Wet van 21 december 1995, tot regeling van een verzekering voor nabestaanden
- BWB-id
- BWBR0007795
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007795
- ELI
- /eli/nl/wet/1996/algemene-nabestaandenwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1996/algemene-nabestaandenwet/2025-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007795&g=2025-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007795&z=2026-06-06&g=2025-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007795/2025-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1996/algemene-nabestaandenwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. Wet financiering sociale verzekeringen premie voor de volksverzekeringen: de premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in de; c. hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in; d. nabestaande: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; e. vervallen; f. wezenuitkering: uitkering voor een kind dat ouderloos is geworden door het overlijden van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; g. lichaam: een rechtspersoon, een maat- en vennootschap, een samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging kan worden gelijkgesteld, een onderneming van publiekrechtelijke rechtspersonen en een doelvermogen; h. Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de; i. artikel 3, tweede tot en met zesde lid gezamenlijke huishouding: een gezamenlijke huishouding als bedoeld in; j. hulpbehoevende: de persoon die vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij dagelijks is aangewezen op intensieve zorg van anderen; k. gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende: 1°. de gezamenlijke huishouding van een nabestaande met een hulpbehoevende, indien de nabestaande of de overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen; of 2°. de gezamenlijke huishouding van een nabestaande die hulpbehoevende is met een ander, indien de nabestaande een huishouding is gaan voeren met het doel door die ander te worden verzorgd; l. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in deen in de; m. artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in; n. artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland; o. Wetboek van Strafrecht vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het; p. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in; q. artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bruto-minimumloon: het inbedoelde bedrag; b. artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 netto-minimumloon: het bruto-minimumloon, na aftrek van premies volksverzekeringen en loonbelasting. De loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in, worden berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend 157,5% van de algemene heffingskorting, bedoeld in, over het bruto-minimumloon; c. artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bruto-minimumvakantiebijslag: het bedrag waarop degene die aanspraak heeft op het bruto-minimumloon ingevolgeaanspraak heeft; d. netto-minimumvakantiebijslag: het verschil tussen het bedrag, dat zou zijn berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, indien onderdeel b wordt toegepast op het bruto-minimumloon verhoogd met de bruto-minimumvakantiebijslag, en het netto-minimumloon, bedoeld in onderdeel b. 2 Een algehele herziening van de hoogte van een uitkering op grond van deze wet in verband met een wijziging van het netto-minimumloon wordt samen met de dag waarop deze wijziging ingaat, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 3 Een wijziging van een uitkering op grond van deze wet in verband met een wijziging van het netto-minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 4 De Sociale verzekeringsbank betaalt de gewijzigde uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerst volgende uitkeringsbetaling nadat de wijziging, bedoeld in het derde lid, heeft plaatsgevonden. 5 Met ingang van 1 januari 2028 wordt het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage twee keer per kalenderjaar, op 1 januari en 1 juli, verlaagd met 2,5 procentpunt. Het gewijzigde percentage en de dag waarop de wijziging ingaat wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. Dit lid vervalt op het moment dat het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage de waarde van 100 heeft bereikt. 2024 431 23-12-2024 18-12-2024 36607 2024 431 23-12-2024 18-12-2024 36607 01-01-2025 2024 39288 03-12-2024 25-11-2024 2024-0000917125 2024 39288 03-12-2024 25-11-2024 2024-0000917125 01-01-2025
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. echtgenoot: geregistreerde partner; b. huwelijk: geregistreerd partnerschap; c. gehuwd: als partner geregistreerd; d. de huwelijkssluiting: het aangaan van het geregistreerd partnerschap; e. in het huwelijk treedt: een geregistreerd partnerschap aangaat. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt mede als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 3 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld; b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het derde lid. 5 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, als bedoeld in het derde lid. 7 Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd of voormalig pleegkind van de nabestaande of een meerderjarig eigen, aangehuwd of voormalig pleegkind van de overleden verzekerde of van de persoon die met de nabestaande een gezamenlijke huishouding voert. 8 Wet op de jeugdzorg Jeugdwet Algemene Kinderbijslagwet Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de nabestaande een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van deof de, of kinderbijslag ontving op grond van de. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 3, tweede tot en met zesde lid In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking vanonder nabestaande mede verstaan de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde, indien: a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en b. Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond vankrachtens een rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in: 1°. een notariële akte; 2°. een akte mede ondertekend door een advocaat; 3°. een akte waarvan door de gewezen echtgenoot aannemelijk wordt gemaakt dat die tot stand is gekomen door de inzet van een bij de echtscheiding betrokken advocaat; of 4°. een document opgesteld in overleg tussen de gewezen echtgenoot en de overleden verzekerde door tussenkomst van een bemiddelaar; en c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste lid, onderdeel b, bij ten vierde. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Algemene Kinderbijslagwet In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als kind aangemerkt, een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind in de zin van de, dat geboren is voor of op de dag van overlijden van de verzekerde. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een kind van wie een vrouw zwanger is op de dag van overlijden van haar echtgenoot, op die dag als reeds geboren aangemerkt. 3 In afwijking van het eerste lid wordt slechts als pleegkind van de nabestaande aangemerkt het pleegkind voor wie de nabestaande ten tijde van het overlijden van de echtgenoot zorg droeg als ware hij ouder. 2014 131 27-03-2014 12-03-2014 33061 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Waar iemand woont en waar een lichaam is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen die in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd. 3 Degene die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen een jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met overlijden gelijkgesteld vermoedelijk overlijden. Bij ministeriële regeling wordt bepaald hoe het vermoedelijke overlijden en de dag waarop het overlijden geacht wordt te hebben plaatsgevonden, worden vastgesteld. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2014 131 27-03-2014 12-03-2014 33061 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het inkomen van de nabestaande uit arbeid of overig inkomen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. 2010 867 29-12-2010 23-12-2010 32421 2010 868 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. 2 In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 49 Bij een besluit ingevolgeis mede belanghebbende het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. 2 artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden. 4 Wet financiering sociale verzekeringen Algemene Termijnenwet Indien een verzekerde ophoudt ingezetene te zijn, eindigt zijn verzekering, behoudens voor de toepassing van deen voor zover niet reeds op hem van toepassing is een overeenkomstige regeling van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van een andere Mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie, niet eerder dan zes weken na de dag, met ingang waarvan hij heeft opgehouden ingezetene te zijn. Op de termijn, gesteld in de eerste volzin, is deniet van toepassing. 5 artikel 8, onder a tot en met e en l Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden kan worden bepaald dat bij een niet rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van, verzekerd zijn: a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht; b. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in. 2011 9 13-01-2011 23-12-2010 32383 2011 121 11-03-2011 26-02-2011 01-01-2012
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a artikel 13 Zo nodig in afwijking vanen de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. 1998 267 14-05-1998 29-04-1998 25873 1998 267 14-05-1998 29-04-1998 25873 15-05-1998 01-07-1996 Werkt terug tot en met 1 juli 1996.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die: a. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of b. arbeidsongeschikt is 1°. op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde, of 2°. a op en sedert de laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in onderdeel, en wiens arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1° en 2° bedoelde dag ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal voortduren. 2 Het recht op nabestaandenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand van overlijden van de verzekerde. 3 a Voor de nabestaande die op de dag van overlijden van de verzekerde niet voldoet aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel, omdat het kind op het moment van overlijden tot het huishouden van een ander behoort, gaat het recht op nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand waarin hij als gevolg van het overlijden wel aan die voorwaarde voldoet. 4 artikel 15, eerste lid, onderdeel d Voor de nabestaande die geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van, gaat het recht op een nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het overlijden van de verzekerde, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert. 5 De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het vierde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-04-2015
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Geen recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande: a. wiens echtgenoot is overleden binnen een jaar, nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of b. indien de echtgenoot binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of c. indien de echtgenoot door de nabestaande of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd. d. die een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; e. die al recht op een nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft en die nadien wederom nabestaande is geworden als gevolg van het overlijden van de hulpbehoevende met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde ten behoeve van de verzorging van die hulpbehoevende. 2 artikel 13, derde lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels worden gesteld. 3 Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat, indien de echtgenoot overlijdt op of na de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. 4 a b De onderdelenenvan het eerste lid zijn niet van toepassing indien de nabestaande, zo hij niet opnieuw zou zijn gehuwd, recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad. 2013 236 28-06-2013 19-06-2013 33556 2013 261 28-06-2013 14-06-2013 01-07-2013 01-07-1998
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien: a. artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b niet langer aan de voorwaarden van, wordt voldaan; of b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; of c. de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. 2 Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen, maar in geval van onderdeel c met ingang van de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. 3 Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert. 4 De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het derde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-04-2015
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 De bruto-nabestaandenuitkering wordt op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van het netto-minimumloon. 2 artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 In afwijking van het eerste lid wordt de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande, zolang hij een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende voert, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon. 3 De bruto-nabestaandenuitkering bedraagt voor een nabestaande die woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste, tweede of vijfde lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. 4 artikel 4 De bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande bedoeld inis niet hoger dan de door de overleden verzekerde aan de nabestaande verschuldigde uitkering tot levensonderhoud van de nabestaande. 5 artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 In afwijking van het eerste lid wordt de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon. 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op nabestaanden die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. 7 Tot de personen, bedoeld in het vijfde lid, worden niet gerekend: a. de persoon die de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt, b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de nabestaande, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de nabestaande, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de nabestaande zijn hoofdverblijf heeft, c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de nabestaande zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de nabestaande een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en d. de persoon: 1°. artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld inkan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering; 2°. hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond vanen op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming; 3°. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die een beroepsopleiding als bedoeld inin de beroepsbegeleidende leerweg volgt; 4°. die een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij bij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30 jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt. 8 Op verzoek van de Sociale verzekeringsbank legt de nabestaande de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling. 2022 499 13-12-2022 30-11-2022 35394 2022 500 13-12-2022 06-12-2022 01-01-2023
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Op de nabestaandenuitkering wordt inkomen in mindering gebracht. 2 In afwijking van het eerste lid wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten: a. een bedrag gelijk aan 50% van het bruto-minimumloon, alsmede b. voor zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel a bedoelde bedrag, een derde gedeelte van dat meerdere. 3 In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij: – X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en – Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. 4 Voor een nabestaande die woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, wordt, in afwijking van het tweede lid, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van dat lid vastgestelde bedrag buiten aanmerking gelaten. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 De nabestaandenuitkering wordt bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet. 2 Indien wijziging van andere omstandigheden dan wijziging van het inkomen leidt tot een lagere uitkering, gaat die herziening in met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin die wijziging zich voordoet. Indien dit leidt tot een hogere uitkering, gaat die herziening in op de dag, bedoeld in het eerste lid. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor samenloop van uitkering ingevolge deze wet met uitkering aan nagelaten betrekkingen ingevolge de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikelen 17 29 Indien in een pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk met een uitkering ingevolge dit hoofdstuk rekening wordt gehouden, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen, dat een verhoging van de uitkering ingevolge deze wet als gevolg van deen, welke plaatsvindt na ingang van een pensioen of na het verkrijgen van een recht op uitgesteld pensioen, buiten beschouwing blijft. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op pensioenregelingen waarin bepalingen zijn opgenomen volgens welke een uitkering ingevolge deze wet en de premievrije aanspraken of het pensioen van die regeling tezamen na beëindiging van de actieve deelneming jaarlijks ten minste worden verhoogd met het percentage van de in het eerste lid bedoelde verhoging van de uitkering of het percentage van de loon- of prijsontwikkeling. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 26 — Artikel 26 Recht op wezenuitkering#
Artikel 26 Recht op wezenuitkering 1 Recht op een wezenuitkering heeft een kind dat door het overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, zolang het de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een kind dat de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt gelijkgesteld: a. artikelen 2, eerste lid 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 die wet een kind van 16 of 17 jaar ten aanzien van wie is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de, en, dan wel een van de vrijstellingen van die verplichtingen op grond vanvan toepassing is; b. artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 een kind van 16 of 17 jaar dat na het behalen van een startkwalificatie als bedoeld inop lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel een vervolgstudie volgt; c. Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 een kind van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat als leerling, vavo-student of student als bedoeld in destaat ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld inen deze geregeld bezoekt of een vervolgstudie volgt; d. artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 een ongehuwd kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat een startkwalificatie als bedoeld inheeft behaald dan wel op wie een van de vrijstellingen als bedoeld in onderdeel a van toepassing zijn geweest of zouden zijn geweest en wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van zijn huishouden, waartoe overigens ten minste een kind dat recht heeft op wezenuitkering, behoort. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, wordt mede als ongehuwd aangemerkt het kind dat een gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende indien de overledene voor diens overlijden een huishouden met de hulpbehoevende is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen of indien het kind na het overlijden van de verzekerde een huishouding is gaan voeren met een hulpbehoevende met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen. 4 Het recht op wezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin het kind ouderloos is geworden en aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid. 6 Het niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, blijkt uit een daartoe strekkende mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind woont. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 26a — Artikel 26a Overgangsbepaling wezenuitkering kind van 16 jaar en ouder#
Artikel 26a Overgangsbepaling wezenuitkering kind van 16 jaar en ouder Vervallen 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2017
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Geen recht op wezenuitkering bestaat, indien: a. de verzekerde binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of b. de verzekerde door het ouderloos kind of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd. 2 artikel 13, derde lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels worden gesteld. 2013 236 28-06-2013 19-06-2013 33556 2013 261 28-06-2013 14-06-2013 01-07-2013 01-07-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 26, eerste en tweede lid Het recht op wezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een wezenuitkering, bedoeld in, wordt voldaan. 2 Het recht op wezenuitkering herleeft met ingang van de eerste dag van de maand, waarin het kind weer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een wezenuitkering voldoet. 3 Een kind wordt niet langer als ouderloos aangemerkt: a. in geval van erkenning van het kind; of b. wanneer het wordt geadopteerd met ingang van de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. 4 Ontkenning van het door erkenning ontstane vaderschap doet het recht op wezenuitkering, zo dit nog zou hebben bestaan indien geen erkenning had plaatsgevonden, herleven met ingang van de dag, waarop de beschikking waarbij de ontkenning is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan. 5 b Herroeping van adoptie als bedoeld in het derde lid, onderdeel, doet het recht, zo dit nog zou hebben bestaan, indien geen adoptie zou hebben plaatsgevonden, herleven met ingang van de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 17, eerste lid De bruto-wezenuitkering is gelijk aan een percentage van het bruto-bedrag behorend bij de nabestaandenuitkering bedoeld in. 2 Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt voor een kind dat op de eerste dag van een kalendermaand a. jonger is dan 10 jaar: 32, b. 10 jaar of ouder doch jonger dan 16 jaar is: 48, en c. 16 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar is: 64. 3 De bruto-wezenuitkering bedraagt voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. 2012 198 08-05-2012 29-03-2012 32878 2012 206 10-05-2012 25-04-2012 01-07-2012 Treedt in werking met uitzondering voor zover het personen betreft die voor 1 juli 2012 respectievelijk recht hebben op kinderbijslag, op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet of op een uitkering op grond van artikel 62 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Treedt in werking voor zover het personen betreft die voor 1 juli 2012 respectievelijk recht hebben op kinderbijslag, op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet of op een uitkering op grond van artikel 62 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op 1 januari 2013.
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a 1 Degene die een nabestaandenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming. 2 Degene die een wezenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming. 3 artikel 16, tweede lid afdeling II van hoofdstuk 3 De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet beschouwd als een nabestaandenuitkering of wezenuitkering op grond van deze wet, behoudens voor de toepassing van, en. 4 Artikel 2, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming. 6 De tegemoetkoming bedraagt indien de nabestaande of de wees woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en met vijfde lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande of wees woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. 7 De tegemoetkoming is niet vatbaar voor beslag. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Recht op vakantie-uitkering over een maand heeft degene die over die maand recht heeft op een nabestaandenuitkering of op een wezenuitkering. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De bruto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering, wordt zodanig vastgesteld, dat de netto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van de netto-minimum-vakantiebijslag per maand. 2 De bruto-vakantie-uitkering over de wezenuitkering bedraagt een bepaald percentage van bruto-bedragen vastgesteld op grond van het eerste lid. 3 artikel 29, tweede lid Voor de vaststelling van het in het tweede lid bedoelde percentage is, van overeenkomstige toepassing. 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 17, tweede, derde, vierde of vijfde lid 18 67 70, eerste lid Indien de nabestaandenuitkering met toepassing van,,of, wordt verminderd dan wel anderszins op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering toegepast dan wel de vakantie-uitkering evenredig verlaagd. 2 artikel 20 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de berekening van de vakantie-uitkering van degene, wiens uitkering met toepassing vanis verminderd en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere mogendheid geen recht heeft op een vakantie-uitkering ingevolge die wetgeving. 3 artikel 29, derde lid Indien de wezenuitkering met toepassing van, op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, wordt de vakantie-uitkering evenredig verlaagd. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-07-2015
Artikel 32a — Artikel 32a#
Artikel 32a 1 Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde niet in Nederland woont. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde niet in Nederland woont. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de nabestaande onderscheidenlijk het kind op de dag van het overlijden van de verzekerde woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op nabestaandenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan. 3 artikel 15 27 Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderdof, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat: a. artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid de nabestaande in Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden bedoeld in; b. artikel 26, eerste en tweede lid het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de nabestaande onderscheidenlijk het kind niet in Nederland wonen, vanaf de dag dat betrokkene in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op nabestaandenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering ontstaat voor: a. de nabestaande of het kind, indien de nabestaande of het kind werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont; b. de nabestaande of het kind, indien de nabestaande of het kind in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde nabestaande of het kind. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 32b — Artikel 32b#
Artikel 32b 1 Het recht op nabestaandenuitkering eindigt op de eerste dag dat de nabestaande niet in Nederland woont. Het recht op wezenuitkering eindigt op de eerste dag dat het kind niet in Nederland woont. 2 artikel 15 27 Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderdof, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat: a. artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid de nabestaande in Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden bedoeld in; b. artikel 26, eerste en tweede lid het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien de nabestaande onderscheidenlijk het kind niet in Nederland wonen, vanaf de dag dat betrokkene in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op nabestaandenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan. 4 Artikel 32a, tweede en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 32c — Artikel 32c#
Artikel 32c 1 artikel 32e Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing vanmet betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen. 2 artikel 15 27 Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderdof, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat: a. artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid artikel 14, derde lid de nabestaande in vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden bedoeld in, en onverminderd; b. artikel 26, eerste en tweede lid het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 3 Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 32d — Artikel 32d#
Artikel 32d 1 Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op wezenuitkering eindigt, indien het kind rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. 2 artikel 15 27 Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderdof, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat: a. artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid de nabestaande in vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden bedoeld in, en onverminderd artikel 14, derde lid; b. artikel 26, eerste en tweede lid het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 4 Artikel 32c, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 32f, eerste lid Het recht op nabestaandenuitkering, respectievelijk het recht op wezenuitkering eindigt, in afwijking van het eerste lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat, indien op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op die uitkering op grond van. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 32e — Artikel 32e#
Artikel 32e Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien en voor zolang hij zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien en voor zolang het zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 32f — Artikel 32f#
Artikel 32f 1 Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. 2 artikel 15 27 32d Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd,of, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat: a. artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid de nabestaande zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden, bedoeld in, en onverminderd artikel 14, derde lid; b. artikel 26, eerste en tweede lid het kind zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 32g — Artikel 32g#
Artikel 32g 1 Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is. 2 artikel 15 27 32d 32h Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd,,of, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat: a. artikel 1, onderdeel q artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden bedoeld in, en onverminderd artikel 14, derde lid; b. artikel 26, eerste en tweede lid niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in het eerste lid, eerste zin, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 3 artikel 33, eerste lid Voor het tweede lid is, van overeenkomstige toepassing. 2017 78 09-03-2017 16-01-2017 34577 2017 354 29-09-2017 22-09-2017 01-10-2017
Artikel 32h — Artikel 32h#
Artikel 32h 1 Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande, nadat het recht op nabestaandenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind, nadat het recht op wezenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is. 2 artikel 15 27 32d 32f Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd,,of, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat: a. artikel 1, onderdeel q artikel 14, eerste lid artikel 66a, tweede lid niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in, of de voorwaarden, bedoeld in, en onverminderd artikel 14, derde lid; b. artikel 1, onderdeel q artikel 26, eerste en tweede lid niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in. 3 artikel 33, eerste lid Voor het tweede lid is, van overeenkomstige toepassing. 2017 78 09-03-2017 16-01-2017 34577 2017 354 29-09-2017 22-09-2017 01-10-2017
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of recht op nabestaanden- of wezenuitkering bestaat. 2 De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 3 Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld formulier. 4 Het recht op uitkering wordt niet vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaand aan de dag waarop de Sociale verzekeringsbank de aanvraag om uitkering heeft ontvangen. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a Vervallen 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 24-12-1999
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in: a. artikel 35 36, tweede lid 37 indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van,, ofheeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering; b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; c. artikel 35 35a 36, tweede lid 37 indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van,,, ofer toe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. 2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. 2012 463 12-10-2012 04-10-2012 31929 2012 482 19-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 49 57 De nabestaande, het ouderloos kind en zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. 2 artikel 17, vijfde lid Op verzoek van de Sociale verzekeringsbank legt de meerderjarige persoon die in dezelfde woning als de nabestaande zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in, desgevraagd alle gegevens en inlichtingen over die voor de beoordeling van de aanspraak op uitkering van belang kunnen zijn. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-07-2015
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a artikel 35 In aanvulling opkan de Sociale verzekeringsbank de nabestaande dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger respectievelijk het ouderloos kind dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen dat: Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan de Sociale verzekeringsbank bij die verzoeken aanbieden met de toestemming van de nabestaande, het ouderloos kind dan wel de wettelijke vertegenwoordiger de woning van de nabestaande respectievelijk het ouderloos kind binnen te treden. a. de nabestaande geen gezamenlijke huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; b. artikel 26, tweede lid, onderdeel d het kind, bedoeld in, ongehuwd is en dat tot zijn huishouden ten minste een ander kind behoort dat recht heeft op een wezenuitkering; c. de feitelijke woonsituatie van de nabestaande of van een ouderloos kind in overeenstemming is met het verstrekte adres van die nabestaande of van dat ouderloos kind. 2012 463 12-10-2012 04-10-2012 31929 2012 482 19-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2 artikel 49 57 De nabestaande, het ouderloos kind dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond vanofde uitkering wordt uitbetaald, is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3 De nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijk vertegenwoordiger, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikelen 5, tweede lid 11 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b 26, tweede lid, aanhef en onderdeel b Voor de toepassing van de,,,, dan wel om te bepalen of een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende wordt gevoerd, onderwerpt de betrokken persoon zich op verzoek van de Sociale verzekeringsbank aan een geneeskundig onderzoek. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Bij Stb. 2001/625 is in artikel 68 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 36, tweede of derde lid 37 artikel 35 artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De Sociale verzekeringsbank weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting op grond van, ofopgelegd, of de verplichtingen, bedoeld in, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in, niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. 2 Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 3 artikel 35 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven. 4 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 5 artikel 39 Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld inwordt opgelegd. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 35 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2 artikel 35 In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend. 3 artikel 35 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in. 4 artikel 35 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaats vindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven. 5 artikel 35 De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 6 In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 7 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 8 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 9 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 10 artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen. 11 Artikel 55a, eerste, derde en vierde lid Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling., is van overeenkomstige toepassing. 12 Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het elfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan. 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2022 544 27-12-2022 21-12-2022 01-01-2023
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 45, eerste of tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 39, vijfde lid Algemene Kinderbijslagwet Algemene Ouderdomswet De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in, met een uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van deof ouderdomspensioen op grond van de, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt. 2 Onverminderd het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft. 3 Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Werkloosheidswet Ziektewet Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeid en zorg Toeslagenwet Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de, de, de, de, de, de, de, de, de, deof deof een toeslag op grond van de. 4 artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De inaan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd. 5 artikel 39, achtste lid Zolang de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn verplichting, bedoeld in, niet of niet behoorlijk nakomt: a. artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn; b. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de, in afwijking van, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel. 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2017
Artikel 45a — Artikel 45a#
Artikel 45a Vervallen 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat. 2 De betaling bedoeld in het eerste lid geschiedt in de regel per maand. 3 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op of schorst de betaling indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat: a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat; of b. recht op een lagere uitkering bestaat; of c. artikel 49 57 artikel 35 35a 36, tweede lid 37 de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger dan wel de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald, een verplichting bedoeld in,,, ofniet is nagekomen. 4 De Sociale verzekeringsbank stelt de betrokken persoon of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing bedoeld in het derde lid. 2012 463 12-10-2012 04-10-2012 31929 2012 482 19-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 46a — Artikel 46a#
Artikel 46a 1 artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op indien degene aan wie een uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in. 2 De betaling van de uitkering wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het de Bank is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 De wijzigingsopdracht kon niet geheel worden doorgevoerd. Bij Stb. 2001/625 is in artikel 68 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 46b — Artikel 46b#
Artikel 46b 1 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op, indien blijkt dat het door de nabestaande verstrekte adres van hemzelf of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen staat ingeschreven. 2 Geen opschorting vindt plaats: a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering; b. indien de nabestaande van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. 3 De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de nabestaande. 4 De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking vanop het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd. 2010 838 28-12-2010 16-12-2010 32520 2010 839 28-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de wezenuitkering betaalbaar te stellen aan een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind. 2 Indien de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger nalaat een aanvraag om wezenuitkering in te dienen, kan deze aanvraag geschieden door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de wezenuitkering betaalbaar kan worden gesteld. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Bij Stb. 2001/625 is in artikel 68 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 46 Algemene Ouderdomswet De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking vanjaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge deontstaat. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de betaling van de vakantie-uitkering. 2010 840 28-12-2010 13-12-2010 32435 2010 877 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Na het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na overlijden nabestaandenuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald: a. aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; b. a bij ontstentenis van de in onderdeelbedoelde kinderen aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde. 2 De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkering in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend. 3 De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald. 4 De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald. 5 Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan nabestaandenuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald. 6 De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Een uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 artikel 34 artikel 49 57 De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld inonverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd. 2 artikel 49 57 In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald: a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. 3 artikel 35 De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 4 De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien: a. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan; en b. artikel 35 de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 5 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. 6 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn. 7 In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikel 53, eerste lid De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in, invorderen bij dwangbevel. 2 Artikel 45 artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a 1 artikel 53, eerste lid artikel 49 57 In afwijking van, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien: a. artikel 49 57 redelijkerwijs te voorzien is dat de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald, niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen; b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; c. artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in; d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en e. artikel 349 van de Faillissementswet uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig. 2 artikel 49 57 artikel 35 artikel 39 Wetboek van Strafrecht Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in, en hiervoor een boete als bedoeld inis opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het. 3 Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid; b. artikel 49 57 de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolgeofde uitkering wordt uitbetaald zijn schuld aan het de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 4 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 21-12-2021 15-11-2021
Artikel 55b — Artikel 55b#
Artikel 55b artikelen 53 55a artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in deenis bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in. 2011 618 20-12-2011 01-12-2011 33015 2011 619 20-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. 2 Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Sociale verzekeringsbank verzet tegen betaling aan de minderjarige wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Bij Stb. 2001/625 is in artikel 68 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 Indien degene, aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen. 2 Wet langdurige zorg artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Indien degene aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in deen op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in. 3 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wet artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg Indien aan degene aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in, en hij op grond van diehiervoor een bijdrage is verschuldigd, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in, dat voor de gemeente de bijdrage int. 4 Indien het tweede of derde lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan de in het tweede of derde lid genoemde instantie wordt uitbetaald. 5 Een herziening van een uitkering op grond van het tweede en derde lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 1995 696 29-12-1995 21-12-1995 24258 1995 696 29-12-1995 21-12-1995 24258 01-01-1997
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 De uitkering is a. onvervreemdbaar, b. niet vatbaar voor verpanding of belening. 2 Volmacht tot ontvangst van uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk. 3 Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening met de aanspraken op uitkeringen, die de nabestaande en het ouderloos kind op grond van deze wet hebben. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 De Sociale verzekeringsbank heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van het overlijden van de verzekerde, jegens diens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken op grond van deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijk persoon jegens de nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht is gehouden. 2 De Sociale verzekeringsbank kan in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te stellen afkoopsom die aan de Sociale verzekeringsbank wordt vergoed voor de totale schadelast ten gevolge van het veroorzaken van overlijden. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Bij Stb. 2001/625 is in artikel 68 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 artikel 61 Indien de verzekerde bij zijn overlijden in dienstbetrekking werkzaam was, geldt, ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte persoon, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wiens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien het overlijden van de verzekerde is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk persoon. 2 artikel 34 van de Invorderingswet 1990 Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in. 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd. 2005 708 28-12-2005 22-12-2005 30238 2005 709 28-12-2005 22-12-2005 01-01-2006 De wijziging kan niet worden doorgevoerd.
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a 1 De gewezen verzekerde kan zich vrijwillig verzekeren over een periode van tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest. 2 De gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid, kan zich, indien de periode van vrijwillige verzekering is onderbroken door een periode van verplichte verzekering korter dan een jaar, opnieuw vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar, bedoeld in dat lid. 3 De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a. de gewezen verzekerde die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon; b. de gewezen verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking; c. de gewezen verzekerde die werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie; d. de gewezen verzekerde die werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; e. de gewezen verzekerde, die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een: 1°. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen uitkering op grond van de; 2°. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkering op grond van de; 3°. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen uitkering op grond van de; 4°. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitkering of op recht op arbeidsondersteuning op grond van de; 5°. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen uitkering op grond van de; 6°. Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de; 7°. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde voor 1 januari 1998; 8°. Algemene Ouderdomswet ouderdomspensioen op grond van de; of 9°. nabestaandenuitkering op grond van deze wet, artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag mits die uitkering of dat pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het inbedoelde bedrag; of f. de gewezen verzekerde wiens recht op een uitkering als bedoeld in onderdeel e uitsluitend als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is geëindigd; g. artikel 63d, tweede lid de gewezen verzekerde, bedoeld in. 4 De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 63b — Artikel 63b#
Artikel 63b 1 artikel 63a, eerste lid De gewezen verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in, gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk een jaar na de dag, waarop de verzekering is geëindigd, een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank. 2 De aanvraag wordt afgewezen indien de gewezen verzekerde niet voldoet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Bij Stb. 2001/625 is in artikel 68 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 63c — Artikel 63c#
Artikel 63c 1 artikel 63a, eerste lid De vrijwillige verzekering, bedoeld in, eindigt: a. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de Sociale verzekeringsbank een schriftelijke opzegging van de gewezen verzekerde heeft ontvangen; b. artikel 63a, eerste lid met ingang van de dag, waarop de periode van tien jaar, bedoeld in, is verstreken; c. met ingang van de dag, waarop de gewezen verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet; d. artikel 71 van de Wet financiering sociale verzekeringen met ingang van de eerste dag van de vierde maand volgend op de laatste dag van de door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene nabestaandenverzekering, bedoeld in, dient te worden betaald, indien die betaling niet of niet geheel heeft plaatsgevonden; e. met ingang van de dag volgend op de laatste dag van een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de gewezen verzekerde de van hem, in verband met de toepassing van dit hoofdstuk, verlangde inlichtingen dient te verstrekken, indien de gewezen verzekerde die gegevens niet heeft verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde aannemelijk maakt dat dat hem niet in overwegende mate kan worden verweten. 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 63d — Artikel 63d#
Artikel 63d 1 artikelen 63 tot en met 63c Dezijn van overeenkomstige toepassing op: artikel 63b, eerste lid Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW met dien verstande dat voor de toepassing van, de verzekering geacht wordt geëindigd te zijn, op de dag voor inwerkingtreding van de. a. artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW de gewezen verzekerde die op 31 december 1999 verplicht verzekerd was op grond vanen die op of na 1 januari 2000, maar voor de dag van inwerkingtreding van de, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; b. artikel 63 Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW de gewezen verzekerde die op 31 december 1999 vrijwillig verzekerd was op grond vanvan deze wet, zoals dat artikel luidde tot en met de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deen wiens vrijwillige verzekering tussen 31 december 1999 en de dag van inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW uitsluitend als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is geëindigd; 2 artikelen 63 tot en met 63c Dezijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen verzekerde die op 31 december 2005 vrijwillig verzekerd was op grond van een algemene maatregel van bestuur die gebaseerd was op artikel 63, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde deze in overeenstemming te brengen met de motie van het lid Jurgens c.s. 2012 657 27-12-2012 27-09-2012 33133 2012 657 27-12-2012 27-09-2012 33133 28-12-2012
Artikel 63e — Artikel 63e#
Artikel 63e Vervallen 2012 657 27-12-2012 27-09-2012 33133 2012 657 27-12-2012 27-09-2012 33133 28-12-2012
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 64a — Artikel 64a#
Artikel 64a 1 Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. 2 De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan. 3 Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld. 2010 840 28-12-2010 13-12-2010 32435 2010 877 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 64b — Artikel 64b#
Artikel 64b Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbeslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 01-10-2009
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 artikelen 3, tweede tot en met zesde lid 6 7 13 Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen terzake van schending of verkeerde toepassing van de,,enen de op die artikelen berustende bepalingen. 2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof. 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 02-01-1998
Artikel 66a — Artikel 66a#
Artikel 66a 1 Een persoon, wiens echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon uitsluitend als nabestaande aangemerkt, indien hij: a. is geboren op of na 1 januari 1950 en voor 1 juli 1956; b. artikel 3 op de dag van overlijden was gehuwd met de persoon die nadien is overleden, waarbij, buiten toepassing blijft; en c. overigens ter zake van het overlijden van zijn echtgenoot, indien dat overlijden zou hebben plaatsgevonden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, recht zou hebben gehad op een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. 3 Artikel 16, eerste lid, onderdeel a , is niet van toepassing op de persoon die op grond van het eerste lid is aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in afwijking van het eerste lid regels gesteld waarbij een persoon die voldoet aan die regels alsmede aan het tweede lid, doch wiens echtgenoot overlijdt op of na de dag gelegen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de periode waarbinnen en de voorwaarden waaronder een aanvraag om als zodanig te worden aangemerkt bij de Sociale verzekeringsbank moet worden ingediend en op de hoogte van een daartoe verschuldigde bijdrage. Daarnaast hebben deze regels betrekking op de door de Sociale verzekeringsbank verschuldigde vergoeding aan derden in verband met door hen gemaakte kosten ten behoeve van de uitvoering van de in de eerste zin bedoelde algemene maatregel van bestuur. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 05-12-2020 01-01-2015
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een nabestaandenuitkering, met dien verstande dat: a. artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b het recht op nabestaandenuitkering niet eindigt, wanneer de nabestaande niet meer voldoet aan de voorwaarden van, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij: 1°. 40 jaar of ouder is op de laatste dag van de maand, waarin de dag gelegen is met ingang waarvan hij niet aan de bedoelde voorwaarden voldoet, of 2°. artikel 14, eerste lid, onderdeel a 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is op de laatste dag van de maand, waarin de dag gelegen is, met ingang waarvan hij niet meer voldoet aan de voorwaarde voor het recht op uitkering overeenkomstig; b. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten inkomen, bestaande uit een uitkering op grond van deof deop de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht; en c. met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het overig inkomen in mindering wordt gebracht overeenkomstig het tweede lid, waarbij van de nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het bruto-minimumloon buiten aanmerking blijft. 2 c Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel, buiten aanmerking gelaten een bedrag gelijk aan 70% van het bruto-minimumloon. Indien het inkomen geheel of mede bestaat uit inkomen uit arbeid en dat inkomen meer bedraagt dan 70% van het bruto-minimumloon, wordt naast het bedrag, bedoeld in de eerste zin, een derde gedeelte van dat meerdere buiten aanmerking gelaten. 3 Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, wordt de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 30% van het bruto-minimumloon, waarop in mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Deze nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het netto-minimumloon met ingang van de eerste dag van de maand dat de nabestaande voor 1 juli 1998 geen gezamenlijke huishouding meer voert. De Sociale verzekeringsbank kan indien de toepassing van de tweede zin wat de datum 1 juli 1998 betreft, tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, een latere datum vaststellen. 4 artikel 18 Voor de toepassing van de Wet beperking samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met uitkeringen en renten op grond van de Ongevallenwet 1921 wordt een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet als een uitkering op grond van deze wet in aanmerking genomen, met dien verstande, dat voor het bepalen van de rente op grond van de Ongevallenwet 1921 die tot uitbetaling komt,buiten aanmerking blijft. 5 Bij ministeriële regeling kunnen voor situaties waarin dit artikel niet of onvoldoende voorziet dan wel toepassing van dit artikel tot onredelijke resultaten leidt nadere regels worden gesteld. 6 In afwijking van het derde lid wordt de nabestaandenuitkering van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 50% van het netto minimumloon, waarop in mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Op het deel van de nabestaandenuitkering dat meer bedraagt dan 30% van het bruto-minimumloon, wordt het overig inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, in mindering gebracht. De in de eerste zin bedoelde nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het netto-minimumloon met ingang van de eerste dag van de maand waarin geen gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende meer wordt gevoerd. 7 Indien de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het zesde lid, eindigt door het overlijden van de hulpbehoevende die niet tevens nabestaande is, ontstaat geen nieuw recht op nabestaandenuitkering. 8 In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij: – X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en – Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. 9 artikel 17, derde lid De nabestaandenuitkering bedraagt voor de nabestaande een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en met het achtste lid vastgestelde bedrag indien de nabestaande woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. Bij de toepassing van de eerste zin blijft, buiten toepassing. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 11-12-2015 01-01-2015
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9 , is niet van toepassing op de persoon die: a) artikel 14 26 op 31 december 1999 op grond vandan wel, recht heeft op een nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering en op die dag niet in Nederland woont, en b) artikel 2 van de wet van 9 december 2004 op 19 december 2005 dit recht op nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering uitsluitend nog heeft op grond van, houdende goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid (Verdrag Nr. 118 aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122 en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715). 2 Het eerste lid blijft van toepassing zolang deze persoon blijft wonen in hetzelfde land als het land waar hij op 19 december 2005 woonde en blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 01-01-2016
Artikel 68a — Artikel 68a#
Artikel 68a Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9 , is niet van toepassing op de persoon op wie die paragraaf als gevolg van de opzegging van een verdrag, beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie van toepassing zou worden, zolang deze persoon blijft wonen in hetzelfde land als het land waar hij op de dag voor buitenwerkingtreding als gevolg van die opzegging respectievelijk op de dag voor de beëindiging woonde en blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Vervallen 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-07-2013 Treedt in werking behalve voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering. Treedt in werking op 1 oktober 2013 voor zover het betreft personen die voor 29 maart 2013 recht hebben op een halfwezenuitkering.
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Vervallen 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 01-01-2019
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 Degene, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet recht had op een wezenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, heeft overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op een wezenuitkering. 2 artikel 26, tweede lid, onderdelen a en c artikel 29, tweede lid, onderdeel c In afwijking van het eerste lid wordt ten aanzien van het kind dat op de dag van de inwerkingtreding van deze wet 16 jaar of ouder is en recht had op uitkering op grond van artikel 17 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet bij de toepassing vanenin plaats van 21 jaar gelezen: 27 jaar. 3 artikel 26, tweede lid, onderdeel c Van de persoon, bedoeld in dit artikel, die recht heeft op uitkering op grond van, en die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert, en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, eindigt de wezenuitkering met ingang van 1 januari 1998. 4 Vervallen. 5 In afwijking van het derde lid eindigt de wezenuitkering van de aldaar bedoelde persoon niet zolang de persoon die gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende en indien de persoon of de overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 artikelen 5, derde lid 9 De, en, zoals deze luidden, op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel XII, onderdelen A en B, van de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014, 131, blijven van toepassing op de personen op wie deze artikelen werden toegepast op de dag voor inwerkingtreding van die wet. 2014 131 27-03-2014 12-03-2014 33061 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een tijdvak van verzekering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet mede aangemerkt als een tijdvak van verzekering op grond van deze wet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 Vervallen 2010 838 28-12-2010 16-12-2010 32520 2010 839 28-12-2010 23-12-2010 01-07-2011
Artikel 74* — Artikel 74*#
Artikel 74* Vervallen 2010 867 29-12-2010 23-12-2010 32421 2010 867 29-12-2010 23-12-2010 32421 01-01-2013
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 Wijzigt de Organisatiewet sociale verzekeringen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 Wijzigt de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 Wijzigt de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Wijzigt de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. 1996 369 09-07-1996 04-07-1996 24693 1996 369 09-07-1996 04-07-1996 24693 10-07-1996 01-07-1996 Werkt terug tot en met 1 juli 1996
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 . 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers 1940-1945. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 Wijzigt de Wet buitengewoon pensoen Indisch verzet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 Wijzigt de Ziekenfondswet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 Wijzigt de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 Wijzigt het Wetboek van Koophandel. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 Wijzigt de Successiewet 1956. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 Wijzigt de Werkloosheidswet, Ziektewet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, Toeslagenwet, Algemene Kinderbijslagwet, Algemene bijstandswet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 Wijzigt deze wet, de Wet financiering volksverzekeringen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 Wijzigt deze wet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 Wijzigt de Algemene bijstandswet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 Wijzigt de Beroepswet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 Wijzigt deze wet. 1996 369 09-07-1996 04-07-1996 24693 1996 369 09-07-1996 04-07-1996 24693 10-07-1996 01-07-1996 Werkt terug tot en met 1 juli 1996
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 Wijzigt deze wet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 1 De inwerkingtreding van deze wet leidt tot 1 januari 2000 niet tot wijziging van de in guldens uitgedrukte aanspraken, rechten en verplichtingen zoals die voor degenen die betrokken zijn bij een pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever luidden op de dag voor de datum van die inwerkingtreding. 2 Indien voor 1 januari 2000 een herziening van de pensioenregeling in verband met deze wet wordt overeengekomen of overeenstemming wordt bereikt over de handhaving van de voor de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende regeling van het nabestaandenpensioen, kan de inwerkingtreding van deze wet vanaf dat tijdstip wel tot wijziging leiden van de in het eerste lid genoemde aanspraken, rechten en verplichtingen. 3 artikel E11 van de Algemene militaire pensioenwet Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de pensioenaanspraken van de nabestaanden van de militair, gewezen militair of gepensioneerde militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken, als bedoeld in. Onze Minister van Defensie stelt in verband daarmee voor de in het eerste lid bedoelde periode en met inachtneming van het tweede lid bij ministeriële regeling nadere regels overeenkomstig de inbouw- en franchise bepalingen van die wet. 2003 544 30-12-2003 19-12-2003 28978 2003 545 30-12-2003 19-12-2003 01-01-2004
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 1 De Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt ingetrokken. 2 De Algemene Weduwen- en Wezenwet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor de dag waarop deze wet in werking treedt, voor zover in deze wet niet anders is bepaald. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 artikel 8 Na de inwerkingtreding van deze wet berust de ministeriële regeling op grond van artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet opvan deze wet. 2003 544 30-12-2003 19-12-2003 28978 2003 545 30-12-2003 19-12-2003 01-01-2004
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 Deze wet wordt aangehaald als: Algemene nabestaandenwet. 1995 690 28-12-1995 21-12-1995 24169 1996 305 25-06-1996 10-06-1996 01-07-1996