Wet van 13 maart 1997, houdende bepalingen met betrekking tot de militaire dienstplicht alsmede wijziging van enige wetten en overgangsrecht (Kaderwet dienstplicht)
- BWB-id
- BWBR0008589
- Type
- Wet
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0008589
- ELI
- /eli/nl/wet/1997/kaderwet-dienstplicht
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1997/kaderwet-dienstplicht/2020-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0008589&g=2020-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0008589&z=2026-06-06&g=2020-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0008589/2020-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1997/kaderwet-dienstplicht
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; b. dienstplichtige: degene die ingevolge deze wet geschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst; c. groot verlof: tijd gedurende welke de dienstplichtige zich niet in werkelijke dienst bevindt of moet bevinden. 2 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van personen, die ongeschikt zijn verklaard, zijn ontheven van de verplichting tot het vervullen van werkelijke dienst, zijn uitgesloten van de dienstplicht of te wier aanzien een rechterlijke uitspraak heeft plaatsgehad, worden hieronder, voor zover het tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden. 3 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van het oproepen van dienstplichtigen voor het vervullen van werkelijke dienst, wordt daaronder ten aanzien van hen die zich reeds in werkelijke dienst bevinden, verstaan het houden of blijven in werkelijke dienst. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 2 — Artikel 2 Toepassingsgebied#
Artikel 2 Toepassingsgebied Uitgezonderd paragraaf 2 van hoofdstuk 1 is deze wet niet van toepassing op hen die als militair ambtenaar zijn aangesteld. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 3 — Artikel 3 In te schrijven personen#
Artikel 3 In te schrijven personen 1 Voor de dienstplicht wordt ingeschreven de Nederlander die op 1 februari van het jaar waarin degene de leeftijd van 17 jaar bereikt als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven of had behoren te zijn ingeschreven. 2 Voor de dienstplicht wordt voorts ingeschreven: a. de Nederlander, die na het in het eerste lid bedoelde tijdstip en voor 1 januari van het jaar, waarin degene de leeftijd van 35 jaar bereikt als ingezetene in de basisregistratie personen wordt ingeschreven of behoort te worden ingeschreven; en b. de persoon die in het in onderdeel a bedoelde tijdvak Nederlander of opnieuw Nederlander is geworden, indien degene als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven of had behoren te zijn ingeschreven. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 4 — Artikel 4 Gemeente van inschrijving#
Artikel 4 Gemeente van inschrijving 1 artikel 3 De inschrijving voor de dienstplicht geschiedt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de inbedoelde personen op het tijdstip van de inschrijving, als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven of hadden behoren te zijn ingeschreven. 2 Voor zover Onze Minister het nodig oordeelt, geschiedt de inschrijving op aangifte en vindt deze plaats bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot inschrijving op aangifte. Deze algemene maatregel van bestuur bevat ten minste een regeling omtrent de wijze waarop en de termijn waarbinnen de inschrijving op aangifte plaatsvindt. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 5 — Artikel 5 Bericht van inschrijving#
Artikel 5 Bericht van inschrijving Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk nadat de inschrijving heeft plaatsgevonden aan iedere voor de dienstplicht ingeschreven persoon een bericht van inschrijving met vermelding van het registratienummer. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 6 — Artikel 6 Keuring#
Artikel 6 Keuring 1 Voor zover Onze Minister het nodig acht, is iedere ingeschrevene verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek ter beoordeling van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst in het algemeen en ter verkrijging van gegevens voor de bestemming in de krijgsmacht, in deze wet aangeduid als keuring. 2 Ten behoeve van de keuring stelt Onze Minister keuringscommissies in. 3 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht De ingeschrevene is verplicht bij de aanmelding voor het ondergaan van de keuring de toegezonden oproep te tonen en een document te overleggen als bedoeld in. 4 De keuringsuitslag wordt binnen twee weken na de keuring door een keuringscommissie vastgesteld. Bij geschiktverklaring vermeldt de bekendmaking dat de betrokkene als dienstplichtige wordt aangemerkt. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 7 — Artikel 7 Herkeuring#
Artikel 7 Herkeuring 1 Een aanvraag om herkeuring dient door betrokkene binnen zes weken na de bekendmaking van de keuringsuitslag schriftelijk aan de herkeuringscommissie te worden gedaan. De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed. 2 Ten behoeve van de herkeuring stelt Onze Minister een of meer herkeuringscommissies in. 3 Aan een herkeuring wordt niet deelgenomen door een geneeskundige die de keuring heeft verricht. 4 Indien de aanvrager is verhinderd aan de oproep voor de herkeuring gevolg te geven, doet deze daarvan schriftelijk met opgave van redenen onverwijld mededeling aan de herkeuringscommissie. Indien de redenen waarom aan de oproep geen gevolg werd gegeven, naar het oordeel van de herkeuringscommissie gegrond zijn, wordt een nieuwe datum voor de herkeuring vastgesteld en wordt de aanvrager daarvoor opnieuw opgeroepen. Indien de redenen ongegrond worden geoordeeld, vervalt de aanvraag tot herkeuring. 5 De herkeuringsuitslag wordt binnen twee weken na de herkeuring door een herkeuringscommissie vastgesteld. Bij geschiktverklaring vermeldt de bekendmaking dat de betrokkene als dienstplichtige wordt aangemerkt. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 8 — Artikel 8 Beslissing (her)keuringscommissie#
Artikel 8 Beslissing (her)keuringscommissie 1 De beslissing van een keuringscommissie of een herkeuringscommissie betreft: a. geschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst; b. tijdelijke ongeschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst; of c. ongeschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst. 2 De beslissing van een herkeuringscommissie treedt in de plaats van die van een keuringscommissie. 3 Na het verstrijken van de duur van de tijdelijke ongeschiktheid wordt de betrokkene opnieuw voor een keuring opgeroepen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 9 — Artikel 9 Nadere regels keuring en herkeuring#
Artikel 9 Nadere regels keuring en herkeuring Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot keuring en herkeuring als bedoeld in deze paragraaf. Deze algemene maatregel van bestuur bevat ten minste een regeling omtrent: a. de omvang en de samenstelling van de keurings- en herkeuringscommissies; b. de vereisten waaraan de leden van de keurings- en herkeuringscommissies moeten voldoen; c. de omvang van de keuring en de herkeuring; en d. de wijze waarop de geschiktheid of ongeschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst wordt beoordeeld. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 10 — Artikel 10 Afkeuring door bedrog#
Artikel 10 Afkeuring door bedrog Bestaat er naar het oordeel van Onze Minister gegrond vermoeden, dat iemand voorgoed ongeschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst als gevolg van bedrog, dan wordt de desbetreffende beslissing door Onze Minister vervallen verklaard en komen op betrokkene de verplichtingen te rusten als ware deze geschikt verklaard. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 11 — Artikel 11 Redenen van uitsluiting#
Artikel 11 Redenen van uitsluiting 1 Van de dienst wordt uitgesloten a. degene die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een of meer straffen, zwaarder of tezamen zwaarder dan een gevangenisstraf van zes maanden; of b. degene die bij rechterlijke uitspraak is ontzet uit het recht om bij de gewapende macht te dienen. 2 artikel 36, tweede lid artikelen 109 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht Onverminderd het eerste lid kan van de dienst worden uitgesloten degene die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld ter zake van een van de misdrijven omschreven in, van deze wet en in deen. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene, die gratie heeft gekregen, geacht slechts te zijn veroordeeld tot de straf, welke krachtens de gratie op degene blijft rusten of komt te rusten. 4 De uitsluiting geschiedt door Onze Minister. 5 In bijzondere gevallen kan de uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, achterwege worden gelaten. 6 paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Onze Minister van Veiligheid en Justitie bewerkstelligt dat ten aanzien van de voor de dienstplicht ingeschreven personen, die in de termen vallen om te worden uitgesloten als bedoeld in het eerste en tweede lid, de nodige opgaven worden gedaan aan Onze Minister. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld invoor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van dit artikel. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 12 — Artikel 12 Uitstel#
Artikel 12 Uitstel artikel 18, eerste lid Op aanvraag kan door Onze Minister uitstel worden verleend van de in, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst in de gevallen, waarin dit in het belang van de dienstplichtige of om andere redenen wenselijk is en voor zover het militair belang niet wordt geschaad. De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 13 — Artikel 13 Ontheffing#
Artikel 13 Ontheffing artikel 18, eerste lid Op aanvraag wordt door Onze Minister ontheffing verleend van de in, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst wegens: De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed. a. persoonlijke onmisbaarheid; of b. de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 14 — Artikel 14 Vrijstelling#
Artikel 14 Vrijstelling artikel 18, eerste lid Onze Minister verleent vrijstelling van de in, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst wegens: a. kostwinnerschap; b. het bekleden van een geestelijk ambt of een opleiding tot zodanig ambt; of c. broeder-, of zusterdienst. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 15 — Artikel 15 Beroep op de administratieve rechter#
Artikel 15 Beroep op de administratieve rechter Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 16 — Artikel 16 Nadere voorschriften uitstel, ontheffing en vrijstelling#
Artikel 16 Nadere voorschriften uitstel, ontheffing en vrijstelling 1 Uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. 2 Aan uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. 3 Uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kan door Onze Minister worden ingetrokken, wanneer: a. een of meer redenen waarom het uitstel, de ontheffing of de vrijstelling is verleend, is of zijn vervallen; b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden nageleefd; of c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, het uitstel, de ontheffing of de vrijstelling niet of niet in die vorm zou zijn verleend. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 17 — Artikel 17 Nadere regels uitstel, ontheffing en vrijstelling#
Artikel 17 Nadere regels uitstel, ontheffing en vrijstelling artikelen 12 13 14 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot uitstel, ontheffing en vrijstelling als bedoeld in de,en. Het ontwerp van een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijke aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 18 — Artikel 18 Gewone omstandigheden#
Artikel 18 Gewone omstandigheden 1 De dienstplichtige is in gewone omstandigheden uitsluitend verplicht tot het vervullen van werkelijke dienst voor opleiding en oefening alsmede voor herhalingsoefeningen. 2 Oproeping voor opleiding en oefening respectievelijk herhalingsoefeningen geschiedt door Onze Minister. De dienstplichtigen zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. 3 artikelen 12 13 14 het vijfde lid van dit artikel Onverminderd de,,, alsmede, gaat de oproeping van jongere dienstplichtigen zoveel mogelijk vooraf aan de oproeping van oudere dienstplichtigen. Voor opleiding en oefening worden dienstplichtigen ouder dan 35 jaar niet opgeroepen. In geval van herhalingsoefeningen vindt geen oproeping van dienstplichtigen ouder dan 45 jaar plaats. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de duur van de werkelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, die voor groepen van functies verschillend kan worden gesteld. De duur van de opleiding en oefening bedraagt ten hoogste achttien maanden. De duur van de herhalingsoefeningen bedraagt al of niet aaneengesloten ten hoogste drie maanden. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van dienstplichtigen worden aangewezen die in geval van een oproeping als bedoeld in het eerste lid niet of voorlopig niet in werkelijke dienst behoeven te komen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 19 — Artikel 19 Buitengewone omstandigheden#
Artikel 19 Buitengewone omstandigheden 1 artikel 20 Onverminderdkan Onze Minister in geval van buitengewone omstandigheden dienstplichtigen oproepen voor het vervullen van werkelijke dienst, voor zover dat nodig is ter uitvoering van de militaire taak. De dienstplichtigen zijn verplicht aan deze oproeping gevolg te geven. 2 Onverminderd het derde lid gaat de oproeping van jongere dienstplichtigen zoveel mogelijk vooraf aan de oproeping van oudere dienstplichtigen. Oproeping van dienstplichtigen ouder dan 45 jaar vindt niet plaats. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van dienstplichtigen worden aangewezen die in geval van een oproeping als bedoeld in het eerste lid niet of voorlopig niet in werkelijke dienst behoeven te komen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 20 — Artikel 20 Procedure oproeping in buitengewone omstandigheden#
Artikel 20 Procedure oproeping in buitengewone omstandigheden 1 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden artikel 19, eerste lid Onverminderd de, enkan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,, in werking worden gesteld. 2 artikel 19, eerste lid Wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden omtrent het voortduren van de werking van. 3 artikel 19, eerste lid Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,, onverwijld buiten werking gesteld. 4 artikel 19, eerste lid Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, kan, buiten werking worden gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 21 — Artikel 21 Verlenging werkelijke dienst#
Artikel 21 Verlenging werkelijke dienst De werkelijke dienst kan voor de dienstplichtige, indien deze voor groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd a. gedurende evenveel dagen als degene voor het ondergaan van straf, door ongeoorloofde afwezigheid of door desertie niet aan de dagelijkse dienst heeft deelgenomen; b. zolang dit nodig is voor het ondergaan van straf, voor het onderzoek omtrent een strafbaar feit waarvan degene wordt verdacht en waarvoor een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd; of c. zolang het vertrek met groot verlof gevaar kan opleveren voor de verspreiding van een bij het onderdeel van de krijgsmacht waar de werkelijke dienst wordt vervuld heersende of geheerst hebbende besmettelijke ziekte. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 22 — Artikel 22 Groot verlof#
Artikel 22 Groot verlof 1 Het verlenen van groot verlof geschiedt door Onze Minister. 2 De dienstplichtige met groot verlof is verplicht om aan door Onze Minister aan te wijzen functionarissen inzage te verlenen van aan de dienstplichtige uitgereikte militaire bescheiden alsmede om aan Onze Minister desgevraagd alle in verband met deze dienstplicht gewenste inlichtingen te verschaffen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 23 — Artikel 23 Rechtspositieregeling#
Artikel 23 Rechtspositieregeling Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de dienstplichtige in werkelijke dienst en voor zover nodig voor de gewezen dienstplichtige voorschriften vastgesteld betreffende: a. opleiding; b. onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid anders dan ingevolge hoofdstuk 1; c. bevordering; d. terugstelling bij administratieve maatregel; e. diensttijden; f. verlof; g. aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg; h. bescherming bij de arbeid; i. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen; j. rechten en verplichtingen van dienstplichtigen, verband houdende met het uitoefenen van medezeggenschap; k. bezoldiging en overige militaire inkomsten; l. overige rechten en verplichtingen; en m. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel en verenigingen van dienstplichtige militairen overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van dienstplichtigen, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 24 — Artikel 24 Algemene wet bestuursrecht Toepassing#
Artikel 24 Algemene wet bestuursrecht Toepassing Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen inzake functietoewijzing, bevordering en aanwijzing voor het volgen van een opleiding. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Titel IIa van de Wet ambtenaren defensie vindt op dienstplichtigen in werkelijke dienst en op gewezen dienstplichtigen overeenkomstige toepassing. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 26 — Artikel 26 Diensteindiging#
Artikel 26 Diensteindiging De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen zijn niet langer van toepassing a. voor zover de dienstplichtige in werkelijke dienst 1°. blijkt voorgoed ongeschikt te zijn; 2°. van de dienst wordt uitgesloten; 3°. Wet militair tuchtrecht door herhaald wangedrag blijkt ongevoelig te zijn voor bestraffing ingevolge deen deswege niet in de dienst kan worden gehandhaafd; of 4°. blijkens een verdrag niet tot dienstplicht is verplicht; b. zodra de dienstplichtige in werkelijke dienst 1°. het Nederlanderschap verliest; of 2°. een tegen deze gewezen rechterlijke uitspraak waarbij de bijkomende straf van ontzetting uit het recht om bij de gewapende macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is bepaald dat deze straf geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, in kracht van gewijsde is gegaan. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 27 — Artikel 27 Openbaring van gedachten en gevoelens, recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging#
Artikel 27 Openbaring van gedachten en gevoelens, recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging 1 De dienstplichtige in werkelijke dienst onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens dan wel van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 2 Het eerste lid is voor wat betreft het recht van vereniging niet van toepassing op het lidmaatschap van: a. artikelen G1 G2 van de Kieswet een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is ingeschreven overeenkomstig deof; b. artikel G3 van de Kieswet een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is ingeschreven overeenkomstig, en die, indien na de inschrijving verkiezingen zijn gehouden voor de gemeenteraden, aan de laatst gehouden verkiezingen heeft deelgenomen; of c. een vakvereniging. 3 De dienstplichtige is verplicht tot geheimhouding van enig gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting uit de aard van de zaak volgt. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 28 — Artikel 28 Godsdienst of levensovertuiging#
Artikel 28 Godsdienst of levensovertuiging De dienstplichtige in werkelijke dienst is niet gehouden tot dienstverrichting op voor deze op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 29 — Artikel 29 Werkzaamheden in vertegenwoordigende functies#
Artikel 29 Werkzaamheden in vertegenwoordigende functies 1 Aan de dienstplichtige in werkelijke dienst wordt buitengewoon verlof verleend voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen van een publiekrechtelijk college, waarin deze is benoemd of verkozen, en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dit college, tenzij de belangen van de dienst vorderen dat het verlof niet wordt verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het doorbetalen van bezoldiging. 2 Aan de dienstplichtige in werkelijke dienst wordt, tenzij de belangen van de dienst vorderen dat het verlof niet wordt verleend, buitengewoon verlof verleend voor aan te wijzen activiteiten van of voor een vereniging van militairen overeenkomstig regels te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 30 — Artikel 30 Bevoegdheid tot visitatie#
Artikel 30 Bevoegdheid tot visitatie 1 De dienstplichtige in werkelijke dienst is verplicht zich tijdens het verblijf in een gebouw, luchtvaartuig of voertuig alsmede op een vaartuig of een terrein, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht of dat de dienstplichtige tot verblijf of gebruik dient bij de vervulling van de taak in internationaal verband, te onderwerpen aan een in het belang van de dienst door het bevoegd gezag gelast onderzoek aan het lichaam of de kleding of van daar aanwezige goederen die de dienstplichtige toebehoren. 2 Het bevoegd gezag op wiens last het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, plaats heeft, neemt de nodige maatregelen ten einde daarbij een onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 31 — Artikel 31 Reisbeperkingen#
Artikel 31 Reisbeperkingen Het is de dienstplichtige in werkelijke dienst verboden, anders dan met toestemming of in opdracht van Onze Minister of van een door deze aan te wijzen functionaris, te reizen naar of te verblijven in: a. bij koninklijk besluit aangewezen landen, waarin het verblijf door een dienstplichtige in werkelijke dienst een bijzonder risico voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat of zijn bondgenoten kan opleveren; of b. een land of een landsdeel waar feitelijk een gewapend conflict bestaat. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 32 — Artikel 32 Administratief beroep#
Artikel 32 Administratief beroep Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 33 — Artikel 33 Rechtsmacht#
Artikel 33 Rechtsmacht hoofdstuk 2 artikelen 3 tot en met 8 van de Wet ambtenaren defensie Ten aanzien van hetgeen bij of krachtensis bepaald zijn devan overeenkomstige toepassing. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht artikel 9:8, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 49 van de Wet militair tuchtrecht De dienstplichtige in werkelijke dienst die zich bezwaard voelt over een van een militaire meerdere als bedoeld inontvangen bevel, dan wel meent van een zodanige meerdere een krenkende of onbillijke behandeling te hebben ondervonden, kan daarover in afwijking vanbinnen zes weken schriftelijk een met redenen omklede klacht indienen bij de tot straffen bevoegde militaire meerdere, bedoeld inonder wiens rechtstreeks bevel degene, tegen wie de klacht is gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister aangewezen functionaris. 2 Wet militair tuchtrecht Geen klacht kan worden ingediend over besluiten of handelingen ter uitvoering van de. 3 afdelingen 9.1.2 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Op de behandeling van de klacht zijn deenvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking vande klacht binnen twaalf weken wordt afgehandeld indien de klager dan wel de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht dan wel getuigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 35 — Artikel 35 Nalatigheid inschrijving en inlichtingen#
Artikel 35 Nalatigheid inschrijving en inlichtingen 1 artikel 4, tweede lid artikel 22, tweede lid Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die niet voldoet aan de ingevolge, en, op deze persoon rustende verplichtingen. 2 Opzettelijke overtreding van het bepaalde bij het eerste lid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 36 — Artikel 36 Nalatigheid keuring en oproeping#
Artikel 36 Nalatigheid keuring en oproeping 1 Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: a. artikel 6 degene die niet voldoet aan de ingevolgeop deze persoon rustende verplichtingen; b. degene die ingevolge deze wet voor de werkelijke dienst is opgeroepen en niet verschijnt op tijd en plaats bij dat deel van de krijgsmacht, waarbij degene is ingedeeld, tenzij degene zulks niet valt toe te rekenen. 2 a Artikel 71van het Wetboek van Militair Strafrecht Opzettelijke overtreding van het bepaalde bij het eerste lid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Overtreding in buitengewone omstandigheden van het bepaalde bij het eerste lid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.is van overeenkomstige toepassing. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 37 — Artikel 37 Karakter strafbare feiten#
Artikel 37 Karakter strafbare feiten 1 artikelen 35, eerste lid 36, eerste lid De in, en, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2 artikelen 35, tweede lid 36, tweede lid De in de, en, strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 38 — Artikel 38 Opsporingsambtenaren#
Artikel 38 Opsporingsambtenaren artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Met de opsporing van de in deze wet strafbare gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de militairen van de Koninklijke marechaussee. Zij hebben toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 39 — Artikel 39 Opschorting#
Artikel 39 Opschorting 1 artikel 19, derde lid hoofdstukken 2 3 artikelen 27, derde lid 35 37 38 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, kunnen de paragrafen 3 en 5 van hoofdstuk 1, met uitzondering van, alsmede deen, met uitzondering van de,,en, worden opgeschort. Bij dat besluit kan de opschorting voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen worden gesteld. 2 Het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd en treedt niet in werking dan nadat twee weken na de overlegging zijn verstreken. Indien een van de kamers daartegen overwegende bezwaren te kennen heeft gegeven, wordt het besluit ingetrokken. 3 artikel 64 De opschorting is niet van toepassing bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 40 — Artikel 40 Beëindiging opschorting#
Artikel 40 Beëindiging opschorting 1 hoofdstuk 1 artikel 19, derde lid hoofdstukken 2 3 artikelen 27, derde lid 35 37 38 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, kan de opschorting van de paragrafen 3 en 5 van, met uitzondering van, alsmede deen, met uitzondering van de,,enworden beëindigd. Bij dat besluit kan de beëindiging van de opschorting voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen worden gesteld. 2 Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Het besluit treedt niet in werking dan nadat twee weken na de overlegging zijn verstreken. Indien een van de kamers daartegen overwegende bezwaren te kennen heeft gegeven, wordt het besluit ingetrokken. De tweede en de derde volzin zijn niet van toepassing indien door de beide kamers te kennen is gegeven dat het koninklijk besluit op een eerder tijdstip in werking kan treden. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 41 — Artikel 41 Intrekking regelgeving#
Artikel 41 Intrekking regelgeving 1 Stb. De Wet van 4 augustus 1947 (H 293) betreffende uitzending dienstplichtigen wordt ingetrokken. 2 De Wet rechtstoestand dienstplichtigen wordt ingetrokken. 3 De Dienstplichtwet wordt ingetrokken. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 42 — Artikel 42 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen#
Artikel 42 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 43 — Artikel 43 Algemene militaire pensioenwet#
Artikel 43 Algemene militaire pensioenwet Wijzigt de Algemene militaire pensioenwet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 44 — Artikel 44 Wet betreffende de positie van Molukkers#
Artikel 44 Wet betreffende de positie van Molukkers Wijzigt de Wet betreffende de positie van Molukkers. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 45 — Artikel 45 Militaire Ambtenarenwet 1931#
Artikel 45 Militaire Ambtenarenwet 1931 Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 46 — Artikel 46 Wet gewetensbezwaren militaire dienst#
Artikel 46 Wet gewetensbezwaren militaire dienst Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 47 — Artikel 47 Wetboek van Militair Strafrecht#
Artikel 47 Wetboek van Militair Strafrecht Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 48 — Artikel 48 Algemene wet bestuursrecht#
Artikel 48 Algemene wet bestuursrecht Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 49 — Artikel 49 Beroepswet#
Artikel 49 Beroepswet Wijzigt de Beroepswet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 50 — Artikel 50 Burgerlijk Wetboek#
Artikel 50 Burgerlijk Wetboek Wijzigt Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 51 — Artikel 51 artikel 20, eerste lid Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Aanpassing, in verband met Invoeringswet#
Artikel 51 artikel 20, eerste lid Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Aanpassing, in verband met Invoeringswet Wijzigt de Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 52 — Artikel 52 Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Wijziging#
Artikel 52 Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Wijziging Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 53 — Artikel 53 Arbeidstijdenwet Wijziging#
Artikel 53 Arbeidstijdenwet Wijziging Wijzigt de Arbeidstijdenwet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 54 — Artikel 54 Wet veiligheidsonderzoeken Wijziging#
Artikel 54 Wet veiligheidsonderzoeken Wijziging Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 55 — Artikel 55 titel 7.10 van het nieuw Burgerlijk Wetboek Wijziging#
Artikel 55 titel 7.10 van het nieuw Burgerlijk Wetboek Wijziging Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 56 — Artikel 56 artikel 60, derde lid Aanpassing, in verband met wijziging van verschillende wetten inzake de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht#
Artikel 56 artikel 60, derde lid Aanpassing, in verband met wijziging van verschillende wetten inzake de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht Wijzigt de Wijzigingswet bepalingen van verschillende wetten ivm erkenning van vrijheid van levensovertuiging als grondrecht. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 01-01-1997
Artikel 57 — Artikel 57 Omzetting ingeschrevenen#
Artikel 57 Omzetting ingeschrevenen Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet voor de dienstplicht zijn ingeschreven, worden aangemerkt als ingeschrevenen voor de dienstplicht in de zin van deze wet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 58 — Artikel 58 Omzetting (on)geschiktverklaarden#
Artikel 58 Omzetting (on)geschiktverklaarden 1 Zij die op grond van de Dienstplichtwet voorgoed ongeschikt voor de dienst zijn of worden verklaard, worden aangemerkt als voorgoed ongeschikt voor de dienst in de zin van deze wet. 2 Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Dienstplichtwet tijdelijk ongeschikt voor de dienst zijn verklaard, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van deze wet. 3 artikel 9, eerste lid, van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Dienstplichtwet geschikt voor de dienst zijn verklaard doch nog niet zijn ingelijfd, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van deze wet. De eerste volzin is niet van toepassing op hen die op grond vanzijn vrijgesteld van de militaire verplichtingen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 59 — Artikel 59 Omzetting ingelijfden#
Artikel 59 Omzetting ingelijfden Zij die voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet op grond van de Dienstplichtwet zijn ingelijfd als gewoon dienstplichtigen doch niet meer voor eerste oefening worden opgeroepen, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van deze wet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 60 — Artikel 60 Omzetting vrijgestelden#
Artikel 60 Omzetting vrijgestelden 1 Degene aan wie op grond van: a. a c d artikel 15, eerste lid, onderdelen,of, van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet een voorgoed verleende vrijstelling is of wordt verleend, wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende vrijstelling; b. b e artikel 15, eerste lid, onderdelenof, van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet een voorgoed verleende vrijstelling is of wordt verleend, wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende ontheffing. 2 Degene aan wie op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van: a. a c d artikel 15, eerste lid, onderdelen,of, van de Dienstplichtwet een tijdelijke vrijstelling is verleend, wordt na afloop van de duur van deze vrijstelling overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende vrijstelling; b. b e artikel 15, eerste lid, onderdelenof, van de Dienstplichtwet een tijdelijke vrijstelling is verleend, wordt na afloop van de duur van deze vrijstelling overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende ontheffing. 3 artikel 62, eerste lid De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingediende doch nog niet afgedane aanvragen om vrijstelling worden overeenkomstig de bepalingen van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet verder behandeld en afgedaan, met dien verstande dat in afwijking van artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de Dienstplichtwet aanvragen om vrijstelling wegens kostwinnerschap, persoonlijke onmisbaarheid of het bekleden van een geestelijk ambt of een godsdienstig-menslievend ambt of opleiding tot zodanig ambt voorgoed worden verleend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de door de dienstplichtigen, bedoeld in, ingediende aanvragen om vrijstelling. 4 c Dienstplichtigen in het genot van een voorgoed verleende vrijstelling dan wel in het genot van een voorgoed verleende ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen door Onze Minister uitsluitend in buitengewone omstandigheden worden opgeroepen. Deze verplichting gevolg te geven aan de oproeping blijft op hen rusten tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt. Op degene aan wie op grond van artikel 15, eerste lid, onder, van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet, vrijstelling is verleend, zijn de eerste en de tweede volzin slechts van toepassing, indien bij de oproeping in buitengewone omstandigheden is gebleken dat betrokkene niet meer verkeert in de omstandigheid waarvoor betrokkene ingevolge die wet vrijstelling is verleend. 5 artikel 6 Overeenkomstigkunnen zij opnieuw worden opgeroepen voor een keuring. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 61 — Artikel 61 Omzetting uitgeslotenen#
Artikel 61 Omzetting uitgeslotenen Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet van de dienst zijn uitgesloten, worden aangemerkt als uitgesloten van de dienst in de zin van deze wet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 62 — Artikel 62 Dienstplichtigen in werkelijke dienst#
Artikel 62 Dienstplichtigen in werkelijke dienst 1 hoofdstuk II artikelen 22 a 22 hoofdstuk V hoofdstuk Voor gewoon dienstplichtigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de werkelijke dienst voor eerste oefening vervullen, blijft de Dienstplichtwet zoals luidend voor het inwerkingtreden van deze wet van kracht tot 1 januari 1997, met uitzondering van, deen, voor zover het bepaalde krachtens het laatstgenoemde artikel mede van toepassing is op, enXI. 2 a artikel 2, derde lid Voor dienstplichtigen in werkelijke dienst en voor zover nodig voor gewezen dienstplichtigen blijft de Wet rechtstoestand dienstplichtigen zoals luidend voor het inwerkingtreden van deze wet van kracht tot 1 januari 1997, met uitzondering van. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 63 — Artikel 63 Gewezen dienstplichtigen#
Artikel 63 Gewezen dienstplichtigen artikel 62, tweede lid In afwijking van, van deze wet blijft het bepaalde bij of krachtens artikel 2 en artikel 3 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet van kracht na 1 januari 1997 voor zover het bepaalde bij of krachtens deze artikelen mede van toepassing is verklaard op gewezen dienstplichtigen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 64 — Artikel 64 Gewoon dienstplichtigen na vervulling eerste oefening#
Artikel 64 Gewoon dienstplichtigen na vervulling eerste oefening 1 Gewoon dienstplichtigen, vrijwilligers op de voet van gewoon dienstplichtige daaronder begrepen, aan wie na de vervulling van de werkelijke dienst voor eerste oefening op grond van de Dienstplichtwet groot verlof is verleend, worden aangemerkt als dienstplichtigen in de zin van deze wet. 2 De in het eerste lid bedoelde dienstplichtigen zijn uitsluitend verplicht: a. in gewone omstandigheden voor herhalingsoefeningen in werkelijke dienst te komen; en b. in buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst te komen. 3 De verplichting gevolg te geven aan een oproeping blijft op hen rusten a. tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt, voor zover zij als dienstplichtige geen rang hebben bekleed; of b. tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 40 jaar wordt bereikt, voor zover zij als dienstplichtige een onderofficiersrang hebben bekleed. 4 artikel 6 Overeenkomstigkunnen zij opnieuw voor een keuring worden opgeroepen. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid voor zover het betreft het voor herhalingsoefeningen in werkelijke dienst komen. 6 artikel 23 Onze Minister kan in buitengewone omstandigheden regels stellen met betrekking tot en voor zover nodig in afwijking van de ingenoemde onderwerpen. 7 Staatscourant Staatscourant De ministeriële regeling, bedoeld in het zesde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. De regeling treedt in werking terstond na de bekendmaking. De regeling wordt in ieder geval geplaatst in de. Zo spoedig mogelijk na de plaatsing in devan deze regeling wordt een voordracht gedaan voor een algemene maatregel van bestuur tot nadere regeling van de betrokken onderwerpen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 65 — Artikel 65 Buitengewoon dienstplichtigen#
Artikel 65 Buitengewoon dienstplichtigen 1 Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet zijn bestemd tot buitengewoon dienstplichtigen worden aangemerkt als dienstplichtigen in de zin van deze wet. 2 De in het eerste lid bedoelde dienstplichtigen kunnen door Onze Minister uitsluitend in buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst worden opgeroepen, met dien verstande dat zij behoren tot groepen die in die omstandigheden alleen bij dringende behoefte in werkelijke dienst behoeven te komen. Deze verplichting gevolg te geven aan de oproeping blijft op hen rusten tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt. 3 artikel 6 Overeenkomstigkunnen zij opnieuw worden opgeroepen voor een keuring. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 66 — Artikel 66 Schadevergoeding rijksgoederen#
Artikel 66 Schadevergoeding rijksgoederen artikel 62, eerste lid In afwijking van, van deze wet blijft artikel 39 van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet na 1 januari 1997 van kracht, voor zover de verschuldigde schadevergoeding door betrokkenen ter zake van beschadiging, zoekraken of verloren gaan van rijksgoederen niet voor die datum is voldaan, onverminderd de overige daaraan verbonden gevolgen. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 67 — Artikel 67 Reserve-personeel#
Artikel 67 Reserve-personeel Zij die op grond van de Dienstplichtwet tot het reservepersoneel behoren of komen te behoren, blijven daartoe behoren tot het tijdstip waarop hun dienstplicht volgens artikel 41 van die wet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet zou eindigen, tenzij hun volgens de geldende wettelijke bepalingen eerder ontslag wordt verleend. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 68 — Artikel 68 Strafvervolging#
Artikel 68 Strafvervolging artikel 62, eerste lid In afwijking van, van deze wet blijven de artikelen 26 en 45 tot en met 47 van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet van kracht voor degenen tegen wie voor 1 januari 1997 op grond van een of meer van deze artikelen een strafvervolging aanhangig is gemaakt. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 69 — Artikel 69 Aanhangige beroepen#
Artikel 69 Aanhangige beroepen artikel 41, tweede en derde lid Op geschillen die tijdig krachtens de in, genoemde wetten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 70 — Artikel 70 Omzetting voorschriften Dienstplichtwet#
Artikel 70 Omzetting voorschriften Dienstplichtwet artikel 19, derde lid De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 30, derde lid, van de Dienstplichtwet berust vanaf dat tijdstip op, van deze wet. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 70a — Artikel 70a Uitzondering in te schrijven vrouwen#
Artikel 70a Uitzondering in te schrijven vrouwen Artikel 3, tweede lid , is niet van toepassing op de vrouwelijke persoon die 17 jaar of ouder is op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 3 oktober 2018 tot wijziging van de Kaderwet dienstplicht en van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst in verband met het van toepassing worden van de dienstplicht op vrouwen (Stb. 160). 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 71 — Artikel 71 Inwerkingtreding#
Artikel 71 Inwerkingtreding 1 Deze wet treedt, met uitzondering van paragraaf 2 van hoofdstuk 5, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2 Paragraaf 2 hoofdstuk 5 artikel 46 vantreedt in werking met ingang van 1 januari 1997, met uitzondering van, dat in werking treedt bij het in het eerste lid genoemde koninklijk besluit. 3 artikel 39, eerste en tweede lid artikel 19, derde lid de hoofdstukken 2 3 de artikelen 27, derde lid 35 37 38 In afwijking van, worden de paragrafen 3 en 5 van hoofdstuk 1, met uitzondering van, alsmedeen, met uitzondering van,,en, bij inwerkingtreding van deze wet opgeschort. 4 artikel 64 De in het derde lid bedoelde opschorting is niet van toepassing bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in. 5 Wijzigt de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 . 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997
Artikel 72 — Artikel 72 Citeertitel#
Artikel 72 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet dienstplicht. 1997 139 03-04-1997 13-03-1997 24245 1997 163 24-04-1997 14-04-1997 01-05-1997