Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001
- BWB-id
- BWBR0011354
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011354
- ELI
- /eli/nl/wet/2000/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2000/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011354&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011354&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011354/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2000/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001
Artikel I — Artikel I Natuurschoonwet 1928#
Artikel I Natuurschoonwet 1928 Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel II — Artikel II Successiewet 1956#
Artikel II Successiewet 1956 Wijzigt de Successiewet 1956. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel III — Artikel III Wet op de herkapitalisatie 1957#
Artikel III Wet op de herkapitalisatie 1957 De Wet op de herkapitalisatie 1957 wordt ingetrokken. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel IV — Artikel IV Algemene wet inzake rijksbelastingen#
Artikel IV Algemene wet inzake rijksbelastingen Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 31-12-2000
Artikel V — Artikel V Wet op de loonbelasting 1964#
Artikel V Wet op de loonbelasting 1964 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel VI — Artikel VI Wet op de dividendbelasting 1965#
Artikel VI Wet op de dividendbelasting 1965 Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel VII — Artikel VII Wet op de omzetbelasting 1968#
Artikel VII Wet op de omzetbelasting 1968 Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel VIII — Artikel VIII Wet op de vennootschapsbelasting 1969#
Artikel VIII Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen VIII en XIII van hoofdstuk 1
van de wet in werking treden.
Artikel IX — Artikel IX Conjunctuurwet#
Artikel IX Conjunctuurwet Wijzigt de Conjunctuurwet. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel X — Artikel X Wet op belastingen van rechtsverkeer#
Artikel X Wet op belastingen van rechtsverkeer Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 551 27-12-2000 14-12-2000 27030 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als artikel X van de wet in werking treedt.
Artikel XI — Artikel XI Wet verruiming vervroegde afschrijving, investeringsaftrek en verliescompensatie#
Artikel XI Wet verruiming vervroegde afschrijving, investeringsaftrek en verliescompensatie De wet van 29 augustus 1975 tot verruiming van de vervroegde afschrijving, de investeringsaftrek en de verliescompensatie in het belang van de werkgelegenheid (Stb. 467) wordt ingetrokken. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XII — Artikel XII Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen#
Artikel XII Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen IV, XII en XIII (afd. A, hfd.
1), III (afd. B, hfd. 1), I, II, IV, VI (hfd 2) en IA, II (hfd.
3) in werking treden.
Artikel XIII — Artikel XIII Invorderingswet 1990#
Artikel XIII Invorderingswet 1990 Wijzigt de Invorderingswet 1990. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen VIII en XIII van hoofdstuk 1
van de wet in werking treden. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen IV, XII en XIII (afd. A, hfd.
1), III (afd. B, hfd. 1), I, II, IV, VI (hfd 2) en IA, II (hfd.
3) in werking treden.
Artikel XIV — Artikel XIV Wet op de accijns#
Artikel XIV Wet op de accijns Wijzigt de Wet op de accijns. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XV — Artikel XV Wet waardering onroerende zaken#
Artikel XV Wet waardering onroerende zaken Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XVI — Artikel XVI Wet belastingen op milieugrondslag#
Artikel XVI Wet belastingen op milieugrondslag Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XVII — Artikel XVII Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen#
Artikel XVII Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XVIII — Artikel XVIII Kaderwet financiele verstrekkingen Financiën#
Artikel XVIII Kaderwet financiele verstrekkingen Financiën Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XIX — Artikel XIX Aanpassingswet wet waardering onroerende zaken#
Artikel XIX Aanpassingswet wet waardering onroerende zaken Wijzigt de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XX — Artikel XX Wet overgang belastingheffing in euro's#
Artikel XX Wet overgang belastingheffing in euro's Wijzigt de Wet overgang belastingheffing in euro's. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel XXA — Artikel XXA Wet fiscale behandeling pensioenen#
Artikel XXA Wet fiscale behandeling pensioenen Wijzigt de Wet fiscale behandeling pensioenen. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel I — Artikel I Pensioen- en spaarfondsenwet#
Artikel I Pensioen- en spaarfondsenwet Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel II — Artikel II Coördinatiewet sociale verzekering#
Artikel II Coördinatiewet sociale verzekering Wijzigt de Coördinatiewet sociale verzekering. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel III — Artikel III Wet financiering volksverzekeringen#
Artikel III Wet financiering volksverzekeringen Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen IV, XII en XIII (afd. A, hfd.
1), III (afd. B, hfd. 1), I, II, IV, VI (hfd 2) en IA, II (hfd.
3) in werking treden.
Artikel I — Artikel I Overgangsrecht inkomstenbelasting#
Artikel I Overgangsrecht inkomstenbelasting A. Tijdelijke verhoging van de stakingsaftrek bij staking van een gehele onderneming B. Tijdelijke stakingsaftrek bij staking van een gedeelte van een onderneming C. Drie-jaarstermijn voor stakingsaftrek D. Tijdelijke tegemoetkoming medegerechtigden Da. Tijdelijke tegemoetkoming recente medegerechtigden Db. Tijdelijke doorschuiving in de familiesfeer Dc Dd. Tijdelijke tegemoetkoming film 2001 E. Afgegeven beschikkingen bestemmingswijzigingswinst voor landbouwgronden F. Verwijzingen naar te verrekenen verliezen G. Voor bepaling van de winst aan de hand van de tonnage is 1996 het eerste jaar H. Gevolgen wijziging waarderingsstelsel pensioenverplichtingen ultimo 1994 I. Tegemoetkoming voor de kosten van het invoeren van de euro in 2001 J. Scholingsbijtelling en reserves K. Oudedagsreserve bij begin van 2001 L. Doorschuiving oudedagsreserve bij staking in het jaar 2000 M. Waardering vermogensbestanddelen bij overgang naar een werkzaamheid Ma. Nog niet genoten inkomsten bij overgang van andere arbeid naar een werkzaamheid N. Handhaving voorwaarden met betrekking tot stamrechten van voor 1 januari 1992 O. Bestaande rechten en verplichtingen ter zake van periodieke uitkeringen en verstrekkingen P. Afrekenoptie voor bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen Q. Afrekenverplichting ter zake van bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen R Ra. Overgangsregeling inhaal pensioentekorten S. Omzetting stakingswinst in lijfrente; rekening houden met bestaande rechten Sa. Verlenging voor 2001 en 2002 van terugwentelingsperiode T. Inpassen van betaalde lijfrentepremies U. Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen Ua. Negatieve persoonsgebonden aftrek V. Tijdstip genieten W. Voorwaartse verliesverrekening X. Achterwaartse verliesverrekening Y. Ya. Bijzonder tarief overlijdens- en invaliditeitsuitkering Z. Gelijkstelling koopopties met onderliggende waarde Za. Gelijkstelling lidmaatschapsrechten coöperaties AA. Participaties open fondsen voor gemene rekening AB. Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang AC. Genotsrechten en aanmerkelijk belang AD AE. Fictieve aanmerkelijk belangen ontstaan na 1 januari 1997 AF. Kwalificatie aanmerkelijk belang AG. Keuze voor afrekenen bij toepassing onderdeel AF AI. Fictieve aanmerkelijke belangen ontstaan voor 1 januari 1997 AJ. Waardering vermogensbestanddelen bij overgang naar een werkzaamheid in aanmerkelijk-belangsituaties AK. Lopende termijnen AKa. Uitgestelde termijnen AKaa. Nog niet lopende termijnen AKab. Overgangsrecht eigenwoningregeling bij echtscheiding AKac. Overgangsrecht meegefinancierde bouwrente en meegefinancierde oversluitkosten AKad. Overgangsrecht koophuurwoningen AKb. Aanvang termijn bestaande schulden eigen woning AKc. Inkoop eigen aandelen gehouden door een beleggingsinstelling AL. Kapitaalverzekeringen die via box I worden afgewikkeld AM. Kapitaalverzekeringen: voorwaardelijke vrijstelling aangegroeide rente AN. Kapitaalverzekeringen: vrijstelling in box III AO. Kapitaalverzekering eigen woning AP. Imputatieregeling APa Verzoek gezamenlijk genieten kapitaalverzekering APb. Vrijstelling aandelen en winstbewijzen in aangewezen particuliere participatiemaatschappijen AQ. Geldleningen aan beginnende ondernemers; deelnemingen in partcipatiemaatschappijen AR. Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte AS. Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen ASa. Tijdelijke aftrek van rente die verband houdt met ziektekosten ASb. Tijdelijke aftrek van rente die verband houdt met scholingsuitgaven AT. Aftrekbare giften ATa. Tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting AU. Guldensbedragen AV. Overgangsrecht groene beleggingen AW. Overgangsrecht groenprojecten 1. tweede en in het vierde lid van artikel 3.79 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Ten aanzien van de ondernemer die een of meer gehele ondernemingen staakt met betrekking waartoe hij vanaf 1 januari 2001 ondernemer is geweest, wordt het bedrag van € 3630 genoemd in hetvoor de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 verhoogd. Met inbegrip van de verhoging wordt het bedrag gesteld op: a. indien de ondernemer de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt: voor 2001 op € 20 420, voor 2002 op € 17 062, voor 2003 op € 13 704, voor 2004 op € 10 346 en voor 2005 op € 6988; b. in de overige gevallen: voor 2001 op € 9076, voor 2002 op € 7987, voor 2003 op € 6897, voor 2004 op € 5808 en voor 2005 op € 4719. 2. De bedragen genoemd in het eerste lid, tweede volzin, onderdelen a en b, worden verminderd – maar niet verder dan tot € 3630 – met de bedragen van de door de belastingplichtige eerder genoten stakingsvrijstelling volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 1. artikel 3.79 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 geldt voor de ondernemer die winst behaalt met of bij het staken van een of meer gedeelten van een onderneming met betrekking waartoe hij vanaf 1 januari 2001 ondernemer is geweest en niet een gehele onderneming heeft gestaakt, de in het tweede lid bedoelde tijdelijke stakingsaftrek als stakingsaftrek in de zin van. 2. De tijdelijke stakingsaftrek is gelijk aan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt niet meer dan: voor 2001 € 9076, voor 2002 € 7260, voor 2003 € 5445, voor 2004 € 3630 en voor 2005 € 1815. 3. artikel 3.79, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van dit onderdeel isvan overeenkomstige toepassing. 4. De in het tweede lid bedoelde maximumbedragen worden verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de bedragen van de door de belastingplichtige eerder genoten stakingsvrijstelling volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek. 1. artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2006 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een onderneming door een medegerechtigde als bedoeld in, waaruit hij in het kalenderjaar 2000 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid. 2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien: a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige reeds op 12 januari 2000 bestond, en dat wordt aangetoond door middel van een op dat tijdstip bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste tien jaar zou belopen. 1. artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2006 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een onderneming door een medegerechtigde als bedoeld in, waaruit hij in het kalenderjaar 2000 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid. 2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien: a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige nog niet bestond op 12 januari 2000 en voor 1 januari 2001 is ontstaan, hetgeen wordt aangetoond door middel van een op 31 december 2000 bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste zeven jaar zou belopen. 3. Voor de toepassing van het eerste lid: a. komen enkel voordelen in aanmerking die betrekking hebben op bedrijfsmiddelen die voor 1 januari 2003 in gebruik zijn genomen of zijn vervaardigd en waarvoor de investeringsverplichtingen zijn aangegaan in het kalenderjaar 2000 of waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in het kalenderjaar 2000; b. blijven buiten beschouwing voordelen die betrekking hebben op onroerende zaken en rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben, en c. wordt het bedrag van de vrijstelling verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de volgens dit onderdeel door de belastingplichtige ter zake van andere ondernemingen in vorige jaren of in dit jaar genoten bedragen aan vrijstelling. 1. artikelen 3.63 3.64 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet ondernemerspakket 2001 Ten aanzien van de belastingplichtige die in het kalenderjaar 2001 een onderneming overdraagt in een geval als bedoeld in het tweede lid, zijn deen, zoals deze zouden luiden indien het voorstel vanniet tot wet zou zijn verheven, van toepassing. 2. Het eerste lid is van toepassing indien: a. de belastingplichtige die de onderneming overdraagt met betrekking tot die onderneming: 1°. artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ondernemer is als bedoeld in, of 2°. artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een belastingplichtige is als bedoeld inen degene aan wie wordt overgedragen met betrekking tot die onderneming reeds ondernemer in de hiervoor bedoelde zin is, en b. artikel 3.63, vierde lid, onderdeel a of b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet ondernemerspakket 2001 de belastingplichtige overdraagt aan een persoon als bedoeld inzoals dat zou luiden indien het voorstel vanniet tot wet zou zijn verheven. 1. artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2004 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een filmonderneming door een medegerechtigde als bedoeld in, waaruit hij reeds voor 16 juli 2002 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid. 2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien: a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige nog niet bestond op 31 december 2000 en voor 16 juli 2002 is ontstaan, hetgeen wordt aangetoond door middel van een op 15 juli 2002 bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste drie jaar zou belopen. 3. Voor de toepassing van het eerste lid: a. komen enkel voordelen in aanmerking die betrekking hebben op films die voor 1 januari 2004 zijn vervaardigd en waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002, en b. wordt het bedrag van de vrijstelling verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de volgens dit onderdeel en onderdeel Dc door de belastingplichtige ter zake van andere ondernemingen in vorige jaren of in dit jaar genoten bedragen aan vrijstelling. 4. artikel 3.41, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met betrekking tot samenwerkingsverbanden als bedoeld in onderdeel D, onderdeel Da en dit onderdeel isvoor de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002 niet van toepassing op investeringen in films. 5. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt verstaan onder: a. films: films die zijn aangewezen als bedrijfsmiddel dat voor willekeurige afschrijving in aanmerking komt en waarvan de voortbrengingskosten grotendeels betrekking hebben op voortbrenging in Nederland; b. een filmonderneming: een onderneming waarvan de feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het voortbrengen van films en het exploiteren van zelf voortgebrachte films. 1. artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met de volgens afdeling 3.13 te verrekenen verliezen, bedoeld in, worden gelijkgesteld de te verrekenen verliezen volgens hoofdstuk IV van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 2. artikel 3.23, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met een aanspraak op verrekening van verliezen volgens afdeling 3.13 als bedoeld in, wordt gelijkgesteld een aanspraak op verrekening van verliezen volgens hoofdstuk IV van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 3. artikel 3.23, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met het bedrag dat buiten aanmerking blijft, bedoeld in, wordt gelijkgesteld het bedrag dat buiten aanmerking blijft, bedoeld in artikel 8c, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 1. artikel 3.41, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor toepassing over het kalenderjaar 2001 wordt het in de laatste kolom van de in, opgenomen tabel als tweede vermelde percentage verhoogd met 3 procentpunten. 2. artikel 3.76, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor toepassing over het kalenderjaar 2001 worden in, de in de tabel opgenomen bedragen aan zelfstandigenaftrek verhoogd met €91. 1. artikel 3.50 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met een scholingsbijtelling als bedoeld inwordt gelijkgesteld een vermeerdering van de winst als bedoeld in artikel 11c, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en een bedrag dat ten bate van de winst wordt gebracht als bedoeld in artikel 11c, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die artikelen luidden op 31 december 2000. 2. artikel 3.53, eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met reserves als bedoeld inworden gelijkgesteld de overeenkomstige reserves, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000. 3. artikelen 3.53, eerste lid, onder b 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Een vervangingsreserve in de zin van artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het einde van het kalenderjaar 2000 wordt bij het begin van het kalenderjaar 2001 aangeduid als herinvesteringsreserve en geacht te zijn ontstaan op de voet van de, en. Voor een aldus als herinvesteringsreserve aangeduide vervangingsreserve wordt voor de in artikel 3.54, eerste lid, genoemde drie jaren, respectievelijk voor het in het vijfde lid genoemde derde jaar, gelezen vier jaren respectievelijk het vierde jaar. 4. Artikel 70ba van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, blijft van overeenkomstige toepassing onder de Wet inkomstenbelasting 2001. 1. artikel 3.53, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 paragraaf 3.2.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 De oudedagsreserve bij het einde van het kalenderjaar 2000 wordt bij het begin van kalenderjaar 2001 te boek gesteld als het bedrag van de oudedagsreserve in de zin van. Deze teboekstelling wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst, en deze reserve wordt geacht te zijn gevormd volgens de regels van. 2. artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van die wet Indien de belastingplichtige als ondernemer als bedoeld inof als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming als bedoeld in, winst geniet uit meer dan één onderneming, wordt voor de toepassing van het eerste lid de oudedagsreserve naar keuze van de belastingplichtige toegedeeld aan de ondernemingen. 3. artikel 3.66, eerste lid, laatste volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van dit onderdeel isniet van toepassing. 1. artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a van die wet artikel 3.70 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar 2000 artikel 44f, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat op dat tijdstip luidde, heeft toegepast en bij het begin van het kalenderjaar 2001 nog ondernemer is als bedoeld inof medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming als bedoeld in, wordt hij voor de toepassing vangeacht in het kalenderjaar 2001 een gedeelte van een onderneming te hebben gestaakt. 2. artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a van die wet Indien de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar 2000 artikel 44f, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat op dat tijdstip luidde, heeft toegepast en bij het begin van het kalenderjaar 2001 geen ondernemer is als bedoeld inof medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming als bedoeld in, wordt het bedrag van de oudedagsreserve bij het einde van het kalenderjaar 2000, in het kalenderjaar 2001 begrepen in het inkomen uit werk en woning. 3. artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a van die wet artikel 3.70 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar 2000 artikel 44f, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat op dat tijdstip luidde, heeft toegepast en bij het begin van het kalenderjaar 2001 geen ondernemer is als bedoeld inof medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming als bedoeld in, maar voor het einde van het kalenderjaar 2001 ondernemer wordt, is, in afwijking van het tweede lid, onderdeel K van overeenkomstige toepassing en wel op het tijdstip waarop de belastingplichtige ondernemer wordt. In dat geval wordt hij voor de toepassing vangeacht in het kalenderjaar 2001 een gedeelte van een onderneming te hebben gestaakt. 4. artikel 3.66, eerste lid, laatste volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van dit onderdeel isniet van toepassing. 1. artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 De belastingplichtige stelt voor het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid, bedoeld in, vermogensbestanddelen die bij het einde van het kalenderjaar 2000 niet behoorden tot het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en bij het begin van het kalenderjaar 2001 ten gevolge van de inwerkingtreding van dezijn gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek voor de waarden in het economische verkeer op dat tijdstip. 2. In afwijking van het eerste lid vindt de daar bedoelde teboekstelling plaats voor de aanschaffings- of voortbrengingskosten verminderd met het gedeelte daarvan dat onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als kosten, daaronder begrepen lasten en afschrijvingen, in aanmerking is genomen, met betrekking tot goodwill, rechten van intellectuele eigendom, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard alsmede vermogensbestanddelen waarvan de opbrengst bij vervreemding onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zou zijn belast als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22 van de laatstgenoemde wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000. Voorts worden vermogensbestanddelen a. waarvan de historische kostprijs heeft geleid tot vermindering van inkomsten uit arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de historische kostprijs verminderd met de bedragen die tot de bedoelde vermindering van inkomsten hebben geleid, doch niet verder dan nihil; b. Wet op de loonbelasting 1964 die geheel of gedeeltelijk om niet zijn verkregen en in zoverre niet tot de inkomsten uit arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 of tot het loon in de zin van dehebben behoord, bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de historische kostprijs verminderd met de bedragen die niet tot de bedoelde inkomsten of het bedoelde loon hebben behoord, doch niet verder dan nihil; c. waarvan de historische kostprijs geheel of gedeeltelijk als buitengewone lasten in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking is genomen, bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de historische kostprijs verminderd met de bedragen die tot de bedoelde buitengewone lasten hebben behoord, doch niet verder dan nihil. 3. artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a of b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.22, derde lid, van die wet Indien op een vermogensbestanddeel als bedoeld in, een genotsrecht is gevestigd als bedoeld in, wordt het bedrag waarvoor dit vermogensbestanddeel volgens het eerste of tweede lid te boek is gesteld, vermeerderd met het bedrag dat bij de vestiging van het genotsrecht bij de belastingplichtige heeft behoord tot de inkomsten uit vermogen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzover laatstgenoemd bedrag betrekking heeft op de periode na 31 december 2000. 4. artikel 3.91 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 Indien in geval van een huwelijk een vermogensbestanddeel van de ene echtgenoot bij het einde van het kalenderjaar 2000 behoort tot een ondernemingsvermogen van de andere echtgenoot en met betrekking tot dit vermogensbestanddeel bij het begin van het kalenderjaar 2001toepassing vindt, vindt in de winstsfeer ter zake van de inwerkingtreding van degeen afrekening plaats en wordt in afwijking van het eerste lid dit vermogensbestanddeel bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor dezelfde waarde als bij het einde van het kalenderjaar 2000 in de onderneming van de echtgenoot. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waarbij in andere situaties dan bedoeld in het tweede en derde lid, wordt afgeweken van de in het eerste lid bedoelde teboekstelling. 1. Met betrekking tot op 31 december 2000 nog niet genoten inkomsten uit voor 1 januari 2001 niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 2000, blijft Hoofdstuk II, afdeling 3, van die wet, zoals dat luidde op laatstgenoemde datum, doch met uitzondering van de bepalingen inzake aftrekbare kosten, van toepassing. 2. Wet inkomstenbelasting 2001 De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deaangemerkt als inkomen uit werk en woning. 1. artikel 3 109 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie blijven de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzover die regels niet in strijd komen met het bepaalde in, van toepassing voorzover: artikel 3.100 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voorzover de periodieke uitkeringen en verstrekkingen volgens de regels die op 31 december 2000 golden op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zouden behoren tot de inkomsten uit vermogen, worden deze aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening als bedoeld inen in. a. vóór 1 januari 2001 premies zijn betaald die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 1 januari 2001; b. vóór 14 september 1999 premies zijn betaald die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999; c. op of na 14 september 1999 doch vóór 1 januari 2001 premies zijn betaald die een bedrag van f 5000 per kalenderjaar niet te boven gaan en die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999; d. Wet inkomstenbelasting 2001 op of na 1 januari 2001 premies zijn betaald die op grond van deniet als uitgaven voor een inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen en die een bedrag van € 2269 per kalenderjaar niet te boven gaan ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999, mits de daarbij overeengekomen premiebetalingen op of na 14 september 1999 niet zijn verhoogd. 2. artikel 1.7, tweede lid, onderdelen c en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het eerste lid is met ingang van 1 januari 2021 niet meer van toepassing op een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen indien de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen dan wel voor de verkrijging daarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest. De eerste zin is niet van toepassing op uitkeringen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in. 3. artikel 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het eerste lid is met betrekking totniet van toepassing op periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen dan wel voor de verkrijging daarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest. 4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt hetgeen wordt ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen aangemerkt als uitkering of verstrekking voorzover dat niet het geval is op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals die luidt op 31 december 2000. De vorige volzin is eveneens van toepassing op de omzetting van een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen in een andersoortig recht. 5. afdeling 6.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met betrekking tot verplichtingen die tot stand zijn gekomen vóór 14 september 1999 tot het betalen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen, blijft artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing tot en met 31 december 2020. Voor zover de periodieke uitkeringen op grond van de vorige volzin zijn aan te merken als persoonlijke verplichtingen worden deze uitkeringen in aanmerking genomen als een onderhoudsverplichting als bedoeld in. 6. artikel 1.7, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.133, derde lid, van die wet Op aanspraken op lijfrenten als bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikel luidde op 31 december 1991 waarop ingevolge artikel 75 van die wet de regels van kracht zijn die daarvoor op 31 december 1991 golden, zijn in aanvulling op het eerste lid ooken de daarop berustende bepalingen, alsmede, van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de eerste zin is artikel 3.133, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing, mits niet een latere contractueel overeengekomen einddatum voor de aanspraak op lijfrente van toepassing is dan de uiterste datum, genoemd in artikel 3.133, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en indien dat wel het geval is, is op die aanspraak op lijfrente artikel 3.133, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals dat artikel luidde op 31 december 2025 van toepassing. 7. artikel 25, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 Met betrekking tot aanspraken op lijfrenten als bedoeld in het zesde lid zijn de aanhef en onderdeel d van het eerste lid ook van toepassing voor zover de desbetreffende premies het in onderdeel d genoemde bedrag van € 2269 te boven gaan, met dien verstande dat voor zover na 2009 betaalde premies het bedrag van € 2269 te boven gaan, deze niet in aanmerking worden genomen als prestatie als bedoeld in, zoals die bepaling luidde op 31 december 1991. 8. artikel 3.107a van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen het eerste lid, aanhef en onderdeel d, toepassing vindt, vindtgeen toepassing bij het bepalen van de omvang van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen ingevolge dat recht. 9. artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a artikel 3.126a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor zover een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in het zesde lid wordt omgezet in een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in, of op een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste aanspraak. Op het tijdstip van de omzetting van de eerstgenoemde aanspraak in een aanspraak op een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt geacht tevens een verzoek te zijn gedaan als bedoeld in artikel 75, eerste lid, laatste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die bepaling luidde op 31 december 2000. Voor de toepassing van deze wet wordt een aanspraak op een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht gelijkgesteld met een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 10. artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, iszoals dat luidde op 31 december 1994 niet van toepassing op periodieke uitkeringen of verstrekkingen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b. 11. artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 In afwijking van het eerste lid is op uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatievan toepassing. 12. artikel 3.133, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover voor een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen op grond vandan wel voor zover dit recht wordt geacht te zijn afgekocht op grond van artikel 3.133, derde lid, van die wet. 1. Op bij de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 gedaan verzoek van de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden of de uitkeringen op grond van het recht zijn ingegaan, de begunstigde, blijft toepassing van onderdeel O, eerste lid, met ingang van 1 januari 2001 achterwege op een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarvan de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen dan wel voor de verkrijging waarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest. 2. artikel 3.100 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In het geval bedoeld in het eerste lid wordt op 1 januari 2001 een uitkering of verstrekking als bedoeld inin aanmerking genomen bij de in het eerste lid bedoelde persoon tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van het recht verminderd met het gezamenlijke bedrag van de ter zake van dat recht betaalde premies voorzover die niet reeds ter zake van een eerdere uitkering of verstrekking in aanmerking zijn genomen. 3. Op verzoek van de in het eerste lid bedoelde persoon bedraagt de inkomstenbelasting op de uitkering 45%. 1. Voorzover ter zake van een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen op of na 14 september 1999 doch vóór 1 januari 2001 betaalde premies meer bedragen dan f 5000 per kalenderjaar en op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen, wordt op 1 januari 2001 in zoverre een periodieke uitkering of verstrekking uit een inkomensvoorziening in aanmerking genomen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer inzoverre van dat recht verminderd met het gezamenlijke bedrag van die premies voorzover die niet reeds ter zake van een eerdere uitkering of verstrekking in aanmerking zijn genomen. 2. artikel 1.7, tweede lid, onderdelen c en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien ter zake van een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen of voor de verkrijging daarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest, wordt op 31 december 2020 een periodieke uitkering of verstrekking uit een inkomensvoorziening in aanmerking genomen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van dat recht. Op de uitkering of verstrekking is onderdeel O, eerste lid, tweede volzin, van toepassing. De eerste zin is niet van toepassing op uitkeringen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in. 3. Op verzoek van de belastingplichtige bedraagt de inkomstenbelasting op de in het eerste en tweede lid genoemde uitkering of verstrekking 45%. 1. artikel 3.127, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing in een kalenderjaar vanworden aan het jaar 2001 voorafgaande jaren die zijn gelegen binnen de in dat lid bedoelde periode van zeven jaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar, mede in aanmerking genomen. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de ingevolge het eerste lid alsnog in aanmerking te nemen bedragen en de verstrekking van informatie daaromtrent. 1. afdeling 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In afwijking van onderdeel O, eerste lid, worden met betrekking tot een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen waarop artikel 75, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet of niet meer van toepassing is, de ter zake van dat recht betaalde premies die als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen, voor de toepassing van, aangemerkt als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. 2. afdeling 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.124 artikel 3.125 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van, worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als aanspraken als bedoeld in, respectievelijkdan wel. 3. afdeling 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.133, vierde lid artikel 3.136, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De premies als bedoeld in het eerste lid, en het daarover behaalde rendement, die op grond vanin aanmerking zijn genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, worden voor de toepassing van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 die gelden op grond van onderdeel O, eerste lid, aangemerkt als prestatie die niet ten laste van het inkomen konden komen. De eerste volzin geldt niet voor de premies, en het daarover behaalde rendement, in verband waarmee uitstel van betaling van belasting is verleend als bedoeld in, of. 1. artikel 3.139 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing vanwordt: a. onder onderhoudsverplichtingen die op grond van afdeling 6.2 in aanmerking zijn genomen mede begrepen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die op grond van artikel 45, eerste lid, onderdelen c, d of e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en afkoopsommen die op grond van onderdeel h van dat artikel in aanmerking zijn genomen; b. vervallen; c. onder uitgaven voor monumentenpanden die op grond van afdeling 6.8 in aanmerking zijn genomen mede begrepen kosten, lasten en afschrijvingen die op grond van artikel 35 of artikel 42a, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen. 2. artikel 3.139 Voor de toepassing vanwordt mede als negatieve persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige in aanmerking genomen hetgeen door hem is ontvangen aan door een gemeente toegekende subsidie ter zake van onderhoud aan een pand, niet zijnde een monumentenpand, voorzover de subsidie betrekking heeft op onderhoud waarvan de kosten en lasten als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen. 1. afdeling 3.13 artikel 7.2, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Verlies als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dat niet verrekenbaar is met inkomens van aan het kalenderjaar 2001 voorafgaande kalenderjaren, wordt voor de toepassing vanen, aangemerkt als verlies uit werk en woning van het jaar waarin dit is ontstaan. 2. Het verlies, bedoeld in het eerste lid, voorzover dit is voortgevloeid uit andere bestanddelen van het inkomen dan zijn bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en niet kan worden verrekend met inkomens van de jaren waarin het huwelijk heeft bestaan, wordt ingeval het huwelijk door overlijden van de belastingplichtige wordt ontbonden, verrekend met inkomens van de echtgenoot mits zowel de belastingplichtige als zijn echtgenoot op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk binnenlands belastingplichtig was. 3. Het verlies, bedoeld in het eerste lid, voorzover dit is voortgevloeid uit bestanddelen van het inkomen die van de zijde van de echtgenoot van de belastingplichtige zijn opgekomen en niet kan worden verrekend met inkomens van de jaren waarin het huwelijk heeft bestaan, wordt ingeval het huwelijk anders dan door overlijden wordt ontbonden uitsluitend verrekend met inkomens van de gewezen echtgenoot. Met ontbinding van een huwelijk wordt gelijkgesteld het duurzaam gescheiden gaan leven. 4. artikelen 2.7, eerste lid 2.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het ter zake van verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen bedrag als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dat niet verrekenbaar is met bedragen van de belasting over aan het kalenderjaar 2001 voorafgaande kalenderjaren, wordt verrekend met en ten hoogste tot het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in de, envan de acht kalenderjaren volgend op het jaar waarin het verlies is ontstaan. Het te verrekenen bedrag wordt in geval van gehuwde, niet duurzaam gescheiden levende belastingplichtigen in aanmerking genomen bij de echtgenoot bij wie in het jaar waarin het verlies is geleden overeenkomstig artikel 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking zou zijn genomen. In geval van een kind jonger dan 18 jaar wordt het te verrekenen bedrag in aanmerking genomen bij de ouder die het gezag over het kind uitoefent. 5. Met betrekking tot het ter zake van verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen bedrag zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing. 6. De verrekening, bedoeld in het vierde lid, geschiedt in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomstenbelasting verschuldigd is geworden. 7. Het bedrag dat op grond van het vierde lid met de belasting over een volgend kalenderjaar wordt verrekend wordt door de inspecteur gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar, vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het verrekende bedrag wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van dit artikel. 8. artikel 9.1, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien ingevolgede heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen geschiedt door middel van één aanslag, wordt voor de toepassing van het vierde lid onder belasting mede verstaan de in die aanslag te begrijpen premie voor de volksverzekeringen. 1. artikel 3.150, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de verrekening van een verlies uit werk en woning van de kalenderjaren 2001, 2002 en 2003 met de drie voorafgaande kalenderjaren, bedoeld in, worden onder inkomens uit werk en woning mede begrepen belastbare inkomens zoals vastgesteld onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzover die niet bestaan uit winst uit aanmerkelijk belang. 2. artikel 4.49, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de verrekening van een verlies uit aanmerkelijk belang van de kalenderjaren 2001, 2002 en 2003 met de drie voorafgaande kalenderjaren, bedoeld in, wordt onder inkomens uit aanmerkelijk belang mede begrepen winsten uit aanmerkelijk belang zoals vastgesteld onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 1. artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien op of na 1 januari 2001 belastbaar loon wordt genoten in de vorm van uitkeringen of verstrekkingen ineens wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval dat voor 1 januari 2001 heeft plaatsgevonden, bedraagt de belasting op dit bestanddeel van het belastbare inkomen uit werk en woning, voorzover het belastbare inkomen uit werk en woning meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in de eerste kolom, derde regel, van de tabel in, 20%. 2. artikel 9.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In afwijking in zoverre vanwordt eveneens een voorlopige teruggaaf vastgesteld, rekening houdende met de in het eerste lid bedoelde uitkeringen en verstrekkingen en het daarvoor geldende tarief. 1. Voor de toepassing van de onderdelen AB, AC, AE, AF, AG, en AI wordt een recht om aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap te verwerven (koopoptie) aangemerkt als een dergelijk aandeel respectievelijk een dergelijk winstbewijs. 2. artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van onderdeel AF en AJ wordt een recht om vermogensbestanddelen als bedoeld inte verwerven met die vermogensbestanddelen gelijkgesteld. 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt: a. een lidmaatschapsrecht of een participatiebewijs van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een winstbewijs; b. een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een vennootschap. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op rechten van lidmaatschap van coöperaties indien die rechten direct en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik belichamen van een gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. 1. artikel 2, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van de onderdelen AB, AC, AD, AE, AF, AG en AI worden bewijzen van deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld ingelijkgesteld met aandelen in vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal en worden de fondsen gelijkgesteld met vennootschappen. 2. Voor de beoordeling van de vraag of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een fonds voor gemene rekening wordt zijn bezit aan bewijzen van deelgerechtigdheid in het fonds uitgedrukt als een percentage van de in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid, waarbij andere dan enkelvoudige bewijzen van deelgerechtigdheid worden herleid tot een daarmee overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de berekening van inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van dewordt de verkrijgingsprijs van aandelen en winstbewijzen die reeds tot het vermogen van de belastingplichtige behoorden op 1 januari 2001, per die datum gesteld op: a. indien deze aandelen en winstbewijzen voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidde op 31 december 2000, behoorden tot een aanmerkelijk belang: de verkrijgingsprijs zoals die gold voor de toepassing van die regeling; b. indien deze aandelen en winstbewijzen voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidde op 31 december 2000, niet tot een aanmerkelijk belang behoorden: de waarde in het economische verkeer van die aandelen en winstbewijzen per 1 januari 2001. 2. artikel 4.3, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van, tenzij er sprake is van een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000. 3. Indien winstbewijzen bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door tijdsverloop in waarde dalen, wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten voorzover deze kosten niet als aftrekbare kosten in aanmerking zijn genomen, of – indien deze lager is – de waarde in het economische verkeer van die winstbewijzen per 1 januari 2001. 1. artikel 4.3, onderdeel a of b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 Indien een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van, die werd aangemerkt als een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, op grond van detot een aanmerkelijk belang behoort, wordt de verkrijgingsprijs van deze gerechtigdheid gesteld op het gedeelte van het bedrag dat ter zake van de verkrijging van de gerechtigdheid op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als aftrekbare kosten is aangemerkt en op 31 december 2000 op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000, nog niet als aftrekbare kosten in aanmerking is genomen. 2. artikel 4.3, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 Indien een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van, die niet werd aangemerkt als een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, op grond van detot een aanmerkelijk belang behoort, wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer van die gerechtigdheid per 1 januari 2001. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Aandelen of winstbewijzen als bedoeld in artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 die op 31 december 2000 krachtens artikel 20d, derde lid, 20e, tweede lid, 20f, tweede lid, 68a, zesde lid, 68aa, zesde lid, 70d, of krachtens een voorwaarde gesteld ingevolge artikel 20g van die wet werden geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren (fictief aanmerkelijk belang), worden voor de toepassing van deten aanzien van de belastingplichtige geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, zo zij daartoe niet reeds behoren ingevolge de bepalingen van. 2. artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien een belastingplichtige onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van een in het eerste lid bedoeld fictief aanmerkelijk belang een aanmerkelijk belang had in de zin van artikel 70d, eerste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, voorzover uitsluitend op grond van die volzin sprake was van een aanmerkelijk belang, isniet van toepassing bij overlijden van de belastingplichtige. 3. De verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang, bedoeld in het eerste lid is gelijk aan de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2001, verminderd met het bedrag dat niet in aanmerking is genomen bij het ontstaan van het in het eerste lid bedoelde fictieve aanmerkelijk belang op grond van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 4. De in het derde lid bedoelde verkrijgingsprijs wordt ten minste gesteld op de verkrijgingsprijs die ten grondslag ligt aan de berekening van het in dat lid bedoelde niet in aanmerking genomen bedrag, of, indien dit lager is, de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2001. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 Aandelen en winstbewijzen die voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidde op 31 december 2000, tot een aanmerkelijk belang behoren, worden voor de toepassing van detot een aanmerkelijk belang gerekend indien zij daartoe niet behoren op grond van de bepalingen van hoofdstuk 4 van die wet. 2. artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Schuldvorderingen die voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidde op 31 december 2000, tot een aanmerkelijk belang behoren, worden geacht op die datum te zijn vervreemd indien het hebben van die schuldvorderingen niet op grond vanals een werkzaamheid wordt aangemerkt. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 Aandelen of winstbewijzen die ten tijde van de inwerkingtreding van degeacht werden tot een aanmerkelijk belang te behoren op grond van artikel 70d van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, worden geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, zo zij daartoe niet reeds behoren ingevolge de. 2. Artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing bij het overlijden van de belastingplichtige bij wie aandelen of winstbewijzen uitsluitend op grond van het eerste lid tot een aanmerkelijk belang behoren. 3. Onderdeel AE, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op aandelen en winstbewijzen als bedoeld in het tweede lid. 1. artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voorzover vermogensbestanddelen op grond vanbij het begin van het kalenderjaar 2001 tot een werkzaamheid worden gerekend, worden deze bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip. 2. In afwijking van het eerste lid vindt de aldaar bedoelde teboekstelling plaats voor de historische kostprijs vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten en verminderd met het gedeelte daarvan dat onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als kosten, daaronder begrepen lasten en afschrijvingen, in aanmerking is genomen met betrekking tot goodwill, rechten van intellectuele eigendom, alsmede vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard. Voorts worden vermogensbestanddelen a. waarvan de historische kostprijs heeft geleid tot vermindering van inkomsten uit arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de historische kostprijs verminderd met de bedragen die tot de bedoelde vermindering van inkomsten hebben geleid, doch niet verder dan nihil; b. Wet op de loonbelasting 1964 die geheel of gedeeltelijk om niet zijn verkregen en in zoverre niet tot de inkomsten uit arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 of tot het loon in de zin van dehebben behoord, bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de historische kostprijs verminderd met de bedragen die niet tot de bedoelde inkomsten of het bedoelde loon hebben behoord, doch niet verder dan nihil; c. waarvan de historische kostprijs geheel of gedeeltelijk als buitengewone lasten in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking is genomen, bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek gesteld voor de historische kostprijs verminderd met de bedragen die tot de bedoelde buitengewone lasten hebben behoord, doch niet verder dan nihil. 3. Indien op vermogensbestanddelen als bedoeld in het eerste lid een genotsrecht is gevestigd als bedoeld in artikel 5.22, derde lid, van die wet, wordt het bedrag waarvoor deze vermogensbestanddelen volgens het eerste of tweede lid te boek zijn gesteld, vermeerderd met het bedrag dat bij de vestiging van het genotsrecht bij de belastingplichtige heeft behoord tot de inkomsten uit vermogen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzover laatstgenoemd bedrag kan worden toegerekend aan de periode na 31 december 2000. 4. Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van dit onderdeel is artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van devan overeenkomstige toepassing. 5. In afwijking van de voorgaande leden wordt een schuldvordering die op 31 december 2000 op grond van hoofdstuk II, afdeling 2A, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidde op 31 december 2000 tot een aanmerkelijk belang behoort, te boek gesteld voor de verkrijgingsprijs die gold voor de toepassing van die regeling. 6. artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van, tenzij er sprake is van een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000. 7. artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 Indien een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van, die werd aangemerkt als een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, op grond van detot een werkzaamheid wordt gerekend, wordt deze gerechtigdheid te boek gesteld op het gedeelte van het bedrag dat ter zake van de verkrijging van de gerechtigdheid op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als aftrekbare kosten is aangemerkt en op 31 december 2000 op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000, nog niet als aftrekbare kosten in aanmerking is genomen. 1. Met betrekking tot op 31 december 2000 lopende termijnen van huren, pachten en renten van schuldvorderingen ter zake waarvan het daaraan ten grondslag liggende vermogensbestanddeel op grond van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals die luidden op 31 december 2000, niet tot het vermogen van een onderneming behoort, blijven de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, alsmede – uitsluitend voor het jaar 2001 – artikel 42b, van die Wet, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing. 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de inkomsten uit vermogen gesteld op het bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen indien de lopende termijn op 31 december 2000, tegen de waarde in het economische verkeer die daar op dat moment aan zou kunnen worden toegekend, zou zijn genoten. 3. Wet inkomstenbelasting 2001 De op basis van het eerste en tweede lid bepaalde inkomsten uit vermogen worden voor de toepassing van deaangemerkt als inkomen uit werk en woning. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op lopende termijnen van renten van schuldvorderingen die zijn ontstaan in verband met de verdeling van een nalatenschap, voorzover: a. deze renten betrekking hebben op een overbedeling; b. deze renten pas na het overlijden van de schuldenaar door verrekening met de rente van de met de schuldvordering corresponderende schuld in aanmerking worden genomen; c. de rente van de met de schuldvordering corresponderende schuld niet tot vermindering van het inkomen uit werk en woning dan wel inkomen uit aanmerkelijk belang heeft geleid en d. zowel de schuldeiser als de schuldenaar binnenlands belastingplichtige is. 1. Met betrekking tot op 31 december 2000 gerijpte doch nog niet genoten termijnen van huren, pachten en renten van schuldvorderingen die op grond van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals die luidden op 31 december 2000 niet tot het vermogen van een onderneming behoorden, blijven de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, van die Wet, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing. Indien de in de eerste volzin bedoelde termijnen betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste één jaar is – uitsluitend voor het jaar 2001 artikel 42b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing. 2. Wet inkomstenbelasting 2001 De op basis van het eerste lid bepaalde inkomsten uit vermogen worden voor de toepassing van deaangemerkt als inkomen uit werk en woning. 3. Onderdeel AK, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 1. Met betrekking tot op 31 december 2000 nog niet lopende termijnen van huren, pachten en renten van schuldvorderingen die op 31 december 2000 als een zelfstandig vermogensbestanddeel worden aangemerkt en die op grond van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals die luidden op 31 december 2000 niet tot het vermogen van een onderneming behoorden, blijven de bepalingen van Hoofdstuk II, afdeling 3, van die Wet, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing. 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de inkomsten uit vermogen gesteld op het bedrag dat ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten in aanmerking zou zijn genomen indien de nog niet lopende termijn op 31 december 2000, tegen de waarde in het economische verkeer die daar op dat moment aan zou kunnen worden toegekend, zou zijn vervreemd. 3. Wet inkomstenbelasting 2001 De op basis van het eerste en tweede lid bepaalde inkomsten uit vermogen worden voor de toepassing van deaangemerkt als inkomen uit werk en woning. 1. Artikel 3.119a, zesde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a is niet van toepassing op schulden die zijn aangegaan ter betaling van renten van schulden als bedoeld in, voor zover: a. deze renten van schulden betrekking hebben op de periode waarin de eigen woning in aanbouw is en b. artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de woning op 1 januari 2001 ten aanzien van de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden reeds een eigen woning is als bedoeld in. 2. Artikel 3.119a, zesde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op renten van op 31 december 2000 bestaande schulden die zijn aangegaan ter betaling van kosten die verband houden met het oversluiten van schulden die zijn aangegaan ter verwerving dan wel voor verbetering of onderhoud van een woning die op 1 januari 2001 ten aanzien van de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden een eigen woning is als bedoeld in. 1. afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing vanwordt tot 1 januari 2031 met de eigendom van een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is tot woning gelijkgesteld de eigendom van de binnenkant van een woning, terwijl het casco en de ondergrond worden gehuurd, mits deze eigendom door de belastingplichtige voor 1 januari 2001 is verworven van de verhuurder en vanaf de verwerving het geheel hem anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. 2. artikel 3112, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de toepassing vanin deze gevallen. 1. artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Met betrekking tot de winst die ingevolgein het jaar 2001 ter beschikking wordt gesteld van de aandeelhouders en houders van bewijzen van deelgerechtigdheid, blijven de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing, voorzover deze winst is toe te rekenen aan de vervreemding van aandelen in een vennootschap – direct of indirect – aan die vennootschap of aan liquidatie van een vennootschap. 2. Wet inkomstenbelasting 2001 De op basis van het eerste lid bepaalde inkomsten uit vermogen worden voor de toepassing van deaangemerkt als inkomen uit werk en woning. 1. Voor de bepaling van het inkomen uit een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering waarbij een kapitaal is verzekerd, blijven de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing zoals die luidden op 31 december 2000. De eerste volzin is niet van toepassing indien: a. voor de levensverzekering vanaf de eerste premiebetaling jaarlijks premies zijn voldaan waarbij de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste, of b. voor de levensverzekering ten minste vijftien jaar jaarlijks premies zijn voldaan waarbij de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste, of c. de levensverzekering voldoet aan het bepaalde in artikel 76 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waardoor de rente begrepen in een kapitaalsuitkering niet tot de inkomsten uit vermogen in de zin van die wet hoort, of d. artikel 3.91, tweede lid, onderdeel a, onder 2° artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 sprake is van een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in, dan wel. 2. De rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die volgens de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen tot de inkomsten behoort, wordt voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als inkomen uit werk en woning. 3. Belastingregeling voor het Koninkrijk Indien de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, de begunstigde anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, wordt een in onderdeel AL, eerste lid, eerste volzin, bedoelde levensverzekering geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde en de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip van de verzekering. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de verzekeringnemer respectievelijk de begunstigde voor de toepassing van de, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 De rente begrepen in een op of na 1 januari 2001 genoten kapitaalsuitkering uit levensverzekering ter zake van een in onderdeel AL, eerste lid, tweede volzin, bedoelde levensverzekering – voor zover deze rente volgens de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidden op 31 december 2000, tot de inkomsten uit vermogen zou worden gerekend – wordt voor de toepassing van dein aanmerking genomen als inkomen uit werk en woning. Artikel 25, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, is daarbij van overeenkomstige toepassing. 2. artikel 3.116 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.4 van die wet Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van een levensverzekering die op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner met ingang van de inwerkingtreding van deze wet wordt aangemerkt als kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 december 2012, of. Op het verzoek, dat uiterlijk bij de aangifte over het kalenderjaar 2001 moet worden gedaan, kan niet worden teruggekomen. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de kapitaalsuitkering uit levensverzekering gesteld op: a. artikel 3.91 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.91 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001 indien sprake is van een levensverzekering die op grond vanofals een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel wordt aangemerkt: de waarde in het economische verkeer van de levensverzekering op de datum waarop de levensverzekering op grond vanofals een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel wordt aangemerkt; b. Wet inkomstenbelasting 2001 indien sprake is van een levensverzekering die voordelen uit sparen en beleggen in de zin van degenereert: maximaal € 123 428, dan wel, indien dit hoger is, de waarde in het economische verkeer op 31 december 2000. 4. Voor de toepassing van het eerste lid worden premies die na 31 december 2000 zijn voldaan niet in aanmerking genomen, met dien verstande dat: a. indien het derde lid, onderdeel a, toepassing vindt, de premies die zijn voldaan vanaf het moment dat de levensverzekering als een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel wordt aangemerkt, niet in aanmerking worden genomen; b. indien op grond van het derde lid, onderdeel b, de kapitaalsuitkering wordt gesteld op maximaal € 123 428, de premies die zijn voldaan vanaf het moment dat de waarde in het economische verkeer van de levensverzekering ten minste € 123 428 bedraagt, niet in aanmerking worden genomen; c. indien op grond van het zesde lid de kapitaalsuitkering wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de levensverzekering op de datum waarop de vrijstelling, bedoeld in onderdeel AN, niet of niet meer van toepassing is, de premies die vanaf deze datum zijn voldaan, niet in aanmerking worden genomen. 5. artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien op grond van het eerste lid terzake van een op of na 1 januari 2001 genoten kapitaalsuitkering uit levensverzekering inkomen uit werk en woning in aanmerking wordt genomen, wordt dit voordeel, uitsluitend voor de toepassing van, niet aangemerkt als inkomen uit werk en woning. 6. In afwijking in zoverre van het derde lid, onderdeel b, wordt de kapitaalsuitkering uit een levensverzekering die niet of niet meer in aanmerking komt voor de vrijstelling, bedoeld in onderdeel AN, en waarvan de waarde in het economische verkeer op 31 december 2000 niet hoger is dan € 123 428, gesteld op de waarde in het economische verkeer van de levensverzekering op 1 januari 2001 onderscheidenlijk de datum waarop de vrijstelling, bedoeld in onderdeel AN, niet meer van toepassing is. 7. In afwijking in zoverre van het eerste lid zijn de minimumtermijnen voor het jaarlijks voldoen van premies, bedoeld in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, niet van toepassing. 1. artikel 5.3, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Tot de bezittingen, bedoeld inbehoren niet rechten op kapitaalsuitkeringen uit op 14 september 1999 bestaande levensverzekeringen tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 123 428. 2. Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17 van die wet Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner in de zin van deheeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 246 856 gesteld. 3. Het eerste lid is alleen van toepassing indien na 13 september 1999: a. het verzekerd kapitaal niet is verhoogd en b. de looptijd van de levensverzekering niet is verlengd. 4. Het eerste lid is met ingang van 14 september 2029 niet meer van toepassing. 1. artikel 10bis.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien ingevolge onderdeel AM, tweede lid, een op 31 december 1991 bestaande levensverzekering waarbij een kapitaal is verzekerd als bedoeld in onderdeel AL, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onderdeel c, en waarvan het verzekerde kapitaal nadien niet is verhoogd wordt aangemerkt als kapitaalverzekering eigen woning, wordt bij de gerechtigde tot de uitkering het op grond vanbepaalde bedrag verhoogd met de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het moment dat deze als kapitaalverzekering eigen woning wordt aangemerkt. 2. Met betrekking tot een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering ter zake waarvan op enig moment wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning is: a. artikel 10bis.11, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing; b. artikel 10bis.4, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor zover het betreft de voorwaarde dat de hoogste premie niet meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie, niet van toepassing; c. artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel c , niet van toepassing indien de rente begrepen in de kapitaalsuitkering op grond van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidden op 31 december 2000, zou zijn vrijgesteld. 3. artikel 10bis.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kapitaalverzekering eigen woning: een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in. 1. artikel 10bis.6, eerste en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien bij een belastingplichtige in de kalenderjaren 1992 tot en met 2000 een kapitaalsuitkering uit levensverzekering in aanmerking is genomen waarop artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, worden de ingenoemde bedragen en het in onderdeel AN, eerste lid, genoemde bedrag verminderd. De vermindering is gelijk aan het bedrag van de kapitaalsuitkering uit levensverzekering ter zake waarvan de daarin begrepen rente op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet tot de inkomsten uit vermogen is gerekend. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een kapitaalsuitkering uit levensverzekering na 31 december 2000 ter zake van een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering, tenzij de levensverzekering met ingang van 1 januari 2001 als kapitaalverzekering eigen woning wordt aangemerkt. 3. artikel 10bis.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.7 van die wet Voor de toepassing van onderdeel AL, eerste lid, eerste volzin, alsmede onderdeel AM worden de in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, genoemde bedragen verminderd met het bedrag aan uitkeringen uit een levensverzekering dat op grond vanniet tot het inkomen uit werk en woning heeft behoord, alsmede met het bedrag aan tegoeden van een spaarrekening eigen woning die en aan waarden van een beleggingsrecht eigen woning die op grond vanniet tot het inkomen uit werk en woning hebben behoord. 4. artikel 10bis.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.7 van die wet Het in onderdeel AN, eerste lid, genoemde bedrag wordt verminderd met het bedrag aan uitkeringen uit een levensverzekering dat op grond vanniet tot het inkomen uit werk en woning heeft behoord, alsmede met het bedrag aan tegoeden van een spaarrekening eigen woning die en aan waarden van een beleggingsrecht eigen woning die op grond vanniet tot het inkomen uit werk en woning hebben behoord. 5. artikel 10bis.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.7 van die wet Indienmet betrekking tot een levensverzekering of viamet betrekking tot een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning van de belastingplichtige toepassing vindt, worden de in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde bedragen ten aanzien van hem verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde en vierde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van artikel 10bis.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op deze verzekering of van artikel 10bis.7 van die wet op deze spaarrekening of dit beleggingsrecht. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17 van die wet Voor de toepassing van de onderdelen AL, AM, AO en AP wordt, indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner in de zin van deheeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner een uitkering uit kapitaalverzekering bij leven geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen. 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan in de aangifte over het jaar waarin de kapitaalverzekering tot uitkering is gekomen. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. a. met betrekking tot geldleningen die voor 1 januari 1996 zijn verstrekt; b. met betrekking tot geldleningen die na 31 december 1995 zijn verstrekt aan een natuurlijk persoon die voor 1 januari 1996 voor zijn rekening een onderneming dreef, tenzij de inspecteur op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft verklaard dat de beginnende ondernemer heeft doen blijken dat de geldlening niet kan worden beschouwd als vervanging van een voor 1 januari 1996 verstrekte geldlening; c. met betrekking tot aandelen en winstbewijzen die voor 1 januari 1996 zijn uitgegeven. 1. artikel 6.20, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor het kalenderjaar 2001 wordtgelezen als volgt: b. in de kalenderjaren 1999 en 2000 bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige of dat van zijn niet duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot uitgaven als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die wet luidde op 31 december 1999 respectievelijk 31 december 2000, in aanmerking zijn genomen. 2. artikel 6.20, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor het kalenderjaar 2002 wordtvoorzover dit onderdeel ziet op het kalenderjaar 2000, gelezen als volgt: b. in het jaar 2000 bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige of dat van zijn niet duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot uitgaven als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die wet luidde op 31 december 2000, in aanmerking zijn genomen. 1. artikel 6.22, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor het kalenderjaar 2001 wordtgelezen als volgt: 1. Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen worden in aanmerking genomen indien in de kalenderjaren 1999 en 2000 bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige of dat van zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot uitgaven als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die wet luidde op 31 december 1999 respectievelijk 31 december 2000, in aanmerking zijn genomen die voor ten minste een derde deel kunnen worden toegerekend aan een of meer kinderen of pleegkinderen die bij het begin van het kalenderjaar jonger zijn dan 27 jaar en door de belastingplichtige in belangrijke mate worden onderhouden. 2. artikel 6.22, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor het kalenderjaar 2002 wordtvoorzover dit lid ziet op het kalenderjaar 2000, gelezen als volgt: 1. Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen worden in aanmerking genomen indien in het kalenderjaar 2000 bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige of dat van zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot uitgaven als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die wet luidde op 31 december 2000, in aanmerking zijn genomen die voor ten minste een derde deel kunnen worden toegerekend aan een of meer kinderen of pleegkinderen die bij het begin van het kalenderjaar jonger zijn dan 27 jaar en door de belastingplichtige in belangrijke mate worden onderhouden. 1. afdeling 6.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing vanworden in de kalenderjaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 renten van schulden, voorzover deze renten verband houden met schulden die op 31 december 2000 bestaan en zijn aangegaan ter bekostiging van uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit, mede als buitengewone uitgaven aangemerkt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden schulden geacht te zijn aangegaan ter bekostiging van uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit indien de renten van deze schulden volgens de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidden op 31 december 2000, op grond van artikel 45, vijfde lid, onder 3°, als persoonlijke verplichtingen zouden zijn aangemerkt. 2. Artikel 6.40 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde renten van schulden. 3. artikel 5.3, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Schulden waarvan de renten op grond van het eerste lid als buitengewone uitgaven worden aangemerkt, worden voor de toepassing van, niet als schuld aangemerkt. 1. afdeling 6.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing vanworden in de kalenderjaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 renten van schulden, voorzover deze renten verband houden met schulden die op 31 december 2000 bestaan en zijn aangegaan ter bekostiging van uitgaven ter zake van een opleiding of studie voor een beroep, mede als scholingsuitgaven aangemerkt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden schulden geacht te zijn aangegaan ter bekostiging van uitgaven ter zake van een opleiding of studie voor een beroep indien de renten van deze schulden volgens de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidden op 31 december 2000, op grond van artikel 45, vijfde lid, onder 2°, als persoonlijke verplichtingen zouden zijn aangemerkt. 2. Artikel 6.40 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde renten van schulden. 3. artikel 5.3, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Schulden waarvan de renten op grond van het eerste lid als scholingsuitgaven worden aangemerkt, worden voor de toepassing van, niet als schuld aangemerkt. 1. afdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing vanworden tot 1 januari 2021 steeds als andere giften in aanmerking genomen de niet onder artikel 6.38 van die wet vallende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel c, van genoemde wet die worden verstrekt krachtens een op 27 februari 1981 bestaande notariële akte van schenking. 2. artikel 6.39, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De ingenoemde grens van 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt verhoogd met het bedrag van de rechtstreeks of krachtens het eerste lid van dit onderdeel onder artikel 6.39, eerste lid, van die wet vallende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel c, van genoemde wet die worden verstrekt krachtens een op 27 februari 1981 bestaande notariële akte van schenking. 1. Wet inkomstenbelasting 2001 Bij de toepassing van devoor de kalenderjaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 wordt de algemene heffingskorting tijdelijk verhoogd voor de belastingplichtige die: a. belastbare winst uit onderneming geniet terwijl de zelfstandigenaftrek voor hem niet geldt; b. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden geniet, of c. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen geniet. 2. De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting bedraagt {(Ba – LB)/Ba} x {Bb – 1,25 x (Bb – 0,1 x H)}, maar niet meer dan M, waarbij Ba voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning zonder rekening te houden met de heffingskorting voor de inkomstenbelasting; LB voorstelt: de loonbelasting die ingehouden zou zijn indien geen rekening zou zijn gehouden met de heffingskorting voor de loonbelasting; Bb voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en vóór toepassing van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting; artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 H voorstelt: de heffingskorting voor de inkomstenbelasting zonder toepassing van de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen, de toetrederskorting en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van; en M voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting vóór toepassing van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, en verminderd met het bedrag van de met de aanslag te verrekenen voorheffingen voorzover die betrekking hebben op het belastbare inkomen uit werk en woning. Indien de berekening van het deel van de berekeningsformule dat (Bb – 0,1 x H) voorstelt tot een negatief bedrag leidt, wordt dat bedrag op nihil gesteld. 3. Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de belastingplichtige met een partner in de zin van dedie niet in aanmerking komt voor de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt, indien hij een belastbaar inkomen uit werk en woning heeft dat minder bedraagt dan het in de tweede volzin vermelde bedrag, bij de toepassing van het tweede lid voor de toepassing van de factoren Bb en M de verschuldigde belasting niet verminderd met de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en wordt de factor 0,1 vervangen door 1. Het in de eerste volzin bedoeld bedrag bedraagt voor het kalenderjaar 2001 € 4395, voor het kalenderjaar 2002 € 5239, voor het kalenderjaar 2003 € 5582, voor het kalenderjaar 2004 € 5 921en voor het kalenderjaar 2005 € 6 199. 4. Voor het kalenderjaar 2001 bedraagt de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting 100% van de op grond van de voorgaande leden berekende tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting . Voor het jaar 2002 bedraagt dit percentage 80%, voor het jaar 2003 60%, voor het jaar 2004 47% en voor het jaar 2005 23,5%. 5. Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen wordt in dit artikel verstaan onder: a. loonbelasting: het gezamenlijke bedrag van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen; b. belasting op inkomen uit werk en woning: het gezamenlijke bedrag van de belasting op inkomen uit werk en woning en de premie voor de volksverzekeringen; c. heffingskorting voor de inkomstenbelasting: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en de heffingskortingen voor de volksverzekeringen; d. de heffingskorting voor de loonbelasting: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting en de heffingskortingen voor de volksverzekeringen. 6. Artikel 8.7, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op het deel van de standaardheffingskorting dat betrekking heeft op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. 1. artikelen 5.13 5.14 8.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van de,enbehoren mede tot groene beleggingen, beleggingen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 2000. 2. artikel 5.13, eerste en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Met betrekking tot groene beleggingen die op 31 december 2000 bestonden en op dat tijdstip tot het vermogen van de belastingplichtige behoorden of daarna krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door hem verkregen zijn, blijven de maxima, bedoeld in, buiten toepassing. 3. Het tweede lid is met ingang van 1 januari 2011 niet meer van toepassing. artikel 3.79 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 15, derde lid De stakingsaftrek vanen onderdeel B is ten aanzien van de ondernemer die op de voet van, of artikel 17 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een onderneming voortzet of mede voortzet ten aanzien van die onderneming slechts van toepassing indien deze langer dan drie jaren voor zijn rekening is gedreven. Dit onderdeel is nog niet in werking getreden. artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 70 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, is van overeenkomstige toepassing bij het toepassen van. artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 70b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, is van overeenkomstige toepassing bij het toepassen van. Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 70a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, en hetgeen krachtens dat artikel is bepaald, blijft van overeenkomstige toepassing onder de. Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 80b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, blijft van overeenkomstige toepassing voor de. Vervallen. artikel 3.129, eerste en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing vanbehoren mede tot de reeds opgebouwde voorzieningen de bedragen die op grond van artikel 45a, tweede tot en met vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die bepalingen luidden vóór 1 januari 2001, in de voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen. artikel 3.130, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de kalenderjaren 2001 en 2002 wordt de inbedoelde termijn van zes maanden vervangen door een termijn van twaalf maanden. artikel 81, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Uitkeringen ingevolgedie voortvloeien uit aanspraken op uitkeringen ingevolge artikel 59a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet zoals die wet luidde op 31 december 1997, behoren tot de inkomsten in de vorm van aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling. artikel 3.146, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 39 van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing vanisvan overeenkomstige toepassing. Vervallen. Vervallen. Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van deworden vermogensbestanddelen die uitsluitend op grond van de onderdelen AE, AF of AI tot een aanmerkelijk belang behoren, aangemerkt als een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.11 van die wet. artikel 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 Voor zover per 31 december 2000 een woning de belastingplichtige niet meer anders dan tijdelijk ter beschikking staat als hoofdverblijf, maar zijn gewezen partner wel, wordt de termijn als genoemd ingeacht te zijn aangevangen op 1 januari 2001. artikel 10bis.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De termijn van op 31 december 2000 bestaande schulden die zijn aangegaan ter verwerving dan wel voor verbetering of onderhoud van een eigen woning wordt voor de toepassing vangeacht te zijn aangevangen op 1 januari 2001. artikel 5.3, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Besluit particuliere participatiemaatschappijen Tot de bezittingen, bedoeld inbehoren niet aandelen in en winstbewijzen van bij hetaangewezen participatiemaatschappijen tot een bedrag van maximaal €11 345. artikelen 5.17 5.18 6.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 De,enzijn niet van toepassing: Wet inkomstenbelasting 2001 Wet op de loonbelasting 1964 De in de, in deen in deze wet vermelde guldensbedragen vervallen met ingang van 1 januari 2002, met inbegrip van de guldentekens en de haakjes. Zonodig past Onze Minister de opmaak van tabellen daaraan aan. artikel 5.14, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Tot de projecten, bedoeld in, behoren mede projecten die als zodanig zijn aangewezen op grond van artikel 26, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel II — Artikel II Overgangsrecht loonbelasting#
Artikel II Overgangsrecht loonbelasting 1 Uitkeringen en verstrekkingen die na 31 december 2000 worden toegekend ter zake van vóór 1 januari 2001 ingevolge een premiespaarregeling ingehouden spaargelden, behoren niet tot het loon, voorzover zij over ieder kalenderjaar waarin de werknemer overeenkomstig die regeling heeft gespaard, niet meer bedragen dan het voor het desbetreffende jaar geldende maximum. 2 artikel 16b van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor het kalenderjaar 2001 geldt, in afwijking in zoverre van, als vrije vergoeding ter zake van regelmatig woon-werkverkeer ten hoogste een bedrag van € 0,27 per afgelegde kilometer, ingeval aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de arbeidsplaats gemeten langs de meest gebruikelijke weg beloopt meer dan 10 kilometer; b. de werknemer pleegt te reizen met een niet door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde auto en hij pleegt daarbij krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige, dan wel van de inhoudingsplichtige en een of meer andere inhoudingsplichtigen, over een afstand van meer dan 10 kilometer voor zowel de heen- als de terugreis tevens een of meer andere werknemers te vervoeren en c. de werknemer is het in onderdeel b bedoelde vervoer overeengekomen in een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met de in onderdeel b bedoelde inhoudingsplichtigen en andere werknemers. 3 artikel 11, eerste lid, onderdeel s artikel 16b van de Wet op de loonbelasting 1964 Met betrekking tot regelmatig woon-werkverkeer ter zake waarvan een vergoeding op grond van het tweede lid tot de vrije vergoedingen is gerekend, zijn ten aanzien van de werknemer en de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde andere werknemers, enniet van toepassing. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede lid. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2002
Artikel IIA — Artikel IIA Coördinatiewet sociale verzekering Overgangsrecht#
Artikel IIA Coördinatiewet sociale verzekering Overgangsrecht artikel 6, eerste lid, onderdelen i en s, en zesde, zevende en achtste lid van de Coördinatiewet sociale verzekering Artikel II is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel III — Artikel III Overgangsrecht omzetbelasting#
Artikel III Overgangsrecht omzetbelasting 1 De omzetbelasting die na 31 december 2000 verschuldigd wordt ter zake van leveringen en diensten die worden verricht vóór of op deze datum, wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht. 2 In geval omzetbelasting vóór 1 januari 2001 verschuldigd is ter zake van leveringen en diensten die worden verricht op of na deze datum, wordt hetgeen meer verschuldigd zou zijn geweest indien de belasting zou zijn berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht, alsnog verschuldigd op 1 januari 2001. 3 In geval een ondernemer ingevolge een vóór 1 januari 2001 gesloten overeenkomst na 31 december 2000 een onroerende zaak levert of een werk in onroerende staat oplevert tegen een vergoeding welke vervalt in termijnen, blijft ten aanzien van het gedeelte van de vergoeding dat gelijk is aan de som van de termijnen die op grond van die overeenkomst vóór 1 januari 2001 zijn vervallen, de verhoging van de omzetbelasting van 17,5% tot 19% buiten toepassing. 4 artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 In geval een ondernemer na 31 december 2000 een onroerende zaak levert in de zin van, welke onroerende zaak ingevolge een vóór 1 januari 2001 gesloten overeenkomst in opdracht is vervaardigd onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond is begrepen, blijft de verhoging van de omzetbelasting van 17,5% tot 19% buiten toepassing ten aanzien van het gedeelte van de vergoeding dat gelijk is aan de som van de termijnen die op grond van die overeenkomst vóór 1 januari 2001 zijn vervallen en de in de vergoeding begrepen kosten van de vóór die datum ter beschikking gestelde stoffen. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel IV — Artikel IV Overgangsrecht vennootschapsbelasting#
Artikel IV Overgangsrecht vennootschapsbelasting A Sanctiebepaling participatiemaatschappijen artikel 23b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 23b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Wet inkomstenbelasting 2001 Voorzover de periode tussen het niet meer voldoen aan de voorwaarden en het intrekken van de aanwijzing, bedoeld in, is gelegen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deis, in afwijking van dat artikel,, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de, van overeenkomstige toepassing. B Winstuitdelingen 1. artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien een aan de heffing van de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam tijdens de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 winstuitdelingen verricht die in enig kalenderjaar in totaal uitgaan boven het volgens het tweede lid berekende bedrag, wordt de over het boekjaar waarin 31 december van dat kalenderjaar valt door dat lichaam verschuldigde belasting die is berekend op de voet van, vermeerderd met 20 percent van het verschil tussen de verrichte winstuitdelingen en het volgens tweede lid berekende bedrag. 2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt gesteld op de hoogste van de volgende bedragen: a. 4% van de waarde in het economische verkeer bij het begin van het kalenderjaar van de geplaatste aandelen of de in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid van het lichaam; b. twee maal het bedrag van de winstuitdelingen die door het lichaam, volgens een bestendige gedragslijn, gedurende de drie kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan 1 januari 2001 per jaar gemiddeld zijn verricht; c. artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het bedrag van de winst die ingevolge, aan de aandeelhouders en houders van bewijzen van deelgerechtigdheid van het lichaam ter beschikking wordt gesteld, behoudens voorzover deze winst betrekking heeft op: 1°. realisatie van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van de vermogensbestanddelen bij het einde van het boekjaar dat eindigt voor 1 januari 2001; 2°. artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toevoegingen uit de herbeleggingsreserve die is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens, voorzover die reserve aanwezig was aan het einde van het laatste boekjaar dat eindigt voor 1 januari 2001; d. artikel 362, derde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het resultaat in de zin vanvan het voorafgaande boekjaar volgens de openbaar gemaakte jaarrekening of, indien de geconsolideerde jaarrekening openbaar is gemaakt, volgens de geconsolideerde jaarrekening, behoudens voorzover het resultaat betrekking heeft op hetgeen hierna in het negende lid is aangeduid. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven: a. met betrekking tot het vaststellen van de bestendige gedragslijn; b. voor het geval dat op het lichaam in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 niet dezelfde bepalingen voor het bepalen van de winst van toepassing zijn als gedurende de drie jaren die onmiddellijk voorafgaan aan het jaar 2001; c. voor het geval het lichaam een boekjaar heeft of heeft gehad van korter dan twaalf maanden, is opgericht na 1 januari 1998, na 1 januari 1998 nieuwe aandelen heeft uitgegeven of gaat uitgeven, of in het kader van een fusie of splitsing onder algemene titel vermogen verkrijgt. 4. artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De op grond van het eerste lid verschuldigde belasting wordt met een evenredig gedeelte verminderd voorzover het lichaam aannemelijk maakt dat de aandelen in dan wel bewijzen van deelgerechtigdheid van het lichaam op het tijdstip van de winstuitdeling gedurende een ononderbroken periode van ten minste drie jaar worden gehouden door natuurlijke personen of lichamen niet zijnde beleggingsinstellingen in de zin van– die voor tenminste vijf percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder zijn, respectievelijk ten minste vijf percent bezitten van het aantal in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid. Aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die op 14 september 1999 werden gehouden door in de eerste volzin bedoelde personen of lichamen worden geacht op die datum reeds gedurende een onafgebroken periode van drie jaren door deze personen te worden gehouden. Indien de aandelen in de belastingplichtige onmiddellijk voor minder dan vijf percent worden gehouden door een andere vennootschap, maar alle aandelen in de belastingplichtige middellijk of onmiddellijk gedurende een ononderbroken periode van 3 jaar worden gehouden door een vennootschap waarmee de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid in de zin van, worden alle aandelen in de belastingplichtige geacht te worden gehouden door in de eerste volzin bedoelde lichamen. 5. artikel 3 van de Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 3b van de Wet op de dividendbelasting 1964 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winstuitdelingen verstaan al hetgeen voor de uiteindelijk gerechtigde daarvan op de voet vantot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van, of winstdelende obligaties van dat lichaam behoort. Voor de toepassing van de eerste volzin blijftbuiten toepassing. De tweede volzin is niet van toepassing met betrekking tot een beleggingsinstelling waarvoor het tenminste vanaf 14 september 1999 – bij oprichting na die datum: vanaf de oprichtingsdatum reeds gebruik was om aangeboden eigen aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in te kopen teneinde de koers van haar aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid te stabiliseren op de intrinsieke waarde, indien de beleggingsinstelling uitsluitend in verband met dit gebruik aangeboden eigen aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid tegen contanten inkoopt, doch slechts ingeval het initiatief tot de inkoop niet kan worden toegerekend aan de beleggingsinstelling of een daarmee verbonden vennootschap. 6. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover de tijdens de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 verrichte winstuitdelingen in totaliteit meer bedragen dan het saldo van de bezittingen, schulden en voorzieningen, berekend naar de waarde in het economische verkeer, verminderd met het gestorte kapitaal aan het einde van het laatste boekjaar dat eindigt voor 1 januari 2001. 7. Over het gedeelte van de winstuitdeling dat ingevolge het eerste en vierde lid leidt tot een vermeerdering van de verschuldigde vennootschapsbelasting, kan het lichaam inhouding van dividendbelasting achterwege laten. 8. Het vierde en zevende lid zijn niet van toepassing, voorzover de aandeelhouders of deelgerechtigden niet woonachtig of gevestigd zijn in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, een lidstaat van de Europese Unie, of een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten. 9. Het in het tweede lid, onderdeel d, bedoelde deel van het resultaat dat buiten beschouwing blijft, is: a. het resultaat dat betrekking heeft op het verschil tussen enerzijds de waarde in het economische verkeer van de bezittingen, schulden en voorzieningen en anderzijds de boekwaarde daarvan op de balans volgens de in dat onderdeel bedoelde jaarrekening aan het einde van het laatste boekjaar dat eindigt voor 1 januari 2001 of – indien voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, het voorafgaande boekjaar betreft het boekjaar dat eindigt voor 1 januari 2001 – het laatste boekjaar dat eindigt voor 1 januari 2000, voorzover dat resultaat voortvloeit uit de vervreemding of overgang onder algemene titel van activiteiten of vermogensbestanddelen; b. het resultaat uit een deelneming voorzover dat meer bedraagt dan het resultaat van de deelneming. Daarbij wordt het resultaat van de deelneming opgevat volgens het tweede lid, onderdeel d, in samenhang met dit lid. 10. De belastingplichtige die voornemens is een winstuitdeling te doen die uitgaat boven het op de voet van het tweede lid berekende bedrag en die zekerheid wil hebben over de waarde van het in het zesde lid genoemde saldo, kan daartoe een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Het verzoek wordt gedaan ten minste zes weken voor de voorgenomen winstuitdeling, onder overlegging van de voor de beoordeling van het verzoek relevante bescheiden. 11. artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Dit artikel wordt ten aanzien van een vennootschap die deel uitmaakt van een fiscale eenheid in de zin van, toegepast alsof deze zelfstandig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. C Herwaardering onroerende zaken bij buitenlands belastingplichtigen artikel 17 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien het binnenlandse inkomen uit een onroerende zaak bij een buitenlandse belastingplichtige wordt bepaald op de voet vanin verbinding met artikel 49, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, wordt de onroerende zaak onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2001 te boek gesteld voor de waarde in het economische verkeer. D Terugkeer uit de BV artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 14c, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien de onderneming van een vennootschap als bedoeld indoor die vennootschap wordt gedreven als gevolg van de omzetting met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van de onderneming van een in het genoemdebedoelde aandeelhouder of houder van winstbewijzen, en de voorovereenkomst of de intentieverklaring tot die omzetting is gesloten respectievelijk opgesteld op of na 27 juni 2000, maar voor 1 januari 2001, kunnen, in afwijking in zoverre van, tevens nadere voorwaarden worden gesteld voor de berekening van de in artikel 3.54a bedoelde terugkeerreserve. E Toepassing herinvesteringsreserve bij fiscale eenheid artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 3.54 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 Indien aan een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij die een eenheid vormen in de zin van, voor het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige wet op de voet van het derde lid van dat artikel een voorwaarde is gesteld met betrekking tot transacties binnen die eenheid ten gevolge waarvan de samenstelling van het vermogen van de dochtermaatschappij is gewijzigd, vindt deze voorwaarde ter zake van een in die voorwaarde bedoelde vervangingsreserve in de zin van artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 overeenkomstig toepassing ter zake van een herinvesteringsreserve in de zin van. 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 01-01-2005
Artikel VI — Artikel VI Overig overgangsrecht#
Artikel VI Overig overgangsrecht A. Toepassing Wet op de inkomstenbelasting 1964 en Wet op de vermogensbelasting 1964 op belastingjaren vóór 2001 B. Toepassing Algemene wet inzake rijksbelastingen en Invorderingswet 1990 op belastingaanslagen onder oud recht C. Toepassing regels omtrent aanpassing verkrijgingsprijs en vermindering conserverende aanslagen op aanslagen ter zake van vervreemdingen onder oud recht De Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vermogensbelasting 1964 blijven van toepassing met betrekking tot belastingjaren vóór 1 januari 2001. Algemene wet inzake rijksbelastingen Invorderingswet 1990 Deen dezoals deze wetten luidden op 31 december 2000 blijven van toepassing op de belasting die is verschuldigd ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 of de Wet op de vermogensbelasting 1964. Artikel 4.25, vierde en vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op aanslagen bij de vaststelling waarvan artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, onderscheidenlijk artikel 49, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is toegepast. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen IV, XII en XIII (afd. A, hfd. 1), III (afd. B, hfd. 1), I, II, IV, VI (hfd 2) en IA, II (hfd. 3) in werking treden.
Artikel I — Artikel I Nummering#
Artikel I Nummering Wet inkomstenbelasting 2001 Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de plaatsing in het Staatsblad brengt Onze Minister van Financiën de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van demet de nieuwe nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van de, bedoeld in artikel 11.2 van die wet, in overeenstemming. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel IA — Artikel IA Evaluatie#
Artikel IA Evaluatie 1 Wet inkomstenbelasting 2001 Onze Minister van Financiën zendt in het jaar 2005 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dein de praktijk. In dat verslag wordt afzonderlijk aandacht besteed aan de ontwikkeling van de heffingsgrondslag in het algemeen en die van het inkomen uit sparen en beleggen in het bijzonder. 2 Onze Minister van Financiën zendt in het jaar 2003 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artiesten- en beroepssportersregeling voor de heffing van de loonbelasting in de praktijk. In dat verslag wordt afzonderlijk aandacht besteed aan de werking van de kostenvergoedingsbeschikking in de praktijk. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen IV, XII en XIII (afd. A, hfd.
1), III (afd. B, hfd. 1), I, II, IV, VI (hfd 2) en IA, II (hfd.
3) in werking treden.
Artikel II — Artikel II Inwerkingtreding#
Artikel II Inwerkingtreding 1 Wet Inkomstenbelasting 2001 Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AF, tweede lid Deze wet en detreden in werking met ingang van 1 januari 2001 met uitzondering van, dat in werking treedt op 31 december 2000. 2 hoofdstuk 2, artikel 1, onderdelen Dc en Dd In afwijking van het eerste lid, treedt, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat zo nodig terugwerkende kracht kan hebben tot 1 januari 2001. 3 Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 Treedt in werking als de artikelen IV, XII en XIII (afd. A, hfd.
1), III (afd. B, hfd. 1), I, II, IV, VI (hfd 2) en IA, II (hfd.
3) in werking treden. 2000 569 27-12-2000 14-12-2000 27431 2000 569 27-12-2000 14-12-2000 27431 01-01-2001