Wet van 13 december 2000 tot vaststelling van een kader voor de vereenvoudiging en de vernieuwing van het militaire pensioenstelsel (Kaderwet militaire pensioenen)
- BWB-id
- BWBR0011955
- Type
- Wet
- Ministerie
- Defensie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011955
- ELI
- /eli/nl/wet/2001/kaderwet-militaire-pensioenen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2001/kaderwet-militaire-pensioenen/2020-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011955&g=2020-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011955&z=2026-06-06&g=2020-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011955/2020-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2001/kaderwet-militaire-pensioenen
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; b. artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie beroepsmilitair: militair ambtenaar als bedoeld in, voor zover hij behoort tot degenen die zijn aangesteld bij het beroepspersoneel of daarmee gelijk zijn gesteld; c. Kaderwet dienstplicht dienstplichtige: dienstplichtige in de zin van de; d. artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie reservist: militair ambtenaar als bedoeld in, voor zover behorende tot het reserve-personeel; e. fonds: Stichting Pensioenfonds ABP; f. bestuur: bestuur van het fonds; g. pensioenreglement: pensioenreglement van het fonds. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 2 — Artikel 2 Het stelsel#
Artikel 2 Het stelsel 1 artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP De aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de daarmee samenhangende verplichtingen van de beroepsmilitair, de gewezen beroepsmilitair en hun nagelaten betrekkingen worden, met inachtneming van de bij of op grond van deze wet vastgestelde afwijkingen en aanvullingen, neergelegd in de overeenkomst naar burgerlijk recht, bedoeld in. 2 De in het eerste lid bedoelde nadere overeenkomst strekt zich mede uit tot de aanspraken op militair ouderdoms- en nabestaandenpensioen die voor het sluiten daarvan zijn opgebouwd. 3 De door het eerste en tweede lid beheerste pensioenaanspraken worden vastgelegd in het pensioenreglement. Aanspraken op militair pensioen worden rechtstreeks aan dat reglement ontleend. 4 Prepensioneringsaanspraken vanaf 60 jaar zullen worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. 5 Aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef- en werkvoorzieningen, worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. 6 De noodzakelijke nadere regels ter uitvoering van de in het vijfde lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur worden vastgesteld door Onze Minister. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 3 — Artikel 3 Lopende pensioenen en uitzichten#
Artikel 3 Lopende pensioenen en uitzichten 1 De wetten en regelingen waaraan de militairen en hun nagelaten betrekkingen op de datum van inwerkingtreding van deze wet een aanspraak op pensioen kunnen ontlenen, worden met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum, die voor de verschillende wetten of regelingen of groepen van rechthebbenden binnen die wetten of regelingen een andere kan zijn en niet kan liggen voor de datum waarop in de vervangende aanspraken is voorzien, buiten werking gesteld of ingetrokken. 2 artikel 2, vijfde lid Voor zover en zolang de aanspraken ingevolge de in het eerste lid bedoelde wetten en regelingen nog niet door de toepassing van dat lid zijn vervallen, ontleent een betrokkene geen aanspraken aan het pensioenreglement of de in, bedoelde algemene maatregelen van bestuur. 3 artikel 2, vijfde lid Zodra aanspraken ingevolge de in het eerste lid bedoelde wetten en regelingen door de toepassing van dat lid zijn vervallen, zet Onze Minister deze onmiddellijk om in aanspraken of uitzichten op grond van het pensioenreglement dan wel – zo nodig in aanvullende zin – op grond van de in, bedoelde algemene maatregelen van bestuur. De te volgen methode van omzetting garandeert individuele gelijkwaardigheid van uitzichten op pensioen en, voor het totaal van de aan dezelfde dienstverhouding te ontlenen nieuwe aanspraken, nominale gelijkheid van de op het omzettingsmoment al ingegane pensioenen. Het omzettingsproces laat de voorgeschreven periodieke betaling van de pensioenen onverlet. 4 Waar het een omzetting naar het pensioenreglement betreft, worden in elk geval de verschillen in pensioenniveau in acht genomen die krachtens de in te trekken regels tussen gehuwden en ongehuwden of daarmee gelijk te stellen rechthebbenden konden bestaan. Andere persoonlijke omstandigheden die ingevolge die vroegere regels het pensioenbedrag zouden kunnen beïnvloeden werken bij een omzetting naar het pensioenreglement door naar de situatie op een voor alle uitzichten en rechten geldende vaste peildatum. Tenzij dat uitdrukkelijk anders wordt bepaald heeft een wijziging van de laatstbedoelde omstandigheden na die peildatum geen invloed op de na omzetting gevonden nieuwe pensioenbedragen. Onze Minister legt de te hanteren werkwijze vast in een nadere regeling. 5 Van de in het derde lid bedoelde omzettingen ontvangt de belanghebbende zo spoedig mogelijk een overzicht van Onze Minister. Dat overzicht geeft een beeld van de oude en de nieuwe pensioensituatie op het omzettingsmoment of, voor zover van toepassing, op de in het vierde lid bedoelde peildatum. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 4 — Artikel 4 Financiering/uitvoering#
Artikel 4 Financiering/uitvoering 1 artikel 2, eerste lid De aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van Hoofdstuk X van de Rijksbegroting, wat de in,bedoelde pensioenaanspraken betreft, voor zoveel mogelijk in de vorm van een premie, nodig voor de instandhouding van een kapitaaldekkingsstelsel, en voor het overige als rechtstreekse begrotingslast. 2 artikel 2, eerste lid De uitvoering van de pensioenaanspraken voor militairen en hun nagelaten betrekkingen, bedoeld in, wordt ondergebracht bij het fonds. Het fonds beheert de betreffende pensioenaanspraken en uitzichten voor zoveel mogelijk naar de grondslagen van het voor de pensioenen voor het overig overheidspersoneel geldende financieringsstelsel. Onze Minister en het bestuur sluiten met het oog op die uitvoering en dat beheer een overeenkomst naar burgerlijk recht. 3 De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, omvat ten minste: a. een nadere verdeling van de in het eerste lid bedoelde aanspraken naar aanspraken die worden gefinancierd op kapitaaldekkings- of declaratiebasis; b. de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de pensioenlasten en uitvoeringskosten van de niet op kapitaaldekkingsbasis te financieren aanspraken bij Onze Minister kunnen worden gedeclareerd. 4 Met het oog op het aanvullende of aanverwante karakter daarvan is Onze Minister bevoegd ook de uitvoering van het niet door het tweede lid bestreken deel van de militaire pensioenvoorzieningen in zijn geheel of in delen buiten het ministerie van Defensie onder te brengen. Met het betreffende uitvoeringsorgaan sluit Onze Minister alsdan een overeenkomst naar burgerlijk recht, ten minste inhoudende de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de bedoelde aanvullende pensioenlasten en daarmee samenhangende extra uitvoeringskosten bij hem kunnen worden gedeclareerd. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 5 — Artikel 5 Eigen bijdrage#
Artikel 5 Eigen bijdrage artikel 2, eerste lid De eigen bijdrage van de beroepsmilitair aan de op deze wet steunende pensioenvoorzieningen wordt, voor zover de in, bedoelde overeenkomst daarin niet voorziet, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 6 — Artikel 6 Pensioenwet#
Artikel 6 Pensioenwet 1 Pensioenwet artikel 2, eerste lid Deis van toepassing op de nadere overeenkomst, bedoeld in. 2 artikelen 93 216 van de Pensioenwet Behoudens deenis het eerste lid niet van toepassing op de pensioenvoorzieningen van: a. artikel 3, eerste lid artikel 4, tweede lid de militair, voor zover die zijn bepaald door pensioengeldige tijd die voorafgaat aan de in, bedoelde datum, en voor zover deze op grond van deze wet en binnen het raam van de overeenkomst, bedoeld in, op declaratiebasis worden gefinancierd; b. artikel 3, eerste lid de nagelaten betrekkingen van de militair, die zijn afgeleid van de aanspraak dan wel het recht op ouderdomspensioen voor zover dat is opgebouwd tot aan de in, bedoelde datum. 2006 706 22-12-2006 07-12-2006 30655 2006 707 22-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 7 — Artikel 7 Intrekking bestaande wetgeving#
Artikel 7 Intrekking bestaande wetgeving 1 artikel 3, eerste lid Overeenkomstig het bepaalde in, zullen, zo nodig na een voorafgaande groepsgewijze buiten werking stelling als daar bedoeld, worden ingetrokken: 1°. Algemene militaire pensioenwet; 2°. Pensioenwet voor de landmacht 1922; 3°. Pensioenwet voor de zeemacht 1922; 4°. Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923; 5°. Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923; 6°. Bijzondere pensioenwet reserve-personeel landmacht (Sb. 1949, J 344); 7°. Pensioenwet voor de vrijwilligers bij den landstorm 1925; 8°. Wet buitengewoon pensioen 1914–1918 (Sb. 1948, I 496); 9°. Wet van 4 november 1950 tot nadere vaststelling van de regelingen op het gebied van militaire pensioenen, welke gedurende de vijandelijke bezetting zijn uitgevaardigd, zomede nadere wijziging van verschillende wetten, welke regelen geven inzake militair pensioen (Sb. 1950, K 479); 10°. Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956; 11°. Wet van 22 december 1938, tot regeling van de pensioenen voor officieren der Koninklijke marine-reserve, die zich – ter aanvulling van een bij de Koninklijke Marine bestaand tekort aan beroepsofficieren – krachtens een daartoe door hen gesloten vrijwillige verbintenis voor onbepaalden tijd in actieven dienst bevinden, alsmede voor hunne weduwen en weezen (Stb. 1938, 504). 2 artikelen 2, tweede lid, onderdeel f 9 16 28 tot en met 31 van de Wet privatisering ABP artikel 28 van die wet De,,envervallen met dien verstande, dat voor het buiten werking stellen of intrekken van het opsteunende Nabestaandenreglement militairen en het op artikel 31 daarvan steunende Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen dezelfde procedure zal gelden als voor de in het eerste lid genoemde wetten. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 8 — Artikel 8 Nadere pensioenovereenkomst#
Artikel 8 Nadere pensioenovereenkomst Onze Minister is bevoegd om, in overeenstemming met de meerderheid van de Centrales van Overheidspersoneel die in het Sectoroverleg Defensie vertegenwoordigd zijn, ter uitwerking van hetgeen in deze wet wordt bepaald een nadere pensioenovereenkomst te sluiten met de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 9 — Artikel 9 Inwerkingtreding#
Artikel 9 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001
Artikel 10 — Artikel 10 Citeertitel#
Artikel 10 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet militaire pensioenen. 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 2001 37 30-01-2001 13-12-2000 26686 31-01-2001