Wet van 23 maart 2000 tot wijziging van de Mediawet in verband met de invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep
- BWB-id
- BWBR0011250
- Type
- Wet
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2004-07-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011250
- ELI
- /eli/nl/wet/2000/wijzigingswet-mediawet-inzake-invoering-van-een-vernieuwd-co
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2000/wijzigingswet-mediawet-inzake-invoering-van-een-vernieuwd-co/2004-07-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011250&g=2004-07-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011250&z=2026-06-06&g=2004-07-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011250/2004-07-21
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2000/wijzigingswet-mediawet-inzake-invoering-van-een-vernieuwd-co
Artikel I — Artikel I#
Artikel I Wijzigt de Mediawet. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2004 356 20-07-2004 06-07-2004 21-07-2004 Onderdeel SSS. 2004 233 03-06-2004 13-05-2004 28639 2004 356 20-07-2004 06-07-2004 21-07-2004 Onderdelen JJJa en JJJb.
Artikel II — Artikel II#
Artikel II Wijzigt de Telecommunicatiewet. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 01-09-2000
Artikel III — Artikel III#
Artikel III Wijzigt de wet van 13 november 1997 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep (Stb. 544). 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel IIIA — Artikel IIIA#
Artikel IIIA Wijzigt de Wet op de naburige rechten. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel IV — Artikel IV#
Artikel IV 1 artikel 16 van de Mediawet artikel 30a, van de Mediawet Aan de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in, wordt de concessie, bedoeld in, voor de eerste keer verleend met ingang van 1 september 2000, tenzij in het koninklijk besluit waarbij de concessie wordt verleend een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2 artikel 30b van de Mediawet Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde concessieverlening doet de Nederlandse Omroep Stichting een concessiebeleidsplan als bedoeld in, voor een door Onze Minister te bepalen datum toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen vier weken aan Onze Minister. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel V — Artikel V#
Artikel V 1 artikel 32 van de Mediawet artikel 31 van de Mediawet artikel 31 van de Mediawet In afwijking vanwordt aan een omroepvereniging die op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, houder is van een concessie als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, door Onze Minister een erkenning als bedoeld inverleend. 2 artikel 32 van de Mediawet artikel 37 van de Mediawet artikel 31 van de Mediawet In afwijking vanwordt aan een omroepvereniging die op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet houder is van een voorlopige concessie als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, door Onze Minister een erkenning als bedoeld inverleend indien de desbetreffende omroepvereniging tenminste 100 000 leden heeft. Het ledental wordt door het Commissariaat voor de Media vastgesteld op een door Onze Minister te bepalen peildatum. 3 artikel 32 van de Mediawet artikel 31 van de Mediawet In afwijking vanwordt aan de Stichting EDUCOM door Onze Minister een erkenning als bedoeld inverleend. 4 artikel 32, derde lid, van de Mediawet Een erkenning als bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt slechts verleend indien de desbetreffende omroepvereniging en de EDUCOM vooraf schriftelijk hebben verklaard met het oog op de uitvoering van de taak van de landelijke omroep bereid te zijn tot samenwerking als bedoeld in. De omroepvereniging en de EDUCOM tonen dit aan door middel van een bij de verklaring gevoegd overzicht van het voorgenomen programmabeleid en de voorgenomen samenwerking met andere omroepverenigingen, de Stichting en de Programmastichting. 5 artikel IV De erkenningen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend met ingang van het tijdstip waarop de krachtensaan de Nederlandse Omroep Stichting verleende concessie in werking treedt. 6 Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een omroepvereniging of de Stichting EDUCOM die schriftelijk aan Onze Minister te kennen heeft gegeven niet erkend te willen worden. 7 artikel 39, eerste lid, van de Mediawet artikel 103, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet artikel 13c, derde lid van de Mediawet artikel 103, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet In afwijking van, heeft een omroepvereniging als bedoeld in het tweede lid, die minder dan 300 000 leden heeft, gedurende de periode waarvoor op grond van het tweede lid een erkenning is verleend jaarlijks de beschikking over 260 uren zendtijd voor televisie en 1200 uren zendtijd voor radio. In afwijking van, bedraagt het bedrag dat een omroepvereniging als bedoeld in de vorige volzin ontvangt voor de verzorging van haar televisie-, onderscheidenlijk radioprogramma en de activiteiten als bedoeld in, veertig procent van het bedrag, bedoeld in. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel VI — Artikel VI#
Artikel VI 1 artikel 37a, tweede lid, van de Mediawet artikel 37, eerste lid, van de Mediawet In afwijking van het bepaalde bij of krachtens, kunnen voor de eerste keer omroepverenigingen die op dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet geen zendtijd als omroepvereniging hebben verkregen, binnen vier weken na inwerkingtreding van deze wet een aanvraag indienen voor een voorlopige erkenning als bedoeld in. 2 Het Commissariaat zendt de aanvraag met zijn opmerkingen binnen vier weken aan Onze Minister. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 3 Alvorens op een aanvraag voor een voorlopige erkenning te beslissen vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor cultuur. 4 artikel IV Een voorlopige erkenning als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend met ingang van het tijdstip waarop de krachtensaan de Nederlandse Omroep Stichting verleende concessie in werking treedt. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel VII — Artikel VII#
Artikel VII 1 De leden van de raad van bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn benoemd, worden na genoemd tijdstip geacht te zijn benoemd door de raad van toezicht, met instemming van Onze Minister. 2 artikel 19, derde lid, tweede volzin, van de Mediawet In afwijking van, is aansluitende herbenoeming van de in het eerste lid bedoelde leden meermalen mogelijk. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel VIII — Artikel VIII#
Artikel VIII 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tot twee jaar na inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin deze niet voorziet, regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van artikelen of onderdelen daarvan. 2 Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000
Artikel IX — Artikel IX#
Artikel IX De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2000 138 30-03-2000 23-03-2000 26660 2000 139 30-03-2000 28-03-2000 26660 31-03-2000