Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)
- BWB-id
- BWBR0011453
- Type
- Wet
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011453
- ELI
- /eli/nl/wet/2000/wet-studiefinanciering-2000
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2000/wet-studiefinanciering-2000/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011453&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011453&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011453/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2000/wet-studiefinanciering-2000
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: achterstallige schuld artikel 6.8 : achterstallige schuld als bedoeld in, afsluitend examen : associate degree-opleiding artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW : opleiding als bedoeld in, waaraan accreditatie als bedoeld inis verleend, bacheloropleiding artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW : opleiding als bedoeld in, die is geaccrediteerd als bedoeld in, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan, belastbaar minimumloon artikel 6.1a : belastbaar minimumloon als bedoeld in, beroepsonderwijs artikel 7.2.7, derde lid, WEB artikel 2.13a : opleiding als bedoeld inen als bedoeld in, collegegeldkrediet : lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs, debiteur artikel 6.1a : degene die zich krachtensheeft verplicht tot terugbetaling, diplomatermijn beroepsonderwijs artikel 4.9 : termijn als bedoeld in, diplomatermijn hoger onderwijs artikel 5.5 : termijn als bedoeld in, hoger beroepsonderwijs WHW : hoger beroepsonderwijs in de zin van de, hoger onderwijs paragraaf 2.3 artikel 2.14 : wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld inen in, ho-student : degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde een extraneus, lening : rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift, levenlanglerenkrediet : lening voor betaling van het lesgeld in het beroepsonderwijs of het collegegeld in het hoger onderwijs, masteropleiding artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel c, WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW : opleiding als bedoeld in, die is geaccrediteerd als bedoeld in, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan, mbo-student : degene die beroepsonderwijs volgt, onderwijsnummer : door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, Onze Minister : Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opleiding niveau 1 of 2 : opleiding niveau 3 of 4 : ouder artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek : natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de, ouder zonder partner artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget : ouder die geen partner heeft als bedoeld in, partner artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen : partner als bedoeld in, peiljaar hoofdstuk 6 : tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin vanwordt vastgesteld, prestatiebeurs : rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift, prestatiebeurs beroepsonderwijs artikel 4.6a : prestatiebeurs als bedoeld in, prestatiebeurs hoger onderwijs artikel 5.1 : prestatiebeurs als bedoeld in, reisproduct artikel 3.25 : reisproduct als bedoeld in, reisrecht artikel 3.7, eerste lid : recht om te reizen als bedoeld in, reisvoorziening artikel 3.7 paragraaf 3.7 : voorziening als bedoeld inen, RSR : Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak heeft de digitale administratie van het reisproduct voor studenten te voeren, specialistenopleiding artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, WEB : specialistenopleiding als bedoeld in, student : ho-student of mbo-student, studiefinanciering : door Onze Minister verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat, studiefinancieringstijdvak : kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste 1 kalendermaand is, studiejaar : studiepunt artikel 7.4, eerste lid, WHW : eenheid waarin de studielast, bedoeld in, wordt uitgedrukt, termijnbetaling artikel 6.9 hoofdstuk 10a artikel 10a.6 : bedrag als bedoeld in, of als het een debiteur betreft op wievan toepassing is: bedrag als bedoeld in, thuiswonende student : student die niet een uitwonende student is, toetsingsinkomen artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen : inkomen als bedoeld in, met dien verstande dat voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar, uitwonende student artikel 1.5 : student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in, veronderstelde ouderlijke bijdrage : bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de student wordt verminderd, vervoerbedrijf : rechtspersoon die op grond van een overeenkomst met de Staat als partij of als derde verantwoordelijk is voor de uitvoering van het reisrecht, voltijdse opleiding WHW : opleiding in de zin van de, met uitzondering van deeltijds onderwijs, vreemdeling Vreemdelingenwet 2000 : hetgeen daaronder wordt verstaan in de, WEB Wet educatie en beroepsonderwijs :, wetenschappelijk onderwijs WHW : wetenschappelijk onderwijs in de zin van de, wettelijk collegegeld artikel 7.45 WHW : wettelijk collegegeld als bedoeld in, WHW Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek :. a. hoofdstuk 4 artikel 2.13a artikel 7.4.2 WEB voor wat betrefthet examen, bedoeld in, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in, b. hoofdstuk 5 artikel 2.14 artikel 7.10a WHW voor wat betrefthet examen, bedoeld in, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in, a. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, WEB entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in, en b. artikel 2.13a opleiding buiten Nederland als bedoeld inwaarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2, a. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in, en b. artikel 2.13a opleiding buiten Nederland als bedoeld inwaarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4, a. in het hoger onderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend, b. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend, 2 WHW Onder voltijdse opleiding wordt mede verstaan een duale opleiding in de zin van de. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-01-2024
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Peildatum#
Artikel 1.2 Peildatum Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Voorwaarden omtrent aanvraag#
Artikel 1.3 Voorwaarden omtrent aanvraag Aan welke voorwaarden een aanvraag moet voldoen, kan bij ministeriële regeling worden bepaald. In ieder geval wordt daarbij bepaald dat de aanvrager zijn burgerservicenummer of onderwijsnummer verstrekt. 2009 108 12-03-2009 05-02-2009 30907 2009 135 24-03-2009 10-03-2009 25-03-2009
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Minderjarigheid#
Artikel 1.4 Minderjarigheid Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.5 — Artikel 1.5 Verplichtingen uitwonende student#
Artikel 1.5 Verplichtingen uitwonende student 1 Voor het normbedrag voor een uitwonende student komt in aanmerking de student die voldoet aan de volgende verplichtingen: a. de student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en b. het woonadres van de student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven. 2 artikelen 2.13a 2.14 Op een student die ingevolge deofin aanmerking komt voor studiefinanciering voor een opleiding buiten Nederland is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 1.6 — Artikel 1.6 Inspecteur der rijksbelastingen bepaalt inkomen of loon#
Artikel 1.6 Inspecteur der rijksbelastingen bepaalt inkomen of loon Vervallen 2008 569 29-12-2008 04-12-2008 31566 2008 570 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 1.7 — Artikel 1.7 Gebruik burgerservicenummer of onderwijsnummer#
Artikel 1.7 Gebruik burgerservicenummer of onderwijsnummer 1 Onze Minister gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een student of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts: a. in contacten met die student of debiteur, b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie, c. artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers om de gegevens van die student of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en d. artikel 9.1a in contacten met de toezichthouders, bedoeld in. 2 Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een student of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende student of debiteur, alsmede, voor zover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 1.8 — Artikel 1.8 Awir van toepassing#
Artikel 1.8 Awir van toepassing Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 6 artikelen 9, eerste lid 10, eerste lid Van deisop deze wet van toepassing en zijn de, en, van overeenkomstige toepassing. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Reikwijdte en voorwaarden studiefinanciering#
Artikel 2.1 Reikwijdte en voorwaarden studiefinanciering Deze wet regelt de studiefinanciering en is van toepassing op studenten die voldoen aan de voorwaarden inzake: a. artikel 2.2 nationaliteit als bedoeld in, b. artikel 2.3 2.3a leeftijd als bedoeld inof, en c. paragrafen 2.2 tot en met 2.4. onderwijssoort als bedoeld in de 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Nationaliteit#
Artikel 2.2 Nationaliteit 1 Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die: a. de Nederlandse nationaliteit bezit, b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld. 2 Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Leeftijd#
Artikel 2.3 Leeftijd 1 Een mbo-student kan in aanmerking komen voor: a. een reisvoorziening met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij beroepsonderwijs is gaan volgen; b. studiefinanciering met ingang van: 1°. de eerste dag van de maand volgend op het kwartaal waarin hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt; of 2°. de eerste dag van het kwartaal indien hij op die dag de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. 2 Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen. 3 Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt. 4 In afwijking van het derde lid behoudt een student bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.3a — Artikel 2.3a Leeftijd levenlanglerenkrediet#
Artikel 2.3a Leeftijd levenlanglerenkrediet 1 artikel 2.3, eerste en derde lid In afwijking van, kan een mbo-student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die 30 jaren of ouder is maar nog niet de maximumleeftijd heeft bereikt. 2 artikel 2.3, tweede en derde lid In afwijking van, kan een ho-student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die nog niet de maximumleeftijd heeft bereikt. 3 In afwijking van het eerste en tweede lid behoudt een student bij het bereiken van de maximumleeftijd zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking levenlanglerenkrediet geniet. 4 Met ingang van studiejaar 2024-2025: 57 jaar. De maximumleeftijd bedraagt 56 jaar. 5 artikel 7a van de Algemene ouderdomswet De maximumleeftijd wordt telkens verhoogd met een volledig jaar met ingang van het studiejaar dat aanvangt in hetzelfde jaar als waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, cumulatief met een volledig jaar is verhoogd. 6 De verhoogde maximumleeftijd wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant en vervangt de maximumleeftijd, bedoeld in het vierde lid. 2023 10446 07-04-2023 28-03-2023 37503869 2023 10446 07-04-2023 28-03-2023 37503869 07-04-2023
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Beroepsonderwijs in Nederland#
Artikel 2.4 Beroepsonderwijs in Nederland Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven aan: a. artikel 1.1.1 WEB een instelling als bedoeld in, voor zover het een uit 's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of b. artikel 1.4.1 WEB een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het inbedoelde recht heeft verkregen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Aanspraak#
Artikel 2.5 Aanspraak 1 Een mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar. 2 artikel 4.1, onderdeel a of b artikel 4.3 De aanspraak op studiefinanciering van een mbo-student als bedoeld in, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in, aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. 3 artikel 4.19 De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een mbo-student de gegevens, bedoeld in, niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Bekendmaking bij niet voldoen aan artikel 2.5, derde lid, en aanspraak op studiefinanciering#
Artikel 2.6 Bekendmaking bij niet voldoen aan artikel 2.5, derde lid, en aanspraak op studiefinanciering Vervallen 2008 140 29-04-2008 10-04-2008 31048 2008 140 29-04-2008 10-04-2008 31048 30-04-2008 01-08-2007
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs#
Artikel 2.7 Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs 1 De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de mbo-student het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten. 2 Indien de mbo-student aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar. 3 artikel 3.21, tweede lid Indien de mbo-student na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als mbo-student aan de eerste opleiding. In afwijking van, kan de aanvraag in het daarop volgende studiejaar worden ingediend indien de uitschrijving binnen vier maanden voor het einde van het desbetreffende studiejaar heeft plaatsgevonden. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.7a — Artikel 2.7a Geen aanspraak meer#
Artikel 2.7a Geen aanspraak meer 1 Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs: a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of b. paragrafen 4.1.2 4.2.3 Wet studiefinanciering BES indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van deofis toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van deis toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4. 2 artikel 4.14, eerste lid In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden. 3 artikel 4.14, tweede lid In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 2.7b — Artikel 2.7b Uitzondering levenlanglerenkrediet#
Artikel 2.7b Uitzondering levenlanglerenkrediet artikelen 2.7 2.7a Deenzijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2017 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2017.
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Voltijdse opleidingen hoger onderwijs in Nederland#
Artikel 2.8 Voltijdse opleidingen hoger onderwijs in Nederland 1 bijlage van de WHW artikel 1.1 WHW Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in deof aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in. 2 artikel 1.9, eerste en tweede lid, WHW artikel 5.21, derde en zesde lid 5.32 6.5, tweede lid, WHW Indien de accreditatie van een opleiding wordt geweigerd, beëindigd of ingetrokken of aan een opleiding het recht op bekostiging of graadverlening, genoemd in, wordt ontnomen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn waarin de student de betreffende opleiding op grond van,of, mag vervolgen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Voltijdse opleidingen hoger onderwijs aan een niet bekostigde instelling#
Artikel 2.9 Voltijdse opleidingen hoger onderwijs aan een niet bekostigde instelling Vervallen 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Bekostigde voltijdse kerkelijke opleidingen hoger onderwijs#
Artikel 2.10 Bekostigde voltijdse kerkelijke opleidingen hoger onderwijs Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een bijdrage wordt verleend. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Bij amvb aangewezen hoger onderwijs#
Artikel 2.11 Bij amvb aangewezen hoger onderwijs WHW Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoger onderwijs dat anders dan op grond van de, volledig en rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Opleidingen levenlanglerenkrediet#
Artikel 2.12 Opleidingen levenlanglerenkrediet Een ho-student kan in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor het volgen van: a. artikelen 2.8 tot en met 2.11 een opleiding als bedoeld in de; b. artikel 7.3b WHW een postinitiële masteropleiding als bedoeld in; c. artikel 7.7, eerste lid, WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs, bedoeld in, waaraan accreditatie als bedoeld inis verleend; of d. artikel 7.3, tweede lid, WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW een of meer onderwijseenheden als bedoeld in, van een opleiding waaraan accreditatie als bedoeld inis verleend, aan: 1°. de Open Universiteit; 2°. artikel 1.1 WHW een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in; of 3°. artikel 1.8, eerste lid, WHW artikel 1.7a WHW artikel 7.32, derde lid, WHW een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in, met uitzondering van de Open Universiteit, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, waarin bij wijze van experiment op grond van, in afwijking van, inschrijving voor een onderwijseenheid is toegestaan. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 Geen aanspraak of geen aanspraak meer#
Artikel 2.13 Geen aanspraak of geen aanspraak meer 1 Een ho-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering: a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, b. Wet studiefinanciering BES indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de, c. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, of d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een ander land wordt verstrekt. 2 artikel 2.14 artikel 9.2, eerste lid De aanspraak van een ho-student die een opleiding volgt als bedoeld invervalt over het tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld in, niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak. 3 artikel 5.16, eerste lid In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden. 4 artikel 5.16, tweede lid In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren. 5 Het eerste lid, onderdelen a en b, en het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.13a — Artikel 2.13a Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs#
Artikel 2.13a Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs 1 artikel 2.2, tweede lid Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op mbo-studenten die op grond van, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen. 2 Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland: a. WEB waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van deen waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. 3 Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs#
Artikel 2.14 Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs 1 artikel 2.2, tweede lid Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op ho-studenten die op grond van, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen. 2 Een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in het derde lid, komt in aanmerking voor studiefinanciering indien hij: a. gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en op grond van bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde criteria een band heeft met Nederland; of b. ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad, waarbij de periode gedurende welke een ho-student is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld in het derde lid, niet meetelt voor de bepaling van deze 6 jaren. 3 Van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend is sprake indien: a. in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt; b. het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW; c. het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW; en d. de opleiding voldoet aan criteria die bij ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld. 4 Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt. 5 tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Hetzijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit. 6 Bij ministeriële regeling kan een maximum worden gesteld aan het aantal aanvragen van ho-studenten voor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland. 7 Het zesde lid is niet van toepassing op aanvragen van ho-studenten die in de 12 maanden voorafgaand aan de periode waarvoor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland wordt aangevraagd, reeds studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland toegekend hebben gekregen. 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 Geen aanspraak studiefinanciering als mbo-student bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs#
Artikel 2.15 Geen aanspraak studiefinanciering als mbo-student bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet De student die lesgeld is verschuldigd op grond vanen tevens voor het volgen van hoger onderwijs aanspraak heeft op studiefinanciering, geldt voor de toekenning van studiefinanciering niet als mbo-student. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.15a — Artikel 2.15a Geen aanspraak op gift bij samenloop#
Artikel 2.15a Geen aanspraak op gift bij samenloop 1 De mbo-student die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2. 2 De mbo-student die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland. 3 De mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2. 4 De mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 Geen aanspraak beroepsonderwijs na eerdere aanspraak#
Artikel 2.16 Geen aanspraak beroepsonderwijs na eerdere aanspraak 1 De mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten. 2 De student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten. 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 Rechtens ontnomen vrijheid#
Artikel 2.17 Rechtens ontnomen vrijheid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten artikel 2.3 van de Wet forensische zorg hoofdstuk 6 van de Jeugdwet Een student wiens vrijheid voor ten minste een maand rechtens is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de, in deen inen de gevallen, bedoeld in, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende student. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 2.17a — Artikel 2.17a Geen aanspraak uitreiziger#
Artikel 2.17a Geen aanspraak uitreiziger 1 Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij een uitreiziger is. 2 Onze Minister kan besluiten dat een student een uitreiziger is indien het betreft een persoon ten aanzien van wie uit een melding van de door de daartoe bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat de student zich buiten het land Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie die door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. 3 In het besluit van Onze Minister dat een student een uitreiziger is, wordt vermeld vanaf welk moment een student als uitreiziger is aangemerkt. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Studiefinanciering#
Artikel 3.1 Studiefinanciering 1 Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het beroepsonderwijs uit een basisbeurs, een basislening en een aanvullende beurs of aanvullende lening, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van: a. een gift; b. een prestatiebeurs; of c. een lening. 2 Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het hoger onderwijs uit een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en collegegeldkrediet, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van: a. een gift; b. een prestatiebeurs; of c. een lening. 3 Indien een student geen aanspraak heeft op studiefinanciering als bedoeld in het eerste of tweede lid bestaat studiefinanciering uit levenlanglerenkrediet. 4 De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand. 5 In afwijking van het vierde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Samenstelling maandbudget mbo-student#
Artikel 3.2 Samenstelling maandbudget mbo-student 1 Het budget voor een mbo-student voor een kalendermaand is het totaal van: a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, b. een tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld, en c. een reisvoorziening. 2 artikel 3.5 Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge. 3 artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet artikelen 3.13, eerste lid 3.16 3.18 De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een mbo-student vastgesteld op een twaalfde deel van het op grond vangeldende bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de,en, wordt voor een mbo-student verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming. 4 De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de mbo-student de leeftijd van 18 jaren bereikt. 5 In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een mbo-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet. 6 artikel 3.18 De bedragen zijn opgenomen in. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Samenstelling maandbudget ho-student#
Artikel 3.3 Samenstelling maandbudget ho-student 1 Het budget voor een ho-student voor een kalendermaand is het totaal van: a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud; b. het collegegeldkrediet; en c. een reisvoorziening. 2 artikel 3.5 Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge. 3 In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een ho-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet. 4 artikel 3.18 De bedragen zijn opgenomen in. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Toeslag partner#
Artikel 3.4 Toeslag partner Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-01-2016
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Toeslag eenoudergezin#
Artikel 3.5 Toeslag eenoudergezin 1 Algemene Kinderbijslagwet Aan een student zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van deaanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een eenoudergezin toegekend. 2 artikel 3.18 Het bedrag is opgenomen in. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Basisbeurs#
Artikel 3.6 Basisbeurs 1 artikel 3.18 De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende studenten. De bedragen zijn opgenomen in. 2 Voor een opleiding niveau 1 of 2 maakt een reisvoorziening deel uit van de basisbeurs. 3 artikel 3.5 Voor een opleiding niveau 1 of 2 kan de toeslag, bedoeld in, onderdeel uitmaken van de basisbeurs. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Reisvoorziening#
Artikel 3.7 Reisvoorziening 1 De reisvoorziening bestaat uit een reisrecht waarmee gedurende een bepaald deel van de week de student geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven, en kan voor groepen studenten bestaan uit een vergoeding in geld. 2 paragraaf 3.7 De vorm, wijze van toekenning en de voorwaarden van de reisvoorziening zijn bepaald in en krachtens. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 Hoogte aanvullende beurs#
Artikel 3.8 Hoogte aanvullende beurs artikel 3.18 artikelen 3.9 tot en met 3.13 De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs, genoemd in, minus de veronderstelde ouderlijke bijdrage die wordt berekend ingevolge de. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage beroepsonderwijs#
Artikel 3.9 Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage beroepsonderwijs 1 Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar. 2 per 1 januari 2026: € 23.152,70 per 1 januari 2026: € 29.333,26 artikel 3.14 Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft oftoepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43. 3 Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. 4 Op het bruto kortingsbedrag, bedoeld in het derde lid, worden in mindering gebracht: a. paragraaf 6.1 de ingevolgevastgestelde termijnbetalingen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is; en b. hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op het kindgebonden budget € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het studiefinancieringstijdvak, onder de werking vanen schoolkosten of vanvalt. 5 Een twaalfde deel van het bedrag dat na de toepassing van het vierde lid resteert, is de berekeningsgrondslag per maand voor een ouder van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. 6 Indien een kind waarvoor de aftrek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, onder de werking van deze wet gaat vallen, wordt met ingang van het tijdstip waarop dit kind onder de werking van deze wet gaat vallen, de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het vijfde lid, opnieuw berekend. 7 artikel 4.6b Het zesde lid is niet van toepassing op een mbo-student die uitsluitend een reisvoorziening bedoeld intoegekend heeft gekregen. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 3.9a — Artikel 3.9a Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs#
Artikel 3.9a Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat: a. artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin per 1 januari 2026: € 20.750,30 voor de vrije voet, bedoeld in, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000; b. artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin per 1 januari 2026: € 26.289,28 voor de vrije voet, bedoeld in, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004; en c. artikel 3.9, derde lid voor het bruto kortingsbedrag op jaarbasis, bedoeld in, een percentage wordt gelezen van 13,6% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen#
Artikel 3.10 Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen 1 artikelen 3.9 3.9a Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de student wordt bij toepassing van deen, indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen#
Artikel 3.11 Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen artikelen 3.9 3.9a 3.10 Voor de toepassing van de,enwordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2016
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 Ouder zonder partner#
Artikel 3.12 Ouder zonder partner artikel 3.9, tweede lid artikel 3.9a Indien een ouder na het peiljaar een ouder zonder partner wordt, wordt op aanvraag van die ouder of de student de hoogte van de vrije voet, bedoeld in, onderscheidenlijk, dienovereenkomstig aangepast. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 Veronderstelde ouderlijke bijdrage#
Artikel 3.13 Veronderstelde ouderlijke bijdrage 1 artikel 3.9, vijfde lid artikel 3.9a De veronderstelde ouderlijke bijdrage is voor een mbo-student de som van de maandbedragen, bedoeld in, en voor een ho-student de som van de maandbedragen die zijn bepaald door toepassing van. De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een student. 2 Indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is, wordt deze vastgesteld op nihil. 3 Bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage per studerend kind wordt de bijdrage verdeeld over de studerende kinderen van een ouder indien: a. meer dan een van deze kinderen voor de betreffende maand aanspraak heeft op studiefinanciering; en b. de kinderen voor de betreffende maand een aanvullende beurs hebben aangevraagd. 4 artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b Bij de verdeling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het derde lid, wordt een kind dat tevens onder de reikwijdte van, valt, buiten beschouwing gelaten. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 Weigerachtige of onvindbare ouders#
Artikel 3.14 Weigerachtige of onvindbare ouders 1 Op aanvraag van een student kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en student of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie. 2 artikel 3.9, tweede lid, derde volzin Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de student bedoeld in het eerste lid,, van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden in ieder geval criteria gegeven ter beoordeling van de vraag of sprake is van: a. een situatie als bedoeld in het eerste lid, en b. de voorwaarden waaronder de toekenning van de aanvraag geschiedt. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.15 — Artikel 3.15 Basislening#
Artikel 3.15 Basislening artikel 3.18 Op aanvraag wordt een basislening toegekend. De maximale hoogte van de basislening is opgenomen in, waarbij verschillende bedragen zijn vastgesteld voor mbo-studenten en ho-studenten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.16 — Artikel 3.16 Aanvullende lening#
Artikel 3.16 Aanvullende lening Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een student berekende aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende lening toegekend. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.16a — Artikel 3.16a Collegegeldkrediet#
Artikel 3.16a Collegegeldkrediet 1 Het collegegeldkrediet is een lening die aan de ho-student op aanvraag wordt toegekend. 2 artikel 7.45, eerste lid, WHW Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de ho-student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.16b — Artikel 3.16b Levenlanglerenkrediet: aanspraak#
Artikel 3.16b Levenlanglerenkrediet: aanspraak 1 Het levenlanglerenkrediet is een lening die aan een student op aanvraag wordt toegekend. 2 Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt: a. artikel 3.1, eerste of tweede lid indien de student niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in; b. artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, WHW in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld inof het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gronden worden vastgesteld op basis waarvan een aanvraag gelet op terugbetalingsrisico’s kan worden geweigerd. 4 hoofdstukken 4 5 Deenzijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.16c — Artikel 3.16c Levenlanglerenkrediet: duur#
Artikel 3.16c Levenlanglerenkrediet: duur 1 Het levenlanglerenkrediet kan worden verstrekt gedurende vier jaar. 2 De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de student in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van: a. artikel 7.5, eerste lid, onderdelen a tot en met d ; b. artikel 7.5a WHW ; c. artikel 7.5b, eerste lid, WHW ; of d. artikel 7.5c WHW . 3 Indien de ho-student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 3.16d — Artikel 3.16d Levenlanglerenkrediet: hoogte#
Artikel 3.16d Levenlanglerenkrediet: hoogte 1 Het levenlanglerenkrediet bedraagt per maand niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld of lesgeld voor het volgen van de desbetreffende opleiding en in totaal ten hoogste: a. artikel 7.45, eerste lid, WHW vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in, voor een opleiding in het hoger onderwijs; b. artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vijf maal een twaalfde deel van het lesgeld, bedoeld in, voor een opleiding in het beroepsonderwijs; of c. een in afwijking van de onderdelen a en b bij algemene maatregel van bestuur te bepalen lager maximum. 2 In afwijking van het eerste lid kan aan bij ministeriële regeling vast te stellen groepen studenten een hoger bedrag per maand worden toegekend, waarbij het totale levenlanglerenkrediet voor een periode van twaalf maanden niet meer bedraagt dan twaalf maal het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, b of c. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.16e — Artikel 3.16e Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels#
Artikel 3.16e Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels artikelen 3.16b tot en met 3.16d Voor een goede uitvoering van deworden bij ministeriële regeling regels vastgesteld over de aanvraag, toekenning, berekening, betaling en andere uitvoeringsaspecten. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 06-07-2018 01-08-2017
Artikel 3.16f — Artikel 3.16f artikel 7.49a van de WHW Collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet bij betaling van een vergoeding als bedoeld in#
Artikel 3.16f artikel 7.49a van de WHW Collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet bij betaling van een vergoeding als bedoeld in artikelen 3.16a, tweede lid 3.16d, eerste lid artikel 7.49a van de WHW In afwijking van de, en, kan een student die een vergoeding als bedoeld inbetaalt voor het gebruikmaken van een educatieve module of premaster met een studielast van minder dan 60 studiepunten, Onze Minister verzoeken om de hoogte van het collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet dat hij per maand ontvangt, gelijk te stellen aan de vergoeding die hij naar rato per 5 studiepunten betaalt. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 3.17 — Artikel 3.17 Vordering wegens eigen inkomsten mbo-student#
Artikel 3.17 Vordering wegens eigen inkomsten mbo-student Vervallen 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-01-2024
Artikel 3.18 — Artikel 3.18 Overzicht normbedragen#
Artikel 3.18 Overzicht normbedragen De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2023 en voor overzicht 1, onderdeel B, en overzicht 2, onderdeel B, naar de maatstaf van 1 september 2023: 1 artikel 3.2, derde lid per 1 januari 2026: € 121,50 per 1 augustus 2026: € 125,92 Voor mbo-studenten die lesgeld verschuldigd zijn, wordt de maximale aanvullende beurs/lening ingevolge, van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf 1 januari 2023 verhoogd met € 103,25en per 1 augustus 2023 met € 113,08per maand. Overzicht 1. Normbedragen voor de kosten van levensonderhoud A. Beroepsonderwijs Normbedrag thuiswonend € 556,95 per 1 januari 2026: € 657,49 Normbedrag uitwonend € 786,59 per 1 januari 2026: € 928,58 B. Hoger onderwijs Normbedrag thuiswonend € 793,27 per 1 januari 2026: € 936,46 Normbedrag uitwonend € 957,87 per 1 januari 2026: € 1.130,77 Overzicht 2. Financieringsbronnen A. Beroepsonderwijs Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) thuiswonend € 90,85 per 1 januari 2026: € 107,26 uitwonend € 296,51 per 1 januari 2026: € 350,03 Basislening thuis- en uitwonend € 197,93 per 1 januari 2026: € 233,65 1 Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage thuiswonend € 268,17 per 1 januari 2026: € 316,58 uitwonend € 292,15 per 1 januari 2026: € 344,90 B. Hoger onderwijs Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) thuiswonend € 110,30 per 1 januari 2026: € 130,21 uitwonend € 274,90 per 1 januari 2026: € 324,52 Basislening thuis- en uitwonend € 266,97 per 1 januari 2026: € 315,17 Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage thuis- en uitwonend € 416,00 per 1 januari 2026: € 491,08 Overzicht 3. Aanvullende financieringsbron Hoger onderwijs Beroepsonderwijs Toeslag eenoudergezin € 277,13 per 1 januari 2026: € 327,15 € 277,13 per 1 januari 2026: € 327,15 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 3.18a — Artikel 3.18a Verhoogde bedragen in het studiejaar 2023–2024#
Artikel 3.18a Verhoogde bedragen in het studiejaar 2023–2024 artikel 3.18 In het studiejaar 2023–2024 worden de normbedragen voor de kosten van levensonderhoud en de bedragen van de basisbeurs voor uitwonende mbo- en ho-studenten, genoemd in, verhoogd met € 164,30. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 3.18b — Artikel 3.18b Grondslag voor tijdelijke verhoging normbedragen studiefinanciering#
Artikel 3.18b Grondslag voor tijdelijke verhoging normbedragen studiefinanciering 1 artikel 3.18 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de normbedragen, genoemd in, in studiejaren na het studiejaar 2023–2024 worden verhoogd met een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag. 2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 3.19 — Artikel 3.19 Toekenning studiefinanciering#
Artikel 3.19 Toekenning studiefinanciering 1 Onze Minister kent studiefinanciering toe aan degene die daartoe een aanvraag heeft ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens deze wet. 2 Onze Minister besluit op een aanvraag om studiefinanciering: a. indien de aanvraag is ingediend vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de studiefinanciering betrekking heeft: vóór 31 december van dat voorafgaande jaar, en b. indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel a bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag. 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010
Artikel 3.20 — Artikel 3.20 Gedeeltelijke toekenning#
Artikel 3.20 Gedeeltelijke toekenning Zolang het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent Onze Minister het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 3.21 — Artikel 3.21 Toekenningsperiode#
Artikel 3.21 Toekenningsperiode 1 Studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak. 2 Een aanvraag voor studiefinanciering wordt vóór het einde van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft ingediend. 3 Studiefinanciering of de verhoging daarvan wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend. 4 De reisvoorziening of het levenlanglerenkrediet wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag. 5 Op aanvraag van de student onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de student in zijn aanvraag aangeeft, met dien verstande dat de onderbreking of beëindiging niet plaatsvindt voor een periode voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag. De onderbreking omvat ten minste 1 maand. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.22 — Artikel 3.22 Onderbreken opleiding wegens ziekte#
Artikel 3.22 Onderbreken opleiding wegens ziekte Vervallen 2005 525 01-11-2005 06-10-2005 30124 2005 649 20-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 3.23 — Artikel 3.23 Gebruik burgerservicenummer#
Artikel 3.23 Gebruik burgerservicenummer 1 artikel 1.7 In afwijking vangebruikt Onze Minister in contacten met RSR het burgerservicenummer van: a. een student voor de toekenning en beëindiging van diens reisrecht; en b. artikel 3.27, eerste lid, onder a en b de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen en van wie nadat sprake was van één van de situaties genoemd in, het reisproduct niet tijdig is stopgezet, voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid. 2 RSR gebruikt het burgerservicenummer van een student slechts: a. artikel 3.25 ter vaststelling van de identiteit van een student wanneer deze zich tot de vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan het reisproduct, bedoeld in, en b. in contacten met Onze Minister. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.24 — Artikel 3.24 Vorm toekenning reisvoorziening#
Artikel 3.24 Vorm toekenning reisvoorziening 1 Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de student geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven. 2 artikel 4.8, eerste lid artikel 5.3, eerste lid Voor studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in, onderscheidenlijk. In afwijking van de eerste volzin kan een student als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen. 3 Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland die een deel van deze opleiding buiten Nederland volgen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 4.8, eerste lid artikel 5.3, eerste lid Voor studenten voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in, onderscheidenlijk. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.25 — Artikel 3.25 Reisproduct#
Artikel 3.25 Reisproduct 1 Het reisproduct is een elektronisch product dat studenten met een reisrecht kunnen koppelen aan een drager. 2 Bij ministeriële regeling worden dragers als bedoeld in het eerste lid aangewezen en wordt bepaald op welke wijze het reisproduct gekoppeld wordt aan de drager. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.26 — Artikel 3.26 Aanvang reisrecht; omvang van rechten#
Artikel 3.26 Aanvang reisrecht; omvang van rechten 1 artikel 3.25 Het reisrecht vangt aan op het moment dat de student overeenkomstighet reisproduct heeft gekoppeld aan de drager. 2 Het reisrecht wordt naar keuze van de student toegekend als weekreisrecht of weekendreisrecht. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijgen van het reisrecht en de omvang van de aan de soorten reisrecht, bedoeld in het tweede lid, verbonden rechten. Daarbij worden tevens voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen de student de keuze tussen soorten reisrecht dient te maken en met betrekking tot de aanvraag tot herziening door de student van een gemaakte keuze in soorten reisrecht. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.27 — Artikel 3.27 Beëindiging reisrecht#
Artikel 3.27 Beëindiging reisrecht 1 Het reisproduct wordt door RSR stopgezet op verzoek van Onze Minister of de student op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin: a. de aanspraak op het reisrecht is beëindigd; of b. artikel 3.24, tweede of vierde lid het reisproduct op grond van, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld. 2 Indien gebruik is gemaakt van het reisproduct na het moment, bedoeld in het eerste lid, aanhef, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019: a. per 1 januari 2026: € 96,09 € 75,00voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en b. per 1 januari 2026: € 192,21 € 150,00voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft. 3 De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand. 4 De opbouw van de bedragen, genoemd in het tweede lid, vangt aan op het moment dat sprake is van één van de situaties genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, waarbij voor de eerste halve kalendermaand waarin € 75,00 verschuldigd is uitsluitend wordt gekeken naar het gebruik van het reisproduct tijdens de elfde tot en met de vijftiende dag van die maand. 5 Er is geen bedrag verschuldigd over de halve kalendermaanden waarin geen gebruik gemaakt is van het reisproduct. 6 Indien een student na het beëindigen van zijn aanspraak op het reisrecht opnieuw een reisrecht toegekend heeft gekregen, is na het beëindigen van het laatst toegekende reisrecht wederom sprake van een eerste halve kalendermaand, als bedoeld in het tweede lid, onder a. 7 Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet. 8 Het reisproduct wordt stopgezet op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze. 9 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het zevende lid, moet worden aangetoond. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 3.28 — Artikel 3.28 Stopzetten reisproduct uit eigen beweging#
Artikel 3.28 Stopzetten reisproduct uit eigen beweging artikel 3.27, eerste lid Onverminderd, kan de student uit eigen beweging het verzoek aan RSR doen tot stopzetting van het reisproduct. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.29 — Artikel 3.29 Vergoeding bij geen reisrecht#
Artikel 3.29 Vergoeding bij geen reisrecht 1 artikel 3.27, tweede lid, onder b artikel 3.24, tweede lid Wanneer een student door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte geen gebruik kan maken van het reisrecht, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in, mits hij meer dan 8 weken vóór het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in, heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend. 2 De student vraagt de vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging. 3 De student heeft geen recht op enige vergoeding: a. wegens het geen of slechts gedeeltelijk gebruik maken van het reisrecht, of b. artikel 3.25, eerste lid in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de drager, bedoeld in. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 3.30 — Artikel 3.30 Reizen van en naar Waddeneilanden#
Artikel 3.30 Reizen van en naar Waddeneilanden Ten behoeve van het reizen tussen Waddeneilanden en het vaste land kan Onze Minister met de gemeenten van deze eilanden een overeenkomst sluiten over een aanvullende voorziening die deze gemeenten aan bepaalde groepen studenten verstrekken. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Reikwijdte#
Artikel 4.1 Reikwijdte Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing: a. op mbo-studenten die in Nederland een opleiding niveau 1 of 2 volgen, en b. op mbo-studenten die in Nederland een beroepsopleiding volgen en die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontvingen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt#
Artikel 4.2 Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt Studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een gift of een lening. 2005 124 17-03-2005 19-02-2005 29719 2005 125 17-03-2005 02-03-2005 01-08-2005
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Langdurige afwezigheid in het beroepsonderwijs#
Artikel 4.3 Langdurige afwezigheid in het beroepsonderwijs 1 De studiefinanciering van de mbo-student die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. 2 In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een mbo-student in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. 3 artikel 8.1.7, negende lid, WEB Uitsluitend de ingenoemde redenen voor afwezigheid zijn geldige redenen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Weer aanwezig binnen 8 weken#
Artikel 4.4 Weer aanwezig binnen 8 weken Artikel 4.3 is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de mbo-student weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de mbo-student aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs#
Artikel 4.5 Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs 1 artikel 2.4, onderdeel b Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in, uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de mbo-student in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de mbo-student om opgaaf van de reden van de afwezigheid. 2 Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast: a. artikel 8.1.7, negende lid, WEB of de reden die de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige reden als bedoeld in, is, of b. dat de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid. 3 Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de mbo-student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen. 4 Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de mbo-student gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die mbo-student voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan. 5 De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. 6 artikel 4.3 Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Reikwijdte#
Artikel 4.6 Reikwijdte Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.6a — Artikel 4.6a Prestatiebeurs beroepsonderwijs#
Artikel 4.6a Prestatiebeurs beroepsonderwijs Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende: a. een basisbeurs; b. een aanvullende beurs; c. een reisvoorziening; en d. een toeslag eenoudergezin. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.6b — Artikel 4.6b Reisvoorziening minderjarige mbo-student#
Artikel 4.6b Reisvoorziening minderjarige mbo-student artikel 4.7, eerste en tweede lid Onverminderd, komt een mbo-student die jonger is dan 18 jaren in aanmerking voor een reisvoorziening in de vorm van een prestatiebeurs. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Vorm en duur studiefinanciering#
Artikel 4.7 Vorm en duur studiefinanciering 1 Prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift. 2 Indien een mbo-student een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt. 3 artikelen 3.1, vierde lid 3.2 3.13 3.18 artikel 4.6b per 1 januari 2026: € 1.213,95 Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de,,en, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond vanreisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden. 4 artikel 3.5 artikel 3.18 Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Waarde van de reisvoorziening#
Artikel 4.8 Waarde van de reisvoorziening 1 Het deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per student door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend. 2 artikel 3.25, eerste lid artikel 1.2 artikel 3.24, tweede of vierde lid Indien de prestatiebeurs beroepsonderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet gekoppeld is aan een drager als bedoeld in. In afwijking vanis bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in, is toegekend. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 Diplomatermijn beroepsonderwijs#
Artikel 4.9 Diplomatermijn beroepsonderwijs De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs is toegekend. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 4.10 — Artikel 4.10 Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn#
Artikel 4.10 Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn 1 artikel 4.7, eerste lid Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge, toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. 2 artikel 4.7, tweede lid Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge, toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. 3 Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt. 4 Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs. 5 Omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een mbo-student heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid. 6 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB artikel 7.2.7, vierde lid, WEB Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een mbo-student die binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding als bedoeld inin de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld inmet goed gevolg heeft afgelegd, voor zover de mbo-student eerder een prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft ontvangen. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 4.11 — Artikel 4.11 Stoppen voor 1 februari#
Artikel 4.11 Stoppen voor 1 februari Indien een mbo-student in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet, in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 4.12 — Artikel 4.12 Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs beroepsonderwijs#
Artikel 4.12 Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs beroepsonderwijs Onze Minister verlengt op aanvraag van de mbo-student de duur van de prestatiebeurs beroepsonderwijs eenmalig met 1 jaar indien de mbo-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.13 — Artikel 4.13 Arbeidsongeschiktheid#
Artikel 4.13 Arbeidsongeschiktheid Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten hoofdstuk 3 van die wet Indien een mbo-student op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van deof op enig moment niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond vanbestaat, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 4.14 — Artikel 4.14 Bijzondere omstandigheden#
Artikel 4.14 Bijzondere omstandigheden 1 Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden. 2 Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte. 3 Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. 4 Indien een mbo-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de mbo-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering. 5 Onze Minister stelt op aanvraag van de mbo-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de mbo-student is ingeschreven. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.15 — Artikel 4.15 Tenietgaan rente#
Artikel 4.15 Tenietgaan rente Bij omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 4.16 — Artikel 4.16 Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland#
Artikel 4.16 Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland artikel 2.13a Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.17 — Artikel 4.17 Reikwijdte#
Artikel 4.17 Reikwijdte artikel 2.13a Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld inen waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.18 — Artikel 4.18 Studiefinanciering#
Artikel 4.18 Studiefinanciering 1 Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift. 2 artikelen 3.1, vierde lid 3.2 3.13 3.18 per 1 januari 2026: € 1.213,95 Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de,,en, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift. 3 artikel 3.5 artikel 3.18 Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 4.19 — Artikel 4.19 Studievoortgang#
Artikel 4.19 Studievoortgang 1 Een mbo-student verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd. 2 Een mbo-student verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.20 — Artikel 4.20 Reikwijdte#
Artikel 4.20 Reikwijdte artikel 2.13a Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld inen waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.21 — Artikel 4.21 Studiefinanciering#
Artikel 4.21 Studiefinanciering 1 artikelen 4.6b 4.7, eerste, derde en vierde lid 4.8 4.9 4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 De,,,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2 Artikel 4.19 is van overeenkomstige toepassing voor zover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 4.22 — Artikel 4.22 Berichtenstroom tussen mbo-student en Minister#
Artikel 4.22 Berichtenstroom tussen mbo-student en Minister 1 De mbo-student zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn beroepsonderwijs, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. 2 artikel 4.10 De omzetting, bedoeld in, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de mbo-student daarvan in kennis. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.23 — Artikel 4.23 afdeling 4.2 Afwijkingsmogelijkheid#
Artikel 4.23 afdeling 4.2 Afwijkingsmogelijkheid Voor zover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Prestatiebeurs hoger onderwijs#
Artikel 5.1 Prestatiebeurs hoger onderwijs Een ho-student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende: a. een basisbeurs; b. een aanvullende beurs; c. een reisvoorziening; en d. een toeslag eenoudergezin. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Vorm en duur studiefinanciering#
Artikel 5.2 Vorm en duur studiefinanciering 1 De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met: a. artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d 7.5b, eerste lid 7.5c, tweede en vierde lid WHW eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de,en, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs; b. artikelen 7.5a 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in deenminus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. 2 In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift. 3 De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs. 4 artikelen 3.1, vierde lid 3.3 3.13 3.18 per 1 januari 2026: € 1.213,95 Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de,,ennaar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. 5 artikel 3.5 Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld ingedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 5.2a — Artikel 5.2a Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een hbo-lerarenopleiding#
Artikel 5.2a Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een hbo-lerarenopleiding artikel 5.2, eerste lid In aanvulling op, wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien de aanvrager een ho-student betreft die: a. het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald of in het bezit is van een daarmee gelijkgesteld diploma; b. is ingeschreven bij een aan een hogeschool verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs; en c. artikel 6.13, eerste lid, van de WHW niet eerder een opleiding heeft afgerond welke is opgenomen in het onderdeel onderwijs van het register, bedoeld in. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 5.2b — Artikel 5.2b Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte#
Artikel 5.2b Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte 1 De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de ho-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs hoger onderwijs dat zonder deze verlenging aan de ho-student kan worden verstrekt. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig 6 maanden langer verstrekt aan de ho-student, bedoeld in het eerste lid, die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een associate degree-opleiding. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 5.2c — Artikel 5.2c Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding#
Artikel 5.2c Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding 1 artikel 5.2, eerste lid In aanvulling op, wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien: a. artikel 7.30c WHW het een masteropleiding als bedoeld inbetreft; b. artikel 7.5a, aanhef en onderdeel a 7.5c, vijfde lid, WHW met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs is afgelegd en daarna een masteropleiding als bedoeld in, ofwordt gevolgd waarvan niet eerder het afsluitende examen met goed gevolg is afgelegd; of c. artikel 5.2a artikel 7.5a, aanhef en onderdeel a 7.5c, vijfde lid, WHW reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond vanen een masteropleiding als bedoeld in, ofwordt gevolgd. 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend. 3 Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder: a. artikel 5.2a op grond van het eerste lid, onderdeel a, ofprestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of b. artikel 5.2, eerste lid 7.5b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, WHW op grond van, prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Waarde van de reisvoorziening#
Artikel 5.3 Waarde van de reisvoorziening 1 Het deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per student door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend. 2 artikel 3.25, eerste lid artikel 1.2 artikel 3.24, tweede of vierde lid Indien de prestatiebeurs hoger onderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet is gekoppeld aan een drager als bedoeld in. In afwijking vanis bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in, is toegekend. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Lening in EER-landen#
Artikel 5.4 Lening in EER-landen Vervallen 2007 200 12-06-2007 24-05-2007 30933 2007 201 12-06-2007 24-05-2007 01-09-2007
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Diplomatermijn hoger onderwijs#
Artikel 5.5 Diplomatermijn hoger onderwijs De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs. 2005 124 17-03-2005 19-02-2005 29719 2005 125 17-03-2005 02-03-2005 01-08-2005
Artikel 5.6 — Artikel 5.6 Prestatiebeurs meer dan 4 jaren#
Artikel 5.6 Prestatiebeurs meer dan 4 jaren Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs#
Artikel 5.7 Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs 1 Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift. 2 artikel 7.3b WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld indie is geaccrediteerd als bedoeld inaanvangt. 3 Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding, hbo-masteropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift. 4 artikel 7.3b WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse postinitiële masteropleiding als bedoeld inaanvangt waaraan accreditatie als bedoeld inis verleend. 5 WHW Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste of derde lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens dedaarmee gelijk wordt gesteld. 6 Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het derde lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding, voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 5.8 — Artikel 5.8 Omzetting in gift bij opleiding van minder dan 4 jaren#
Artikel 5.8 Omzetting in gift bij opleiding van minder dan 4 jaren Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 5.9 — Artikel 5.9 Berichtenstroom tussen instelling, Minister en ho-student#
Artikel 5.9 Berichtenstroom tussen instelling, Minister en ho-student 1 artikel 5.7 artikel 9.5, tweede lid artikel 7.9d WHW De omzetting, bedoeld in, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in, of de mededeling, bedoeld in. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de ho-student daarvan in kennis. 2 artikel 5.7 artikel 7.9d WHW Een ho-student die het examen, bedoeld in, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waaropniet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. 3 artikel 5.7, zesde lid Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 5.10 — Artikel 5.10 Stoppen voor 1 februari#
Artikel 5.10 Stoppen voor 1 februari Indien een ho-student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 5.11 — Artikel 5.11 Stoppen voor 1 september#
Artikel 5.11 Stoppen voor 1 september Indien een ho-student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 5.11a — Artikel 5.11a Stoppen binnen twaalf maanden door mbo-gediplomeerden#
Artikel 5.11a Stoppen binnen twaalf maanden door mbo-gediplomeerden 1 artikel 5.10 artikel 5.11 Onverminderdonderscheidenlijkwordt de prestatiebeurs van de ho-student die eerder een opleiding in het beroepsonderwijs heeft afgerond, omgezet in een gift, indien: a. hij uiterlijk op 31 augustus van het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet ophoudt studiefinanciering te genieten, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend; of b. hij uiterlijk op 31 januari van het studiejaar volgend op het studiejaar waarvoor hij op enig moment op of na 1 februari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet ophoudt studiefinanciering te genieten, en hij niet vóór de start van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend. 2 De omzetting, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de periode eindigt waarin de student geen studiefinanciering toegekend mag hebben gekregen om aanspraak te kunnen maken op deze regeling. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 5.12 — Artikel 5.12 Omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs#
Artikel 5.12 Omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs Vervallen 2004 343 20-07-2004 30-06-2004 29412 2004 398 19-08-2004 03-08-2004 01-09-2004
Artikel 5.13 — Artikel 5.13 Onvoldoende studieprestaties in eerste 12 maanden#
Artikel 5.13 Onvoldoende studieprestaties in eerste 12 maanden Vervallen 2004 343 20-07-2004 30-06-2004 29412 2004 398 19-08-2004 03-08-2004 01-09-2004
Artikel 5.14 — Artikel 5.14 Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs#
Artikel 5.14 Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs Vervallen 2004 343 20-07-2004 30-06-2004 29412 2004 398 19-08-2004 03-08-2004 01-09-2004
Artikel 5.15 — Artikel 5.15 Arbeidsongeschiktheid#
Artikel 5.15 Arbeidsongeschiktheid Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten hoofdstuk 3 van die wet Indien een ho-student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van deof op enig moment niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond vanbestaat, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 5.16 — Artikel 5.16 Bijzondere omstandigheden#
Artikel 5.16 Bijzondere omstandigheden 1 Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden. 2 Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte. 3 Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift. 4 Indien een ho-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de ho-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering. 5 Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 5.17 — Artikel 5.17 Tenietgaan rente#
Artikel 5.17 Tenietgaan rente Bij omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Begripsbepalingen hoofdstuk 6#
Artikel 6.1 Begripsbepalingen hoofdstuk 6 1 In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs. 2 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: lening beroepsonderwijs: lening die uitsluitend is aangegaan voor het volgen van beroepsonderwijs; lening hoger onderwijs: lening die is aangegaan voor het volgen van hoger onderwijs. 3 Vanaf de dag waarop een student met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs. 4 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder debiteur uitsluitend verstaan degene die een lening heeft opgebouwd anders dan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet. 5 hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 6.1a — Artikel 6.1a Belastbaar minimumloon#
Artikel 6.1a Belastbaar minimumloon artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Het belastbaar minimumloon in de zin van deze wet is een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, bedoeld in. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.1b — Artikel 6.1b Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld#
Artikel 6.1b Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld artikel 6.17 Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Kwijtschelding aanvullende beurs bij onvoldoende inkomen#
Artikel 6.2 Kwijtschelding aanvullende beurs bij onvoldoende inkomen 1 hoofdstukken 4 5 De ingevolgeentoegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden. 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, mogelijk is, b. of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet student is in de zin van deze wet, en c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend. 3 De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, teniet. 4 artikelen 6.10, eerste en vijfde lid artikel 6.12 Bij kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, zijn de, van overeenkomstige toepassing, en isniet van toepassing. 5 Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 6.2a — Artikel 6.2a Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte#
Artikel 6.2a Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte Vervallen 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Vaststelling rentepercentage#
Artikel 6.3 Vaststelling rentepercentage Onze Minister stelt ten aanzien van de lening beroepsonderwijs en de lening hoger onderwijs jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de periode van 12 maanden, gerekend van oktober van het voorafgaande jaar tot en met september van het lopende jaar, van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 5 jaren. Het rentepercentage wordt vastgesteld op nul indien deze overeenkomstig de eerste volzin minder dan nul procent bedraagt. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Renteberekening#
Artikel 6.4 Renteberekening 1 Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven. 2 De rente over de door de student in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom. 3 artikel 6.3 In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond vanuiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld. 4 Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Terugbetalingsperiode#
Artikel 6.5 Terugbetalingsperiode 1 De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten. 2 De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase. 3 Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst: a. artikel 3.1, eerste of tweede lid van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in, geniet; b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw student is en geen studiefinanciering geniet; of c. artikel 6.19b op de wijze bepaald krachtenszolang de debiteur opnieuw student is en levenlanglerenkrediet geniet. 4 Voor debiteuren voor wie nooit een diplomatermijn beroepsonderwijs of diplomatermijn hoger onderwijs heeft gegolden geldt, in afwijking van het derde lid, dat de terugbetaling wordt geschorst: a. artikel 3.1, eerste of tweede lid van rechtswege zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in, geniet; b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw student is en geen studiefinanciering geniet; of c. artikel 6.19b op de wijze bepaald krachtenszolang de debiteur opnieuw student is en levenlanglerenkrediet geniet. 5 De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog student is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield student te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-09-2020
Artikel 6.5a — Artikel 6.5a Samenloop van terugbetaling#
Artikel 6.5a Samenloop van terugbetaling Wet studiefinanciering BES Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en demet dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de hoogst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 Aanloopfase#
Artikel 6.6 Aanloopfase 1 De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode. 2 Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Aflosfase#
Artikel 6.7 Aflosfase 1 artikel 6.9, derde lid De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van, 35 kalenderjaren. Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid. 2 Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het tweede lid. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Achterstallige schuld#
Artikel 6.8 Achterstallige schuld 1 artikel 7.4 Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde vandat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen. 2 Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen. 3 artikel 6.7 artikel 6.15 artikel 6.16, eerste lid Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in, bij de vaststelling van de termijnbetaling en de gewijzigde termijnbetaling, bedoeld in, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in, geen rekening gehouden. 4 Artikel 6.4 is niet van toepassing. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Vaststelling en aflossing termijnbetalingen#
Artikel 6.9 Vaststelling en aflossing termijnbetalingen 1 Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen. 2 De hoogte van de maandelijkse termijnbetalingen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van: a. het eerste jaar van de aflosfase, b. het vierde jaar van de aflosfase, en c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase. 3 artikel 6.10 Onverminderd toepassing vanbedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs dan wel de lening hoger onderwijs ten minste € 60. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.9a — Artikel 6.9a Versneld aflossen#
Artikel 6.9a Versneld aflossen 1 De debiteur is bevoegd om bovenop de termijnbetalingen, kosteloos extra aflossingen te doen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen over de aflossing, genoemd in het eerste lid, regels worden gesteld met betrekking tot onder meer: a. de wijze waarop extra aflossingen kunnen worden gedaan; b. artikel 6.9, tweede lid de voorwaarden waaronder, in afwijking van, tot herberekening van de termijnbetalingen kan worden besloten; en c. de goede uitvoering van extra aflossingen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.10 — Artikel 6.10 Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis#
Artikel 6.10 Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis 1 Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het peiljaar. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen. 2 Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs dan wel een lening hoger onderwijs gelijk aan: a. 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner; b. 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die in het peiljaar een ouder zonder partner is; of c. 100% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner. 3 De draagkracht van de debiteur uit inkomen is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs dan wel een lening hoger onderwijs 4% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet. 4 Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de termijnbetaling betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht. 5 Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het peiljaar nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert. 6 Het vierde lid is niet van toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Draagkracht niet binnenlands belastingplichtige debiteur; op aanvraag#
Artikel 6.11 Draagkracht niet binnenlands belastingplichtige debiteur; op aanvraag 1 Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.5, eerste lid, van die wet artikel 6.10 Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van deen die niet op grond vanals zodanig is aangemerkt, kanslechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient. 2 Wet inkomstenbelasting 2001 Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010
Artikel 6.12 — Artikel 6.12 Terugval in inkomen#
Artikel 6.12 Terugval in inkomen 1 artikel 6.10 Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing vanuitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien: a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-01-2016
Artikel 6.13 — Artikel 6.13 Draagkracht ouder zonder partner#
Artikel 6.13 Draagkracht ouder zonder partner Indien het een debiteur betreft die na het peiljaar een ouder zonder partner is, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 6.14 — Artikel 6.14 Partner van debiteur ook debiteur#
Artikel 6.14 Partner van debiteur ook debiteur 1 Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie dit hoofdstuk van toepassing is, wordt: a. artikel 6.10, eerste en derde lid , slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen; b. de draagkracht per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk; c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de eigen termijnbetaling. Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan diens termijnbetaling. 2 artikel 6.10 artikel 10a.6 artikel 10a.7 Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond vanberekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond vanvoor zijn partner vastgestelde termijnbetaling, dan wel de op grond vanberekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.15 — Artikel 6.15 Wijziging termijnbetaling#
Artikel 6.15 Wijziging termijnbetaling Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijnbetaling, wordt zijn termijnbetaling opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijnbetaling wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.16 — Artikel 6.16 Garantiebepalingen#
Artikel 6.16 Garantiebepalingen 1 De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet. 2 De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010
Artikel 6.17 — Artikel 6.17 Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening#
Artikel 6.17 Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening 1 Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een student wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening. 2 artikel 7.1 Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een student door een beschikking op grond vaneen vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de student is opgehouden student te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de student ophoudt student te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar., is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 3.27, tweede lid In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van, niet omgezet. 4 De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 6.18 — Artikel 6.18 Reikwijdte#
Artikel 6.18 Reikwijdte 1 Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de terugbetaling van de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet. 2 Artikel 299a van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2017 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2017.
Artikel 6.19 — Artikel 6.19 Terugbetalingsregels#
Artikel 6.19 Terugbetalingsregels 1 artikelen 6.5, tweede, derde en vierde lid 6.6 6.7, eerste lid, tweede volzin, en tweede en derde lid 6.14 paragraaf 6.1 Met uitzondering van de,, enisvan overeenkomstige toepassing op de terugbetaling van het levenlanglerenkrediet, waarbij deze lening wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs. 2 In afwijking van het eerste lid wordt: a. artikel 6.7, eerste lid, eerste volzin bij de toepassing van, voor de aflosfase een periode van 15 kalenderjaren gelezen. b. artikel 6.9, derde lid bij de toepassing van, voor het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen ten minste € 545 gelezen. c. artikel 6.10, tweede lid, onderdelen a en b bij de toepassing van, voor de draagkrachtvrije voet een percentage gelezen van 120% van het belastbaar minimumloon. d. artikel 6.10, tweede lid, onderdeel c bij de toepassing van, voor de draagkrachtvrije voet een percentage gelezen van 84% van het belastbaar minimumloon. e. artikel 6.10, derde lid bij de toepassing van, voor de draagkracht van de debiteur uit inkomen een percentage gelezen van 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 6.19a — Artikel 6.19a Schorsing terugbetaling levenlanglerenkrediet in eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode#
Artikel 6.19a Schorsing terugbetaling levenlanglerenkrediet in eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode De terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet wordt geschorst gedurende de eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.19b — Artikel 6.19b Schorsing terugbetaling bij samenloop levenlanglerenkrediet en reguliere studieschuld#
Artikel 6.19b Schorsing terugbetaling bij samenloop levenlanglerenkrediet en reguliere studieschuld artikel 3.1, eerste of tweede lid Voor een debiteur voor wie de terugbetalingsperiode is begonnen van een lening beroepsonderwijs, lening hoger onderwijs of een lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet, en aan wie levenlanglerenkrediet of studiefinanciering als bedoeld in, wordt toegekend of die student wordt zonder studiefinanciering te ontvangen, kan op bij ministeriële regeling te bepalen wijze schorsing plaatsvinden van: a. de terugbetalingsperiode van de lening beroepsonderwijs of lening hoger onderwijs; en b. de terugbetalingsperiode van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-09-2020
Artikel 6.20 — Artikel 6.20 Nadere terugbetalingsregels#
Artikel 6.20 Nadere terugbetalingsregels Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet waarbij tenminste regels worden gesteld over de samenloop met de terugbetaling van de lening die is ontstaan anders dan door toekenning van het levenlanglerenkrediet en over de samenloop met de terugbetaling door een partner van het levenlanglerenkrediet of een andere lening die is toegekend op grond van deze wet. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2017 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2017.
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Herziening door Onze Minister#
Artikel 7.1 Herziening door Onze Minister 1 Onze Minister kan een beschikking herzien waarbij: a. studiefinanciering is toegekend, b. de vorm van de studiefinanciering is vastgelegd, c. de termijnbetaling wordt vastgesteld of gewijzigd, d. de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld, e. de hoogte van de lening wordt vastgesteld of gewijzigd, f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd, g. artikel 6.2, eerste lid de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in, wordt vastgesteld of gewijzigd, h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd, i. de hoogte van het levenlanglerenkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd, j. een herziening van de keuze in een soort reisvoorziening is geweigerd, k. artikel 3.27, eerste lid een bedrag is vastgesteld dat de student verschuldigd is omdat hij gebruik heeft gemaakt van het reisproduct na de termijn, genoemd in, l. artikel 2.17a studiefinanciering ingevolgeis geweigerd of stopgezet, of m. artikel 3.24, tweede lid de aanvraag van een student, bedoeld in, om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd. 2 Herziening vindt plaats op grond van het feit dat: a. een beschikking genomen is waarvan de student of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was, b. artikel 4.3 de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in, zich niet heeft voorgedaan, c. artikel 6.2, eerste lid te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijnbetaling te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a, d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet, e. artikel 3.10 artikel 6.12 geen gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de student op grond vanof aan de aanvraag van de debiteur op grond van, omdat op dat moment niet werd voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, maar blijkt dat wel aan die voorwaarde is voldaan, f. artikel 3.10 artikel 6.12 gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de student op grond vanof aan de aanvraag van de debiteur op grond van, en blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, g. artikel 2.17a achteraf is gebleken van feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, niet tot toepassing vanzouden hebben geleid, of h. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid. 3 Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijnbetaling is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c, voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijnbetaling is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Herziening van rechtswege#
Artikel 7.2 Herziening van rechtswege artikel 2.17a Indien een student op grond vangeen aanspraak meer heeft op studiefinanciering wordt de beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend van rechtswege herzien. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Bezwaarschriftprocedure#
Artikel 7.3 Bezwaarschriftprocedure artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht Dezijn niet van toepassing. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering#
Artikel 7.4 Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering 1 artikel 7.1, eerste en tweede lid artikelen 3.27, tweede lid 3.29, eerste lid Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de, en. 2 artikel 7.1, eerste en tweede lid Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. 3 artikel 7.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. 4 titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht Indien na een voorlopige voorziening als bedoeld in, de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. 5 artikel 6.17 De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zoverniet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels. 6 Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Uitbetaling en verrekening#
Artikel 8.1 Uitbetaling en verrekening 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van uitbetaling van de studiefinanciering en verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan Onze Minister verschuldigde onderwijsbijdrage. 2 Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag. 3 De student kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Indien aan de student een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Onderwijsbijdrage#
Artikel 8.2 Onderwijsbijdrage Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 Invordering en dwangbevel#
Artikel 8.3 Invordering en dwangbevel Onze Minister vaardigt een dwangbevel uit aan de nalatige, indien een bij of krachtens deze wet verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk niet tijdig is voldaan. 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Toezicht door onderwijsinspectie#
Artikel 9.1 Toezicht door onderwijsinspectie Wet op het onderwijstoezicht artikelen 2.5, eerste lid 2.13, eerste lid, onderdeel c 4.5 Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de, heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de,, en. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 9.1a — Artikel 9.1a artikel 1.5 Toezicht in verband met#
Artikel 9.1a artikel 1.5 Toezicht in verband met 1 artikel 1.5 Met het toezicht op de naleving vanzijn belast: a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen, b. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. 2 Indien de ambtenaren of andere personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit samen met die minister genomen. 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 4 artikelen 5:18 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in deen. 2011 579 09-12-2011 17-11-2011 32770 2011 579 09-12-2011 17-11-2011 32770 10-12-2011
Artikel 9.1b — Artikel 9.1b Informatie-uitwisseling#
Artikel 9.1b Informatie-uitwisseling 1 artikel 9.1a De toezichthouders, bedoeld in, en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de student op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Verstrekken van inlichtingen door personen#
Artikel 9.2 Verstrekken van inlichtingen door personen 1 Een ieder is verplicht aan Onze Minister of aan een daartoe door of vanwege Onze Minister aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te geven. 2 De inlichtingen worden verstrekt binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn. 3 Wet basisregistratie personen Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de termijnbetalingen worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de student onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens. De inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin, omvatten niet het doorgeven van een wijziging van het adres als bedoeld in de. 4 Onze Minister kan bepalen dat de inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 Verschoningsrecht studentendecaan#
Artikel 9.3 Verschoningsrecht studentendecaan WHW Een studentendecaan aan een op grond van deuit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs kan zich verschonen betreffende hetgeen een ho-student aan hem heeft toevertrouwd: a. artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking vanbij de verplichting tot inzage van gegevens en bescheiden en het verstrekken van inlichtingen, en b. artikel 8:33, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking vanbij de behandeling van een beroep of hoger beroep tegen een besluit, genomen op grond van deze wet. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 9.4 — Artikel 9.4 Verstrekken van inlichtingen door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24#
Artikel 9.4 Verstrekken van inlichtingen door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24 Vervallen 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010
Artikel 9.5 — Artikel 9.5 Verstrekken van inlichtingen door instellingen#
Artikel 9.5 Verstrekken van inlichtingen door instellingen 1 artikelen 2.4 2.8 2.10 2.11 2.12 De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat die onderwijs aanbiedt als bedoeld in de,,,en, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet. 2 artikel 7.9d WHW Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waaropniet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een ho-student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de ho-student van die mededeling in kennis stelt. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 9.6 — Artikel 9.6 Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak#
Artikel 9.6 Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak 1 Organen met een publiekrechtelijke taak zijn verplicht op een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet. 2 artikel 3.27, tweede lid RSR verstrekt op verzoek van Onze Minister voor de uitvoering van, het gegeven of een persoon in een bepaalde periode nadat zijn reisproduct op grond van artikel 3.27, eerste lid, zou moeten zijn stopgezet, gebruik heeft gemaakt van het reisproduct. 3 Voor de uitvoering van het eerste lid, verstrekt de rechtspersoon die tot taak heeft het beheer van de aan de dragers van het reisproduct gekoppelde reisgegevens, op verzoek van RSR het gegeven of binnen een bepaalde periode gebruik is gemaakt van het reisproduct gekoppeld aan een bepaalde drager. 4 artikel 3.27, tweede lid Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit voor de uitvoering van. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 9.6a — Artikel 9.6a artikel 2.17a Verwerking van gegevens voor de toepassing van#
Artikel 9.6a artikel 2.17a Verwerking van gegevens voor de toepassing van 1 artikel 2.17a Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit ten behoeve van de toepassing van. 2 paragraaf 3.1 paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming artikel 2.17a Bij de verwerking van gegevens op grond van het eerste lid kunnen bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld inonderscheidenlijkworden verwerkt, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de toepassing van. 3 artikel 2.17a Ten behoeve van de toepassing vanverstrekt Onze Minister uitsluitend het gegeven of een persoon studiefinanciering heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt. 4 Artikel 1.7 is voor de gegevensverwerking, bedoeld in dit artikel, van overeenkomstige toepassing voor een persoon die studiefinanciering heeft aangevraagd. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld over: a. op welke wijze de gegevensverwerking bedoeld in dit artikel, plaatsvindt; b. op welke wijze door passende technische en organisatorische maatregelen deze gegevens worden beveiligd tegen verlies of onrechtmatige verwerking; c. op welke wijze wordt gewaarborgd dat de verwerkte persoonsgegevens slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor zij zijn verzameld, alsmede hoe daarop wordt toegezien. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 9.6b — Artikel 9.6b Gegevensuitwisseling met andere staten#
Artikel 9.6b Gegevensuitwisseling met andere staten 1 Onze Minister is bevoegd de persoonsgegevens die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken te verstrekken aan of uit te wisselen met de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studenten verantwoordelijke autoriteit van een andere staat. 2 De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van persoonsgegevens aan dat de student ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt. 3 artikel 2.14, eerste lid Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een student die studiefinanciering aanvraagt dan wel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een andere staat waar de student een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 9.6c — Artikel 9.6c Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte#
Artikel 9.6c Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte Vervallen 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 9.7 — Artikel 9.7 Niet verstrekken inlichtingen door instelling over studievoortgang#
Artikel 9.7 Niet verstrekken inlichtingen door instelling over studievoortgang Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 9.8 — Artikel 9.8 Niet verstrekken inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid mbo-studenten#
Artikel 9.8 Niet verstrekken inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid mbo-studenten artikel 2.4, onderdeel b artikel 4.5, eerste lid artikelen 4.3 4.4 4.5 Indien een instelling als bedoeld in, op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in, voert of niet na afloop van de in de,enbedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de mbo-studenten aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 9.9 — Artikel 9.9 artikel 1.5 Niet voldoen aan verplichtingen#
Artikel 9.9 artikel 1.5 Niet voldoen aan verplichtingen 1 artikel 1.5 Indien een student het normbedrag voor een uitwonende student toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening. 2 De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de student of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging. 3 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 9.9a — Artikel 9.9a artikel 1.5 Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen#
Artikel 9.9a artikel 1.5 Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen 1 artikel 9.9, eerste lid artikel 1.5 Indien Onze Minister de student een bestuurlijke boete als bedoeld in, heeft opgelegd en de student heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening. 2 artikel 9.9, eerste lid De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in, ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de student of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging. 3 Indien Onze Minister de student een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt. 4 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 09-06-2023 Is voor het eerst van toepassing in het studiejaar 2023–2024.
Artikel 9.10 — Artikel 9.10 Niet verstrekken van inlichtingen#
Artikel 9.10 Niet verstrekken van inlichtingen artikel 9.5 Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie. 2009 529 11-12-2009 19-11-2009 31981 2009 579 28-12-2009 14-12-2009 01-01-2010
Artikel 9.11 — Artikel 9.11 Overtreding van een bepaling krachtens deze wet#
Artikel 9.11 Overtreding van een bepaling krachtens deze wet Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 1 maand of geldboete van de tweede categorie. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 9.12 — Artikel 9.12 Overtreding#
Artikel 9.12 Overtreding artikelen 9.10 9.11 De in deenstrafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Tempobeurs#
Artikel 10.1 Tempobeurs Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 Reikwijdte; hoofdstuk uitsluitend van toepassing op cohorten 1991–1996#
Artikel 10.2 Reikwijdte; hoofdstuk uitsluitend van toepassing op cohorten 1991–1996 Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt#
Artikel 10.3 Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.4 — Artikel 10.4 artikelen 2.13 2.16 Afwijking van de(voorheen artikel 9, zevende lid) en(voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer#
Artikel 10.4 artikelen 2.13 2.16 Afwijking van de(voorheen artikel 9, zevende lid) en(voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.5 — Artikel 10.5 Duur van de tempobeurs (voorheen artikel 17a, tweede, derde, vierde en achtste lid)#
Artikel 10.5 Duur van de tempobeurs (voorheen artikel 17a, tweede, derde, vierde en achtste lid) Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.6 — Artikel 10.6 Toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang uitsluitend lening (voorheen artikel 17b)#
Artikel 10.6 Toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang uitsluitend lening (voorheen artikel 17b) Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.7 — Artikel 10.7 Voorwaardelijke toekenning studiefinanciering en latere vaststelling onvoorwaardelijke vorm (voorheen artikel 31a)#
Artikel 10.7 Voorwaardelijke toekenning studiefinanciering en latere vaststelling onvoorwaardelijke vorm (voorheen artikel 31a) Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10.8 — Artikel 10.8 Omzetting van integrale lening in gemengde toelage (voorheen artikel 31b)#
Artikel 10.8 Omzetting van integrale lening in gemengde toelage (voorheen artikel 31b) Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10a.1 — Artikel 10a.1 Reikwijdte#
Artikel 10a.1 Reikwijdte artikel 10a.2 Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010
Artikel 10a.2 — Artikel 10a.2 Overstappen#
Artikel 10a.2 Overstappen 1 paragraaf 6.1 Een debiteur die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van, waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als: a. artikel 6.1, tweede lid een lening beroepsonderwijs als bedoeld in, of; b. artikel 6.1, tweede lid artikel 12.14, vijfde lid een lening hoger onderwijs als bedoeld in, uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld in. 2 Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 10a.3 — Artikel 10a.3 hoofdstuk 6 Toepassing artikelen#
Artikel 10a.3 hoofdstuk 6 Toepassing artikelen artikelen 6.1 tot en met 6.6 6.8 6.9a 6.12 6.14 tot en met 6.17 De,,,, enzijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen, waarbij de lening van de debiteur wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 23-03-2022
Artikel 10a.4 — Artikel 10a.4 Aflosfase#
Artikel 10a.4 Aflosfase artikel 10a.6, derde lid artikel 10a.11, tweede lid De aflosfase beslaat behoudens toepassing van, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien, van toepassing is. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 10a.5 — Artikel 10a.5 Opschorten terugbetaling#
Artikel 10a.5 Opschorten terugbetaling 1 artikel 10a.4 In afwijking vankan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten. 2 De aflosfase wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het eerste lid. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het eerste lid. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 10a.6 — Artikel 10a.6 Vaststelling en aflossing termijnbetalingen#
Artikel 10a.6 Vaststelling en aflossing termijnbetalingen 1 Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen. 2 De hoogte van de maandelijkse termijnbetalingen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van: a. het eerste jaar van de aflosfase, b. het vierde jaar van de aflosfase, en c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase. 3 artikel 10a.7, eerste lid Onverminderd, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen ten minste € 545,–. 4 artikelen 6.4 6.6 Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. Deenzijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10a.7 — Artikel 10a.7 Vaststelling draagkracht debiteur#
Artikel 10a.7 Vaststelling draagkracht debiteur 1 Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase. 2 De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag. 4 Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10a.8 — Artikel 10a.8 Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis#
Artikel 10a.8 Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis 1 Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. 2 artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is, of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn. 3 Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf. 4 Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander. 5 Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander. 6 De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere. 7 In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden. 8 Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 10a.9 — Artikel 10a.9 Andere aanpassing van draagkracht debiteur#
Artikel 10a.9 Andere aanpassing van draagkracht debiteur artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in, van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 10a.10 — Artikel 10a.10 Draagkracht partner van debiteur#
Artikel 10a.10 Draagkracht partner van debiteur 1 10a.7 10a.8 6.12 6.13 Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen,,en. 2 Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijnbetaling wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10a.11 — Artikel 10a.11 Aanvraag draagkracht partner niet meetellen#
Artikel 10a.11 Aanvraag draagkracht partner niet meetellen 1 Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient. 2 Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar. 2009 246 23-06-2009 23-04-2009 31790 2009 247 23-06-2009 08-06-2009 01-01-2010
Artikel 10a.12 — Artikel 10a.12 Beide partners debiteur hoofdstuk 10a#
Artikel 10a.12 Beide partners debiteur hoofdstuk 10a artikel 10a.10, tweede lid Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijnbetaling. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is, van overeenkomstige toepassing. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10a.13 — Artikel 10a.13 hoofdstuk 6 Partner debiteur#
Artikel 10a.13 hoofdstuk 6 Partner debiteur 1 hoofdstuk 6 artikel 10a.10, eerste lid Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wievan toepassing is, blijft, buiten toepassing. 2 artikel 10a.10, tweede lid hoofdstuk 6 artikel 6.9, tweede lid Bij de toepassing van, wordt de draagkracht van de debiteur op wievan toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijnbetaling, bedoeld in. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Wijziging van bedragen#
Artikel 11.1 Wijziging van bedragen 1 artikelen 3.9, tweede lid 3.9a 3.18 3.27, tweede lid 4.7 4.18 5.2 Per 1 januari van ieder kalenderjaar wijzigt Onze Minister de bedragen, genoemd in de,,, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs,,,en, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar. 2 artikelen 6.9, derde lid 6.19, tweede lid, onderdeel b 10a.6, derde lid Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kunnen bij ministeriële regeling de bedragen, genoemd in de,, en, gelet op de loonontwikkeling worden gewijzigd. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Titel 4.2 Awb niet van toepassing#
Artikel 11.2 Titel 4.2 Awb niet van toepassing Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 11.3 — Artikel 11.3 Vervreemding, verpanding, belening en beslag#
Artikel 11.3 Vervreemding, verpanding, belening en beslag 1 Studiefinanciering is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening en beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. 2 Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 11.4 — Artikel 11.4 Inlichtingen aan particuliere ziektekostenverzekeraars#
Artikel 11.4 Inlichtingen aan particuliere ziektekostenverzekeraars Vervallen 2005 525 01-11-2005 06-10-2005 30124 2005 649 20-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 11.5 — Artikel 11.5 Hardheidsclausule#
Artikel 11.5 Hardheidsclausule Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 11.6 — Artikel 11.6 Bewaartermijn#
Artikel 11.6 Bewaartermijn Vervallen 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 19-04-2001 Treedt in werking als kst II 1998/99, 26410 tot wet wordt verheven.
Artikel 11.7 — Artikel 11.7 Bescherming persoonlijke levenssfeer#
Artikel 11.7 Bescherming persoonlijke levenssfeer Vervallen 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 19-04-2001 Treedt in werking als kst II 1998/99, 26410 tot wet wordt verheven.
Artikel 12.0a — Artikel 12.0a Wet op de studiefinanciering Begripsbepalingen#
Artikel 12.0a Wet op de studiefinanciering Begripsbepalingen artikel 1.1 artikel 1 van de Wet op de studiefinanciering In afwijking vanwordt voor de begrippen in deze paragraaf de begripsomschrijving gelezen in, zoals die luidde op 31 augustus 2000. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0b — Artikel 12.0b 141 Wsf Aanvang terugbetaling renteloze voorschotten ()#
Artikel 12.0b 141 Wsf Aanvang terugbetaling renteloze voorschotten () 1 Wet op de studiefinanciering In geval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs nog niet is aangevangen op 1 oktober 1986, vangt deze terugbetaling niet eerder aan dan op het tijdstip waarop op grond van de, zoals die luidde op 31 augustus 2000, de verplichting tot terugbetaling van de rentedragende lening begint. 2 artikelen 40, eerste en derde lid 41 tot en met 50 107 121 tot en met 127 130 132 van de Wet op de studiefinanciering De,,,,en, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0c — Artikel 12.0c 142 Wsf Samenloop terugbetalingen ()#
Artikel 12.0c 142 Wsf Samenloop terugbetalingen () 1 artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering In geval van samenloop van terugbetalingen van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs en terugbetaling van rentedragende lening, wordt het door de debiteur op jaarbasis te betalen bedrag gevormd door de som van het op jaarbasis vastgestelde terug te betalen bedrag aan renteloze voorschotten en van het jaarbedrag aan termijnen, waarin de rente en aflossing van de rentedragende lening ingevolge, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, vervallen. 2 artikelen 40, eerste en derde lid 41 tot en met 48 50 107 121 tot en met 127 130 132 van de Wet op de studiefinanciering De,,,,,en, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien de draagkracht van de debiteur lager is dan de te betalen termijn, de terugbetaling allereerst strekt ter voldoening van de oudste openstaande schuld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0d — Artikel 12.0d 143 Wsf Gevolgen voor samenstelling minimum terugbetalingsbedrag ()#
Artikel 12.0d 143 Wsf Gevolgen voor samenstelling minimum terugbetalingsbedrag () artikel 12.0c artikel 41, derde lid, van de Wet op de studiefinanciering In geval van samenloop van terugbetalingen als bedoeld in, wordt, zolang het renteloos voorschot nog niet is afgelost, voor de betrokkene, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, zo toegepast dat het minimumbedrag van f 1.200,– wordt verminderd met het in het desbetreffende jaar terug te betalen bedrag aan renteloos voorschot. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0e — Artikel 12.0e 144 Wsf Nieuwe vaststelling termijn ()#
Artikel 12.0e 144 Wsf Nieuwe vaststelling termijn () artikel 12.0c artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering Op 1 januari volgend op het tijdstip waarop de inbedoelde voorschotten volledig moeten zijn terugbetaald, wordt de termijn, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, opnieuw vastgesteld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0f — Artikel 12.0f 145 Wsf Terugbetaling renteloze voorschotten ()#
Artikel 12.0f 145 Wsf Terugbetaling renteloze voorschotten () 1 artikelen 40, eerste en derde lid 42 tot en met 48 50 107 121 tot en met 127 130 132 van de Wet op de studiefinanciering Ingeval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs is aangevangen voor dan wel op 1 oktober 1986, zijn de,,,,,en, zoals die luidden op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 42 tot en met 50 van de Wet op de studiefinanciering Voor de toepassing van de, zoals die luidden op 31 augustus 2000, wordt de aflosfase gesteld op 15 jaar en vangt de aflosfase aan op 1 januari 1987. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0g — Artikel 12.0g 147 Wsf Overgangsbepaling rijksstudietoelage ()#
Artikel 12.0g 147 Wsf Overgangsbepaling rijksstudietoelage () hoofdstuk II artikel 8 van de Wet op de studiefinanciering Op een studerende van 18 jaren of ouder aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs dan wel op een studerende van 21 jaren of ouder aan wie een soortgelijke rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van overig voortgezet onderwijs, is met ingang van 1 oktober 1986met uitzondering van, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.0h — Artikel 12.0h 148 Wsf Overgangsbepaling studerende die ouderonafhankelijk is ()#
Artikel 12.0h 148 Wsf Overgangsbepaling studerende die ouderonafhankelijk is () hoofdstuk II paragraaf 2 van titel 3 van de Wet op de studiefinanciering Op een studerende aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend onafhankelijk van het inkomen van de ouders of een van hen, is met ingang van 1 oktober 1986uitgezonderd, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.1 — Artikel 12.1 artikel 1.1 Afwijking van#
Artikel 12.1 artikel 1.1 Afwijking van 1 artikel 1.1, eerste lid artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW artikel 18.18 WHW Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in, en ten aanzien waarvanzoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is. 2 artikel 1.1, eerste lid artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, WHW artikel 18.18 WHW Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in, en ten aanzien waarvanzoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.1a — Artikel 12.1a artikel 1.5 Afwijking van#
Artikel 12.1a artikel 1.5 Afwijking van Vervallen 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.1a0 — Artikel 12.1a0 artikel 2.1 Afwijking van#
Artikel 12.1a0 artikel 2.1 Afwijking van Vervallen 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.1aa — Artikel 12.1aa artikel 2.3 Afwijking van#
Artikel 12.1aa artikel 2.3 Afwijking van Vervallen 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 12.1b — Artikel 12.1b artikel 2.8 Afwijking van#
Artikel 12.1b artikel 2.8 Afwijking van 1 artikel 2.8 artikelen 18.14 18.15 WHW 18.16 WHW artikel 1.1, onderdeel q, WHW In afwijking vankomt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in deof, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, ofvoor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld inis verleend. 2 artikel 2.8 artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen artikel 1.1, onderdeel q, WHW In afwijking vankomt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in(Stb. 1998, 216) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld inis verleend. 3 artikel 2.8 artikelen 6.9 16.10 WHW In aanvulling opkan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een ho-student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in deof, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.1ba — Artikel 12.1ba artikelen 2.12 5.4 artikel 2.14 Aanspraken op grond van deenen afwijking van#
Artikel 12.1ba artikelen 2.12 5.4 artikel 2.14 Aanspraken op grond van deenen afwijking van Vervallen 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.1c — Artikel 12.1c artikel 2.14 Afwijking van#
Artikel 12.1c artikel 2.14 Afwijking van Vervallen 2019 20 25-01-2019 19-12-2018 34989 2019 271 23-07-2019 10-07-2019 24-07-2019
Artikel 12.1ca — Artikel 12.1ca artikel 2.17 Afwijking van#
Artikel 12.1ca artikel 2.17 Afwijking van artikel 2.17 Voor een student die reeds vóór 1 juli 2009 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op 30 juni 2009 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van, zoals dat luidde op 31 juli 2015, als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt 1 juli 2009 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.1d — Artikel 12.1d Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting#
Artikel 12.1d Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin 3.12 6.10, tweede lid, onderdeel b 6.13 10a.8, tweede lid 10a.9 artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet hervorming kindregelingen In afwijking van de,,,,, enwordt bepaald of voor de ouder onderscheidenlijk de debiteur in het desbetreffende jaar de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in, zoals dat artikel in dat jaar luidde, van toepassing is, voor zover dein dat jaar nog niet in werking is getreden. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 11-02-2015 01-01-2015
Artikel 12.2 — Artikel 12.2 artikel 3.18 Afwijking vanvoor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel#
Artikel 12.2 artikel 3.18 Afwijking vanvoor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 12.3 — Artikel 12.3 artikel 3.21 Afwijking vanin het studiejaar 2007–2008#
Artikel 12.3 artikel 3.21 Afwijking vanin het studiejaar 2007–2008 Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 12.4 — Artikel 12.4 Afwijking van artikel 3.11#
Artikel 12.4 Afwijking van artikel 3.11 Vervallen 2004 17 27-01-2004 17-12-2003 29046 2004 45 12-02-2004 29-01-2004 13-02-2004
Artikel 12.5 — Artikel 12.5 Afwijking van artikel 3.17#
Artikel 12.5 Afwijking van artikel 3.17 Vervallen 2004 17 27-01-2004 17-12-2003 29046 2004 45 12-02-2004 29-01-2004 13-02-2004
Artikel 12.6 — Artikel 12.6 Afwijking van artikel 3.18#
Artikel 12.6 Afwijking van artikel 3.18 Vervallen 2004 17 27-01-2004 17-12-2003 29046 2004 45 12-02-2004 29-01-2004 13-02-2004
Artikel 12.7 — Artikel 12.7 Afwijking van artikel 3.27#
Artikel 12.7 Afwijking van artikel 3.27 Vervallen 2004 17 27-01-2004 17-12-2003 29046 2004 45 12-02-2004 29-01-2004 13-02-2004
Artikel 12.8 — Artikel 12.8 Afwijking van de artikelen 5.2, eerste lid, en 5.12#
Artikel 12.8 Afwijking van de artikelen 5.2, eerste lid, en 5.12 Vervallen 2008 387 02-10-2008 11-09-2008 31400 2008 409 21-10-2008 01-10-2008 22-10-2008
Artikel 12.9 — Artikel 12.9 artikelen 5.2 6.2 Afwijking van deen#
Artikel 12.9 artikelen 5.2 6.2 Afwijking van deen artikelen 5.2, eerste lid 6.2, tweede lid Op de ho-student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving, blijven de, en, van toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.9a — Artikel 12.9a Reeds toegekende reisvoorziening#
Artikel 12.9a Reeds toegekende reisvoorziening artikel 5.3 Op een ho-student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegekend, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2012, van toepassing. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.10 — Artikel 12.10 artikel 5.6 Afwijking van voormalig#
Artikel 12.10 artikel 5.6 Afwijking van voormalig 1 artikel 5.6 Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding: a. artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, WHW genoemd in, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, b. artikel 7.4, zesde lid, WHW genoemd in, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of c. artikel 18.20 WHW genoemd in. 2 artikel 5.6 artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, WHW Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een ho-student: a. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt. 3 artikel 5.6 Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft: a. artikel 18.15 WHW een opleiding als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en b. artikel 18.15 WHW artikel 18.15 WHW artikel 6.9 WHW een opleiding als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling. 4 artikel 5.6 In afwijking van, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een ho-student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor: a. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of b. artikel 6.9 WHW een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.10a — Artikel 12.10a artikel 6.3 Afwijking van#
Artikel 12.10a artikel 6.3 Afwijking van artikel 6.3 Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van, 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage, en wordt, indien het rentepercentage, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.3, 1,65 procent of lager bedraagt, gesteld op nul. 2013 88 08-03-2013 07-02-2013 33336 2013 276 03-07-2013 29-05-2013 04-07-2013
Artikel 12.10a1 — Artikel 12.10a1 langstudeerders geen rente verschuldigd#
Artikel 12.10a1 langstudeerders geen rente verschuldigd artikel 6.4 artikel 7.45, eerste lid, WHW In afwijking vanwordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in, zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.10b — Artikel 12.10b artikel 11.1 Tijdelijke afwijking van#
Artikel 12.10b artikel 11.1 Tijdelijke afwijking van Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 12.11 — Artikel 12.11 Aanpassingswet AWIR Afwijking in verband met de#
Artikel 12.11 Aanpassingswet AWIR Afwijking in verband met de Vervallen 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.12 — Artikel 12.12 Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht Afwijking in verband met de#
Artikel 12.12 Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht Afwijking in verband met de artikel III van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanis dezoals die geldt na inwerkingtreding van devan toepassing op alle betalingen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 12.13 — Artikel 12.13 Aanspraken en verplichtingen op grond van de Wet op de studiefinanciering#
Artikel 12.13 Aanspraken en verplichtingen op grond van de Wet op de studiefinanciering Vervallen 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.14 — Artikel 12.14 Cohortgarantie studievoorschot voor ho-studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo#
Artikel 12.14 Cohortgarantie studievoorschot voor ho-studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo 1 artikel 7.5c, derde lid, WHW Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing: a. hoofdstuk 1 artikelen 1.1 1.5 van, deen; b. hoofdstuk 2 artikelen 2.13, eerste lid 2.16, tweede lid 2.17 van, de,, en; c. hoofdstuk 3 artikelen 3.1, eerste en tweede lid 3.6 paragraaf 3.3 artikel 3.10, tweede lid van, de,, en, met uitzondering van; en d. hoofdstuk 5 artikel 5.9, eerste lid artikel 5.16, derde lid , met uitzondering van, en, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs; e. hoofdstuk 9 artikelen 9.1b 9.9 9.9a van, de,en. 2 artikel 3.18 In afwijking vangelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende ho-student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014: thuiswonende uitwonende artikel 3.18 a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van € 633,44 per 1 januari 2026: € 859,63 € 833,22 per 1 januari 2026: € 1.130,77 artikel 3.18 b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van € 100,25 per 1 januari 2026: € 136,07 € 279,14 per 1 januari 2026: € 378,82 artikel 3.18 c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van € 237,46 per 1 januari 2026: € 334,37 € 258,35 per 1 januari 2026: € 362,76 artikel 3.18 d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van € 295,73 per 1 januari 2026: € 389,19 € 295,73 per 1 januari 2026: € 389,19 3 Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen. 4 artikel 6.1, tweede lid artikel 10a.1 Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in, tenzijvan toepassing is. 5 Wet studievoorschot hoger onderwijs artikel 7.5c, derde lid, WHW artikel 6.1, tweede lid Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge degeen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 12.15 — Artikel 12.15 Tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs#
Artikel 12.15 Tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs 1 artikel 3.1 In dit artikel wordt onder tegemoetkoming begrepen: een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin de extra investeringen in het hoger onderwijs vanwege de Wet studievoorschot hoger onderwijs nog niet waren gedaan. 2 Voor een tegemoetkoming komt in aanmerking, degene die: a. in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs; b. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding heeft afgerond; en c. artikel 12.15 artikel I, onderdeel X, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs niet eerder het gehele vouchertegoed van een voucher als bedoeld in, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van, heeft verzilverd. 3 Per 1 januari 2026: € 2.167,34 De tegemoetkoming bedraagt voor een rechthebbende die de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde voucher niet heeft verzilverd € 1.835,94. Indien een rechthebbende de voucher reeds gedeeltelijk heeft verzilverd, bedraagt voor deze rechthebbende de tegemoetkoming de resterende waarde van de voucher, met een maximum van het bedrag genoemd in de eerste volzin. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval nadere regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. 5 De tegemoetkoming wordt toegekend vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 6 Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: rechthebbende op een tegemoetkoming. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 12.16 — Artikel 12.16 Verhoogde aanvullende beurs in het eerste jaar na invoering van het studievoorschot#
Artikel 12.16 Verhoogde aanvullende beurs in het eerste jaar na invoering van het studievoorschot 1 artikel 3.18 paragraaf 3.3 Wet studievoorschot hoger onderwijs per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 271,19 In afwijking vangeldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing vanvoor een ho-student die ingevolge degeen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35. 2 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 110,74 Voor de ho-student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.17 — Artikel 12.17 Partnertoeslag in de maanden na inwerkingtreding studievoorschot hoger onderwijs#
Artikel 12.17 Partnertoeslag in de maanden na inwerkingtreding studievoorschot hoger onderwijs Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-01-2016
Artikel 12.18 — Artikel 12.18 Reeds toegekende partnertoeslag#
Artikel 12.18 Reeds toegekende partnertoeslag artikel 3.4 3.6 4.7, eerste lid 4.10 5.2, eerste lid 5.7 Op de student die een toeslag als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2015, toegekend heeft gekregen, blijven ten aanzien van de toegekende toeslag de artikelen 3.4,,,,, en, zoals die artikelen luidden op 31 juli 2015, van toepassing. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.19 — Artikel 12.19 artikel 3.17 Afwijking vanin verband met overgangssituatie afschaffing bijverdiengrens voor hoger onderwijs#
Artikel 12.19 artikel 3.17 Afwijking vanin verband met overgangssituatie afschaffing bijverdiengrens voor hoger onderwijs 1 artikel 3.17 artikel 3.6 In afwijking vanblijft dat artikel, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, van toepassing op ho-studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 augustus 2015. 2 Wet studievoorschot hoger onderwijs artikel 3.6 In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een ho-student ingevolge devoor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een ho-student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op een basisbeurs bestaat, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 augustus 2015. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 12.20 — Artikel 12.20 artikel 3.21 Afwijking vantot 1 januari 2016#
Artikel 12.20 artikel 3.21 Afwijking vantot 1 januari 2016 1 artikel 3.21, derde lid In afwijking van, wordt in het studiejaar 2015–2016 geen terugwerkende kracht verleend voor zover de periode waarvoor terugwerkende kracht wordt gevraagd, is gelegen voor 1 januari 2016. 2 artikel 2.7, derde lid Dit artikel is niet van toepassing op de aanspraak, bedoeld in. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 12.21 — Artikel 12.21 Indexering#
Artikel 12.21 Indexering artikel 11.1 Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstigaan. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015 Is van toepassing ten aanzien van de deelnemer, bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 12.22 — Artikel 12.22 Aanvraag voor toekenning verlenging prestatiebeurs niet eerder dan in 2019#
Artikel 12.22 Aanvraag voor toekenning verlenging prestatiebeurs niet eerder dan in 2019 artikel 5.2b, tweede lid Een aanvraag voor toekenning van 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs, bedoeld in, kan niet eerder worden gedaan dan op 1 januari 2019. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 12.23 — Artikel 12.23 Overgangsbepaling Ad-programma en omzetting prestatiebeurs in gift#
Artikel 12.23 Overgangsbepaling Ad-programma en omzetting prestatiebeurs in gift artikel 7.8a WHW artikel 5.7 Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2017, blijft, zoals dat luidde op 31 december 2017, van toepassing voor de ho-student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.24 — Artikel 12.24 Omzetting prestatiebeurs in gift op aanvraag#
Artikel 12.24 Omzetting prestatiebeurs in gift op aanvraag artikel 5.7, eerste lid Tot 1 juni 2019 wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een ho-student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van, uitsluitend omgezet in een gift voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2017. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 12.25 — Artikel 12.25 Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte#
Artikel 12.25 Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte artikel 6.2a, derde lid Tot 1 juni 2019 wordt de kwijtschelding, bedoeld in, opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.26 — Artikel 12.26 Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld#
Artikel 12.26 Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld artikel 3.16a, tweede lid artikel 3.16d artikel 7.45, vijfde lid, WHW artikel 6.7 WHW In afwijking van, onderscheidenlijkkan een ho-student die verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld inverschuldigd is, tot 1 september 2019 ten hoogste het bedrag lenen van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW en voor zover van toepassing, gelezen in samenhang met. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.27 — Artikel 12.27#
Artikel 12.27 1 Artikel 3.27 , zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, blijft van toepassing op de bedragen die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren. 2 artikel 3.27, tweede lid De persoon die op 31 december 2018 reeds op grond van, een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf 1 januari 2019, op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de student wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op 1 januari 2019. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.28 — Artikel 12.28 Cohortgarantie meeneembare studiefinanciering#
Artikel 12.28 Cohortgarantie meeneembare studiefinanciering artikel 2.14 Op een student die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor het volgen van een opleiding buiten Nederland op grond van, zoals dat luidde op 23 juli 2019, blijft artikel 2.14 van toepassing zoals dat luidde op 23 juli 2019 zolang de student zonder onderbreking studiefinanciering geniet. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.29 — Artikel 12.29 Cohortgarantie mbo-student opleiding niveau 3 of 4 voor 1 augustus 2005#
Artikel 12.29 Cohortgarantie mbo-student opleiding niveau 3 of 4 voor 1 augustus 2005 artikelen 2.7a 2.15a 4.6 12.1aa Op de mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijven de,,envan toepassing zoals deze luidden op 31 maart 2020. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 12.30 — Artikel 12.30 Tegemoetkoming voor cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs#
Artikel 12.30 Tegemoetkoming voor cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs 1 artikel 3.1 Wet studievoorschot hoger onderwijs In dit artikel wordt onder tegemoetkoming begrepen: een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin een ho-student ingevolge degeen aanspraak kon maken op een basisbeurs. 2 Voor een tegemoetkoming komt in aanmerking, degene die: a. Wet studievoorschot hoger onderwijs in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2023 ingevolge degeen aanspraak kon maken op een basisbeurs; b. artikel 3.1, tweede lid gedurende de periode, bedoeld in onderdeel a, ten minste twaalf maanden aanspraak maakte op studiefinanciering als bedoeld in, niet zijnde het collegegeldkrediet; en c. artikel 5.7 binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld inheeft afgerond. 3 per 1 januari 2026: € 35,31 artikel 5.2, eerste lid artikel 5.2b, eerste of tweede lid De tegemoetkoming bedraagt € 29,92per maand voor iedere maand binnen de periode, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, dat de rechthebbende op een tegemoetkoming aanspraak maakte op studiefinanciering, niet zijnde het collegegeldkrediet, tot een maximum van de periode, genoemd in, en indien van toepassing, vermeerderd met de periode, genoemd in. 4 artikel 5.2, eerste lid artikel 5.7, eerste of derde lid In afwijking van het derde lid wordt, indien van toepassing, voor de periode, genoemd in, gelezen: de duur, genoemd in. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval regels gesteld over: a. de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming; b. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend. 6 artikel 11.1 Onze Minister past het bedrag, genoemd in het derde lid, overeenkomstigaan. 7 Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: de rechthebbende op een tegemoetkoming. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 12.31 — Artikel 12.31 Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met een handicap of chronische ziekte#
Artikel 12.31 Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met een handicap of chronische ziekte 1 artikel I, onderdeel M, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs artikel 6.2a Op een ho-student die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van, studiefinanciering ontving, blijft, zoals dat luidde voor dat tijdstip, van toepassing. 2 artikel 6.2a artikel 11.1 artikel I, onderdeel M, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs Het bedrag, genoemd in, tweede lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van, wordt aangepast overeenkomstig, zoals dat luidde voor dat tijdstip. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 12.32 — Artikel 12.32 Overgangssituatie terugbetalingsregels mbo#
Artikel 12.32 Overgangssituatie terugbetalingsregels mbo 1 artikel 6.1, derde lid artikelen 6.3 6.7, eerste lid 6.9, derde lid 6.10, tweede en derde lid 6.14, tweede lid artikel I, onderdelen N, O, P, Q en R, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs Onverminderd, blijven de,,,, en, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van, van toepassing op een debiteur met een schuld uit een lening beroepsonderwijs die uitsluitend voor dat tijdstip studiefinanciering beroepsonderwijs ontving. 2 artikel 6.1, derde lid artikel I, onderdelen N, O, P, Q en R, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs Onverminderd, kan een debiteur met een schuld uit een lening beroepsonderwijs die voor het tijdstip van inwerkingtreding vanvoor het eerst studiefinanciering beroepsonderwijs ontving en ook na dat tijdstip studiefinanciering beroepsonderwijs ontving, indien hij daartoe vóór aanvang van de aflosfase een aanvraag indient, de schuld aflossen overeenkomstig het eerste lid. 3 artikel 12.14, vierde lid Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een debiteur als bedoeld in. 4 Artikel 6.14, tweede lid artikel I, onderdeel R, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs , zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van, blijft eveneens van toepassing op een debiteur met een lening hoger onderwijs met een partner die een debiteur als bedoeld in het eerste lid is of die op grond van het tweede of derde lid de schuld aflost overeenkomstig het eerste lid. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het tweede lid. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-08-2023
Artikel 12.33 — Artikel 12.33 Overgangssituatie studievoorschotvouchers#
Artikel 12.33 Overgangssituatie studievoorschotvouchers Artikel 12.15 artikel 12.15 artikel I, onderdeel X, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs , zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van, blijft van toepassing op een voor dat tijdstip ingediende aanvraag om een voucher als bedoeld in, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het genoemde tijdstip van inwerkingtreding, in te zetten. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 13.1 — Artikel 13.1 Aanspraak op tegemoetkoming#
Artikel 13.1 Aanspraak op tegemoetkoming 1 artikel 3.1 Een student in de laatste fase van diens opleiding die in verband met de uitbraak van COVID-19 studievertraging heeft opgelopen, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming, niet zijnde studiefinanciering in de zin van. 2 Bij ministeriële regeling wordt in ieder geval vastgesteld: a. wat wordt verstaan onder laatste fase als bedoeld in het eerste lid; b. welke opleidingen aanspraak geven; c. wat wordt verstaan onder studievertraging in verband met de uitbraak van COVID-19 als bedoeld in het eerste lid; d. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend; en e. welke gegevens bij een aanvraag worden verstrekt. 2020 245 14-07-2020 08-07-2020 35497 2020 246 14-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 13.2 — Artikel 13.2 Omvang tegemoetkoming#
Artikel 13.2 Omvang tegemoetkoming artikel 13.1 De omvang van de tegemoetkoming, bedoeld in, wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Daarbij kan in ieder geval aan de hand van het aantal maanden studievertraging onderscheid worden gemaakt tussen verschillende groepen studenten. 2020 245 14-07-2020 08-07-2020 35497 2020 246 14-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 13.2a — Artikel 13.2a Aanspraak op extra reisvoorziening#
Artikel 13.2a Aanspraak op extra reisvoorziening 1 Een student kan in verband met de uitbraak van COVID-19 in aanmerking komen voor een extra reisvoorziening. 2 Bij ministeriële regeling wordt in ieder geval vastgesteld: a. onder welke voorwaarden en in welke gevallen een student voor de extra reisvoorziening in aanmerking komt; b. wat de omvang van de extra reisvoorziening is; c. in welke gevallen de extra reisvoorziening op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend. 3 artikel 3.21 artikel 3.24, tweede of vierde lid In afwijking vankan de extra reisvoorziening met terugwerkende kracht en voor een periode in een eerder studiejaar worden toegekend, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen het reisrecht en de vergoeding als bedoeld in. 4 Artikel 3.29 is niet van toepassing op de extra reisvoorziening, bedoeld in het eerste lid. 2023 4 10-01-2023 30-11-2022 36126 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023
Artikel 13.2b — Artikel 13.2b Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met halvering collegegeld#
Artikel 13.2b Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met halvering collegegeld artikel 3.16a, tweede lid artikel 3.16d, eerste lid, onderdeel a In afwijking van, onderscheidenlijk, kan een ho-student voor het studiejaar 2021–2022 in totaal ten hoogste € 903,33 per maand lenen. 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 01-09-2021
Artikel 13.3 — Artikel 13.3 Horizonbepaling#
Artikel 13.3 Horizonbepaling Dit hoofdstuk vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2020 245 14-07-2020 08-07-2020 35497 2020 246 14-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 14.1 — Artikel 14.1 Wet op de studiefinanciering Intrekking#
Artikel 14.1 Wet op de studiefinanciering Intrekking 1 Wet op de studiefinanciering Dewordt ingetrokken. 2 hoofdstuk VII van de Wet op de studiefinanciering artikel 119b In afwijking van het eerste lid blijftmet uitzondering vanvan kracht tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 3 artikelen 141 tot en met 148 van de Wet op de studiefinanciering In afwijking van het eerste lid blijven devan kracht. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 14.2 — Artikel 14.2 Inwerkingtreding#
Artikel 14.2 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op 1 september 2000, met uitzondering van: a. artikel 13.6 dat voor wat betreft de onderdelen B en C in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 augustus 2000, b. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel A in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 september 1996, en c. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel B in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 14-07-2000 In overleg met het ministerie moet de zinsnede
“artikel 13.6 dat voor wat betreft de onderdelen
B en C in werking treedt met ingang van de dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en
met 1 augustus 2000” zijn “artikel 13.6 dat voor
wat betreft de onderdelen B en C in werking
treedt met ingang van 1 augustus 2000.” Onderdeel A werkt terug tot en met 1 september 1996.
Artikel 14.3 — Artikel 14.3 Citeertitel#
Artikel 14.3 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet studiefinanciering 2000. 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000