66; – het kalenderjaar 2028: € 50,42; – het kalenderjaar 2029: € 50,42; en – het kalenderjaar 2030: € 49,39. 3 Voor een broeikasgasinstallatie wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil. De termijnkoers van het broeikasgasemissierecht is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van dat jaar, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan datzelfde jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van die éénjaarstermijncontracten in die maanden. 4 artikel 71l, eerste lid, onderdeel a afdeling 16b.3.3, van de Wet milieubeheer Het derde lid is niet van toepassing voor zover de grondslag, bedoeld in, hoger is door de overdracht van dispensatierechten, bedoeld in. 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 71q — Artikel 71q#
Artikel 71q 1 Indien voor een industriële installatie het aantal dispensatierechten van een belastingtijdvak de industriële jaarvracht van dat belastingtijdvak overtreft, gebruikt de exploitant dat overschot aan dispensatierechten voor een herberekening van de belasting die is betaald voor die industriële installatie over de vijf belastingtijdvakken voorafgaand aan het eerstgenoemde belastingtijdvak. 2 De herberekening geschiedt in de aflopende volgorde die is gebaseerd op de hoogte van het tarief beginnend met het belastingtijdvak met het hoogste tarief. 3 Voor de herberekening worden de tarieven gebruikt die van toepassing waren op het belastingtijdvak dat wordt herberekend. 4 Indien uit de herberekening blijkt dat over een bepaald belastingtijdvak een teveel aan belasting is betaald, wordt dat bedrag aan teveel betaalde belasting in mindering gebracht op de belasting verschuldigd over het belastingtijdvak waarover aangifte wordt gedaan. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 71r — Artikel 71r#
Artikel 71r 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen Invorderingswet 1990 Voor de heffing en invordering van de belasting wordt voor de toepassing van de, deen de op die wetten berustende bepalingen onder rijksbelastingdienst verstaan de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit. Hierbij staat deze dienst onder het gezag van de Minister van Financiën. 2 artikel 16b.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer artikel 16b.24, vierde lid, van de Wet milieubeheer artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 67c 67f van die laatstgenoemde wet Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit ambtshalve de industriële jaarvracht heeft vastgesteld als bedoeld inof ambtshalve het aantal dispensatierechten heeft vastgesteld als bedoeld in, en die vaststelling is onherroepelijk geworden op een tijdstip na vier jaren en tien maanden na het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden, vervalt, in afwijking van, de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag, en vervalt, in afwijking van deen, de bevoegdheid tot het opleggen van de boeten twee maanden na het hiervoor bedoelde tijdstip. 3 artikelen 10, tweede lid 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking van de, enworden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan uiterlijk 1 oktober van het jaar volgend op dat tijdvak. 4 hoofdstuk 16b van de Wet milieubeheer Bestaande geheimhoudingsbepalingen staan er niet aan in de weg dat de ambtenaren van de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit gegevens of informatie verkregen op grond van deze afdeling gebruiken voor de taken, bedoeld in, dan wel gegevens of informatie verkregen op grond van de taken, bedoeld in hoofdstuk 16b van de Wet milieubeheer, gebruiken voor de taak, bedoeld in deze afdeling. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71s — Artikel 71s#
Artikel 71s 2 Het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit verstrekt de inspecteur en de ontvanger de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de CO-heffing industrie. 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 2020 544 23-12-2020 16-12-2020 35575 01-01-2021
Artikel 71t — Artikel 71t#
Artikel 71t 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00; b. broeikasgasinstallatie: artikelen 16.1, tweede lid 16.3 van de Wet milieubeheer broeikasgasinstallatie als bedoeld in de, en; c. 2 standaard CO-emissiefactor voor aardgas: 2 2 artikel 16.12 van de Wet milieubeheer standaard CO-emissiefactor voor aardgas in kilogram CO/GJ aardgas die bij of krachtensjaarlijks door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt gepubliceerd; d. glastuinbouwbedrijf: bedrijf voor het telen van gewassen in een of meer kassen; e. energiebedrijf voor glastuinbouw: bedrijf waarvandaan warmte direct of indirect wordt getransporteerd naar een of meer glastuinbouwbedrijven en dat zelf geen glastuinbouwbedrijf is; f. restwarmte: thermische energie die als onvermijdelijk bijproduct in industriële of bedrijfsmatige processen overblijft en die zonder transport naar een gebruiker ongebruikt terecht zou komen in lucht of water. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een glastuinbouwbedrijf of energiebedrijf voor de glastuinbouw. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71ta — Artikel 71ta#
Artikel 71ta 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een glastuinbouwbedrijf dat in het gehele tijdvak: a. 2 een totale oppervlakte in de kassen heeft van minder dan 2.500 m; of b. gewassen in kassen teelt uitsluitend vanwege het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis, voor educatieve doeleinden, bij onderzoeksinstellingen of bij volkstuinen. 2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een energiebedrijf voor glastuinbouw: a. dat in het gehele tijdvak geen aardgas verstookt; b. waarvandaan in het gehele tijdvak minder dan 75% van de met aardgas opgewekte warmte direct of indirect is getransporteerd naar een of meer glastuinbouwbedrijven en dat, indien de inspecteur daarom verzoekt, dat aantoont; of c. waarvandaan in het gehele tijdvak uitsluitend restwarmte is getransporteerd naar een of meer glastuinbouwbedrijven. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van dit artikel. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71u — Artikel 71u#
Artikel 71u 2 Onder de naam CO-heffing glastuinbouw wordt een belasting geheven ter zake van de emissie van kooldioxide. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71v — Artikel 71v#
Artikel 71v 1 2 De CO-heffing glastuinbouw wordt geheven van de exploitant van het glastuinbouwbedrijf, dan wel de exploitant van het energiebedrijf voor glastuinbouw. 2 De exploitant is de rechtspersoon of natuurlijke persoon die het glastuinbouwbedrijf dan wel het energiebedrijf voor glastuinbouw als onderneming drijft. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71w — Artikel 71w#
Artikel 71w 1 De belasting wordt berekend over het aantal ton kooldioxide dat is veroorzaakt op basis van het aantal normaalkubiekemeters aardgas dat door het glastuinbouwbedrijf of het energiebedrijf voor glastuinbouw is verstookt. 2 2 Het aantal ton kooldioxide wordt berekend met de formule: An x 31,65 x standaard CO-emissiefactor voor aardgas / 1.000.000. Hierbij staat An voor de verstookte hoeveelheid aardgas in normaal kubieke meters. 3 De belastingplichtige monitort de hoeveelheid aardgas die is verstookt overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71x — Artikel 71x#
Artikel 71x De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van kooldioxide plaatsvindt. 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 71y — Artikel 71y#
Artikel 71y 1 Het tarief bedraagt per ton kooldioxide voor: – het kalenderjaar 2025: € 9,61; – het kalenderjaar 2026: € 11,60; – het kalenderjaar 2027: € 13,31; – het kalenderjaar 2028: € 15,02; – het kalenderjaar 2029: € 16,72; – de kalenderjaren vanaf 2030: € 18,43. 2 Voor zover er aardgas is verstookt in een broeikasgasinstallatie wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil. De termijnkoers is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van dat jaar, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan datzelfde jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van die éénjaarstermijncontracten in die maanden. 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026
Artikel 71z — Artikel 71z#
Artikel 71z 1 artikelen 10, tweede lid 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking van de, enworden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste drie maanden na het einde van het tijdvak. 2 artikel 19, tweede lid onderdeel a, van de algemene wet inzake rijksbelastingen 2 Bij ministeriële regeling als bedoeld inwordt bepaald dat voor de CO-heffing glastuinbouw het eerste tijdvak dat aanvangt op 1 januari 2025 de kalenderjaren 2025 en 2026 beslaat. Voor dat tijdvak wordt in artikel 30h, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de algemene wet inzake rijksbelastingen in plaats van «kalenderjaar of boekjaar» telkens gelezen «tijdvak». 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. luchthaven: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart luchthaven als bedoeld invoorzien van een start- en landingsbaan van ten minste 2.100 meter, voor zover die luchthaven als burgerluchthaven dan wel, indien het een militaire luchthaven betreft, mede door andere dan militaire luchtvaart wordt gebruikt; b. exploitant van de luchthaven: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart rechtspersoon of natuurlijke persoon die de luchthaven als onderneming drijft; hieronder wordt mede begrepen de burgerexploitant, bedoeld in; c. vliegtuig: gemotoriseerd vliegtuig met een maximaal toegelaten startgewicht van meer dan 4.000 kilogram, met uitzondering van vliegtuigen in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht of andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vliegtuigen; d. luchtvaartmaatschappij: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart artikel 3.3, tweede lid, van de Wet luchtvaart luchtvaartmaatschappij als bedoeld in, alsmede ieder ander op wiens naam een vliegtuig is ingeschreven in het register, bedoeld in, dan wel is ingeschreven in een buitenlands register van luchtvaartuigen; e. passagier: natuurlijk persoon van 2 jaar of ouder die anders dan als lid van het boordpersoneel wordt vervoerd met een vliegtuig; f. lid van het boordpersoneel: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart lid van het boordpersoneel als bedoeld in, alsmede ieder die uitsluitend wordt vervoerd om aan boord van een ander vliegtuig tijdens een vlucht van dat andere vliegtuig werkzaamheden als lid van het boordpersoneel te verrichten. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-07-2024
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 Onder de naam vliegbelasting wordt een belasting geheven ter zake van het vertrek van een passagier met een vliegtuig vanaf een in Nederland gelegen luchthaven. 2 Als vertrek van een passagier wordt niet aangemerkt het vertrek vanaf een luchthaven indien: a. dat vertrek als onderdeel van één vervoersovereenkomst plaatsvindt aansluitend op het moment van aankomst van de passagier met een vliegtuig op die luchthaven; b. de aansluiting de belangrijkste reden is voor het gebruik van de luchthaven; en c. de passagier het gebied van de luchthaven, dat een vertrekkende passagier alleen mag betreden met een geldig vervoersbewijs, tussen het moment van aankomst en het moment van vertrek niet langer dan 24 uur heeft verlaten. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 550 23-12-2020 16-12-2020 35645 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 De belasting wordt geheven van de exploitant van de luchthaven. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 De vliegbelasting wordt berekend over het aantal passagiers dat met een vliegtuig vertrekt van de luchthaven. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 550 23-12-2020 16-12-2020 35645 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 De vliegbelasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de passagier met een vliegtuig vertrekt van de luchthaven. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 550 23-12-2020 16-12-2020 35645 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 Het tarief bedraagt € 30,25 per passagier. 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 2025 40375 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000609875 01-01-2026
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de belastingplichtige een administratie moet voeren voor de toepassing van de vliegbelasting. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 De luchtvaartmaatschappij verstrekt aan de exploitant van de luchthaven de gegevens die nodig zijn voor een juiste toepassing van dit hoofdstuk. De verstrekking van deze gegevens vindt plaats gelijktijdig met de verstrekking van de gegevens die de luchtvaartmaatschappij als gebruiker van de luchthaven verplicht is aan de exploitant van de luchthaven te verstrekken. 2 De luchtvaartmaatschappij is gehouden tot betaling van de vliegbelasting die de exploitant van de luchthaven bij haar in rekening brengt, voor zover deze belasting door de exploitant van de luchthaven is verschuldigd ter zake van het vertrek van passagiers met een vliegtuig van die luchtvaartmaatschappij. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 550 23-12-2020 16-12-2020 35645 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 84a — Artikel 84a#
Artikel 84a Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 87a — Artikel 87a#
Artikel 87a Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 87b — Artikel 87b#
Artikel 87b Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 87c — Artikel 87c#
Artikel 87c Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 87d — Artikel 87d#
Artikel 87d Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 88a — Artikel 88a#
Artikel 88a Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 88b — Artikel 88b#
Artikel 88b Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 1 De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan. 2 Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot een negatief bedrag verleent de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag. Het verzoek om teruggaaf geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarover de belasting berekend is. 2016 546 29-12-2016 21-12-2016 34554 2016 546 29-12-2016 21-12-2016 34554 01-01-2017
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 artikelen 10.1 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikelen 18 28 43 59, eerste en derde lid 71p, eerste en tweede lid 77 Deenzijn van overeenkomstige toepassing op de in de,,,,, envermelde bedragen. Het bepaalde in de eerste zin vindt tevens toepassing op de bedragen voor het kalenderjaar 2025 en volgende kalenderjaren, genoemd in artikel 71y, eerste lid, met dien verstande dat daarbij telkens voor elk betreffend kalenderjaar de tabelcorrectiefactor wordt toegepast die op dat kalenderjaar ziet en voorts die tabelcorrectiefactor telkens eveneens wordt toegepast op de bedragen voor de kalenderjaren die op dat kalenderjaar volgen. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2025 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2023 505 27-12-2023 20-12-2023 36426 01-01-2025 Abusievelijk is op de tweede zin een wijziging geformuleerd die
niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 1 artikelen 20, eerste lid 27, derde lid 30, eerste lid 45, eerste en tweede lid 54, derde lid 67, eerste lid 68, eerste en tweede lid 69, eerste tot en met derde lid 70, eerste tot en met derde lid 70a, eerste lid 89, tweede lid 92, eerste lid De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in de,,,,,,,,,,, en, bij een voor bezwaar vatbare beschikking. 2 Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het derde lid bedoelde kennisgeving. 3 Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan geven, stelt hij de belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven. 4 Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op: a. artikel 45, derde lid verzoeken aan de inspecteur tot aanwijzing van een teruggaaftijdvak op grond van bepalingen krachtens; b. artikel 70, vierde lid verzoeken aan de inspecteur tot aanwijzing van een teruggaaftijdvak op grond van bepalingen krachtens. 2021 651 27-12-2021 22-12-2021 35927 2021 651 27-12-2021 22-12-2021 35927 01-01-2023
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 artikel 89 Bij de toepassing vanwordt voor de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting , de energiebelasting en de vliegbelasting een vermindering op de verschuldigde belasting toegepast, voor zover komt vast te staan dat een door de belastingplichtige ter zake te ontvangen bedrag niet is en niet zal worden ontvangen. 2 De aanspraak op de vermindering van belasting ontstaat op het tijdstip waarop komt vast te staan dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet is en niet zal worden ontvangen, met dien verstande dat deze aanspraak uiterlijk ontstaat één jaar na het tijdstip waarop het geheel of gedeeltelijk niet ontvangen bedrag opeisbaar is geworden. 3 Artikel 89 Voor zover een bedrag ter zake waarvan de aanspraak op de vermindering van belasting is ontstaan, alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, wordt de belasting opnieuw verschuldigd op het tijdstip van ontvangst.is van toepassing. 4 artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 Ingeval de belastingplichtige zijn vordering ter zake van een bedrag als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een andere ondernemer als bedoeld in, treedt deze andere ondernemer met betrekking tot die vordering of het overgedragen gedeelte daarvan voor de toepassing van dit artikel op het tijdstip van die overdracht in de plaats van de belastingplichtige. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden en beperkingen worden gesteld. 6 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. 2020 549 23-12-2020 16-12-2020 35205 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden.
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 1 Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wet regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 1 15-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 38.
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 De inwerkingtreding van deze wet wordt bij wet geregeld. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 39.
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 Deze wet wordt aangehaald als: Wet belastingen op milieugrondslag. 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 2008 1 15-01-2008 08-01-2008 01-01-2008 Tekstplaatsing met vernummering. Voorheen art. 40.