Wet van 6 april 1995, tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen
- BWB-id
- BWBR0007322
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1995-11-02
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007322
- ELI
- /eli/nl/wet/1995/wijzigingswet-boek-1-van-het-burgerlijk-wetboek-enz
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1995/wijzigingswet-boek-1-van-het-burgerlijk-wetboek-enz/1995-11-02
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007322&g=1995-11-02
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007322&z=2026-06-06&g=1995-11-02
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007322/1995-11-02
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1995/wijzigingswet-boek-1-van-het-burgerlijk-wetboek-enz
Artikel I — Artikel I#
Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 240 09-05-1995 06-04-1995 23012 1995 478 12-10-1995 29-09-1995 02-11-1995
Artikel II — Artikel II#
Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 240 09-05-1995 06-04-1995 23012 1995 478 12-10-1995 29-09-1995 02-11-1995
Artikel III — Artikel III Overgangsbepalingen#
Artikel III Overgangsbepalingen 1 Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter getroffen regeling inzake de gezamenlijke ouderlijke macht na gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed geldt met ingang van dat tijdstip als een regeling inzake het gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 251, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 2 Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter gegeven beslissing inzake de uitoefening van de ouderlijke macht door ongehuwde en nimmer met elkaar gehuwd geweest zijnde ouders die niet is aangetekend in het voogdijregister, blijft tot zes maanden na dat tijdstip van kracht. Indien binnen die termijn geen aantekening is gedaan als bedoeld in artikel 252, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is van rechtswege de moeder alleen met het gezag over het kind belast. 3 b b Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter gegeven beslissing inzake de uitoefening van de ouderlijke macht door één der ouders of inzake de uitoefening van de voogdij door een ouder geldt met ingang van dat tijdstip als een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag door een der ouders. Indien in dat geval de met het gezag belaste ouder binnen een maand na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verzoek als bedoeld in artikel 377, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan, is artikel 377, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in ieder geval niet van toepassing zolang niet onherroepelijk op dat verzoek is beslist. 4 De ouder die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege de voogdij had over zijn kind, heeft vanaf dat tijdstip van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over het kind. 5 a f h Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter getroffen regeling inzake de omgang tussen het kind en de niet met het gezag belaste ouder of, ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening, tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, dan wel tussen het kind en een ander dan de ouder geldt met ingang van dat tijdstip als een regeling inzake de omgang als bedoeld in de artikelen 377, 377of 377van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 6 a Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de rechter afwijzend heeft beslist op een vordering onderscheidenlijk een verzoek van beide ouders of van één van hen tot het treffen van een regeling inzake de omgang met het kind, geldt zodanige beslissing met ingang van dat tijdstip als een ontzegging van het recht op omgang als bedoeld in artikel 377, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 7 b c h Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter getroffen regeling inzake het verschaffen van informatie betreffende de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding aan de niet met het gezag belaste ouder of, ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening, aan de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, door de andere ouder dan wel door derden geldt met ingang van dat tijdstip als een regeling inzake het verschaffen van informatie als bedoeld in artikel 377, eerste lid, onderscheidenlijk 377dan wel 377van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 1995 240 09-05-1995 06-04-1995 23012 1995 478 12-10-1995 29-09-1995 02-11-1995
Artikel IV — Artikel IV#
Artikel IV Procedures inzake de ouderlijke macht van één of beide ouders en inzake de omgang, waarin het inleidende verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden beheerst door de procesrechtelijke bepalingen die voor dat tijdstip golden. 1995 240 09-05-1995 06-04-1995 23012 1995 478 12-10-1995 29-09-1995 02-11-1995
Artikel V — Artikel V Slotbepaling#
Artikel V Slotbepaling Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 1995 240 09-05-1995 06-04-1995 23012 1995 478 12-10-1995 29-09-1995 02-11-1995