Wet van 16 november 2001 tot vaststelling van regels voor het tot stand brengen van een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg in de ruimste zin (Wet arbeid en zorg)
- BWB-id
- BWBR0013008
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013008
- ELI
- /eli/nl/wet/2001/wet-arbeid-en-zorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2001/wet-arbeid-en-zorg/2025-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013008&g=2025-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013008&z=2026-06-06&g=2025-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013008/2025-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2001/wet-arbeid-en-zorg
Artikel 1:1 — Artikel 1:1#
Artikel 1:1 Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder: a. werkgever: degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten; b. werknemer: de ander, bedoeld in onderdeel a. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 1:2 — Artikel 1:2#
Artikel 1:2 1 Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder loon: de naar tijdruimte vastgestelde vergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen arbeid. 2 Voor de toepassing van deze wet wordt, indien het loon op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, als loon beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij geen gebruik had gemaakt van een door deze wet gegeven recht op verlof, gedurende die tijd had kunnen verdienen. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 1:3 — Artikel 1:3#
Artikel 1:3 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: a. artikel 112 van de Wet financiering sociale verzekeringen Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds, bedoeld in; b. artikel 93 van de Wet financiering sociale verzekeringen Algemeen Werkloosheidsfonds: het fonds, bedoeld in; c. hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in; d. artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wet ambtenaren defensie militaire ambtenaar: de militaire ambtenaar, bedoeld in; e. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2 Voor de toepassing van deze wet is sprake van ongehuwd samenwonen als twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de eerste volzin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding danwel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. 3 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder levensbedreigend ziek: de gezondheidssituatie die zo ernstig is dat volgens objectieve medische maatstaven het leven van de persoon op korte termijn ernstig gevaar loopt. 4 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder hulpbehoevend: de toestand van een persoon waardoor deze ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang hulp nodig heeft die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden en die de gebruikelijke hulp overstijgt. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 1:4 — Artikel 1:4#
Artikel 1:4 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met een collectieve arbeidsovereenkomst gelijkgesteld een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 1:5 — Artikel 1:5#
Artikel 1:5 artikelen 4:7 5:16 Voor de toepassing van deengeldt een afwijkende regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan of een afwijkende regeling waaromtrent de werkgever schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad, of bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging, voor vijf jaren vanaf het tijdstip waarop die regeling ingaat, indien geen termijn van ten hoogste vijf jaren is bepaald. Indien geen termijn is bepaald gaat bij wijziging van de regeling waarvan de in de eerste zin bedoelde afwijking deel uitmaakt binnen het in die zin bedoelde tijdvak, ten aanzien van de afwijking een nieuw tijdvak in op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging. 2005 274 31-05-2005 28-04-2005 28467 2005 278 31-05-2005 23-05-2005 01-06-2005
Artikel 1:6 — Artikel 1:6#
Artikel 1:6 1 De werknemer die verlof geniet op grond van deze wet behoudt gedurende het verlof de reeds verworven of in opbouw zijnde rechten die uit de arbeidsverhouding voortvloeien. Na afloop van het verlof zijn die rechten, met inbegrip van de uit de wet, collectieve arbeidsovereenkomst dan wel gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing. 2 De werknemer die verlof geniet op grond van deze wet wordt in staat gesteld om na afloop van het verlof onder voor hem niet minder gunstige voorwaarden en omstandigheden terug te keren in de oorspronkelijke of een gelijkwaardige functie en te profiteren van elke verbetering van arbeidsvoorwaarden waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij het verlof niet had genoten. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 1:7 — Artikel 1:7#
Artikel 1:7 De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een recht op verlof als bedoeld in deze wet geldend maakt, ter zake bijstand heeft verleend, of hieromtrent een klacht binnen de onderneming heeft ingediend. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 3:1 — Artikel 3:1#
Artikel 3:1 1 De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. 2 Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of vanaf tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft. 3 Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen. 4 artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke werknemer op grond vanziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten. 5 Als een kind tijdens het bevallingsverlof vanwege zijn medische toestand in een ziekenhuis is opgenomen, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal opnamedagen, te rekenen vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het bevallingsverlof is uitsluitend van toepassing voor zover de ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee het bevallingsverlof als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd. 6 In afwijking van het derde lid kan de vrouwelijke werknemer de werkgever verzoeken het bevallingsverlof op te delen na 6 weken waarop het recht op dat verlof is ingegaan. De vrouwelijke werknemer kan dit deel van het verlof opnemen gedurende het tijdvak van 30 weken, welk tijdvak aanvangt de dag nadat het bevallingsverlof is opgedeeld. Het verzoek wordt gedaan uiterlijk drie weken nadat het verlof is ingegaan. 7 De omvang van het bevallingsverlof dat is opgedeeld en dat later wordt opgenomen is gelijk aan de arbeidsduur per week ten tijde van het bevallingsverlof dat volgt na de werkelijke datum van de bevalling. 8 De werkgever stemt uiterlijk twee weken nadat het verzoek, bedoeld in het zesde lid, is gedaan in met het verzoek, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet. 9 Ingeval van toepassing van het vijfde lid, ziet het verzoek, bedoeld in het zesde lid, op de periode na afloop van de verlenging, bedoeld in het vijfde lid. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-04-2018
Artikel 3:1a — Artikel 3:1a Overgang bevallingsverlof#
Artikel 3:1a Overgang bevallingsverlof 1 artikel 3:6 Indien op de dag van de bevalling dan wel tijdens het bevallingsverlof de vrouwelijke werknemer overlijdt en een akte van geboorte van haar kind is opgemaakt heeft haar partner, indien deze werknemer is als bedoeld in, recht op het resterende bevallingsverlof met behoud van loon. 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als partner aangemerkt degene die: a. ten tijde van het overlijden van de moeder met haar was gehuwd of een geregistreerd partnerschap was aangegaan; of b. het kind heeft erkend. 3 artikel 3:1, derde en vijfde lid De duur van het resterende bevallingsverlof wordt berekend overeenkomstig. Artikel 3:1, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op het opnemen van het resterende bevallingsverlof, met dien verstande dat in plaats van «vrouwelijke werknemer» telkens wordt gelezen: partner. 4 artikel 3:6 artikel 3:17, eerste lid afdeling 2 van hoofdstuk 3 De partner, die werknemer is als bedoeld in, heeft ook recht op verlof met behoud van loon, indien de moeder van het kind een gelijkgestelde was als bedoeld in artikel 3:6, een zelfstandige of een beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst als bedoeld in, of geen recht had op bevallingsverlof of een uitkering als bedoeld in. 5 De werkgever kan het op grond van het eerste of vierde lid voldane loon binnen zes weken na afloop van het resterende bevallingsverlof in rekening brengen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De werkgever verstrekt genoemd instituut een afschrift van de akte van geboorte van het kind en van de akte van overlijden van de moeder. Het loon wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat. 6 Indien het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, niet tijdig wordt gedaan, wordt de vergoeding van het op grond van het eerste of vierde lid voldane loon uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarover dit loon in rekening wordt gebracht, valt in het jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de werkgever afwijken van de eerste zin. 7 afdeling 2 van hoofdstuk 3 Artikel 3:1, vijfde lid Indien de moeder gelijkgestelde, zelfstandige of beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst was, wordt de duur van het verlof gelijkgesteld aan de duur van het resterende recht op uitkering, bedoeld in. Indien de moeder geen recht had op bevallingsverlof of een uitkering als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3, eindigt het verlof van de partner tien weken na de dag waarop het kind is geboren., is van overeenkomstige toepassing. 8 De partner meldt het overlijden van de moeder en de opname van het verlof uiterlijk op de tweede dag volgend op haar overlijden bij zijn werkgever. De partner verstrekt de werkgever binnen vier weken na het overlijden van de moeder een afschrift van de akte van geboorte van het kind en van de akte van overlijden van de moeder. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 01-01-2016
Artikel 3:2 — Artikel 3:2#
Artikel 3:2 1 De werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind recht op verlof zonder behoud van loon. 2 Het recht op verlof in verband met adoptie bestaat gedurende een tijdvak van zesentwintig weken en bedraagt ten hoogste zes aaneengesloten weken. Het recht bestaat vanaf vier weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 3 Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het recht op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen. 4 In afwijking van het tweede lid, eerste zin, kan de werknemer de werkgever verzoeken om het verlof te spreiden gedurende een tijdvak van zesentwintig weken. De werkgever kan dit verzoek afwijzen, indien zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 5 artikelen 3:3, derde lid 3:4 3:5 artikel 5:1, tweede lid, onder d Het eerste, tweede, derde en vierde lid en de,enzijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer die een pleegkind opneemt als bedoeld in. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-01-2019 Artikel IX, eerste lid, van Stb. 2018/451 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:3 — Artikel 3:3#
Artikel 3:3 1 De vrouwelijke werknemer meldt aan de werkgever: a. de dag met ingang waarvan zij het zwangerschapsverlof opneemt uiterlijk drie weken voor die dag; b. haar bevalling uiterlijk op de tweede dag volgend op die van de bevalling. 2 artikel 3:1 3:1a De werknemer die op grond vanofverlof geniet meldt de werkgever de dag waarop het kind vanwege zijn medische toestand tijdens het voornoemde verlof in het ziekenhuis is opgenomen alsmede wanneer de opname is beëindigd. Uiterlijk op de laatste dag van het in de eerste zin bedoelde verlof geeft het ziekenhuis op verzoek van de werknemer een verklaring af, waarin de gehele duur van de opname van het kind in het ziekenhuis tijdens het verlof staat vermeld. De werknemer verstrekt deze verklaring onverwijld aan de werkgever. 3 De werknemer meldt aan de werkgever het opnemen van het verlof in verband met adoptie zo mogelijk uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 3:4 — Artikel 3:4#
Artikel 3:4 artikelen 3:1 3:1a 3:2 Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld in de,en, kunnen niet worden aangemerkt als vakantie. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 3:5 — Artikel 3:5#
Artikel 3:5 1 Behoudens het tweede lid kan van deze afdeling niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. 2 Coördinatiewet uitzonderingstoestanden artikelen 3:1 3:1a 3:2 In geval van buitengewone omstandigheden als bedoeld in dekan Onze Minister van Defensie voor de militaire ambtenaar afwijken of doen afwijken van de,en. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 3:6 — Artikel 3:6#
Artikel 3:6 1 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. artikel 1:1, onderdeel b Eerste Afdeling, Paragraaf 2, van de Ziektewet wet werknemer: de werknemer, bedoeld in, met uitzondering van degene die op grond van degeen werknemer in de zin van dieis; b. artikel 1:1, onderdeel b gelijkgestelde: degene die geen werknemer is als bedoeld in, doch 1°. Eerste Afdeling, Paragraaf 2, van de Ziektewet artikel 8a die wet op grond van de, met uitzondering van, wel werknemer in de zin vanis, of 2°. hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op grond vanrecht heeft op de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten; c. artikel 1:1, onderdeel a artikelen 10 11 12 van de Ziektewet werkgever: de werkgever, bedoeld in, of de,of. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt mede verstaan onder: a. artikel 1:1, onderdeel b Tweede Afdeling, Hoofdstuk IV, van de Ziektewet werknemer: de werknemer, bedoeld in, die vrijwillig verzekerd is als bedoeld in de; b. Tweede Afdeling, Hoofdstuk IV, van de Ziektewet gelijkgestelde: degene die geen werknemer is als bedoeld in onderdeel a doch wel vrijwillig verzekerd is als bedoeld in de. 2005 573 22-11-2005 10-11-2005 30118 2005 619 08-12-2005 02-12-2005 29-12-2005
Artikel 3:7 — Artikel 3:7#
Artikel 3:7 1 artikel 3:1, tweede, derde en vijfde lid De vrouwelijke werknemer heeft gedurende de periode dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig, recht op uitkering. 2 artikel 3:2, tweede lid of vijfde lid De werknemer heeft gedurende de periode dat het verlof in verband met adoptie of de opname van een pleegkind wordt genoten overeenkomstig, recht op uitkering. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 3:8 — Artikel 3:8#
Artikel 3:8 1 De vrouwelijke gelijkgestelde heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken, overeenkomstig het tweede en derde lid. 2 Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke gelijkgestelde dat wenst vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft. 3 Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen. 4 Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke gelijkgestelde ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op uitkering in verband met zwangerschap maar die uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten. 5 Artikel 3:3, tweede lid Als een kind tijdens de periode waarop een recht op uitkering in verband met bevalling bestaat vanwege zijn medische toestand in het ziekenhuis is opgenomen, wordt het recht op uitkering in verband met bevalling verlengd met de tijd dat het kind in het ziekenhuis heeft doorgebracht vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag waarop het recht op uitkering bestaat tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het recht op uitkering in verband met de bevalling is uitsluitend van toepassing voor zover de aldaar bedoelde ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee de uitkering in verband met de bevalling als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd., is van overeenkomstige toepassing. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-04-2018
Artikel 3:9 — Artikel 3:9#
Artikel 3:9 1 De gelijkgestelde heeft in verband met de adoptie van een kind recht op uitkering. 2 Het recht op uitkering in verband met adoptie bedraagt ten hoogste zes aaneengesloten weken gedurende een tijdvak van zesentwintig weken. Het tijdvak van zesentwintig weken gaat in vier weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 3 Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het recht op uitkering slechts ten aanzien van één van die kinderen. 4 artikel 5:1, tweede lid, onder d Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer die een pleegkind opneemt als bedoeld in. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-01-2019 Artikel IX, eerste lid, van Stb. 2018/451 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:10 — Artikel 3:10#
Artikel 3:10 1 artikelen 3:7, eerste lid 3:8, eerste en vijfde lid artikel 3:6, eerste lid Een recht op uitkering als bedoeld in de, en, komt mede toe aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk is onderscheidenlijk plaatsvindt, binnen een periode van tien weken na het tijdstip dat zij niet langer werknemer of gelijkgestelde is als bedoeld in. 2 artikelen 3:7, tweede lid 3:9, eerste lid artikel 3:6, eerste lid Een recht op uitkering als bedoeld in de, en, komt mede toe aan de persoon die, op de eerste dag dat een kind feitelijk ter adoptie is opgenomen, korter dan tien weken geen werknemer of gelijkgestelde meer is als bedoeld in. 3 artikel 5:1, tweede lid, onder d Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die een pleegkind opneemt als bedoeld in. 4 artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b, onder 2° Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing indien het een gelijkgestelde betreft als bedoeld in. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2017
Artikel 3:11 — Artikel 3:11#
Artikel 3:11 1 De vrouwelijke werknemer of gelijkgestelde, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk de datum waarop zij het recht op uitkering wil laten ingaan. Bij die aanvraag wordt gemeld: artikel 3:1, vijfde lid 3:8, vijfde lid artikel 3:3, tweede lid Indien het bevallingsverlof van de vrouwelijke werknemer of het recht op uitkering van de vrouwelijke werknemer of gelijkgestelde wordt verlengd op grond van, onderscheidenlijk, brengt de werkgever het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvan op de hoogte. De werkgever verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de op verzoek van de vrouwelijke werknemer of gelijkgestelde door het ziekenhuis af te geven verklaring, bedoeld in. a. de vermoedelijke datum van bevalling; b. de datum waarop het zwangerschapsverlof ingaat dan wel de datum waarop de gelijkgestelde het recht op uitkering wil laten ingaan. 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de vrouwelijke werknemer of gelijkgestelde, uiterlijk binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering geëindigd is, een verklaring vragen van een arts of verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling, welke is opgemaakt uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk twee weken voor de datum waarop de vrouwelijke werknemer of gelijkgestelde het recht op uitkering wil laten ingaan. 3 De werknemer of gelijkgestelde, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het verlof in verband met adoptie of pleegzorg onderscheidenlijk de datum waarop hij het recht op uitkering wil laten ingaan. Bij de aanvraag worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen en wanneer die opneming ter adoptie of pleegzorg heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Bij die aanvraag wordt de datum waarop het verlof in verband met adoptie of pleegzorg ingaat gemeld dan wel de datum waarop hij het recht op uitkering wil laten ingaan. 4 Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie of pleegzorg, valt in het jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de werknemer of gelijkgestelde afwijken van de eerste zin. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 3:12 — Artikel 3:12#
Artikel 3:12 1 Artikel 3:11, eerste lid, tweede volzin artikel 3:8, vijfde lid Artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin Indien de vrouwelijke gelijkgestelde, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, geen werkgever heeft, doet zij de aanvraag daartoe bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor de datum waarop zij het recht op uitkering wil laten ingaan., is van toepassing. Indien het recht op uitkering van de vrouwelijke gelijkgestelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt verlengd op grond van, brengt zij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvan op de hoogte., is van overeenkomstige toepassing. De vrouwelijke gelijkgestelde verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de op haar verzoek door het ziekenhuis af te geven verklaring, bedoeld in artikel 3:3, tweede lid. 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de vrouwelijke gelijkgestelde, uiterlijk binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering geëindigd is, een verklaring vragen van een arts of verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling, welke is opgemaakt uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk twee weken voor de datum waarop de vrouwelijke gelijkgestelde het recht op uitkering wil laten ingaan. 3 Artikel 3:11, derde lid, tweede en derde volzin Indien de gelijkgestelde, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, geen werkgever heeft, doet hij de aanvraag daartoe bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor ingang van de datum waarop hij het recht op uitkering wil laten ingaan., is van toepassing. 4 Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie of pleegzorg, valt in het jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de gelijkgestelde afwijken van de eerste zin. 5 artikel 3:10 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gelijkgestelde mede verstaan degene die recht op uitkering heeft op grond van. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 3:13 — Artikel 3:13#
Artikel 3:13 1 De uitkering, bedoeld in deze paragraaf, bedraagt per dag het dagloon. 2 hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 3:6 artikel 3:10 Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze paragraaf recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon, bedoeld in, dat de werknemer of de gelijkgestelde, bedoeld in, dan wel de betrokkene, bedoeld in, in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering op grond van deze paragraaf is ontstaan, verdiende in de dienstbetrekking waaruit dat recht is ontstaan, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in, met betrekking tot een loontijdvak van een dag. 3 artikel 3:6, eerste lid artikel 3:10 Ziektewet Werkloosheidswet artikel 18 hoofdstuk IV Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen In afwijking van het tweede lid, wordt, indien de gelijkgestelde, bedoeld in, direct voorafgaand aan het recht op uitkering op grond van deze wet of de betrokkene, bedoeld in, voorafgaand aan het recht op uitkering op grond van deze wet, een recht op uitkering heeft gehad op grond van de, de, met uitzondering vanen, of de, voor de hoogte van het dagloon uitgegaan van het dagloon zoals dat op grond van de Ziektewet, Werkloosheidswet, of Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is vastgesteld en herzien. 4 artikel 3:6, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling en de herziening van het dagloon, bedoeld in het tweede en derde lid, nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld, onder meer over de vaststelling en herziening van het dagloon wanneer de dienstbetrekking in het tweede lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in dat lid en over de vaststelling van het dagloon voor de vrijwillig verzekerde, bedoeld in, van deze wet. 5 artikel 16 van de Ziektewet Op een op grond van dit artikel vastgesteld dagloon, isvan overeenkomstige toepassing. 6 artikel 10d, eerste of tweede lid, van de Participatiewet artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet artikel 3:7, eerste lid Indien het gaat om een werknemer waarvoor de werkgever loonkostensubsidie als bedoeld inontvangt en de werknemer recht heeft op een uitkering als bedoeld in, wordt de uitkering vermenigvuldigd met de voor die werknemer vastgestelde loonwaarde, bedoeld in. 7 Voor de toepassing van het zesde lid wordt: a. indien de voor de werknemer vastgestelde loonwaarde lager is dan 30 procent, de loonwaarde gesteld op 30 procent; b. artikel 10d, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet indien de loonkostensubsidie, met toepassing vanwordt verstrekt zonder dat de loonwaarde is vastgesteld, de loonwaarde gesteld op 50 procent. 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het zesde en zevende lid. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 3:14 — Artikel 3:14#
Artikel 3:14 1 De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van een maand. 2 De uitkering wordt betaald over iedere dag, doch niet over de zaterdagen en de zondagen. 3 40 41 47a 48 85 van de Ziektewet De artikelen,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2011 618 20-12-2011 01-12-2011 33015 2011 619 20-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 3:14a — Artikel 3:14a Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming#
Artikel 3:14a Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming 1 Is van de aanvrager of ontvanger van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat hij is vertrokken naar een onbekend land van verblijf, dan verzoekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem de afwijkende registratie in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken. 2 Wanneer na afloop van deze termijn, de afwijkende registratie niet is beëindigd of als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek heeft genomen, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de uitkering aan de persoon, die recht heeft op de uitkering, op. 3 De opschorting wordt beëindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen. 4 Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de uitkering op tot verblijf in het buitenland kan worden vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijziging geformuleerd
die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 3:15 — Artikel 3:15#
Artikel 3:15 Vervallen 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015 01-01-2014
Artikel 3:16 — Artikel 3:16#
Artikel 3:16 1 Ziektewet Met betrekking tot een uitkering op grond van deze paragraaf zijn de volgende artikelen van deen de op die artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing: a. artikelen 19a 19b 19c 87c ter zake van het recht op uitkering: de,,en; b. artikel 30a ter zake van herziening of intrekking:; c. artikelen 1, tweede tot en met zevende lid 35 ter zake van overlijden: de, en; d. artikel 37 ter zake van oproeping en ondervraging:; e. artikel 43 ter zake van ontheffing in verband met gemoedsbezwaren:; f. artikel 45, eerste lid, onderdelen e, h, i, j en r, en tweede tot en met zesde lid ter zake van maatregelen:; g. artikel 49 ter zake van de inlichtingenverplichting:; h. artikelen 51 53 tot en met 55 59 ter zake van de uitvoering: de,en; i. artikel 74 ter zake van de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet zijn beslist:; j. artikel 75m ter zake van het beroep in cassatie:; k. vervallen; l. Algemene termijnenwet artikel 89 ter zake van de toepasselijkheid van de:; m. artikelen 33 tot en met 34a ter zake van terugvordering: de; n. artikel 50 ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot ontvangst:; o. artikelen 45a 45g ter zake van bestuurlijke boeten: de deen. 2 artikel 84, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De strafbepaling vanis van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 3:6, tweede lid artikel 43 van de Ziektewet artikel 55 van de Ziektewet In afwijking van het eerste lid, is op de werknemer en de gelijkgestelde, bedoeld in,niet van overeenkomstige toepassing en isvan overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 35, derde lid, van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing ongeacht of het recht op uitkering met ingang van de dag na het overlijden binnen een maand zou zijn geëindigd. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 3:17 — Artikel 3:17 Het begrip zelfstandige en beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst#
Artikel 3:17 Het begrip zelfstandige en beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst 1 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. artikel 1:1, onderdeel b artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Ziektewet die wet beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst: de werknemer, bedoeld in, die op grond van, geen werknemer in de zin vanis; b. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zelfstandige: de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, nog niet heeft bereikt, die: 1°. in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft; 2°. afdeling 7.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft; 3°. anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet; 4°. anders dan in dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft; 5°. directeur-grootaandeelhouder is en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is; 6°. anders dan in dienstbetrekking of als zelfstandige als bedoeld in de onderdelen 1° tot en met 5° meewerkt in de onderneming van een echtgenoot of geregistreerde partner; c. paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 paragraaf 3.2.4 van die wet paragraaf 3.2.5, van die wet winst uit onderneming: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in; d. Ziektewet dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de; e. hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang als bedoeld in; f. inkomsten uit tegenwoordige arbeid: het gezamenlijke bedrag van: 1°. afdeling 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid, bedoeld in; 2°. afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten van arbeid, bedoeld in; 3°. afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de, en; en 4°. afdeling 7.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, bedoeld in, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de, en. 2 Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in het eerste lid onderdeel 5°, wordt verstaan. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 3:19 — Artikel 3:19#
Artikel 3:19 Vervallen 2004 324 13-07-2004 06-07-2004 29497 2004 357 20-07-2004 09-07-2004 01-08-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3:20 — Artikel 3:20#
Artikel 3:20 Vervallen 2004 324 13-07-2004 06-07-2004 29497 2004 357 20-07-2004 09-07-2004 01-08-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3:1a#
artikel 3:1a, tweede lid
Artikel 3:18 — Artikel 3:18#
Artikel 3:18 1 artikel 3:1, tweede en derde lid artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin De vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst heeft gedurende de periode dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig, recht op uitkering. Artikel 3:1, vijfde lid, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2 Artikel 3:1, vijfde lid artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin De vrouwelijke zelfstandige heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken., en, zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke zelfstandige dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft. 4 Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen. 5 Voor de toepassing van het vierde lid worden dagen waarover de vrouwelijke zelfstandige ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op uitkering in verband met zwangerschap maar die uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten. 6 artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 Geen recht op uitkering heeft de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van 7 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het zesde lid ten aanzien van: a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht; b. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin vanrechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in. 8 Zo nodig in afwijking van het zesde en het zevende lid en de daarop berustende bepalingen, bestaat recht op een uitkering voor de persoon voor wie dit recht voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en bestaat geen recht op een uitkering voor de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. 9 artikel 3:17, eerste lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het zesde lid en van, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden. 10 artikel 4 5 van de Ziektewet artikel 3:1a, tweede lid artikel 3:7 3:8 3:18 artikel 3:1, vijfde lid De zelfstandige, de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, of de persoon wiens arbeidsverhouding gelijkgesteld is met een dienstbetrekking als bedoeld inof, en die partner is als bedoeld in, heeft, indien de moeder overlijdt tijdens de periode, waarin recht op uitkering bestaat op grond van,of, recht op uitkering gedurende het resterende aantal weken waarover voor de moeder nog recht op uitkering zou bestaan, met dien verstande dat, van overeenkomstige toepassing is. 11 artikel 4 5 van de Ziektewet artikel 3:1a, tweede lid afdeling 2 van hoofdstuk 3 artikel 3:1, vijfde lid De zelfstandige, de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de persoon wiens arbeidsverhouding gelijkgesteld is met een dienstbetrekking als bedoeld inof, en die partner is als bedoeld in, heeft recht op uitkering, indien de moeder, die geen recht had op bevallingsverlof of een uitkering als bedoeld in, overlijdt voordat tien weken na de dag van de geboorte van het kind zijn verstreken. Het recht bestaat vanaf de dag van overlijden en eindigt tien weken na de dag van de geboorte van het kind, met dien verstande dat, van overeenkomstige toepassing is. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-04-2018
Artikel 3:21 — Artikel 3:21#
Artikel 3:21 1 artikel 3:18 De vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst kan een recht op uitkering op grond van, tezamen met het recht op vakantie-uitkering daarover, genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging. 2 Toekenning van een uitkering ter zake van vervanging, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend mogelijk: a. indien ter vervanging van de vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst een persoon werkzaam is gedurende de periode dat het recht op uitkering bestaat, en b. de persoon die als vervanger werkzaam is, ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling, die zich krachtens haar statuten ten doel stelt arbeidskrachten ter beschikking te stellen. 2008 192 03-06-2008 29-05-2008 31366 2008 192 03-06-2008 29-05-2008 31366 04-06-2008 Artikel VI, lid 1, van Stb. 2008/192 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:22 — Artikel 3:22#
Artikel 3:22 1 De vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, doet de aanvraag daartoe bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof. Bij die aanvraag wordt gemeld: a. de vermoedelijke datum van bevalling; b. artikel 3:18, tweede lid de datum waarop het zwangerschapsverlof, respectievelijk het recht op uitkering, bedoeld in, ingaat; c. of zij de uitkering wil genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging. 2 Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, valt in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst afwijken van de eerste zin. 3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, uiterlijk binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering geëindigd is, een verklaring vragen van een arts of verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling, welke is opgemaakt uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk twee weken voor de datum waarop de vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst het recht op uitkering wil laten ingaan. 4 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de werknemer, uiterlijk binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering geëindigd is, een verklaring vragen van een arts of verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling, welke is opgemaakt uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk twee weken voor de datum waarop de vrouwelijke werknemer het recht op uitkering wil laten ingaan. 5 artikel 3:18, tiende of elfde lid artikel 3:1a, tweede lid De aanvraag voor de uitkering, bedoeld in, doet de partner, bedoeld in, uiterlijk twee weken na de datum van het overlijden bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Bij de aanvraag wordt een afschrift van de akte van overlijden van de moeder en van de akte van geboorte van het kind gevoegd. 6 artikel 3:1a, tweede lid Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de partner, bedoeld in, afwijken van de termijn bedoeld in het derde lid. 7 artikel 3:1a, tweede lid artikel 3:3, tweede lid artikel 4 5 van de Ziektewet De vrouwelijke zelfstandige, de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de partner, bedoeld in, die zelfstandige of beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst is of de persoon wiens arbeidsverhouding gelijk is gesteld met een dienstbetrekking als bedoeld inofverstrekt in voorkomend geval aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verklaring, bedoeld in. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 3:23 — Artikel 3:23#
Artikel 3:23 1 artikel 8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen derde lid van dat artikel De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling wordt overeenkomstigberekend naar de grondslag met dien verstande dat bij de overeenkomstige toepassing van hetvoor «intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar» wordt gelezen: de ingangsdatum van het recht op uitkering. 2 De uitkering bedraagt per dag 100% van de grondslag en wordt ter zake van de vakantie-uitkering verhoogd met 8%. 3 artikel 3:29, derde lid, onder b artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Zo nodig in afwijking van het tweede lid en van, bedraagt de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling 100% van het minimumloon, bedoeld in, indien de vrouwelijke zelfstandige in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het recht op uitkering ontstaat als zelfstandige, aan werkzaamheden voor één of meer ondernemingen tenminste het aantal uren heeft besteed dat is vermeld in. 4 artikel 3:18, tiende of elfde lid artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag De uitkering in verband met het overlijden van de moeder bedraagt voor de partner, bedoeld in, 100% van het minimumloon, bedoeld in. 5 artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het tweede genoemde percentage van de vakantie-uitkering. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 3:24 — Artikel 3:24#
Artikel 3:24 artikel 3:23 artikel 42 van de Zorgverzekeringswet De uitkering ter zake van vervanging bedraagt de grondslag, bedoeld in, eerste lid, vermeerderd met het bedrag aan premies en aan inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij uitbetaling als uitkering in verband met zwangerschap en bevalling daarover verschuldigd zou zijn. 2011 288 21-06-2011 06-06-2011 32131 2012 45 10-02-2012 06-02-2012 01-01-2013
Artikel 3:25 — Artikel 3:25#
Artikel 3:25 1 De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van een maand. 2 De uitkering wordt betaald over iedere dag, doch niet over de zaterdagen en de zondagen. 3 De uitkering ter zake van vervanging wordt uitbetaald aan de instelling bedoeld in artikel 3:21, tweede lid, onderdeel b. 4 artikelen 55, tweede tot en met vijfde lid 55a 57 62 66 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 3:26 — Artikel 3:26#
Artikel 3:26 Vervallen 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 01-01-2016
Artikel 3:27 — Artikel 3:27#
Artikel 3:27 1 Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Met betrekking tot een uitkering op grond van deze paragraaf zijn de volgende artikelen van deen de op die artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing: a. artikelen 7a 7b 7c 19, vierde en vijfde lid 19a 21a 21b 21c 101g ter zake van het recht op uitkering: de,,,,,,,en; b. artikel 18 ter zake van herziening of intrekking:; c. vervallen; d. artikelen 41, eerste lid 42 ter zake van oproeping en ondervraging: de, en; e. artikelen 45 artikel 46, eerste lid, onderdelen d en k 47 ter zake van maatregelen: de,, en; f. artikel 70 ter zake van de inlichtingenverplichting:; g. artikel 81 ter zake van de uitvoering:; h. artikel 96, eerste lid ter zake van de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet zijn beslist:; i. artikel 98 ter zake van het beroep in cassatie:; j. vervallen; k. artikel 63 ter zake van terugvordering:, met dien verstande dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onder bij dat besluit te bepalen omstandigheden, een uitkering ter zake van vervanging niet wordt teruggevorderd; l. artikel 66 ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot ontvangst:; m. artikelen 48 54 54a ter zake van bestuurlijke boeten: de,en; n. artikel 95b ter zake van het afzien van het horen van de belanghebbende:. 2 artikel 84, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De strafbepaling vanis van overeenkomstige toepassing. 3 Artikel 56 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is van overeenkomstige toepassing op een uitkering op grond van deze paragraaf met uitzondering van de uitkering ter zake van vervanging. 4 artikelen 1, tweede tot en met zevende lid 61 67, onderdeel b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Ter zake van overlijden zijn de,envan overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. derde lid van artikel 61 hetwordt toegepast ongeacht of het recht op uitkering met ingang van de dag na het overlijden binnen een maand zou zijn geëindigd; b. eerste lid van artikel 61 zevende lid van artikel 61 indien een uitkering is toegekend in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging, de overlijdensuitkering wordt betaald overeenkomstig het, als was de uitkering toegekend als uitkering in verband met zwangerschap en bevalling of adoptie. Hetblijft daarbij buiten toepassing. 5 artikel 45 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen artikel 3:22, eerste of derde lid Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstigindien de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de vrouwelijke zelfstandige zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in. 6 artikel 3:21, tweede lid, onderdeel b artikel 70, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Op de instelling, bedoeld in, isvan overeenkomstige toepassing. 2018 424 22-11-2018 17-10-2018 34977 2018 425 22-11-2018 08-11-2018 01-07-2019
Artikel 3:28 — Artikel 3:28#
Artikel 3:28 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze afdeling. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 3:29 — Artikel 3:29#
Artikel 3:29 1 Indien een persoon over dezelfde periode op grond van dezelfde paragraaf zowel recht heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling als op een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, wordt haar de uitkering in verband met adoptie of pleegzorg of ter zake van vervanging in verband met adoptie of pleegzorg niet uitbetaald. Indien een persoon over dezelfde periode op grond van dezelfde paragraaf zowel recht heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband met pleegzorg wordt hem de uitkering in verband met pleegzorg of ter zake van vervanging in verband met pleegzorg niet uitbetaald. 2 paragraaf 1 paragraaf 2 paragraaf 2 paragraaf 1 paragraaf 1 Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op een uitkering op grond vanals op een uitkering op grond vanvan deze afdeling, wordt hem de uitkering op grond vanuitbetaald voorzover deze de uitkering op grond vanvan deze afdeling overtreft. Indien de uitkering op grond vangeheel of gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten dat de betrokkene kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit lid die uitkering in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden. 3 paragraaf 1 paragraaf 2 paragraaf 1 paragraaf 2 Tweede Afdeling, Hoofdstuk IV, van de Ziektewet Indien een vrouwelijke zelfstandige of een vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst over eenzelfde periode zowel recht heeft op een uitkering op grond van, als op een uitkering op grond vanvan deze afdeling, worden haar, in afwijking van het tweede lid, zowel de uitkering op grond van zowel, als de uitkering op grond vanuitbetaald, mits de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst niet vrijwillig verzekerd is als bedoeld in deen voor zover: a. werkzaamheden als vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst worden verricht; en b. paragraaf 1 paragraaf 2 afdeling 2, paragraaf 1 afdeling 2, paragraaf 2 de uitkering op grond vanen de uitkering op grond vansamen niet meer bedragen dan 100% van de som van de inkomsten uit of in verband met arbeid die de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst ontving op de dag direct voorafgaande aan de dag waarop recht op uitkering op grond van, en de uitkering op grond van, ontstaat. 4 artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 2° paragraaf 1 Indien een gelijkgestelde als bedoeld in, over dezelfde periode tevens uit andere hoofde recht heeft op één of meerdere uitkeringen op grond van, wordt de uitkering van die gelijkgestelde uitbetaald voorzover deze uitkering samen met de andere uitkeringen niet meer bedraagt dan 100% van het dagloon dat ten grondslag ligt aan de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten. 5 paragraaf 1 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op een uitkering op grond vanvan deze afdeling als op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dewordt eerstgenoemde uitkering uitbetaald voorzover deze samen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan het hoogste van de daglonen, die aan die uitkeringen ten grondslag liggen. 6 paragraaf 2 Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op een uitkering op grond vanvan deze afdeling als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de, wordt: a. indien de grondslag van de eerstgenoemde uitkering lager is dan de grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of daaraan gelijk is, de eerstgenoemde uitkering uitbetaald voorzover deze samen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering; b. indien de grondslag van de eerstgenoemde uitkering hoger is dan de grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de eerstgenoemde uitkering uitbetaald voorzover deze samen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van de eerstgenoemde uitkering; c. artikel 7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen indien het recht op eerstgenoemde uitkering ontstaat in het tijdvak van 52 weken bedoeld in, in afwijking van de onderdelen a en b, de eerstgenoemde uitkering uitbetaald voorzover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft. 7 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen paragraaf 1 paragraaf 2 Voor de toepassing van het tweede tot en met zesde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de, uitkering op grond vanvan deze afdeling en uitkering op grond vanvan deze afdeling tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en die uitkeringen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend. 8 Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten dat de betrokkene kan worden verweten, wordt voor de toepassing van het vierde en vijfde lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden. 2018 424 22-11-2018 17-10-2018 34977 2018 425 22-11-2018 08-11-2018 01-01-2019
Artikel 3:30 — Artikel 3:30#
Artikel 3:30 1 artikel II, onderdeel D, van de Wet einde toegang verzekering WAZ dat artikel artikel II, onderdeel D, van de Wet einde toegang verzekering WAZ Op de zelfstandige, bedoeld in artikel 3:17, onderdeel a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van, van wie de vermoedelijke of feitelijke bevallingsdatum valt binnen 40 weken na de inwerkingtreding vandan wel die binnen 40 weken na de inwerkingtreding van dat artikel feitelijk een kind ter adoptie of pleegzorg heeft opgenomen, blijft hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding vanvan toepassing met betrekking tot die bevalling dan wel die opneming. 2 artikel II, onderdeel D, van de Wet einde toegang verzekering WAZ artikel II, onderdeel D, van de Wet einde toegang verzekering WAZ Op de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, onderdeel b, zoals dat onderdeel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van, die binnen 40 weken na de inwerkingtreding van dat artikel feitelijk een kind ter adoptie of pleegzorg heeft opgenomen, blijft hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, zoals dat luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding vanvan toepassing met betrekking tot die opneming. 3 In afwijking van het eerste en tweede lid komen de onder toepassing van dit artikel te betalen uitkeringen en de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds. 2004 324 13-07-2004 06-07-2004 29497 2004 357 20-07-2004 09-07-2004 01-01-2005
Artikel 3:31 — Artikel 3:31 Overgangsbepaling vakantie-uitkering bij zwangerschap en bevalling#
Artikel 3:31 Overgangsbepaling vakantie-uitkering bij zwangerschap en bevalling 1 artikel 3:22, tweede of derde lid artikel 3:23, tweede lid artikel 3:27, eerste lid, onder c Op aanvragen als bedoeld in, ontvangen voor 1 juli 2019, zijn voor de gehele uitkering, bedoeld in, dat artikellid en, van toepassing, zoals die bepalingen luidden op 30 juni 2019. 2 artikel 3:22, tweede of derde lid artikel 3:23, tweede lid Op aanvragen als bedoeld in, ontvangen op of na 1 juli 2019, is voor de gehele uitkering, bedoeld in, dat artikellid van toepassing. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 18-12-2019 01-07-2019
Artikel 4:1 — Artikel 4:1#
Artikel 4:1 1 De werknemer heeft recht op verlof met behoud van loon voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij zijn arbeid niet kan verrichten wegens: a. onvoorziene omstandigheden die een onmiddellijke onderbreking van de arbeid vergen; b. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden; c. een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting, waarvan de vervulling niet in zijn vrije tijd kon plaatsvinden; d. de uitoefening van het actief kiesrecht. 2 Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval begrepen: a. de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont; b. het overlijden en de lijkbezorging van een van zijn huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn; c. artikel 5:1 spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd om te plannen arts- of ziekenhuisbezoek door de werknemer of de noodzakelijke begeleiding daarbij van de personen, bedoeld in; d. artikel 5:1 noodzakelijke verzorging op de eerste ziektedag van de personen, bedoeld in. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 4:2 — Artikel 4:2 Geboorteverlof#
Artikel 4:2 Geboorteverlof 1 Na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont of degene van wie de werknemer het kind erkent, heeft de werknemer gedurende een tijdvak van vier weken, te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling, recht op geboorteverlof met behoud van loon van eenmaal de arbeidsduur per week. 2 Indien de arbeidsovereenkomst of de publiekrechtelijke aanstelling wordt beëindigd voordat het geboorteverlof volledig is genoten, heeft de werknemer, indien hij een nieuwe arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling aangaat, tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op het verlof dat nog niet is opgenomen, met inachtneming van dit hoofdstuk. 3 Indien de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling wordt beëindigd, is de werkgever verplicht aan de werknemer, op diens verzoek, een verklaring uit te reiken waaruit blijkt op hoeveel geboorteverlof de werknemer aanspraak heeft. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-01-2019 Artikel IX, tweede lid, van Stb. 2018/451 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:2a — Artikel 4:2a Aanvullend geboorteverlof#
Artikel 4:2a Aanvullend geboorteverlof 1 artikel 4:2 Nadat de werknemer het geboorteverlof, bedoeld in, heeft opgenomen, heeft hij gedurende een tijdvak van zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling, recht op aanvullend geboorteverlof zonder behoud van loon. 2 Het aanvullend geboorteverlof bedraagt ten hoogste vijf gehele weken gebaseerd op de arbeidsduur per week. 3 Artikel 4:2, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-07-2020 Artikel IX, derde lid, van Stb. 2018/451 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:2b — Artikel 4:2b Recht op en hoogte van de uitkering tijdens het aanvullend geboorteverlof#
Artikel 4:2b Recht op en hoogte van de uitkering tijdens het aanvullend geboorteverlof 1 artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onderdeel a artikel 4:2a Op aanvraag van een werknemer als bedoeld in, verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij opname van het aanvullend geboorteverlof, bedoeld in, een uitkering aan die werknemer. 2 De uitkering wordt over ten hoogste vijf gehele weken verstrekt. 3 artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen De uitkering bedraagt per dag 70% van het dagloon van de in het eerste lid bedoelde werknemer, doch ten hoogste 70% van het bedrag, bedoeld in, met betrekking tot een loontijdvak van een dag. 4 hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen Het dagloon, bedoeld in het derde lid, wordt berekend aan de hand van 1/261 deel van het loon, bedoeld in, dat de werknemer in de periode van een jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak, waarin het recht op de uitkering is ontstaan, verdiende op grond van de arbeidsovereenkomst of de publiekrechtelijke aanstelling waaruit dat recht is ontstaan. 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling en de herziening van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld, onder meer over de vaststelling en de herziening van het dagloon wanneer de werknemer korter dan een jaar heeft gewerkt bij zijn werkgever. 6 artikel 16 van de Ziektewet Op een op grond van dit artikel vastgesteld dagloon isvan overeenkomstige toepassing. 7 artikel 6 van de Ziektewet artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 4:2a Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt op aanvraag aan een werknemer wiens arbeidsverhouding niet wordt beschouwd als dienstbetrekking op grond vanen die uitsluitend om die reden niet wordt aangemerkt als werknemer in de zin van die wet, een uitkering bij opname van het aanvullend geboorteverlof, bedoeld in. De uitkering bedraagt naar rato van de overeengekomen arbeidsduur per week 70% van het loon, bedoeld inindien zijn recht op uitkering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig het derde tot en met zesde lid. Bij de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uren per week. 2023 417 21-11-2023 08-11-2023 36415 2023 437 05-12-2023 29-11-2023 01-01-2024
Artikel 4:2c — Artikel 4:2c De aanvraag van de uitkering van het aanvullend geboorteverlof#
Artikel 4:2c De aanvraag van de uitkering van het aanvullend geboorteverlof 1 artikel 4:2b, eerste lid De werknemer, bedoeld in, die in aanmerking wenst te komen voor de in dat lid genoemde uitkering, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door middel van een door dit instituut beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag wordt eenmalig ingediend in de periode die gelegen is tussen vier weken voor de eerste dag waarop het aanvullend geboorteverlof wordt opgenomen en vier weken na de laatste dag, waarop dat verlof is opgenomen. 2 artikel 4:2b, zevende lid De werknemer, bedoeld in, die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering, bedoeld in dat lid, doet de aanvraag daartoe, door tussenkomst van de werkgever, bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door middel van een door dit instituut beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij de aanvraag wordt de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling van de werknemer aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overgelegd. De laatste zin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 3 De uitkering, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt verstrekt voor zover het tijdvak, waarin er sprake was van het recht op uitkering, ligt in het jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag. 4 artikelen 4:2a 4:2b Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor de juiste uitvoering van dit artikel of deen. 5 artikelen 3.14, tweede en derde lid 3:14a 3:16, eerste tot en met derde lid 3:18, zesde tot en met achtste lid De,,, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 4:3 — Artikel 4:3#
Artikel 4:3 1 artikel 4:1 De werknemer meldt vooraf aan de werkgever dat hij het verlof, bedoeld in, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de werkgever onder opgave van de reden. 2 artikelen 4:2 4:2a De werknemer meldt het voornemen om het verlof, bedoeld in deof, op te nemen ten minste vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk of elektronisch aan de werkgever onder opgave van de periode, het aantal gehele weken waarvoor hij verlof opneemt, of als de arbeidsduur over een ander tijdvak is overeengekomen waarover hij verlof opneemt over dat tijdvak, en de spreiding daarvan over de week of het anderszins overeengekomen tijdvak. Indien het niet mogelijk is de melding van het verlof tijdig te doen, meldt de werknemer het voornemen om het verlof op te nemen zo spoedig mogelijk aan de werkgever. 3 artikelen 4:2 4:2a De tijdstippen van ingang en einde van het in deenbedoelde verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling en ten aanzien van het verlof, bedoeld in artikel 4:2a, eveneens van het einde van het bevallingsverlof. 4 artikel 4:2a De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de door de werknemer gewenste wijze van invulling van het inbedoelde verlof op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen tot twee weken voor het tijdstip van ingang van het verlof. 5 artikelen 4:2, tweede lid 4:2a, derde lid Indien toepassing wordt gegeven aan de, of, zijn het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing. 6 artikel 4:2 artikel 4:2a Het verlof van de militaire ambtenaar vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de werkgever aan hem kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang heeft, dat het belang van de militaire ambtenaar daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Toepassing van de eerste zin laat het recht op het geboorteverlof, bedoeld in, en vervolgens het recht op het aanvullend geboorteverlof, bedoeld in, onverlet. De werkgever kan daarbij een tijdvak van maximaal negen maanden, te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling, toepassen. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 4:4 — Artikel 4:4#
Artikel 4:4 artikelen 4:1 4:2 4:2a De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft kunnen verrichten wegens een van de redenen genoemd in de,of. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-07-2020
Artikel 4:4a — Artikel 4:4a#
Artikel 4:4a 1 artikel 3:1, eerste lid artikel 3:1a, eerste lid of vierde lid artikel 3:2, eerste lid artikel 4:2a De werkgever stemt in met een verzoek van de werknemer om het aanvullend geboorteverlof niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van het opnemen van het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in, het verlof, bedoeld in, of het adoptieverlof, bedoeld in. In dat geval wordt het recht op verlof opgeschort. Verlof dat niet wordt opgenomen gedurende het tijdvak, bedoeld in, vervalt. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. 2 artikel 4:2a De werkgever stemt in met een verzoek van de werknemer om het aanvullend geboorteverlof niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van onvoorziene omstandigheden, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet. Indien de werkgever instemt met het verzoek wordt het recht op verlof opgeschort. Verlof dat niet wordt opgenomen gedurende het tijdvak, bedoeld in, vervalt. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. Indien de werkgever het verzoek weigert, motiveert hij dit schriftelijk binnen een redelijke termijn na de indiening van het verzoek. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 08-12-2021 Abusievelijk voegt het Staatsblad dit artikel in paragraaf 3 toe,
in plaats van in paragraaf 2.
Artikel 4:5 — Artikel 4:5#
Artikel 4:5 1 Indien de werknemer op grond van enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling, een geldelijke uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die uitkering. 2 Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de werkgever vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten van zijn arbeid heeft bespaard. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 4:6 — Artikel 4:6#
Artikel 4:6 1 artikel 4:1 Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld in, kunnen slechts indien in een voorkomend geval de werknemer ermee instemt worden aangemerkt als vakantie, met dien verstande dat de werknemer ten minste recht houdt op het wettelijk minimum aan vakantie-aanspraken. 2 artikelen 4:2 4:2a Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld in deof, kunnen niet worden aangemerkt als vakantie. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-07-2020
Artikel 4:7 — Artikel 4:7#
Artikel 4:7 1 artikel 4:1 artikelen 4:4 tot en met 4:6 artikel 4:6 Van, voor wat betreft de loonbetaling, en dekan uitsluitend ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van toepassing is of terzake geen bepaling bevat, indien de werkgever terzake schriftelijke overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging, met dien verstande dat de werknemer bij afwijking vanten minste recht houdt op het wettelijke minimum aan vakantie-aanspraken. 2 artikelen 4:2 tot en met 4:3 Van dekan niet ten nadele van een werknemer worden afgeweken. 2018 451 11-12-2018 14-11-2018 34967 2018 452 11-12-2018 17-11-2018 01-01-2019 Artikel IX, vierde lid, van Stb. 2018/451 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:1 — Artikel 5:1#
Artikel 5:1 1 De werknemer heeft recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van een persoon als bedoeld in het tweede lid. 2 Onder een persoon als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont; b. een kind tot wie de werknemer als ouder in een familierechtelijke betrekking staat; c. een kind van de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont; d. artikel 1.1 van de Jeugdwet een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de werknemer en dat hij als pleegouder als bedoeld inverzorgt; e. een bloedverwant in de eerste of tweede graad; f. degene die, zonder dat er sprake is van een arbeidsrelatie, deel uitmaakt van de huishouding van de werknemer; of g. degene met wie de werknemer anderszins een sociale relatie heeft, voor zover de te verlenen verzorging rechtstreeks voortvloeit uit die relatie en redelijkerwijs door de werknemer moet worden verleend. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-07-2015
Artikel 5:2 — Artikel 5:2#
Artikel 5:2 Het verlof bedraagt in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden ten hoogste twee maal de arbeidsduur per week. De periode van 12 maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten. 2005 274 31-05-2005 28-04-2005 28467 2005 278 31-05-2005 23-05-2005 01-06-2005
Artikel 5:3 — Artikel 5:3#
Artikel 5:3 De werknemer meldt vooraf aan de werkgever dat hij het verlof, bedoeld in artikel 5:1 opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de werkgever onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de werknemer ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 5:4 — Artikel 5:4#
Artikel 5:4 1 Het verlof gaat in op het tijdstip waarop de werknemer het opnemen ervan meldt aan de werkgever. 2 Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de werkgever aan de werknemer kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. 3 Een werkgever die nadat een melding door de werknemer, niet zijnde een militaire ambtenaar, hem bereikt heeft en naar aanleiding daarvan geen beroep doet op een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, kan dit nadien evenmin. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 5:5 — Artikel 5:5#
Artikel 5:5 De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging van een persoon als bedoeld in artikel 5:1. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 5:6 — Artikel 5:6#
Artikel 5:6 1 artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 5:1 Voorzover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer, die anders dan op grond van een publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, gedurende het verlof, bedoeld in, recht op 70% van het loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de werknemer, die arbeid verricht op grond van een publiekrechtelijke aanstelling. 2004 311 08-07-2004 24-06-2004 28219 2004 548 29-10-2004 18-10-2004 01-01-2006 2005 708 28-12-2005 22-12-2005 30238 2005 709 28-12-2005 22-12-2005 01-01-2006 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 5:7 — Artikel 5:7#
Artikel 5:7 1 Indien de werknemer op grond van enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling, een geldelijke uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die uitkering. 2 Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de werkgever vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten van zijn arbeid heeft bespaard. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 5:8 — Artikel 5:8#
Artikel 5:8 Indien zowel de in artikel 4:1 als de in artikel 5:1 gestelde voorwaarden worden vervuld, eindigt het in artikel 4:1 bedoelde verlof na één dag. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 5:9 — Artikel 5:9#
Artikel 5:9 De werknemer heeft recht op verlof zonder behoud van loon voor: a. artikel 5:1, tweede lid de verzorging van een persoon als bedoeld in, die levensbedreigend ziek is; of b. artikel 5:1, tweede lid de noodzakelijke verzorging van een persoon als bedoeld in, die ziek of hulpbehoevend is. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-07-2015
Artikel 5:10 — Artikel 5:10#
Artikel 5:10 Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden ten hoogste zesmaal de arbeidsduur per week. De periode van twaalf maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 5:11 — Artikel 5:11#
Artikel 5:11 1 De werknemer dient het verzoek om verlof ten minste twee weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk in bij de werkgever onder opgave van de reden, de persoon die verzorging behoeft, het tijdstip van ingang, de omvang, de voorgenomen duur van het verlof en de spreiding van de uren over de week of het anderszins overeengekomen tijdvak. 2 artikel 5:9 De werknemer verstrekt desgevraagd aan de werkgever schriftelijk aanvullende informatie waarover hij redelijkerwijs en op korte termijn kan beschikken teneinde aannemelijk te maken dat is voldaan aan de op grond vangeldende voorwaarden. De werkgever doet een schriftelijk verzoek tot het verstrekken van aanvullende informatie binnen een week nadat het verzoek om verlof bij hem is ingediend. 3 De werkgever willigt het verzoek om verlof van de werknemer in, tenzij hij tegen het opnemen van het verlof een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. 4 Een werkgever die geen beroep doet op een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, kan dit nadien evenmin, tenzij het een militaire ambtenaar betreft. 5 Indien de werkgever overweegt het verzoek om verlof niet of niet geheel in te willigen, pleegt hij overleg met de werknemer over diens verzoek. De beslissing op het verzoek om verlof wordt door de werkgever schriftelijk aan de werknemer medegedeeld. Indien de werkgever het verzoek niet of niet geheel inwilligt, wordt dit onder opgave van redenen aan de werknemer medegedeeld. 6 Indien de werkgever niet een week voor het beoogde tijdstip van ingang van het verlof de beslissing op het verzoek schriftelijk heeft medegedeeld aan de werknemer, gaat het verlof in overeenkomstig het verzoek van de werknemer. Zolang de werknemer niet heeft voldaan aan een verzoek van de werkgever om informatie als bedoeld in het tweede lid, wordt de in de eerste volzin bedoelde periode verlengd met het aantal dagen dat de werknemer niet heeft voldaan aan het verzoek van de werkgever. 2005 274 31-05-2005 28-04-2005 28467 2005 278 31-05-2005 23-05-2005 01-06-2005
Artikel 5:12 — Artikel 5:12#
Artikel 5:12 1 artikel 5:9 artikel 5:11 Het verlof bedoeld ingaat niet in voordat ten minste twee weken zijn verstreken nadat de werknemer het verzoek om verlof bedoeld inheeft ingediend. 2 In afwijking van het eerste lid kan het verlof op verzoek van de werknemer ingaan op een eerder tijdstip indien de werkgever daarmee instemt. 2005 274 31-05-2005 28-04-2005 28467 2005 278 31-05-2005 23-05-2005 01-06-2005
Artikel 5:13 — Artikel 5:13#
Artikel 5:13 1 Het verlof eindigt met het verstrijken van de duur waarvoor het verlof is verleend. 2 artikel 5:9 Indien voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde verlofduur de persoon ten behoeve van wiens verzorging het verlof is verleend overlijdt, dan wel niet langer niet langer in een omstandigheid verkeert als bedoeld in, eindigt het verlof met ingang van de dag na die waarop deze omstandigheid zich heeft voorgedaan. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-07-2015
Artikel 5:14 — Artikel 5:14#
Artikel 5:14 artikel 5:1 artikel 5:12, tweede lid Indien het verzoek om langdurend zorgverlof wordt ingewilligd, kan het daaraan voorafgaand kortdurend zorgverlof bedoeld inop verzoek van de werknemer en met inachtneming van, geheel of gedeeltelijk worden aangemerkt als langdurend zorgverlof. 2005 274 31-05-2005 28-04-2005 28467 2005 278 31-05-2005 23-05-2005 01-06-2005
Artikel 5:15 — Artikel 5:15#
Artikel 5:15 artikel 5:1 artikel 5:9 Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld inof, kunnen niet worden aangemerkt als vakantie. 2005 274 31-05-2005 28-04-2005 28467 2005 278 31-05-2005 23-05-2005 01-06-2005
Artikel 5:16 — Artikel 5:16#
Artikel 5:16 artikel 5:2 artikel 5:15 Van dit hoofdstuk kan uitsluitend ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van toepassing is of terzake geen bepaling bevat, indien de werkgever terzake schriftelijke overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging met dien verstande dat de werknemer bij afwijking vanin elke periode van 12 achtereenvolgende maanden ten minste recht houdt op eenmaal de arbeidsduur per week en bij afwijking vanten minste recht houdt op het wettelijke minimum aan vakantie-aanspraken. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6:1 — Artikel 6:1#
Artikel 6:1 1 De werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft recht op verlof zonder behoud van loon. Indien de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op verlof. 2 De werknemer die blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft recht op verlof zonder behoud van loon. Indien de werknemer met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op verlof. In alle andere gevallen waarin de in de eerste volzin gestelde voorwaarden voor meer dan één kind met ingang van hetzelfde tijdstip worden vervuld, bestaat er slechts recht op één keer verlof. 2023 417 21-11-2023 08-11-2023 36415 2023 437 05-12-2023 29-11-2023 01-01-2024
Artikel 6:2 — Artikel 6:2#
Artikel 6:2 1 Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste recht heeft bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week. 2 Indien de arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het verlof volledig is genoten, heeft de werknemer, indien hij een nieuwe arbeidsverhouding aangaat, tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op het resterende deel van het verlof met inachtneming van dit hoofdstuk. De werkgever is in dat geval verplicht aan de werknemer, op diens verzoek, een verklaring uit te reiken waaruit blijkt op hoeveel verlof de werknemer nog aanspraak heeft. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 6:3 — Artikel 6:3#
Artikel 6:3 1 artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onderdeel a artikel 6:1, eerste lid Een werknemer als bedoeld in, heeft gedurende de periode dat het kind de leeftijd van een jaar nog niet heeft bereikt recht op uitkering over een periode van ten hoogste negen maal de arbeidsduur per week, waarin hij het verlof, bedoeld in, geniet. Indien de werknemer verlof als bedoeld in artikel 6:1, tweede lid, geniet in verband met een geadopteerd kind of een pleegkind, bestaat het recht op uitkering in afwijking van de vorige zin gedurende het eerste jaar na de dag van de feitelijke opneming ter adoptie of als pleegkind en voor zover het kind de leeftijd van acht jaren nog niet heeft bereikt. 2 Indien de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan of indien de werknemer met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op uitkering. Indien de werknemer met het oog op een pleegkind met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen bestaat er slechts recht op één keer een uitkering. 3 artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onderdeel a artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen De uitkering bedraagt per dag 70% van het dagloon van de werknemer, bedoeld in, van de wet, doch ten hoogste 70% van het bedrag, bedoeld in, met betrekking tot een loontijdvak van een dag. 4 hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen Het dagloon, bedoeld in het derde lid, wordt berekend aan de hand van 1/261 deel van het loon, bedoeld in, dat de werknemer in de periode van een jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak, waarin het recht op de uitkering is ontstaan, verdiende op grond van de arbeidsovereenkomst of de publiekrechtelijke aanstelling waaruit dat recht is ontstaan. 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling en de herziening van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld, onder meer over de vaststelling en de herziening van het dagloon wanneer de werknemer korter dan een jaar heeft gewerkt bij zijn werkgever. 6 artikel 16 van de Ziektewet Op een op grond van dit artikel vastgesteld dagloon isvan overeenkomstige toepassing. 7 artikel 6 van de Ziektewet artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Een werknemer wiens arbeidsverhouding niet wordt beschouwd als dienstbetrekking op grond vanen die uitsluitend om die reden niet wordt aangemerkt als werknemer in de zin van die wet, heeft recht op een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid. De uitkering bedraagt naar rato van de overeengekomen arbeidsduur per week 70% van het loon, bedoeld in, indien zijn recht op uitkering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig het derde tot en met zesde lid. Bij de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uren per week. 8 hoofdstuk 3 hoofdstuk 4 Een uitkering als bedoeld in dit artikel wordt niet uitbetaald als over dezelfde periode recht bestaat op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling dan wel adoptie of pleegzorg als bedoeld inof een uitkering in verband met aanvullend geboorteverlof als bedoeld in. 2023 417 21-11-2023 08-11-2023 36415 2023 437 05-12-2023 29-11-2023 01-01-2024
Artikel 6:3a — Artikel 6:3a#
Artikel 6:3a 1 artikel 6:3, derde lid De werknemer, bedoeld in, die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering als bedoeld in dat lid, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het recht op, de hoogte en de maximale duur van de uitkering naar aanleiding van de aanvraag eenmalig vast. 2 artikel 6:3, zevende lid De werknemer, bedoeld in, die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering, bedoeld in dat lid, doet de aanvraag daartoe, door tussenkomst van de werkgever, bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door middel van een door dit instituut beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij de aanvraag wordt de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijk aanstelling van de werknemer aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overgelegd. De laatste zin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 3 De aanvraag, bedoeld in het eerste of tweede lid, heeft betrekking op gehele weken en wordt ingediend in de periode die gelegen is tussen de eerste dag waarop het verlof, waarop de uitkering betrekking heeft, is genoten en drie maanden nadat het kind de leeftijd van een jaar heeft bereikt, dan wel bij adoptie of een pleegkind een jaar en drie maanden na de dag van de feitelijke opname ter adoptie of als pleegkind. De betaling van de uitkering heeft betrekking op verlof dat op het moment van de aanvraag reeds genoten is. Voor verlof dat is genoten nadat de aanvraag is ingediend, kan de werknemer ten hoogste tweemaal verzoeken om verdere betaling van de uitkering. Een verzoek om verdere betaling van de uitkering heeft betrekking op gehele weken en wordt gedaan door tussenkomst van de werkgever binnen de in de eerste zin genoemde periode conform de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde maximale duur van de uitkering. De verdere betaling van de uitkering wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gedaan zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat. 4 Een verzoek tot betaling als bedoeld in het derde lid, wordt gedaan door middel van een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ter beschikking gesteld aanvraagformulier. 5 Een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt voor zover het tijdvak, waarin er sprake is van het recht op uitkering, ligt in het jaar en drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag. 6 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor de juiste uitvoering van deze paragraaf. 7 artikelen 3:14, tweede lid en derde lid 3:14a 3:16, eerste tot en met derde lid 3:18, zesde tot en met achtste lid De,,, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 8 artikel 6:1, tweede lid artikel 6:3 De werknemer, bedoeld in, die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering als bedoeld invoegt, door tussenkomst van de werkgever, bij de aanvraag documenten waaruit blijkt met ingang van welke datum hij duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als zijn eigen kind op zich heeft genomen alsmede waaruit blijkt met ingang van welke datum hij het recht op verlof en het recht op uitkering wil laten ingaan. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 6:4 — Artikel 6:4#
Artikel 6:4 Geen recht op verlof als bedoeld in artikel 6:1 bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 6:1a — Artikel 6:1a Bescherming tegen benadeling#
Artikel 6:1a Bescherming tegen benadeling artikel 6:1 De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte het recht op verlof, bedoeld in, geldend maakt of ter zake bijstand heeft verleend. 2012 152 11-04-2012 23-03-2012 33107 2012 153 11-04-2012 02-04-2012 12-04-2012
Artikel 6:5 — Artikel 6:5#
Artikel 6:5 1 De werknemer meldt het voornemen om verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan de werkgever onder opgave van de periode, het aantal uren verlof per week of als de arbeidsduur over een ander tijdvak is overeengekomen over dat tijdvak en de spreiding daarvan over de week of het anderszins overeengekomen tijdvak. 2 De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging. 3 artikelen 6:3, eerste lid 6:4 De werkgever kan, tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof, en na overleg met de werknemer, de door de werknemer gewenste wijze van invulling van het verlof gedurende een redelijke termijn wijzigen op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, met dien verstande dat de werknemer in ieder geval in staat wordt gesteld het verlof binnen de in de, en, gestelde termijnen op te nemen. De werkgever motiveert een wijziging schriftelijk. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 6:6 — Artikel 6:6#
Artikel 6:6 1 artikel 3:1, eerste lid artikel 3:1a, eerste lid of vierde lid artikel 3:2, eerste lid De werkgever stemt in met een verzoek van de werknemer om het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van het opnemen van het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in, het verlof, bedoeld in, of het adoptieverlof, bedoeld in. In dat geval wordt het recht op verlof opgeschort. Verlof dat niet wordt opgenomen voor de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren bereikt vervalt. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. 2 De werkgever stemt in met een verzoek van de werknemer om het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van onvoorziene omstandigheden, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet. Indien de werkgever instemt met het verzoek wordt het recht op verlof opgeschort. Verlof dat niet wordt opgenomen voor de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren bereikt vervalt. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. Indien de werkgever het verzoek weigert, motiveert hij dit schriftelijk binnen een redelijke termijn na de indiening van het verzoek. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 6:7 — Artikel 6:7#
Artikel 6:7 Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 6:1, kunnen niet worden aangemerkt als vakantie. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 6:8 — Artikel 6:8#
Artikel 6:8 artikelen 6:4 6:5, tweede lid 6:6, tweede lid Van de,en, met uitzondering van de laatste zin, kan uitsluitend ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve regeling. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 6:9 — Artikel 6:9#
Artikel 6:9 Behoudens artikel 6:8 kan van dit hoofdstuk niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 6:10 — Artikel 6:10 Overgangsrecht in verband met ouderschapsverlof#
Artikel 6:10 Overgangsrecht in verband met ouderschapsverlof Wet van 17 december 2014 houdende wijziging van de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur in verband met vergroting van de gebruiksmogelijkheden van deze wetten, alsmede technische aanpassing van de Arbeidstijdenwet en actualisering van het overgangsrecht met betrekking tot de Wet arbeid en zorg artikel 6:1 hoofdstuk 6 Indien de werknemer op het tijdstip waarop de(Stb. 565) in werking treedt, zijn voornemen tot het opnemen van het ouderschapsverlof, bedoeld in, heeft gemeld aan zijn werkgever en die heeft ingestemd met de invulling daarvan, blijven op dat verlof de artikelen vanvan toepassing zoals die luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip inwerkingtreding van die wet. 2014 565 24-12-2014 17-12-2014 32855 2014 566 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 6:10a — Artikel 6:10a#
Artikel 6:10a 1 artikel 6:3, derde en zevende lid De percentages, bedoeld in, kunnen voor de datum van inwerkingtreding van de Wet betaald ouderschapsverlof bij koninklijk besluit worden gewijzigd in 70%. 2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 6:11 — Artikel 6:11#
Artikel 6:11 Artikel 3:13, zesde tot en met het achtste lid artikel 3:7, eerste lid artikel IX, onderdeel A, van de Verzamelwet SZW 2022 , is niet van toepassing indien de aanvraag van de uitkering, bedoeld in, is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 7:1 — Artikel 7:1#
Artikel 7:1 Vervallen 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 7:2 — Artikel 7:2#
Artikel 7:2 Vervallen 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 7:3 — Artikel 7:3#
Artikel 7:3 Vervallen 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 8:1 — Artikel 8:1#
Artikel 8:1 Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 8:1a — Artikel 8:1a#
Artikel 8:1a artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens artikelen 10 11 12 13 22 23 van de Wet College voor de rechten van de mens artikelen 1:6 1:7 Het College, genoemd in, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deof. De,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 8:2 — Artikel 8:2#
Artikel 8:2 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001
Artikel 8:3 — Artikel 8:3#
Artikel 8:3 Deze wet wordt aangehaald als: Wet arbeid en zorg. 2001 567 29-11-2001 16-11-2001 27207 2001 569 29-11-2001 20-11-2001 27431 01-12-2001