Wet van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)
- BWB-id
- BWBR0008365
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0008365
- ELI
- /eli/nl/wet/1997/wet-rechtspositie-rechterlijke-ambtenaren
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1997/wet-rechtspositie-rechterlijke-ambtenaren/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0008365&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0008365&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0008365/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1997/wet-rechtspositie-rechterlijke-ambtenaren
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; b. artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie rechterlijke ambtenaren: de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in; c. artikelen 1ab 7 9, eerste en derde lid salaris: het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar in verband met het vervullen van een ambt, met inachtneming van het bij of krachtens de,en, van deze wet bepaalde, aanspraak heeft; d. bezoldiging: het salaris van de rechterlijk ambtenaar, vermeerderd met een periodieke schadeloosstelling of een andere geldelijke tegemoetkoming bij of krachtens deze wet, en met de toelagen, die in de op deze wet berustende regelgeving zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende toelagen, waarop hij aanspraak heeft; e. ambt: de door de rechterlijk ambtenaar te vervullen functie; f. burgerlijke rijksambtenaren: degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit: a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank: het bestuur van die rechtbank; b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof: het bestuur van dat gerechtshof; c. ten aanzien van de vice-presidenten van, de raadsheren in, de raadsheren in buitengewone dienst bij, de griffier en substituut-griffier van, en de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad: de president van de Hoge Raad; d. ten aanzien van de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal, de advocaten-generaal in buitengewone dienst en de plaatsvervangende advocaten-generaal bij de Hoge Raad: de procureur-generaal bij de Hoge Raad; e. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een arrondissementsparket: het hoofd van dat arrondissementsparket; f. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het landelijk parket: het hoofd van het landelijk parket; g. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het functioneel parket: het hoofd van het functioneel parket; h. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie: het hoofd van het parket centrale verwerking openbaar ministerie; i. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het ressortsparket: het hoofd van het ressortsparket; j. ten aanzien van de hoofden van de in de onderdelen e tot en met i bedoelde parketten en de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het parket-generaal: het College van procureurs-generaal; k. ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal: Onze Minister. 2023 410 15-11-2023 08-11-2023 36358 2023 410 15-11-2023 08-11-2023 36358 16-11-2023
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie Het in deze wet bepaalde ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal is niet van toepassing op de procureur-generaal, bedoeld in. 2016 361 14-10-2016 05-10-2016 34404 2016 497 15-12-2016 06-12-2016 01-01-2017
Artikel 1aa — Artikel 1aa#
Artikel 1aa 1 artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke ambtenaren als bedoeld inop grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. 2 artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke ambtenaren als bedoeld inin de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk karakter van de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. 3 De functionele autoriteit beëindigt het dienstverband met een in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het eerste of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend. 4 De functionele autoriteit benadeelt een in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend. 5 artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie De functionele autoriteit stelt een rechterlijk ambtenaar als bedoeld indie is aangesteld in tijdelijke dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met een dienstverband voor onbepaalde tijd. 6 artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens artikelen 10 11 12 13 22 en van de Wet College voor de rechten van de mens Het College, bedoeld in, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in het eerste of tweede lid. De,,,,zijn van overeenkomstige toepassing. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 1ab — Artikel 1ab#
Artikel 1ab 1 Voor zover deze onderwerpen niet in deze wet zijn geregeld, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld betreffende: a. benoeming, plaatsing en beëdiging; b. salaris, bezoldiging en andere financiële arbeidsvoorwaarden; c. arbeidsduur, werktijd en werkverdeling; d. vakantie en verlof; e. arbeidsgezondheidskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid; f. ontslag, herplaatsing, schorsing en disciplinaire maatregelen ten aanzien van niet voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding; g. rechten en plichten bij reorganisatie; h. voorzieningen in geval van werkloosheid; i. ambtskostuum; j. installatie; k. artikelen 2:7, tweede lid 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht de gevallen waarin berichten inzake de rechtspositie van de rechterlijk ambtenaar in afwijking van de, enuitsluitend elektronisch verzonden behoeven te worden en de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen; l. bescherming bij de arbeid; m. overige rechten en verplichtingen. 2 De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld met inachtneming van de onafhankelijkheid van de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 1ac — Artikel 1ac#
Artikel 1ac 1 De Sectorcommissie rechterlijke macht bestaat uit vertegenwoordigers van: a. de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak; b. andere door Onze Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van verenigingen van ambtenaren, die onder meer gelet op het aantal rechterlijke ambtenaren dat zij vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: a. de wijze waarop met de Sectorcommissie rechterlijke macht overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de rechterlijke ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt; b. het inwinnen van advies van een commissie over een geschil en het onderwerpen van een geschil aan een arbitrale uitspraak van een commissie door de deelnemers aan het in onderdeel a bedoelde overleg, waaronder in elk geval regels over de procedure voorafgaand aan het voorleggen van een geschil aan de commissie en over de samenstelling en de werkwijze van de commissie. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de samenstelling, de werkwijze, de besluitvorming, de stemverhouding daaronder begrepen, de onderwerpen waarover de Sectorcommissie Onze Minister dient in te lichten, de intrekking en schorsing van de toelating van verenigingen of centrales van verenigingen tot de Sectorcommissie en de schorsing van vertegenwoordigers in de Sectorcommissie. 4 Voor zover de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde gevallen aangelegenheden betreffen waaraan individuele rechterlijke ambtenaren rechten kunnen ontlenen dan wel die plichten voor hen kunnen meebrengen, strekt de eis van overeenstemming met de Sectorcommissie rechterlijke macht zich tevens uit tot onderwerpen geregeld in deze wet. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 1b — Artikel 1b#
Artikel 1b Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 1c — Artikel 1c#
Artikel 1c Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 1d — Artikel 1d#
Artikel 1d Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 1e — Artikel 1e#
Artikel 1e Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 1f — Artikel 1f#
Artikel 1f Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 1g — Artikel 1g#
Artikel 1g Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 1h — Artikel 1h#
Artikel 1h Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De benoeming in het ambt van president van, vice-president van, raadsheer in of raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, senior raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, senior rechter A, senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger in een rechtbank, of procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal, advocaat-generaal of advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister voor het leven. 2 De benoeming in het ambt van procureur-generaal, deel uitmakend van het College van procureurs-generaal, landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal of advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, dan wel hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie of substituut-officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. 3 De benoeming in het ambt van plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, plaatsvervangend officier van justitie, officier enkelvoudige zittingen dan wel plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen geschiedt bij besluit van Onze Minister. 4 In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal de landelijk hoofdadvocaat-generaal of een hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal. 5 In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal een hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officieren van justitie of plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal. 6 De benoeming in het ambt van senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur geschiedt bij besluit van Onze Minister, indien het een benoeming in tijdelijke dienst betreft, onderscheidenlijk bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, indien het een benoeming in vaste dienst betreft. Onze Minister benoemt niet onderscheidenlijk doet geen voordracht voor benoeming dan op voorstel van de betrokken functionele autoriteit. 7 De benoeming in het ambt van griffier dan wel substituut-griffier van de Hoge Raad geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. 8 De benoeming in het ambt van rechter in opleiding en officier in opleiding geschiedt bij besluit van Onze Minister. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 01-01-2011
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Tot rechterlijk ambtenaar kan alleen een Nederlander worden benoemd. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Tot rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op degene die op het moment van zijn benoeming al rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Tot rechterlijk ambtenaar kan worden benoemd degene: a. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend; b. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. 3 artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, 9° en 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten voor de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 De benoeming in het ambt van president van, vice-president van of raadsheer in de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad kan op verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig jaren heeft bereikt, worden gewijzigd in een benoeming in het ambt van raadsheer in buitengewone dienst onderscheidenlijk advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad. 2 Artikel 46n Een wijziging van de benoeming als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van aanspraken en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld met ontslag.is niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad. 3 In het ambt van raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad kan tevens worden benoemd degene die als lid is benoemd in een ander onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat in hoogste ressort met bestuursrechtspraak is belast. 2020 416 04-11-2020 14-10-2020 35550 2021 281 18-06-2021 10-06-2021 01-07-2021
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b 1 artikel 2, eerste, zesde en achtste lid In geval van benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een bij een gerechtshof of rechtbank te vervullen ambt als bedoeld in, wordt bij besluit van de Raad voor de rechtspraak, overeenkomstig de aanbeveling van het betrokken gerechtsbestuur, vastgesteld bij welk gerechtshof of welke rechtbank dat ambt door hem wordt vervuld. 2 artikel 2, tweede, derde en achtste lid In geval van benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een bij een tot het openbaar ministerie behorend parket te vervullen ambt als bedoeld in, wordt bij besluit van Onze Minister vastgesteld bij welk parket dat ambt door hem wordt vervuld. De eerste volzin is niet van toepassing in geval van een benoeming in het ambt van procureur-generaal of landelijk hoofdadvocaat-generaal. 3 artikel 2, vierde en vijfde lid In geval van een benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een bij een tot het openbaar ministerie behorend parket te vervullen ambt door het College van procureurs-generaal als bedoeld in, wordt bij besluit van het College van procureurs-generaal vastgesteld bij welk parket dat ambt door hem wordt vervuld. 4 Wijziging op verzoek van de betrokken rechterlijk ambtenaar van de vaststelling van het gerechtshof of de rechtbank onderscheidenlijk het parket waarbij een ambt als bedoeld in het eerste lid, tweede lid onderscheidenlijk derde lid wordt vervuld, geschiedt eveneens bij besluit van de Raad voor de rechtspraak, Onze Minister onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5c — Artikel 5c#
Artikel 5c 1 Wanneer bij een gerechtshof of een rechtbank een plaats van senior raadsheer, raadsheer, raadsheer-plaatsvervanger, senior rechter A, senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger openvalt, maakt het bestuur van dat gerechtshof of die rechtbank een lijst van aanbeveling van zo mogelijk drie kandidaten op. 2 De gerechtsvergadering kan het bestuur adviseren inzake de lijst van aanbeveling, bedoeld in het eerste lid, voor zover het de kandidaten betreft die nog niet als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast bij dat gerecht werkzaam zijn. 3 Het bestuur van het gerechtshof of de rechtbank zendt de lijst van aanbeveling, bedoeld in het eerste lid, eventueel vergezeld van een advies als bedoeld in het tweede lid, aan de Raad voor de rechtspraak. 4 artikel 5b, vierde lid Indien de lijst van aanbeveling alleen kandidaten bevat die het desbetreffende ambt al bij een ander gerecht vervullen, neemt de Raad voor de rechtspraak een besluit als bedoeld in. Indien de lijst van aanbeveling ook kandidaten bevat die het desbetreffende ambt nog niet vervullen, zendt de Raad voor de rechtspraak de lijst, onder medezending van een advies hierover, door aan Onze Minister. 5 artikel 2, eerste lid artikel 5b, vierde lid Na ontvangst van de lijst van aanbeveling en het advies van de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, beslist Onze Minister of hij ten aanzien van een kandidaat voor de vacature een voordracht voor benoeming als bedoeld in, doet of de Raad voor de rechtspraak verzoekt een besluit als bedoeld in, te nemen. 6 artikel 5a, derde lid Wanneer bij de Hoge Raad een plaats van raadsheer openvalt, geeft de Hoge Raad daarvan kennis aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, onder meezending van een door de Hoge Raad, na overleg met de procureur-generaal bij de Hoge Raad, opgemaakte lijst van aanbeveling van zes kandidaten, ten behoeve van de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal op te maken voordracht van drie personen. De eerste volzin is eveneens van toepassing wanneer een plaats van raadsheer in buitengewone dienst als bedoeld in, openvalt, met dien verstande dat de lijst van aanbeveling drie kandidaten bevat. 2020 416 04-11-2020 14-10-2020 35550 2021 281 18-06-2021 10-06-2021 01-07-2021
Artikel 5d — Artikel 5d#
Artikel 5d Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 5e — Artikel 5e#
Artikel 5e Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 5f — Artikel 5f#
Artikel 5f 1 Een rechterlijk ambtenaar vervult het ambt waarin hij wordt benoemd op basis van een aanstelling voor een gemiddeld aantal uren per week. 2 In afwijking van het eerste lid worden raadsheren in buitengewone dienst, raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, advocaten-generaal in buitengewone dienst, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen niet aangesteld, maar kunnen zij voor het verrichten van werkzaamheden door de functionele autoriteit worden opgeroepen. 3 Met uitzondering van raadsheren in buitengewone dienst van en advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad kunnen de in het tweede lid bedoelde rechterlijke ambtenaren hun ambt ook vervullen op basis van een aanwijzing voor een gemiddeld aantal uren per week. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanstelling van rechterlijke ambtenaren en de aanwijzing van rechterlijke ambtenaren. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5g — Artikel 5g#
Artikel 5g 1 Een rechterlijk ambtenaar legt bij een benoeming in een ambt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af een overeenkomstig een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld formulier. 2 Bij een opvolgende benoeming in een ambt, dat bij hetzelfde gerecht of parket wordt vervuld, wordt een rechterlijk ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, niet opnieuw beëdigd, tenzij het: a. de benoeming tot president van of procureur-generaal bij de Hoge Raad betreft; of b. de benoeming van een gerechtsauditeur, niet tevens zijnde raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger, of de griffier van de Hoge Raad betreft. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de beëdiging van rechterlijke ambtenaren. 4 In afwijking van het eerste lid worden niet als zodanig beëdigd de plaatsvervangers van rechtswege alsmede de door het College van procureurs-generaal benoemde plaatsvervangers. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De rechterlijke ambtenaren die hun ambt op basis van een aanstelling vervullen, ontvangen een salaris. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 5f, tweede en derde lid artikelen 1ab 7 De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in, die een ambt op basis van een aanwijzing vervullen en niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar salaris genieten, ontvangen over de periode van hun aanwijzing een salaris overeenkomstig het bij en krachtens deenbepaalde. 2 artikel 5f, tweede lid De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in, die werkzaamheden verrichten na daartoe door de functionele autoriteit te zijn opgeroepen en niet reeds uit anderen hoofde in een rechterlijke functie salaris genieten, ontvangen een vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. 3 Voor de toepassing van het eerste lid: a. wordt een raadsheer-plaatsvervanger gelijk gesteld met een raadsheer in hetzelfde gerechtshof; b. wordt een rechter-plaatsvervanger gelijk gesteld met een rechter of senior rechter in dezelfde rechtbank; c. wordt een plaatsvervangend advocaat-generaal gelijk gesteld met een advocaat-generaal bij hetzelfde parket; d. wordt een plaatsvervangend officier van justitie gelijkgesteld met een substituut-officier van justitie of een officier van justitie bij hetzelfde parket; e. wordt een plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen gelijkgesteld met een officier enkelvoudige zittingen bij hetzelfde parket. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het genot van het salaris vangt aan met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar in dienst treedt. 2 Bij overgang naar een andere functie binnen de rijksoverheid wordt, indien deze functie wordt aanvaard met ingang van een dag waarop het einde van de benoeming in het rechterlijke ambt nog niet is ingegaan, het salaris in dit ambt niet langer uitbetaald dan tot de dag waarop het genot van het salaris in de nieuwe functie aanvangt. 3 Het salaris wordt per maand genoten. 4 Indien een aanspraak op een verhoging van het salaris ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van een kalendermaand, wordt het nieuwe salaris genoten vanaf de eerste dag van die kalendermaand. 5 Indien het salaris moet worden berekend over een gedeelte van de kalendermaand, wordt het salaris per dag vastgesteld door het maandelijkse salaris te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand. 6 De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt over de tijd gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten geen salaris. 7 Het tweede, derde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de toelagen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde tot de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar behoren. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 19c — Artikel 19c#
Artikel 19c 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan of mede verstaan onder: – de rechterlijk ambtenaar: de nagelaten betrekkingen van een rechterlijk ambtenaar die uit hoofde van diens overlijden pensioen genieten; – bezoldiging: de bedragen – onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of welke benaming ook – waarop de rechterlijk ambtenaar of gewezen rechterlijk ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden aanspraak hebben. 2 artikel 19 van de Invorderingswet 1990 Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de vordering, bedoeld in. 3 Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 19d — Artikel 19d#
Artikel 19d 1 Op bezoldiging is, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht. 2 Kostenvergoedingen welke verband houden met de dienstverrichting zijn niet vatbaar voor beslag. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 19e — Artikel 19e#
Artikel 19e Aan de rechterlijk ambtenaar onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd door Onze Minister onderscheidenlijk het gerechtsbestuur. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 19f — Artikel 19f#
Artikel 19f 1 Met de door Onze Minister onderscheidenlijk het gerechtsbestuur verschuldigde bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de rechterlijk ambtenaar als zodanig aan hem zelf verschuldigd is. 2 artikel 19g, eerste lid Verrekening kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in. 3 artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Verrekening is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in devormt. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 19g — Artikel 19g#
Artikel 19g 1 Onze Minister onderscheidenlijk het gerechtsbestuur kan op de bezoldiging ten behoeve van een schuldeiser van de rechterlijk ambtenaar een korting toepassen, mits de rechterlijk ambtenaar de vordering van de schuldeiser erkent of het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte. 2 Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn. 3 Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 19h — Artikel 19h#
Artikel 19h artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 19f, tweede lid artikel 19g, derde lid Voor de toepassing vanworden, onverminderd, en, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 19i — Artikel 19i#
Artikel 19i Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling naar evenredigheid van de inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 19j — Artikel 19j#
Artikel 19j 1 Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de rechterlijk ambtenaar enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou zijn. 2 Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 19k — Artikel 19k#
Artikel 19k Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlast het bevoegd gezag, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen het bevoegd gezag van het eindigen van de volmacht kennis kreeg. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Het bestuur van de rechtbank onderscheidenlijk het gerechtshof verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat gerecht. 2 Het hoofd van het parket verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat parket. 3 De president van de Hoge Raad verdeelt de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad. 4 Van de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verdeling van werkzaamheden kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het dienstbelang dit naar het oordeel van het bestuur van het gerecht, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk het hoofd van het parket onvermijdelijk maakt. 5 Het hoofd van het parket waarbij rechterlijke ambtenaren werkzaam zijn die tevens zijn benoemd als gedelegeerd Europese aanklager als bedoeld in artikel 13 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), deelt aan deze rechterlijke ambtenaren slechts werkzaamheden toe als hen dat niet belet te voldoen aan de verplichtingen die krachtens de verordening op hen rusten. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk. 2 Voor schade als bedoeld in het eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn ambt aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar jegens de Staat niet aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. 3 Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet aansprakelijk. 4 Onze Minister kan de betrokken rechterlijk ambtenaar bij besluit verplichten om ter zake van schade waarvoor deze op grond van het tweede lid aansprakelijk is, aan de Staat ter finale kwijting een vergoeding te betalen. 5 In het besluit wordt het bedrag van de vergoeding vermeld. Indien het bedrag nog niet kan worden vastgesteld, worden de reden daarvan en zo mogelijk een voorlopige raming van het bedrag in het besluit vermeld, waarna Onze Minister zo spoedig mogelijk bij afzonderlijk besluit het bedrag vaststelt. 6 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als artikel 113, derde lid, van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283) van toepassing is. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens en van de uitoefening van de rechten tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten naar het oordeel van de functionele autoriteit de goede vervulling van het ambt of het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 2 Het eerste lid is, voor zover het betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het lidmaatschap van: a. Kieswet een politieke groepering, waarvan de aanduiding is ingeschreven overeenkomstig de, of b. een vakvereniging. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 Rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de plaatsvervangers, rechters in opleiding en officieren in opleiding, kunnen niet tevens advocaat of notaris zijn dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken. 2 Een advocaat kan niet tevens werkzaam zijn als rechter-plaatsvervanger in de rechtbank in het arrondissement waarin hij kantoor houdt onderscheidenlijk als raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof tot het rechtsgebied waarvan het arrondissement behoort waarin hij kantoor houdt. 3 Degene die als rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een tot het openbaar ministerie behorend parket, kan niet tevens werkzaam zijn als rechter-plaatsvervanger in een rechtbank of als raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof. De eerste volzin is niet van toepassing gedurende de periode waarin aan hem voor het gemiddeld aantal uren per week waarvoor hij is aangesteld op zijn verzoek buitengewoon verlof is verleend. 4 Rechterlijke ambtenaren vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun ambt of op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. 5 Rechterlijke ambtenaren stellen de functionele autoriteit in kennis van de betrekkingen die zij buiten hun ambt vervullen. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen van de betrekking. Ook indien zij geen betrekkingen buiten het ambt vervullen, stellen zij de functionele autoriteit daarvan in kennis. 6 De functionele autoriteit beoordeelt of de vervulling van de betrekking ongewenst is met het oog op de in het vierde lid genoemde gronden. Ten aanzien van de met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren, niet zijnde president, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een rechtbank binnen het rechtsgebied van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van dat gerechtshof. Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van de Hoge Raad. 7 Bij een kennisgeving als bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, worden de volgende gegevens gemeld: met dien verstande dat de plaatsvervangers, in afwijking van de onderdelen f en g, van hun hoofdbetrekking de omvang en de hoogte van de bezoldiging niet behoeven te melden. a. een korte omschrijving van de betrekking alsmede het soort bedrijf of instantie waar de betrekking wordt vervuld; b. de naam van het bedrijf of de instantie waar de betrekking wordt vervuld; c. de plaats waar de betrekking wordt vervuld; d. of de betrekking bezoldigd is of onbezoldigd; e. het tijdstip van aanvang en beëindiging van vervulling van de betrekking; f. de omvang van de betrekking in uren per maand; en g. de hoogte van de bezoldiging per jaar, aan te geven in categorieën; 8 De kennisgevingen worden jaarlijks geactualiseerd. 9 Onze Minister stelt de procureur-generaal bij de Hoge Raad in kennis van de betrekkingen die de leden van het College van procureurs-generaal buiten hun ambt vervullen. 10 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van het vijfde, zevende en achtste lid. 2018 228 20-07-2018 15-06-2018 34887 2018 312 18-09-2018 07-09-2018 19-09-2018
Artikel 44a — Artikel 44a#
Artikel 44a 1 In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder nevenbetrekkingen: de betrekkingen die rechterlijke ambtenaren buiten hun ambt vervullen. 2 artikel 44, vijfde lid De kennisgevingen, bedoeld in, en de gegevens over een nevenbetrekking, bedoeld in artikel 44, zevende lid, onderdelen a tot en met e, worden per gerecht, parket dan wel parket-generaal opgenomen in een register. De functionele autoriteit is verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de in het register opgenomen gegevens van de bij zijn gerecht, parket dan wel parket-generaal werkzame rechterlijke ambtenaren. 3 Het register wordt jaarlijks geactualiseerd. 4 Het register wordt in elektronische vorm openbaar gemaakt en kan tevens worden ingezien bij het desbetreffende gerecht, het desbetreffende parket dan wel het parket-generaal. 5 Tegen betaling van de kostprijs is een afschrift van een door de aanvrager op te geven gedeelte uit het register verkrijgbaar. 6 artikel 44, zevende lid, onderdelen b en c In afwijking van het vierde lid kan de functionele autoriteit met betrekking tot een nevenbetrekking van een rechterlijk ambtenaar beslissen dat de gegevens, bedoeld in, met het oog op diens veiligheid, niet of niet volledig openbaar worden gemaakt. 7 Indien op grond van het zesde lid met betrekking tot een nevenbetrekking van een rechterlijk ambtenaar gegevens niet of niet volledig openbaar worden gemaakt, deelt de functionele autoriteit een procespartij in een zaak die door die rechterlijk ambtenaar wordt behandeld, op haar verzoek mee of de desbetreffende nevenbetrekking verband houdt met door haar aan te geven bedrijven en instanties die bij haar zaak betrokken zijn, tenzij dit een gevaar voor de veiligheid van de rechterlijk ambtenaar oplevert. 8 Na beëindiging van een nevenbetrekking blijven de gegevens over de nevenbetrekking gedurende een termijn van drie jaar bewaard in het register. 9 artikel 5f, tweede lid In het register wordt ten aanzien van de plaatsvervangers die gedurende een termijn van twee jaar niet zijn opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in, en gedurende die termijn evenmin tijdelijk zijn aangewezen als bedoeld in artikel 5f, derde lid, vermeld dat zij gedurende die termijn niet als zodanig zijn opgeroepen of aangewezen. 10 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 46a — Artikel 46a#
Artikel 46a Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46b — Artikel 46b#
Artikel 46b Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 46c — Artikel 46c#
Artikel 46c Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd, indien hij: a. de waardigheid van het ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost; b. de bepalingen overtreedt waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren of de verplichting wordt opgelegd de functionele autoriteit in kennis te stellen van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult; of c. door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019 Artikel XXIII van Stb. 2018/298 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 46ca — Artikel 46ca#
Artikel 46ca 1 De disciplinaire maatregelen die ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn: a. schriftelijke berisping; b. inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand; c. schorsing voor de duur van ten hoogste drie maanden; of d. ontslag. 2 artikel 46c, onderdeel a De disciplinaire maatregel van ontslag wordt niet opgelegd enkel op grond van. 3 De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk zal worden ingehouden. 4 artikel 46c De Hoge Raad kan bij het opleggen van de disciplinaire maatregel van schorsing bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de rechterlijk ambtenaar zich gedurende een daarbij te stellen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk handelen als waarvoor het opleggen van de disciplinaire maatregel plaatsvindt of enig ander handelen of nalaten als bedoeld in, en hij zich houdt aan bij het opleggen van de schorsing eventueel gestelde bijzondere voorwaarden. 5 Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in het vierde lid is de functionele autoriteit belast. Ten aanzien van de met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar, niet zijnde president van een gerecht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een rechtbank, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerechtshof van het ressort waarbinnen die rechtbank is gelegen. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van de Hoge Raad. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 46d — Artikel 46d#
Artikel 46d 1 De disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt, anders dan door de Hoge Raad, opgelegd: a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank en daarvan niet tevens president zijn: door de rechterlijk ambtenaar die tevens president van die rechtbank is; b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof en daarvan niet tevens president zijn, alsmede de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een rechtbank binnen het rechtsgebied van een gerechtshof: door de rechterlijk ambtenaar die tevens president van dat gerechtshof is; c. ten aanzien van de vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, alsmede de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een gerechtshof: door de president van de Hoge Raad; d. ten aanzien van de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad: door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 2 artikel 46ca, eerste lid De overige disciplinaire maatregelen genoemd in, worden uitsluitend door de Hoge Raad opgelegd. 3 artikel 46o Gedurende een procedure ingevolgewordt jegens de betrokken rechterlijk ambtenaar, anders dan door de Hoge Raad, geen disciplinaire maatregel opgelegd voor de gedraging waarop die procedure betrekking heeft. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 46e — Artikel 46e#
Artikel 46e 1 Een disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt niet opgelegd dan nadat de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de betrokken rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. 2 Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechterlijk ambtenaar en door degene te wiens overstaan de zienswijze naar voren wordt gebracht, wordt ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de Hoge Raad. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 46f — Artikel 46f#
Artikel 46f 1 Een rechterlijk ambtenaar wordt door de Hoge Raad geschorst, indien en voor zolang: a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt; b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft. 2 Een rechterlijk ambtenaar kan door de Hoge Raad worden geschorst, indien: a. hij wordt vervolgd wegens een misdrijf; b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een andere straf dan een vrijheidsstraf; c. aan hem een nog niet onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van een misdrijf; d. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld; e. artikel 46h 46i 46k er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van,of, zouden kunnen leiden. 3 Een schorsing als bedoeld in het tweede lid eindigt na drie maanden, met dien verstande dat de Hoge Raad de schorsing telkens voor ten hoogste drie maanden kan verlengen. 4 De Hoge Raad beëindigt een schorsing als bedoeld in het tweede lid zodra de grond hiervoor is vervallen. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 46fa — Artikel 46fa#
Artikel 46fa 1 artikel 46f, eerste en tweede lid In de gevallen bedoeld in, kan een daartoe aangewezen enkelvoudige kamer van de Hoge Raad de rechterlijk ambtenaar in verband met onverwijlde spoed buiten functie stellen. 2 artikel 46d, eerste lid artikel 46o, tweede lid artikel 46f De rechterlijk ambtenaar wordt niet buiten functie gesteld dan nadat het in, bedoelde gezag, een verzoek als bedoeld in, heeft ingediend tot vordering van schorsing van de rechterlijk ambtenaar op grond van. Bij het verzoek tot schorsing kan een verzoek tot buitenfunctiestelling worden gedaan. De buitenfunctiestelling kan ook ambtshalve door de procureur-generaal worden gevorderd. 3 Artikel 46o, derde lid en vierde lid, tweede volzin , zijn niet van toepassing op de procedure tot buitenfunctiestelling. 4 De buitenfunctiestelling op grond van het eerste lid heeft tot gevolg dat de rechterlijk ambtenaar gedurende die periode zijn werkzaamheden niet mag verrichten. 5 De buitenfunctiestelling op grond van het eerste lid eindigt na dertig dagen, of zo veel eerder als door de Hoge Raad op de vordering tot schorsing is beslist. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 46g — Artikel 46g#
Artikel 46g 1 De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk zal worden ingehouden. 2 Indien de schorsing anders dan door ontslag eindigt, kan de Hoge Raad beslissen dat de niet genoten bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald. Op de alsnog uit te betalen bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, die de rechterlijk ambtenaar heeft genoten uit arbeid die hij tijdens de schorsing heeft verricht, tenzij zulks naar het oordeel van de Hoge Raad onredelijk of onbillijk is. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46h — Artikel 46h#
Artikel 46h 1 De rechterlijk ambtenaar wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen. 2 Ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is ontvangen. Van het bepaalde in de vorige volzin kan worden afgeweken indien de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt. 3 Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de rechterlijk ambtenaar de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hij bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46ha — Artikel 46ha#
Artikel 46ha artikelen 46i 46k 46ka Onder passende arbeid wordt in de,enverstaan: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding daarvan om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de rechterlijk ambtenaar kan worden gevergd. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46i — Artikel 46i#
Artikel 46i 1 De rechterlijk ambtenaar kan, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad worden ontslagen, indien: a. de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd; b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; en c. naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame reïntegratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten. 2 Voor het berekenen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden niet in aanmerking genomen: a. perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als gevolg van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof; en b. artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in. 3 Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in het tweede lid, samengeteld: a. indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of b. artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg indien de ene periode van ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld inwordt genoten, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 4 Het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verlengd: a. artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet indien de aangifte, bedoeld in, later is gedaan dan op grond van dat artikel is voorgeschreven, met de duur van die vertraging; b. artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen indien de aanvraag, bedoeld in, later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven, met de duur van die vertraging; c. artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering indien de wachttijd, bedoeld in, op grond van het zevende lid van dat artikel is verlengd, met de duur van die verlenging; en d. hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 24, eerste lid artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in, op grond van, ofdan wel op grond vaneen tijdvak heeft vastgesteld, met de duur van dit tijdvak. 5 In afwijking van het eerste lid kan de rechterlijk ambtenaar, indien de in dat lid bedoelde voorwaarden zijn vervuld en hij hierom verzoekt, worden ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een ontslag door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid. 6 Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46j — Artikel 46j#
Artikel 46j artikel 46i, eerste lid hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 64 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in, wordt de uitslag betrokken van de beoordeling door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in, van de aanvraag op grond van. Indien de beoordeling in de eerste volzin niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar en de functionele autoriteit het oneens zijn over het ontslag, kan door de functionele autoriteit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een oordeel als bedoeld inworden gevraagd en betrekt de Hoge Raad dit bij de beoordeling. 2013 182 29-05-2013 14-05-2013 33570 2013 182 29-05-2013 14-05-2013 33570 30-05-2013 29-12-2005
Artikel 46k — Artikel 46k#
Artikel 46k 1 artikel 46o, tweede lid Aan de rechterlijk ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in, een ander ambt of andere functie worden opgedragen bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid. De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt dat of de functie die hem wordt opgedragen te aanvaarden. 2 artikel 46j, eerste lid Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de rechterlijk ambtenaar die door het in, bedoelde Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, door de Hoge Raad op voorstel van de functionele autoriteit wordt herplaatst in een ander ambt of andere functie bij een parket of gerecht of anderszins binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. 3 In afwijking van het eerste lid kan de opdracht, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld en de rechterlijk ambtenaar daarom verzoekt, worden gegeven bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt een zodanige opdracht gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid gegeven opdracht. 4 artikel 2, eerste lid Indien aan de rechterlijk ambtenaar een ander ambt of andere functie, niet zijnde een ambt als bedoeld in, wordt opgedragen, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen als voor het leven benoemd rechterlijk ambtenaar. 5 artikel 2, eerste lid Indien aan de rechterlijk ambtenaar een ambt als bedoeld in, wordt opgedragen voor minder uren dan het aantal uren dat hij zijn oorspronkelijke ambt gemiddeld per week vervulde, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen voor het meerdere aantal uren. 6 Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken. 2013 182 29-05-2013 14-05-2013 33570 2013 182 29-05-2013 14-05-2013 33570 30-05-2013 29-12-2005
Artikel 46ka — Artikel 46ka#
Artikel 46ka 1 artikel 46i, eerste lid De rechterlijk ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, kan, in afwijking van, door de Hoge Raad worden ontslagen indien hij zonder deugdelijke grond weigert: a. gevolg te geven aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten; b. passende arbeid te verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld; of c. artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld indan wel. 2 artikel 46j, eerste lid artikel 64 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan de uitslag worden betrokken van de beoordeling door het in, bedoelde Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de aanvraag op grond van. Indien de beoordeling in de vorige volzin niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar en de functionele autoriteit het oneens zijn over het ontslag, kan door de functionele autoriteit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een oordeel als bedoeld inworden gevraagd en betrekt de Hoge Raad dit bij de beoordeling. 2013 182 29-05-2013 14-05-2013 33570 2013 182 29-05-2013 14-05-2013 33570 30-05-2013 29-12-2005
Artikel 46kb — Artikel 46kb#
Artikel 46kb artikel 46o, tweede lid Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar kan, bij wijze van ordemaatregel en om redenen van zwaarwegend organisatorisch belang van het gerecht waar de rechterlijk ambtenaar op dat moment is geplaatst, door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in, de vaststelling van het gerechtshof of de rechtbank waar het ambt bij wordt vervuld, worden gewijzigd. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 46l — Artikel 46l#
Artikel 46l 1 De rechterlijk ambtenaar wordt door de Hoge Raad ontslagen, indien hij: a. ongeschikt is voor het vervullen van zijn ambt, anders dan wegens ziekte; b. een ambt of betrekking aanvaardt dat onderscheidenlijk die volgens de wet onverenigbaar is met het door hem beklede ambt; c. het Nederlanderschap verliest. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de rechterlijk ambtenaar in geval van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt anders dan wegens ziekte, indien hij hierom verzoekt, ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een ontslag door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a. 3 Voor de beoordeling of sprake is van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt, anders dan wegens ziekte, wordt advies ingewonnen bij een commissie van drie deskundigen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46m — Artikel 46m#
Artikel 46m De rechterlijk ambtenaar kan door de Hoge Raad worden ontslagen, indien hij: a. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; b. een onherroepelijke strafbeschikking opgelegd heeft gekregen wegens het plegen van een misdrijf; c. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld; d. artikel 5f, tweede lid als raadsheer- of rechter-plaatsvervanger gedurende een termijn van twee jaar niet is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in, en gedurende die termijn evenmin aangesteld is geweest of tijdelijk is aangewezen als bedoeld in artikel 5f, eerste of derde lid. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 46n — Artikel 46n#
Artikel 46n 1 artikelen 46ca, eerste lid, onderdeel d 46ka 46l artikel 46m, onderdelen a, b en c Ingeval van een ontslag ingevolge de,,of, kan de Hoge Raad een voorziening treffen onderscheidenlijk kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister een voorziening worden getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het oordeel van de Hoge Raad onderscheidenlijk Onze Minister met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. 2 Werkloosheidswet artikel 24 van de Werkloosheidswet artikel 1ab De uitkering is ten hoogste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van deen het krachtensbepaalde ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in. 3 Werkloosheidswet artikel 1ab Op de uitkering zijn voor het overige deen het krachtensbepaalde ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid van overeenkomstige toepassing. 4 Werkloosheidswet artikel 1ab Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van hetzelfde ontslag recht heeft op een uitkering krachtens deof het krachtensbepaalde ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid, vervalt de door de Hoge Raad of bij koninklijk besluit toegekende uitkering. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 46o — Artikel 46o#
Artikel 46o 1 De Hoge Raad neemt de in dit hoofdstuk bedoelde beslissingen op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over beëindiging van een schorsing beslist de Hoge Raad op vordering van de procureur-generaal dan wel op verzoek van de betrokken rechterlijk ambtenaar. 2 De vordering van de procureur-generaal, bedoeld in het eerste lid, geschiedt ambtshalve dan wel naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk ambtenaar. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank en daarvan niet tevens president is, wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan: de rechterlijk ambtenaar die tevens president van dat gerechtshof onderscheidenlijk die rechtbank is. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof onderscheidenlijk een rechtbank en daarvan tevens president is, wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan: de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van het gerechtshof tot het rechtsgebied waarvan die rechtbank behoort. 3 De procureur-generaal vordert niet dan nadat hij de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechterlijk ambtenaar en de procureur-generaal wordt ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. 4 De vordering wordt door de procureur-generaal gemotiveerd en schriftelijk ingesteld. Bij de vordering wordt in elk geval het proces-verbaal, bedoeld in het derde lid, gevoegd. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46p — Artikel 46p#
Artikel 46p 1 Het onderzoek door de Hoge Raad geschiedt in raadkamer. 2 De betrokken rechterlijk ambtenaar wordt uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn en daarbij, zo gewenst, zijn mening kenbaar te maken. De uitnodiging gaat vergezeld van een afschrift van de ingestelde vordering en van de daarbij gevoegde stukken. 3 De Hoge Raad kan, hetzij op verzoek van de procureur-generaal of de betrokken rechterlijk ambtenaar, hetzij ambtshalve, getuigen oproepen en horen. 4 De Hoge Raad beslist bij met redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar. 5 De Hoge Raad doet aan het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad alsmede aan Onze Minister onverwijld mededeling van een beslissing als bedoeld in het vierde lid. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 46q — Artikel 46q#
Artikel 46q artikelen 46o 46p Indien het ontslag, de schorsing of het bij ongeschiktheid wegens ziekte opdragen van een ander ambt of andere functie van de procureur-generaal in het geding is, worden de in deenaan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Vervallen 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Vervallen 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 54a — Artikel 54a#
Artikel 54a 1 artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie artikel 46h, derde lid Bij een gebrek aan capaciteit aan rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast kunnen rechterlijke ambtenaren als bedoeld indie op grond van, worden ontslagen vervolgens worden benoemd tot raadsheren-plaatsvervangers of rechters-plaatsvervangers. 2 artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie artikel 46h, derde lid Het betrokken bestuur van het gerechtshof of de rechtbank doet een aanbeveling aan de Raad voor de rechtspraak voor de benoeming als bedoeld in het eerste lid uiterlijk binnen drie maanden nadat de rechterlijk ambtenaar als bedoeld inop grond van, is ontslagen. 3 Artikel 4a, eerste lid , is niet van toepassing op raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers die op grond van het eerste lid worden benoemd. 4 Raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers die op grond van het eerste lid zijn benoemd, worden met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van drieënzeventig jaren hebben bereikt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen. 2023 410 15-11-2023 08-11-2023 36358 2023 410 15-11-2023 08-11-2023 36358 16-11-2023
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Deze wet wordt aangehaald als: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 5g#
artikel 5g, eerste lid