Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs
- BWB-id
- BWBR0007625
- Type
- Wet
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007625
- ELI
- /eli/nl/wet/1995/wet-educatie-en-beroepsonderwijs
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1995/wet-educatie-en-beroepsonderwijs/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007625&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007625&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007625/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1995/wet-educatie-en-beroepsonderwijs
Artikel 1.1.1 — Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: beroepscollege: artikel 1.3.2 beroepscollege als bedoeld in; beroepsonderwijs: artikel 1.2.1, tweede lid onderwijs als bedoeld in; beroepsopleiding: artikel 7.1.2, tweede lid opleiding als bedoeld in; beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg: artikel 7.2.7, vierde lid beroepsopleiding als bedoeld in; beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg: artikel 7.2.7, derde lid beroepsopleiding als bedoeld in; beroepspraktijkvorming: artikel 7.2.8, eerste lid onderricht in de praktijk van het beroep als bedoeld in; bestuursoverdracht: overdracht van een instelling aan een ander bevoegd gezag; bevoegd gezag: a. van een openbare instelling: 1°. college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de instelling in stand houdt, behoudens voor zover de raad anders bepaalt en met inachtneming van door hem te stellen regels; 2°. bevoegd orgaan krachtens de betrokken gemeenschappelijke regeling waarbij het openbaar lichaam dat de instelling in stand houdt, is opgericht; b. artikel 2.1.3, derde lid van een bijzondere instelling: rechtspersoon die de instelling in stand houdt als bedoeld in; c. artikelen 1.4.1 1.4a.1 van een instelling met diploma-erkenning als bedoeld in deof: rechtspersoon of natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt; d. artikel 1.6.1 van een exameninstelling als bedoeld in: rechtspersoon die de exameninstelling in stand houdt; bijzondere instelling: artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in; burgerservicenummer: artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer burgerservicenummer als bedoeld in; centraal examen: artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens examen of examenonderdeel bestaande uit door het College voor toetsen en examens, genoemd in, vastgestelde toetsen die door of in opdracht van de instelling worden afgenomen; deelnemer: degene die een opleiding educatie volgt, met uitzondering van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs; doorlopende leerroute vmbo-mbo: artikel 9.1.2, tweede lid route als bedoeld in; educatie: artikel 1.2.1, eerste lid onderwijs bestemd voor volwassenen als bedoeld in; eindtermen: artikel 7.3.3 eindtermen als bedoeld in; exameninstelling: artikel 1.6.1 instelling als bedoeld in; examinering: het nemen van een beslissing over de inhoud en het niveau van een examen, procedures en voorwaarden waaronder een examen wordt afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van een examen; fusie: institutionele fusie of bestuursoverdracht; ho-student: artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek degene die hoger onderwijs volgt, als bedoeld in; inspectie: Wet op het onderwijstoezicht Inspectie van het onderwijs als bedoeld in de; instelling: regionaal opleidingencentrum of beroepscollege; instellingsexamen: examen of examenonderdeel, bestaande uit toetsen die zijn vastgesteld en worden afgenomen door of in opdracht van de instelling; institutionele fusie: samenvoeging van twee of meer instellingen tot een instelling; keuzedeel: artikel 7.1.3, tweede lid keuzedeel als bedoeld in; kwalificatie: artikel 7.1.3, eerste lid kwalificatie als bedoeld in; kwalificatiedossier: document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven; leerweg: artikel 7.2.2, tweede lid leerweg als bedoeld in, tenzij anders bepaald; ondernemingsraad: Wet op de ondernemingsraden ondernemingsraad als bedoeld in de; Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; openbare instelling: Wet gemeenschappelijke regelingen instelling in stand gehouden door een gemeente dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid; opleiding educatie: artikel 7.3.1, eerste lid opleiding als bedoeld in; opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a opleiding educatie als bedoeld in; opleidingsdomein: samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken; ouders: met het gezag over de student of vavo-student belaste ouders, voogden of verzorgers; personeel: a. benoemde docenten en overig personeel dat is benoemd aan de instelling; b. artikelen 4.1.1 4.1.2 4.1.3 onder a bedoeld personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling, tenzij het betreft de toepassing van de,en, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen; persoonsgebonden nummer: artikel 8.1.1a, vierde lid burgerservicenummer dan wel door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer als bedoeld in; regionaal opleidingencentrum: artikel 1.3.1 regionaal opleidingencentrum als bedoeld in; register onderwijsdeelnemers: artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers register onderwijsdeelnemers als bedoeld in; Registratie instellingen en opleidingen: artikel 6.4.1, eerste lid Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in; samenwerkingscollege: artikel 2.1.8 samenwerkingsverband tussen instellingen dat ertoe strekt onder gezamenlijke verantwoordelijkheid een of meer beroepsopleidingen of opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs te verzorgen, niet zijnde een fusie als bedoeld in; Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven: artikel 1.5.1, eerste lid rechtspersoon, aangewezen op grond van; scholengemeenschap: Wet voortgezet onderwijs 2020 scholengemeenschap als bedoeld in de; school: Wet voortgezet onderwijs 2020 school als bedoeld in de; school voor mavo: artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in; school voor praktijkonderwijs: artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 school voor praktijkonderwijs als bedoeld in; school voor vbo: artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in; startkwalificatie: Leerplichtwet 1969 startkwalificatie als bedoeld in de; student: degene die beroepsonderwijs volgt; studiejaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar; vavo-student: degene die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgt; verticale scholengemeenschap: artikel 2.6.1 verticale scholengemeenschap als bedoeld in; volwassene: in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder; waarborgfonds: artikel 2.2.9 fonds als bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.1.2 — Artikel 1.1.2 Aard bepalingen bekostigd onderwijs#
Artikel 1.1.2 Aard bepalingen bekostigd onderwijs De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen die zich rechtstreeks of naar hun aard richten tot het bevoegd gezag, zijn voor het bekostigd bijzonder onderwijs voorwaarden voor bekostiging. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 1.1.3 — Artikel 1.1.3 Aard bepalingen#
Artikel 1.1.3 Aard bepalingen Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 1.2.1 — Artikel 1.2.1 Doelstellingen onderwijs#
Artikel 1.2.1 Doelstellingen onderwijs 1 artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Educatie is gericht op bevordering van de zelfredzaamheid van volwassenen en sluit waar mogelijk aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Educatie omvat activiteiten op het niveau van het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs zijn gericht op het behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld in de. 2 Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen, waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet het hoger onderwijs. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 1.3.1 — Artikel 1.3.1 Regionale opleidingencentra#
Artikel 1.3.1 Regionale opleidingencentra 1 Aan regionale opleidingencentra worden verzorgd: a. opleidingen beroepsonderwijs en b. indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde: een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. 2 Aan regionale opleidingencentra kunnen een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs worden verzorgd, indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 geen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde. 3 artikel 2.1.3, eerste en tweede lid Het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van, in aanmerking komt, heeft aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas voor a. artikel 2.1.1 het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet vanvoor bekostiging in aanmerking komen en b. artikel 2.1.2 het verzorgen van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die op de voet vanvoor bekostiging in aanmerking komen. 4 artikel 7.4.6 7.4.11, vijfde lid Aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van opleidingen als bedoeld in het derde lid is een bewijsstuk als bedoeld inof, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs,, verbonden. 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 01-01-2015 Artikelen IV en V van Stb. 2014/288 bevatten overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging.
Artikel 1.3.2 — Artikel 1.3.2 Beroepscolleges#
Artikel 1.3.2 Beroepscolleges 1 Aan een beroepscollege worden opleidingen beroepsonderwijs verzorgd. Voor andere dan entreeopleidingen zijn deze naar hun aard en onderlinge samenhang gericht op en van belang voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken. 2 Artikel 1.3.1, derde lid, aanhef en onder a, en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 1.3.2a — Artikel 1.3.2a Vakinstellingen#
Artikel 1.3.2a Vakinstellingen Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 1.3.3 — Artikel 1.3.3 Agrarische opleidingscentra#
Artikel 1.3.3 Agrarische opleidingscentra Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 1.3.4 — Artikel 1.3.4 Agrarische innovatie- en praktijkcentra#
Artikel 1.3.4 Agrarische innovatie- en praktijkcentra Vervallen 2007 23 23-01-2007 06-12-2006 30541 2007 72 22-02-2007 01-02-2007 01-08-2007
Artikel 1.3.5 — Artikel 1.3.5 Taken instellingen#
Artikel 1.3.5 Taken instellingen Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen, onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor: a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen, b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het zorgdragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en beroepsopleidingen, c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie, en d. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.3.6 — Artikel 1.3.6 Kwaliteitszorg#
Artikel 1.3.6 Kwaliteitszorg 1 Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. De beoordeling bij de instellingen geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten en vavo-studenten over de kwaliteit van het onderwijs aan de instelling. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. 2 Het bevoegd gezag maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent: a. de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, b. de uitkomsten van die beoordeling, en c. het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 1.3.6a — Artikel 1.3.6a Kwaliteit onderwijspersoneel#
Artikel 1.3.6a Kwaliteit onderwijspersoneel Het bevoegd gezag draagt zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel. 2012 118 23-03-2012 02-02-2012 32193 2012 119 23-03-2012 09-03-2012 01-07-2012
Artikel 1.3.7 — Artikel 1.3.7 Karakter openbaar onderwijs#
Artikel 1.3.7 Karakter openbaar onderwijs 1 Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten en vavo-studenten met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. 2 Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 1.3.8 — Artikel 1.3.8 Verplichting tot overleg en aangifte inzake seksuele misdrijven#
Artikel 1.3.8 Verplichting tot overleg en aangifte inzake seksuele misdrijven 1 Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld injegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in. 2 artikel 127 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld injuncto, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student of vavo-student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte. 3 Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis. 2024 59 27-03-2024 20-03-2024 36222 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024
Artikel 1.3.9 — Artikel 1.3.9 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling#
Artikel 1.3.9 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 1 Het bevoegd gezag stelt voor het personeel van zijn instelling een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 2 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in. 3 artikel 1.1 van de Jeugdwet Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in. 4 Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 1.3.10 — Artikel 1.3.10 Verzending berichten aan bevoegd gezag#
Artikel 1.3.10 Verzending berichten aan bevoegd gezag Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders, studenten, vavo-studenten of deelnemers en het bevoegd gezag. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 1.4.1 — Artikel 1.4.1 Andere instellingen voor beroepsonderwijs#
Artikel 1.4.1 Andere instellingen voor beroepsonderwijs 1 artikel 1.1.1 artikel 7.4.6 artikel 7.2.3 Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een andere dan een inbedoelde instelling of van een instelling dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of van een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld inof een certificaat als bedoeld inis verbonden, indien de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van: artikel 7.4.8 Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in, voor de beroepsopleiding waarop de aanvraag betrekking heeft. a. artikel 1.3.6 de kwaliteitszorg, bedoeld in, a1. artikel 6.1.3a de informatie aan aspirant-studenten, bedoeld in, b. artikelen 7.1.1 7.1.5 7.2.4a, derde lid artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde lid artikel 7.4.6a, eerste lid artikelen 8.6.1 8.6.3 het onderwijs, met uitzondering van de,en, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in, de examens, de verklaring, bedoeld in, en in geval van een samenwerkingscollege deen, c. artikel 7.5.3 de commissie van beroep voor de examens, bedoeld in, d. vervallen, e. artikel 8.2.1 de vooropleidingseisen, bedoeld in, en f. de opneming in de Registratie instellingen en opleidingen. 1a artikel 7.2.2, tweede lid artikel 7.2.7, eerste lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in andere dan in het eerste lid genoemde leerwegen, met dien verstande dat voor die opleiding, niet van toepassing is en ten aanzien van het onderwijs, niet in acht behoeft te worden genomen voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming en artikel 7.2.7, tweede tot en met achtste lid, niet in acht behoeft te worden genomen. Het tweede tot en met tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing. 1b artikel 1.1.1 Een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a van een andere dan een inbedoelde instelling bevat geen keuzedelen die niet zijn gekoppeld aan een kwalificatie, behorend bij een beroepsopleiding waarvoor de instelling een diploma-erkenning heeft op grond van lid 1 of lid 1a. 1c Het bevoegd gezag dat een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a verzorgt kan met een student overeenkomen dat de student slechts een onderdeel van de beroepsopleiding zal volgen. 2 Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. 3 In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister de aanvraag toewijzen voor anderhalf jaar, indien een aanvraag wordt gedaan door: a. een bevoegd gezag dat geen andere beroepsopleiding verzorgt waaraan een diploma of certificaat als bedoeld in het eerste lid is verbonden, of b. artikelen 6.1.5 6.2.3 een bevoegd gezag dat drie jaren of minder voorafgaand aan de aanvraag voor een andere beroepsopleiding die het verzorgt, een waarschuwing als bedoeld inofheeft ontvangen, indien de inspectie uit een oogpunt van kwaliteitsbewaking hiertoe aanleiding ziet. 4 Bij toepassing van het derde lid wordt de toewijzing na de in het derde lid bedoelde periode van anderhalf jaar voor onbepaalde tijd van rechtswege verlengd, tenzij Onze Minister uiterlijk twee maanden voordat die periode van anderhalf jaar is verstreken, besluit om de desbetreffende beschikking in te trekken omdat: a. de opleiding in de praktijk van onvoldoende kwaliteit blijkt te zijn, b. het bevoegd gezag heeft aangegeven geen verlenging te wensen, of c. de opleiding niet binnen één jaar na de toewijzing is gestart. 5 Indien een beschikking op grond van het vierde lid, onderdeel a, is ingetrokken, brengt het bevoegd gezag, alvorens het een nieuwe aanvraag als bedoeld in het eerste lid of lid 1a indient, zodanige verbeteringen aan dat aannemelijk is dat de desbetreffende opleiding of opleidingen in de praktijk wel van voldoende kwaliteit zal respectievelijk zullen, zijn. 6 Indien een toewijzing als bedoeld in het derde lid wordt gedaan, informeert het bevoegd gezag de studenten en aspirant-studenten daarover en over de mogelijkheden om hun opleiding elders af te ronden in het geval dat de beschikking wordt ingetrokken. 7 Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister jaarlijks voor 1 maart een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op beroepsopleidingen. 8 Voor zover ten aanzien van een instelling toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling. 9 artikelen 1.3.8 1.3.9 Deenzijn van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid. 10 artikel 1.1.1 Voor een andere dan een inbedoelde instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid van overeenkomstige toepassing: a. artikel 2.5.5a, eerste, vijfde, zesde en negende tot en met twaalfde lid ; b. artikel 8.1.1a ; en c. artikelen 9.2.2 9.2.3 9.2.6 de,en. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.4.2 — Artikel 1.4.2 Samenwerking met onbekostigd vo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo en geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding#
Artikel 1.4.2 Samenwerking met onbekostigd vo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo en geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding 1 artikel 1.1.1 artikel 1.4.1, eerste lid artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag van een andere dan inbedoelde instelling of van een instelling, kan wat betreft een beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan, een doorlopende leerroute vmbo-mbo of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding als bedoeld inaanbieden. 2 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Toepassing van het eerste lid berust op een samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van een ingevolgdeaangewezen school. 3 artikelen 9.1.2 9.1.3 9.1.4 tot en met 9.1.6 9.1.7, eerste en tweede lid 9.1.8 9.1.10 9.1.11 9.1.14 9.1.16 9.1.17 artikel 2.107b, tweede lid, onderdeel e, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 De,, met uitzondering van het tweede lid wat betreft,,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «school» telkens wordt gelezen «school aangewezen ingevolge». 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.4a.1 — Artikel 1.4a.1 Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen#
Artikel 1.4a.1 Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen 1 artikel 7.4.6 artikel 7.4.11, vijfde lid artikel 1.3.6 hoofdstuk 7 artikelen 7.1.1 7.1.5 titel 2 titel 4 artikelen 7.4.4 7.4.5, achtste lid 7.4.7 titel 5 artikelen 7.5.1 7.5.7 7.5.8 7.5.9 7.5.10 artikel 8.1.1d artikel 1.4a.2 Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld inof, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in, met uitzondering van deen,,, voor zover het betreft de,en, envoor zover het betreft de,,,en, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in, en in. 2 artikel 1.1.1 artikel 7.4.8 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan voor een andere dan een inbedoelde instelling of voor een instelling. Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in, voor de opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft. 3 artikel 2.2a.1 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op een opleiding educatie waarvoor de instelling een rijksbijdrage als bedoeld inontvangt of op een opleiding educatie die daarmee overeenkomt. 4 artikel 7.3.1, eerste lid, onder a Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft uitsluitend betrekking op opleidingen educatie als bedoeld in, alsmede op andere in dat lid bedoelde opleidingen, voor zover daarvoor bij ministeriële regeling eindtermen zijn vastgesteld. 5 Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Een begunstigende beschikking is voor het eerst van kracht ten aanzien van een opleiding educatie die aanvangt nadat die beschikking is bekend gemaakt. 6 Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 15 oktober een opgave van de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, die de instelling verzorgt in het lopende studiejaar, alsmede van de opleidingen educatie die de instelling heeft verzorgd in het daaraan voorafgaande studiejaar. 7 artikel 1.1.1 Voor zover ten aanzien van een instelling die een opleiding educatie verzorgt, toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet wat deze opleiding betreft, aangemerkt als een andere instelling dan bedoeld in. 8 artikel 1.1.1 Voor een andere dan een inbedoelde instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid van overeenkomstige toepassing: a. artikel 2.3.6a, eerste, vierde en zevende tot en met negende lid ; b. artikel 8.1.1a ; en c. artikelen 9.2.2 9.2.3 9.2.6 de,en. 9 Artikel 1.3.9 is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.4a.2 — Artikel 1.4a.2 Samenwerking met onbekostigde VO-scholen#
Artikel 1.4a.2 Samenwerking met onbekostigde VO-scholen 1 artikel 1.4a.1, tweede lid artikel 7.3.1, eerste lid, onder a artikel 8.1.1d, eerste volzin artikel 2.109 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in, waarvoor wat betreft een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in, toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, kan, ten aanzien van genoemde opleiding, in afwijking van, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van de voorschriften gegeven bij of krachtenstot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als vavo-student of extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een ingevolgeaangewezen school. 2 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.109, eerste en tweede lid, van die wet artikel 1.4a.1, tweede lid Indien het bevoegd gezag van een ingevolgeaangewezen school ter uitvoering vanleerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling als bedoeld in, van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.109, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 1.5.1 — Artikel 1.5.1 Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven#
Artikel 1.5.1 Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven 1 Bij ministeriële regeling wordt een rechtspersoon aangewezen die is belast met de volgende taken: a. artikel 7.2.4, tweede lid het ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarkt voor afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen in internationaal verband, onder meer door het doen van voorstellen aan Onze Minister voor de kwalificatiedossiers, bedoeld in, b. het bijdragen aan een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen door het ontwikkelen van voorstellen, welke beroepsopleidingen voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen, c. het bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming, d. het ontwikkelen en vaststellen van kwaliteitscriteria voor beroepspraktijkvormingsplaatsen en het ten minste een maal per vier jaar beoordelen van bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen aan de hand van deze criteria en het openbaar maken van een overzicht van bedrijven en organisaties die voldoen aan deze criteria, e. het zoveel mogelijk zorg dragen voor de beschikbaarheid van een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende kwaliteit die de beroepspraktijkvorming verzorgen, f. het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de taken, genoemd in dit artikel, en g. het uitvoeren van aanvullende activiteiten ter bevordering van de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt. 2 Onze Minister verstrekt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met f. 3 Onze Minister kan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van taken als bedoeld in het eerste lid, onder g. 4 Het is de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven niet toegestaan andere activiteiten uit te voeren dan de aan haar door de wet opgedragen taken. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 1.5.2 — Artikel 1.5.2 Organisatie SBB#
Artikel 1.5.2 Organisatie SBB 1 artikel 1.5.1, eerste lid artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Als rechtspersoon in de zin van, wordt aangewezen een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in. 2 In de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven participeren vertegenwoordigers van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. 3 Artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Onze Minister benoemt de voorzitter van het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en diens plaatsvervanger op voordracht van vertegenwoordigers van het beroepsonderwijs en van het bedrijfsleven voor een periode van ten hoogste vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor eenzelfde periode.is van overeenkomstige toepassing. 4 De statuten van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven regelen in ieder geval de betrokkenheid van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven bij de uitvoering van haar wettelijke taken. Aanvullend kan een bestuursreglement worden vastgesteld. 5 De statuten en het bestuursreglement alsmede wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 1.5.3 — Artikel 1.5.3 Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming#
Artikel 1.5.3 Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming 1 De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven is belast met het bij regeling vaststellen van de erkenningsvoorwaarden voor bedrijven en andere organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen. 2 De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven erkent op aanvraag een bedrijf of organisatie, die aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming. 3 Erkende leerbedrijven worden ten minste eenmaal in de vier jaren herbeoordeeld. 4 De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken als niet of niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. De erkenning vervalt van rechtswege als het leerbedrijf gedurende een periode van vier jaren geen beroepspraktijkvorming heeft verzorgd. 5 De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven draagt zorg voor openbaarmaking van een actueel overzicht van alle erkende leerbedrijven, waarbij wordt vermeld voor welke kwalificaties het een leerbedrijf is. 6 De regeling, bedoeld in het eerste lid, treedt eerst in werking na goedkeuring door Onze Minister. Goedkeuring wordt onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 1.6.1 — Artikel 1.6.1 Exameninstellingen#
Artikel 1.6.1 Exameninstellingen 1 Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een exameninstelling, dat de exameninstelling het recht heeft tot examinering van een beroepsopleiding in opdracht van een instelling, indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over: a. artikel 1.3.6 de kwaliteitszorg, bedoeld in, voorzover het betreft de examinering, b. de examens, en c. hoofdstuk 7, titel 5 de rechtsbescherming, bedoeld in. 2 Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 1.7.1 — Artikel 1.7.1 Contractactiviteiten#
Artikel 1.7.1 Contractactiviteiten 1 Aan een instelling kunnen contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden. Deze activiteiten kunnen worden verricht indien zij verband houden met werkzaamheden waarvoor de instelling uit de openbare kas bekostigd wordt en voor zover de uitvoering van die werkzaamheden hierdoor niet wordt geschaad. 2 artikel 2 van de Wet privatisering ABP Het bevoegd gezag van een instelling draagt er zorg voor datvan toepassing blijft op het personeel. 3 artikel 4.2.1, eerste lid De vereisten voor benoembaarheid, bedoeld in, zijn niet van toepassing op een docent voor zover deze is belast met het verrichten van contractactiviteiten. 4 Het bevoegd gezag voorziet in een regeling voor het verrichten van contractactiviteiten door het personeel van de instelling met het oog op het voorkomen van vermenging van belangen. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.1.1 — Artikel 2.1.1 Bekostiging landelijk aanbod beroepsonderwijs#
Artikel 2.1.1 Bekostiging landelijk aanbod beroepsonderwijs artikelen 1.3.2 6.1.1, tweede lid artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3° artikel 1.3.1 artikel 6.1.4 Onverminderd deenkomt een beroepsopleiding bij een instelling voor bekostiging in aanmerking indien zij is gericht op een kwalificatie of kwalificaties als bedoeld in, alsmede op een keuzedeel of keuzedelen en de rechten, genoemd in, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding niet zijn ontnomen op grond van. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.1.2 — Artikel 2.1.2 Bekostiging aanbod voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 2.1.2 Bekostiging aanbod voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 Een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van een regionaal opleidingencentrum komt voor bekostiging in aanmerking indien a. artikel 2.3.4 de instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde op grond van een overeenkomst als bedoeld inzoals luidend op die datum, of b. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op aanvraag van de instelling heeft bepaald dat opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van de instelling voor bekostiging in aanmerking komen. 2 Onze Minister beoordeelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de hand van de maatschappelijke behoefte aan een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, in het licht van het onderwijsaanbod verzorgd door andere, al dan niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 2.1.3 — Artikel 2.1.3 Vestiging en beëindiging bekostigingsaanspraak instellingen#
Artikel 2.1.3 Vestiging en beëindiging bekostigingsaanspraak instellingen 1 Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht Instellingen worden bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht.is niet van toepassing op de bekostiging van instellingen. 2 De eerste volzin van het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van: a. artikel 12.3.1 artikel 12.3.3 instellingen die op grond vanzoals dat luidde door de Wet van 11 april 2001, Stb. 207, ofzoals dat luidde ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs (Stb. 1995, 501) door Onze Minister voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, en b. instellingen die zijn voortgekomen uit: 1°. een institutionele fusie of splitsing van bekostigde instellingen; 2°. een omzetting van een bijzondere instelling in een openbare of omgekeerd. 3 artikel 2.1.2 artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Een uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere instelling wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van beroepsonderwijs of opleidingen voortgezet algemeen volwassenonderwijs als bedoeld inten doel stelt, zonder daarbij het maken van winst te beogen, en die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is als bedoeld in. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 2.1.4 — Artikel 2.1.4 Fusie, splitsing en omzetting#
Artikel 2.1.4 Fusie, splitsing en omzetting 1 Een fusie, splitsing of omzetting komt niet tot stand dan na goedkeuring van Onze Minister. 2 Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, welke termijn eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste dertien weken.is van toepassing. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 2.1.5 — Artikel 2.1.5 Verplichtingen bij bestuursoverdracht instelling#
Artikel 2.1.5 Verplichtingen bij bestuursoverdracht instelling 1 artikel 2.1.4, eerste lid artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Na een goedkeuringsbesluit als bedoeld in, geschiedt de overdracht van de instandhouding van een instelling bij notariële akte. Bij deze akte verbindt het bevoegd gezag zich om de rechten ten aanzien van de gebouwen en terreinen en roerende zaken met betrekking tot die instelling over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in. In de akte wordt bepaald dat het bevoegd gezag aan wie wordt overgedragen het personeel in gelijke betrekkingen in dienst neemt met ingang van de datum van overdracht. 2 Door overdracht met inachtneming van het eerste lid treedt het verkrijgende bevoegd gezag in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de instelling, onverminderd hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk recht is vereist. 3 Van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van onroerende en roerende zaken kan Onze Minister ontheffing verlenen in bijzondere omstandigheden. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. 4 artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Bij een splitsing als bedoeld invan een rechtspersoon die een instelling in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.1.6 — Artikel 2.1.6 Bestuursoverdracht openbare instelling#
Artikel 2.1.6 Bestuursoverdracht openbare instelling 1 Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan de instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding ervan bevoegd is. 2 Artikel 2.1.5 is van toepassing. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.1.7 — Artikel 2.1.7 Aanvraag en fusie-effectrapportage#
Artikel 2.1.7 Aanvraag en fusie-effectrapportage 1 De aanvraag tot goedkeuring van een fusie gaat vergezeld van: a. een door het bevoegd gezag dan wel bevoegde gezagsorganen opgestelde fusie-effectrapportage; en b. de schriftelijke adviezen, instemmingsverklaringen over de fusie van de betrokken medezeggenschapsraden dan wel een uitspraak van de geschillencommissie of Ondernemingskamer als bedoeld in hoofdstuk 8a, titel 4. 2 De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van: a. de motieven voor de fusie; b. de alternatieven voor de fusie; c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd; d. de te bereiken doelen; e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder op de spreiding en omvang van de betrokken bevoegde gezagsorganen in de regio, en op de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in de regio; f. de kosten en baten van de fusie; g. de personele en financiële gevolgen van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de dienstverlening aan studenten en vavo-studenten en de eventuele gevolgen voor andere belanghebbende partijen; h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd; en i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd. 3 Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.1.8 — Artikel 2.1.8 Toetsingsmaatstaf#
Artikel 2.1.8 Toetsingsmaatstaf 1 Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, in het opzicht van de diversiteit van onderwijsaanbieders in het beroepsonderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het onderwijs op significante wijze wordt belemmerd. 2 Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring tot fusie adviseren door een onafhankelijke adviescommissie. 3 Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.2.1 — Artikel 2.2.1 Rijksbijdrage beroepsonderwijs#
Artikel 2.2.1 Rijksbijdrage beroepsonderwijs 1 artikel 1.3.1 De rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de inbedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. 2 De rijksbijdrage bestaat uit bijdragen ten behoeve van exploitatiekosten en huisvestingskosten. 3 De bijdrage in de exploitatiekosten heeft betrekking op: a. personeel, b. onderhoud en vervanging van inventaris, c. onderhoud van gebouwen en terreinen, d. energie, e. administratie, beheer en bestuur, f. schoonmaken, g. heffingen, h. inkoop van diensten, i. Ziektewet artikel 2.3.1, tweede lid kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de, waaronder mede begrepen gewezen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in, zoals luidend op 31 december 2008, j. loopbaanoriëntatie en -begeleiding, k. studenten met een handicap of chronische ziekte, en l. artikel 8.1.5 studenten die in aanmerking komen voor ondersteuning op grond van. 4 De bijdrage in de huisvestingskosten heeft betrekking op: a. huur van gebouwen en terreinen, b. investeringen in gebouwen en terreinen, en c. eerste inrichting. 5 Les- en cursusgeldwet Op de rijksbijdrage wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in verband met cursusgelden zoals bedoeld in de. 6 Een in het eerste lid en in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 2.2.2 — Artikel 2.2.2 Berekeningswijze#
Artikel 2.2.2 Berekeningswijze 1 artikel 2.2.1 De inbedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven. 2 De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van: a. het aantal ingeschreven studenten, en b. artikel 7.4.6 het aantal studenten dat een diploma als bedoeld inheeft behaald, waaronder mede begrepen het aantal extraneï dat een dergelijk diploma bij een instelling heeft behaald binnen twee kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarin de inschrijving als student bij een instelling voor een beroepsopleiding waarvoor de instelling bekostiging heeft of zal ontvangen, zonder het behalen van een dergelijk diploma is geëindigd. 3 Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, geldt inschrijving van een student voor twee of meer beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één beroepsopleiding. 4 artikel 7.2.2, derde lid Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat indien in enig kalenderjaar door een student of extraneus een diploma wordt behaald van een beroepsopleiding die niet van een hoger niveau als bedoeld in, is dan de beroepsopleiding waarvan die student al eerder in dat kalenderjaar een diploma heeft behaald, uitsluitend het eerstbehaalde van die diploma’s wordt meegeteld. 5 Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, blijven de studenten aan de entreeopleiding buiten beschouwing. 6 In de maatstaven, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid gemaakt worden naar groepen van studenten, naar opleidingen, naar verblijfsduur van een student in één of meer opleidingen, naar soorten van instellingen en naar behaalde diploma’s. 7 Studenten die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen tellen alleen mee, indien: a. zij onderwijs, daaronder begrepen de beroepspraktijkvorming, in Nederland volgen, en b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.2.3 — Artikel 2.2.3 Aanvullende middelen#
Artikel 2.2.3 Aanvullende middelen 1 artikel 2.2.2 Onze Minister kan aan de rijksbijdrage, berekend op grond van, een bedrag toevoegen in verband met: a. bijzondere omstandigheden die betrekking hebben op een individuele instelling en die in redelijkheid niet door die instelling binnen de rijksbijdrage voor het betreffende bekostigingsjaar of binnen de normale bedrijfsvoering kunnen worden opgevangen; of b. de ontwikkelingen van het bestel van het beroepsonderwijs. 2 Het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan op de rijksbijdrage van een later jaar geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht. Indien dat het geval is wordt dit vermeld in de beschikking en wordt in die beschikking tevens de hoogte vermeld van het bedrag dat in mindering zal worden gebracht of de criteria voor de bepaling van dat bedrag. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor de verstrekking bedoeld in het eerste lid en de vermindering bedoeld in het tweede lid. 4 Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 2.2.4 — Artikel 2.2.4 Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage beroepsonderwijs#
Artikel 2.2.4 Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage beroepsonderwijs 1 Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend. 2 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme. 3 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de studenten. 5 artikel 2.2.2 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 2.2.4a — Artikel 2.2.4a Rijksbijdrage en private activiteiten#
Artikel 2.2.4a Rijksbijdrage en private activiteiten Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.4b — Artikel 2.2.4b Beleggen en belenen#
Artikel 2.2.4b Beleggen en belenen Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.5 — Artikel 2.2.5 Reallocatie#
Artikel 2.2.5 Reallocatie Het bevoegd gezag kan het deel van de rijksbijdrage dat overblijft na dekking van de exploitatie- en huisvestingskosten voor een instelling of de huisvestingskosten van een school binnen een verticale scholengemeenschap mede aanwenden ter dekking van de exploitatie- en huisvestingskosten van een door hem in stand gehouden: a. andere instelling; of b. school binnen een verticale scholengemeenschap. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.6 — Artikel 2.2.6 Rijksbijdrage en private activiteiten#
Artikel 2.2.6 Rijksbijdrage en private activiteiten Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.7 — Artikel 2.2.7 Beleggen en belenen#
Artikel 2.2.7 Beleggen en belenen Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.8 — Artikel 2.2.8 Financieel beheer#
Artikel 2.2.8 Financieel beheer Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.9 — Artikel 2.2.9 Waarborgfonds instellingen#
Artikel 2.2.9 Waarborgfonds instellingen 1 Elke instelling is aangesloten bij de door de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk, die zich ten doel stelt zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het bevoegd gezag van de instelling aangegane leningen, door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds met een onafhankelijk van de instellingen functionerend bestuur. 2 Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd. 3 De gezamenlijke instellingen dragen er zorg voor dat in de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in elk geval is opgenomen: a. dat ingeval van door de rechtspersoon te stellen algemene voorwaarden aan het verlenen van borgstelling, deze uitsluitend van financiële aard zijn en uitsluitend betrekking hebben op de te waarborgen lening; b. dat ingeval de instelling aan de onder a bedoelde voorwaarden voldoet, borgstelling door de rechtspersoon niet kan worden geweigerd; c. dat als blijkt dat een instelling niet in staat is tot nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, de instelling verplicht is een saneringsplan aan het waarborgfonds over te leggen, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven van de instelling hersteld kan worden; d. dat de door de rechtspersoon te stellen voorwaarden in het kader van door hem te waarborgen leningen niet in strijd komen met de vrijheid van organisatie en inrichting van het onderwijs binnen de instellingen; e. dat een batig saldo van het fonds kan worden uitgekeerd aan de bevoegde gezagsorganen van de instellingen, onder de voorwaarde dat een uitkering door het bevoegd gezag van een instelling uitsluitend wordt besteed ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend; en f. een regeling omtrent de te volgen procedure en te treffen voorzieningen in geval van taakverwaarlozing door het bestuur van het fonds. 4 Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bedenkingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.10 — Artikel 2.2.10 Einde bekostigde instelling#
Artikel 2.2.10 Einde bekostigde instelling 1 Bij een beëindiging van de bekostiging van een instelling of de opheffing ervan stelt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk een eindafrekening vast. 2 Voorafgaand aan de situatie, bedoeld in het eerste lid, maakt het bevoegd gezag aan Onze Minister zijn plan bekend met daarin de reeds genomen of voorgenomen maatregelen, gericht op het kunnen voltooien van het onderwijs van de ingeschreven studenten. 3 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een accountant als bedoeld in. 4 Het bevoegd gezag is een batig saldo verschuldigd aan de Staat. Onze Minister stelt het verschuldigde bedrag vast. Hierbij wordt rekening gehouden met door het bevoegd gezag uit eigen middelen aan investeringen bestede gelden. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.12 — Artikel 2.2.12 Bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra#
Artikel 2.2.12 Bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra Vervallen 2007 23 23-01-2007 06-12-2006 30541 2007 72 22-02-2007 01-02-2007 01-08-2007
Artikel 2.2a.1 — Artikel 2.2a.1 Rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 2.2a.1 Rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 artikel 1.3.1 De rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs waarop de inbedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. 2 Artikel 2.2.1, derde lid, onder a tot en met k, en vierde lid , zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in onderdeel i onder gewezen personeel mede wordt begrepen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van het beroepsonderwijs. 2012 450 09-10-2012 13-09-2012 33146 2012 450 09-10-2012 13-09-2012 33146 01-01-2013 Artikel VI van Stb. 2012/450 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.2a.2 — Artikel 2.2a.2 Berekeningswijze#
Artikel 2.2a.2 Berekeningswijze 1 artikel 2.2a.1 De inbedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven. 2 De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van: a. het aantal ingeschreven vavo-studenten, b. artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het aantal vavo-studenten dat bij de instelling een diploma van onderwijs als bedoeld in deheeft behaald en c. artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het aantal vavo-studenten dat bij de instelling een eindexamen of deeleindexamen heeft afgelegd in onderwijs als bedoeld in de. 3 Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, blijven vavo-studenten die niet bij een instelling staan ingeschreven op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld tijdstip buiten beschouwing en kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal vakken waarvoor een vavo-student is ingeschreven. 4 Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder c, kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal vakken waarin de vavo-student met goed gevolg examen heeft afgelegd. 5 Vavo-studenten die niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen tellen alleen mee voor de toepassing van dit artikel, indien: a. zij onderwijs in Nederland volgen, en b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen. 6 Extraneï tellen niet mee voor de toepassing van dit artikel. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2a.3 — Artikel 2.2a.3 Aanvullende middelen#
Artikel 2.2a.3 Aanvullende middelen 1 artikel 2.2a.2 Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van het bestel van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs een bedrag toevoegen aan de rijksbijdrage, berekend op grond van. 2 Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. 2020 168 17-06-2020 03-06-2020 35289 2020 256 15-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.2a.4 — Artikel 2.2a.4 Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 2.2a.4 Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor vavo-studenten met een handicap of chronische ziekte. 2 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme. 3 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze titel. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de vavo-studenten. 5 artikel 2.2a.2 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 2.3.1 — Artikel 2.3.1 Aanbod educatie#
Artikel 2.3.1 Aanbod educatie 1 artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor een aanbod van opleidingen educatie als bedoeld in, met voldoende aandacht voor alle doelgroepen. 2 Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taak werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij ministeriële regeling vastgestelde regio’s. Bij ministeriële regeling wordt voor elke regio een contactgemeente aangewezen. 3 Het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente vervult coördinerende taken met het oog op het aanbod van opleidingen educatie als bedoeld in het eerste lid. In dat verband a. draagt het college in overleg met de colleges van burgemeester en wethouders in de overige gemeenten in de regio zorg voor de totstandkoming van een regionaal programma van educatievoorzieningen, b. maakt het college afspraken met aanbieders van opleidingen educatie, overeenkomstig het regionaal programma, bedoeld onder a, en c. coördineert het college de overige werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van het regionaal programma. 4 Het overleg, bedoeld in het derde lid, onder a, heeft in elk geval betrekking op de behoefte aan educatievoorzieningen in de gemeenten in de regio en de wijze waarop in deze behoefte zal worden voorzien. 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 01-01-2015 Artikel V van Stb. 2014/288 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3.2 — Artikel 2.3.2 Uitkering educatie#
Artikel 2.3.2 Uitkering educatie 1 artikel 2.3.3, eerste lid artikel 3 van de Wet inburgering 2021 Onze Minister verstrekt ten behoeve van de taak van de colleges van burgemeester en wethouders in de betreffende regio aan de contactgemeenten een uitkering. De uitkering wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, berekend aan de hand van voor elke gemeente gelijkelijk geldende maatstaven. Deze uitkering is bestemd voor een aanbod van opleidingen educatie aan een persoon als bedoeld in, niet zijnde een inburgeringsplichtige als bedoeld in. 2 artikel 2.3.1, derde lid, onder a De contactgemeente draagt er zorg voor dat de doelgroepen in alle gemeenten in de betreffende regio overeenkomstig het regionaal programma, bedoeld in het, gebruik kunnen maken van de educatievoorzieningen die met behulp van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, tot stand zijn gekomen. 3 De uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekeningswijze en de betaalbaarstelling van de uitkering. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.3.3 — Artikel 2.3.3 De voorziening#
Artikel 2.3.3 De voorziening 1 Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente biedt aan personen uit de doelgroep opleidingen educatie aan overeenkomstig het regionaal programma. Daarbij geldt dat opleidingen educatie alleen kunnen worden aangeboden aan personen van achttien jaar of ouder die ingezetene zijn van een gemeente in de desbetreffende regio. 2 artikel 2.3.2, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld waaronder de kosten van opleidingen educatie, niet zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in, kunnen worden gebracht. 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 01-01-2015 Artikel V van Stb. 2014/288 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3.4 — Artikel 2.3.4 Verantwoording en terugvordering uitkering#
Artikel 2.3.4 Verantwoording en terugvordering uitkering 1 artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente legt verantwoording af aan Onze Minister over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in. 2 artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet artikel 2.3.2, eerste lid Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in, blijkt dat de uitkering, bedoeld in, niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente. 3 artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in, niet volledig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen binnen dertien maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, wordt de uitkering teruggevorderd. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast. Onze Minister doet binnen drie maanden na afloop van de dertien maanden, bedoeld in de eerste volzin, mededeling van terugvordering aan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de terugvordering, bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede over de verdeling van de teruggevorderde gelden. Daarbij kan worden bepaald dat een gedeelte van het niet bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd. 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 01-01-2015 Artikelen IV en V van Stb. 2014/288 bevatten overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging.
Artikel 2.3.5 — Artikel 2.3.5 Informatievoorziening#
Artikel 2.3.5 Informatievoorziening 1 artikel 2.3.1, eerste lid Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens die betrekking hebben op het aanbod bedoeld in, teneinde deze in staat te stellen een zorgvuldig en samenhangend beleid met betrekking tot educatie te voeren en zijn stelselverantwoordelijkheid te waarborgen. De gegevens worden kosteloos verstrekt. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot: a. de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens en b. artikel 2.3.2, eerste lid de betaling van de uitkering, bedoeld in, indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente de in het eerste lid bedoelde gegevens niet of niet tijdig verstrekt dan wel de kwaliteit van die gegevens te kort schiet. 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 01-01-2015
Artikel 2.3.6 — Artikel 2.3.6 Informatie voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 2.3.6 Informatie voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld over de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens. 3 Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld. 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 2014 288 18-07-2014 09-07-2014 33911 01-01-2015 Artikel V van Stb. 2014/288 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3.6a — Artikel 2.3.6a Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag#
Artikel 2.3.6a Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag 1 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een vavo-student gebruiken in het verkeer met de vavo-student op wie het nummer betrekking heeft. 2 Vervallen. 3 Vervallen. 4 artikel 8.0.2, eerste lid Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en wethouders, bedoeld in, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene. 5 Vervallen. 6 Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een vavo-student aan een opleiding in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds. 7 Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een vavo-student in het contact met een andere instelling of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die vavo-student of ten behoeve van het volgen van onderwijs in een samenwerkingscollege. Onder dit contact wordt mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. 8 artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 1 van die wet Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een vavo-student ter uitvoering van, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van. 9 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een vavo-student eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze vavo-student met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van vavo-studenten. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de vavo-studenten zijn geregistreerd. 10 Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een vavo-student in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de vavo-studenten zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten. 11 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen. 12 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen. 13 De in het zevende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 2.3.6b — Artikel 2.3.6b Verwerking gegevens door Onze Minister#
Artikel 2.3.6b Verwerking gegevens door Onze Minister Vervallen 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 2.3.6c — Artikel 2.3.6c Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie#
Artikel 2.3.6c Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie Vervallen 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 2.3.6d — Artikel 2.3.6d Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente#
Artikel 2.3.6d Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 2.4.1 — Artikel 2.4.1 Subsidieverlening per boekjaar#
Artikel 2.4.1 Subsidieverlening per boekjaar artikel 1.5.1, eerste lid, onder a tot en met f De subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in, wordt per boekjaar verstrekt. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4.2 — Artikel 2.4.2 Nadere regels#
Artikel 2.4.2 Nadere regels 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot: a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover, b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, c. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt, d. de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend, e. de verplichtingen van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, f. de vaststelling van de subsidie, g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling, h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten, i. artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in, of j. andere criteria voor de verstrekking van subsidie. 2 Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voor zover nodig onderscheid gemaakt tussen subsidie voor: a. artikel 1.5.1, eerste lid, onder a tot en met f de taken, bedoeld in, b. artikel 1.5.1, eerste lid, onder g de taken, bedoeld in. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4.3 — Artikel 2.4.3 Subsidieplafond#
Artikel 2.4.3 Subsidieplafond artikel 1.5.1, eerste lid, onder g Onze Minister kan jaarlijks het bedrag vaststellen dat ten hoogste beschikbaar is voor de activiteiten, genoemd in. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.5.1 — Artikel 2.5.1 Reikwijdte#
Artikel 2.5.1 Reikwijdte Vervallen 2007 23 23-01-2007 06-12-2006 30541 2007 72 22-02-2007 01-02-2007 01-08-2007
Artikel 2.5.2 — Artikel 2.5.2 Begroting#
Artikel 2.5.2 Begroting Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 2.5.3 — Artikel 2.5.3 Jaarrekening#
Artikel 2.5.3 Jaarrekening 1 Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarrekening vast over het afgelopen jaar. 2 In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financiële beheer van de instelling voor zover het betreft de ingevolge deze wet uit ’s Rijks kas ontvangen middelen. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de studenten of vavo-studenten voor les- en cursusgeld of examengeld. Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage nadere voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de jaarrekening. 3 Het resultaat van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling. 4 artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Het bevoegd gezag dient de jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar bij Onze Minister in. De jaarrekening gaat vergezeld van de overige gegevens, bedoeld inen een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in. 5 Het bevoegd gezag maakt de jaarrekening, vergezeld van de overige gegevens en de verklaring, bedoeld in het vierde lid, openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking plaatsvindt. 6 artikelen 2.2.2 2.2.12 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over een overzichtelijke informatieverzameling van de financiële gegevens die op enigerlei wijze van belang zijn voor de berekeningswijze, bedoeld in deen. 7 Het bevoegd gezag houdt per begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten en lasten en draagt er zorg voor dat de baten en lasten nauwkeurig en herkenbaar zijn verwerkt in de in het zesde lid bedoelde informatieverzameling. 8 Het bevoegd gezag bewaart de informatieverzameling en de desbetreffende boeken en bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende lid, gedurende een periode van zeven jaren. 9 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens en de wijze van ordening daarvan. 2020 235 08-07-2020 01-07-2020 35102 2020 469 24-11-2020 12-11-2020 01-01-2021
Artikel 2.5.4 — Artikel 2.5.4 Bestuursverslag#
Artikel 2.5.4 Bestuursverslag 1 artikel 1.3.6, tweede lid Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een bestuursverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het bestuursverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in, voorzover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens en informatie over schorsing en verwijdering van studenten, vavo-studenten en deelnemers in het afgelopen jaar. Ook legt het bevoegd gezag in het bestuursverslag verantwoording af over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Bij ministeriële regeling kan een branchecode worden aangewezen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en de wijze en het tijdstip van openbaarmaking van het bestuursverslag. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 2.5.5 — Artikel 2.5.5 Informatie beroepsonderwijs#
Artikel 2.5.5 Informatie beroepsonderwijs 1 De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens. 3 Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld. 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 2.5.5a — Artikel 2.5.5a Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag#
Artikel 2.5.5a Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag 1 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een student gebruiken in het verkeer met de student op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de student minderjarig is, met de ouders van deze student. 2 Vervallen. 3 Vervallen. 4 artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een student, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling. 5 artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969 Leerplichtwet 1969 Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een student in contacten met een gemeente in het kader van de, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente. 6 artikel 8.0.3, derde en vierde lid Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van de betrokkene bij de opgave, bedoeld in. 7 Vervallen. 8 Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds. 9 artikel 9.1.17 9.1.19 artikel 9.1.18 Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student in het contact met een andere instelling of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die student of ten behoeve van het volgen van onderwijs in een samenwerkingscollege, een doorlopende leerroute vmbo-mbo, de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld inof, of een doorlopende leerroute als bedoeld in. Onder dit contact wordt mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. 10 artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 1 van die wet Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een student ter uitvoering van, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van. 11 Wet op de expertisecentra artikel 8a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.2.5, tweede lid Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student in contacten met een school als bedoeld in dein het kader van de ondersteuning die deze school biedt op grond vanen. 12 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een student eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze student met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van studenten. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de studenten zijn geregistreerd. 13 Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een student in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de studenten zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten. 14 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het dertiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen. 15 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het twaalfde tot en met het veertiende lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen. 16 De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 2.5.5b — Artikel 2.5.5b Verwerking gegevens door Onze Minister#
Artikel 2.5.5b Verwerking gegevens door Onze Minister Vervallen 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 2.5.5c — Artikel 2.5.5c Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie#
Artikel 2.5.5c Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie Vervallen 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 2.5.5d — Artikel 2.5.5d Toegang minister tot basisregister onderwijs#
Artikel 2.5.5d Toegang minister tot basisregister onderwijs Vervallen 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010
Artikel 2.5.5e — Artikel 2.5.5e Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente#
Artikel 2.5.5e Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 2.5.6 — Artikel 2.5.6 Onderzoek vanwege minister#
Artikel 2.5.6 Onderzoek vanwege minister artikel 2.5.3, vierde lid artikel 2.5.5 Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. 2012 118 23-03-2012 02-02-2012 32193 2012 119 23-03-2012 09-03-2012 01-07-2012
Artikel 2.5.7 — Artikel 2.5.7 Informatieplicht ministeriële accountant#
Artikel 2.5.7 Informatieplicht ministeriële accountant Vervallen 2012 118 23-03-2012 02-02-2012 32193 2012 119 23-03-2012 09-03-2012 01-07-2012
Artikel 2.5.7a — Artikel 2.5.7a Accountantsprotocol#
Artikel 2.5.7a Accountantsprotocol Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen. 2015 284 14-07-2015 24-06-2015 34146 2015 291 14-07-2015 03-07-2015 01-08-2015
Artikel 2.5.8 — Artikel 2.5.8 Vermindering rijksbijdrage#
Artikel 2.5.8 Vermindering rijksbijdrage Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 2.5.9 — Artikel 2.5.9 Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen#
Artikel 2.5.9 Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen 1 Indien de vaststelling van de rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze Minister tot acht weken na die vaststelling correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen acht weken na de vaststelling van de rijksbegroting een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar. 2 artikel 2.5.3, vierde lid artikel 2.5.6 Indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in, of uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in, blijkt dat de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister verrekent een correctie met de rijksbijdrage voor het eerstvolgende jaar na het besluit tot correctie, of betaalt uit in dat jaar. 3 Onverminderd het eerste en tweede lid is Onze Minister bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen krachtens een andere wet. 2015 25 29-01-2015 17-12-2014 34060 2015 93 03-03-2015 17-02-2015 04-03-2015 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 2.5.9a — Artikel 2.5.9a Verslaglegging, onderzoek minister, accountantsprotocol en correctie rijksbijdrage#
Artikel 2.5.9a Verslaglegging, onderzoek minister, accountantsprotocol en correctie rijksbijdrage artikelen 2.5.3 2.5.4 2.5.6 2.5.7a 2.5.9 De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op de rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. 2015 284 14-07-2015 24-06-2015 34146 2015 291 14-07-2015 03-07-2015 01-08-2015
Artikel 2.5.10 — Artikel 2.5.10 Van overeenkomstige toepassing paragraaf 1#
Artikel 2.5.10 Van overeenkomstige toepassing paragraaf 1 Vervallen 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.6.1 — Artikel 2.6.1 Verticale scholengemeenschap#
Artikel 2.6.1 Verticale scholengemeenschap 1 Een verticale scholengemeenschap kan worden gevormd met een instelling en een school voor praktijkonderwijs, vbo of mavo. 2 artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Onder school als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan een scholengemeenschap die uitsluitend uit voorgaande schoolsoorten bestaat, alsmede een school voor mavo met een afdeling havo als bedoeld in. 3 Een verticale scholengemeenschap kan een andere schoolsoort voor voortgezet onderwijs omvatten dan bedoeld in het eerste lid, voor zover die verticale scholengemeenschap reeds bestond op 1 januari 2020. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 2.6.2 — Artikel 2.6.2 Totstandkoming verticale scholengemeenschap#
Artikel 2.6.2 Totstandkoming verticale scholengemeenschap 1 artikel 2.6.1, eerste en tweede lid Op aanvraag van het bevoegd gezag dat zowel een instelling als een school of scholengemeenschap als bedoeld in, in stand houdt, besluit Onze Minister tot de vorming, wijziging of beëindiging van een verticale scholengemeenschap volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen regels. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het percentage studenten en leerlingen van een instelling respectievelijk school of scholengemeenschap, afkomstig uit hetzelfde postcodegebied; b. de mate van verwantschap tussen het opleidingenaanbod van de instelling en een profiel dat de school voor vbo aanbiedt; c. de aanvraagprocedure omtrent de vorming van een verticale scholengemeenschap; en d. het geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing verklaren van bepalingen van deze wet op de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap. 3 Aan een besluit omtrent de vorming van een verticale scholengemeenschap kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. 4 De voordracht voor een krachtens het tweede lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.6.3 — Artikel 2.6.3 Afwijkingen en regels voor school in een vsg#
Artikel 2.6.3 Afwijkingen en regels voor school in een vsg 1 Ingeval van een verticale scholengemeenschap wordt de rijksbijdrage in de huisvestingskosten mede berekend voor de school die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. 2 Wet medezeggenschap op scholen artikelen 4a 11a 14a van die wet In afwijking van de, uitgezonderd de,en, zijn de bepalingen inzake medezeggenschap bij of krachtens deze wet en de Wet op de ondernemingsraden van toepassing op de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap. 3 artikelen 2.2.8 tot en met 2.2.10 Dezijn van overeenkomstige toepassing op een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 2.6aa — Artikel 2.6aa Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs#
Artikel 2.6aa Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs 1 artikel 8.1.1 artikel 2.99 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikelen 2.100 2.101 2.108 van die wet Het bevoegd gezag kan in afwijking van, in gevallen als geregeld inen met inachtneming van de,enook tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als student, vavo-student of extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een school voor voortgezet onderwijs. 2 artikel 5.39, zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld over de verantwoording van de bedragen die het bevoegd gezag met toepassing vanheeft ontvangen. 3 artikel 2.99 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.100, tweede lid, van die wet Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs ter uitvoering vanleerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag voor zover van toepassing op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.6b — Artikel 2.6b Examinering VSO-leerlingen#
Artikel 2.6b Examinering VSO-leerlingen artikel 8.1.1 artikel 14b van de Wet op de expertisecentra Wet op de expertisecentra Het bevoegd gezag kan in afwijking van, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van, ook tot examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in dewordt verzorgd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Bijdrage voor derden#
Artikel 2.7 Bijdrage voor derden artikel 1.2.1 artikelen 4 5 9 10 van de Wet overige OCW-subsidies Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de inbedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Bij de toepassing van dit artikel zijn de,,envan toepassing. 2017 80 09-03-2017 22-02-2017 34607 2017 166 20-04-2017 29-03-2017 01-07-2017
Artikel 2.8.1 — Artikel 2.8.1 Verplichte aansluiting bij het Waarborgfonds instellingen#
Artikel 2.8.1 Verplichte aansluiting bij het Waarborgfonds instellingen Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.8.2 — Artikel 2.8.2 Opheffing instellingen#
Artikel 2.8.2 Opheffing instellingen Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.8.3 — Artikel 2.8.3 Beheer van de middelen#
Artikel 2.8.3 Beheer van de middelen Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 3.1.1 — Artikel 3.1.1 Goed bestuur#
Artikel 3.1.1 Goed bestuur 1 Het bevoegd gezag zorgt voor een scheiding tussen de functies van bestuur en intern toezicht. 2 Een bestuurder van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, is niet tevens als bestuurder verbonden aan een ander bevoegd gezag of aan een rechtspersoon die wezenlijke invloed heeft op een ander bevoegd gezag. 3 De samenstelling, taken en bevoegdheden van het intern toezicht zijn zodanig georganiseerd dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan worden uitgeoefend. 4 Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden delegeren aan het hoofd van de instelling of een ander lid van het personeel. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 3.1.2 — Artikel 3.1.2 Het interne toezicht binnen de rechtspersoon#
Artikel 3.1.2 Het interne toezicht binnen de rechtspersoon 1 Aan het bevoegd gezag van een bijzondere instelling is een raad van toezicht verbonden. 2 De raad van toezicht houdt toezicht op het bestuur van de rechtspersoon bij de uitvoering van diens werkzaamheden en diens uitoefening van bevoegdheden en staat dit bestuur met raad ter zijde. 3 De leden van de raad van toezicht hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. Een lid van een raad van toezicht heeft geen directe belangen bij de rechtspersoon die de instelling in stand houdt of de instelling zelf. 4 De raad van toezicht is in elk geval belast met: a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de bestuurders van de rechtspersoon die het bevoegd gezag vormt; b. artikel 8.6.1 het goedkeuren van het bestuursreglement, de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag, en indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan voor de instelling en een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in; c. artikel 2.5.4, eerste lid het toezien op de naleving van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in, door het bevoegd gezag; d. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen door het bevoegd gezag ten behoeve van de instelling; e. artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het aanwijzen van een accountant als bedoeld indie verslag uitbrengt aan de raad; en f. het jaarlijks verantwoording afleggen over de uitvoering van zijn taken en uitoefening van zijn bevoegdheden in het bestuursverslag. 5 Het bevoegd gezag voorziet de raad van toezicht van onafhankelijke administratieve ondersteuning. 6 In afwijking van het eerste lid kan een functionele scheiding tussen bestuur en toezicht worden aangebracht binnen het bestuur van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing. Het bestuursverslag vermeldt de redenen voor de afwijking. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 3.1.3 — Artikel 3.1.3 Bestuursreglement#
Artikel 3.1.3 Bestuursreglement 1 Het bevoegd gezag regelt de interne bevoegdheidsverdeling en kan daartoe naast de statuten een bestuursreglement vaststellen. In de statuten of het bestuursreglement worden ten minste vastgelegd: a. de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het bestuur van de rechtspersoon en de raad van toezicht en de wijze waarop conflicten tussen beide kunnen worden opgelost; b. de wijze waarop het bevoegd gezag zijn taken en bevoegdheden uitoefent, en c. indien de instelling een of meer organisatorische eenheden omvat: 1°. de organisatorische eenheden die de instelling omvat; 2° de taken en bevoegdheden die zijn op- of overgedragen aan het hoofd van de desbetreffende eenheid; 3° de verhouding van het hoofd van de desbetreffende eenheid tot degene die is belast met de dagelijkse leiding van de instelling; en 4°. de samenstelling, en de werkwijze van het hoofd van de desbetreffende eenheid. 2 Het bestuursreglement wordt openbaar gemaakt. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 3.1.4 — Artikel 3.1.4 Rol medezeggenschap bij bestuur en toezicht#
Artikel 3.1.4 Rol medezeggenschap bij bestuur en toezicht 1 Een bestuurder en een lid van de raad van toezicht worden benoemd op basis van vooraf openbaar gemaakte profielschetsen. 2 De ondernemingsraad en de studentenraad worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van een profielschets. 3 De raad van toezicht stelt de medezeggenschapsraden binnen de instelling in de gelegenheid twee leden voor te dragen voor een sollicitatiecommissie voor het benoemen van een bestuurder: a. een lid van of namens de ondernemingsraad; en b. een lid van of namens de studentenraad of ouderraad. 4 Wet op de ondernemingsraden De raad van toezicht hoort de ondernemingsraad en de studentenraad vertrouwelijk over een voorgenomen beslissing tot benoeming of ontslag van een bestuurder of over de bestuurder in de zin van de. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. 5 Wet op de ondernemingsraden De studentenraad heeft de bevoegdheid advies uit brengen over een voorgenomen beslissing tot benoeming of ontslag van een bestuurder of over de bestuurder in de zin van de. 6 De ondernemingsraad wordt in de gelegenheid gesteld een bindende voordracht te doen voor een lid van de raad van toezicht. 7 De raad van toezicht stelt de studentenraad en de ondernemingsraad van de instelling ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid overleg met hem te voeren. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 3.1.5 — Artikel 3.1.5 Aanwijzing#
Artikel 3.1.5 Aanwijzing 1 Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer. 2 Onder wanbeheer wordt verstaan: a. financieel wanbeleid; b. artikelen 1.3.6 1.3.6a het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met deen, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan; c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde; d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde; e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder. 3 Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt 4 De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 5 artikel 11 artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inofverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 3.1.6 — Artikel 3.1.6 Spoedaanwijzing#
Artikel 3.1.6 Spoedaanwijzing 1 Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien: a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 3.1.5, tweede lid uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in, volgt; en c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed. 2 Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 3 De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 4 De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 11 artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inofverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid. 6 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 4.1.1 — Artikel 4.1.1 Formatie#
Artikel 4.1.1 Formatie Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van het personeel van de instelling. Zoveel mogelijk tegelijk met die vaststelling bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de instelling. 1996 397 23-07-1996 03-07-1996 23946 1996 405 30-07-1996 18-07-1996 01-08-1996
Artikel 4.1.1a — Artikel 4.1.1a Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities#
Artikel 4.1.1a Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na. 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 4.1.2 — Artikel 4.1.2 Rechtspositie van het personeel#
Artikel 4.1.2 Rechtspositie van het personeel 1 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld. 2 Over de door het bevoegd gezag ingevolge het eerste lid te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers. 3 artikel 79, eerste lid, van de Werkloosheidswet In geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van een instelling, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen er gezamenlijk in dat aan de aanspraken, bedoeld in, van het personeel en gewezen personeel, wordt voldaan, evenals aan de aanspraken die in het overleg, bedoeld in het tweede lid, zijn overeengekomen en als aanvulling gelden op de wettelijke aanspraken. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 4.1.3 — Artikel 4.1.3 Professioneel statuut#
Artikel 4.1.3 Professioneel statuut Met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel, wordt door of namens de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel een professioneel statuut vastgesteld. 2010 8 12-01-2010 17-12-2009 31266 2010 34 09-02-2010 25-01-2010 01-03-2010
Artikel 4.1.4 — Artikel 4.1.4 Personeel agrarische innovatie- en praktijkcentra#
Artikel 4.1.4 Personeel agrarische innovatie- en praktijkcentra Vervallen 2007 23 23-01-2007 06-12-2006 30541 2007 72 22-02-2007 01-02-2007 01-08-2007
Artikel 4.1.5 — Artikel 4.1.5 Beroepsmogelijkheid personeel bijzondere instellingen#
Artikel 4.1.5 Beroepsmogelijkheid personeel bijzondere instellingen Vervallen 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015 Artikel XXIf, eerste lid, van Stb. 2014/216 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.1.6 — Artikel 4.1.6 Commissie van beroep#
Artikel 4.1.6 Commissie van beroep Vervallen 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015 Artikel XXIf, eerste lid, van Stb. 2014/216 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.1.7 — Artikel 4.1.7 Inlichtingen#
Artikel 4.1.7 Inlichtingen Vervallen 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015 Artikel XXIf, eerste lid, van Stb. 2014/216 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.1a.1 — Artikel 4.1a.1 Het beroep van docent#
Artikel 4.1a.1 Het beroep van docent 1 Onder het beroep van docent wordt verstaan het binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de instelling, verantwoordelijkheid dragen voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de instelling. 2 Docenten komt een zelfstandige verantwoordelijkheid toe als het gaat om het beoordelen van de onderwijsprestaties van studenten en vavo-studenten. 3 Docenten beschikken over voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap, waaronder wordt verstaan de zeggenschap over: a. de inhoud van de lesstof; b. de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden en de middelen die daarbij worden gebruikt; c. de te hanteren pedagogisch-didactische aanpak op de school en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven, waaronder de begeleiding van de studenten en vavo-studenten en de contacten met de ouders; d. het in samenhang met de onderdelen a, b en c, onderhouden van de bekwaamheid van de docenten als onderdeel van het team. 4 Het bevoegd gezag maakt met de docenten afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van docenten als bedoeld in het derde lid wordt georganiseerd. 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.2.1 — Artikel 4.2.1 Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten#
Artikel 4.2.1 Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten 1 Docenten worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. 2 Tot docent aan een instelling kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die: a. Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en b. artikel 4.2.3, eerste lid voldoet aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in, blijkend uit het bezit van: 1°. artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een getuigschrift als bedoeld invan een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een hogeschool verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs, 2°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 175 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd staatsexamen, voor zover overeenkomend met een getuigschrift als bedoeld onder 1°, 3°. artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een getuigschrift als bedoeld invan een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding, 4°. een getuigschrift of diploma van een opleiding die vóór 1 augustus 1991 was gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs, 5°. artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, 6°. artikel 4.2.1a een op grond vangelijkgesteld buitenlands getuigschrift of diploma, 7°. artikel 7a.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een getuigschrift bekwaamheidsonderzoek als bedoeld in, voor zover dat getuigschrift betrekking heeft op een bevoegdheid om les te geven in het voortgezet onderwijs, of c. artikel 4.2.4 in het bezit is van een door het bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring als bedoeld in, en d. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het geven van onderwijs. 3 artikel 4.2.4 artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld invindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld inplaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten studiejaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. 4 Het tweede lid is niet van toepassing voor zover een docent is belast met contractactiviteiten. 5 Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een docent voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. In dat geval verklaren het bevoegd gezag en de betrokkene in ieder geval schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. 6 Het bevoegd gezag kan afwijken van het tweede lid, onder b en c, ten aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte betrekkingsomvang te worden belast met het uitsluitend verzorgen van onderwijsonderdelen waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten hoogste een aantal van gemiddeld 6 klokuren per week op jaarbasis. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 4.2.1a — Artikel 4.2.1a Gelijkstelling buitenlandse getuigschriften#
Artikel 4.2.1a Gelijkstelling buitenlandse getuigschriften artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b artikel 4.2.3, tweede lid Onze Minister kan aan een persoon die in het bezit is van een buiten de Europese Economische Ruimte en Zwitserland behaald bewijsstuk waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond voor het docentschap, bedoeld in, of voor het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden, bedoeld in, de bevoegdheid tot het geven van beroepsonderwijs onderscheidenlijk het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 4.2.2 — Artikel 4.2.2 Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden#
Artikel 4.2.2 Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden 1 artikel 4.2.3, tweede lid Onderwijsondersteunende werkzaamheden waarvoor op grond van, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, mogen slechts worden verricht door degene die: a. Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en b. artikel 4.2.3, tweede lid in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in, bedoelde bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of c. artikel 4.2.3, tweede lid artikel 4.2.1a artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten werkzaamheden, al dan niet bedoeld in, verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, dan wel de bevoegdheidsverlening als bedoeld in, of d. volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten. 3 artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 7.2.2 artikel 4.2.3, tweede lid Ten aanzien van ho-studenten aan een opleiding als bedoeld inen studenten aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld indie in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met d. 4 Het bevoegd gezag kan voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met d. Het bevoegd gezag kan deze periode met ten hoogste de helft verlengen indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 4.2.3 — Artikel 4.2.3 Bekwaamheidseisen#
Artikel 4.2.3 Bekwaamheidseisen 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor de uitoefening van het docentschap. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces. 3 De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van: a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en b. vakbekwaamheid. 4 De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. 5 Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de in het eerste en tweede lid bedoelde bekwaamheidseisen. Onze Minister stelt deze organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen, van ouders en van studenten en vavo-studenten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.2.3a — Artikel 4.2.3a Bekwaamheidsdossier#
Artikel 4.2.3a Bekwaamheidsdossier Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens. 2004 344 20-07-2004 30-06-2004 28088 2005 672 22-12-2005 05-12-2005 01-08-2006
Artikel 4.2.3b — Artikel 4.2.3b Overgangsrecht geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden daarvoor#
Artikel 4.2.3b Overgangsrecht geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden daarvoor 1 Degene die op 31 juli 2017 voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een instelling is benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, alsmede degene die eerder al voor het geven van dat onderwijs benoemd is geweest of tewerkgesteld zonder benoeming, voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs. 2 Degene die binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf 1 augustus 2017 voor de eerste keer wordt benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een instelling, dient binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf het tijdstip van die eerste benoeming of die eerste tewerkstelling zonder benoeming, te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs om belast te kunnen blijven worden met de desbetreffende werkzaamheden. Bij algemene maatregel van bestuur kan deze periode worden verlengd met een daarbij te bepalen periode indien verlenging noodzakelijk is voor een goede invoering van die bekwaamheidseisen. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die: a. onderwijsondersteunende werkzaamheden ten behoeve van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een instelling verricht, vanaf het moment dat voor die werkzaamheden bekwaamheidseisen zijn vastgesteld; of b. is aangewezen, eerder was aangewezen onderscheidenlijk voor de eerste keer wordt aangewezen voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare instellingen. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 4.2.3c — Artikel 4.2.3c Invoering onderhoudsplicht bekwaamheid#
Artikel 4.2.3c Invoering onderhoudsplicht bekwaamheid Artikel 1.3.6, eerste lid , wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, vindt voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 4.2.4 — Artikel 4.2.4 Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent#
Artikel 4.2.4 Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent 1 artikel 4.2.1, tweede lid, onder b Aan degene die niet in het bezit is van een in, genoemd getuigschrift of diploma respectievelijk genoemde erkenning van beroepskwalificaties wordt door het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen een geschiktheidsverklaring afgegeven, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. vakinhoudelijk bekwaam is en geschikt is voor het beroep van docent, en b. artikel 4.2.3, derde lid artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voldoet aan de in, onder a genoemde eisen, blijkend uit het bezit van een getuigschrift als bedoeld in, of c. artikel 4.2.3, derde lid, onder a in staat is verantwoord les te geven en binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot docent te voldoen aan de in, genoemde eisen. 2 Het bevoegd gezag geeft de in het eerste lid bedoelde verklaring slechts af, indien: a. artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b 1° tot en met 4° betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, niet zijnde een getuigschrift als bedoeld in, b. artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties betrokkene in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, c. betrokkene in het bezit is van een buitenlands getuigschrift of diploma dat gelijkwaardig is aan een onder a bedoeld getuigschrift of een onder b bedoelde erkenning van beroepskwalificaties, of d. betrokkene ten minste drie jaren ervaring heeft in de praktijk van het beroep waarop het desbetreffende onderwijs is gericht en naar het oordeel van het bevoegd gezag door een combinatie van opleiding en ervaring geacht wordt te beschikken over een kwalificatieniveau dat vergelijkbaar is met het onder a tot en met c bedoelde kwalificatieniveau, en e. de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het bevoegd gezag van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden aan de instelling. 3 artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 4.2.3, derde lid onder a Indien betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in, stelt het bevoegd gezag vast, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk zijn om binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te kunnen voldoen aan de in, genoemde bekwaamheidseisen ten aanzien van pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 4.2.5 — Artikel 4.2.5 Uitvoering pedagogisch-didactische scholing#
Artikel 4.2.5 Uitvoering pedagogisch-didactische scholing De op grond van artikel 4.2.4, derde lid, noodzakelijk geoordeelde scholing wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die een lerarenopleiding verzorgt. Het bevoegd gezag stelt in overeenstemming met het bestuur van die instelling het voor betrokkene noodzakelijke scholingstraject vast. 2004 344 20-07-2004 30-06-2004 28088 2005 672 22-12-2005 05-12-2005 01-08-2006
Artikel 4.2a.1 — Artikel 4.2a.1 Vereiste benoembaarheid overig personeel#
Artikel 4.2a.1 Vereiste benoembaarheid overig personeel artikelen 4.2.1 4.2.2 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Tot lid van het personeel, anders dan bedoeld in deen, kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden. 2004 344 20-07-2004 30-06-2004 28088 2005 697 29-12-2005 17-11-2005 30239 2005 672 22-12-2005 05-12-2005 01-08-2006
Artikel 4.3.1 — Artikel 4.3.1 Formatie#
Artikel 4.3.1 Formatie Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Zoveel mogelijk tegelijk met deze vaststelling bepaalt het bestuur functies en taken van het personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.3.2 — Artikel 4.3.2 Rechtspositie personeel Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven#
Artikel 4.3.2 Rechtspositie personeel Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven Artikel 4.1.2 , met uitzondering van het derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van het personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, met dien verstande dat het gaat om de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en het bestuur daarvan in plaats van om instellingen en de bevoegde gezagsorganen daarvan. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 4.4.1 — Artikel 4.4.1 Lerarenregister#
Artikel 4.4.1 Lerarenregister Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.2 — Artikel 4.4.2#
Artikel 4.4.2 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86. 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.3 — Artikel 4.4.3 Verwerkingsverantwoordelijke#
Artikel 4.4.3 Verwerkingsverantwoordelijke Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.4 — Artikel 4.4.4 Functionaris voor de gegevensbescherming#
Artikel 4.4.4 Functionaris voor de gegevensbescherming Vervallen 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 4.4.5 — Artikel 4.4.5 Autorisatie#
Artikel 4.4.5 Autorisatie Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.6 — Artikel 4.4.6 Gegevens in het lerarenregister#
Artikel 4.4.6 Gegevens in het lerarenregister Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.7 — Artikel 4.4.7 Levering gegevens door bevoegd gezag en leraar#
Artikel 4.4.7 Levering gegevens door bevoegd gezag en leraar Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.8 — Artikel 4.4.8 Gegevens uit de basisregistratie personen#
Artikel 4.4.8 Gegevens uit de basisregistratie personen Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.9 — Artikel 4.4.9 Opneming in het lerarenregister#
Artikel 4.4.9 Opneming in het lerarenregister Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.10 — Artikel 4.4.10 Correctie op verzoek#
Artikel 4.4.10 Correctie op verzoek Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.11 — Artikel 4.4.11#
Artikel 4.4.11 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86. 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.12 — Artikel 4.4.12#
Artikel 4.4.12 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86. 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.13 — Artikel 4.4.13 Verwijderen gegevens lerarenregister#
Artikel 4.4.13 Verwijderen gegevens lerarenregister Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.14 — Artikel 4.4.14 Het verstrekken van gegevens#
Artikel 4.4.14 Het verstrekken van gegevens Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.15 — Artikel 4.4.15 Registervoorportaal#
Artikel 4.4.15 Registervoorportaal Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.16 — Artikel 4.4.16 Gegevens per docent#
Artikel 4.4.16 Gegevens per docent Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.17 — Artikel 4.4.17 Gegevenslevering registervoorportaal#
Artikel 4.4.17 Gegevenslevering registervoorportaal Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.18 — Artikel 4.4.18 Duur van de vermelding, overdracht, verwijderen en bewaren van gegevens#
Artikel 4.4.18 Duur van de vermelding, overdracht, verwijderen en bewaren van gegevens Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.19 — Artikel 4.4.19 Het verstrekken van gegevens#
Artikel 4.4.19 Het verstrekken van gegevens Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.20 — Artikel 4.4.20#
Artikel 4.4.20 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86. 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 4.4.21 — Artikel 4.4.21 Schakelbepaling#
Artikel 4.4.21 Schakelbepaling Vervallen 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 2022 86 25-02-2022 08-02-2022 35145 01-08-2022
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Toezicht#
Artikel 5.1 Toezicht Vervallen 2002 387 23-07-2002 20-06-2002 27783 2002 432 20-08-2002 23-07-2002 01-09-2002
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Uitoefening toezicht#
Artikel 5.2 Uitoefening toezicht Vervallen 2002 387 23-07-2002 20-06-2002 27783 2002 432 20-08-2002 23-07-2002 01-09-2002
Artikel 5.2a — Artikel 5.2a Vertrouwensinspecteurs#
Artikel 5.2a Vertrouwensinspecteurs Vervallen 2002 387 23-07-2002 20-06-2002 27783 2002 432 20-08-2002 23-07-2002 01-09-2002
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Commissies van deskundigen#
Artikel 5.3 Commissies van deskundigen Vervallen 2002 387 23-07-2002 20-06-2002 27783 2002 432 20-08-2002 23-07-2002 01-09-2002
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Toegang en inlichtingen#
Artikel 5.4 Toegang en inlichtingen Vervallen 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 6.1.1 — Artikel 6.1.1 Onderwijsaanbod instellingen#
Artikel 6.1.1 Onderwijsaanbod instellingen 1 artikel 2.1.1 Het bevoegd gezag bepaalt welke beroepsopleidingen de instelling verzorgt. Ten aanzien van die opleidingen geldt de aanspraak op bekostiging uitsluitend indien de opleidingen krachtensvoor bekostiging in aanmerking komen. 2 artikel 1.3.1, derde lid, onderdeel a artikel 1.1.1 Onze Minister kan bepalen dat de aanspraak op bekostiging en het recht op diplomering, bedoeld in, onderscheidenlijk vierde lid, ten aanzien van een beroepsopleiding die dreigt te verdwijnen, voor een periode van 5 jaren slechts toekomen aan één instelling als bedoeld inindien hij van oordeel is dat het een unieke, kleinschalige beroepsopleiding betreft die van belang blijft voor de arbeidsmarkt. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 6.1.2 — Artikel 6.1.2 Melding voornemen starten of beëindigen beroepsopleidingen#
Artikel 6.1.2 Melding voornemen starten of beëindigen beroepsopleidingen 1 Het bevoegd gezag van een instelling meldt aan Onze Minister het voornemen tot het starten of beëindigen van een beroepsopleiding voorafgaand aan het studiejaar waarin wordt beoogd de beroepsopleiding te starten of te beëindigen. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gesteld omtrent: a. het uiterste tijdstip van melding, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen het starten en beëindigen van een opleiding in de beroepsopleidende en in de beroepsbegeleidende leerweg; b. de vorm en nadere inhoud van de melding. 3 Onze Minister maakt de melding openbaar. 2018 50 28-02-2018 14-02-2018 34691 2018 160 12-06-2018 26-04-2018 01-08-2018
Artikel 6.1.2a — Artikel 6.1.2a Zorgplicht keuzedelen#
Artikel 6.1.2a Zorgplicht keuzedelen 1 Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling voldoende keuzedelen verzorgt waar studenten uit kunnen kiezen in het kader van hun beroepsopleiding. 2 artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met d artikel 2.5.4 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag kan één of meer onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in, aanbieden die niet behoren tot de kwalificaties of de keuzedelen, mits deze onderdelen betrekking hebben op persoonlijke, culturele of levensbeschouwelijke vorming, aantoonbaar van voldoende kwaliteit zijn en niet samenvallen met onderdelen van de desbetreffende kwalificatie. Bij toepassing van de eerste volzin legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in, dan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 6.1.3 — Artikel 6.1.3 Zorgplicht arbeidsmarktperspectief, belang beroepsopleidingen en doelmatigheid#
Artikel 6.1.3 Zorgplicht arbeidsmarktperspectief, belang beroepsopleidingen en doelmatigheid 1 Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de studenten. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding. 2 artikel 7.2.4 Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag van een beroepscollege een beroepsopleiding aanbieden als de soort instelling in de regeling, bedoeld in, is vermeld bij de kwalificatie waarop de opleiding is gericht of als de opleiding aantoonbaar gericht is op en van belang is voor de specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor de instelling opleidingen verzorgt. 3 Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als de verzorging van die opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het beroepsonderwijs, doelmatig is. 4 artikel 2.5.4 Het bevoegd gezag legt over wijzigingen van het opleidingenaanbod van een instelling met betrekking tot het arbeidsmarktperspectief en de doelmatige verzorging van een opleiding verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 6.1.3a — Artikel 6.1.3a Informatie beroepsopleidingen aan aspirant-studenten#
Artikel 6.1.3a Informatie beroepsopleidingen aan aspirant-studenten 1 Het bevoegd gezag verstrekt zodanige informatie aan aspirant-studenten van beroepsopleidingen over: dat de aspirant-studenten in staat zijn de opleidingsmogelijkheden te vergelijken en een passende opleiding te kiezen, alsmede zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en de inrichting van het te volgen onderwijs en de examens en zich goed voor te bereiden op de gestelde eisen. a. de instelling, b. het aanbod van beroepsopleidingen, c. het arbeidsmarktperspectief na beëindiging van de desbetreffende beroepsopleiding, d. de inhoud en de inrichting van het te volgen onderwijs, e. de examinering, f. de vooropleidingseisen voor de verschillende beroepsopleidingen, en g. de kwaliteit van de verschillende beroepsopleidingen waaronder het oordeel van de inspectie ter zake, 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere specificaties worden gegeven over de vorm en inhoud van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 6.1.4 — Artikel 6.1.4 Ontneming rechten ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod#
Artikel 6.1.4 Ontneming rechten ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod 1 artikel 1.3.1 Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg die de instelling verzorgt, de rechten, genoemd in, gedurende twee jaar worden ontnomen indien: a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden zeer zwak is geweest, b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, het onderwijs of de examens, of c. artikel 6.1.3 niet of niet meer wordt voldaan aan een of meer zorgplichten, bedoeld in. 2 Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs: a. artikel 1.3.1 de aanspraak op bekostiging, bedoeld in, voor zover van toepassing, vervalt, b. artikel 7.4.6 artikel 7.2.3 aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld inof certificaat als bedoeld inmeer is verbonden, en c. artikel 1.3.1 in de Registratie instellingen en opleidingen wordt geregistreerd dat de rechten, genoemd in, van de instelling met betrekking tot de opleiding zijn ontnomen en de ingangsdatum en de einddatum daarvan. 3 Bij een beschikking tot ontneming van rechten bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop die beschikking van kracht wordt zodanig, dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. 4 Onze Minister maakt de ontneming van rechten, bedoeld in dit artikel, openbaar. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.1.4a — Artikel 6.1.4a Beleidsregels en adviescommissie#
Artikel 6.1.4a Beleidsregels en adviescommissie 1 artikel 6.1.1, tweede lid 6.1.4, eerste lid, onder c Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in, en. 2 Onze Minister kan zich bij de toepassing van de beleidsregels laten adviseren door een onafhankelijke adviescommissie. 2018 50 28-02-2018 14-02-2018 34691 2018 160 12-06-2018 26-04-2018 01-08-2018
Artikel 6.1.4b — Artikel 6.1.4b Zeer zwakke opleiding#
Artikel 6.1.4b Zeer zwakke opleiding 1 De kwaliteit van een beroepsopleiding is zeer zwak indien het studiesucces van die opleiding onvoldoende is, en het bevoegd gezag onvoldoende uitvoering geeft aan: a. artikel 7.4.8 de zorgplicht inzake het onderwijsprogramma en de examinering, bedoeld in, b. artikelen 7.2.8 7.2.9 de beroepspraktijkvorming, bedoeld in deen, of c. artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel k de regels op het gebied van veiligheid, bedoeld in. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het studiesucces, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten en beoordeeld. 3 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2020 235 08-07-2020 01-07-2020 35102 2020 469 24-11-2020 12-11-2020 01-08-2022 2021 336 14-07-2021 12-07-2021 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2020/469 gesteld op 1 augustus 2021.
Artikel 6.1.5 — Artikel 6.1.5 Waarschuwing#
Artikel 6.1.5 Waarschuwing 1 artikel 6.1.4, eerste lid, onder a Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, nadat: a. de termijn, bedoeld in de aanhef, is verstreken, en b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing. 2 artikel 6.1.4, eerste lid, onder b Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. 2a artikel 6.1.4, eerste lid, onder c artikel 6.1.3 Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de naleving van een of meer zorgplichten, bedoeld in, waarbij wordt bepaald aan welke maatregelen het bevoegd gezag gevolg dient te geven. Aan de waarschuwing kan een termijn van ten minste drie maanden worden verbonden waarbinnen aan de maatregelen gevolg moet worden gegeven. 3 Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.1.5a — Artikel 6.1.5a Maatregelen#
Artikel 6.1.5a Maatregelen 1 artikel 6.1.4, eerste lid, onder a en b In de gevallen, bedoeld in, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen. 2 Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld. 3 Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen. 2002 387 23-07-2002 20-06-2002 27783 2002 432 20-08-2002 23-07-2002 01-09-2002
Artikel 6.1.5b — Artikel 6.1.5b Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing#
Artikel 6.1.5b Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing 1 artikel 7.4.4 Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in. Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in de Registratie instellingen en opleidingen bekendgemaakt. 2 Artikel 6.1.5, derde lid Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven., is van overeenkomstige toepassing. 3 Artikel 1.6.1 Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen.is van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.1.6 — Artikel 6.1.6 Onthouding rechten ten aanzien van voorgenomen onderwijs uit oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke voorschriften#
Artikel 6.1.6 Onthouding rechten ten aanzien van voorgenomen onderwijs uit oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke voorschriften Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 6.2.1 — Artikel 6.2.1 Diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen#
Artikel 6.2.1 Diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen 1 artikel 1.4.1 artikel 6.4.1, tweede lid, en derde lid, onderdelen a en b artikel 1.4.1, eerste lid De aanvraag om toepassing vangeldt mede als aanmelding voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in, verschaft het bevoegd gezag van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in. 2 artikel 1.4.1 Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing vaninwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de naam van de instelling bij de kwalificatie waarop de opleiding is gericht in de Registratie instellingen en opleidingen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.2.2 — Artikel 6.2.2 Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen#
Artikel 6.2.2 Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen 1 artikel 1.4.1 Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in, ontnemen indien a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden onvoldoende is geweest, b. artikel 1.4.1, eerste lid artikel 1.4.1, tiende lid, onderdelen a tot en met c artikel 1.4.2 artikel 12, eerste, derde en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in, aan, aan, of aan de leveringsverplichting, bedoeld in, of c. artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in strijd is gehandeld met. 2 artikel 7.4.6 artikel 7.2.3 Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld inof certificaat als bedoeld inis verbonden en dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen wordt beëindigd. 3 artikel 1.4.1, lid 1a Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in een andere leerweg als bedoeld in. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.2.2a — Artikel 6.2.2a Zeer zwakke opleiding#
Artikel 6.2.2a Zeer zwakke opleiding 1 De kwaliteit van een beroepsopleiding is zeer zwak indien het studiesucces van die opleiding onvoldoende is en het bevoegd gezag onvoldoende uitvoering geeft aan: a. artikel 7.4.8 de zorgplicht inzake het onderwijsprogramma en de examinering, bedoeld in, of b. artikelen 7.2.8 7.2.9 de beroepspraktijkvorming, bedoeld in deen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het studiesucces, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten en beoordeeld. 3 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2020 235 08-07-2020 01-07-2020 35102 2021 336 14-07-2021 12-07-2021 2022 273 01-07-2022 24-06-2022 2020 469 24-11-2020 12-11-2020 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2020/469 gesteld op 1 augustus 2021. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2021/336 gesteld op 1 augustus 2022.
Artikel 6.2.3 — Artikel 6.2.3 Waarschuwing#
Artikel 6.2.3 Waarschuwing 1 artikel 6.2.2, eerste lid, onder a Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat: a. de termijn, bedoeld in het eerste lid, is verstreken, en b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing. 2 artikel 6.2.2, eerste lid, onder b Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. 3 artikel 6.2.2, eerste lid, onder c Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. 4 Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.2.3a — Artikel 6.2.3a Maatregelen#
Artikel 6.2.3a Maatregelen artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b artikel 6.1.5a In de gevallen, bedoeld in, isvan overeenkomstige toepassing. 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 6.2.3b — Artikel 6.2.3b Ontneming recht op examinering niet uit 's Rijks kas bekostigde instellingen; waarschuwing#
Artikel 6.2.3b Ontneming recht op examinering niet uit 's Rijks kas bekostigde instellingen; waarschuwing 1 artikel 7.4.4 Onze Minister kan aan een niet uit 's Rijks kas bekostigde instelling het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in. Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in de Registratie instellingen en opleidingen bekendgemaakt. 2 Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de waarschuwing openbaar. 3 Artikel 1.6.1 Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen.is van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.2.3c — Artikel 6.2.3c Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is#
Artikel 6.2.3c Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is 1 artikelen 6.2.2 tot en met 6.2.3b artikel 1.4.1 Onverminderd dekan Onze Minister besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding aan een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld ingedurende ten hoogste zes maanden rechten kunnen worden geschorst indien: a. het bevoegd gezag wat betreft het onderwijs of de examinering tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 7.4.4 er daardoor of mede daardoor een wezenlijk vermoeden bestaat dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan om tot diplomering over te gaan of de kwaliteit van de examens in grote mate niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in; en c. de inzet van andere bevoegdheden van Onze Minister op grond van deze wet niet kan worden afgewacht. 2 Onze Minister schorst uitsluitend: a. het recht op examinering voor de betreffende beroepsopleiding, of een deel daarvan; b. artikel 7.4.6 het recht om voor die opleiding een diploma als bedoeld inte verstrekken; c. artikel 7.2.3 het recht om voor onderdelen van die opleiding een certificaat als bedoeld inte verstrekken; of d. artikel 7.4.6a het recht om voor onderdelen van die opleiding een mbo-verklaring als bedoeld inte verstrekken. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.3.1 — Artikel 6.3.1 Examinering exameninstellingen#
Artikel 6.3.1 Examinering exameninstellingen 1 artikel 1.6.1 artikel 1.6.1, tweede lid De aanvraag om toepassing vangeldt mede als aanmelding voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen. Het bevoegd gezag van een exameninstelling verschaft bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat de examinering van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in. 2 artikel 1.6.1 Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing vaninwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de exameninstelling bij de desbetreffende opleiding in de Registratie instellingen en opleidingen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.3.2 — Artikel 6.3.2 Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing#
Artikel 6.3.2 Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing artikelen 6.2.3b 6.2.3c Deenzijn van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.3.3 — Artikel 6.3.3 Maatregelen#
Artikel 6.3.3 Maatregelen 1 artikel 6.3.2, eerste lid In het geval, bedoeld in, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen. 2 Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld. 3 Onze Minister stelt regels omtrent de toekenning van en verantwoording over maatregelen, voor zover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen. 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 6.3.3a — Artikel 6.3.3a Maatregelen#
Artikel 6.3.3a Maatregelen Vervallen 2004 138 06-04-2004 11-03-2004 29205 2004 353 20-07-2004 06-07-2004 01-08-2004
Artikel 6.4.1 — Artikel 6.4.1 De Registratie instellingen en opleidingen#
Artikel 6.4.1 De Registratie instellingen en opleidingen 1 artikel 7.2.3, eerste lid De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers, kwalificaties, keuzedelen en onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan, in het beroepsonderwijs, de instellingen en de exameninstellingen. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden. 2 De Registratie instellingen en opleidingen bevat de volgende gegevens: a. artikel 7.2.3, eerste lid de naam en de code van de opleidingsdomeinen, de kwalificatiedossiers en de bijbehorende kwalificaties, de keuzedelen en de onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan, b. of in een kwalificatiedossier ten behoeve van een kwalificatie vereisten zijn opgenomen die bij of krachtens wet zijn vastgesteld voor het beroep waarop de kwalificatie is gericht en c. artikel 7.2.3, eerste lid een overzicht van de keuzedelen en onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan, d. artikel 7.2.3, eerste lid artikel 7.2.6 of ten aanzien van een keuzedeel of een onderdeel van een kwalificatie waarvoor toepassing is gegeven aan, vereisten zijn opgenomen als bedoeld in, e. artikel 6.1.1, tweede lid of voor de kwalificatie toepassing is gegeven aan, en f. Wet NLQF het NLQF-niveau dat voor de kwalificatie is vastgesteld bij of krachtens deen het daarmee corresponderende EQF-niveau. 3 De Registratie instellingen en opleidingen bevat voorts per kwalificatie de volgende gegevens, voor zover van toepassing: a. de namen van de uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen 1° die blijkens de opgave van het aantal studenten daadwerkelijk de desbetreffende beroepsopleiding verzorgen, 2° artikel 1.3.1 waaraan de rechten, genoemd in, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding zijn ontnomen en de ingangs- en einddatum daarvan, 3° waaraan het recht op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan, 4° artikel 6.1.1, tweede lid waaraan het alleenrecht, bedoeld in, is toegekend en de ingangs- en einddatum daarvan, b. de namen van de niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen 1° artikel 1.4.1, eerste lid waaraan het recht, bedoeld in, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is toegekend en die niet te kennen hebben gegeven dat zij deze beroepsopleiding niet langer zullen verzorgen, 2° artikel 1.4.1, eerste lid waaraan het recht, bedoeld in, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan, 3° waaraan het recht op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan, c. de namen van de exameninstellingen 1° die het recht hebben op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding en die niet te kennen hebben gegeven dat zij die examinering niet langer zullen verzorgen en 2° waaraan het recht is ontnomen op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding, en de ingangsdatum daarvan. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 6.4.2 — Artikel 6.4.2 De registratieprocedure voor beroepsopleidingen van uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen#
Artikel 6.4.2 De registratieprocedure voor beroepsopleidingen van uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen Vervallen 2015 390 03-11-2015 14-10-2015 34160 2016 13 12-01-2016 22-12-2015 01-08-2016 Artikel V van Staatsblad 2015/390 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6.4.3 — Artikel 6.4.3 Hernieuwde registratie van beroepsopleidingen#
Artikel 6.4.3 Hernieuwde registratie van beroepsopleidingen Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 6.4.4 — Artikel 6.4.4 Beëindiging registratie beroepsopleidingen niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen; beëindiging registratie examinering#
Artikel 6.4.4 Beëindiging registratie beroepsopleidingen niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen; beëindiging registratie examinering 1 artikel 6.2.2 artikel 6.3.2 Onverminderdbeëindigt Onze Minister de registratie bij een kwalificatie van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de instelling de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen. Onverminderdbeëindigt Onze Minister de registratie bij een kwalificatie van de examinering door een exameninstelling, indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de exameninstelling de examinering van de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen. 2 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de opleiding niet meer openstaat. 3 Onze Minister kan de registratie ambtshalve beëindigen wanneer er gedurende ten minste één jaar geen studenten meer zijn ingeschreven aan de opleiding en de inspectie uit een oogpunt van kwaliteitsbewaking hiertoe aanleiding ziet. 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de registratie van de examinering door exameninstellingen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 6.5.1 — Artikel 6.5.1 De registratieprocedure voor externe legitimering#
Artikel 6.5.1 De registratieprocedure voor externe legitimering Vervallen 2004 138 06-04-2004 11-03-2004 29205 2004 353 20-07-2004 06-07-2004 01-08-2004
Artikel 6.5.2 — Artikel 6.5.2 Hernieuwde registratie van externe legitimering#
Artikel 6.5.2 Hernieuwde registratie van externe legitimering Vervallen 2004 138 06-04-2004 11-03-2004 29205 2004 353 20-07-2004 06-07-2004 01-08-2004
Artikel 6.5.3 — Artikel 6.5.3 Beëindiging registratie van externe legitimering#
Artikel 6.5.3 Beëindiging registratie van externe legitimering Vervallen 2004 138 06-04-2004 11-03-2004 29205 2004 353 20-07-2004 06-07-2004 01-08-2004
Artikel 6a.1.1 — Artikel 6a.1.1 Elektronisch register opleidingen educatie met diploma-erkenning#
Artikel 6a.1.1 Elektronisch register opleidingen educatie met diploma-erkenning 1 artikel 1.4a.1 Onze Minister houdt een elektronisch register bij omtrent opleidingen educatie waarvoor diploma-erkenning is aangevraagd als bedoeld in. 2 Het register is openbaar en maakt onderscheid tussen opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en andere opleidingen educatie. 3 Het register vermeldt ten minste: a. artikel 1.4a.1, eerste lid de naam van de opleiding educatie en het tijdstip met ingang waarvan het diploma is erkend, en de naam en vestigingsplaats van de instelling als bedoeld in; b. artikelen 6a.1.3 6a.2.1, derde lid 6a.1.2 6a.1.4 een eventuele waarschuwing of ontneming van de diploma-erkenning als bedoeld in deof, respectievelijk,of 6a.2.1, eerste lid voor een opleiding educatie. 4 Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het register. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 6a.1.2 — Artikel 6a.1.2 artikel 1.4a.1 Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van opleidingen educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in#
Artikel 6a.1.2 artikel 1.4a.1 Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van opleidingen educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in 1 artikel 1.4a.1 Onze Minister kan ten aanzien van een opleiding educatie, verzorgd door een instelling als bedoeld in, het recht, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, ontnemen indien: a. gebleken is dat de kwaliteit van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die opleiding onvoldoende is geweest, of b. artikel 1.4a.1, eerste lid artikel 1.4a.1, zesde lid artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdelen a tot en met e niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in, of aan de voorwaarde, bedoeld in, of aan. 2 artikel 7.4.6 Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld inis verbonden. 2011 621 21-12-2011 24-11-2011 32713 2011 634 21-12-2011 13-12-2011 01-01-2012
Artikel 6a.1.3 — Artikel 6a.1.3 Waarschuwing#
Artikel 6a.1.3 Waarschuwing 1 artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan, nadat a. na de waarschuwing ten minste een jaar is verstreken, en b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing. 2 artikel 6a.1.2, eerste lid, onder b Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. 1999 419 05-10-1999 16-09-1999 26374 1999 419 05-10-1999 16-09-1999 26374 06-10-1999
Artikel 6a.1.4 — Artikel 6a.1.4 artikel 1.4a.1 Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in#
Artikel 6a.1.4 artikel 1.4a.1 Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1 artikel 1.4a.1, eerste lid Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in, langer dan twee studiejaren een opleiding educatie niet heeft verzorgd, vervalt van rechtswege het recht om voor de desbetreffende opleiding een diploma of certificaat als bedoeld in, uit te reiken. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 6a.2.1 — Artikel 6a.2.1 Ontneming recht op examinering educatie#
Artikel 6a.2.1 Ontneming recht op examinering educatie 1 artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een opleiding educatie als bedoeld inontnemen, indien a. de kwaliteit van de examens van die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest, of b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de examens. 2 Bij de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. Het besluit tot ontneming van het recht op examinering wordt openbaar gemaakt. 3 Artikel 6.1.5, derde lid Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering, onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven., is van overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 1.4a.1 Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na het besluit tot ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht op examinering opnieuw verkrijgen.is van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 1.4a.1 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in. 2011 656 28-12-2011 08-12-2011 32558 2012 92 13-03-2012 22-02-2012 01-08-2012
Artikel 7.1.1 — Artikel 7.1.1 Taal#
Artikel 7.1.1 Taal Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. Een andere taal kan worden gebezigd: a. wanneer het onderwijs met betrekking tot die taal betreft, of b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten en vavo-studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.1.2 — Artikel 7.1.2 Opleidingen#
Artikel 7.1.2 Opleidingen 1 De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om studenten die ingeschreven zijn of zullen worden voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, de naam van dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier. Het keuzedeel dat deel uitmaakt van de beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van dat keuzedeel. 2 hoofdstuk 7, titel 2 artikel 1.4.1, lid 1a Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van, onverminderd, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt. 3 artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de, of onderdelen van een dergelijk diploma. 4 Beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen. Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.1.3 — Artikel 7.1.3 Kwalificatie en keuzedeel#
Artikel 7.1.3 Kwalificatie en keuzedeel 1 Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier. 2 Het keuzedeel is onderdeel van een beroepsopleiding en is gericht op verbreding of verdieping van de kwalificatie waar deze bij behoort, dan wel gericht op doorstroom naar een vervolgopleiding. 2015 390 03-11-2015 14-10-2015 34160 2016 13 12-01-2016 22-12-2015 01-08-2016 Artikel V van Staatsblad 2015/390 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.1.4 — Artikel 7.1.4 Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke studenten#
Artikel 7.1.4 Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke studenten 1 Bij het geven van onderwijs aan een student die bij de aanvang van die opleiding leerplichtig was en die is opgenomen in een ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd gezag van een instelling die de beroepsopleiding verzorgt, worden ondersteund. 2 De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door: a. artikel 1.4, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een educatieve voorziening als bedoeld inindien de student is opgenomen in een academisch ziekenhuis of b. artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs artikel 166 van de Wet op de expertisecentra een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld inenindien de student is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de student in verband met ziekte thuis verblijft. 3 De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en de instelling waarbij de student is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de student betreffen. 4 Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke studenten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin. 2021 171 07-04-2021 25-02-2021 35605 2022 114 16-03-2022 08-03-2022 01-04-2022 Artikel XI van Stb. 2021/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.1.5 — Artikel 7.1.5 Rapportage vorderingen van studenten#
Artikel 7.1.5 Rapportage vorderingen van studenten Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, dan wel aan de studenten zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.2.1 — Artikel 7.2.1 Reikwijdte#
Artikel 7.2.1 Reikwijdte Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 7.2.2 — Artikel 7.2.2 Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen#
Artikel 7.2.2 Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen 1 De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden: a. de entreeopleiding, b. de basisberoepsopleiding, c. de vakopleiding, d. de middenkaderopleiding, en e. de specialistenopleiding. 2 De in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen worden verzorgd in de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg. 3 De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2013 305 19-07-2013 05-07-2013 01-08-2014 Abusievelijk is voor het derde lid een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 7.2.3 — Artikel 7.2.3 Certificaten#
Artikel 7.2.3 Certificaten 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties dan wel aan een keuzedeel of keuzedelen een certificaat is verbonden. 2 Artikel 7.4.6, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op certificaten. 2015 390 03-11-2015 14-10-2015 34160 2016 13 12-01-2016 22-12-2015 01-02-2016 Artikel V van Staatsblad 2015/390 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.2.4 — Artikel 7.2.4 Landelijke kwalificatiestructuur beroepsonderwijs#
Artikel 7.2.4 Landelijke kwalificatiestructuur beroepsonderwijs 1 Met het oog op het functioneren van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van het beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, draagt Onze Minister zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers, de bijbehorende kwalificaties alsmede de keuzedelen die voor de desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van belang zijn. 2 Daartoe worden op voorstel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, behoudens het achtste lid, bij ministeriële regeling vastgesteld: a. de kwalificatiedossiers, b. van elk kwalificatiedossier: 1° het opleidingsdomein waartoe het kwalificatiedossier behoort, tenzij het een kwalificatiedossier betreft dat uitsluitend is gericht op de kwalificatie voor de entree op de arbeidsmarkt, 2° de kwalificatie of kwalificaties die het kwalificatiedossier bevat, en 3° de kwalificatie of kwalificaties op grond waarvan een beroepsopleiding kan worden ingericht die voor bekostiging in aanmerking komt, c. van elke kwalificatie: 1° artikel 7.2.2, eerste lid de soort beroepsopleiding, bedoeld in, waarop de kwalificatie is gericht, 2°. artikel 7.2.2, tweede lid de leerweg of leerwegen, bedoeld in, waarin die beroepsopleiding kan worden verzorgd, 3° artikel 7.2.2, derde lid het niveau, bedoeld in, van die beroepsopleiding, 4° artikel 7.2.6, eerste lid of toepassing is gegeven aanen 5°. of een beroepscollege een op de kwalificatie gerichte beroepsopleiding mag verzorgen, d. de keuzedelen, waarbij van elk keuzedeel wordt aangegeven bij welke kwalificatie of kwalificaties het behoort. 3 De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven neemt bij het voorstel voor een kwalificatiedossier het bepaalde in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid in acht. Uit het voorstel blijkt dat voldoende acht is geslagen op de aansluiting tussen de opleidingen voorbereidend beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen hoger beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere instanties nauw bij het voorstel voor het kwalificatiedossier zijn betrokken, maakt de Samenwerkingsorganisatie in haar voorstel melding van de wijze waarop het oordeel van die instanties is betrokken in het voorstel. 4 artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen artikel 7.2.2, eerste lid, onder a tot en met e Bij de vaststelling van een kwalificatiedossier worden de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen in acht genomen die op grond vanzijn vastgesteld voor de soorten opleiding als bedoeld in. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de inhoud van een kwalificatiedossier. 6 Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de termijnen bij de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van kwalificatiedossiers, keuzedelen en de koppeling van keuzedelen aan kwalificaties. Tevens worden bij ministeriële regeling een model voor een kwalificatiedossier, een model voor een keuzedeel en een toetsingskader voor de kwalificatiestructuur vastgesteld. 7 Studenten worden behoudens de tweede volzin opgeleid overeenkomstig het kwalificatiedossier dat voor de desbetreffende beroepsopleiding is vastgesteld voor de aanvang van het studiejaar waarin zij met het eerste jaar van die opleiding starten. Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier, een keuzedeel, keuzedelen en de koppeling van keuzedelen aan kwalificaties is verstreken, kan een diploma op basis van dat kwalificatiedossier nog worden uitgereikt dan wel het behalen van een keuzedeel op het diploma worden vermeld, gedurende een periode die overeenkomt met de studieduur van de desbetreffende beroepsopleiding, vermeerderd met 2 jaren. 8 Onze Minister kan in bijzondere gevallen een kwalificatiedossier vaststellen zonder voorstel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Onze Minister gaat hiertoe niet over dan nadat de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn een voorstel voor een kwalificatiedossier te doen dat aansluit bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en is afgestemd met het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.2.4a — Artikel 7.2.4a Studieduur opleidingen#
Artikel 7.2.4a Studieduur opleidingen 1 Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de bij of krachtens het tweede en derde lid gestelde regels. 2 De studieduur van de opleiding wordt uitgedrukt in volledige studiejaren of gedeelten daarvan. Eén volledig studiejaar heeft een studielast van ten minste 1600 klokuren. 3 De studieduur bedraagt: a. één volledig studiejaar voor de entreeopleiding; b. ten minste één en ten hoogste twee volledige studiejaren voor de basisberoepsopleiding; c. ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren voor de vakopleiding; d. drie volledige studiejaren voor de middenkaderopleiding; e. één volledig studiejaar voor de specialistenopleiding. 4 Indien dit in verband met de aard van de opleiding noodzakelijk is, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat voor de middenkaderopleiding een langere studieduur kan worden vastgesteld. Onze Minister geeft daarbij de betreffende opleiding aan en het aantal volledige studiejaren of gedeelten daarvan die de studieduur van die opleiding ten hoogste mag bedragen. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2013 305 19-07-2013 05-07-2013 01-08-2014
Artikel 7.2.5 — Artikel 7.2.5 Advisering over kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers#
Artikel 7.2.5 Advisering over kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers Vervallen 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.2.5a — Artikel 7.2.5a Vaststelling opleidingsdomeinen#
Artikel 7.2.5a Vaststelling opleidingsdomeinen Bij ministeriële regeling worden op voorstel van de instellingen in overleg met de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven de opleidingsdomeinen vastgesteld. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.2.6 — Artikel 7.2.6 Beroepsvereisten#
Artikel 7.2.6 Beroepsvereisten 1 Indien voor een beroep bij of krachtens een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vereisten zijn vastgesteld over de kwaliteiten onder meer op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover degenen die een opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten beschikken, of over de examinering bij de desbetreffende beroepsopleiding: a. artikel 7.2.4, tweede en derde lid draagt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven ervoor zorg dat deze vereisten verwerkt zijn bij het doen van het voorstel, bedoeld in, b. artikel 7.2.4, tweede en derde lid voegt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven een verklaring van Onze Minister die het aangaat dat deze vereisten correct zijn verwerkt in het voorstel, bedoeld in, en c. artikel 7.4.4 neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaarden, bedoeld in. 2 titel 4 van dit hoofdstuk De instelling draagt er bij het aanbieden van een beroepsopleiding zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan de in het eerste lid bedoelde vereisten te voldoen en dat bij de examinering, zo nodig in afwijking van, aan die vereisten wordt voldaan. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.2.7 — Artikel 7.2.7 Inrichting beroepsopleidingen#
Artikel 7.2.7 Inrichting beroepsopleidingen 1 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat. 2 Beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg en in de beroepsbegeleidende leerweg zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar een studielast van ten minste 1600 klokuren. 3 Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat: artikel 2.5.4 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de onder a tot en met d genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld indan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. a. voor de entreeopleiding ten minste 1000 klokuren omvat waarvan ten minste 600 begeleide onderwijsuren; b. voor een eenjarige basisberoepsopleiding en voor de specialistenopleiding ten minste 1000 klokuren omvat, waarvan ten minste 700 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren beroepspraktijkvorming; c. voor een tweejarige basisberoepsopleiding en voor een tweejarige vakopleiding ten minste 2000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1250 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd; d. voor een driejarige vakopleiding en de middenkaderopleiding ten minste 3000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1800 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd. 4 artikel 2.5.4 artikel 1.4.1, eerste lid Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren beroepspraktijkvorming. Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld indan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 5 Het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming. 6 artikelen 4.2.1 4.2.2 De begeleide onderwijsuren, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in deen, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming. 7 Indien in het laatste studiejaar van de basisberoepsopleiding of de vakopleiding de studieduur van de opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden minder is dan 10 maanden, worden het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming, genoemd in het derde lid, onder b, c en d en het vierde lid, in dat studiejaar evenredig verlaagd. De laatste twee volzinnen van het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 8 artikel 7.2.4a, vierde lid Voor opleidingen waarvan op grond van, een studieduur is vastgesteld van meer dan drie volledige studiejaren wordt het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, naar evenredigheid verhoogd met begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. De laatste twee volzinnen van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 9 artikel 6.1.2a, tweede lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het aanbod van keuzedelen aan studenten alsmede de omvang van het keuzedeel of de keuzedelen die onderdeel uitmaken van de beroepsopleiding en de omvang van de onderdelen, bedoeld in. 10 artikel 7.2.4, zesde lid, eerste volzin artikel 2.5.4 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag kan op verzoek van de student bij het aanbod van keuzedelen bij een opleiding afwijken van de koppeling van keuzedelen aan de kwalificatie van de opleiding zoals opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in. De keuzedelen die bij een opleiding worden aangeboden, vallen niet samen met een of meer onderdelen van de kwalificatie van de opleiding. Het bevoegd gezag legt verantwoording af over de toepassing van de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid in het bestuursverslag, bedoeld in, dan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.2.8 — Artikel 7.2.8 De beroepspraktijkvorming#
Artikel 7.2.8 De beroepspraktijkvorming 1 Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de student is ingeschreven voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier of tijdens het onderwijsprogramma op basis van een of meer keuzedelen. 2 artikel 7.2.9 De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de ingenoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over: a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het totale aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren, b. de begeleiding van de student, c. het deel van de kwalificatie dan wel het keuzedeel, de keuzedelen of het deel daarvan dat de beroepspraktijkvorming omvat alsmede de wijze van beoordeling van de beroepspraktijkvorming, en d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden. 3 Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels. 4 artikel 1.5.3 De beroepspraktijkvorming vindt plaats bij een bedrijf of organisatie met een erkenning op grond van. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 7.2.9 — Artikel 7.2.9 Beschikbaarheid praktijkplaats en totstandkoming praktijkovereenkomst#
Artikel 7.2.9 Beschikbaarheid praktijkplaats en totstandkoming praktijkovereenkomst 1 artikel 7.2.8 Het bevoegd gezag van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de inbedoelde overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de student en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt. 2 artikel 7.2.8 artikel 1.5.3 Indien het bevoegd gezag en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten van de inbedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 7.2.10 — Artikel 7.2.10 Beoordeling kwaliteit en erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming#
Artikel 7.2.10 Beoordeling kwaliteit en erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 7.2.11 — Artikel 7.2.11 Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen#
Artikel 7.2.11 Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen Vervallen 2018 127 24-05-2018 24-04-2018 34598 2018 126 24-05-2018 24-04-2018 01-08-2018
Artikel 7.3.1 — Artikel 7.3.1 Onderscheid opleidingen educatie#
Artikel 7.3.1 Onderscheid opleidingen educatie 1 De volgende opleidingen educatie worden onderscheiden: a. artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gericht op het behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld in de, b. opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs, c. de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, d. de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een basisniveau Nederlandse taal, e. de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering, en f. bij ministeriële regeling aan te wijzen andere opleidingen. 2 De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn afgestemd op het maatschappelijk functioneren van de deelnemers. 3 Bij de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, kunnen verschillende niveaus worden onderscheiden. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.3.2 — Artikel 7.3.2 Nadere omschrijving opleidingssoorten#
Artikel 7.3.2 Nadere omschrijving opleidingssoorten 1 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c De opleiding Nederlands als tweede taal I is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van opleidingen of de uitoefening van functies op het niveau van een vakopleiding als bedoeld in, door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die ten minste het niveau van het primair onderwijs hebben bereikt. 2 De opleiding Nederlands als tweede taal II is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van opleidingen in het hoger onderwijs en de uitoefening van hogere functies door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die wat betreft vooropleiding of werkervaring functioneren op ten minste het niveau van het middenkader. 2006 128 07-03-2006 16-02-2006 30170 2006 128 07-03-2006 16-02-2006 30170 08-03-2006
Artikel 7.3.3 — Artikel 7.3.3 Eindtermen opleidingen educatie#
Artikel 7.3.3 Eindtermen opleidingen educatie 1 artikel 7.3.1, eerste lid, onder c Bij ministeriële regeling worden eindtermen vastgesteld voor de opleidingen, bedoeld in, en kunnen eindtermen worden vastgesteld voor de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, d, e en f. 2 artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, d, e en f Het bevoegd gezag stelt eindtermen vast voor de opleidingen, bedoeld in, indien daarvoor geen eindtermen zijn vastgesteld bij ministeriële regeling. 2012 450 09-10-2012 13-09-2012 33146 2012 450 09-10-2012 13-09-2012 33146 01-01-2013
Artikel 7.3.4 — Artikel 7.3.4 Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 7.3.4 Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diploma’s noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur. 3 Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. 2017 80 09-03-2017 22-02-2017 34607 2017 166 20-04-2017 29-03-2017 01-07-2017
Artikel 7.4.1 — Artikel 7.4.1 Reikwijdte#
Artikel 7.4.1 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal I en II. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.4.2 — Artikel 7.4.2 Algemene bepaling inzake examens#
Artikel 7.4.2 Algemene bepaling inzake examens 1 Het bevoegd gezag van een instelling geeft de studenten en deelnemers de gelegenheid een examen af te leggen. 2 Het examen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht, de vaardigheden en, in voorkomende gevallen, de beroepshoudingen die de examinandus zich bij voltooiing van de opleiding moet hebben eigen gemaakt, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek aan de hand van de eindtermen of aan de hand van de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier en de eisen van het keuzedeel of de keuzedelen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.4.3 — Artikel 7.4.3 Voorschriften examens opleidingen educatie#
Artikel 7.4.3 Voorschriften examens opleidingen educatie 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens van opleidingen educatie. 2 artikelen 7.4.3a, tweede lid 7.4.4 In geval van toepassing van het eerste lid zijn de, waarbij voor centraal examen staatsexamen kan worden gelezen, envan overeenkomstige toepassing op die opleiding educatie. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 7.4.3a — Artikel 7.4.3a Voorschriften examens beroepsopleidingen#
Artikel 7.4.3a Voorschriften examens beroepsopleidingen 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de examens van beroepsopleidingen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onderdelen van een beroepsopleiding worden aangewezen waarbij geheel of gedeeltelijk centrale examinering plaatsvindt. Voor onderdelen waarbij gedeeltelijk centrale examinering plaatsvindt, wordt bij ministeriële regeling bepaald over welk gedeelte het centraal examen zich uitstrekt. 2010 194 28-05-2010 29-04-2010 32290 2010 295 22-07-2010 02-07-2010 01-08-2010
Artikel 7.4.4 — Artikel 7.4.4 Kwaliteitsstandaarden#
Artikel 7.4.4 Kwaliteitsstandaarden Bij ministeriële regeling worden landelijke standaarden voor de kwaliteit van de examens van de beroepsopleidingen vastgesteld die betrekking hebben op: a. artikel 7.2.4 de inhoud en het niveau van de examens, in relatie tot de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier alsmede de eisen van de keuzedelen, bedoeld in; b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afgenomen. 2015 390 03-11-2015 14-10-2015 34160 2016 13 12-01-2016 22-12-2015 01-08-2016 Artikel V van Staatsblad 2015/390 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.4.4a — Artikel 7.4.4a Examinering door andere instellingen of exameninstellingen#
Artikel 7.4.4a Examinering door andere instellingen of exameninstellingen 1 artikel 1.1.1 1.4.1 Het bevoegd gezag kan de gehele examinering van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling als bedoeld inofof aan een exameninstelling, voor zover deze het recht op examinering van die beroepsopleiding hebben. 2 artikel 6.1.5b, eerste lid 6.2.3b, eerste lid 6.2.3c, eerste lid 6.3.2, eerste lid Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan,,, dan wel, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid. Voor zover er bij toepassing van artikel 6.2.3c, eerste lid, sprake is van een schorsing van een deel van het recht op examinering, bedoeld in artikel 6.2.3c, tweede lid, onder a, of een schorsing als bedoeld in artikel 6.2.3c, tweede lid, onder b, c of d, is het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid slechts gehouden dit deel over te dragen. 3 artikel 8.4.2 Het bevoegd gezag kan de examinering van extraneï die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld ineen entreeopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 7.4.5 — Artikel 7.4.5 Instelling, benoeming en samenstelling examencommissie#
Artikel 7.4.5 Instelling, benoeming en samenstelling examencommissie 1 Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, ten behoeve van de examinering een examencommissie in voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen. 2 artikel 7.4.5a Het bevoegd gezag kan de taken en bevoegdheden, bedoeld ingedeeltelijk opdragen aan een centrale examencommissie. 3 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende is gewaarborgd. 4 Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie op basis van hun deskundigheid op het gebied van de desbetreffende opleiding of groepen van opleidingen of op het gebied van examinering. 5 Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de leden van de desbetreffende examencommissie en toetst het de deskundigheid van het te benoemen lid. 6 Ten minste één lid van de examencommissie is afkomstig van buiten de opleiding of groep van opleidingen waarvoor de examencommissie is ingesteld. 7 Ten minste één lid van de examencommissie is als docent verbonden aan de opleiding of groep van opleidingen waarvoor de examencommissie is ingesteld. 8 Ten minste één lid van de examencommissie is afkomstig uit de beroepspraktijk, voor zover hierin niet wordt voorzien met een lid als bedoeld in het zesde lid. 9 Leden van het bevoegd gezag en personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling worden niet benoemd tot lid van de examencommissie. In afwijking van de eerste volzin kunnen personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling worden benoemd tot lid van de examencommissie indien de examencommissie regels vaststelt ter voorkoming van belangenverstrengeling bij de toedeling en uitvoering van haar taken. 2017 43 15-02-2017 25-01-2017 34402 2017 122 28-03-2017 15-03-2017 01-08-2017
Artikel 7.4.5a — Artikel 7.4.5a Taken en bevoegdheden examencommissie#
Artikel 7.4.5a Taken en bevoegdheden examencommissie 1 artikel 7.4.5, tweede lid Een examencommissie heeft behoudens, ten minste de volgende taken en bevoegdheden: a. het borgen van de kwaliteit van de examinering en van de instellingsexamens, b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om instellingsexamens te beoordelen en vast te stellen, c. het vaststellen van de instellingsexamens, d. artikel 7.4.6a het op objectieve en deskundige wijze vaststellen of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een verklaring als bedoeld inalsmede het uitreiken of afgeven daarvan, e. het verlenen van vrijstelling van een instellingsexamen of een centraal examen en f. het bij de uitslag betrekken van een keuzedeel waarin de student in het kader van een eerder door hem gevolgde beroepsopleiding examen heeft afgelegd maar dat niet met goed gevolg door hem is afgesloten. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en kunnen andere taken en bevoegdheden dan bedoeld in het eerste lid aan de examencommissie worden toegekend. 3 De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. 4 Indien een student bij het examen fraudeert, kan de examencommissie de student het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het bevoegd gezag op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen. 5 Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een lid van de examencommissie is betrokken, neemt het betrokken lid geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht. 6 artikel 7.4.4 De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding, aan de hand van de standaarden, bedoeld in, en haar werkzaamheden en verstrekt dit verslag aan het bevoegd gezag van de instelling of de exameninstelling. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 7.4.6 — Artikel 7.4.6 Diploma’s#
Artikel 7.4.6 Diploma’s 1 Ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgesloten, reikt de examencommissie een diploma uit. 2 Een beroepsopleiding is eerst dan met goed gevolg afgesloten wanneer met goed gevolg examen is afgelegd in de kwalificatie en het keuzedeel of de keuzedelen en de beroepspraktijkvorming voor zover betrekking hebbend op de kwalificatie met een positieve beoordeling is voltooid. 3 Bij ministeriële regeling worden modellen en technische veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een beroepsopleiding vastgesteld. 4 Bij ministeriele regeling kunnen modellen en technische veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een opleiding educatie worden vastgesteld. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 7.4.6a — Artikel 7.4.6a Mbo-verklaring#
Artikel 7.4.6a Mbo-verklaring 1 artikel 7.4.6, eerste lid artikel 7.2.3, eerste lid Een student die ten minste één waardering voor een onderdeel of voor een deel daarvan van de opleiding heeft behaald waarvoor geen diploma als bedoeld in, of certificaat als bedoeld in, kan worden uitgereikt, ontvangt op zijn verzoek, een door de examencommissie af te geven verklaring. 2 In afwijking van het eerste lid ontvangt de student, ook zonder een daartoe strekkend verzoek, een verklaring van de desbetreffende examencommissie, indien de student: a. niet meer aan een instelling is ingeschreven, b. de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt, en c. niet in het bezit is van een startkwalificatie. 3 Op de verklaring zijn in ieder geval opgenomen de onderdelen of de delen daarvan waarvoor op de datum van beëindiging van de opleiding door de student een waardering is behaald en de overige bij ministeriële regeling te bepalen gegevens die per categorie van studenten kunnen verschillen. 4 Bij ministeriële regeling wordt voor de verklaring een model vastgesteld, dat voor verschillende categorieën van studenten kan verschillen en kunnen voor de verklaring technische veiligheidseisen worden vastgesteld. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.4.6b — Artikel 7.4.6b Vervangend getuigschrift bij naamswijziging#
Artikel 7.4.6b Vervangend getuigschrift bij naamswijziging 1 artikelen 7.4.6, eerste lid 7.2.3, eerste lid 7.4.6a artikelen 4, vierde lid 7, eerste lid 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap Aan de bezitter van een diploma, certificaat of mbo-verklaring als bedoeld in de,, respectievelijkreikt de examencommissie van de betreffende instelling desgevraagd een vervangend getuigschrift uit in verband met een naamswijziging van de betrokkene ten gevolge van de toepassing van de,,of. 2 Het vervangende getuigschrift bevat geen andere wijzigingen van de oorspronkelijke relevante gegevens. 3 Het vervangende getuigschrift wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het oorspronkelijke getuigschrift bij de betrokken examencommissie wordt ingeleverd. 4 Het vervangende getuigschrift heeft dezelfde bewijskracht als het oorspronkelijke getuigschrift. 5 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de door de aanvrager over te leggen gegevens en de wijze waarop de vervanging door de examencommissie wordt uitgevoerd. 6 artikel 7.4.1 In afwijking vanis deze bepaling ook van toepassing op getuigschriften van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 7.4.7 — Artikel 7.4.7 Internationale diplomawaardering#
Artikel 7.4.7 Internationale diplomawaardering 1 Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Onze Minister kan een rechtspersoon aanwijzen die tot taak heeft het desgevraagd, aan belanghebbenden of aan de op grond van debevoegde autoriteiten, verstrekken van op vergelijking van opleidingen berustende waarderingen of vergelijkingen: a. van buitenlandse diploma’s of certificaten als bedoeld in die wet alsmede van andere buitenlandse diploma's, met b. de getuigschriften van overeenkomstige Nederlandse beroepsopleidingen. 2 artikel 7.2.2, eerste lid Bij de vergelijkingen en waarderingen wordt zo mogelijk aangegeven tot welke soort in, bedoelde beroepsopleiding de desbetreffende opleiding kan worden gerekend en met welke in de Registratie instellingen en opleidingen vermelde beroepsopleiding die opleiding vergelijkbaar is of kan worden gelijkgesteld. 3 De vergelijking of waardering wordt slechts verstrekt: a. wet artikel 5 van die wet op verzoek van de op grond van de in het eerste lid genoemdebevoegde autoriteiten, ten behoeve van aanvragen tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, b. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie aan een Nederlandse beroepsopleiding, of c. artikel 7.2.2 indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie aan de Nederlandse arbeidsmarkt op een niveau dat overeenkomt met een inbedoeld niveau van beroepsuitoefening. 4 Onze Minister kan beleidsregels stellen met het oog op een doelmatige vervulling van de in het eerste lid genoemde taken door de rechtspersoon. 5 De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak redelijkerwijs benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 6 Indien naar het oordeel van Onze Minister de rechtspersoon zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren. Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in de eerste volzin. 7 Onze Minister verstrekt, onder door hem op te leggen verplichtingen, aan de rechtspersoon jaarlijks uit 's Rijks kas middelen ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid genoemde taken. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 7.4.8 — Artikel 7.4.8 Zorgplicht regeling voor onderwijsprogramma en examens; informatie ondersteuningsaanbod; studentenstatuut#
Artikel 7.4.8 Zorgplicht regeling voor onderwijsprogramma en examens; informatie ondersteuningsaanbod; studentenstatuut 1 Het bevoegd gezag zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering. 2 Het bevoegd gezag legt de beschrijving van het onderwijsprogramma en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat studenten en deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, examens en het ondersteuningsaanbod voor studenten met een handicap of chronische ziekte en deelnemers die extra ondersteuning behoeven. 2a De onderwijs- en examenregeling omvat in elk geval bepalingen over: a. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen: 1°. de leerweg; 2°. de examenvoorzieningen; 3°. de kwalificatie of, bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier; 4°. het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie; en 5°. artikel 6.1.2a, tweede lid de keuzedelen en de onderdelen met betrekking tot persoonlijke, culturele of levensbeschouwelijke vorming, bedoeld in, die deel uitmaken van de beroepsopleiding; b. artikel 7.2.7 het aantal begeleide onderwijsuren, bedoeld in, per programmaonderdeel per studiejaar; c. het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar; d. de tijdvakken waarbinnen de opleiding wordt verzorgd; e. de locatie en in voorkomend geval het samenwerkingscollege waar de opleiding wordt verzorgd; en f. de gronden waarop de examencommissie vrijstelling kan verlenen van een instellingsexamen of een centraal examen. 3 artikel 7.2.7, derde, vierde, zesde, zevende, achtste en negende lid Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van. 4 Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een toegankelijk en begrijpelijk studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten zijn opgenomen, en stelt de actuele versie van het studentenstatuut voor de studenten beschikbaar. Het bevoegd gezag bevordert voorts de kennis van het studentenstatuut. Het studentenstatuut bevat in elk geval: a. titel 5 artikel 7.5.1 een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in, daaronder begrepen de inrichting van de toegankelijke faciliteit, bedoeld in; b. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap; c. een beschrijving van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen; d. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het bevoegd gezag worden getroffen; e. artikel 8.1.7a, vierde lid de nadere regels over het bindend studieadvies, bedoeld in; f. het beleid met betrekking tot het beperkt en beheersbaar houden van de middelen die van de studenten worden gevraagd voor schoolkosten die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden; g. artikel 8.1.4 in voorkomend geval, bepalingen over de terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in; h. artikel 14, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 bepalingen over de terugbetaling van cursusgeld in andere gevallen dan bedoeld in; i. het beleid van het bevoegd gezag met betrekking tot toelating, verzuim, schorsing en verwijdering van studenten; j. de rechten en plichten ten aanzien van zwangerschap en bevalling; k. artikel 8.1.5e de instellingsregels over het mbo-studentenfonds, bedoeld in; en l. artikel 9.2.12, vijfde lid het beleid met betrekking tot loopbaanbegeleiding als bedoeld in. 5 De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de examenonderdelen. 6 artikel 7.4.4a Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan, dan treedt de examenregeling van de instelling of exameninstelling die de examinering verzorgt in de plaats van de examenregeling van de instelling die het onderwijs verzorgt. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.4.9 — Artikel 7.4.9 Zorgplicht regeling exameninstelling#
Artikel 7.4.9 Zorgplicht regeling exameninstelling 1 Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van de examinering. 2 Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt ervoor dat de studenten die in dat jaar examen willen afleggen volledig en tijdig geïnformeerd worden over de inhoud en inrichting van de examens. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.4.9a — Artikel 7.4.9a Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen: instelling en taken#
Artikel 7.4.9a Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen: instelling en taken Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9b — Artikel 7.4.9b Samenstelling en statuten van Kwaliteitscentrum#
Artikel 7.4.9b Samenstelling en statuten van Kwaliteitscentrum Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9c — Artikel 7.4.9c Taakverwaarlozing#
Artikel 7.4.9c Taakverwaarlozing Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9d — Artikel 7.4.9d Nadere regelgeving#
Artikel 7.4.9d Nadere regelgeving Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9e — Artikel 7.4.9e Jaarverslag; jaarwerkplan; verslag examens#
Artikel 7.4.9e Jaarverslag; jaarwerkplan; verslag examens Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9f — Artikel 7.4.9f Begroting; jaarrekening#
Artikel 7.4.9f Begroting; jaarrekening Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9g — Artikel 7.4.9g Jaarlijks kwaliteitsonderzoek examinering beroepsopleidingen#
Artikel 7.4.9g Jaarlijks kwaliteitsonderzoek examinering beroepsopleidingen Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008 Artikel III van Stb. 2008/204 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.4.9h — Artikel 7.4.9h Verklaringen#
Artikel 7.4.9h Verklaringen Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9i — Artikel 7.4.9i Openbaarmaking verklaringen#
Artikel 7.4.9i Openbaarmaking verklaringen Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9j — Artikel 7.4.9j Klachtenbehandeling#
Artikel 7.4.9j Klachtenbehandeling Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.9k — Artikel 7.4.9k Inlichtingenplicht#
Artikel 7.4.9k Inlichtingenplicht Vervallen 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 2008 204 12-06-2008 22-05-2008 31321 13-06-2008
Artikel 7.4.10 — Artikel 7.4.10 Reikwijdte#
Artikel 7.4.10 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 7.4.11 — Artikel 7.4.11 Examens, onderwijsprogramma en studentenstatuut#
Artikel 7.4.11 Examens, onderwijsprogramma en studentenstatuut 1 Aan de vavo-studenten en deelnemers wordt gelegenheid gegeven een examen af te leggen. 2 Artikel 7.4.5, eerste tot en met vijfde en negende lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 7.3.1, eerste lid, onder a en c Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als tweede taal I en II, bedoeld in. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden gegeven omtrent de examenprogramma’s en de verdeling daarvan in onderdelen. 4 Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. 5 Artikel 7.4.6, eerste en derde lid , is van toepassing, met dien verstande dat degene die een onderdeel van een examen van de opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I of II met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma. 6 artikelen 7.4.8, eerste en tweede lid, lid 2a en vierde en vijfde lid 7.5.2 De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 7 Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: a. artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid 2.59 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid 2.62 tot en met 2.64 met uitzondering van de, 2.51a,,, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d,; b. met dien verstande dat: 1°. artikelen 2.52 2.53 2.54 2.55, eerste lid «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de,,en; 2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt; 3°. de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent; 4°. de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt; 5°. de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en de inspectie zendt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.4.12 — Artikel 7.4.12 Reikwijdte#
Artikel 7.4.12 Reikwijdte Vervallen 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.4.13 — Artikel 7.4.13 Toetsen educatieve programma's#
Artikel 7.4.13 Toetsen educatieve programma's Vervallen 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.4.14 — Artikel 7.4.14 Vaststelling toets#
Artikel 7.4.14 Vaststelling toets Vervallen 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.4.15 — Artikel 7.4.15 Bewijsstukken van afgelegde toetsen#
Artikel 7.4.15 Bewijsstukken van afgelegde toetsen Vervallen 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.4.16 — Artikel 7.4.16 Toetsregeling educatieve programma's#
Artikel 7.4.16 Toetsregeling educatieve programma's Vervallen 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.5.1 — Artikel 7.5.1 Toegankelijke faciliteit#
Artikel 7.5.1 Toegankelijke faciliteit 1 In deze titel wordt onder «betrokkene» verstaan: a. student, vavo-student of extraneus; b. aanstaande student, aanstaande vavo-student of aanstaande extraneus; c. voormalige student, voormalige vavo-student of voormalige extraneus. 2 paragraaf 2 Het bevoegd gezag richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het bevoegd gezag stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en, die een onderdeel vormt van het bestuursreglement. 3 artikel 7.5.2 paragraaf 2 artikel 8.1.7a, vijfde lid artikel 8.1.3a, tweede lid artikel 6:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Een betrokkene dient een klacht als bedoeld indan wel beroep of bezwaar als bedoeld invan deze titel en, vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing dan wel vanwege een geschil met betrekking tot het maken, wijzigen of uitvoeren van afspraken als bedoeld in, in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 4 paragraaf 2 artikel 8.1.7a, vijfde lid De termijn voor het schriftelijk indienen van een bezwaar als bedoeld inbedraagt zes weken. De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep als bedoeld in paragraaf 2 en, bedraagt twee weken. 5 artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 6 artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 7 Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 7.5.2 — Artikel 7.5.2 Klachten#
Artikel 7.5.2 Klachten 1 Het bevoegd gezag draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van klachten van studenten en deelnemers, aspirant-studenten en aspirant-deelnemers, voormalige studenten en deelnemers, personeel en overige betrokkenen bij het onderwijs of de praktijkbegeleiding van de instelling over gedragingen van het bevoegd gezag of ten behoeve van de instelling met taken belaste personen. 2 artikelen 9:3 tot en met 9:7, eerste lid 9:8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met e, en derde lid, eerste volzin 9:9 9:10, eerste lid, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid 9:11 9:12, eerste lid 9:12a 9:15 9:16 van de Algemene wet bestuursrecht Het bevoegd gezag voorziet in de klachtbehandeling met overeenkomstige toepassing van in elk geval de,,,,,,,en. 3 artikel 1.1.1, onder w Het bevoegd gezag voorziet in een klachtencommissie die is belast met de behandeling van en advisering over klachten en die bestaat uit ten minste drie leden die geen deel uitmaken van een bevoegd gezag als bedoeld in, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag. 4 artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Op een ieder die is betrokken bij de uitvoering van dit artikel isvan overeenkomstige toepassing. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.4.8a.
Artikel 7.5.3 — Artikel 7.5.3 Commissie van beroep voor de examens#
Artikel 7.5.3 Commissie van beroep voor de examens 1 Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen of exameninstellingen een commissie van beroep voor de examens in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren kunnen worden onderworpen aan het oordeel van een commissie van beroep voor de examens. 2 De commissie van beroep voor de examens bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een plaatsvervangend voorzitter. 3 artikel 7.4.5 artikel 7.2.8, tweede lid, onder c De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden worden door het bevoegd gezag benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. De leden en de plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het bevoegd gezag, van de inspectie of van een inbedoelde examencommissie of examinator tegen de beslissing waarvan onderscheidenlijk van wie beroep kan worden ingesteld bij de commissie van beroep, noch zijn zij belast met de in, bedoelde beoordeling. 4 Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep voor de examens ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter zake te doen horen. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.5.1.
Artikel 7.5.4 — Artikel 7.5.4 Bevoegdheid commissie van beroep voor de examens#
Artikel 7.5.4 Bevoegdheid commissie van beroep voor de examens 1 De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren. 2 hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht. 3 artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken. 4 De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen. 5 De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag, aan het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, en aan de inspectie. 6 artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de examens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.5.5 — Artikel 7.5.5 Voorlopige voorziening; herziening#
Artikel 7.5.5 Voorlopige voorziening; herziening 1 In zaken waarin het belang van de appellant een onverwijlde voorziening bij voorraad vordert, kan deze bij met redenen omkleed verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, aan de voorzitter van de commissie van beroep voor de examens een voorlopige voorziening vragen. De voorzitter beslist op dat verzoek na de desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen. 2 Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.5.3.
Artikel 7.5.6 — Artikel 7.5.6 Inlichtingen#
Artikel 7.5.6 Inlichtingen De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.5.4.
Artikel 7.5.7 — Artikel 7.5.7 Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie#
Artikel 7.5.7 Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie 1 artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het bevoegd gezag stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een geschillenadviescommissie in of sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Op een geschillenadviescommissie isvan overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk. 2 artikel 7.5.4 De geschillenadviescommissie brengt aan het bevoegd gezag advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in. 3 artikel 8.1.3a, tweede lid De geschillenadviescommissie neemt tevens kennis van geschillen tussen studenten of vavo-studenten en het bevoegd gezag van een instelling met betrekking tot het maken, wijzigen en uitvoeren van de afspraken, bedoeld in. 4 De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. 5 artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het bevoegd gezag. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het bevoegd gezag neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing. 6 artikel 7.5.2 artikelen 7.5.2 7.5.8 Het bevoegd gezag kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en deen. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.5.8 — Artikel 7.5.8 Beslissing op bezwaren#
Artikel 7.5.8 Beslissing op bezwaren artikel 7.5.7, vijfde lid artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het bevoegd gezag beslist na ontvangst van het bezwaar binnen tien weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in. Wat de openbare instellingen betreft beslist het bevoegd gezag in afwijking van. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.5.9 — Artikel 7.5.9 Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State#
Artikel 7.5.9 Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 Algemene wet bestuursrecht artikel 1:3 van die wet Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van demet betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene. 2 artikel 7.5.10 Tegen een beslissing van een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld inkan geen beroep worden ingesteld. 3 De organen van de instelling verstrekken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.5.10 — Artikel 7.5.10 College van beroep bijzonder onderwijs#
Artikel 7.5.10 College van beroep bijzonder onderwijs 1 artikel 7.5.9, eerste lid In afwijking van, kan het bevoegd gezag van een bijzondere instelling, al dan niet in samenwerking met bevoegde gezagsorganen van een of meer andere bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard, in een regeling bepalen dat de instelling in verband met de levensbeschouwelijke aard van de instelling een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een beslissing van een orgaan van een instelling die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen. 2 De regeling bevat in elk geval regels over: a. de omvang en samenstelling van het college; b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers; c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college; d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college eindigt; e. de procedure voor het minnelijk schikken van geschillen en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten; f. de wijze waarop in het secretariaat van het college wordt voorzien; en g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen. 3 artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in. 4 artikelen 7.5.3, derde en vierde lid 7.5.4, zesde lid 7.5.5, eerste lid 7.5.6 De regeling bevat tevens een uitwerking van de rechtsgang bij het college, waarbij de,,, envan overeenkomstige toepassing zijn. 5 Het college beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. 6 artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 De regeling alsmede wijzigingen daarvan worden vastgesteld met inachtneming van deen worden na de vaststelling zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister. Onze Minister kan binnen drie maanden verklaren van oordeel te zijn, dat het bevoegd gezag bij de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen. 7 De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.6.1 — Artikel 7.6.1 Commissie van beroep voor de extern gelegitimeerde examens#
Artikel 7.6.1 Commissie van beroep voor de extern gelegitimeerde examens Vervallen 2004 138 06-04-2004 11-03-2004 29205 2004 353 20-07-2004 06-07-2004 01-08-2004
Artikel 7.7.1 — Artikel 7.7.1 Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding#
Artikel 7.7.1 Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding 1 Het bevoegd gezag van een instelling is verplicht, ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, of die anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische bekwaamheid, en die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de instelling te verkrijgen. 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting omvat 5% van het in het desbetreffende studiejaar door de instelling in totaal te verzorgen beroepsonderwijs en educatie. Het bevoegd gezag kan een hoger percentage vaststellen mits dat in overeenstemming is met de goede gang van zaken binnen de instelling. 3 Het bevoegd gezag kan een ho-student de verdere toegang tot de instelling ontzeggen, indien deze in de instelling in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de instelling. Van een besluit tot ontzegging van de toegang tot de instelling wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en aan de inspectie. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school een ho-student de toegang weigert, maakt het dit besluit, schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of uitreiking aan de ho-student, onverminderd het bepaalde in de vorige volzin. 4 Het bevoegd gezag van de instelling regelt de werkzaamheden in verband met de begeleiding door de leraren van de ho-studenten in de instelling in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft ho-studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid of een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie. 5 Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een studiejaar. 6 De instellingen waarbij ho-studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie, belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de door deze aan te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover dat voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de instelling aanwezige ho-studenten noodzakelijk is. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.0.1 — Artikel 8.0.1 Aanmelding uiterlijk op 1 april#
Artikel 8.0.1 Aanmelding uiterlijk op 1 april 1 Uiterlijk op 1 april voorafgaand aan een studiejaar meldt degene die zich als student wenst te laten inschrijven voor een beroepsopleiding die start bij de aanvang van dat studiejaar, zich aan bij de desbetreffende instelling. Na de aanmelding kan de betrokkene zijn aanmelding nog wijzigen. 2 Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal beroepsopleidingen worden vastgesteld waarvoor de betrokkene zich kan aanmelden. 3 artikel 8.1.7a Dit artikel is niet van toepassing op een deelnemer die zich aanmeldt bij een andere beroepsopleiding dan die waar hij oorspronkelijk was ingeschreven en kan aantonen dat de aanmelding het gevolg is van een beëindiging van de inschrijving op grond van, op een zodanig tijdstip dat hij zich niet kon aanmelden uiterlijk 1 april voorafgaand aan het studiejaar waarvoor hij zich wenst in te schrijven. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2022
Artikel 8.0.2 — Artikel 8.0.2 Gegevensverstrekking vavo-studenten die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs#
Artikel 8.0.2 Gegevensverstrekking vavo-studenten die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs 1 artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag geeft jaarlijks op welke vavo-studenten die aan die instelling een opleiding voor voortgezet algemeen volwassenen onderwijs gericht op het behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld involgen, naar verwachting het aankomend studiejaar hun opleiding zullen vervolgen aan een beroepsopleiding. De opgave wordt gedaan aan het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van deze vavo-studenten. Deze informatie wordt uitsluitend gebruikt om schooluitval bij de overgang naar het beroepsonderwijs te voorkomen. 2 Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van het eerste lid regels vastgesteld. Deze betreffen in ieder geval een specificatie van de bij de opgave te leveren gegevens, het tijdstip en de wijze waarop deze gegevens worden geleverd. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.0.3 — Artikel 8.0.3 Te verstrekken gegevens bij aanmelding; terugmelding gegevens#
Artikel 8.0.3 Te verstrekken gegevens bij aanmelding; terugmelding gegevens 1 artikel 8.0.1 Wet op het voorgezet onderwijs Bij de aanmelding, bedoeld in, legt de betrokkene of, als deze minderjarig is, diens ouders, zijn persoonsgebonden nummer over onder vermelding van, indien van toepassing, de school als bedoeld in de, de school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of de instelling als bedoeld in deze wet waar hij op het moment van aanmelding staat ingeschreven. 2 Het persoonsgebonden nummer wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens over de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van betrokkene zijn vermeld. Indien geen persoonsgebonden nummer kan worden overgelegd, worden in plaats daarvan de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van betrokkene vermeld. 3 Indien degene die zich aanmeldt nog is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegd gezag waar betrokkene zich aanmeldt, aan het bevoegd gezag van de school of instelling waar betrokkene is ingeschreven, zo snel mogelijk opgave van deze aanmelding en vermeldt daarbij: a. artikel 8.1.1, lid 1c of aan de betrokkene een positieve beslissing over inschrijving als bedoeld in, bekend is gemaakt; b. artikel 8.1.1c of de aanmelding in verband met de toepassing vanniet tot inschrijving kan leiden; c. of de aanmelding is ingetrokken; en d. of de betrokkene is ingeschreven. 4 Indien degene die zich aanmeldt niet in het bezit is van een diploma dat wordt aangemerkt als een startkwalificatie en de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt, doet het bevoegd gezag waar betrokkene zich aanmeldt, zo snel mogelijk aan het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van betrokkene, opgave van deze aanmelding en vermeldt daarbij: a. artikel 8.1.1, lid 1c of aan de betrokkene een positieve beslissing over inschrijving als bedoeld in, bekend is gemaakt; b. artikel 8.1.1c of de aanmelding in verband met de toepassing vanniet tot inschrijving leidt; c. of de aanmelding is ingetrokken; en d. of de betrokkene is ingeschreven. 5 Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld ter uitvoering van het derde en vierde lid. Deze betreffen in ieder geval een specificatie van de gegevens en het tijdstip en de wijze waarop deze gegevens worden geleverd. 6 De informatie bedoeld in het derde lid, respectievelijk het vierde lid, wordt door het bevoegd gezag van de school of instelling waar een betrokkene op het moment van aanmelding is ingeschreven respectievelijk door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze woon- of verblijfplaats heeft, uitsluitend gebruikt ten behoeve van het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.0.4 — Artikel 8.0.4 Intakeactiviteiten en studiekeuzeadvies#
Artikel 8.0.4 Intakeactiviteiten en studiekeuzeadvies 1 artikel 8.0.1, eerste lid Een betrokkene die uiterlijk 1 april is aangemeld in overeenstemming met, heeft desgevraagd recht op een studiekeuzeadvies. Dit recht geldt alleen als betrokkene deelneemt aan de intakeactiviteiten die het bevoegd gezag met het oog op dit studiekeuzeadvies organiseert. 2 Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal studiekeuzeadviezen worden vastgesteld waarop de betrokkene recht heeft. 3 Het bevoegd gezag kan intakeactiviteiten organiseren en aan de hand daarvan een studiekeuzeadvies uitbrengen ten behoeve van andere dan de in het eerste lid bedoelde betrokkenen. 4 De studiekeuzeadviezen zijn niet bindend. 5 Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast die in elk geval betrekking hebben op de intakeactiviteiten die door de instelling, al dan niet per opleiding, worden georganiseerd, de aard en inhoud van de intakeactiviteiten, de termijn waarbinnen de intakeactiviteiten plaatsvinden en de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de wijze waarop studiekeuzeadviezen wordt uitgebracht. 6 Bij het vaststellen van de nadere regels treft het bevoegd gezag voor betrokkenen afkomstig uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba respectievelijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten zodanige voorzieningen dat zij kunnen deelnemen aan de intakeactiviteiten zonder dat hun fysieke aanwezigheid op de instelling vereist is. 7 Het bevoegd gezag stelt de in het vijfde lid bedoelde informatie voor een ieder beschikbaar uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waarvoor deze geldt. 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457 2017 27 09-02-2017 26-01-2017 01-08-2017
Artikel 8.1.1 — Artikel 8.1.1 Inschrijving#
Artikel 8.1.1 Inschrijving 1 Een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als student of vavo-student te laten inschrijven. Een ieder die uitsluitend wenst te worden toegelaten tot examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als extraneus te laten inschrijven. Voor de inschrijving als extraneus is aan het bevoegd gezag een door dat gezag te bepalen vergoeding verschuldigd. Indien het een meerderjarige extraneus betreft die het examengeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat de extraneus schriftelijk heeft verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het examengeld voldoet. De inschrijving voor een opleiding of een onderdeel van een opleiding staat uitsluitend open voor degene waarvan de ouders aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij: a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst, c. artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van, of d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid. 1a Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met de vijfde volzin van het eerste lid heeft plaatsgevonden, wordt de inschrijving met onmiddellijke ingang beëindigd. 1b artikel 1.1, onderdeel m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Voor de ho-student die zich heeft ingeschreven voor een associate degree-opleiding als bedoeld ingeldt niet de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, om gebruik te kunnen maken van de onderwijsvoorzieningen. 1c Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling maakt de beslissing over inschrijving schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering bekend aan de student of vavo-student. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend. 2 artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers De inschrijving geschiedt voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie. Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in. 3 paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de volledige leerplicht, bedoeld in, is geëindigd. 4 Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven voor een entreeopleiding of een basisberoepsopleiding, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. Ten aanzien van degenen die wensen te worden ingeschreven voor een vakopleiding, middenkaderopleiding of een specialistenopleiding, kan het bevoegd gezag ook aangeven dat zij geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te onderschrijven en kan de inschrijving van een betrokkene ook worden geweigerd dan wel beëindigd, indien deze de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet onderschrijft. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede of derde volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen. De inschrijving kan niet worden geweigerd of beëindigd op grond van de derde volzin maar uitsluitend op grond van de tweede volzin die van overeenkomstige toepassing is op de vak-, middenkader- en specialistenopleiding, indien betrokkene binnen een verticale scholengemeenschap doorstroomt respectievelijk is doorgestroomd van openbaar voortgezet onderwijs naar beroepsonderwijs. 5 artikel 7.2.2, derde lid De inschrijving voor een opleidingsdomein kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in. 6 Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor het percentage van de studenten dat in een jaar kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.1a — Artikel 8.1.1a Te verstrekken gegevens bij inschrijving#
Artikel 8.1.1a Te verstrekken gegevens bij inschrijving 1 artikel 8.1.1 De inschrijving bij een instelling, bedoeld in, vindt slechts plaats nadat door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer van de student of vavo-student zijn overgelegd. Indien door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de student of vavo-student kan worden overgelegd, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het derde lid. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen. 3 Indien door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de student of vavo-student kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na de beslissing tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de student of vavo-student, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het studentadministratienummer. 4 Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het burgerservicenummer van de student of vavo-student, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of vavo-student. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de student of vavo-student toegekend persoonsgebonden nummer. 5 Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de administratie van de instelling. 6 Indien aan een student of vavo-student een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de student of vavo-student. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.1b — Artikel 8.1.1b Toelating entreeopleiding#
Artikel 8.1.1b Toelating entreeopleiding 1 artikelen 8.1.1 8.1.2 8.1.7b artikel 8.2.1, vierde lid paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 artikel 3b van de Leerplichtwet 1969 Onverminderd de,en, staat de toelating tot de entreeopleiding uitsluitend open voor degenen die niet ten minste voldoen aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding, bedoeld in, en op wieniet meer van toepassing is, met uitzondering van degenen ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan. 2 Het bevoegd gezag kan de toelating tot de entreeopleiding slechts weigeren indien diegene die om toelating verzoekt in de afgelopen twee studiejaren bij een instelling was ingeschreven voor een entreeopleiding. 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457 2017 27 09-02-2017 26-01-2017 01-08-2017
Artikel 8.1.1c — Artikel 8.1.1c Recht op toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding#
Artikel 8.1.1c Recht op toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding 1 artikelen 8.1.1 8.1.2 8.1.7b artikelen 8.2.1 8.2.2 8.2.2a Onverminderd de,en, staat de toelating tot een basisberoepsopleiding, een vakopleiding, een middenkaderopleiding en een specialistenopleiding open voor degene die voldoet aan de in de bij of krachtens de,enten aanzien van die opleidingen gestelde eisen. 2 Het bevoegd gezag kan het aantal studenten voor een opleiding beperken wegens de opleidingscapaciteit of uit oogpunt van arbeidsmarktperspectief. 3 Het bevoegd gezag kan de toelating van degene die om toelating verzoekt weigeren indien: a. paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 artikel 8.1.7a, tweede lid niet meer van toepassing is op hem, zijn inschrijving reeds driemaal is beëindigd op grond vanen sinds de laatste dag van inschrijving minder dan drie studiejaren zijn verstreken; b. hij reeds zes jaar of langer in een beroepsopleiding ingeschreven is geweest zonder een diploma te hebben behaald en sinds de laatste dag van inschrijving minder dan drie studiejaren zijn verstreken; of c. paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 niet meer op hem van toepassing is, en: 1°. artikel 8.0.1, eerste lid hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is, of 2°. artikel 8.0.4 ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert; of d. hij niet voor 1 juli heeft gereageerd op het verzoek van het bevoegd gezag om te kennen te geven of hij zijn aanmelding wenst te handhaven, voor zover het bevoegd gezag een reactie op dit verzoek als voorwaarde voor de toelating heeft gesteld. 3a Het bevoegd gezag kan zich niet beroepen op de grond, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, indien het bevoegd gezag degene die om toelating verzoekt na de aanmelding niet schriftelijk heeft geïnformeerd dat het geven van een reactie als bedoeld in het derde lid, onderdeel d, een voorwaarde voor de toelating is. 4 Het bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum biedt een betrokkene de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een opleiding aan de instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is, rekening houdend met diens voorkeuren, indien: a. de betrokkene niet wordt ingeschreven op grond van het tweede lid; b. artikel 8.2.2a de betrokkene niet wordt ingeschreven omdat hij niet voldoet aan de voor die opleiding krachtensgestelde eisen; of c. paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 op hem van toepassing is, en de betrokkene niet wordt ingeschreven: 1°. artikel 8.0.1, eerste lid omdat hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is; 2°. artikel 8.0.4 omdat ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert; of 3°. op grond van het derde lid, onderdeel d. 5 artikel 8.0.1, eerste lid Bij een inschrijvingsbeperking als bedoeld in het tweede lid hanteert het bevoegd gezag geen toelatingscriteria waarbij aan betrokkenen die aan de vooropleidingseisen voor de desbetreffende opleiding voldoen, extra eisen worden gesteld aan hun geschiktheid. Onverminderd de vorige volzin, verleent het bevoegd gezag aan de inschrijving van betrokkenen die in overeenstemming met, uiterlijk op 1 april voor de desbetreffende opleiding zijn aangemeld, voorrang. 6 Het bevoegd gezag stelt met in achtneming van de voorgaande leden de toelatingsprocedure vast en stelt deze informatie voor een ieder beschikbaar uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waarvoor deze geldt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.1d — Artikel 8.1.1d Toelating opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 8.1.1d Toelating opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 De toelating tot opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs staat uitsluitend open voor volwassenen. 2 artikel 9.2.5 artikel 22, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 In afwijking van het eerste lid staat de toelating tot opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs tevens open voor degenen die niet meer zijn ingeschreven bij een school voor voortgezet onderwijs, in de loop van het studiejaar de leeftijd van 18 jaren bereiken en op grond vanof op grond vannaar de desbetreffende opleiding zijn doorverwezen. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.2 — Artikel 8.1.2 Nadere voorschriften toelating#
Artikel 8.1.2 Nadere voorschriften toelating 1 Indien binnen redelijke afstand van de woning van de student of vavo-student niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare instelling, mag aan deze student of vavo-student de toelating tot een bijzondere instelling niet worden geweigerd op grond van godsdienst of levensbeschouwing. 2 Openbare instellingen zijn toegankelijk voor studenten en vavo-studenten zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing. 3 Indien tot een bijzondere instelling andere studenten en vavo-studenten worden toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting wordt in stand gehouden, kunnen deze studenten en vavo-studenten niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de instelling wordt verzorgd. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.3 — Artikel 8.1.3 Onderwijsovereenkomst#
Artikel 8.1.3 Onderwijsovereenkomst Vervallen 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.3a — Artikel 8.1.3a Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning#
Artikel 8.1.3a Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning 1 Het bevoegd gezag beoordeelt voorafgaande aan de inschrijving van de student of vavo-student of deze student of vavo-student extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte en onderzoekt daartoe zijn mogelijkheden, behoeften en omstandigheden. Het bevoegd gezag kan de student of vavo-student verzoeken gegevens te overleggen betreffende handicap of chronische ziekte of beperkingen in de onderwijsparticipatie. 2 Indien de inschrijving een student of vavo-student betreft die extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte, vindt de inschrijving slechts plaats nadat het bevoegd gezag met de student of vavo-student schriftelijke afspraken heeft gemaakt over deze ondersteuning. 3 De afspraken worden ten minste één keer per studiejaar met de student of vavo-student geëvalueerd op hun doeltreffendheid. 4 Indien de noodzaak van extra ondersteuning in verband met handicap of chronische ziekte na de inschrijving ontstaat, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.4 — Artikel 8.1.4 Onderwijsbijdragen#
Artikel 8.1.4 Onderwijsbijdragen De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 8.1.5 — Artikel 8.1.5 Mbo-studentenfonds#
Artikel 8.1.5 Mbo-studentenfonds 1 Het bevoegd gezag treft voorzieningen voor de ondersteuning van bij die instelling ingeschreven studenten. 2 Ondersteuning wordt verstrekt aan de volgende categorieën van studenten: a. artikel 8a.1.2 studenten die lid zijn van een studentenraad als bedoeld in, van een andere door het bevoegd gezag ingestelde medezeggenschapsstructuur of van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, b. studenten die activiteiten verrichten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het bevoegd gezag mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt, c. studenten, of diens wettelijk vertegenwoordiger, die aantoonbaar onvoldoende financiële middelen hebben voor de aanschaf van onderwijsbenodigdheden waarover de student geacht wordt zelf te beschikken, en d. studenten die in verband met de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid studievertraging hebben opgelopen. 3 De bijzondere omstandigheden, bedoeld in onderdeel d zijn: a. ziekte, b. zwangerschap en bevalling, c. een handicap of chronische ziekte, d. bijzondere familieomstandigheden, e. een onvoldoende studeerbare opleiding, f. overige door het bevoegd gezag vastgestelde bijzondere omstandigheden. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5a — Artikel 8.1.5a Voorwaarden voor ondersteuning#
Artikel 8.1.5a Voorwaarden voor ondersteuning 1 artikel 8.1.5, tweede lid, onderdelen a, b of d De ondersteuning bestaat uit financiële ondersteuning indien ondersteuning als bedoeld in, wordt verstrekt. 2 artikel 8.1.5, tweede lid, onderdeel c Een student komt uitsluitend in aanmerking voor ondersteuning als bedoeld in, tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en indien de student een beroepsopleidende leerweg volgt. 3 artikel 8.1.5, derde lid, onderdelen a tot en met e Wet studiefinanciering 2000 Een student komt uitsluitend in aanmerking voor ondersteuning bij een bijzondere omstandigheid als bedoeld in, indien de student een beroepsopleidende leerweg volgt en geen aanspraak heeft op de basisbeurs of geen aanspraak meer heeft op de basisbeurs op grond van de. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5b — Artikel 8.1.5b Onbillijkheid van overwegende aard#
Artikel 8.1.5b Onbillijkheid van overwegende aard artikel 8.1.5, derde lid, onderdelen a tot en met f artikel 8.1.5a, tweede en derde lid Het bevoegd gezag kan indien sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard ondersteuning verstrekken voor andere bijzondere omstandigheden dan genoemd in, of de voorwaarden bedoeld in, buiten toepassing laten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5c — Artikel 8.1.5c Hoogte van de financiële ondersteuning#
Artikel 8.1.5c Hoogte van de financiële ondersteuning 1 artikelen 8.1.5 8.1.5b artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 Indien op grond van deoffinanciële ondersteuning wordt toegekend aan een student die een beroepsopleidende leerweg volgt, is het bedrag daarvan niet hoger dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor het beroepsonderwijs, bedoeld in, en indien van toepassing niet hoger dan de som van dat bedrag en het bedrag van de toeslag eenoudergezin. 2 artikel 8.1.5, tweede lid, onderdeel a Onverminderd het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat een lid van de studentenraad als bedoeld in, een financiële ondersteuning ontvangt ter hoogte van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen minimumbedrag. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5d — Artikel 8.1.5d Voorziening voor aanvullende ondersteuning#
Artikel 8.1.5d Voorziening voor aanvullende ondersteuning artikelen 8.1.5 8.1.5b artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 In aanvulling op de voorziening, bedoeld in deof, kan voor een student die een beroepsopleidende leerweg volgt een voorziening voor financiële ondersteuning worden getroffen, die samen met de financiële ondersteuning ingevolge de voorziening, bedoeld in de artikelen 8.1.5 of 8.1.5b hoger is dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor het beroepsonderwijs, bedoeld in, en indien van toepassing hoger is dan de som van dat bedrag en het bedrag van de toeslag eenoudergezin. Deze aanvulling wordt verstrekt onder de benaming: voorziening voor aanvullende ondersteuning. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5e — Artikel 8.1.5e Instellingsregels#
Artikel 8.1.5e Instellingsregels 1 artikelen 8.1.5 8.1.5b Het bevoegd gezag stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van deof, waartoe in ieder geval behoren regels over de aanvraag, de aanvang en de duur van de ondersteuning en indien het financiële ondersteuning betreft tevens de hoogte van het bedrag. 2 Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van ondersteuning de verplichting verbinden dat de student feitelijk studerend is. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5f — Artikel 8.1.5f Informatieplicht en administratieve vastlegging#
Artikel 8.1.5f Informatieplicht en administratieve vastlegging 1 artikelen 8.1.5 8.1.5b Het bevoegd gezag stelt de student schriftelijk of elektronisch op de hoogte van de ondersteuning, bedoeld in deofen vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag van de aanvullende voorziening indien de ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. 2 Voorts legt het bevoegd gezag de aan de student verstrekte ondersteuning vast in de administratie van de instelling, onder vermelding van het persoonsgebonden nummer van de student en indien het financiële ondersteuning betreft de hoogte van het toegekende bedrag. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.5g — Artikel 8.1.5g Vergoeding in verband met ongebruikte onderwijsbenodigdheden#
Artikel 8.1.5g Vergoeding in verband met ongebruikte onderwijsbenodigdheden Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over vergoeding door het bevoegd gezag van kosten die studenten hebben gemaakt voor de aanschaf van onderwijsbenodigdheden die door het bevoegd gezag zijn voorgeschreven, maar waarvan gezien het onderwijsprogramma door de studenten geen gebruik is gemaakt. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.1.6 — Artikel 8.1.6 Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister#
Artikel 8.1.6 Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister 1 artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Onze Minister treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student of vavo-student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang die voor het beroepsonderwijs of het hoger onderwijs, bedoeld in, relevante activiteiten ontplooit en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. 2 Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt. 3 artikelen 8.1.5d 8.1.5f Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 8.1.7 — Artikel 8.1.7 Controle op langdurige afwezigheid#
Artikel 8.1.7 Controle op langdurige afwezigheid 1 Wet studiefinanciering 2000 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student of vavo-student die valt onder de werking van deof van de, vast, of deze student of vavo-student gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In afwijking van de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor soorten van onderwijs als bedoeld in deze wet, de in die volzin bedoelde vaststelling wordt gedaan indien een ingeschreven student of vavo-student in een of meer vakken niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. 2 artikel 9.2.2 Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van vier weken aan de student of vavo-student dat daarvan in de administratie van de instelling aantekening is gemaakt en verzoekt de student of vavo-student om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd gezag doet daarbij mededeling van de opgave van de gegevens van de student of vavo-student, bedoeld in. 3 Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bevoegd gezag vast: a. of de reden die de student of vavo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of b. dat de student of vavo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid. 4 Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de student of vavo-student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen. 5 Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister de student of vavo-student die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt het indien die student of vavo-student voor het einde van de periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan. 6 De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij wordt geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken. 7 Wet studiefinanciering 2000 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken student of vavo-student aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in het eerste lid, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene op grond van deof voor de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten van betrokkene op grond van de, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, open staat. 8 Indien het bevoegd gezag aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de student of vavo-student binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling. 9 Onder afwezigheid met een geldige reden als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan afwezigheid wegens: a. ziekte van de student of vavo-student, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts, b. zwangerschap of bevalling van de student of de vavo-student, welke uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, gedurende een periode van 16 weken die, indien de student of vavo-student dat wenst, 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat of gedurende een periode van 20 weken die, indien de student of vavo-student dat wenst, 10 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, of c. bijzondere familieomstandigheden. 10 Het bevoegd gezag kan bepalen dat de periode, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, wordt verlengd als dit naar zijn oordeel passend is. 11 Onder «student» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt verstaan de student die a. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b een entreeopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in, of b. Wet studiefinanciering 2000 voor 1 augustus 2005 studiefinanciering in de zin van deontving. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.7a — Artikel 8.1.7a Bindend studieadvies#
Artikel 8.1.7a Bindend studieadvies 1 artikel 7.2.4a, derde lid Het bevoegd gezag brengt aan iedere student die zich inschrijft, advies uit over de voortzetting van zijn opleiding. Aan degenen die zijn ingeschreven voor een opleiding waarvan studieduur als bedoeld in, één volledig studiejaar bedraagt wordt dit advies uiterlijk binnen vier kalendermaanden na aanvang van de opleiding gegeven, doch niet eerder dan drie maanden na aanvang. Aan degenen die zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.4a, derde lid, die meer dan één volledig studiejaar bedraagt wordt dit advies na ten minste negen kalendermaanden en uiterlijk aan het eind van het eerste studiejaar van de opleiding gegeven. 2 Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag de beëindiging van de inschrijving voor de desbetreffende opleiding verbinden. Tot beëindiging van de inschrijving wordt slechts overgaan indien: a. de student naar het oordeel van het bevoegd gezag, met inachtneming van de bij ministeriële regeling vastgestelde persoonlijke omstandigheden, onvoldoende vordering heeft gemaakt in de opleiding; b. het bevoegd gezag heeft gezorgd voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede voortgang van de opleiding zijn gewaarborgd, en c. het bevoegd gezag de desbetreffende student een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van het bevoegd gezag dienen te zijn verbeterd. 3 Artikel 8.1.7d, tweede lid artikel 1.3.2 artikel 8.1.1c, derde lid, onderdeel a of b Leerplichtwet 1969 De student van wie de inschrijving voor een opleiding op grond van het tweede lid is beëindigd, kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven. Het bevoegd gezag spant zich in de student te ondersteunen en begeleiden naar een andere opleiding al dan niet aan die instelling, rekening houdend met diens voorkeuren., is daarbij van overeenkomstige toepassing op een student op wie deniet meer van toepassing is. Het bevoegd gezag biedt de student in elk geval de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een andere opleiding aan die instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is. De vorige volzin geldt niet voor beroepscolleges als bedoeld inof als het een student betreft op wie, van toepassing is. 4 Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de te behalen studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid. 5 artikel 7.5.3 7.5.6 Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in. De artikelen 7.5.3 tot en metzijn van overeenkomstige toepassing. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.7b — Artikel 8.1.7b Ongeschiktheid voor toekomstige beroepsuitoefening#
Artikel 8.1.7b Ongeschiktheid voor toekomstige beroepsuitoefening 1 Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen beslissen de student niet in te schrijven of de inschrijving te beëindigen, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. 2 Het bevoegd gezag dan wel het bevoegd gezag van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.7c — Artikel 8.1.7c Schorsing#
Artikel 8.1.7c Schorsing 1 Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student voor ten hoogste twee weken schorsen. 2 Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de student of vavo-student bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van studenten en vavo-studenten. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.7d — Artikel 8.1.7d Verwijdering#
Artikel 8.1.7d Verwijdering 1 Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student van de instelling verwijderen. 2 Leerplichtwet 1969 artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 Het bevoegd gezag verwijdert een student of vavo-student op wie devan toepassing is pas definitief van de instelling nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere instelling, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling als bedoeld inbereid is de student of vavo-student toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan. 3 artikel 8.1.7c, eerste lid Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot verwijdering van een student of vavo-student schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan hem bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend. Voorafgaand aan de beslissing tot verwijdering kan de student of vavo-student worden geschorst. Deze schorsing kan de duur, bedoeld in, overschrijden. Het bevoegd gezag gaat in geval van schorsing na op welke andere manier de betrokken student of vavo-student onderwijs kan blijven volgen. 4 artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een student of vavo-student beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare instelling betreft in afwijking van, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de student of vavo-student in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, komen deze rechten ook toe aan diens ouders. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van studenten en vavo-studenten. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het
tweede lid in plaats van het derde lid.
Artikel 8.1.8 — Artikel 8.1.8 Melding verwijdering niet-leerplichtigen#
Artikel 8.1.8 Melding verwijdering niet-leerplichtigen Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.8a — Artikel 8.1.8a Melding verzuim niet-leerplichtigen#
Artikel 8.1.8a Melding verzuim niet-leerplichtigen Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.2.1 — Artikel 8.2.1 Vooropleidingseisen#
Artikel 8.2.1 Vooropleidingseisen 1 artikel 7.2.2, eerste lid artikel 8.2.2 Vereiste voor toelating tot een middenkaderopleiding als bedoeld in, is met inachtneming van het bepaalde krachtenshet bezit van: a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg, d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, f. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in, of g. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c een diploma vakopleiding, bedoeld in. 2 artikel 7.2.2, eerste lid Vereiste voor inschrijving voor een specialistenopleiding als bedoeld in, is het bezit van een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep of beroepencategorie. 3 artikel 7.2.2, eerste lid artikel 8.2.2 Vereiste voor toelating tot een vakopleiding als bedoeld in, is met inachtneming van het bepaalde krachtenshet bezit van: a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg, d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of f. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in. 4 artikel 7.2.2, eerste lid artikel 8.2.2 Vereiste voor toelating tot een basisberoepsopleiding als bedoeld in, is met inachtneming van het bepaalde krachtenshet bezit van: a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg, b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg, d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of f. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a een diploma entreeopleiding, bedoeld in. 5 Voor de toelating tot een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs gelden geen vooropleidingseisen. 6 Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen personen die niet voldoen aan de vooropleidingseis voor een basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding, vrijstellen van die vooropleidingseis, indien zij bij een onderzoek hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.2.2 — Artikel 8.2.2 Nadere vooropleidingseisen#
Artikel 8.2.2 Nadere vooropleidingseisen 1 In dit artikel en de daarop gebaseerde regelgeving wordt onder «diploma» verstaan: a. het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, b. het diploma voorbereidend beroepsonderwijs, c. het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs – voorbereidend beroepsonderwijs, of d. de diploma's voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. 2 artikel 8.2.1 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e artikelen 2.25 2.26 2.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Onverminderdkan een instelling voor de toelating tot een beroepsopleiding als bedoeld in, nadere vooropleidingseisen stellen, inhoudende dat het diploma van de student voldoet aan de profielen, bedoeld in de,en, alsmede dat vakken en andere programmaonderdelen deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma. 3 Indien een instelling gebruik maakt van de bevoegdheid bedoeld in het tweede lid kunnen uitsluitend nadere vooropleidingseisen worden gesteld die bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van studenten, dan wel kan worden bepaald dat de nadere vooropleidingseisen niet van toepassing zijn op categorieën van studenten. 4 Het aanwijzen van de in het derde lid bedoelde nadere vooropleidingseisen vindt plaats op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. 5 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met c Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de diploma’s van beroepsopleidingen, bedoeld in, in geval van doorstroom van een lager naar een hoger niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, met dien verstande dat er geen sprake is van een voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.2.2a — Artikel 8.2.2a Aanvullende eisen#
Artikel 8.2.2a Aanvullende eisen 1 Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet op de expertisecentra artikel 8.2.1 8.2.2 Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stellen ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs, bedoeld in de, of het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in derespectievelijk specifieke eisen stellen ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling opleidingen worden aangewezen die op daarbij aangegeven gronden eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld inen. 2 Het bevoegd gezag stelt een regeling vast voor de selectiecriteria en de selectieprocedure en stelt deze uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waar deze voor geldt, voor een ieder beschikbaar. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in het eerste lid. 3 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens voorschriften van procedurele aard worden vastgesteld. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.3.1 — Artikel 8.3.1 Voortijdige schoolverlater#
Artikel 8.3.1 Voortijdige schoolverlater Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.3.2 — Artikel 8.3.2 Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie door gemeente#
Artikel 8.3.2 Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie door gemeente Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.3.3 — Artikel 8.3.3 Informatie over voortijdig schoolverlaten#
Artikel 8.3.3 Informatie over voortijdig schoolverlaten Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.3.4 — Artikel 8.3.4 Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overleg en regionale maatregelen#
Artikel 8.3.4 Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overleg en regionale maatregelen Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.3.5 — Artikel 8.3.5 Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs#
Artikel 8.3.5 Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs Vervallen 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.4.1 — Artikel 8.4.1 Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo#
Artikel 8.4.1 Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo 1 artikel 2.103 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet voortgezet onderwijs 2020 Leer-werktrajecten als bedoeld inworden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deen het bevoegd gezag van een instelling. 2 artikel 2.104 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4.2 — Artikel 8.4.2 Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo#
Artikel 8.4.2 Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo 1 artikel 2.102, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet voortgezet onderwijs 2020 De entreeopleiding, bedoeld in, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de. 2 artikel 2.102, vijfde lid en zevende lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan het gestelde bij of krachtens. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022 Abusievelijk is voor het tweede lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 8.5.1 — Artikel 8.5.1 Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten VSO#
Artikel 8.5.1 Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten VSO 1 artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.71, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet op de expertisecentra Leer-werktrajecten, ingevolge, dan wel ingevolge, worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in dewordt verzorgd en het bevoegd gezag van een instelling. 2 artikel 2.104 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.5.2 — Artikel 8.5.2 Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het VSO#
Artikel 8.5.2 Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het VSO 1 artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.71, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet op de expertisecentra De entreeopleiding, ingevolge, dan wel ingevolge, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in dewordt verzorgd. 2 artikel 2.102, vijfde lid en zevende lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan het gestelde bij of krachtens. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022 Abusievelijk is voor het tweede lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 8.6.1 — Artikel 8.6.1 Samenwerkingscollege#
Artikel 8.6.1 Samenwerkingscollege Een samenwerkingscollege wordt gevormd op grondslag van een schriftelijke overeenkomst tussen de bevoegde gezagsorganen van de samenwerkende instellingen, waarbij in ieder geval afspraken zijn gemaakt over: a. de beroepsopleidingen, waaronder de soorten leerwegen, dan wel de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die in het samenwerkingscollege worden verzorgd, het onderwijsprogramma en de examinering van de desbetreffende opleidingen; b. de leiding van het samenwerkingscollege, waaronder de samenstelling, de wijze van benoeming en de taken en bevoegdheden die namens de deelnemende instellingen zijn opgedragen aan die leiding; c. de wijze waarop de leiding van het samenwerkingscollege inlichtingen verstrekt en verantwoording aflegt aan de bevoegde gezagsorganen van de deelnemende instellingen; d. de organisatorische en onderwijskundige inrichting van het samenwerkingscollege, waaronder de inzet van personeel en het gebruik van faciliteiten van de deelnemende instellingen; e. de toerekening van baten en lasten; f. de wijze van geschillenbeslechting tussen de deelnemende instellingen over de uitvoering van de overeenkomst, en g. de voorwaarden waaronder een andere instelling partij kan worden bij de samenwerkingsovereenkomst, de overeenkomst kan worden opgezegd of ontbonden alsmede de wijze waarop de overeenkomst overigens kan worden gewijzigd, telkens met oog voor het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen voor de studenten en vavo-studenten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.6.2 — Artikel 8.6.2 Grens aan samenwerking en meldplicht#
Artikel 8.6.2 Grens aan samenwerking en meldplicht 1 Een instelling kan een of meer beroepsopleidingen of opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen binnen een samenwerkingscollege, zolang niet meer dan 40% van haar ingeschreven studenten en vavo-studenten onderwijs volgt in zo’n college. 2 Een instelling die de grens nadert, bedoeld in het eerste lid, doet daarvan onverwijld schriftelijk melding aan Onze Minister. 3 De verplichting, bedoeld in het tweede lid, is ook van toepassing op een instelling die voornemens is de samenwerking op te zeggen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.6.3 — Artikel 8.6.3 Regeling onderwijsprogramma en examens#
Artikel 8.6.3 Regeling onderwijsprogramma en examens 1 artikel 7.4.8 De onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, is gelijkluidend voor iedere student of vavo-student die een beroepsopleiding of opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan een samenwerkingscollege volgt, ongeacht de instelling waar hij is ingeschreven. 2 artikel 7.4.5 De bevoegde gezagsorganen van de deelnemende instellingen wijzen één examencommissie als bedoeld inaan of stellen gezamenlijk een examencommissie in voor de examinering van opleidingen die in een samenwerkingscollege worden verzorgd. 3 artikel 7.5.1 Er is slechts een commissie van beroep voor de examens als bedoeld inbevoegd voor de beoordeling van examenbeslissingen omtrent studenten en vavo-studenten aan een samenwerkingscollege. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.1.1 — Artikel 8a.1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 8a.1.1 Begripsbepalingen 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. artikel 8a.1.2, eerste lid studentenraad: de studentenraad, bedoeld in; b. artikel 8a.3.1, eerste lid reglement: het reglement voor de raad, bedoeld in; c. artikel 8a.4.1, eerste lid commissie: de landelijke geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in. 2 Voor de toepassing van hoofdstuk 8a wordt onder student mede begrepen een leerling van een school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 8a.1.1a — Artikel 8a.1.1a Overleg met studentenorganisaties#
Artikel 8a.1.1a Overleg met studentenorganisaties Onze Minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 8a.1.2 — Artikel 8a.1.2 Studentenraad#
Artikel 8a.1.2 Studentenraad 1 Aan elke instelling en aan elke school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap is een studentenraad verbonden. De studentenraad behartigt de belangen van de studenten en vavo-studenten in de instelling en van de leerlingen in de school. Indien sprake is van een verticale scholengemeenschap is de studentenraad verbonden aan de verticale scholengemeenschap en behartigt de studentenraad ook de belangen van de leerlingen van de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap. 2 De studentenraad bestaat uit een oneven aantal leden die uit en door de studenten en vavo-studenten worden gekozen. 3 De verkiezing van de leden van de studentenraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. 4 Alle studenten en vavo-studenten die bij de instelling zijn ingeschreven, zijn kiesgerechtigd voor de studentenraad en kunnen zich daarvoor verkiesbaar stellen. 5 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden, voormalige leden en kandidaat-leden van de studentenraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap of vroegere lidmaatschap daarvan, dan wel hun kandidatuur voor dat lidmaatschap, worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de instelling. 6 De studentenraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de studentenraad in rechte. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 258 13-09-2024 03-09-2024 14-09-2024
Artikel 8a.1.3 — Artikel 8a.1.3 Ouderraad#
Artikel 8a.1.3 Ouderraad 1 Indien ten minste 25 ouders van vavo-studenten of studenten van een instelling daarom verzoeken, stelt het bevoegd gezag een ouderraad in. 2 Aan elke verticale scholengemeenschap is een ouderraad verbonden. 3 De ouderraad behartigt in het bijzonder de belangen van de minderjarigen die onderwijs volgen. 4 Indien een instelling zich met een school of scholengemeenschap verenigt tot een verticale scholengemeenschap, maakt de oudergeleding van de medezeggenschapsraad van die school van rechtswege deel uit van de ouderraad tot de eerstvolgende verkiezingen. 5 Het bevoegd gezag legt de bevoegdheden van een ouderraad vast in het medezeggenschapsstatuut. Indien een situatie als bedoeld in het vierde lid zich voordoet, wordt het medezeggenschapsstatuut binnen vier maanden opnieuw vastgesteld. 6 artikelen 8a.1.1 8a.1.2, met uitzondering van het eerste lid 8a.2.1 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a titel 4 van hoofdstuk 8a Op de ouderraad zijn de,,,, envan overeenkomstige toepassing. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 8a.1.4 — Artikel 8a.1.4 Zorgplicht medezeggenschap; medezeggenschapsstatuut#
Artikel 8a.1.4 Zorgplicht medezeggenschap; medezeggenschapsstatuut 1 Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat binnen de instelling een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van studenten en vavo-studenten en, in voorkomende gevallen, ouders plaats kan vinden waarbij ten minste wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de verkiezingen zijn zodanig geregeld dat deze kunnen leiden tot een studentenraad of, in voorkomende gevallen, een ouderraad die een representatieve vertegenwoordiging van studenten, vavo-studenten of in voorkomende gevallen ouders vormt; b. de medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling. 2 artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a Het bevoegd gezag legt de inrichting van de medezeggenschap telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast in een medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is, van overeenkomstige toepassing op de ondernemingsraad. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.1.5 — Artikel 8a.1.5 Bijeenkomst studentenraad, ondernemingsraad en ouderraad#
Artikel 8a.1.5 Bijeenkomst studentenraad, ondernemingsraad en ouderraad 1 Het bevoegd gezag stelt de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid gezamenlijk de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken. 2 Het bevoegd gezag, de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad komen voorts met elkaar bijeen indien daarom onder opgave van redenen door één of meer der raden wordt verzocht. 3 artikel 8a.4.1, eerste lid In geval van een voornemen tot een fusie komen het bevoegd gezag, de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad bijeen om dat voornemen te bespreken. De bespreking is gericht op het bereiken van overeenstemming. Indien overeenstemming wordt bereikt, wordt dit aangemerkt als instemming met het voornemen tot fusie. Bij het ontbreken van overeenstemming wordt dit aangemerkt als het onthouden van instemming. In het laatste geval kan elk van de studenten en vavo-studenten aan de bespreking het geschil voorleggen aan de geschillencommissie, bedoeld in. 4 Indien geen overeenstemming wordt bereikt, hebben de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad elk afzonderlijk adviesrecht ten aanzien van het voornemen tot fusie, onverminderd het recht het geschil voor te leggen aan de in het vorige lid bedoelde geschillencommissie. 5 artikel 2.1.10, derde lid Het bevoegd gezag stelt de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan de gezamenlijke bijeenkomst, bedoeld in het derde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 8a.1.6 — Artikel 8a.1.6 Instemmingsrecht hoofdlijnen jaarlijkse begroting#
Artikel 8a.1.6 Instemmingsrecht hoofdlijnen jaarlijkse begroting 1 Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting van een gezamenlijke vergadering van de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. 2 Artikelen 8a. 3.1, tweede lid, aanhef en onderdeel f, en derde lid Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast., zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels of nadere regels worden vastgesteld omtrent: a. hetgeen wordt verstaan onder hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting; b. situaties waarin het instemmingsrecht, bedoeld in het eerste lid, niet wordt uitgeoefend; c. de termijn waarbinnen tot instemming of onthouding van de instemming moet worden besloten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.2.1 — Artikel 8a.2.1 Algemene bevoegdheden#
Artikel 8a.2.1 Algemene bevoegdheden 1 Het bevoegd gezag stelt de studentenraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken. Het bevoegd gezag en de studentenraad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het bevoegd gezag of de studentenraad. 2 De studentenraad is bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden, de instelling betreffende. Hij is bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken, alsmede het bevoegd gezag te verplichten daarover een standpunt in te nemen en bekend te maken. 3 Het bevoegd gezag verstrekt de studentenraad desgevraagd tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. 4 Het bevoegd gezag draagt zorg voor de voorzieningen die de studentenraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. 5 De studentenraad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de instelling betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 8a.2.1a — Artikel 8a.2.1a Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid#
Artikel 8a.2.1a Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de studentenraad, wijst het bevoegd gezag de studentenraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 8a.2.2 — Artikel 8a.2.2 Bijzondere bevoegdheden: instemming, advies en hoorplicht#
Artikel 8a.2.2 Bijzondere bevoegdheden: instemming, advies en hoorplicht 1 De studentenraad heeft de volgende bijzondere bevoegdheden: a. het verlenen van instemming aan een door het bevoegd gezag voorgenomen beslissing als bedoeld in het derde lid; b. het uitbrengen van advies over een door het bevoegd gezag voorgenomen beslissing als bedoeld in het vierde lid. 2 De bijzondere bevoegdheden zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de instelling reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift. 3 De studentenraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van: a. het medezeggenschapsstatuut; b. het studentenstatuut en de huisregels voor studenten en vavo-studenten; c. de beroeps- en klachtenregelingen voor studenten en vavo-studenten; d. de hoogte en de besteding van de vrijwillige ouder- of studentbijdrage, alsmede de wijze waarop deze bijdrage tussen student of vavo-student en bevoegd gezag wordt overeengekomen; e. de wijze waarop informatie wordt gegeven over de inhoud, planning en organisatie van het onderwijs en de examens; f. vervallen; g. vervallen; h. de model-praktijkovereenkomst; i. vervallen; j. de wijze van vastleggen van studievorderingen van studenten en vavo-studenten en in dat verband het beleid met betrekking tot bescherming van de privacy van studenten en vavo-studenten; k. de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de studenten en vavo-studenten betreffen; l. artikel 8a.3.1, derde lid het reglement voor de studentenraad, met inachtneming van; m. artikel 7.2.7, derde of vierde lid het onderwijsprogramma indien dit minder uren als bedoeld in, omvat; n. vervallen; o. artikel 8.1.5 het beleid bij de toepassing van; p. artikel 2.60 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het vaststellen of wijzigen van een examenreglement voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in; q. artikelen 2.60a tot en met 2.60c van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het vaststellen of wijzigen van een programma van toetsing en afsluiting voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de; r. artikel 2.92 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 de vaststelling van de schoolgids, bedoeld in, voor een school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap. 4 De studentenraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van: a. inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen, samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen en vorming, wijziging of beëindiging van een verticale scholengemeenschap; b. verandering van de grondslag van de instelling; c. werkomstandigheden en voorzieningen voor studenten en vavo-studenten binnen de instelling; d. het beleid met betrekking tot intake- en assessmentprocedures; e. de rol van studenten en vavo-studenten bij de interne kwaliteitszorg en zelfevaluatie; f. artikel 6.1.3a de te verstrekken informatie aan aspirant-studenten van beroepsopleidingen, bedoeld in; g. artikel 8.2.2a de regeling die het bevoegd gezag vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure, bedoeld in. 5 In het reglement kunnen andere, nader te omschrijven onderwerpen worden opgenomen ten aanzien waarvan een van de bijzondere bevoegdheden aan de studentenraad wordt toegekend. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 8a.2.2a — Artikel 8a.2.2a Advies#
Artikel 8a.2.2a Advies artikel 8a.2.2 Indien een te nemen beslissing op grond vanvooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de studentenraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat: a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming, b. de studentenraad in de gelegenheid wordt gesteld met het bevoegd gezag overleg te voeren voordat dit advies wordt uitgebracht, c. de studentenraad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en d. de studentenraad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met het bevoegd gezag te voeren alvorens de beslissing definitief wordt genomen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.2.3 — Artikel 8a.2.3 Fusie-effectrapportage#
Artikel 8a.2.3 Fusie-effectrapportage artikel 8a.2.2, vierde lid, onder a artikel 2.1.10, derde lid De studentenraad neemt voorafgaand aan de uitoefening van de adviesbevoegdheid, bedoeld in, voor zover het betreft fusie en overdracht van de instelling, kennis van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.2.4 — Artikel 8a.2.4 Advies- en instemmingsbevoegdheden ouderraad vsg#
Artikel 8a.2.4 Advies- en instemmingsbevoegdheden ouderraad vsg 1 Een ouderraad van een verticale scholengemeenschap heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van: a. de vaststelling van de schoolgids voor een school; b. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders wordt gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat dan wel zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan; c. artikel 2.110 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de ouders worden gevraagd voor schoolkosten, met uitzondering van lesmateriaal als bedoeld in, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden; d. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders; e. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen het bevoegd gezag en ouders. 2 De ouderraad van een verticale scholengemeenschap heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van: a. regeling van de gevolgen voor ouders met betrekking tot een aangelegenheid omtrent beëindiging, belangrijke inkrimping, uitbreiding van werkzaamheden van een school of een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake; b. regeling van de gevolgen voor ouders van het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere school of instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake; c. verandering of omzetting van de grondslag van de school, of een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake. 3 Artikel 8a.2.2, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 258 13-09-2024 03-09-2024 14-09-2024
Artikel 8a.3.1 — Artikel 8a.3.1 Reglement studentenraad#
Artikel 8a.3.1 Reglement studentenraad 1 Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften in dit hoofdstuk, voor een periode van telkens vijf jaar een reglement voor de studentenraad vast. Het reglement kan tussentijds worden gewijzigd. 2 In het reglement worden in ieder geval regels gesteld omtrent: a. het aantal leden van de studentenraad; b. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de studentenraad; c. de zittingsduur van de leden van de studentenraad; d. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de studentenraad hun uit het lidmaatschap van de studentenraad voortvloeiende verplichtingen nakomen; e. artikel 8a.2.1, tweede lid de voorstellen van de studentenraad, bedoeld in, waarover het bevoegd gezag een standpunt inneemt, en de termijnen daarvoor; f. het verschaffen van informatie door het bevoegd gezag aan de studentenraad; g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming moet worden besloten, en de termijnen binnen welke advies moet worden uitgebracht; h. het toekennen van eventuele andere bevoegdheden aan de studentenraad. 3 Het bevoegd gezag legt het reglement, alsmede elke wijziging ervan, als voorstel aan de studentenraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de studentenraad heeft verworven. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.4.1 — Artikel 8a.4.1 Landelijke geschillencommissie medezeggenschap#
Artikel 8a.4.1 Landelijke geschillencommissie medezeggenschap 1 Er is een landelijke geschillencommissie medezeggenschap, waarbij elke instelling is aangesloten. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter, en drie plaatsvervangende leden. 2 Onze Minister benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar. 3 Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de gezamenlijke bevoegde gezagsorganen van de instellingen en een lid en een plaatsvervangend lid op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de studentenraden van de instellingen. Deze twee leden doen een bindende voordracht voor het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger. 4 artikel 8a.4.2, onderdeel a Indien sprake is van een geschil als bedoeld in, voor zover het betreft het ontbreken van de vereiste instemming van de ondernemingsraad met het medezeggenschapsstatuut, wordt voor de duur van behandeling van dat geschil een lid benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de ondernemingsraden van de instellingen. 5 De leden en de plaatsvervangende leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag of van de studentenraad van een instelling. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.4.2 — Artikel 8a.4.2 Competentie commissie#
Artikel 8a.4.2 Competentie commissie De commissie neemt kennis van de volgende geschillen: a. artikel 8a.2.2, derde lid op verzoek van het bevoegd gezag of van de studentenraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van een voorgenomen beslissing als bedoeld in, niet de vereiste instemming heeft verworven; b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de studentenraad, indien het bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de interpretatie van hoofdstuk 8a dan wel het reglement; c. artikel 8a.2.2, vierde lid artikel 8a.5.1 op verzoek van de studentenraad, indien het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen waarover ingevolge, ofjuncto artikel 8a.2.2 advies door de studentenraad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel heeft gevolgd en de studentenraad van oordeel is dat daardoor de belangen van de studenten en vavo-studenten, van de studentenraad of van de instelling ernstig worden geschaad. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.4.3 — Artikel 8a.4.3 Bevoegdheden en procedure commissie#
Artikel 8a.4.3 Bevoegdheden en procedure commissie 1 artikel 8a.2.2, derde lid Voor zover aan een voorgenomen beslissing van het bevoegd gezag als bedoeld in, de vereiste instemming is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de studentenraad dan wel de studentenraad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel. Het voorstel vervalt eveneens, indien door het bevoegd gezag aan de studentenraad dan wel door de studentenraad aan het bevoegd gezag is meegedeeld dat het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie en het voorstel niet binnen zes weken na het doen van deze mededeling daadwerkelijk wordt voorgelegd aan de commissie. 2 artikel 8a.4.2, onderdeel a Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in, geschiedt dit onder overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag aan de orde zijn, en stelt de commissie de studentenraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen. Indien de studentenraad een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen. 3 De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de studentenraad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag of de studentenraad te kennen geeft daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van zowel het bevoegd gezag als de studentenraad, stelt zij vast, indien het betreft een geschil als bedoeld in: a. artikel 8a.4.2, onderdeel a : of de studentenraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen; b. artikel 8a.4.2, onderdeel b : welke interpretatie aan dit hoofdstuk of het reglement moet worden gegeven; c. artikel 8a.4.2, onderdeel c : of het bevoegd gezag bij afweging van betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen en of de beslissing al dan niet in stand kan blijven. 4 Voor zover de commissie van oordeel is dat het voorstel van het bevoegd gezag niet in redelijkheid tot stand is gekomen, geeft zij aan hoe het voorstel moet worden gewijzigd. 5 artikel 8a.4.4 Onverminderdis een vaststelling van de commissie als bedoeld in het derde lid, voor het bevoegd gezag en de studentenraad bindend. Zo nodig neemt het bevoegd gezag met inachtneming van de vaststelling van de commissie een nieuwe beslissing. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 8a.4.4 — Artikel 8a.4.4 Procesbevoegdheid studentenraad#
Artikel 8a.4.4 Procesbevoegdheid studentenraad 1 hoofdstuk 8a artikel 8a.4.3 De studentenraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de studentenraad, voortvloeiend uit. Tegen een uitspraak van de commissie op grond vanstaat beroep open. 2 Een vordering of beroep als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. 3 Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand nadat het bevoegd gezag of de studentenraad van de uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld. 4 Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de commissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet. 5 Tegen een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen beroep in cassatie worden ingesteld. 6 artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanenkan de studentenraad niet in de proceskosten worden veroordeeld. 7 artikel 8a.4.3 In dit artikel wordt onder «uitspraak» verstaan: een vaststelling of oordeel van de commissie als bedoeld in. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.4.5 — Artikel 8a.4.5 Geschillenregeling adviesbevoegdheid profielen raad van toezicht#
Artikel 8a.4.5 Geschillenregeling adviesbevoegdheid profielen raad van toezicht artikel 3.1.4, tweede lid Deze titel is van overeenkomstige toepassing op een advies als bedoeld in. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 8a.4.6 — Artikel 8a.4.6 Geschillen instemmingsrecht hoofdlijnen begroting#
Artikel 8a.4.6 Geschillen instemmingsrecht hoofdlijnen begroting artikel 8a.1.6 Deze titel is van overeenkomstige toepassing op geschillen die voortvloeien uit, met dien verstande dat: a. onder «studentenraad» wordt verstaan: de gezamenlijke vergadering; b. voor zover de geschillencommissie de behandeling van het geschil niet voor 1 januari van het jaar waarop de begroting betrekking heeft, heeft afgerond, het bevoegd gezag totdat de geschillencommissie een besluit heeft genomen, voor het doen van uitgaven in dat jaar kan beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die in de overeenkomstige begrotingsonderdelen van het voorgaande jaar waren opgenomen; c. indien beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de geschillencommissie en de ondernemingskamer op 1 januari van het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, nog geen uitspraak heeft gedaan, het bevoegd gezag, totdat de ondernemingskamer uitspraak heeft gedaan of als de uitspraak van de ondernemingskamer leidt tot het opstellen van een nieuwe begroting, totdat een nieuwe begroting is vastgesteld, voor het doen van uitgaven kan beschikken over de bedragen die daarvoor zijn geraamd in de begroting waarover de ondernemingskamer oordeelt of heeft geoordeeld. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8a.5.1 — Artikel 8a.5.1 Afwijkingen in verband met eigen aard#
Artikel 8a.5.1 Afwijkingen in verband met eigen aard 1 artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel l artikel 8a.3.1 Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de instelling ten grondslag ligt, kan het bevoegd gezag in het reglement een aan de studentenraad toekomend instemmingsrecht omzetten in een adviesrecht. In afwijking van, junctostelt het bevoegd gezag het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast nadat het hierover advies heeft ontvangen van de studentenraad. Het bevoegd gezag kan slechts toepassing geven aan de eerste volzin indien een meerderheid van twee derden van de studenten en vavo-studenten dat ondersteunt. 2 De mogelijkheid tot afwijking, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen indien de gronden waarop zij berustte niet langer aanwezig zijn dan wel indien zij niet langer worden ondersteund door een meerderheid van twee derden van de studenten en vavo-studenten. 3 Het bevoegd gezag toetst elke vijf jaar de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de afwijking en de ondersteuning ervan. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 9.1.1 — Artikel 9.1.1 Begripsbepaling#
Artikel 9.1.1 Begripsbepaling artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.7 van die wet In deze paragraaf wordt verstaan onder school: school voor mavo als bedoeld inof school voor vbo als bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.1.
Artikel 9.1.2 — Artikel 9.1.2 Doorlopende leerroutes vmbo-mbo#
Artikel 9.1.2 Doorlopende leerroutes vmbo-mbo 1 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, c en d Het bevoegd gezag van een instelling kan een beroepsopleiding als bedoeld in, aanbieden in een doorlopende leerroute vmbo-mbo. 2 artikel 2.58, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een doorlopende leerroute vmbo-mbo is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school, dat opleidt tot zowel een diploma vmbo als bedoeld inals het diploma van een basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding. 3 In een doorlopende leerroute vmbo-mbo worden tot één onderwijsprogramma geïntegreerd: a. de basisberoepsgerichte leerweg en een basisberoepsopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie; b. de kaderberoepsgerichte leerweg en een vakopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie; c. de kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg en een middenkaderopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.2.
Artikel 9.1.3 — Artikel 9.1.3 Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 9.1.3 Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo 1 Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt verzorgd door het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school gezamenlijk op grond van een samenwerkingsovereenkomst. 2 artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid voldoet aan. 3 artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van de onderdelen h en i van dat lid Indien de doorlopende leerroute vmbo-mbo volledig wordt verzorgd binnen een verticale scholengemeenschap regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.3.
Artikel 9.1.4 — Artikel 9.1.4 Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 9.1.4 Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo Het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school melden gezamenlijk aan Onze Minister dat zij een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.4.
Artikel 9.1.5 — Artikel 9.1.5 Inrichting doorlopende leerroute#
Artikel 9.1.5 Inrichting doorlopende leerroute 1 artikel 8.1.1, eerste lid Aan een leerling van een school kunnen delen van het onderwijsprogramma van de doorlopende leerroute vmbo-mbo en examens worden aangeboden die behoren tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van die doorlopende leerroute, zonder inschrijving als bedoeld in. 2 Een student in de doorlopende leerroute vmbo-mbo kan in de gelegenheid worden gesteld om delen van het onderwijsprogramma te volgen en examens af te leggen die behoren tot het voortgezet onderwijs dat deel uitmaakt van die doorlopende leerroute. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.5.
Artikel 9.1.6 — Artikel 9.1.6 Inschrijving bij de instelling#
Artikel 9.1.6 Inschrijving bij de instelling 1 2 artikel 7.4.8, vierde lid Voor de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, is het studentenstatuut, bedoeld in, reeds van toepassing op een leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt. artikel 8.1.1a De leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt wordt met ingang van het derde studiejaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo ingeschreven als student aan de instelling die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. In afwijking van, eerste lid, eerste volzin, overlegt de school de gegevens, bedoeld in die volzin. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.7.
Artikel 9.1.7 — Artikel 9.1.7 Verantwoordelijkheid van de instelling#
Artikel 9.1.7 Verantwoordelijkheid van de instelling 1 Het bevoegd gezag van de instelling draagt de gehele studieduur van de doorlopende leerroute vmbo-mbo zorg voor: a. de uitvoering van delen van het onderwijsprogramma die behoren tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van de doorlopende leerroute vmbo-mbo, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming; b. de examinering en diplomering betreffende de beroepsopleiding die deel uitmaakt van de doorlopende leerroute vmbo-mbo. 2 artikelen 2.5.5 2.5.5a, eerste, vierde, negende, tiende en twaalfde tot en met vijftiende lid artikelen 10 12 14 15 25 van de Wet register onderwijsdeelnemers Ten aanzien van de onderdelen van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, bedoeld in het eerste lid, die in het eerste of tweede studiejaar van die route plaatsvinden, is van overeenkomstige toepassing hetgeen is bepaald bij of krachtens deen, alsmede het bepaalde bij of krachtens de,,,en. 3 Artikel 7.4.8a artikel 9.1.3 artikel 7.4.8a, derde lid is van overeenkomstige toepassing op klachten over met de doorlopende leerroute vmbo-mbo verband houdende gedragingen van het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld inis gesloten, of van de ten behoeve van die school met taken belaste personen. Onverminderd, maken de leden van de klachtencommissie geen deel uit van het bevoegd gezag van de school en is de voorzitter van de klachtencommissie niet werkzaam voor of bij dat bevoegd gezag. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.8.
Artikel 9.1.8 — Artikel 9.1.8 Onderwijs- en examenregeling#
Artikel 9.1.8 Onderwijs- en examenregeling 1 artikel 7.4.8, tweede lid, en lid 2a In het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld indie wordt opgesteld ten aanzien van een doorlopende leerroute, beschrijft het bevoegd gezag van de instelling samen met het bevoegd gezag van de school voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per studiejaar. Daarbij wordt vermeld welke onderdelen van het onderwijsprogramma en van het examen: a. voortgezet onderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is; b. beroepsonderwijs betreffen; c. een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen voortgezet onderwijs onderscheidenlijk beroepsonderwijs betreft. 2 artikel 9.1.12 Bij de beschrijving van het onderwijsprogramma wordt tevens vermeld bij welk deel gebruik wordt gemaakt van de teambevoegdheid, bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.9.
Artikel 9.1.9 — Artikel 9.1.9 Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 9.1.9 Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo 1 artikelen 2.6, derde lid 2.7, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid In afwijking van de, enen, bedraagt de studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school: a. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een eenjarige basisberoepsopleiding ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren; b. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een tweejarige basisberoepsopleiding of tweejarige vakopleiding ten minste drie en ten hoogste vier volledige studiejaren; c. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een driejarige vakopleiding of de middenkaderopleiding ten minste vier en ten hoogste vijf volledige studiejaren; d. artikel 7.2.4a, vierde lid voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een middenkaderopleiding als bedoeld in, ten minste vijf en ten hoogste zes volledige studiejaren. 2 Wet voortgezet onderwijs 2020 Ten aanzien van de opleiding voorbereidend beroepsonderwijs of middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «studieduur» mede verstaan «cursusduur als bedoeld in de» en wordt onder «volledig studiejaar» mede verstaan «jaar». 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.10.
Artikel 9.1.10 — Artikel 9.1.10 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)#
Artikel 9.1.10 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL) 1 artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid In afwijking vanenomvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg deel uitmaakt: a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 2.000 klokuren, waarvan ten minste 1.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming; b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 3.000 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming; c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren ten minste 4.000 klokuren, waarvan ten minste 2.950 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren aan beroepspraktijkvorming; d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 5.000 klokuren, waarvan ten minste 3.500 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren aan beroepspraktijkvorming; e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 6.000 klokuren, waarvan ten minste 4.050 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.350 klokuren aan beroepspraktijkvorming. 2 artikel 2.5.4 artikel 1.4.1, eerste lid artikel 1.4.1, zevende lid Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld indan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in. 3 artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.11.
Artikel 9.1.11 — Artikel 9.1.11 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)#
Artikel 9.1.11 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL) 1 artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin artikel 8.1.1, derde lid In afwijking vanen, en onverminderd, omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg deel uitmaakt: a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 1.850 klokuren, waarvan ten minste 900 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming; b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 2.850 klokuren, waarvan ten minste 2.200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming; c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren 3.700 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.220 klokuren aan beroepspraktijkvorming; d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 4.550 klokuren, waarvan ten minste 2.600 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.830 klokuren aan beroepspraktijkvorming; e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minste 2.800 begeleide onderwijsuren en ten minste 2.300 klokuren aan beroepspraktijkvorming. 2 artikel 2.5.4 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld indan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 3 artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.12.
Artikel 9.1.12 — Artikel 9.1.12 Teambevoegdheid#
Artikel 9.1.12 Teambevoegdheid artikel 9.1.8, eerste lid, onderdeel a artikel 7.13a van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Voor de vakoverstijgende delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in, en voor de delen van het onderwijsprogramma die een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, bedoeld artikel 9.1.8, eerste lid, onderdeel c, kan, voor zover wordt voldaan aan, worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijsprogramma. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.13.
Artikel 9.1.13 — Artikel 9.1.13 Verwijdering#
Artikel 9.1.13 Verwijdering Leerplichtwet 1969 artikel 8.1.7d, tweede lid Op een student aan een doorlopende leerroute op wie deniet van toepassing is, is, van overeenkomstige toepassing, indien hij nog geen vmbo-diploma heeft behaald. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.14.
Artikel 9.1.14 — Artikel 9.1.14 Overstapoptie#
Artikel 9.1.14 Overstapoptie 1 Indien deelname van de student aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de student. 2 artikelen 8.1.1c 8.2.1 8.2.2 8.2.2a Indien de student ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling, zijn de,,enniet van toepassing. 3 Het eerste lid is niet van toepassing indien de student definitief van de instelling wordt verwijderd. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.15.
Artikel 9.1.15 — Artikel 9.1.15 Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 9.1.15 Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo artikel 9.1.3 Het bevoegd gezag van de instelling kan met het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo een deel van de rijksbijdrage over te dragen aan dat andere bevoegd gezag. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.16.
Artikel 9.1.16 — Artikel 9.1.16 Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 9.1.16 Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo artikelen 8.0.1 8.0.3 8.0.4 8.1.1c 8.1.7a 8.2.1 8.2.2 8.2.2a De,,,,,,enzijn niet van toepassing op een doorlopende leerroute vmbo-mbo. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5a.17.
Artikel 9.1.17 — Artikel 9.1.17 Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding#
Artikel 9.1.17 Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding 1 artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in. 2 artikel 2.107l artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aanin samenhang met. 3 Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1 , is van overeenkomstige toepassing op een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.4.3.
Artikel 9.1.18 — Artikel 9.1.18 Samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroute VSO-mbo#
Artikel 9.1.18 Samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroute VSO-mbo 1 artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.107a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet op de expertisecentra De doorlopende leerroute ingevolgedan wel, in samenhang met, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in dewordt verzorgd. 2 artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aanin samenhang met. 3 Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1 , is van overeenkomstige toepassing op een doorlopende leerroute als bedoeld in het eerste lid. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5.4.
Artikel 9.1.19 — Artikel 9.1.19 Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding#
Artikel 9.1.19 Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding 1 artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.107l, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet op de expertisecentra De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding ingevolgedan wel, in samenhang met, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in dewordt verzorgd. 2 artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aanin samenhang met. 3 Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1 , is van overeenkomstige toepassing op de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in het eerste lid. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 Voorheen art. 8.5.3.
Artikel 9.1.20 — Artikel 9.1.20 Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs#
Artikel 9.1.20 Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs artikel 2.47, tiende lid, tweede volzin, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag neemt deel aan het overleg, bedoeld in, indien de instelling één of meer vestigingen heeft in het gebied van het desbetreffende samenwerkingsverband en stemt het ondersteuningsaanbod af op de afspraken die zijn gemaakt in dat overleg. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.1 — Artikel 9.2.1 Doelgroep#
Artikel 9.2.1 Doelgroep Deze paragraaf is van toepassing op degene: a. paragraaf 2 2a van de Leerplichtwet 1969 op wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld inonderscheidenlijk, niet meer van toepassing is en die jonger is dan 27 jaar; b. die geen startkwalificatie heeft behaald; en c. die: 1°. het onderwijs waarvoor hij is ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt; of 2°. Wet op het onderwijstoezicht niet is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in de. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.2 — Artikel 9.2.2 Melding verzuim zonder geldige reden#
Artikel 9.2.2 Melding verzuim zonder geldige reden 1 artikel 9.2.1, onderdelen a en b artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Indien een student of vavo-student die voldoet aan, het beroepsonderwijs of het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan de instelling ten minste vier aaneengesloten weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, ontstaat voor het bevoegd gezag de leveringsverplichting, bedoeld in. 2 artikel 8.1.7, negende lid Onder een geldige reden voor afwezigheid wordt in ieder geval verstaan een van de redenen, bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.3 — Artikel 9.2.3 Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders#
Artikel 9.2.3 Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag geeft uiterlijk binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt alle inlichtingen die het college van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van deze paragraaf redelijkerwijs nodig heeft. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.4 — Artikel 9.2.4 Regionale samenwerking#
Artikel 9.2.4 Regionale samenwerking 1 Voor de uitvoering van deze paragraaf werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij ministeriële regeling vastgestelde regio’s. 2 De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onmiddellijk gemeld aan Onze Minister. 3 Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervult coördinerende taken bij de uitvoering van deze paragraaf. In dat verband: a. maakt het over de inzet en verantwoordelijkheid bij de uitvoering van deze paragraaf afspraken met: 1°. instellingen; 2°. Wet op de expertisecentra instellingen en scholen als bedoeld in de; 3°. Wet voortgezet onderwijs 2020 scholen als bedoeld in de; 4°. organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van personen tot 27 jaar; en 5°. artikel 10, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen centrumgemeenten van de betrokken arbeidsmarktregio’s, vastgesteld krachtens; b. draagt het zorg voor het tot stand komen van een regionaal netwerk van die instellingen, scholen, organisaties en gemeenten; c. artikelen 9.2.5 9.2.8 organiseert en coördineert het de activiteiten, bedoeld in deen; en d. artikel 9.2.5 artikel 9.2.7 artikel 9.2.8 stelt het beleid vast dat de hoofdzaken bevat van de uitvoering vanmet aandacht voor een zorgvuldige omgang met de persoonsgegevens, bedoeld in, en houdt het bij het vaststellen van dat beleid rekening met het regionaal programma, bedoeld in. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bedoeld in het derde lid. 5 Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, draagt het college van burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle bescheiden met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf uiterlijk binnen vier weken over aan het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe contactgemeente. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.5 — Artikel 9.2.5 Ondersteunen van jongeren zonder startkwalificatie door college van burgemeester en wethouders#
Artikel 9.2.5 Ondersteunen van jongeren zonder startkwalificatie door college van burgemeester en wethouders 1 artikel 9.2.1 Het college van burgemeester en wethouders kan ondersteuning bieden aan de persoon, bedoeld in, gericht op het terugleiden naar onderwijs. 2 artikel 7a van de Participatiewet Indien het terugleiden naar onderwijs niet passend is, kan het college van burgemeester en wethouders de persoon ondersteunen bij het vinden van werk of doorgeleiden naar ondersteuning op grond van. 3 Voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het eerste en het tweede lid, verwerkt het college van burgemeester en wethouders de volgende persoonsgegevens: a. artikel 21, eerste, derde en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers gegevens als bedoeld in; b. Leerplichtwet 1969 gegevens waarover het college beschikt ten behoeve van de uitvoering van de; en c. artikel 73, zevende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gegevens als bedoeld in. 4 artikel 7a van de Participatiewet Het college van burgemeester en wethouders kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, verder verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van. 5 artikel 9.2.1 De ondersteuning, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt pas plaats na overleg met het bevoegd gezag van de school of instelling over de aangeboden loopbaanbegeleiding indien de persoon, bedoeld in: a. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a korter dan een jaar geleden een diploma van een opleiding als bedoeld in, heeft gehaald; b. artikel 14d van de Wet op de expertisecentra korter dan twee jaar geleden een schooldiploma of verklaring als bedoeld inheeft gehaald; of c. artikel 2.58, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.59, tweede lid, van die wet korter dan twee jaar geleden een schooldiploma praktijkonderwijs als bedoeld inof een verklaring praktijkonderwijs als bedoeld inheeft gehaald. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bedoeld in dit artikel. 7 Van de termijnen, bedoeld in het vijfde lid, kan worden afgeweken indien daar gerechtvaardigde belangen voor zijn. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.6 — Artikel 9.2.6 Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders#
Artikel 9.2.6 Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders artikel 9.2.1 Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde over het gebruik van het burgerservicenummer door het college van burgemeester en wethouders, gebruikt het college van burgemeester en wethouders het persoonsgebonden nummer van een student, vavo-student of persoon die voldoet aanalleen voor: a. Leerplichtwet 1969 de registratie van leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de; b. artikel 9.2.5 de uitvoering van; c. artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers het verwerken van de gegevens, bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.7 — Artikel 9.2.7 Verwerking gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard door college van burgemeester en wethouders#
Artikel 9.2.7 Verwerking gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard door college van burgemeester en wethouders 1 artikel 9.2.1 artikel 9.2.5 paragraaf 3.1 paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Indien de persoon, bedoeld in, instemt met ondersteuning op grond van, kan het college van burgemeester en wethouders zijn gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bedoeld inonderscheidenlijk, verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 9.2.5. 2 artikel 9.2.5 Het college van burgemeester en wethouders verstrekt de gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bedoeld in het eerste lid, niet aan derden en bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor personen die belast zijn met de uitvoering van. 3 Het college van burgemeester en wethouders bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tot uiterlijk twee jaar nadat de betrokkene de leeftijd van 27 jaar bereikt of een startkwalificatie behaalt. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.8 — Artikel 9.2.8 Regionaal programma en regionaal bestuurlijk overleg#
Artikel 9.2.8 Regionaal programma en regionaal bestuurlijk overleg 1 artikel 9.2.4, eerste lid Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de regio, bedoeld in, voor een bij ministeriële regeling te bepalen periode een regionaal programma op. 2 artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a Bij het regionaal programma worden de partijen, bedoeld in, betrokken. 3 Het regionaal programma bevat ten minste: a. streefcijfers en daarbij behorende maatregelen ter bevordering van het aantal personen van 12 tot 27 jaar dat een startkwalificatie behaalt en ter verbetering van de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt; en b. artikelen 9.2.5 9.2.12 9.2.13 artikelen 44 44a van de Wet op de expertisecentra artikelen 2.31a 2.31b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 7a van de Participatiewet afspraken over de samenwerking tussen de partijen bij de uitvoering van de maatregelen en de activiteiten, bedoeld in de,en, deen, deenen. 4 artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a De partijen bedoeld in, voeren regionaal bestuurlijk overleg over de totstandkoming en de voortgang van het regionaal programma. Bij het overleg worden ook het domein zorg en het sociaal domein betrokken. 5 Bij regeling van Onze Minister, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan het regionaal programma. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.9 — Artikel 9.2.9 Specifieke uitkering#
Artikel 9.2.9 Specifieke uitkering 1 Onze Minister verstrekt aan de contactgemeente een specifieke uitkering voor de activiteiten die de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio verrichten op grond van deze paragraaf. Deze uitkering wordt jaarlijks uiterlijk verleend in december voor het daaropvolgende kalenderjaar en blijft binnen de grenzen van de middelen die de begrotingswetgever beschikbaar heeft gesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de berekening en betaling van de uitkering. 2 Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zorgt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die met behulp van de uitkering zijn verwezenlijkt. 3 Indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet nakomt, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat pas na overleg met het college van burgemeester en wethouders over tot gehele of gedeeltelijke inhouding. Onze Minister kan de uitkering opnieuw toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen. 4 artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet Onze Minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie op grond vanniet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met deze paragraaf. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.10 — Artikel 9.2.10 Effectrapportage#
Artikel 9.2.10 Effectrapportage 1 artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel a Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast. De effectrapportage vermeldt de streefcijfers, bedoeld in, en de bereikte resultaten en bevat een toelichting op afwijkingen. Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zendt de effectrapportage aan Onze Minister. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de inhoud, het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.11 — Artikel 9.2.11 Inlichtingen aan Onze Minister#
Artikel 9.2.11 Inlichtingen aan Onze Minister 1 Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente geeft aan Onze Minister alle gevraagde gegevens ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het beleid van Onze Minister op het gebied van het bevorderen van het aantal personen tot 27 jaar dat een startkwalificatie behaalt en het verbeteren van de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.12 — Artikel 9.2.12 Loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering#
Artikel 9.2.12 Loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering 1 Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt. 2 Het bevoegd gezag biedt loopbaanbegeleiding aan tijdens de opleiding en tot een jaar na diplomering. 3 Het bevoegd gezag doet een aanbod van loopbaanbegeleiding aan de student of gediplomeerde van de entreeopleiding of de beroepsopleidende leerweg van de basisberoepsopleiding, met uitzondering van de gediplomeerde met een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs. 4 Het bevoegd gezag kan loopbaanbegeleiding bieden aan de student of gediplomeerde van de beroepsbegeleidende leerweg van de basisberoepsopleiding of aan de student of gediplomeerde van de vakopleiding, de middenkaderopleiding of de specialistenopleiding. 5 artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel b Het bevoegd gezag stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding dat in elk geval bevat op welke wijze het bevoegd gezag gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid. Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van het beleid rekening met de afspraken uit het regionaal programma, bedoeld in. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het vijfde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding. 7 artikel 8.1.5, derde lid, onderdelen a tot en met f Van de termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden afgeweken in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.2.13 — Artikel 9.2.13 Participatiewet Samenwerking tussen bevoegd gezag en college van burgemeester en wethouders op grond van de#
Artikel 9.2.13 Participatiewet Samenwerking tussen bevoegd gezag en college van burgemeester en wethouders op grond van de 1 artikel 9.2.12 artikel 7a van de Participatiewet Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de student of gediplomeerde woon- of verblijfplaats heeft, betrekken bij de loopbaanbegeleiding, bedoeld in, om de student of gediplomeerde ondersteuning te bieden op grond van. 2 artikel 7a van de Participatiewet Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de gediplomeerde woon- of verblijfplaats heeft, verzoeken de ondersteuning van een gediplomeerde voort te zetten op grond van, mits de betrokkene daarmee instemt. 3 artikel 14e van de Wet op de expertisecentra Indien de ondersteuning met toepassing van het tweede lid wordt voortgezet door het college van burgemeester en wethouders, stelt het bevoegd gezag een overgangsdocument op overeenkomstigen verstrekt dit document aan het college van burgemeester en wethouders. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State#
Artikel 10.1 Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Vervallen 2012 450 09-10-2012 13-09-2012 33146 2012 450 09-10-2012 13-09-2012 33146 01-01-2013 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep#
Artikel 10.2 Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak artikel 1.3.1 artikelen 1.4.1 1.4a.1 artikel 1.6.1 Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 2 van de bij de Algemene wet bestuursrecht behorendestrekt tot onderscheidenlijk het toekennen van de rechten, genoemd in, diploma-erkenning als bedoeld in deof, examinering als bedoeld in, of registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de uitspraak is gedaan. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Inhouding bekostiging#
Artikel 11.1 Inhouding bekostiging 1 artikel 3.1.5 artikel 3.1.6 Indien het bevoegd gezag van een instelling in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel een aanwijzing als bedoeld inof een spoedaanwijzing als bedoeld inniet opvolgt, kan Onze Minister de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten. 2 artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een instelling in strijd handelt met. 3 Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Bestuurlijke boete niet-gerechtigd aanduiden beroepsopleiding#
Artikel 11.2 Bestuurlijke boete niet-gerechtigd aanduiden beroepsopleiding 1 Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet zijn gerechtigd, verboden om: a. een beroepsopleiding in de zin van deze wet te verzorgen of aan te bieden; b. een examen in de zin van deze wet af te nemen of aan te bieden; c. artikel 7.4.6 artikel 7.2.3 artikel 7.4.6a een diploma als bedoeld in, een certificaat als bedoeld inof een mbo-verklaring als bedoeld inaf te geven of in het vooruitzicht te stellen; of d. artikel 7.4.6 artikel 7.2.3 artikel 7.4.6a de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van deze wet betreft, dan wel kan leiden tot een diploma als bedoeld in, een certificaat als bedoeld inof een mbo-verklaring als bedoeld in. 2 Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die handelt in strijd met het eerste lid. 3 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in, of, indien dat passender is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan het besluit waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 11.3 — Artikel 11.3 Opschorten rijksbijdrage educatie#
Artikel 11.3 Opschorten rijksbijdrage educatie Vervallen 2008 588 30-12-2008 29-12-2008 31567 2008 588 30-12-2008 29-12-2008 31567 01-01-2009
Artikel 11.4 — Artikel 11.4 Terugvordering rijksbijdrage educatie#
Artikel 11.4 Terugvordering rijksbijdrage educatie Vervallen 2008 588 30-12-2008 29-12-2008 31567 2008 588 30-12-2008 29-12-2008 31567 01-01-2009
Artikel 11a.1 — Artikel 11a.1 Ruimte voor innovatie#
Artikel 11a.1 Ruimte voor innovatie 1 Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het beroepsonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van: – titel 2 van hoofdstuk 2 , – hoofdstuk 6 , en – hoofdstuk 7 . 2 In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald: De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. a. het doel van het experiment, b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken, c. de duur van het experiment, en d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment. 4 Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt. 5 Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment. 6 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan bij wijze van experiment tevens worden afgeweken van: a. artikel 1 van de Leerplichtwet 1969 ; b. artikel 1 de Les- en cursusgeldwet ; c. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 ; d. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ; en e. hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Wet NLQF de. 7 Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek hoofdstuk 3, paragrafen 7 10 hoofdstukken 4 6 9 van die wet Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling en een school als bedoeld in deof een instelling als bedoeld in de. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan voor die school worden afgeweken van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering vanen, en de,en. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de Wet voortgezet onderwijs 2020 onderscheidenlijk de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 12.1.1 — Artikel 12.1.1 Duur van experiment leergang vm2#
Artikel 12.1.1 Duur van experiment leergang vm2 1 artikel 11a.1, vierde lid Het experiment leergang vm2, dat is onderverdeeld in zes leergangen van vier jaar die per opvolgend leerjaar zijn of worden gestart, wordt voor de toepassing van, geacht te zijn gestart op 1 augustus 2008. 2 Artikel 11a.1, vierde lid , wordt ten aanzien van de duur van het experiment leergang vm2 zodanig toegepast dat een leerling die deelneemt aan een leergang die binnen de termijn van zes jaar is gestart, de leergang van vier jaar kan doorlopen. 2012 340 24-07-2012 05-07-2012 33116 2012 341 24-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 12.1a.1 — Artikel 12.1a.1 Overgangsrecht afschaffing rekentoets eindexamen vavo#
Artikel 12.1a.1 Overgangsrecht afschaffing rekentoets eindexamen vavo 1 artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen Het eindexamen omvat voor degene die geen eindexamen in het vak wiskunde aflegt een instellingsexamen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit instellingsexamen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoort of leerweg daarbinnen zijn vastgesteld op grond van. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit instellingsexamen nadere voorschriften vastgesteld. 3 artikel 1.4a.1 Dit artikel is ook van toepassing op degene die het eindexamen van een erkende opleiding voortgezet algemeen volwassenonderwijs aflegt aan een instelling als bedoeld in. 4 Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2020 233 08-07-2020 01-07-2020 35357 2020 252 15-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.1b.1 — Artikel 12.1b.1 Overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025#
Artikel 12.1b.1 Overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025 1 artikel 2.2.4, vijfde lid Indien een instelling de verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in, ten behoeve van de rijksbijdrage beroepsonderwijs voor het bekostigingsjaar 2025 indient na een tijdstip dat op grond van artikel 2.2.4, vijfde lid, is bepaald, wordt de rijksbijdrage voor de instelling voorlopig vastgesteld met gebruik van de voorlopige gegevens van het kalenderjaar 2025. 2 artikel 2.2.4, vierde lid Nadat de instelling de verklaring omtrent de getrouwheid alsnog heeft ingediend voor een later tijdstip dat op grond van, is bepaald, wordt de rijksbijdrage voor de instelling definitief vastgesteld met gebruik van de gegevens die vergezeld gaan van de verklaring omtrent de getrouwheid en met inachtneming van de voorschriften op grond van artikel 2.2.4, vierde lid. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 258 13-09-2024 03-09-2024 14-09-2024 01-08-2024
Artikel 12.2.1 — Artikel 12.2.1 Diploma’s en certificaten#
Artikel 12.2.1 Diploma’s en certificaten Wet op het voortgezet onderwijs Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal artikel 7.4.6 Diploma’s en certificaten ingevolge de, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 of het, verkregen op grond van een examen verbonden aan opleidingen basiseducatie, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, deeltijds middelbaar beroepsonderwijs of leerlingwezen dan wel op grond van een staatsexamen Nederlands als tweede taal, gelden als de overeenkomstige diploma’s en certificaten, verkregen op grond van. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 12.2.2 — Artikel 12.2.2 Handhaving voorschriften personeel#
Artikel 12.2.2 Handhaving voorschriften personeel artikelen 37a 38 39 40 40a van de Wet op het voortgezet onderwijs artikelen 4.1.1 4.1.2 3.1.2 3.2.1 De op 31 december 1995 geldende voorschriften vastgesteld bij of krachtens de,,,en, de artikelen 2.42, 2.45, 2.46, 2.51, 2.75 en 2.76 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en artikel 9 van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, berusten ten aanzien van het personeel aan instellingen in de zin van deze wet met ingang van 1 januari 1996 op onderscheidenlijk de,,en. 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12.2.3 — Artikel 12.2.3 Voorziening vakinstelling met vo-school#
Artikel 12.2.3 Voorziening vakinstelling met vo-school artikel 12.3.5 artikel 2.6.1 artikel 6.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 De vakinstelling die op grond van, zoals dat luidde op 30 juni 2004, de rijksbijdrage ten aanzien van huisvesting voortgezet onderwijs ontving en nadien is blijven ontvangen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede voor de toepassing van, aangemerkt als verticale scholengemeenschap in de zin van. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 12.2.4 — Artikel 12.2.4 Omzetting aoc naar verticale scholengemeenschap#
Artikel 12.2.4 Omzetting aoc naar verticale scholengemeenschap 1 artikel 1.3.3 artikel 2.6.1 Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs De agrarische opleidingscentra als bedoeld invan de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van dezijn van rechtswege omgezet in verticale scholengemeenschappen als bedoeld in. 2 De verticale scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid omvat een beroepscollege en een school voor vbo. 3 artikel 2.6 Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs Scholengemeenschappen in de zin vanvan de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals die bepaling luidde op de dag voor inwerkingtreding van dedie een agrarisch opleidingscentrum en een school voor mavo of een school voor praktijkonderwijs omvatten als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de hiervoor genoemde wet, zijn van rechtswege omgezet in verticale scholengemeenschappen, bestaande uit in ieder geval een beroepscollege en een school voor vbo, alsmede, afhankelijk van het geval, een school voor mavo of een school voor praktijkonderwijs. 4 Indien bij de omzetting van het agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in het derde lid ten minste een school voor vbo en een school voor mavo resteren, worden beide scholen aangemerkt als een scholengemeenschap. 5 De vorming van een verticale scholengemeenschap ingevolge dit artikel brengt geen wijzigingen aan in het aanbod van profielen of ander voortgezet onderwijs of in het aanbod aan kwalificaties en niveaus van beroepsonderwijs. 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-08-2022
Artikel 12.2.5 — Artikel 12.2.5 Handhaving inrichtings- en examenvoorschriften v.a.v.o.#
Artikel 12.2.5 Handhaving inrichtings- en examenvoorschriften v.a.v.o. Vervallen 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 12.2.6 — Artikel 12.2.6 Aanspraken gewezen personeel#
Artikel 12.2.6 Aanspraken gewezen personeel Vervallen 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12.2.7 — Artikel 12.2.7 Garantieregeling onderwijsbevoegdheden#
Artikel 12.2.7 Garantieregeling onderwijsbevoegdheden artikel 4.2.1 Onverminderdkan tot docent aan een instelling worden benoemd: a. degene die in het studiejaar 1995-1996 bevoegd onderwijs heeft gegeven aan een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor middelbaar beroepsonderwijs, dan wel wat deeltijds middelbaar beroepsonderwijs betreft aan een andere school, aan een vormingsinstituut voor jeugdigen of aan een instelling voor basiseducatie, b. a degene die in de periode van 1 augustus 1990 tot en met 31 juli 1995 gedurende ten minste 40 weken bevoegd onderwijs als bedoeld in onderdeelheeft gegeven, en c. degene die 1°. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen van de opleiding cultureel werk of de opleiding culturele en maatschappelijke vorming behorend tot het onderdeel gedrag en maatschappij van het op dat moment geldende Centraal register opleidingen hoger onderwijs, met de differentiatie basiseducatie, dat op grond van de artikelen 4 en 5 van het Uitvoeringsbesluit KVE 1991 zoals dat luidde op 31 juli 1995 zou hebben geleid tot een bevoegdheid voor het verzorgen van activiteiten basiseducatie, dan wel 2°. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen binnen het hoger pedagogisch onderwijs met de differentiatie basiseducatie, en 3°. uiterlijk aan het begin van het studiejaar 1994-1995 is gestart met de differentiatie basiseducatie. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 12.2.8 — Artikel 12.2.8 Overgangsbepaling 10-jarig onbevoegden#
Artikel 12.2.8 Overgangsbepaling 10-jarig onbevoegden Vervallen 2004 344 20-07-2004 30-06-2004 28088 2005 672 22-12-2005 05-12-2005 01-08-2006
Artikel 12.2.9 — Artikel 12.2.9 Gevolgen invoering voor personeel#
Artikel 12.2.9 Gevolgen invoering voor personeel Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de gevolgen voor het personeel van de invoering van deze wet. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 12.2.10 — Artikel 12.2.10 Aanhangige beroepsprocedures#
Artikel 12.2.10 Aanhangige beroepsprocedures Vervallen 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12.2.11 — Artikel 12.2.11 Handhaving aanwijzing v.a.v.o.-scholen op grond van W.V.O. zoals luidend op 31 december 1995#
Artikel 12.2.11 Handhaving aanwijzing v.a.v.o.-scholen op grond van W.V.O. zoals luidend op 31 december 1995 Vervallen 1999 419 05-10-1999 16-09-1999 26374 1999 419 05-10-1999 16-09-1999 26374 06-10-1999
Artikel 12.3.1 — Artikel 12.3.1 Invoeringsproces ROC-vorming#
Artikel 12.3.1 Invoeringsproces ROC-vorming Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.2 — Artikel 12.3.2 Beëindiging bekostiging instellingen#
Artikel 12.3.2 Beëindiging bekostiging instellingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.3 — Artikel 12.3.3 Omzetting, splitsing, verplaatsing#
Artikel 12.3.3 Omzetting, splitsing, verplaatsing Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.4 — Artikel 12.3.4 Bestuursoverdracht tussen ROC en school, instelling of vormingsinstituut#
Artikel 12.3.4 Bestuursoverdracht tussen ROC en school, instelling of vormingsinstituut Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.5 — Artikel 12.3.5 Voortzetting bekostiging vakinstellingen#
Artikel 12.3.5 Voortzetting bekostiging vakinstellingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.6 — Artikel 12.3.6 Voortzetting bekostiging instellingen van een bepaalde richting#
Artikel 12.3.6 Voortzetting bekostiging instellingen van een bepaalde richting Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.7 — Artikel 12.3.7 Voortzetting bekostiging instellingen met extra breedtegebrek#
Artikel 12.3.7 Voortzetting bekostiging instellingen met extra breedtegebrek Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.8 — Artikel 12.3.8 Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen Instituten voor doven#
Artikel 12.3.8 Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen Instituten voor doven 1 artikel 12.3.2 Het Christelijk Instituut voor Doven "Effatha" en het Instituut voor Doven "Sint-Michielsgestel" behouden in afwijking vanten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen die de voortzetting zijn van beroepsbegeleidend onderwijs dat deze instituten op 31 december 1995 verzorgden, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas. 2 Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van deze wet ten aanzien van de in het eerste lid genoemde instituten. 2013 88 08-03-2013 07-02-2013 33336 2013 276 03-07-2013 29-05-2013 04-07-2013
Artikel 12.3.9 — Artikel 12.3.9 Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg#
Artikel 12.3.9 Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 12.3.10 — Artikel 12.3.10 Aanvang bekostiging landelijke organen zoals geregeld in deze wet#
Artikel 12.3.10 Aanvang bekostiging landelijke organen zoals geregeld in deze wet Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.11 — Artikel 12.3.11 Aanvang bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra#
Artikel 12.3.11 Aanvang bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.12 — Artikel 12.3.12 Afbouw regionale ondersteuning#
Artikel 12.3.12 Afbouw regionale ondersteuning Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.13 — Artikel 12.3.13 Tijdelijke handhaving bekostiging landelijke ondersteuningsinstellingen KVE1991#
Artikel 12.3.13 Tijdelijke handhaving bekostiging landelijke ondersteuningsinstellingen KVE1991 Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.14 — Artikel 12.3.14 Tijdelijke handhaving bekostiging landelijke organisaties Besluit vormingswerk voor jeugdigen 1994#
Artikel 12.3.14 Tijdelijke handhaving bekostiging landelijke organisaties Besluit vormingswerk voor jeugdigen 1994 Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.15 — Artikel 12.3.15 Publikatie overzicht van instellingen#
Artikel 12.3.15 Publikatie overzicht van instellingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.16 — Artikel 12.3.16 Eerste vaststelling eindtermen beroepsopleidingen#
Artikel 12.3.16 Eerste vaststelling eindtermen beroepsopleidingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.17 — Artikel 12.3.17 Vaststelling eerste overzicht bekostigde beroepsopleidingen#
Artikel 12.3.17 Vaststelling eerste overzicht bekostigde beroepsopleidingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.18 — Artikel 12.3.18 Eerste vaststelling Centraal register#
Artikel 12.3.18 Eerste vaststelling Centraal register Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.19 — Artikel 12.3.19 Eerste vaststelling eindtermen educatie#
Artikel 12.3.19 Eerste vaststelling eindtermen educatie Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.20 — Artikel 12.3.20 artikel 7.2.10 Eerste vaststelling criteria beoordeling praktijkplaatsen en eerste vaststelling overzicht van gunstig beoordeelde bedrijven en organisaties als bedoeld in#
Artikel 12.3.20 artikel 7.2.10 Eerste vaststelling criteria beoordeling praktijkplaatsen en eerste vaststelling overzicht van gunstig beoordeelde bedrijven en organisaties als bedoeld in Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.21 — Artikel 12.3.21 Invoering assistentopleidingen#
Artikel 12.3.21 Invoering assistentopleidingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.22 — Artikel 12.3.22 Eerste onderwijs- en examenregeling#
Artikel 12.3.22 Eerste onderwijs- en examenregeling Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.23 — Artikel 12.3.23 Tijdelijke handhaving onderwijs en examens oude stijl#
Artikel 12.3.23 Tijdelijke handhaving onderwijs en examens oude stijl Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.24 — Artikel 12.3.24 Afbouw onderwijs en examens oude stijl#
Artikel 12.3.24 Afbouw onderwijs en examens oude stijl Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.25 — Artikel 12.3.25 Handhaving onderwijs van overgangsrecht SVM-wet en WCBO#
Artikel 12.3.25 Handhaving onderwijs van overgangsrecht SVM-wet en WCBO Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.26 — Artikel 12.3.26 Afbouw MEAO-examens door WEO-instellingen#
Artikel 12.3.26 Afbouw MEAO-examens door WEO-instellingen Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.27 — Artikel 12.3.27 Handhaving aanspraak op studiefinanciering i.v.m. afbouw beroepsbegeleidend onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs#
Artikel 12.3.27 Handhaving aanspraak op studiefinanciering i.v.m. afbouw beroepsbegeleidend onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.28 — Artikel 12.3.28 Tijdelijke handhaving oude voorschriften#
Artikel 12.3.28 Tijdelijke handhaving oude voorschriften Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.29 — Artikel 12.3.29 Wet op de onderwijsverzorging Tijdelijke handhaving oude voorschriftenin verband met afbouw middelbaar beroepsonderwijs#
Artikel 12.3.29 Wet op de onderwijsverzorging Tijdelijke handhaving oude voorschriftenin verband met afbouw middelbaar beroepsonderwijs Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.30 — Artikel 12.3.30 Instelling Commissie van beroep voor de examens en Commissie van beroep voor de externe examens#
Artikel 12.3.30 Instelling Commissie van beroep voor de examens en Commissie van beroep voor de externe examens Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.31 — Artikel 12.3.31 Invoering aantallen extern te legitimeren deelkwalificaties#
Artikel 12.3.31 Invoering aantallen extern te legitimeren deelkwalificaties Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.32 — Artikel 12.3.32 Eerste toepassing inschrijvingsbepalingen#
Artikel 12.3.32 Eerste toepassing inschrijvingsbepalingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.33 — Artikel 12.3.33 Tijdelijke handhaving mogelijkheid verstrekking middelen ten behoeve van studiekeuzevoorlichting#
Artikel 12.3.33 Tijdelijke handhaving mogelijkheid verstrekking middelen ten behoeve van studiekeuzevoorlichting Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.34 — Artikel 12.3.34 Tijdelijke handhaving bepalingen Les- en cursusgeldwet voor oude opleidingen#
Artikel 12.3.34 Tijdelijke handhaving bepalingen Les- en cursusgeldwet voor oude opleidingen Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.35 — Artikel 12.3.35 Invoering rijksbijdrage educatie#
Artikel 12.3.35 Invoering rijksbijdrage educatie Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.36 — Artikel 12.3.36 Handhaving bekostiging oude stijl#
Artikel 12.3.36 Handhaving bekostiging oude stijl Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.37 — Artikel 12.3.37 Bekostigingsniveau 1997 uitgangspunt tot 1 januari 2000#
Artikel 12.3.37 Bekostigingsniveau 1997 uitgangspunt tot 1 januari 2000 Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.38 — Artikel 12.3.38 Tijdelijke handhaving bekostiging Innovatie- en praktijkcentra#
Artikel 12.3.38 Tijdelijke handhaving bekostiging Innovatie- en praktijkcentra Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.39 — Artikel 12.3.39 Tijdelijke handhaving bekostigingsvoorschriften oude stijl landelijke organen#
Artikel 12.3.39 Tijdelijke handhaving bekostigingsvoorschriften oude stijl landelijke organen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.40 — Artikel 12.3.40 Invoering bekostiging nieuwe stijl; afbouw bekostiging oude stijl#
Artikel 12.3.40 Invoering bekostiging nieuwe stijl; afbouw bekostiging oude stijl Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.41 — Artikel 12.3.41 Eerste beschikbaarheid en beschikbaarstelling geordende informatie#
Artikel 12.3.41 Eerste beschikbaarheid en beschikbaarstelling geordende informatie Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.42 — Artikel 12.3.42 Invoering verslaglegging kwaliteitszorg#
Artikel 12.3.42 Invoering verslaglegging kwaliteitszorg Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.43 — Artikel 12.3.43 Nadere voorschriften overgang en invoering bekostiging#
Artikel 12.3.43 Nadere voorschriften overgang en invoering bekostiging Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.44 — Artikel 12.3.44 Financiële afwikkeling#
Artikel 12.3.44 Financiële afwikkeling Vervallen 2015 170 08-05-2015 16-04-2015 34026 2015 214 17-06-2015 22-05-2015 01-08-2015 Artikel VI van Stb. 2015/170 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12.3.45 — Artikel 12.3.45 Overeenkomstige toepassing Wet medezeggenschap onderwijs 1992#
Artikel 12.3.45 Overeenkomstige toepassing Wet medezeggenschap onderwijs 1992 Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.46 — Artikel 12.3.46 Invoering vaststelling bestuursreglement instellingen#
Artikel 12.3.46 Invoering vaststelling bestuursreglement instellingen Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.47 — Artikel 12.3.47 Arbeidsvoorzieningswet#
Artikel 12.3.47 Arbeidsvoorzieningswet Vervallen 2004 216 25-05-2004 29-04-2004 28745 2004 281 29-06-2004 15-06-2004 01-07-2004
Artikel 12.3.48 — Artikel 12.3.48 Tijdelijke regeling; gevolgen invoering wet#
Artikel 12.3.48 Tijdelijke regeling; gevolgen invoering wet Vervallen 2008 267 15-07-2008 27-06-2008 30853 2008 311 31-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12.3.49 — Artikel 12.3.49 Afschaffing adviesverplichtingen#
Artikel 12.3.49 Afschaffing adviesverplichtingen Bevat wijzigingen in deze regelgeving. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 12.4.1 — Artikel 12.4.1 Tijdelijke verstrekking middelen aan instellingen#
Artikel 12.4.1 Tijdelijke verstrekking middelen aan instellingen 1 artikel 2.2.2 Onze Minister voegt voor een bij ministeriële regeling te bepalen periode aan de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, berekend op grond van, al dan niet onder door hem op te leggen verplichtingen, een bedrag toe in verband met de invoering van passend onderwijs. 2 artikel 2, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 2.7.2, eerste lid, tabel B, van het Uitvoeringsbesluit WEB artikel 2.2.7 Het bedrag wordt voor een periode van een jaar berekend door het voor leerlinggebonden financiering voor alle instellingen gezamenlijk vastgestelde budget voor het studiejaar dat start op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel over de instellingen te verdelen naar rato van het gemiddelde bedrag dat een instelling voor de drie studiejaren daaraan voorafgaand ontving voor leerlinggebonden financiering. Voor zover het betreft de leerlinggebonden financiering voor cluster 2, bedoeld in, wordt op het budget, bedoeld in de eerste volzin, het deel van het leerlinggebonden budget als bedoeld inzoals luidend voor inwerkingtreding van dit artikel in mindering gebracht. Op het budget, bedoeld in de eerste volzin, wordt tevens in mindering gebracht de bedragen die op grond van, zoals dat luidde op 31 juli 2014, zijn toegekend aan het bevoegd gezag van de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs «De Waterlelie» te Cruquius en het bevoegd gezag van de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs «De Berkenschutse» te Heeze op peildatum 1 oktober 2011. 2015 150 23-04-2015 01-04-2015 34022 2015 283 09-07-2015 22-06-2015 01-08-2015
Artikel 12.4a.1 — Artikel 12.4a.1 Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl#
Artikel 12.4a.1 Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl artikelen 7.2.2, eerste tot en met derde lid 7.2.4, achtste en negende lid 7.2.7 12.4a.2 De student die in het studiejaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel stond ingeschreven voor een beroepsopleiding wordt door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld deze opleiding te voltooien uiterlijk in het studiejaar volgend op het studiejaar waarin de voor hem geldende studieduur is verstreken. Hierop zijn de,,envan toepassing zoals die artikelen luidden vóór dat tijdstip. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.4a.2 — Artikel 12.4a.2 Beroepsbegeleidende leerweg#
Artikel 12.4a.2 Beroepsbegeleidende leerweg Vervallen 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2013 305 19-07-2013 05-07-2013 01-08-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onder P, van de Wijzigingswet
Wet educatie en beroepsonderwijs, enz. (bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs) in werking treedt.
Artikel 12.4b.1 — Artikel 12.4b.1 Overgangsbepaling leden examencommissie#
Artikel 12.4b.1 Overgangsbepaling leden examencommissie artikel 7.4.5 artikel I, onderdeel B, van de wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing De leden van de examencommissie, bedoeld inzoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van(Stb. 2017, 43), worden aangemerkt als leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.5 zoals luidend na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van voornoemde wet. 2017 43 15-02-2017 25-01-2017 34402 2017 122 28-03-2017 15-03-2017 01-08-2017
Artikel 12.5.1 — Artikel 12.5.1 Evaluatie#
Artikel 12.5.1 Evaluatie Onze Minister brengt voor 1 januari 2002 verslag uit over de werking van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996
Artikel 12.5.1a — Artikel 12.5.1a Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer#
Artikel 12.5.1a Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer artikelen 2.3.6a, negende tot en met twaalfde lid 2.5.5a, twaalfde tot en met vijftiende lid Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de, en, in de praktijk. 2017 508 22-12-2017 29-11-2017 34741 2018 11 01-02-2018 22-01-2018 01-02-2018
Artikel 12.5.1b — Artikel 12.5.1b Wet versterken positie mbo-studenten Evaluatiebepaling in verband met de#
Artikel 12.5.1b Wet versterken positie mbo-studenten Evaluatiebepaling in verband met de 1 Wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten) Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de(Stb. 2020, 234) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2 Wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten) artikel 7.4.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES artikel 7.4.6a In afwijking van het eerste lid zendt Onze Minister binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de(Stb. 2020, 234) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten vanen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 12.5.1c — Artikel 12.5.1c Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten#
Artikel 12.5.1c Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. 2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 258 13-09-2024 03-09-2024 14-09-2024
Artikel 12.5.2 — Artikel 12.5.2 Inwerkingtreding#
Artikel 12.5.2 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, met uitzondering van: a. artikel 7.4.11 , wat de examens van de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II betreft, welk artikel ten aanzien van die examens in werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; b. artikel 12.3.1 artikel 12.3.10 artikel 12.3.11 artikel 12.3.19, tweede lid ,,en, die in werking treden met ingang van 1 november 1995; c. artikelen 12.4.1 12.4.2, onderdelen C, onder 7, I en J 12.4.10, onderdeel A de,, en, die in werking treden met ingang van 1 januari 1997; d. artikelen 12.4.2, met uitzondering van de onderdelen C, onder 7, I en J 12.4.9 12.4.10, met uitzondering van onderdeel A de,en, die in werking treden met ingang van 1 augustus 1997. 1996 397 23-07-1996 03-07-1996 23946 1996 397 23-07-1996 03-07-1996 23946 01-01-1997
Artikel 12.5.3 — Artikel 12.5.3 Citeertitel#
Artikel 12.5.3 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs. 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 1995 501 02-11-1995 31-10-1995 23778 01-01-1996