Wet van 29 mei 1997 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht
- BWB-id
- BWBR0008703
- Type
- Wet
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2004-06-23
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0008703
- ELI
- /eli/nl/wet/1997/wijzigingswet-wet-educatie-en-beroepsonderwijs-decentralisat
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1997/wijzigingswet-wet-educatie-en-beroepsonderwijs-decentralisat/2004-06-23
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0008703&g=2004-06-23
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0008703&z=2026-06-06&g=2004-06-23
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0008703/2004-06-23
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1997/wijzigingswet-wet-educatie-en-beroepsonderwijs-decentralisat
Artikel I — ARTIKEL I#
ARTIKEL I Wijzigt Wet educatie en beroepsonderwijs. 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 1997 398 23-09-1997 11-09-1997 01-10-1997
Artikel II — ARTIKEL II#
ARTIKEL II 1 artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Het bevoegd gezag van de instelling als bedoeld in, betaalt of ontvangt ter zake van de gebouwen en terreinen waarvoor bij de aankoop, de stichting of de ingebruikneming een bijdrage uit 's Rijks kas is verleend, een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vast te stellen bedrag aan het Rijk onderscheidenlijk van het Rijk. Dit bedrag wordt berekend naar de toestand van 31 december 1996, en wordt voldaan of verkregen uiterlijk acht weken na inwerkingtreding van dit artikel. 2 2 De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de normatief vastgestelde waarde. Deze waarde wordt van gebouwen berekend op basis van de afschrijving van de gemiddelde vervangingswaarde. De afschrijving van de gemiddelde vervangingswaarde van gebouwen geschiedt zodanig dat de gemiddelde jaarlijkse leenlast, uitgaande van 50% annuïtaire en 50% lineaire leningen, over de resterende afschrijvingstermijn gelijk is aan de gemiddelde jaarlijkse leenlast voor een nieuw gebouw dat in dertig jaar wordt afgeschreven. Deze waarde wordt van terreinen, niet zijnde sportterreinen, berekend op basis van mbruto vloeroppervlak van de bebouwing dan wel indien het een onbebouwd terrein betreft, op basis van de oppervlakte van dat terrein. De normatief vastgestelde waarde van een sportterrein bedraagt een vast bedrag, ongeacht de feitelijke oppervlakte van het sportterrein. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt een algemene berekeningswijze vastgesteld op de grondslag waarvan het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt berekend. Bij de vaststelling van het bedrag wordt in elk geval rekening gehouden met: Deze algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. a. afgekochte erfpacht, b. op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande verplichtingen terzake van nieuwbouw en huur, c. eigen bijdragen, en d. op het tijdstip van overdracht van de gebouwen en terreinen nog openstaande restanten van leningen. 4 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, kan het in het eerste lid bedoelde bedrag herzien gedurende een periode van vijf jaren na vaststelling van dat bedrag, indien in die periode blijkt dat de gegevens waarop dat bedrag is gebaseerd onjuist zijn. 5 Tegen een besluit van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, op grond van dit artikel jegens een bepaalde instelling, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 1997 453 16-10-1997 01-10-1997 31-12-1997
Artikel III — ARTIKEL III#
ARTIKEL III 1 artikel 2.2.1 2.3.1 2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs a b Tot het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van,enin werking treden, wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, bij ministeriële regeling jaarlijks de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten vastgesteld met inachtneming van de artikelen 2.2.1, tweede en vierde lid, 2.3.1 en 2.4.1 van die wet. Deze ministeriële regeling stelt tevens het normatieve rentepercentage vast, bedoeld in het tweede lid, onder, en de norm voor de uitgaven voor rente en aflossing, bedoeld in het tweede lid, onder. 2 De rijksbijdrage voor de huisvestingskosten, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste een vergoeding waaruit kunnen worden bestreden: a. artikel II de huurpenningen voor een gebouw, die door het instellingsbestuur worden betaald als verplichting voortvloeiend uit een huurovereenkomst die door het instellingsbestuur is gesloten en waarvoor door Onze Minister door middel van een goedkeuring toestemming is verleend; deze vergoeding van de huurpenningen wordt verleend tot de bedragen, perioden en condities zoals in de goedkeuring vermeld en, indien een instelling op grond vaneen bedrag heeft ontvangen, verminderd met de normatieve rente-opbrengsten over dat bedrag, en b. artikel II de normatieve uitgaven voor rente en aflossing ten gevolge van het bedrag dat door het instellingsbestuur is betaald op grond van, voor een periode van maximaal 30 jaar. 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 01-07-1997
Artikel IV — ARTIKEL IV#
ARTIKEL IV Vervallen 2004 139 06-04-2004 18-03-2004 28997 2004 269 22-06-2004 10-06-2004 23-06-2004
Artikel V — ARTIKEL V#
ARTIKEL V artikel 2.8.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt ten laste van de Rijksbegroting aan de instellingen een bedrag ter beschikking. De hoogte van het bedrag, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Onze Minister stort het bedrag in het waarborgfonds op het tijdstip datin werking treedt. 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 1997 398 23-09-1997 11-09-1997 01-10-1997
Artikel VI — ARTIKEL VI#
ARTIKEL VI artikel I, onderdeel J artikel V artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1997, met uitzondering van, voor zover het betreft artikel 2.8.1, en, laatste volzin, die gelijktijdig in werking treden op 31 december 1997 met dien verstande dat bij koninklijk besluit een inwerkingtreding op een ander tijdstip, gelegen in 1997, kan worden vastgesteld, en met uitzondering vandat in werking treedt op 31 december 1998 met dien verstande dat bij koninklijk besluit een inwerkingtreding op een eerder tijdstip kan worden vastgesteld. 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 1997 229 12-06-1997 29-05-1997 24666 01-07-1997