Wet van 24 december 1998, houdende regelen ter beheersing en versnelling van de procedures inzake de aanleg van de vijfde baan van de Luchthaven Schiphol (Wet procedures vijfde baan Schiphol)
- BWB-id
- BWBR0010169
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2005-07-01 t/m 2007-02-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0010169
- ELI
- /eli/nl/wet/1999/wet-procedures-vijfde-baan-schiphol
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1999/wet-procedures-vijfde-baan-schiphol/2005-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0010169&g=2005-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0010169&z=2026-06-06&g=2005-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0010169/2005-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1999/wet-procedures-vijfde-baan-schiphol
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; b. Onze Ministers: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk; c. Schiphol: het luchtvaartterrein Schiphol; d. Planologische Kernbeslissing: deel 4 van de Planologische Kernbeslissing Schiphol en omgeving (kamerstukken II 1994/95, 23 552, nr. 52); e. artikel 27 artikel 24 Luchtvaartwet artikel 26 Luchtvaartwet artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening Aanwijzing Schiphol: besluit van Onze Minister van 23 oktober 1996, houdende aanwijzing exjo.van het luchtvaartterrein Schiphol, alsmede besluit van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 oktober 1996, houdende aanwijzingen exjo.inzake de geluidszones rond het luchtvaartterrein Schiphol (Stcrt 211); f. vijfde baan: baan 18/36 als aangegeven in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Aanwijzing Schiphol; g. Wet op de Ruimtelijke Ordening Wet op de Ruimtelijke Ordening planologische medewerking verlenen: het nemen van een of meer besluiten krachtens demet uitzondering van besluiten op aanvragen om aanlegvergunning – door een gemeentebestuur, het bestuur van een regionaal openbaar lichaam of van de provincie waarin de betrokken gemeente is gelegen, waardoor de aanleg van de vijfde baan ten behoeve van Schiphol of het gebruik van die baan kan plaatsvinden, alsmede de met die aanleg of dat gebruik verband houdende voorzieningen kunnen worden uitgevoerd, zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens de. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikelen 25, eerste lid 26 28, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, eerste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet enig bestemmingsplan, dat door het gemeentebestuur van Haarlemmermeer ten behoeve van de aanleg van de vijfde baan en de rechtstreeks daarmee verband houdende voorzieningen in procedure is gebracht, niet onherroepelijk is geworden, geldt, in afwijking van de,en, voor de totstandkoming van het desbetreffende bestemmingsplan het volgende: a. dat bestemmingsplan wordt binnen zes weken na inwerkingtreding van deze wet vastgesteld; b. het raadsbesluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan wordt terstond ter inzage gelegd; c. gedeputeerde staten beslissen omtrent de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan binnen twaalf weken te rekenen van de dagtekening van het besluit, met dien verstande, dat, indien het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan is vastgesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, deze termijn twaalf weken bedraagt, verminderd met de tijd, dat de beslissing omtrent de goedkeuring reeds in behandeling bij gedeputeerde staten is, echter met een minimum van vier weken; d. gedeputeerde staten maken hun besluit omtrent de goedkeuring van dat bestemmingsplan terstond bekend; e. het goedgekeurde bestemmingsplan wordt terstond na de goedkeuring ter inzage gelegd. 2 artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening artikelen 4 tot en met 9 10 Indien burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer op basis van een verzoek van een belanghebbende om vrijstelling als bedoeld inten behoeve van de aanleg van de vijfde baan en de rechtstreeks daarmee verband houdende voorzieningen, voornemens zijn die vrijstelling te verlenen, geschiedt de verlening in afwijking vanovereenkomstig deenvan deze wet. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Indien planologische medewerking niet of niet tijdig wordt verleend, kunnen Onze Ministers vrijstelling verlenen van bepalingen in het betrokken bestemmingsplan ten aanzien van de aanleg van de vijfde baan en de rechtstreeks daarmee verband houdende voorzieningen, voor zover die bepalingen zich niet verdragen met de Planologische Kernbeslissing en met de Aanwijzing Schiphol. 2 Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid plegen Onze Ministers overleg met het betrokken gemeentebestuur. 3 Het besluit van Onze Ministers wordt terstond bekendgemaakt aan het gemeentebestuur en het provinciaal bestuur. Het besluit wordt voorts in de Staatscourant geplaatst. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2, eerste lid paragraaf 5 De belanghebbende draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk bij de bevoegde bestuursorganen de aanvragen worden ingediend tot het nemen van de besluiten die nodig zijn met het oog op de aanleg van de vijfde baan van Schiphol en de rechtstreeks daarmee verband houdende voorzieningen, met uitzondering van de in, bedoelde besluiten inzake het verlenen van planologische medewerking en de inbedoelde besluiten, gericht op de onteigening van percelen. 2 De NV Luchthaven Schiphol is eveneens bevoegd de in het eerste lid bedoelde aanvragen in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen. 3 De belanghebbende zendt gelijktijdig een afschrift van de aanvragen aan Onze Minister. Onze Minister zendt een afschrift van de aanvragen aan Onze Minister wie het mede aangaat. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 6 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van de inbedoelde besluiten isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 3:11, eerste lid, van die wet artikel 4, eerste lid in afwijking vande aanvragen tot het nemen van de in, bedoelde besluiten ter inzage worden gelegd; b. artikelen 3:12 3:13 van die wet de ingevolge deenvereiste kennisgevingen worden gedaan door Onze Minister; c. de terinzagelegging tevens geschiedt op het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; d. artikel 3:18 van die wet buiten toepassing blijft. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 4, eerste lid Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de in, bedoelde besluiten en van de overige ambtshalve te nemen besluiten. 2 Onze Minister kan van andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4, eerste lid artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht De bestuursorganen tot wie de aanvragen om de in, bedoelde besluiten zijn gericht, nemen de besluiten binnen twaalf weken na afloop van de inbedoelde termijn en zenden deze onverwijld toe aan Onze Minister. 2 Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde termijn van twaalf weken in bijzondere omstandigheden verlengen. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 4, eerste lid Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag als bedoeld in, niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 2 artikel 6, eerste lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 8 Indien bij de toepassing vande beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze in dat artikel bedoelde Ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikelen 4, eerste lid 8 19, eerste en tweede lid De in de,en, bedoelde besluiten worden door Onze Minister bekendgemaakt. Zij worden voorts in de Staatscourant geplaatst. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikelen 2 3, eerste lid 4, eerste lid 8 19, eerste en tweede lid Tegen een besluit als bedoeld in de,,,en, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2 Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. 3 artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 4, eerste lid 8 19, eerste en tweede lid artikel 10 In afwijking vanvangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de besluiten, bedoeld in de,en, aan met ingang van de dag na die waarop de inbedoelde bekendmaking is geschied. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 11, eerste lid Met betrekking tot beroepen tegen de in, bedoelde besluiten beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twaalf weken na ontvangst van het verweerschrift van het desbetreffende bestuursorgaan. 2 In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Indien over het ontwerp van een besluit van een gemeentebestuur, een bestuur van een regionaal openbaar lichaam of provinciaal bestuur, dat dient voor het verlenen van planologische medewerking, zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, kunnen deze zienswijzen geen grond vinden in zienswijzen over de Planologische Kernbeslissing of over de Aanwijzing Schiphol. 2 artikel 3, eerste lid Indien tegen een besluit van een gemeentebestuur, een bestuur van een regionaal openbaar lichaam of provinciaal bestuur, dat dient voor het verlenen van planologische medewerking, dan wel een besluit van Onze Ministers op grond van, beroep kan worden ingesteld, kan dat beroep geen grond vinden in bedenkingen tegen de Planologische Kernbeslissing of tegen de Aanwijzing Schiphol. 3 artikel 4, eerste lid Indien over een ontwerp van een in, bedoeld besluit zienswijzen naar voren worden gebracht, kunnen deze zienswijzen geen grond vinden in zienswijzen over de Planologische Kernbeslissing of over de Aanwijzing Schiphol. 4 artikel 4, eerste lid 8 19, eerste of tweede lid Indien tegen een besluit, bedoeld in,of, beroep wordt ingesteld, kan dat beroep geen grond vinden in bedenkingen tegen deel 4 van de Planologische Kernbeslissing of tegen de Aanwijzing Schiphol. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 artikel 4, eerste lid, van de onteigeningswet artikel 72a van de onteigeningswet Onteigening van onroerende zaken en van rechten als bedoeld inten behoeve van werken niet voor de luchtvaart, welke met het oog op de rechtstreeks met de aanleg van de vijfde baan van Schiphol verband houdende voorzieningen dienen te worden onteigend, geschiedt ingevolge het besluit, bedoeld in. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Het vonnis van onteigening van de rechtbank kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven nadat de Planologische Kernbeslissing en de Aanwijzing Schiphol onherroepelijk zijn geworden. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 15 artikelen 54f, derde volzin 54n 59 van de onteigeningswet Onverminderden in afwijking van de,enwordt het vonnis van de rechtbank binnen acht weken nadat het is uitgesproken in de openbare registers ingeschreven, ongeacht daartegen ingesteld verzet of cassatie. 2 54n 59 van de onteigeningswet In afwijking van de artikelenenis ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving geen verklaring van de griffier dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, benodigd doch een verklaring van de griffie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit blijkt dat de Planologische Kernbeslissing en de Aanwijzing Schiphol onherroepelijk zijn geworden. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 4 Belemmeringenwet Privaatrecht Indien bij de uitvoering van werken, ten aanzien waarvan een of meer besluiten als bedoeld inzijn genomen, blijkt, dat voor de uitvoering toepassing van denodig is en de noodzaak van die toepassing in redelijkheid niet was te voorzien, kan Onze Minister een duurzame of tijdelijke verplichting opleggen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van die wet. Aan de verplichting kunnen voorwaarden of beperkingen worden verbonden. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 2 Artikel 12, tweede lid Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tegen de beslissing van gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring van een plan als bedoeld inberoep kan worden ingesteld dan wel is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist de Afdeling binnen twaalf weken na ontvangst van het verweerschrift dan wel, indien het verweerschrift reeds is ontvangen, binnen twaalf weken na dat tijdstip., is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 2 Indien de uitspraak van gedeputeerde staten of een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidt tot gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan bestemmingsplan is op de vaststelling van een nieuw planvan toepassing. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 2, tweede lid artikel 4, eerste lid artikel 7, eerste lid Op aanvragen als bedoeld in, en, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend maar waarop op dat tijdstip nog niet is beslist, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing, met dien verstande, dat de termijn genoemd in, twaalf weken bedraagt, verminderd met de tijd, dat de aanvraag reeds bij het bestuursorgaan in behandeling is tot een minimum van vier weken. 2 artikel 2, tweede lid artikel 4, eerste lid Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op een aanvraag als bedoeld in, en, is beslist en tegen het desbetreffende besluit bezwaar is gemaakt, beslist het desbetreffende bestuursorgaan binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op het bezwaar. 3 artikel 7, eerste lid Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tegen een besluit als bedoeld in, of tegen de uitspraak op een bezwaar tegen zulk een besluit beroep is ingesteld, beslist het orgaan, dat op het beroep moet beslissen, binnen twaalf weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op het beroep. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open. 4 artikel 4, eerste lid Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op een aanvraag als bedoeld in, of op een bezwaar tegen een besluit op een dergelijke aanvraag is beslist, maar de bezwaartermijn respectievelijk beroepstermijn nog niet is verstreken, kan iedere belanghebbende, tenzij deze reeds bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld bij het desbetreffende orgaan, binnen zes weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Reeds ingediende bezwaarschriften worden door het bestuursorgaan, waarbij die zijn ingediend, aangemerkt als beroepschrift en doorgestuurd naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Reeds ingediende beroepschriften worden door het bestuursorgaan of de rechtbank, waarbij die zijn ingediend, eveneens doorgestuurd naar de Afdeling bestuursrechtspraak. 5 artikelen 11, derde lid 12 13 Op de behandeling van de bezwaren en beroepen als bedoeld in het tweede respectievelijk derde lid zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Deze wet wordt aangehaald als: Wet procedures vijfde baan Schiphol. 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 1999 17 26-01-1999 24-12-1998 25863 27-01-1999