Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)
- BWB-id
- BWBR0011353
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-02-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011353
- ELI
- /eli/nl/wet/2001/wet-inkomstenbelasting-2001
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2001/wet-inkomstenbelasting-2001/2026-02-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011353&g=2026-02-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011353&z=2026-06-06&g=2026-02-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011353/2026-02-21
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2001/wet-inkomstenbelasting-2001
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Inkomstenbelasting#
Artikel 1.1 Inkomstenbelasting Onder de naam inkomstenbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Uitbreiding en beperking partnerregeling#
Artikel 1.2 Uitbreiding en beperking partnerregeling 1 artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In aanvulling opwordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen en: a. uit wiens relatie met de belastingplichtige een kind is geboren; b. die een kind van de belastingplichtige heeft erkend dan wel van wie een kind door de belastingplichtige is erkend; c. die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld; d. die samen met de belastingplichtige een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond van een recht van lidmaatschap van een coöperatie; e. die evenals de belastingplichtige meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belastingplichtige een verzoek indient om niet als partner te worden aangemerkt van degene, bedoeld in de aanhef van dit lid, bij welk verzoek de belastingplichtige door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander of dat beiden op zakelijke gronden een eigen gedeelte van de woning huren van een derde, of f. die in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belastingplichtige was. 2 Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen. 3 artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de belastingplichtige op grond van het eerste lid op dat moment meer dan één partner zou hebben, geldt als partner van de belastingplichtige degene die ingevolgeop dat moment als partner wordt aangemerkt; mocht op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment geen persoon als partner zijn aangemerkt, geldt als partner degene die op grond van de in het eerste lid eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt. 4 artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vanen het eerste lid wordt niet als partner aangemerkt: a. een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt; b. artikel 7.8 een persoon die geen inwoner is van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inis; c. Wet op de jeugdzorg Jeugdwet Algemene Kinderbijslagwet een persoon die de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt en voor wie de belastingplichtige in enig jaar een pleegvergoeding heeft ontvangen op grond van deof de, dan wel voor wie de belastingplichtige in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen op grond van de, indien de belastingplichtige en deze persoon in enig jaar een gezamenlijk verzoek hebben ingediend bij de inspecteur om niet als partners te worden aangemerkt. 5 Personen die partners waren op grond van het eerste lid, blijven als partners aangemerkt nadat de in dat onderdeel bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. De eerste volzin vindt geen toepassing meer indien één van beiden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de inspecteur laat weten dat zij niet langer als partners willen worden aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid. 6 artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden twee ongehuwde personen die met toepassing van de vorige leden enals elkaars partners worden aangemerkt of aangemerkt zijn geweest, voor de bepaling van aanverwantschap gelijkgesteld met gehuwden, onderscheidenlijk voormalige gehuwden. 7 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 2.3.5, tweede lid, van die wet Onder partner wordt niet verstaan degene die uitsluitend ingevolge het eerste lid, onderdeel e, als partner wordt aangemerkt en woont in een accommodatie van een instelling die opvang als bedoeld inbiedt, mits de belastingplichtige een afschrift van de beschikkingen, bedoeld in, tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor hem en voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, ten behoeve van opvang overlegt. 8 Een aanverwant van de belastingplichtige wordt uitsluitend als aanverwant als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, aangemerkt ingeval de belastingplichtige en de aanverwant in enig jaar een gezamenlijk verzoek bij de inspecteur hebben ingediend om niet als partners te worden aangemerkt. 9 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Een persoon die op basis van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, het vierde lid, onderdeel c, of het achtste lid niet als partner van de belastingplichtige wordt aangemerkt, wordt eveneens niet als partner van de belastingplichtige aangemerkt voor de toepassing van de. 10 Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, het vierde lid, onderdeel c, of het achtste lid beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2020 543 23-12-2020 16-12-2020 35574 2022 445 11-11-2022 07-11-2022 01-01-2023
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 De keuze voor kwalificatie als partner#
Artikel 1.3 De keuze voor kwalificatie als partner Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Pleegkind#
Artikel 1.4 Pleegkind kind Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder eenmede verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 1.5 — Artikel 1.5 In belangrijke mate onderhouden van kinderen#
Artikel 1.5 In belangrijke mate onderhouden van kinderen kind Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op grond waarvan wordt beoordeeld of eenin belangrijke mate wordt onderhouden. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 1.6 — Artikel 1.6 Mogendheid#
Artikel 1.6 Mogendheid Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 1.6a — Artikel 1.6a Levensverzekering#
Artikel 1.6a Levensverzekering artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder levensverzekering een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 1.7 — Artikel 1.7 Lijfrenten en pensioenen#
Artikel 1.7 Lijfrenten en pensioenen 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder lijfrente: a. levensverzekering artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2° artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990 een aanspraak volgens een overeenkomst vanop vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen; b. lijfrenterekening lijfrentebeleggingsrecht artikel 3.126a artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel d, onder 2° artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990 een aanspraak op het tegoed van eenof op de waarde van een(), welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen. 2 pensioenregeling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting; b. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling een pensioenregeling waaraan wordt deelgenomen op grond van de, deof de, zowel voor het deel waarvoor deelneming verplicht is (basispensioenregeling) als voor de vrijwillige aanvulling daarop. c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd; d. een pensioenregeling van een internationale organisatie; e. artikel 6A van de Wet loonbelasting BES een pensioenregeling als bedoeld in. 3 Aanspraken op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, worden gelijkgesteld met aanspraken op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien de aanspraken en uitkeringen voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen regels. 4 Een aanspraak op het tegoed van een lijfrenterekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is, voor zover de ter zake ingelegde bedragen in aanmerking konden worden genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit werk en woning, niet vatbaar voor beslag. 5 artikel 36, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 26, onderdeel c, van de Pensioenwet Onder een pensioenregeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt mede begrepen hetgeen wordt verkregen als gevolg van de voldoening van een te hoge premie die niet is gecorrigeerd binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar, bedoeld inof. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan een regeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, die vrijwillig wordt voortgezet nadat de arbeidsverhouding op grond waarvan deelneming aan die pensioenregeling was verplicht is geëindigd, tevens als pensioenregeling wordt aangemerkt. 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-04-2017 01-01-2017 2017 116 27-03-2017 08-03-2017 34662
Artikel 1.7a — Artikel 1.7a Gelijkstelling met inkomen uit tegenwoordige arbeid#
Artikel 1.7a Gelijkstelling met inkomen uit tegenwoordige arbeid Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 1.7b — Artikel 1.7b Gelijkstelling met de premie voor een verzekering#
Artikel 1.7b Gelijkstelling met de premie voor een verzekering Vervallen 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 01-01-2013
Artikel 1.8 — Artikel 1.8 Wederzijdse erkenning#
Artikel 1.8 Wederzijdse erkenning Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verwezen naar Nederlandse voorschriften of verklaringen van Nederlandse instellingen, worden voorschriften van of verklaringen van instellingen in een van de lidstaten van de Europese Unie die naar aard en strekking overeenkomen met eerstbedoelde Nederlandse voorschriften of verklaringen van Nederlandse instellingen daarmee gelijkgesteld: a. indien ter zake regelgeving in het kader van het Verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is vastgesteld waaruit de overeenkomst naar aard en strekking blijkt; b. in overige gevallen: voorzover dat bij ministeriële regeling is bepaald. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 1.9 — Artikel 1.9 Gelijkstelling met basisregistratie personen#
Artikel 1.9 Gelijkstelling met basisregistratie personen 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de basisregistratie personen gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de situatie dat een persoon niet in Nederland woont en niet is ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisregistratie personen overeenkomende registratie buiten Nederland. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 1.10 — Artikel 1.10 Vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger#
Artikel 1.10 Vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger verstaan een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger als bedoeld in. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020
Artikel 1.11 — Artikel 1.11 Buitenlandse rechtsvormen en vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld#
Artikel 1.11 Buitenlandse rechtsvormen en vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag, verenigingen en fondsen voor gemene rekening mede verstaan daarmee qua rechtsvorm vergelijkbare naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen. 2 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen verwijzingen naar vennootschappen met een – geheel of ten dele – in aandelen verdeeld kapitaal zijn opgenomen, wordt daaronder verstaan naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, met inbegrip van daarmee qua rechtsvorm vergelijkbare naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam een met de rechtsvorm van een lichaam als bedoeld in het eerste of tweede lid vergelijkbare rechtsvorm heeft. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld voor de beoordeling of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam naast de rechtsvorm ook voor het overige met een lichaam vergelijkbaar is als bedoeld in de eerste zin. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Belastingplichtigen#
Artikel 2.1 Belastingplichtigen 1 Belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting zijn de natuurlijke personen die: a. in Nederland wonen (binnenlandse belastingplichtigen) of b. niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandse belastingplichtigen). 2 hoofdstuk 7 Nederlands inkomen is inkomen bedoeld in. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Woonplaatsfictie#
Artikel 2.2 Woonplaatsfictie 1 artikel 2.3 Wet inkomstenbelasting BES Een persoon die ophoudt in Nederland te wonen en binnen een jaar daarna weer in Nederland gaat wonen zonder intussen in een andere mogendheid of op de BES eilanden te hebben gewoond, wordt ook tijdens zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. De vorige volzin is niet van toepassing indien de bedoelde persoon aannemelijk maakt dat hij in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, als inwoner aan de belastingheffing is onderworpen en de heffingsgrondslagen in die lidstaat of andere mogendheid hoofdzakelijk gelijk zijn aan de ingenoemde heffingsgrondslagen. De eerste volzin is evenmin van toepassing indien de bedoelde persoon aannemelijk maakt dat hij op de BES eilanden als inwoner onderworpen is aan de. 2 Een Nederlander die in dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt steeds geacht in Nederland te wonen indien hij is uitgezonden: a. als lid van een diplomatieke, permanente of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland; of b. om in het kader van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, in een andere mogendheid werkzaamheden te verrichten. 3 partner kinderen Indien een Nederlander op grond van het tweede lid geacht wordt in Nederland te wonen, worden deen dedie jonger zijn dan 27 jaar en die in belangrijke mate door hem worden onderhouden, tevens geacht in Nederland te wonen. 2010 847 28-12-2010 16-12-2010 32276 2010 848 28-12-2010 23-12-2010 01-01-2011 Treedt in werking om 0:00 in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 5:00 in het Europese deel van Nederland.
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Heffingsgrondslagen#
Artikel 2.3 Heffingsgrondslagen De inkomstenbelasting wordt geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten: a. belastbare inkomen uit werk en woning; b. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Bepalingen heffingsgrondslagen#
Artikel 2.4 Bepalingen heffingsgrondslagen 1 Het belastbare inkomen uit werk en woning wordt bepaald: a. hoofdstuk 3 voor binnenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van; b. afdelingen 7.2 7.5 voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van deen. 2 Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt bepaald: a. hoofdstuk 4 voor binnenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van; b. afdelingen 7.3 7.5 voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van deen. 3 Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald: a. hoofdstuk 5 voor binnenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van; b. afdelingen 7.4 7.5 voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van deen. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen#
Artikel 2.5 Keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen Vervallen 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2015
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen#
Artikel 2.6 Keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen Vervallen 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2025
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Verschuldigde inkomstenbelasting; hoofdregel#
Artikel 2.7 Verschuldigde inkomstenbelasting; hoofdregel 1 De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op: a. het belastbare inkomen uit werk en woning; b. het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. artikel 7.8 artikel 8.3 Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar of een gedeelte daarvan binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inzijn, wordt het op grond van de eerste zin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (). Voor andere buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden en voor andere buitenlandse belastingplichtigen met belastbare winst uit een Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, die aanspraak kunnen maken op toepassing van een bepaling in een regeling ter voorkoming van dubbele belasting die discriminatie van vaste inrichtingen verbiedt, wordt het op grond van de eerste zin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, voor zover dat betrekking heeft op de arbeidskorting of op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. 2 artikel 7.8 Het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, met uitzondering van het deel dat betrekking heeft op de arbeidskorting of inkomensafhankelijke combinatiekorting, wordt voor belastingplichtigen die, anders dan door overlijden, niet gedurende het gehele kalenderjaar binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inzijn, tijdsevenredig verminderd volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. 3 artikel 12, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgensberekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgensberekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel verminderd. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Verschuldigde inkomstenbelasting op gewone aanslag#
Artikel 2.8 Verschuldigde inkomstenbelasting op gewone aanslag 1 Indien in het belastbare inkomen uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te conserveren inkomen is begrepen, is de verschuldigde belasting voorzover deze bij wege van aanslag wordt geheven de belasting die wordt berekend over de belastbare inkomens, verminderd met het daarin begrepen te conserveren inkomen. 2 artikelen 3.58, eerste lid 3.64, eerste lid 3.83, eerste of tweede lid 3.133, tweede lid, onderdelen h of j 3.136, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid 4.16, eerste lid, onderdeel h 7.2, achtste of twintigste lid 7.5, vierde, vijfde of zevende lid Als te conserveren inkomen worden aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van de,,,,,,, of. 3 artikel 3.58, eerste lid Op een bij de aangifte gedaan verzoek wordt het positieve inkomensbestanddeel dat in aanmerking is genomen op grond van, geheel of gedeeltelijk niet als te conserveren inkomen aangemerkt. 4 artikel 7.2 Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang wegens een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger of wegens een verdeling van een huwelijksgemeenschap naar een zodanige verkrijger binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, indien de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld inen niet tot het resultaat van een werkzaamheid in Nederland van hem behoren. 5 artikel 4.17a Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het in de tweede volzin aangeduide gedeelte van het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang wegens een overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel op een natuurlijk persoon die niet in Nederland woont. Als te conserveren inkomen wordt aangemerkt het deel dat uitgaat boven het vervreemdingsvoordeel dat ingevolgein aanmerking zou zijn genomen wanneer de natuurlijk persoon, bedoeld in de eerste volzin, in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de overgang. 6 artikel 4.17b Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het in de tweede volzin aangeduide gedeelte van het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang wegens een verdeling van een nalatenschap naar een natuurlijk persoon die niet in Nederland woont binnen twee jaar na het overlijden van de erflater. Als te conserveren inkomen wordt aangemerkt het deel dat uitgaat boven het vervreemdingsvoordeel dat ingevolgein aanmerking zou zijn genomen wanneer de natuurlijk persoon, bedoeld in de eerste volzin, in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de verdeling. 7 artikel 4.22 artikel 4.17c Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het in de tweede volzin aangeduide gedeelte van het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang wegens een vervreemding aan een natuurlijk persoon die niet in Nederland woont en bij welke vervreemdingtoepassing heeft gevonden. Als te conserveren inkomen wordt aangemerkt het deel dat uitgaat boven het vervreemdingsvoordeel dat ingevolgein aanmerking zou zijn genomen wanneer de natuurlijk persoon, bedoeld in de eerste volzin, in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de vervreemding. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Verschuldigde belasting op conserverende aanslag#
Artikel 2.9 Verschuldigde belasting op conserverende aanslag 1 artikel 2.7 artikel 2.8 De over te conserveren inkomen verschuldigde belasting is het volgensbepaalde bedrag aan belasting verminderd met het volgensbepaalde bedrag aan belasting, met dien verstande dat de belasting ten minste wordt gesteld op het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn indien het te conserveren inkomen het enige inkomen zou zijn. 2 artikel 2.8 Indien een met toepassing vanvastgestelde belastingaanslag wordt verminderd, anders dan ingevolge verliesverrekening, en deze vermindering gevolgen heeft voor de over te conserveren inkomen verschuldigde belasting, brengt de inspecteur de desbetreffende belastingaanslag daarmee in overeenstemming bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3 artikel 7.2, twintigste lid artikel 2.8, tweede lid artikel 2.12 artikel 3.65, eerste lid artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 In afwijking van het eerste lid is de verschuldigde belasting over inkomen dat op grond van, in aanmerking wordt genomen en dat op grond van, wordt aangemerkt als te conserveren inkomen gelijk aan het bedrag dat volgt uit de overeenkomstige toepassing van, geldend in het kalenderjaar van de omzetting, bedoeld in, op dat te conserveren inkomen, na vermindering van dat inkomen met het bedrag dat volgt uit de toepassing op dat te conserveren inkomen van, geldend in het jaar van de omzetting. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Tarief belastbaar inkomen uit werk en woning#
Artikel 2.10 Tarief belastbaar inkomen uit werk en woning 1 afdeling 3.1 afdeling 7.2 De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (respectievelijk) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel. Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV - € 38.883 – 8,10% € 38.883 € 78.426 € 3.149 37,56% € 78.426 – € 18.001 49,50% 2 Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 11,94% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 11,94% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid. 3 De grondslagverminderende posten, bedoeld in het tweede lid, zijn: a. artikel 3.74 de ondernemersaftrek, bedoeld in; b. artikel 3.79a de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in, mits het gezamenlijke bedrag van de met de ondernemersaftrek verminderde winst, bedoeld in artikel 3.79a, positief is; c. artikel 3.99b de terbeschikkingstellingsvrijstelling, bedoeld in, mits het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.99b, tweede lid, positief is; d. artikel 3.120 de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning, bedoeld in; e. artikel 6.1 de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 2.10a — Artikel 2.10a Tarief belastbaar inkomen uit werk en woning voor belastingplichtigen geboren vóór 1 januari 1946#
Artikel 2.10a Tarief belastbaar inkomen uit werk en woning voor belastingplichtigen geboren vóór 1 januari 1946 1 artikel 2.10 afdeling 3.1 afdeling 7.2 In afwijking vanwordt voor de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1946 de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (respectievelijk) bepaald aan de hand van de volgende tabel. Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV - € 41.123 – 8,10% € 41.123 € 78.426 € 3.330 37,56% € 78.426 – € 17.341 49,50% 2 Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 11,94% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 11,94% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid. 3 De grondslagverminderende posten, bedoeld in het tweede lid, zijn: a. artikel 3.74 de ondernemersaftrek, bedoeld in; b. artikel 3.79a de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in, mits het gezamenlijke bedrag van de met de ondernemersaftrek verminderde winst, bedoeld in artikel 3.79a, positief is; c. artikel 3.99b de terbeschikkingstellingsvrijstelling, bedoeld in, mits het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.99b, tweede lid, positief is; d. artikel 3.120 de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning, bedoeld in; e. artikel 6.1 de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Overschrijding pensioenmaximum#
Artikel 2.11 Overschrijding pensioenmaximum Vervallen 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-04-2017 01-01-2017 2017 116 27-03-2017 08-03-2017 34662
Artikel 2.11a — Artikel 2.11a Verrekening belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang#
Artikel 2.11a Verrekening belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang 1 De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning nadat de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting zijn toegepast, wordt verminderd op de voet van artikel 4.53 met een nog niet in aanmerking genomen belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang. De in de eerste volzin bedoelde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning wordt bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien ingevolge artikel 9.1, derde lid, de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen geschiedt bij wege van één aanslag, onder belasting mede verstaan de in die aanslag te begrijpen premie voor de volksverzekeringen. 3 De vermindering van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. 4 De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarbij de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang wordt verrekend. 5 Het bedrag van de verrekende belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 6 Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel 4.53, alsmede, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van het verrekende bedrag. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Tarief belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang#
Artikel 2.12 Tarief belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang afdeling 4.1 afdeling 7.3 De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (respectievelijk) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel. Bij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV – € 68.843 – 24,5% € 68.843 – € 16.866 31% 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 Tarief belastbaar inkomen uit sparen en beleggen#
Artikel 2.13 Tarief belastbaar inkomen uit sparen en beleggen afdeling 5.1 afdeling 7.4 De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (respectievelijk) bedraagt 36%. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 Toerekening tussen en binnen de belastbare inkomens#
Artikel 2.14 Toerekening tussen en binnen de belastbare inkomens 1 Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen. 2 Voorzover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. 3 In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden: a. hoofdstuk 3 hoofdstuk 4 artikel 3.119a schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling inofvan aftrek zijn uitgesloten en schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning, doch niet behoren tot de eigenwoningschuld, bedoeld in, in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen; b. artikel 5.2 vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet meer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in; c. artikel 5.2 vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; d. artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a artikel 4.12, onderdeel a artikel 5.2 vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan zes achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan achttien achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren en die in ten minste een deel van die periode behoren tot de bezittingen van een lichaam waarbij een forfaitair voordeel als bedoeld in, uit de aandelen in of winstbewijzen van dat lichaam tot de reguliere voordelen, bedoeld in, behoort, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; e. artikel 3.91 artikel 3.92 hoofdstuk 4 artikelen 4.10 4.11 van een werkgever die een met de belastingplichtige verbonden persoon is als bedoeld in, of waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon als bedoeld ineen aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, uitgezonderd deen, ontvangen vergoedingen ter zake van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte ten behoeve van hemzelf in zijn woning, niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare loon, doch bij de bepaling van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en wordt die werkruimte tot het vermogen van die werkzaamheid gerekend, indien de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en: 1º. ingeval de belastingplichtige tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of 2º. ingeval de belastingplichtige niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft. 4 artikel 3.16, twaalfde lid Met betrekking tot het derde lid, onderdeel e, is, van overeenkomstige toepassing. 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 01-01-2017
Artikel 2.14bis — Artikel 2.14bis Toerekening inkomensbestanddelen bij een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, transparant fonds of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam#
Artikel 2.14bis Toerekening inkomensbestanddelen bij een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, transparant fonds of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap en een transparant fonds, toegerekend aan de participanten in dat lichaam naar rato van ieders gerechtigdheid. 2 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam toegerekend aan de participanten in dat lichaam naar rato van ieders gerechtigdheid: a. mits de rechtsvorm van dat lichaam vergelijkbaar is met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of met die van een transparant fonds; of b. artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 indien onderdeel a niet van toepassing is: mits de rechtsvorm van dat lichaam niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld inen dat lichaam geen lichaam is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, of artikel 3, tweede lid, van die wet. 3 artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Het eerste lid is niet van toepassing op een fonds voor gemene rekening en het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in. 4 artikel 2.14a Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam toegerekend aan dat lichaam, indien die niet op grond van het tweede lid ofworden toegerekend aan een ander dan dat lichaam. 5 artikel 2, eerste lid, onderdelen c, e of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam een met de rechtsvorm van een lichaam als bedoeld inof een met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of transparant fonds vergelijkbare rechtsvorm heeft. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld voor de beoordeling of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam naast de rechtsvorm ook voor het overige met een lichaam vergelijkbaar is als bedoeld in de eerste zin. 6 artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fonds voor gemene rekening verstaan: een fonds voor gemene rekening als bedoeld in. 7 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een transparant fonds verstaan: een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, tenzij dat fonds een fonds voor gemene rekening is. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 2.14a — Artikel 2.14a Toerekening afgezonderd particulier vermogen#
Artikel 2.14a Toerekening afgezonderd particulier vermogen 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening). Na het overlijden van de persoon, bedoeld in de eerste volzin, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, toegerekend aan diens erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. Vanaf het moment dat de in de vorige volzin bedoelde erfgenaam is overleden, treden diens erfgenamen en de daaropvolgende erfgenamen in de plaats van de overleden erfgenaam, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij erfgenaam is van de overleden erfgenaam waarvoor hij in de plaats treedt. 2 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een afgezonderd particulier vermogen, niet zijnde een sociaal belang behartigende instelling: een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering van dit vermogen: a. een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, of b. een economische deelgerechtigdheid is ontstaan. 3 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder het afzonderen van vermogen verstaan: a. het om niet of onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen; b. het rechtens dan wel in feite, direct of indirect, vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd van de vervreemder, van zijn partner of van een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of tot en met de vierde graad van de zijlijn. 4 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder een erfgenaam mede verstaan een persoon die is onterfd en die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen of wiens partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen. 5 In afwijking van het eerste lid worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan een persoon die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen indien degene die het vermogen heeft afgezonderd, diens partner en diens erfgenamen niet zijn te bepalen. Ingeval er meer begunstigden zijn, vindt naar verhouding van de mate van begunstiging de toerekening aan de begunstigden plaats. 6 Het eerste lid, tweede en derde volzin, is niet van toepassing met betrekking tot een erfgenaam, ingeval blijkt dat deze persoon en diens partner niet rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde zijn van het afgezonderd particulier vermogen en dit ook niet kunnen worden. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan de overige erfgenamen in dezelfde verhouding als zij verkrijgers krachtens erfrecht zouden zijn geweest bij uitsluiting van de in de eerste volzin bedoelde erfgenaam. De in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening is niet van toepassing ingeval blijkt dat de erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen van de in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening. 7 artikel 4, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Onder de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, bedoeld in het eerste lid, worden niet begrepen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven ter zake waarvan blijkt dat die tot het vermogen, onderscheidenlijk de winst, van een onderneming van het afgezonderd particulier vermogen behoren, voor zover blijkt dat de winst uit deze onderneming in de staat of in de staten waarin deze wordt gedreven is onderworpen aan een belasting naar de winst. Onder een onderneming als bedoeld in de eerste volzin wordt mede begrepen een werkzaamheid als bedoeld in. 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde toerekening. 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 01-01-2017 20-09-2016
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 Toerekening inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven dividendbelasting van een minderjarig kind#
Artikel 2.15 Toerekening inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven dividendbelasting van een minderjarig kind 1 artikel 2.16 kind Voor de toepassing van deze wet, behoudens voorzover het de toepassing vanbetreft, wordt geen rekening gehouden met het wettelijk vruchtgenot van het vermogen van een minderjarig. 2 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid 3.92 artikel 9.2 Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in de artikelen, en, de belastbare inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de op grond vanter zake als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van een minderjarig kind worden toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent. 3 artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Met de ouder die het gezag over het kind uitoefent, wordt, indien niet tevens een andere ouder het gezag uitoefent, gelijkgesteld de ouder van wie het gezag is beëindigd op grond van. 4 Indien het gezag over het kind aan meer dan één ouder toekomt, worden de in het tweede lid bedoelde inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven dividendbelasting in gelijke delen aan ieder van hen toegerekend. 2014 131 27-03-2014 12-03-2014 33061 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 Verhaalsrecht#
Artikel 2.16 Verhaalsrecht 1 kind De belastingplichtige aan wie inkomensbestanddelen van eenzijn toegerekend en die daarvan niet het vruchtgenot heeft, heeft verhaal op dat kind voor een gedeelte van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting, voorzover deze is voldaan. 2 Het in het eerste lid bedoelde gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van dat kind dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid. 3 artikelen 2.8, eerste lid 2.9 Indien in het belastbare inkomen uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te conserveren inkomen is begrepen, wordt het in het eerste lid bedoelde gedeelte bepaald met overeenkomstige toepassing van de, en. 4 Van het eerste lid kan bij overeenkomst worden afgeweken. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 Toerekening inkomensbestanddelen, bestanddelen van de rendementsgrondslag, geheven dividendbelasting en korting voor groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner#
Artikel 2.17 Toerekening inkomensbestanddelen, bestanddelen van de rendementsgrondslag, geheven dividendbelasting en korting voor groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner 1 partner Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijnworden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren. 2 artikel 5.2, vijfde lid artikel 9.2 artikel 8.19 Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in, en de op grond vanals voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. De korting voor groene beleggingen, bedoeld in, van de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht bij hen op te komen in de verhouding die op grond van dit artikel wordt toegepast voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige en het verzamelinkomen van zijn partner aan elkaar gelijk zijn en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met de hoogste leeftijd. 3 Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen. 4 De voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen of voor de geheven dividendbelasting tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag, navorderingsaanslag, conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste volzin bedoelde aanslag vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te staan. 5 Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen: a. belastbare inkomsten uit eigen woning; b. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek; c. de persoonsgebonden aftrek. 6 Indien een persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige in aanmerking is genomen bij zijn partner wordt een met die aftrek verband houdende negatieve persoonsgebonden aftrek eveneens in aanmerking genomen bij die partner, zo die persoon nog steeds kan kwalificeren als partner van de belastingplichtige. 7 artikel 7.8 Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. De keuze wordt gemaakt bij verzoeken in verband met voorlopige teruggaaf of bij aangifte. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de belastingplichtige of zijn partner als gevolg van emigratie of immigratie niet het gehele kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is als bedoeld in. 8 artikel 5.2, vijfde lid hoofdstuk 5 In afwijking van het vijfde lid en, zijn het tweede tot en met het vierde lid ook van toepassing op de belastingplichtige en zijn partner, bedoeld in het zevende lid, derde volzin, over de periode waarin zij beiden binnenlands belastingplichtige zijn, mits de periode van binnenlandse belastingplicht gelijktijdig aanvangt en eindigt. Voor de toepassing vanworden de belastingplichtige en zijn partner, bedoeld in de eerste volzin, geacht het gehele kalenderjaar dezelfde partner te hebben gehad. 9 Indien een keuze tot wijziging van de in het vierde lid bedoelde onderlinge verhouding zou moeten leiden tot een vermindering van een reeds onherroepelijk vaststaande aanslag, beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van de mededeling van die keuze bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het vierde lid. Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin biedt geen grond voor het opnieuw toepassen van het vierde lid. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 01-01-2023
Artikel 2.18 — Artikel 2.18 Verzamelinkomen#
Artikel 2.18 Verzamelinkomen Verzamelinkomen is het gezamenlijke bedrag van: a. het inkomen uit werk en woning; b. het inkomen uit aanmerkelijk belang en c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning#
Artikel 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning 1 afdeling 3.13 Belastbaar inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning (). 2 Inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van: a. afdeling 3.2 de belastbare winst uit onderneming (); b. afdeling 3.3 het belastbare loon (); c. afdeling 3.4 het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden (); d. afdeling 3.5 de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (); e. afdeling 3.6 de belastbare inkomsten uit eigen woning (); f. afdeling 3.8 de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen () en g. afdeling 3.9 de negatieve persoonsgebonden aftrekposten (); verminderd met: h. afdeling 3.6a de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (); i. afdeling 3.7 de uitgaven voor inkomensvoorzieningen () en j. hoofdstuk 6 de persoonsgebonden aftrek (). 2005 603 01-12-2005 17-11-2005 30200 2005 603 01-12-2005 17-11-2005 30200 02-12-2005 01-01-2005
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Belastbare winst uit onderneming#
Artikel 3.2 Belastbare winst uit onderneming ondernemer paragraaf 3.2.2 paragraaf 3.2.4 paragraaf 3.2.5 Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige alsgeniet uit een of meer ondernemingen () verminderd met de ondernemersaftrek () en de MKB-winstvrijstelling (). 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Uitbreiding begrip belastbare winst uit onderneming#
Artikel 3.3 Uitbreiding begrip belastbare winst uit onderneming 1 Belastbare winst uit onderneming is mede: a. ondernemer paragraaf 3.2.2 de winst die de belastingplichtige, anders dan alsof aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming geniet uit een of meer ondernemingen (); b. het bedrag van de gezamenlijke voordelen die de belastingplichtige geniet uit hoofde van een schuldvordering op een ondernemer ten behoeve van een voor zijn rekening gedreven onderneming, indien zich een in het derde lid genoemde omstandigheid voordoet. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, behoeft de medegerechtigdheid zich niet uit te strekken tot een eventueel liquidatiesaldo. 3 Een in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde omstandigheid is: a. de schuldvordering is onder zodanige voorwaarden aangegaan dat deze in feite functioneert als vermogen van de in dat onderdeel bedoelde onderneming of b. de vergoeding over de schuldvordering is op het tijdstip van het aangaan van de schuldvordering zodanig vastgesteld dat deze rechtens – dan wel in feite – bezien over de gehele looptijd grotendeels afhankelijk is van de winst van de in dat onderdeel bedoelde onderneming. 4 artikel 2.14 Het eerste lid, onderdeel b, is – in afwijking in zoverre van– niet van toepassing op voordelen uit hoofde van een schuldvordering die tevens als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden zouden kunnen worden aangemerkt. 5 Indien de voorwaarden waaronder een schuldvordering is aangegaan nadien worden gewijzigd, wordt voor de toepassing van het derde lid de schuldvordering op het tijdstip van het wijzigen van de voorwaarden geacht opnieuw te zijn aangegaan. 6 De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voordelen worden bepaald alsof de schuldvordering een onderneming vormt. 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 01-01-2013
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Begrip ondernemer#
Artikel 3.4 Begrip ondernemer ondernemer In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Zelfstandig uitgeoefend beroep#
Artikel 3.5 Zelfstandig uitgeoefend beroep 1 In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder onderneming: het zelfstandig uitgeoefende beroep. 2 ondernemer In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: de beoefenaar van een zelfstandig beroep. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Begrip urencriterium#
Artikel 3.6 Begrip urencriterium 1 urencriterium ondernemer In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige alswinst geniet, indien: a. afdelingen 3.3 3.4 de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van deen, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of b. de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, komen niet in aanmerking werkzaamheden ten behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen, indien: a. de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan, of b. het samenwerkingsverband verband houdt met een onderneming waaruit een met de belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst geniet, maar de belastingplichtige zelf niet. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder met de belastingplichtige verbonden personen verstaan: a. personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige en b. bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden. 4 afdeling 4.3 Onder een samenwerkingsverband dat verband houdt met een onderneming waaruit een met de belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst geniet wordt mede verstaan een samenwerkingsverband dat verband houdt met een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon direct of indirect een aanmerkelijk belang in de zin vanvan deze wet heeft. 5 Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden onderbroken vanwege zwangerschap van de belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt met het zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals dat geldt voor werkneemsters, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren geacht niet te zijn onderbroken. 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 01-01-2002 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Begrippen reisafstand en regelmatig woon-werkverkeer#
Artikel 3.7 Begrippen reisafstand en regelmatig woon-werkverkeer Vervallen 2002 617 19-12-2002 12-12-2002 28608 2002 617 19-12-2002 12-12-2002 28608 01-01-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 Winst#
Artikel 3.8 Winst Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 Maximum verlies#
Artikel 3.9 Maximum verlies 1 artikel 3.3 Voorzover de winst van de belastingplichtige, bedoeld inin het jaar, vóór toepassing van dit lid, tezamen met de winst van alle daaraan voorafgaande jaren waarin dat artikel op hem van toepassing was, negatief is en in absolute zin uitgaat boven het in het tweede lid bedoelde bedrag, wordt het verschil ten bate van de winst van het jaar gebracht. 2 artikel 3.3 artikel 3.53 Het in het eerste lid bedoelde bedrag betreft de boekwaarde van het vermogen van de onderneming op het tijdstip waaropvoor het eerst op de belastingplichtige van toepassing werd, verminderd met het bedrag van de reserves, bedoeld in, op dat tijdstip. Indien na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip door de belastingplichtige is gestort in of onttrokken aan de onderneming, wordt de uitkomst van de eerste volzin vermeerderd met de waarde van die storting op het tijdstip van die storting respectievelijk verminderd met de waarde van die onttrekking op het tijdstip van die onttrekking. 3 artikel 3.3 Hetgeen op grond van het eerste lid ten bate van de winst van het jaar is gebracht, wordt ten laste van de winst van het volgende jaar gebracht indienbij de aanvang van dat volgende jaar nog op de belastingplichtige van toepassing is. 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-07-2007
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 Verliezen uit de aanloopfase van een onderneming#
Artikel 3.10 Verliezen uit de aanloopfase van een onderneming ondernemer ondernemer Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke, onder te stellen voorwaarden, debij het bepalen van de winst de per saldo resterende kosten en lasten in aftrek kan brengen die zijn gemaakt in de vijf kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan het eerste kalenderjaar als, verband houden met het starten van de onderneming en niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kunnen of konden worden gebracht. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 Vrijstelling voor bosbedrijf#
Artikel 3.11 Vrijstelling voor bosbedrijf 1 Tot de winst behoren niet voordelen uit bosbedrijf. 2 Een belastingplichtige die het bosbedrijf uitoefent, kan de inspecteur verzoeken om het eerste lid op hem niet van toepassing te doen zijn. Bij inwilliging van het verzoek geldt dit tot wederopzegging door de belastingplichtige maar ten minste voor tien jaar. Een hernieuwd verzoek kan pas tien jaar nadat het eerste lid wederom van toepassing is geworden, worden ingewilligd. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3 De waarde van de tot het bosbedrijf behorende bezittingen wordt op het tijdstip met ingang waarvan het eerste lid niet meer van toepassing is en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop het eerste lid weer van toepassing is, gesteld op de waarde in het economische verkeer. 4 De voordelen die worden behaald onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarvan het eerste lid weer van toepassing is, kunnen onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden buiten aanmerking blijven. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 Landbouwvrijstelling#
Artikel 3.12 Landbouwvrijstelling 1 Tot de winst behoren niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen – of op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 01-01-2001
Artikel 3.12a — Artikel 3.12a Filmexploitatievrijstelling#
Artikel 3.12a Filmexploitatievrijstelling Vervallen 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-07-2007
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 Overige vrijstellingen#
Artikel 3.13 Overige vrijstellingen 1 Tot de winst behoren niet: a. afdeling 3.13 artikel 358 van de Faillissementswet voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, voorzover de voordelen de som van het verlies uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de volgenste verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen; met prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten wordt gelijkgesteld het niet afdwingbaar worden van een vordering ingevolge; b. pensioenregeling loon voordelen bestaande uit aanspraken die berusten op eenen leiden tot alsaan te merken pensioentermijnen of die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; c. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voordelen bestaande uit aanspraken op een uitkering op grond van deof op een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van een door een of meer van Onze Ministers opgerichte stichting ter bevordering van de ontwikkeling en van de sanering binnen het bedrijfsleven, voorzover die aanspraken bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en uitsluitend zijn toegekend ter zake van de beëindiging van de onderneming; d. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voordelen bestaande uit uitkeringen en aanspraken op uitkeringen op grond van de; e. voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in de onderdelen c en d; f. uitkeringen uit een stakingskas; g. een door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij ministeriële regeling te bepalen deel, daaronder mede begrepen het geheel, van de voordelen ingevolge bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur alsmede aangewezen overeenkomsten die vooruitlopen op die regelingen; h. artikel 32ab, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voordelen die op de voet vanals eindheffingsbestanddeel in aanmerking zijn genomen, mits de belastingplichtige de aldaar bedoelde schriftelijke mededeling in zijn administratie bewaart; i. voordelen uit projecten die: 1°. zijn gericht op hinderbeperking tijdens grootschalige wegwerkzaamheden; 2°. voldoen aan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden; en 3°. door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn aangewezen en bekendgemaakt in de Staatscourant; j. artikel 5.3 van de Jeugdwet voordelen die worden genoten op grond van. 2 artikel 2.14, eerste lid Op de voordelen bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en de voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in dat onderdeel, is, niet van toepassing. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 Van aftrek uitgesloten algemene kosten#
Artikel 3.14 Van aftrek uitgesloten algemene kosten 1 Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: a. het voeren van een zekere staat; b. vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden; c. artikel 234, vijfde lid artikel 235, derde lid, van de Gemeentewet geldboeten opgelegd door een strafrechter en geldsommen betaald aan een staat of een onderdeel daarvan ter voorkoming van strafvervolging, in het kader van een strafbeschikking of daarmee vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing, dan wel ter voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening, bestuurlijke boeten en daarmee vergelijkbare buitenlandse boeten, geldboeten opgelegd op basis van bij wet geregeld tuchtrecht, geldboeten opgelegd door een instelling van de Europese Unie, alsmede kosten als bedoeld in, en; d. misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, daaronder begrepen de misdrijven die zijn betrokken bij de bepaling van de hoogte van de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar Ministerie heeft verklaard te zullen afzien van vervolging; e. misdrijven ter zake waarvan een strafbeschikking onherroepelijk is geworden; f. Wet wapens en munitie wapens en munitie, tenzij ter zake een erkenning, consent, vergunning, verlof of ontheffing is verleend krachtens de; g. dieren die krachtens een onherroepelijke bestuursrechtelijke of strafrechtelijke maatregel in verband met agressie niet mogen worden gehouden, en h. artikel 126, eerste lid 177 178 178a 328ter, tweede lid 328quater, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht giften, beloften of diensten indien blijkt dat sprake is van een strafbaar feit als bedoeld in,,,,, of; i. afdeling 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht dwangsommen als bedoeld inen daarmee vergelijkbare buitenlandse dwangsommen. 2 Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing voorzover de onderneming direct is gericht op het vervaardigen of het verhandelen van vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden, dan wel op het verrichten van diensten in verband met die vaartuigen en die vaartuigen respectievelijk diensten deel uitmaken van de omzet. 3 Tot de in het eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde kosten en lasten behoren niet: a. voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen, ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en b. vergoeding van door het misdrijf veroorzaakte schade. 4 Voorzover kosten en lasten die verband houden met een misdrijf bij het bepalen van de winst in aanmerking zijn genomen in een of meer van de vijf jaren voorafgaande aan het jaar waarin de veroordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onherroepelijk is geworden, of waarin aan de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is voldaan, wordt het bedrag ter grootte van de som van deze kosten en lasten gerekend tot de positieve voordelen van de winst uit onderneming van het laatstbedoelde jaar. 5 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen d en e, wordt met de belastingplichtige gelijkgesteld degene die ten behoeve van de belastingplichtige opdracht heeft gegeven tot het misdrijf dan wel aan het misdrijf feitelijk leiding heeft gegeven. 6 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek: a. geheven dividendbelasting en kansspelbelasting; b. belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst of bestanddelen van de winst worden geheven, indien voor de belastingplichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot kosten en
lasten, onderscheidenlijk loonbestanddelen, die verband houden met: 1°.geldsommen die zijn betaald in het kader van een na
31 december 2019 uitgevaardigde strafbeschikking of daarmee
vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing die na
31 december 2019 heeft plaatsgevonden;2°.dwangsommen die zijn verbeurd na 31 december 2019.
Artikel 3.15 — Artikel 3.15 In aftrek beperkte algemene kosten#
Artikel 3.15 In aftrek beperkte algemene kosten 1 artikel 3.14 Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd, tot een bedrag van € 5.700 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: a. voedsel, drank en genotmiddelen; b. representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. 2 Onder de in het eerste lid bedoelde posten worden mede verstaan de desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op de in dat lid bedoelde posten voorzover de onderneming direct is gericht op het vervaardigen of het verhandelen van tot die posten behorende goederen, dan wel op het verrichten van diensten in verband met die posten en die posten deel uitmaken van de omzet. 4 artikel 3.8 Met betrekking tot de kosten en lasten die vallen onder het eerste lid worden, in afwijking in zoverre van, ten aanzien van de belastingplichtige zelf geen onttrekkingen in aanmerking genomen. 5 Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 80% in aftrek. 6 Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,23 per kilometer. 7 Voor de toepassing van het zesde lid worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 3.16 — Artikel 3.16 Van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de belastingplichtige#
Artikel 3.16 Van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de belastingplichtige 1 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en: a. ingeval hij tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of b. ingeval hij niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft. 2 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de belastingplichtige zelf die verband houden met de volgende posten: a. telefoonabonnementen met betrekking tot telefoonaansluitingen in zijn woonruimte; b. literatuur, met uitzondering van vakliteratuur; c. kleding, met uitzondering van werkkleding; d. persoonlijke verzorging; e. artikel 43 van de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in, of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en f. reizen en verblijf in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep, alsmede in verband met congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke, voorzover deze meer bedragen dan € 1500. 3 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, gereedschappen, computers en andere dergelijke apparatuur, alsmede beeldapparatuur. 4 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige, indien de vergoeding lager is dan € 5000. 5 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt kleding als werkkleding aangemerkt indien zij: a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen of b. is voorzien van zodanige uiterlijke kenmerken dat daaruit blijkt dat deze uitsluitend is bestemd om bij het behalen van de winst te worden gedragen. 6 Bij ministeriële regeling kunnen voor het vijfde lid, onderdelen a en b, regels worden gesteld om te bepalen wanneer aan de in die onderdelen gestelde voorwaarden is voldaan. 7 Het tweede lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige die optreedt als artiest of als presentator of die als beroep een tak van sport beoefent. 8 Het tweede lid, onderdeel f, is niet van toepassing indien de aard van de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden noodzaakt tot het bijwonen van de desbetreffende cursussen, opleidingen, congressen, seminars, symposia, excursies en dergelijke respectievelijk het maken van de desbetreffende studiereizen. 9 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek: a. geheven loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen; b. premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de volksverzekeringen, tenzij de belastingplichtige premieplichtig is voor de volksverzekeringen. 10 artikel 5.4, eerste lid Bij het bepalen van de winst komen voorts mede niet in aftrek, renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die corresponderen met geldvorderingen als bedoeld in. 11 Voor de toepassing van dit artikel worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden. 12 artikel 1, onder l, van de Wet op de huurtoeslag Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in, alsmede de aanhorigheden van een schip of woonwagen. 13 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behorend huurrecht of soortgelijk recht met betrekking tot een woning, kosten en lasten van de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf, met uitzondering van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, die een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en ter zake waarvan de belastingplichtige voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. 14 Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behorende woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, indien die kosten en lasten ingevolge het eerste lid niet in aftrek zouden komen als de woning niet tot het ondernemingsvermogen zou behoren. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 3.17 — Artikel 3.17 In aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige#
Artikel 3.17 In aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige 1 artikelen 3.14 3.15 3.16 Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de,en, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek: a. ten behoeve van de belastingplichtige zelf: 1°. verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel, vermeerderd met € 7750; 2°. huisvesting buiten zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar; b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,23 per kilometer; c. tot het privévermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde bezitting, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b: 1º. artikel 5.2, tweede lid, tweede zin indien die bezitting tot het privé-vermogen behoort: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het product van het op die bezitting van toepassing zijnde percentage, bedoeld in, en de waarde van die bezitting, mits dat product positief is en voor zover dat product kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen; 2º. indien de bezittingen in privé zijn gehuurd: een gebruiksvergoeding van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de beoordeling of in ieder geval in het kader van de onderneming is verhuisd. 3 afdeling 3.4 Indien een belastingplichtige uit meer dan een onderneming of werkzaamheid als bedoeld inwinst respectievelijk resultaat behaalt, worden de kosten en lasten van de posten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gezamenlijk bij één onderneming of werkzaamheid in aanmerking genomen. 4 Voor de toepassing van dit artikel, behoudens het eerste lid, onderdeel c, worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 3.18 — Artikel 3.18 Premies voor beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling#
Artikel 3.18 Premies voor beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling 1 pensioenregeling artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b artikelen 18, eerste en tweede lid, 18a 18b 18c 18d 18f 18ga 38b 38c 38r 38s 38t van de Wet op de loonbelasting 1964 artikelen 19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, en derde lid 19c 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij het bepalen van de winst komen premies voor eenals bedoeld in, van de belastingplichtige uitsluitend in aftrek indien die regeling voldoet aan de in de,,,,,,,,,enen de bij of krachtens het vijfde lid gestelde normeringen en beperkingen. Bij de toepassing van de eerste zin zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2 Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek premies als bedoeld in het eerste lid, voor zover deze zijn gebaseerd op een hoger inkomen dan het voor de belastingplichtige geldende pensioengevend inkomen. 3 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek premies voor vrijwillige aanvulling als bedoeld in, voor zover deze per jaar meer bedragen dan een derde van de over dat jaar verschuldigde premies voor de basispensioenregeling. 4 Voor de beoordeling of is voldaan aan de normeringen en beperkingen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan onder: a. werknemer: artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b deelnemer aan een pensioenregeling als bedoeld in; b. gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioenwet: Pensioenwet Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling gevallen voorzien bij of krachtens de, deof de; c. dienstjaar: Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling jaar waarin wordt deelgenomen in een pensioenregeling op grond van de, deof de; d. pensioengevend loon: artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b pensioengevend inkomen, bestaande uit de winst uit onderneming vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in, van de belastingplichtige, in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het dienstjaar, bedoeld in onderdeel c, waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil; e. dienstbetrekking: artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling arbeidsverhouding als gevolg waarvan deelneming aan een pensioenregeling als bedoeld in, verplicht is op grond van de, deof de. 5 Voor de toepassing van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot: a. artikelen 18a, eerste en derde lid 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de overeenkomstige toepassing van de, en; b. perioden die mede in aanmerking kunnen worden genomen als dienstjaren, alsmede de gedurende deze perioden met pensioengevend inkomen gelijk te stellen bedragen; c. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling de met pensioengevend inkomen gelijk te stellen bedragen gedurende ten hoogste de eerste drie jaar van deelneming in een pensioenregeling op grond van de, deof de; d. de situatie waarin het pensioengevend inkomen is verlaagd in verband met ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling van de deelnemer; e. artikelen 18b 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in deen; f. artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 de overeenkomstige toepassing van. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 3.19 — Artikel 3.19 Bijtelling privé-gebruik woning#
Artikel 3.19 Bijtelling privé-gebruik woning 1 artikel 3.16, dertiende lid Bij het bepalen van de winst met betrekking tot een woning die de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, wordt de waarde van de onttrekking gesteld op het bedrag in het tweede lid. Met betrekking tot een woning waarop een tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behorend huurrecht of soortgelijk recht betrekking heeft ter zake waarvan de met dat recht verband houdende kosten en lasten ingevolge, geheel of gedeeltelijk niet in aftrek komen, is de eerste volzin niet van toepassing. 2 De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: meer dan maar niet-meer dan op jaarbasis – € 12.500 0,65% van deze waarde € 12.500 € 25.000 0,80% van deze waarde € 25.000 € 50.000 0,90% van deze waarde € 50.000 € 75.000 1,00% van deze waarde € 75.000 € 1.350.000 1,10% van deze waarde € 1.350.000 – € 14.850 vermeerderd met 2,35% van de woningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.350.000 3 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken De woningwaarde is de volgensvoor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar van de onttrekking. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning. 4 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken artikelen 16 tot en met 18 20, tweede lid, van die wet Indien met betrekking tot een woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond vanvastgestelde waarde, is de woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens deenen van het derde lid, tweede volzin. 5 Voor de toepassing van dit artikel: a. artikel 1, onder l, van de Wet op de huurtoeslag wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in; b. artikel 3.16, eerste lid blijft onder woning begrepen een werkruimte waarvan de kosten en lasten, indien die werkruimte niet tot het ondernemingsvermogen zou behoren, ingevolge, niet in aftrek zouden komen. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.20 — Artikel 3.20 Bijtelling privégebruik auto#
Artikel 3.20 Bijtelling privégebruik auto 1 Indien aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste: De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. a. 22% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de auto niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen; b. 35% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de auto meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. 2 2 Verordening (EU) 2017/1151 Verordening (EG) nr. 715/2007 Richtlijn 2007/46/EG Verordening (EG) nr. 692/2008 Verordening (EU) nr. 1230/2012 Verordening (EG) nr. 692/2008 De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt op jaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.200 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bijvan de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging vanvan het Europees Parlement en de Raad,van de Commissie envan de Commissie en tot intrekking vanvan de Commissie (PbEU 2017, L 175). 3 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. 4 De onttrekking wordt in aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto voor eigen rekening heeft genomen. 5 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. auto: personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, met uitzondering van een bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen; b. waarde van de auto: catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van die wet, met dien verstande dat de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer. 6 artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 Indien een bestelauto als bedoeld inuitsluitend zakelijk wordt gebruikt, kan de belastingplichtige met betrekking tot deze auto aan de inspecteur een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik afgeven (verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto). De ontvangst van die verklaring wordt door de inspecteur bevestigd. 7 De belastingplichtige kan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto intrekken. De mededeling van de intrekking wordt door de inspecteur bevestigd. 8 In geval van een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto kan de inspecteur, bij het vermoeden van een rit voor privédoeleinden, de belastingplichtige verzoeken te doen blijken dat de betreffende rit zakelijk was. Slaagt de belastingplichtige niet in dit bewijs, dan wordt de bestelauto geacht op jaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden te worden gebruikt. 9 Indien de belastingplichtige de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto heeft ingetrokken voordat hij de bestelauto ook voor privédoeleinden gaat gebruiken, wordt de bestelauto tot het moment van de intrekking geacht wel voor privédoeleinden ter beschikking te staan, maar niet voor privédoeleinden te zijn gebruikt. 10 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt afgegeven en ingetrokken en in welke gevallen de belastingplichtige de verklaring in ieder geval moet intrekken. 11 2 Na de eerste wijziging van de CO-uitstootgrens of het percentage in het tweede lid na de datum van eerste toelating van de auto, is voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste toelating, de verlaging, bedoeld in het tweede lid, van toepassing overeenkomstig de bepalingen die gelden direct voorafgaand aan die wijziging. 12 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een auto waarvan de datum van de eerste tenaamstelling in het kentekenregister niet overeenkomt met de datum van eerste toelating op de weg van die auto. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026 2016 275 14-07-2016 06-07-2016 34391 2016 275 14-07-2016 06-07-2016 34391 01-01-2026 2019 511 27-12-2019 18-12-2019 35304 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2016/275 gesteld op 1 januari 2021.
Artikel 3.20a — Artikel 3.20a Bijtelling privégebruik fiets#
Artikel 3.20a Bijtelling privégebruik fiets 1 Indien aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een fiets ter beschikking staat, wordt op jaarbasis 7% van de waarde van de fiets als onttrekking in aanmerking genomen. De fiets wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan indien de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat. 2 De onttrekking wordt in aanmerking genomen voor zover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de fiets voor eigen rekening heeft genomen. 3 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een fiets mede verstaan een bromfiets als bedoeld in, indien deze mede door menselijke spierkracht wordt aangedreven en is uitgerust met een elektromotor. 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de waarde van de fiets verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs van de fiets. Indien voor de fiets geen consumentenadviesprijs beschikbaar is, wordt aangesloten bij de consumentenadviesprijs van de meest vergelijkbare fiets. 5 Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de belastingplichtige wordt gestald, wordt de onttrekking in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt geacht geen sprake te zijn indien de belastingplichtige in de periode waarin de fiets zich bij het woon-of verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026 01-01-2020
Artikel 3.21 — Artikel 3.21 Bonusaandelen van beleggingsinstellingen#
Artikel 3.21 Bonusaandelen van beleggingsinstellingen artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Bij het bepalen van de winst wordt mede in aanmerking genomen de nominale waarde van aandelen die worden uitgereikt door een lichaam dat wordt aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in, voorzover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Bijschrijving op die aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.22 — Artikel 3.22 Winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage#
Artikel 3.22 Winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage 1 artikelen 3.8 tot en met 3.20 3.25 tot en met 3.65 3.79 Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de,, en, de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. 2 Het verzoek wordt gedaan in het eerste jaar waarin de belastingplichtige uit de desbetreffende onderneming winst uit zeescheepvaart geniet, dan wel in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3 Bij inwilliging van het verzoek geldt dit met ingang van het jaar waarin het verzoek is gedaan en tot wederopzegging door de belastingplichtige, waarbij wederopzegging alleen mogelijk is met ingang van het tiende jaar of een veelvoud daarvan na het einde van het jaar met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan de hand van de tonnage. 4 artikel 3.23 artikel 3.24 Voor de toepassing van dit artikel,enwordt onder de winst uit zeescheepvaart verstaan: a. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor: 1°. het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee; 2°. het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee; 3°. de exploratie van de zeebodem; 4°. het leggen van kabels dan wel pijpen op de zeebodem, of 5°. artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet het verrichten van takel- en hefwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld inof aan installaties ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee; b. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor: 1°. baggerwerkzaamheden op zee waarvan de jaarlijkse bedrijfstijd grotendeels uit zeevervoer bestaat, of 2°. artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet het verrichten van sleep- en hulpwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in, niet zijnde een schip waarvan het geheel van werkzaamheden en activiteiten grotendeels bestaat uit het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee, en c. de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a en b bedoelde exploitatie van een schip. 5 artikel 3.23 artikel 3.24 Voor de toepassing van dit artikel,enis sprake van exploitatie van een schip, indien de belastingplichtige: a. in Nederland in belangrijke mate het beheer verricht van het schip, het schip de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de belastingplichtige het schip: 1°. in eigendom heeft of mede in eigendom heeft en niet in rompbevrachting heeft gegeven; of 2°. in rompbevrachting houdt; b. in Nederland hoofdzakelijk het commerciële beheer verricht van het schip voor een ander, mits de belastingplichtige daarnaast een of meer schepen beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef en onderdeel a, waarbij schepen in mede-eigendom alleen in aanmerking worden genomen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt; c. het schip in tijd- of reischarter houdt, mits: 1°. de belastingplichtige daarnaast een of meer schepen beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef van dit lid en onderdeel a, waarbij schepen in mede-eigendom alleen in aanmerking worden genomen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt; en 2°. het jaartotaal van de netto-dagtonnages van de schepen die de belastingplichtige in tijd- of reischarter houdt en die niet de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte niet meer bedraagt dan 75% van het vóór toepassing van dit subonderdeel bepaalde jaartotaal van de netto-dagtonnages van de schepen, bedoeld in het eerste lid, waarbij van schepen in mede-eigendom de netto-dagtonnages slechts in aanmerking worden genomen naar rato van de mate van mede-eigendom in die schepen, tenzij de belastingplichtige zowel het volledige bemanning- en technische beheer als commerciële beheer van die schepen verricht; of d. in Nederland voor een ander het volledige bemanning- en technische beheer verricht van het schip, mits dat schip de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 6 In afwijking van het vijfde lid, onderdelen a en d, is de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte niet van toepassing indien: a. direct voorafgaand aan het moment van in gebruik nemen, onderscheidenlijk gaan verrichten van het volledige bemanning- en technische beheer, van het schip door de belastingplichtige ten minste een van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, als percentage van de totale netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen, niet is afgenomen ten opzichte van het overeenkomstig berekende percentage op 17 januari 2004 dan wel, zo dit later is, het overeenkomstig berekende percentage aan het einde van het boekjaar waarin de belastingplichtige voor het eerst de winst uit zeescheepvaart heeft bepaald overeenkomstig het eerste lid; of b. direct voorafgaand aan het moment van in gebruik nemen, onderscheidenlijk gaan verrichten van het volledige bemanning- en technische beheer, van het schip door de belastingplichtige, de netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ten minste 60 procent bedraagt van de totale netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen; of c. met betrekking tot het kalenderjaar van het in gebruik nemen, onderscheidenlijk gaan verrichten van het bemanning- en technische beheer, van het schip door de belastingplichtige, voor de aanvang van dat jaar bij ministeriële regeling is bepaald dat op landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde periode vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet is afgenomen en ten minste een van de reeds door hem geëxploiteerde kwalificerende schepen de vlag voert van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 7 Van de toepassing van het zesde lid zijn uitgesloten schepen waarmee winst uit zeescheepvaart wordt behaald als bedoeld in het vierde lid, onder b. 8 Voor de toepassing van het zesde lid en het negende lid wordt onder kwalificerende schepen verstaan: schepen waarvan de winst wordt bepaald overeenkomstig het eerste lid en die in eigendom of mede-eigendom zijn van de belastingplichtige of door hem in rompbevrachting worden gehouden, dan wel waarvoor de belastingplichtige voor een ander het volledige bemanning- en technische beheer verricht. 9 Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel a, worden mede in aanmerking genomen schepen die worden geëxploiteerd door lichamen waarin de belastingplichtige direct of indirect overwegende zeggenschap heeft als bedoeld in artikel 1 van de Zevende Richtlijn 1983/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG 1983, L 193), voorzover het betreft kwalificerende schepen. 10 Het in het zesde lid, onderdeel c, bedoelde percentage over een periode wordt berekend als gemiddelde over drie aaneengesloten kalenderjaren (tijdvak), waarbij het laatste tijdvak eindigt één jaar voor het kalenderjaar en het daarvoor gelegen tijdvak eindigt twee jaar vóór het kalenderjaar. De in het zesde lid, onderdeel c, bedoelde ministeriële regeling wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 11 Indien de voor rekening van de belastingplichtige gedreven onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen, worden voor de beoordeling of bij de belastingplichtige sprake is van exploitatie van een schip als bedoeld in het vijfde en zesde lid, de werkzaamheden die door die anderen ten behoeve van het samenwerkingsverband plaatsvinden, toegerekend aan de belastingplichtige. 12 artikel 3.23 Voor de toepassing van dit artikel enwordt onder zee verstaan alle wateren die zich bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust. Indien een transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport door een waterweg van maritieme aard in de zin van de Verordening (EG) nr. 13/2004 van de Commissie van 8 december 2003 tot vaststelling van de lijst van waterwegen van maritieme aard, bedoeld in artikel 3, onder d), van Verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad (PbEU 2004, L 3), wordt het transport voor het gehele traject geacht transport over zee te zijn. 13 artikel 3.23 artikel 3.24 Voor de toepassing van dit artikel,en, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020 Artikel XVII van Stb. 2019/512 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2020.
Artikel 3.23 — Artikel 3.23 Bepaling van de winst aan de hand van de tonnage#
Artikel 3.23 Bepaling van de winst aan de hand van de tonnage 1 artikel 3.22, eerste lid Bij inwilliging van het in, bedoelde verzoek wordt de in een kalenderjaar genoten winst uit zeescheepvaart per schip vastgesteld aan de hand van de in de volgende tabel aangegeven bedragen per dag. De volgens de eerste volzin vastgestelde winst wordt vermeerderd met € 1,77 per dag per 1000 nettoton voor het meerdere boven 50 000 nettoton, tenzij het schepen betreft: artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d In geval van exploitatie van een schip als bedoeld in, wordt de volgens de vorige volzinnen vastgestelde winst verminderd met 75%. De volgens de vorige volzinnen vastgestelde winst wordt met betrekking tot schepen bestemd voor: Bedrag per dag per 1000 nettoton € 9,08 tot en met 1000 nettoton € 6,81 voor het meerdere tot en met 10 000 nettoton € 4,54 voor het meerdere tot en met 25 000 nettoton € 2,27 voor het meerdere tot en met 50 000 nettoton € 0,50 voor het meerdere boven 50 000 nettoton a. die na 31 december 2008 voor het eerst een vlag zijn gaan voeren en waarvan de winst die daarmee wordt behaald vanaf dat moment wordt bepaald volgens dit artikel, of; b. die gedurende de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip vanaf hetwelk de winst wordt bepaald volgens dit artikel, de vlag voerden van een land dat geen lidstaat is van de Europese Unie en geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 1°. het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan dat vervoer, indien de bruto-omzet behaald met de exploitatie van dat schip grotendeels met die werkzaamheden is behaald; 2°. de exploratie van de zeebodem: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan vervoer van zaken dan wel personen over zee ten behoeve van de exploratie van de zeebodem; 3°. het leggen van kabels dan wel pijpen op de zeebodem: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan vervoer van zaken dan wel personen over zee ten behoeve van het leggen van kabels dan wel pijpen op de zeebodem; 4°. artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet het verrichten van takel- en hefwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld inof aan installaties ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan vervoer van zaken dan wel personen over zee ten behoeve van takel- en hefwerkzaamheden op zee; 5°. baggerwerkzaamheden op zee: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan vervoer van opgebaggerd materiaal over zee; 6°. artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet het verrichten van sleep- en hulpwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in: vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee. 2 Bij inwilliging van het verzoek wordt tot de winst van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan, mede gerekend het gezamenlijke bedrag – dat is bepaald naar de toestand op het tijdstip dat onmiddellijk aan dat jaar voorafgaat – van: a. artikelen 3.53 3.54 3.54aa de op grond van de,engevormde reserves van de onderneming die verband houden met de zeescheepvaart en b. een bedrag ter grootte van het positieve verschil tussen de waarde die in het economische verkeer wordt toegekend aan de zaken die door de onderneming worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart en de waarde waarvoor deze zaken op dat tijdstip te boek zijn gesteld. 3 afdeling 3.13 Het in het tweede lid bedoelde gezamenlijke bedrag blijft buiten aanmerking voorzover dit het bedrag waarvoor de belastingplichtige op het in de aanhef van dat lid bedoelde tijdstip aanspraak kan maken op verrekening van verliezen volgens, te boven gaat. De inspecteur stelt het bedrag dat buiten aanmerking blijft, per onderneming vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid, vierde volzin, alsmede ter voorkoming van cumulatie tussen de eerste drie volzinnen en de vierde volzin van dat lid. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 3.24 — Artikel 3.24 Beëindiging bepaling van de winst aan de hand van de tonnage#
Artikel 3.24 Beëindiging bepaling van de winst aan de hand van de tonnage 1 artikel 3.23, derde lid Het bedrag dat op grond van, buiten aanmerking is gebleven, wordt alsnog tot de winst gerekend indien de belastingplichtige – anders dan door overlijden – binnen tien jaar na het tijdstip met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan de hand van de tonnage, de onderneming waarmee in Nederland winst uit zeescheepvaart wordt behaald, voor het geheel of voor een gedeelte staakt. In geval van staking voor een gedeelte wordt het in de vorige volzin bedoelde bedrag alleen tot de winst gerekend voorzover dat betrekking heeft op dat gedeelte. Het bedrag dat alsnog tot de winst wordt gerekend, wordt geacht te zijn genoten ten tijde van de staking. 2 artikel 3.23, derde lid Een schip dat wordt gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart wordt, op het tijdstip waarop de winst uit dat schip niet meer wordt bepaald aan de hand van de tonnage, gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met het bedrag dat met betrekking tot dat schip ingevolge, buiten aanmerking is gebleven, tenzij tien jaren na het tijdstip met ingang waarvan de winst uit dat schip aan de hand van de tonnage wordt bepaald, zijn verstreken. 3 artikel 3.22, eerste lid De zaken die worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart, worden op het tijdstip waarop na wederopzegging, niet meer van toepassing is, te boek gesteld voor de waarde in het economische verkeer. 4 artikel 3.59 artikel 3.63 artikel 3.65 artikelen 3.22 3.23 Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als staking aangemerkt een doorschuiving bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in, een doorschuiving naar ondernemers als bedoeld inof een omzetting als bedoeld inmits de belastingplichtige, alsmede in geval van een doorschuiving tevens degene aan wie is overgedragen, dit verzoekt. In dat geval wordt degene aan wie is overgedragen, respectievelijk de vennootschap waarin de onderneming is omgezet, voor de toepassing van dit artikel en deengeacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 01-01-2001
Artikel 3.25 — Artikel 3.25 Jaarwinst#
Artikel 3.25 Jaarwinst De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. De bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.26 — Artikel 3.26 Loon- en prijswijzigingen na afloop jaar#
Artikel 3.26 Loon- en prijswijzigingen na afloop jaar 1 Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst blijven kosten en lasten voorzover deze, al dan niet door tussenkomst van derden, rechtstreeks of zijdelings verband houden met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar, buiten aanmerking, ook al zou de omvang van deze kosten en lasten reeds bij het einde van het jaar vaststaan. 2 De in het eerste lid bedoelde kosten en lasten komen in aanmerking bij het bepalen van de winst van de op het kalenderjaar volgende jaren en wel naar gelang de wijzigingen optreden. 3 Ten aanzien van een onderneming die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, is het eerste lid niet van toepassing op kosten en lasten die betrekking hebben op overeenkomsten van schadeverzekering, voorzover uit de overeenkomsten verplichtingen voortvloeien ter zake van schaden aan de gezondheid van natuurlijke personen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.27 — Artikel 3.27 Loon- en prijswijzigingen na afloop jaar en betaling#
Artikel 3.27 Loon- en prijswijzigingen na afloop jaar en betaling 1 artikel 3.26 De inbedoelde kosten en lasten worden in afwijking van dat artikel uiterlijk in aanmerking genomen in het jaar van betaling. Daarbij wordt een betaling vóór de aanvang van het kalenderjaar of binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar gelijkgesteld met een betaling in het jaar. 2 pensioenregeling Het eerste lid is voor pensioenvoorzieningen van toepassing indien de betalingen plaatsvinden in de vorm van krachtens eenverschuldigde premies of koopsommen aan een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij. Daarbij blijft het in de premies of koopsommen begrepen bestanddeel voor toekomstige wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen buiten aanmerking voorzover dit bestanddeel uitgaat boven het bedrag dat nodig is om de opgebouwde pensioenrechten, ter zake waarvan aan het fonds of de maatschappij geen premies of koopsommen meer moeten worden betaald, te kunnen aanpassen aan een wijziging in de hoogte van lonen of prijzen van 4% per jaar. 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-04-2017 2017 116 27-03-2017 08-03-2017 34662
Artikel 3.28 — Artikel 3.28 Loon- en prijswijzigingen na afloop jaar en rekenrente pensioenvoorzieningen#
Artikel 3.28 Loon- en prijswijzigingen na afloop jaar en rekenrente pensioenvoorzieningen artikelen 3.26 3.27 Voor de toepassing van deenwordt een verband met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar ten aanzien van kosten en lasten die betrekking hebben op pensioenvoorzieningen, niet aanwezig geacht, indien die kosten en lasten betrekking hebben op een pensioengrondslag die is gebaseerd op een loon dat niet uitgaat boven het loon bij het einde van het jaar, en bij de berekening van die kosten en lasten in feite een rekenrente in aanmerking is genomen van ten minste 4%. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.29 — Artikel 3.29 Waardering pensioenverplichtingen en soortgelijke verplichtingen#
Artikel 3.29 Waardering pensioenverplichtingen en soortgelijke verplichtingen De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.29a — Artikel 3.29a Waardering van een belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling#
Artikel 3.29a Waardering van een belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling 1 artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 6a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Een belang in een lichaam dat ingevolgeis vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op een belang in een niet in Nederland gevestigde beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, die belegt in financiële instrumenten als bedoeld in, die niet is onderworpen aan een belastingheffing naar de winst en niet verplicht is om jaarlijks de winst aan de aandeelhouders ter beschikking te stellen, om voor de vrijstelling van de belastingheffing naar de winst in aanmerking te komen. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een belang in een lichaam indien de bezittingen van dat lichaam in enigszins belangrijke mate bestaan uit een belang in een lichaam als bedoeld in het eerste lid. 2023 503 27-12-2023 20-12-2023 36423 2023 503 27-12-2023 20-12-2023 36423 01-01-2025
Artikel 3.29b — Artikel 3.29b Waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten#
Artikel 3.29b Waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten 1 De waardering van onderhanden werk wordt gesteld op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding voor het aangenomen werk, dat is toe te rekenen aan dat onderhanden werk. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot onderhanden opdrachten. 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 3.29c — Artikel 3.29c Beperking afwaardering op lagere bedrijfswaarde#
Artikel 3.29c Beperking afwaardering op lagere bedrijfswaarde Omstandigheden die reeds bekend zijn ten tijde van het investeren in een bedrijfsmiddel kunnen geen aanleiding zijn voor een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde. 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2008
Artikel 3.29d — Artikel 3.29d BIK-afdrachtvermindering bij aanschaf bedrijfsmiddel#
Artikel 3.29d BIK-afdrachtvermindering bij aanschaf bedrijfsmiddel Vervallen 2021 655 27-12-2021 22-12-2021 35873 2021 655 27-12-2021 22-12-2021 35873 28-12-2021 01-01-2021
Artikel 3.30 — Artikel 3.30 Afschrijving op bedrijfsmiddelen#
Artikel 3.30 Afschrijving op bedrijfsmiddelen 1 De afschrijving op goederen die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt (bedrijfsmiddelen), wordt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend. 2 Het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend bedraagt op jaarbasis met betrekking tot goodwill ten hoogste 10% en met betrekking tot andere bedrijfsmiddelen ten hoogste 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel. 3 De voortbrengingskosten van immateriële activa kunnen in het kalenderjaar van voortbrenging ineens worden afgeschreven. 4 De werkelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde, waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de lopende uitgaven van een onderneming worden gerekend, worden in het kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens afgeschreven. 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 3.30a — Artikel 3.30a Beperking afschrijving gebouwen#
Artikel 3.30a Beperking afschrijving gebouwen 1 Afschrijving op een gebouw in een kalenderjaar is slechts mogelijk indien de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan en bedraagt ten hoogste het verschil daartussen. 2 Voor de afschrijving en de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd. Werktuigen die van een gebouw kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken, worden als een afzonderlijk bedrijfsmiddel beschouwd. 3 De bodemwaarde van een gebouw is: de WOZ-waarde van het gebouw. 4 De WOZ-waarde van een gebouw is: Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, wordt als waarde genomen de waarde voor het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt. a. hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken de volgensvoor het gebouw bij één of meer beschikkingen vastgestelde waarde voor het kalenderjaar van de afschrijving; b. artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken indien een gebouw deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in: het gedeelte van de voor die onroerende zaak bij beschikking vastgestelde waarde voor het kalenderjaar van de afschrijving, dat kan worden toegerekend aan het gebouw; c. artikelen 16 tot en met 18 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken indien onderdeel a of b geen toepassing vindt vanwege het ontbreken van één of meer beschikkingen: de waarde van het gebouw voor het kalenderjaar van de afschrijving bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens deen. 5 In geval van mede-eigendom van een gebouw wordt de WOZ-waarde van het gebouw over de mede-eigenaren verdeeld naar rato van de mate van mede-eigendom. 6 Indien de eigendom of economische eigendom van de ondergrond van een gebouw geheel of gedeeltelijk berust bij een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam, is dit artikel onverminderd van toepassing, met dien verstande dat alsdan als WOZ-waarde wordt genomen de WOZ-waarde van het gebouw verminderd met het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan de ondergrond respectievelijk dat deel ervan dat berust bij die ander. Grond die tot de aanhorigheden van een gebouw behoort, wordt geacht deel uit te maken van de ondergrond van het gebouw. 7 Indien zowel de belastingplichtige als een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam investeringen hebben verricht die als investeringen in één gebouw zouden kwalificeren indien zij een en dezelfde persoon zouden zijn, wordt de afschrijving en afwaardering tot lagere bedrijfswaarde met betrekking tot die investeringen bepaald als waren zij één en dezelfde persoon. De aldus met toepassing van het eerste lid bepaalde afschrijving wordt over hen verdeeld naar rato van, en ten hoogste tot het bedrag van, de afschrijvingen met betrekking tot die investeringen die bij hen zonder toepassing van dit artikel zouden hebben plaatsgevonden. 8 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verbonden persoon verstaan: a. de partner van de belastingplichtige; b. de minderjarige kinderen van de belastingplichtige of van zijn partner. 9 Indien de belastingplichtige minderjarig is, wordt onder een verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan. 10 hoofdstuk 4 artikel 4.10 artikel 4.11 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verbonden lichaam verstaan: een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld inbehoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond vanof. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXVII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.31 — Artikel 3.31 Willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen#
Artikel 3.31 Willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen 1 Artikel 3.30a, eerste lid De aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verklaard dat sprake is van milieu-bedrijfsmiddelen kunnen door de belastingplichtige voor 75 percent willekeurig worden afgeschreven., is op deze milieu-bedrijfsmiddelen niet van toepassing. 2 Milieu-bedrijfsmiddelen zijn bedrijfsmiddelen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij ministeriële regeling zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het Nederlandse milieu. 3 Als milieu-bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in Nederland nog niet gangbaar zijn, niet eerder zijn gebruikt en er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen voor het Nederlandse milieu van menselijke activiteiten – daaronder begrepen het verbruik van grondstoffen – in de vorm van verontreiniging, aantasting of uitputting worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. 4 Op milieu-bedrijfsmiddelen die bestemd zijn om te worden gebruikt buiten Nederland, kan alleen willekeurig worden afgeschreven indien op een door de belastingplichtige gedaan schriftelijk verzoek door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verklaard dat het gebruik van de bedrijfsmiddelen in belangrijke mate kan bijdragen aan de bescherming van het Nederlandse milieu. Het verzoek wordt gedaan binnen een door Onze Minister te stellen termijn. 5 Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring, bedoeld in het eerste lid. 6 Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake beroep tegen de verklaring, bedoeld in het eerste lid, kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025 Vindt voor het eerst toepassing m.b.t. aanvragen die zien op
milieubedrijfsmiddelen of milieu-investeringen die per 1 januari
2025 als zodanig zijn aangewezen op grond van artikelen 3.31, tweede
lid, en 3.42a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 3.32 — Artikel 3.32 Willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen#
Artikel 3.32 Willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen Vervallen 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.33 — Artikel 3.33 Willekeurige afschrijving op films#
Artikel 3.33 Willekeurige afschrijving op films Vervallen 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-07-2007
Artikel 3.34 — Artikel 3.34 Willekeurige afschrijving andere aangewezen bedrijfsmiddelen#
Artikel 3.34 Willekeurige afschrijving andere aangewezen bedrijfsmiddelen 1 De aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat bij ministeriële regeling zijn aangewezen (andere aangewezen bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven. 2 Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bevordering van de economische ontwikkeling of de economische structuur, daaronder begrepen de bevordering van het ondernemerschap. 3 In de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving wordt beperkt tot aangewezen gebieden of tot aangewezen groepen van belastingplichtigen. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 3.34a — Artikel 3.34a Grondslag willekeurige afschrijving bij afboeking herinvesteringsreserve#
Artikel 3.34a Grondslag willekeurige afschrijving bij afboeking herinvesteringsreserve artikelen 3.54 3.54aa Voor de willekeurige afschrijving blijft een vermindering van de aanschaffings- of voortbrengingskosten ingevolge een herinvesteringsreserve als bedoeld in deenbuiten aanmerking. Daarbij wordt het bedrag van die vermindering geacht willekeurig te zijn afgeschreven. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 3.35 — Artikel 3.35 Aanvang willekeurige afschrijving#
Artikel 3.35 Aanvang willekeurige afschrijving Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra ter zake van de verwerving of verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of ter zake van het bedrijfsmiddel voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan voor de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel niet groter zijn dan het bedrag dat ter zake van de verplichtingen is betaald, of aan voortbrengingskosten is gemaakt. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.36 — Artikel 3.36 Administratieve verplichtingen willekeurige afschrijving#
Artikel 3.36 Administratieve verplichtingen willekeurige afschrijving 1 Willekeurige afschrijving op milieu-bedrijfsmiddelen is alleen mogelijk indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten langs de daartoe geopende elektronische weg zijn aangemeld bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht. 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat willekeurige afschrijving op andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen mogelijk is indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid, en wel a. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister; b. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2025 408 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 3.37 — Artikel 3.37 Mogelijkheid verplichte verklaring bij willekeurige afschrijving#
Artikel 3.37 Mogelijkheid verplichte verklaring bij willekeurige afschrijving 1 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring. 2 Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake beroep tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring, kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 3.38 — Artikel 3.38 Terugnemen willekeurige afschrijving#
Artikel 3.38 Terugnemen willekeurige afschrijving artikelen 3.31 3.34 Indien op een bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven en op enig tijdstip binnen een bij ministeriële regeling te bepalen periode niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens deengestelde voorwaarden met betrekking tot dat bedrijfsmiddel, wordt op dat tijdstip de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden. 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.39 — Artikel 3.39 Toepasselijk regime afschrijvingen#
Artikel 3.39 Toepasselijk regime afschrijvingen Willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin voor de verwerving of de verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 3.40 — Artikel 3.40 Investeringsaftrek#
Artikel 3.40 Investeringsaftrek Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtige naast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 3.41 — Artikel 3.41 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek#
Artikel 3.41 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek 1 Indien in een kalenderjaar wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, en de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een per onderneming op de voet van het tweede lid berekende kleinschaligheidsinvesteringsaftrek ten laste gebracht van de winst over dat jaar. 2 Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: meer dan maar niet meer dan bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek – € 2.900 € 0 € 2.900 € 71.683 28% van het investeringsbedrag € 71.683 € 132.746 € 20.072 € 132.746 € 398.236 € 20.072 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 132.746 te boven gaat € 398.236 – € 0 3 Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband en de door de belastingplichtige voor de betreffende onderneming gedane buitenvennootschappelijke investeringen samengeteld en bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek het aldus op de voet van het tweede lid bepaalde bedrag vermenigvuldigd met het aan de belastingplichtige toe te rekenen investeringsbedrag en gedeeld door de som van het gezamenlijke investeringsbedrag voor het samenwerkingsverband en het bedrag van de door de belastingplichtige voor de betreffende onderneming gedane buitenvennootschappelijke investeringen. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.42 — Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek#
Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek 1 ondernemer ondernemer ondernemer Indien in een kalenderjaar in een onderneming die devoor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door degedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en dedaarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek). 2 Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. 3 De energie-investeringsaftrek bedraagt 40 percent. 4 Energie-investeringen worden voor ten hoogste de volgende bedragen in aanmerking genomen, met dien verstande dat het totale bedrag aan energie-investeringen dat per belastingplichtige per jaar in aanmerking wordt genomen niet meer bedraagt dan € 153.000.000: a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 153.000.000; b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 153.000.000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. 5 Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. 6 artikelen 2:7, tweede lid 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering langs de daartoe geopende elektronische weg is aangemeld bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Daarbij kan worden afgeweken van de, en. 7 Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister: a. regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring en b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid. 8 Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake beroep tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring, kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2025 408 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.42a — Artikel 3.42a Milieu-investeringsaftrek#
Artikel 3.42a Milieu-investeringsaftrek 1 Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verklaard dat sprake is van milieu-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan milieu-investeringen in de onderscheiden categorieën ten laste gebracht van de winst over dat jaar (milieu-investeringsaftrek). 2 Milieu-investeringen zijn investeringen, behorend tot categorie I, II respectievelijk III, die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij ministeriële regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu. 3 De milieu-investeringsaftrek bedraagt voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 45 percent, voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 36 percent en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 27 percent. 4 Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een milieu-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van: mits dat advies op de aangewezen investering of mede op de aangewezen investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. a. vermindering van emissies, veroorzaakt door bestaande en toekomstige activiteiten in een door de onderneming beheerd, bestaand object; b. het ontwikkelen en aanpassen van processen en producten die leiden tot een vermindering van de belasting van het milieu; 5 Het vierde lid is slechts van toepassing indien het advies betrekking heeft op een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van Verordening EG nr. 70/2001. 6 Voorzover met betrekking tot een investering bij de aangifte wordt gekozen voor energie-investeringsaftrek, blijft toepassing van de milieu-investeringsaftrek achterwege. 7 artikelen 2:7, tweede lid 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht De milieu-investeringsaftrek is van toepassing indien de milieu-investering langs de daartoe geopende elektronische weg is aangemeld bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Daarbij kan worden afgeweken van de, en. 8 Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister: a. regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring, bedoeld in het eerste lid; en b. regels worden gesteld met betrekking tot het zevende lid. 9 Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake beroep tegen de verklaring, bedoeld in het eerste lid, kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2025 408 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 3.42b — Artikel 3.42b Filminvesteringsaftrek#
Artikel 3.42b Filminvesteringsaftrek Vervallen 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-07-2007
Artikel 3.43 — Artikel 3.43 Begrip investeren#
Artikel 3.43 Begrip investeren 1 Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken. 2 artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a, onder 2° Onze Minister kan bepalen dat met investeren tot door hem vast te stellen bedragen wordt gelijkgesteld het wijzigen van de bestemming van een bedrijfsmiddel als bedoeld in, zodanig dat het bedrijfsmiddel voortaan hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het in Nederland drijven van een onderneming of gedeelte van een onderneming. 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2014
Artikel 3.44 — Artikel 3.44 Investeringsaftrek bij nog niet in gebruik genomen bedrijfsmiddelen#
Artikel 3.44 Investeringsaftrek bij nog niet in gebruik genomen bedrijfsmiddelen 1 3.41 3.42 3.42a Indien bij het einde van het kalenderjaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en de investeringsaftrek zou uitgaan boven wat bij het einde van dat kalenderjaar ter zake van de investering is betaald, wordt in afwijking in zoverre van de artikelen,eneen bedrag gelijk aan de betaling in aanmerking genomen en wordt het meerdere in aanmerking genomen in de volgende kalenderjaren en wel voorzover betalingen plaatsvinden, maar niet later dan in het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. 2 artikel 3.61 Bij het staken van de onderneming en bij de eindafrekening als bedoeld inwordt de investeringsaftrek voor het geheel in aanmerking genomen in het jaar van staking, respectievelijk eindafrekening. 2003 527 29-12-2003 18-12-2003 29035 2003 527 29-12-2003 18-12-2003 29035 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Bij Stb. 2003/527 is in artikel XXA een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 3.45 — Artikel 3.45 Uitgesloten bedrijfsmiddelen voor investeringsaftrek#
Artikel 3.45 Uitgesloten bedrijfsmiddelen voor investeringsaftrek 1 Voor de investeringsaftrek behoren niet tot de bedrijfsmiddelen: a. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk te worden gebruikt: 1°. artikel 3.11, eerste lid artikel 3.11, tweede lid voor de uitoefening van het bosbedrijf als bedoeld in, tenzij de voordelen daaruit volgens, tot de winst behoren; 2°. voor het drijven van een onderneming, of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is; b. gronden, met inbegrip van de ondergrond van gebouwen, met uitzondering van verbetering van grond indien de verbeteringskosten plegen te worden afgeschreven; c. woonhuizen en woonschepen, met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor bewoning; d. artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 personenauto's als bedoeld in, die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg; e. artikel 3.14 vaartuigen als bedoeld in, eerste lid, onderdeel b; f. effecten, vorderingen, goodwill alsmede vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard en g. dieren. 2 Voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet: a. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden en b. bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450. 3 Voor de milieu-investeringsaftrek is het eerste lid, onderdelen c en d, niet van toepassing. 4 Voor de energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet bedrijfsmiddelen: a. die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan: 1°. niet in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen, of 2°. natuurlijke personen of lichamen voor het drijven van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, of b. waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 2.500. 5 Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en het vierde lid, onderdeel a, niet van toepassing zijn. 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2014
Artikel 3.46 — Artikel 3.46 Uitgesloten verplichtingen voor investeringsaftrek#
Artikel 3.46 Uitgesloten verplichtingen voor investeringsaftrek 1 Voor de investeringsaftrek worden niet in aanmerking genomen verplichtingen aangegaan tussen: a. de belastingplichtige en personen die tot zijn huishouden behoren; b. bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden; c. gerechtigden tot een nalatenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort of d. degene die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam en dat lichaam. 2 Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.47 — Artikel 3.47 Desinvesteringsbijtelling#
Artikel 3.47 Desinvesteringsbijtelling 1 Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2.900 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). 2 Desinvesteringsbijtelling heeft alleen plaats voorzover de vervreemding plaatsvindt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden en wordt over geen hoger bedrag berekend dan het investeringsbedrag voorzover daarover investeringsaftrek in aanmerking is genomen. 3 Met vervreemding wordt gelijkgesteld: a. het onttrekken van een goed aan de onderneming; b. artikel 3.45, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van, en c. artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a, onder 2° het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van. 4 Voor de toepassing van het derde lid geldt de waarde in het economische verkeer van het goed als overdrachtsprijs. 5 Indien een investering ongedaan wordt gemaakt, of voor een investering een vermindering, teruggaaf of vergoeding wordt genoten, geldt dat als vervreemding van een goed en geldt het bedrag van die investering, vermindering, teruggaaf of vergoeding als overdrachtsprijs. 6 Onder ongedaan maken van een investering wordt mede verstaan: a. het niet betaald zijn binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting van ten minste 25% van het investeringsbedrag ter zake van die verplichting, tenzij het bedrijfsmiddel binnen die periode in gebruik is genomen en b. het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering is gedaan. 7 Onze Minister kan bepalen dat het derde lid, onderdeel c, of het zesde lid niet van toepassing is. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 3.47a — Artikel 3.47a Desinvesteringsbijtelling bij film#
Artikel 3.47a Desinvesteringsbijtelling bij film Vervallen 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-07-2007
Artikel 3.48 — Artikel 3.48 Scholingsaftrek#
Artikel 3.48 Scholingsaftrek Vervallen 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.49 — Artikel 3.49 Delegatiebepaling scholingsaftrek#
Artikel 3.49 Delegatiebepaling scholingsaftrek Vervallen 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.50 — Artikel 3.50 Scholingsbijtelling#
Artikel 3.50 Scholingsbijtelling Vervallen 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.51 — Artikel 3.51 Toepasselijk regime investeringsaftrek#
Artikel 3.51 Toepasselijk regime investeringsaftrek De investeringsaftrek en de desinvesteringsbijtelling vinden plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden. 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Bij Stb. 2003/526 is in artikel XXVI een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 3.52 — Artikel 3.52 Wijziging willekeurige afschrijving en investeringsaftrek#
Artikel 3.52 Wijziging willekeurige afschrijving en investeringsaftrek 1 Bij ministeriële regeling: a. kan de willekeurige afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen bedrijfsmiddelen of bepaalde groepen van aangewezen bedrijfsmiddelen buiten toepassing worden gesteld, of per kalenderjaar worden beperkt, en wel: 1°. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; 2°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; b. artikel 3.41, tweede lid, derde kolom artikel 3.42, derde lid artikel 3.42a, derde lid kunnen de in, vermelde percentages en bedragen voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de in, en, vermelde percentages voor de energie-investeringsaftrek, onderscheidenlijk milieu-investeringsaftrek worden vervangen door andere. 2 Een regeling als bedoeld in het eerste lid mag slechts strekken tot het bereiken van zoveel mogelijk evenwicht tussen het gebruik van de regeling inzake de willekeurige afschrijving, respectievelijk de investeringsaftrek en de daarvoor uitgetrokken bedragen. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 3.52a — Artikel 3.52a Aanvullende aftrek speur- en ontwikkelingswerk#
Artikel 3.52a Aanvullende aftrek speur- en ontwikkelingswerk Vervallen 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 01-01-2016 Artikel Ia van Stb. 2015/538 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 01-01-2016 01-01-2014
Artikel 3.53 — Artikel 3.53 Fiscale reserves#
Artikel 3.53 Fiscale reserves 1 Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst kan worden gereserveerd: a. tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (egalisatiereserve); b. artikel 3.54 tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens(herinvesteringsreserve); en c. artikel 3.54aa tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens(herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen). 2 artikel 3.26, eerste en tweede lid Met betrekking tot een in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde reserve is, van overeenkomstige toepassing. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 3.54 — Artikel 3.54 Herinvesteringsreserve#
Artikel 3.54 Herinvesteringsreserve 1 Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve). 2 Afboeking van de herinvesteringsreserve op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel of de bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd, vindt plaats voorzover het gezamenlijke bedrag van de boekwaarden van die bedrijfsmiddelen door die afboeking niet daalt beneden het bedrag van de boekwaarde onmiddellijk voorafgaande aan de vervreemding van het bedrijfsmiddel ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is gevormd. 3 Afboeking van een herinvesteringsreserve die is ontstaan als gevolg van de vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop niet pleegt te worden afgeschreven of waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, behoeft slechts plaats te vinden op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie als de vervreemde bedrijfsmiddelen. 4 Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, vindt afboeking van een herinvesteringsreserve slechts plaats voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen. 5 Een herinvesteringsreserve wordt uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen, behalve voorzover: a. in verband met de aard van de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen een langer tijdvak is vereist of b. de aanschaffing of voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd. 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt met vervreemding gelijkgesteld verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel. De vergoeding wegens verlies of beschadiging wordt daarbij aangemerkt als opbrengst. 7 Voor de toepassing van dit artikel behoren niet tot de bedrijfsmiddelen: a. vermogensrechten die ter belegging worden gehouden, en b. artikel 3.30, vierde lid voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in. 8 Indien op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, wordt voor de toepassing van het eerste lid als boekwaarde van dat bedrijfsmiddel in aanmerking genomen, de boekwaarde die zonder willekeurige afschrijving zou hebben gegolden. 9 Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven, is de beperking van het vierde lid niet van toepassing voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen die een gevolg is van overheidsingrijpen. 10 Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven, is de beperking van het vierde lid niet van toepassing voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van zodanige bedrijfsmiddelen die een gevolg is van overheidsingrijpen. 11 Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing indien aan het voornemen tot herinvestering in een dergelijk bedrijfsmiddel reeds vóór de vervreemding gevolg is gegeven. 12 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overheidsingrijpen verstaan: a. onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening; b. een besluit, daaronder begrepen een regeling, op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu van een publiekrechtelijke rechtspersoon dat de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt; c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen EU- of nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak. 13 Indien een besluit of regeling als bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel b, de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt, wordt voor de toepassing van het negende en tiende lid een vervreemding van bedrijfsmiddelen van de onderneming respectievelijk het gedeelte daarvan die plaatsvindt binnen drie jaar nadat een dergelijk besluit of een dergelijke regeling in werking is getreden, geacht een gevolg te zijn van overheidsingrijpen, met dien verstande dat een latere vervreemding ook nog geacht wordt een gevolg te zijn van overheidsingrijpen indien deze vervreemding door bijzondere omstandigheden is vertraagd en daaraan binnen de hiervoor bedoelde periode van drie jaar reeds een begin van uitvoering is gegeven. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 3.54aa — Artikel 3.54aa Herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen#
Artikel 3.54aa Herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen 1 artikel 3.54, twaalfde lid Een herinvesteringsreserve kan mede worden gevormd ter zake van de vervreemding van een bedrijfsmiddel in het kader van het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen als bedoeld in, zolang het voornemen bestaat dat het bedrag van die reserve in het jaar van die vervreemding of in een van de daaropvolgende drie jaren zal worden geherinvesteerd in een of meer bedrijfsmiddelen ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. 2 Indien bij het bepalen van de winst van een onderneming een herinvesteringsreserve als bedoeld in het eerste lid is gevormd, kan bij tijdige herinvestering het bedrag van die reserve in mindering worden gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige worden aangeschaft of voortgebracht ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, mits voor het bepalen van de winst bij beide ondernemingen dezelfde bepalingen van toepassing zijn. In dat geval wordt de herinvesteringsreserve gelijktijdig en voor hetzelfde bedrag opgenomen in de winst van de onderneming waarin de herinvesteringsreserve is gevormd. 3 artikel 3.54 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid isvan overeenkomstige toepassing. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 3.54a — Artikel 3.54a Terugkeerreserve#
Artikel 3.54a Terugkeerreserve 1 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien de belastingplichtige de onderneming van een vennootschap waarvan hij aandelen of winstbewijzen houdt, in het kader van de ontbinding van die vennootschap met toepassing van, voortzet of mede voortzet, wordt op het tijdstip van de voortzetting op de balans van de onderneming een reserve gevormd (positieve of negatieve terugkeerreserve). 2 artikel 4.24a artikel 4.42a artikel 4.24a De terugkeerreserve wordt gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond vanofvoor de heffing buiten aanmerking blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het in die volzin bedoelde vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen zonder rekening te houden met de toepassing van. 3 artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op (100-L/100) deel van de winst die volgensvoor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Daarbij staat L voor het percentage van het laagste tarief, bedoeld in, geldend op het tijdstip van de voortzetting, bedoeld in het eerste lid. Voor de toepassing van de eerste zin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingevalniet zou zijn toegepast. 4 Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een gedeelte van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen. 5 artikel 4.42a, tweede lid De omvang van de terugkeerreserve wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De in de eerste volzin bedoelde beschikking kan mede betrekking hebben op voorwaarden als bedoeld in. 6 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de omvang van de terugkeerreserve op een onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. 7 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige terzake van dit feit te kwader trouw is.is van overeenkomstige toepassing. 8 De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de datum van vaststelling van de beschikking. 2018 505 28-12-2018 19-12-2018 35028 2018 505 28-12-2018 19-12-2018 35028 01-01-2019
Artikel 3.55 — Artikel 3.55 Aandelenfusie#
Artikel 3.55 Aandelenfusie 1 De belastingplichtige hoeft bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in het kader van een aandelenfusie niet in aanmerking te nemen. De eerste volzin is niet van toepassing op een in het kader van een aandelenfusie genoten bijbetaling. 2 Een aandelenfusie wordt aanwezig geacht indien: a. een in Nederland gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere in Nederland gevestigde vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen; b. een in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met een bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen of c. een in Nederland gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met een bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een buiten een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vennootschap verwerft dat zij alle of nagenoeg alle stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen. 3 Een aandelenfusie wordt eveneens aanwezig geacht indien een in het tweede lid bedoelde vennootschap voor de uitreiking van de eigen aandelen of winstbewijzen reeds meer dan de helft, respectievelijk nagenoeg alle stemrechten in de aldaar bedoelde andere vennootschap kon uitoefenen en door de uitreiking van de eigen aandelen of winstbewijzen een groter aantal stemrechten in die andere vennootschap kan uitoefenen. 4 Een aandelenfusie wordt, in afwijking in zoverre van het tweede en het derde lid, niet aanwezig geacht indien: a. een bijbetaling een tiende gedeelte van de nominale waarde van de uitgereikte aandelen te boven gaat of b. de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen. 5 Een in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vennootschap is een vennootschap die: 1°. een van de rechtsvormen heeft die zijn opgenomen in de bijlage I, deel A, van Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PbEU 2009, L 310) of een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een van de rechtsvormen die voor Nederland zijn opgenomen in deze bijlage; 2°. niet wordt geacht volgens een door de staat van vestiging met een derde staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting te zijn gevestigd buiten de Europese Unie en de bij ministeriële regeling aangewezen staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en 3°. zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, in de staat van vestiging is onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst, bedoeld in bijlage I, deel B, van de onder 1° genoemde richtlijn of aan een andere aldaar geheven belasting naar de winst. 6 De belastingplichtige stelt, indien het voordeel volgens het eerste lid buiten aanmerking blijft, de in het kader van de aandelenfusie verworven aandelen of winstbewijzen op het tijdstip van de fusie te boek voor dezelfde waarde als waarvoor de in het kader van die fusie vervreemde aandelen of winstbewijzen onmiddellijk voor het fusietijdstip te boek waren gesteld. 7 De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of er sprake is van een aandelenfusie, kan vóór de vervreemding van de aandelen of winstbewijzen een verzoek indienen bij de hierna aangeduide inspecteur. Indien de vennootschap die de aandelen of winstbewijzen verwerft in Nederland is gevestigd, doet de belastingplichtige het verzoek bij de inspecteur belast met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van die vennootschap; in andere gevallen bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de belastingplichtige. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 3.56 — Artikel 3.56 Juridische splitsing#
Artikel 3.56 Juridische splitsing 1 De belastingplichtige die is betrokken bij een overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing van een rechtspersoon, wordt geacht zijn aandelen in of zijn schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon ten tijde van de splitsing te hebben vervreemd. 2 artikel 3.55, vijfde lid De belastingplichtige hoeft bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel uit de in het eerste lid bedoelde vervreemding niet in aanmerking te nemen, mits de splitsende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin van, in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. De eerste volzin geldt niet voor een in het kader van de splitsing genoten bijbetaling. 3 Indien het voordeel volgens het tweede lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde waarvoor de aandelen of schuldvorderingen ten tijde van de splitsing te boek zijn gesteld, voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen of schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de splitsing in respectievelijk op de bij splitsing betrokken rechtspersonen heeft. Voorts treden de schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de splitsing op de bij de splitsing betrokken rechtspersonen heeft, in de plaats van de schuldvorderingen die de belastingplichtige ten tijde van de splitsing heeft op de splitsende rechtspersoon. 4 Het tweede lid is niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen. 5 Voor de toepassing van dit artikel: a. wordt onder een evenredig gedeelte verstaan een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding van de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van de vermogensbestanddelen die onder algemene titel overgaan en van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon; b. worden met aandelen gelijkgesteld winstbewijzen en lidmaatschapsrechten; c. wordt een recht om aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon te verwerven aangemerkt als aandeel, winstbewijs respectievelijk schuldvordering waarop het recht betrekking heeft en d. artikel 10a, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt, indien de belastingplichtige ten tijde van de splitsing met de splitsende rechtspersoon verbonden is in de zin van, de verkrijgende rechtspersoon direct na de splitsing eveneens als met de belastingplichtige verbonden aangemerkt. 6 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien in het kader van de splitsing aandelen worden uitgereikt door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan. 7 De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de splitsende rechtspersoon, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 3.57 — Artikel 3.57 Juridische fusie#
Artikel 3.57 Juridische fusie 1 De belastingplichtige die is betrokken bij een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon, wordt geacht zijn aandelen in of zijn schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon ten tijde van de fusie te hebben vervreemd. 2 artikel 3.55, vijfde lid De belastingplichtige hoeft bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel uit de in het eerste lid bedoelde vervreemding niet in aanmerking te nemen mits de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin van, in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. De eerste volzin geldt niet voor een in het kader van de fusie genoten bijbetaling. 3 Indien het voordeel volgens het tweede lid niet in aanmerking wordt genomen, worden de in het kader van de fusie verworven aandelen in of schuldvorderingen op de verkrijgende rechtspersoon direct na de fusie te boek gesteld voor dezelfde waarde als waarvoor de aandelen in of de schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon ten tijde van de fusie te boek zijn gesteld. Voorts treden de schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de fusie op de verkrijgende rechtspersoon heeft, in de plaats van de schuldvorderingen die de belastingplichtige ten tijde van de fusie heeft op de verdwijnende rechtspersoon. Indien de belastingplichtige ten tijde van de fusie onmiddellijk alle aandelen houdt in de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon, zijnde een vennootschap, en in het kader van de fusie geen aandelen worden toegekend, worden in afwijking van de eerste zin de aandelen in de verkrijgende vennootschap direct na de fusie te boek gesteld voor de som van de waarden waarvoor de aandelen in de verkrijgende en de verdwijnende vennootschap ten tijde van de fusie te boek zijn gesteld. 4 Het tweede lid is niet van toepassing indien de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen. 5 Voor de toepassing van dit artikel: a. worden met aandelen gelijkgesteld winstbewijzen en lidmaatschapsrechten; b. wordt een recht om aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon te verwerven aangemerkt als aandeel, winstbewijs respectievelijk schuldvordering waarop het recht betrekking heeft en c. artikel 10a, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt, indien de belastingplichtige ten tijde van de fusie met de verdwijnende rechtspersoon verbonden is in de zin van, de verkrijgende rechtspersoon direct na de fusie eveneens als met de belastingplichtige verbonden aangemerkt. 6 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien in het kader van de fusie aandelen worden uitgereikt door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan. 7 De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de fusie niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de fusie een verzoek indienen bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de verdwijnende rechtspersoon, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025
Artikel 3.58 — Artikel 3.58 Staking door overlijden#
Artikel 3.58 Staking door overlijden 1 Bij het staken van een onderneming door het overlijden van de belastingplichtige, wordt, behalve voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling, het vermogen van de onderneming geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip te zijn overgedragen aan degene aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt en wel tegen de waarde die in het economische verkeer aan dat vermogen kan worden toegekend. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde in het economische verkeer van een woning die, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ter beschikking blijft staan van personen die bij het overlijden van de belastingplichtige tot zijn huishouden behoren, gesteld op 60% van de woningwaarde. 3 Indien een woning als bedoeld in het tweede lid gaat behoren tot het vermogen van een onderneming van een persoon die bij het overlijden van de belastingplichtige tot zijn huishouden behoort, wordt de waarde in het economische verkeer van die woning op dat tijdstip gesteld op 60% van de woningwaarde. 4 artikel 3.19, derde tot en met vijfde lid Voor de toepassing van het tweede en derde lid is, van overeenkomstige toepassing. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.59 — Artikel 3.59 Doorschuiving of staking door ontbinding huwelijksgemeenschap#
Artikel 3.59 Doorschuiving of staking door ontbinding huwelijksgemeenschap 1 Bij ontbinding van een huwelijksgemeenschap waartoe het vermogen van een onderneming behoort, anders dan door het overlijden van de belastingplichtige, wordt, behoudens voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling, het aandeel in dat vermogen dat op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip krachtens huwelijksvermogensrecht toekomt aan de echtgenoot van de belastingplichtige, geacht op dat tijdstip aan hem aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt, te zijn overgedragen tegen de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de bestanddelen van het vermogen van de onderneming waarmee degene aan wie die bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzet of mede voortzet. In dat geval wordt degene die de onderneming rechtstreeks voortzet of mede voortzet voor zijn gedeelte, voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene van wie de onderneming rechtstreeks wordt voortgezet. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.60 — Artikel 3.60 Overbrenging vermogensbestanddelen naar het buitenland#
Artikel 3.60 Overbrenging vermogensbestanddelen naar het buitenland Indien bestanddelen van het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming of zelfstandig gedeelte van een onderneming, waaruit de belastingplichtige winst geniet, worden overgebracht naar een buiten Nederland gedreven onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet en de belastingplichtige gelijktijdig of daarna ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, worden die bestanddelen op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht en voorzover zij nog behoren tot het vermogen van de onderneming, geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.61 — Artikel 3.61 Eindafrekening#
Artikel 3.61 Eindafrekening Voordelen uit een onderneming die niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zijn genomen, worden gerekend tot de winst van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige ophoudt in Nederland uit de onderneming winst te genieten. In dat geval worden de goederen voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling geacht aan de onderneming te zijn onttrokken. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.62 — Artikel 3.62 Doorschuiving bij staking door overlijden#
Artikel 3.62 Doorschuiving bij staking door overlijden 1 Artikel 3.58 vindt geen toepassing met betrekking tot de bestanddelen van het vermogen van een onderneming waarmee een of meer van degenen aan wie die bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzetten of mede voortzetten, mits degenen die de onderneming voortzetten of mede voortzetten dit bij de aangifte van de overleden belastingplichtige verzoeken. 2 Degenen die het verzoek hebben gedaan worden, ieder voor zijn gedeelte, voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene van wie de onderneming rechtstreeks wordt voortgezet. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.63 — Artikel 3.63 Doorschuiving naar ondernemers#
Artikel 3.63 Doorschuiving naar ondernemers 1 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a artikel 3.54a Indien de belastingplichtige een onderneming waaruit hij als ondernemer of als belastingplichtige als bedoeld in, winst geniet, overdraagt in een geval als bedoeld in het vierde lid of vijfde lid, wordt voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van overdracht genoten winst de onderneming, behalve voor de toepassing van, geacht niet te zijn gestaakt, mits zowel de belastingplichtige als degene die de onderneming voortzet dit bij de aangifte van de belastingplichtige verzoeken. 2 In dat geval wordt degene aan wie de onderneming is overgedragen, voor het bepalen van de winst van de onderneming geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de onderneming heeft overgedragen. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overdracht van een onderneming mede begrepen de overdracht van een gedeelte van een onderneming, ongeacht of bij degene die overdraagt een eventueel niet overgedragen gedeelte van de onderneming nog een onderneming is. 4 Het eerste lid is slechts van toepassing indien de over te dragen onderneming gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht deel uitmaakte van een samenwerkingsverband met degene die de onderneming gaat voortzetten en degene die voortzet met betrekking tot dat samenwerkingsverband gedurende die 36 maanden als ondernemer winst heeft genoten. 5 Het eerste lid is voorts slechts van toepassing indien de onderneming wordt overgedragen aan een natuurlijk persoon die gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht als werknemer in die onderneming werkzaam is geweest. 6 Bij ministeriële regeling kan onder nader te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bij die regeling te bepalen gevallen de in het vierde lid en vijfde lid bedoelde termijn tot een bij die regeling te bepalen periode wordt verkort. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.64 — Artikel 3.64 Doorschuiving via te conserveren inkomen naar andere onderneming#
Artikel 3.64 Doorschuiving via te conserveren inkomen naar andere onderneming 1 Bij het staken van een onderneming wordt op verzoek van de belastingplichtige bij de aangifte de met of bij de staking behaalde winst die is toe te rekenen aan bedrijfsmiddelen en aan herinvesteringsreserves, afzonderlijk bepaald en behandeld als te conserveren inkomen, voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat die afzonderlijk bepaalde winst in het jaar van staking, dan wel binnen een periode van 12 maanden na staking, zal worden geherinvesteerd in een onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet. 2 artikel 3.54 Bij tijdige herinvestering wordt de afzonderlijk bepaalde winst in mindering gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige ten behoeve van een bestaande of nieuwe onderneming worden aangeschaft of voortgebracht, als ware die winst een herinvesteringsreserve. Daarbij isvan overeenkomstige toepassing. De inspecteur vermindert vervolgens dienovereenkomstig de conserverende belastingaanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. 3 Op verzoek van de belastingplichtige wordt de periode van 12 maanden, bedoeld in het eerste lid, verlengd, indien: De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. a. in verband met de aard van de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen, voor de herinvestering een langer tijdvak is vereist of b. de herinvestering, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd. 2007 563 27-12-2007 20-12-2007 31206 2007 563 27-12-2007 20-12-2007 31206 01-01-2008
Artikel 3.65 — Artikel 3.65 Omzetting in een NV of BV#
Artikel 3.65 Omzetting in een NV of BV 1 artikel 3.54a Indien een onderneming wordt omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van omzetting genoten winst de onderneming, behalve voor de toepassing van, geacht niet te zijn gestaakt, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De eerste volzin is niet van toepassing in situaties als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b; in situaties als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer. 2 artikel 3.54a, tweede lid Bij een omzetting op de voet van het eerste lid vervalt, in afwijking van, een negatieve terugkeerreserve zonder dat dit de winst beïnvloedt. Onze Minister houdt bij de bepaling van de omvang van de verkrijgingspijs van de bij de omzetting verkregen aandelen rekening met het vervallen van de negatieve terugkeerreserve. 3 De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen. 4 De in het eerste lid bedoelde voorwaarden strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, die verschuldigd zouden zijn of zouden worden indien het eerste lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op: a. de grootte van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal; b. artikel 4.21 de verkrijgingsprijs, bedoeld in, van de bij de omzetting verkregen aandelen en de boekwaarde van bij de omzetting verkregen schuldvorderingen; c. de berekening van de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting; d. artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de ingebrachte vermogensbestanddelen die als gevolg van de omzetting gaan behoren tot een deelneming als bedoeld in, en e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.66 — Artikel 3.66 Niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar#
Artikel 3.66 Niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar 1 Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de winst worden bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar. In dat geval treedt het boekjaar in de plaats van het kalenderjaar. 2 De winst van een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar wordt beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin het boekjaar is geëindigd. 3 Een boekjaar van meer dan twaalf maanden wordt gesplitst in twee gedeelten waarvan het eerste twaalf maanden omvat, mits bij deze splitsing de twee gedeelten in verschillende kalenderjaren eindigen. Beide gedeelten worden als een afzonderlijk boekjaar aangemerkt. De winst van het eerste gedeelte wordt door schatting bepaald; aan het tweede gedeelte wordt de rest van de winst van het boekjaar toegerekend. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.67 — Artikel 3.67 Toegang toevoegingen oudedagsreserve#
Artikel 3.67 Toegang toevoegingen oudedagsreserve Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.68 — Artikel 3.68 Toevoegingen#
Artikel 3.68 Toevoegingen Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.69 — Artikel 3.69 Extra toevoegingen#
Artikel 3.69 Extra toevoegingen Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.70 — Artikel 3.70 Afnemingen#
Artikel 3.70 Afnemingen Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.71 — Artikel 3.71 Ondernemingsvermogen#
Artikel 3.71 Ondernemingsvermogen Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.72 — Artikel 3.72 Meer dan één onderneming#
Artikel 3.72 Meer dan één onderneming Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.73 — Artikel 3.73 Niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar#
Artikel 3.73 Niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.74 — Artikel 3.74 Berekening ondernemersaftrek#
Artikel 3.74 Berekening ondernemersaftrek De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van: a. de zelfstandigenaftrek; b. de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk; c. de meewerkaftrek; d. de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, en e. de stakingsaftrek. 2006 682 22-12-2006 14-12-2006 30804 2006 682 22-12-2006 14-12-2006 30804 01-01-2007
Artikel 3.75 — Artikel 3.75 Meer dan één onderneming#
Artikel 3.75 Meer dan één onderneming Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt onder een onderneming mede verstaan: de gezamenlijke ondernemingen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.76 — Artikel 3.76 Zelfstandigenaftrek#
Artikel 3.76 Zelfstandigenaftrek 1 ondernemer urencriterium De zelfstandigenaftrek geldt voor dedie aan hetvoldoet. 2 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Indien de ondernemer bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, nog niet heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek € 1.200. 3 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2123. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing vaneen onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. 4 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Indien de ondernemer bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van het bedrag van de zelfstandigenaftrek volgens het tweede en derde lid. 5 In afwijking in zoverre van het tweede en vierde lid bedraagt het bedrag van de zelfstandigenaftrek niet meer dan het bedrag van de winst. De eerste volzin is niet van toepassing op een ondernemer die in aanmerking komt voor de verhoging van de zelfstandigenaftrek, bedoeld in het derde lid. Indien toepassing van de eerste volzin tot een verlaging van het bedrag van de zelfstandigenaftrek leidt, wordt het bedrag waarmee de zelfstandigenaftrek is verlaagd aangemerkt als niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Indien de zelfstandigenaftrek ingevolge de eerste volzin op nihil wordt gesteld, wordt er voor de toepassing van het derde lid van uit gegaan dat de zelfstandigenaftrek in dat kalenderjaar toepassing heeft gevonden. 6 Artikel 3.151, vierde, vijfde en zesde lid De inspecteur stelt het bedrag van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit bedrag wordt afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld., is van overeenkomstige toepassing. 7 De niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend door in die jaren een verhoging van de zelfstandigenaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de zelfstandigenaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek vindt plaats in de volgorde waarin deze niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek is ontstaan. 8 Het verrekenen van niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek in een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarmee de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 9 Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het achtste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het zevende lid. 10 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2026
Artikel 3.77 — Artikel 3.77 Aftrek speur- en ontwikkelingswerk#
Artikel 3.77 Aftrek speur- en ontwikkelingswerk 1 ondernemer urencriterium artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor dedie aan hetvoldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld inis aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 15.979. 2 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 7.996. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing vaneen onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. 3 Artikel 3.6, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen artikel 23, derde, vierde en zevende lid, van die wet Indien op grond vande invermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 18.977, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.78 — Artikel 3.78 Meewerkaftrek#
Artikel 3.78 Meewerkaftrek 1 ondernemer urencriterium partner De meewerkaftrek geldt voor dedie aan hetvoldoet en van wie dezonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. 2 Bij arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt gelijk aan of meer dan maar minder dan bedraagt de meewerkaftrek 525 875 1,25% van de winst 875 1 225 2% van de winst 1225 1 750 3% van de winst 1 750 – 4% van de winst 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit ondernemingen waarin de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht, verminderd met: a. winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming; b. artikel 3.58 winst behaald met of bij het staken van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, daaronder mede verstaan staking door overlijden als bedoeld inen c. artikel 3.60 3.61 winst als gevolg van de overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland of als gevolg van eindafrekening bedoeld inrespectievelijk. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.78a — Artikel 3.78a Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid#
Artikel 3.78a Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid 1 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt voor de ondernemer die in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was, in het kalenderjaar recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het tweede lid, of in het kalenderjaar recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de, niet voldoet aan het urencriterium maar wel aan het verlaagde-urencriterium, bedoeld in het derde lid, en bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, nog niet heeft bereikt. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing vaneen onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. 2 Onder een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verstaan een uitkering op grond van: Onder een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt mede verstaan het genieten van een periodieke uitkering of verstrekking uit een verzekering ter zake van invaliditeit of ongeval. a. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen de; b. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering de; c. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen de; d. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten de; e. een buitenlandse wettelijke regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling genoemd in de onderdelen a, b, c en d; f. een bij ministeriële regeling aangewezen regeling voor zover wegens arbeidsongeschiktheid recht op die uitkering bestaat. 3 artikel 3.6 Onder verlaagd-urencriterium wordt verstaan hetgeen op de voet vanonder urencriterium zou worden verstaan bij vervanging in het eerste lid van dat artikel van 1225 uren door 800 uren. 4 De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid bedraagt: a. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren deze aftrek niet is toegepast: € 12 000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten; b. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking tot één jaar deze aftrek is toegepast: € 8000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten; c. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking tot twee jaren deze aftrek is toegepast: € 4000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 3.79 — Artikel 3.79 Stakingsaftrek#
Artikel 3.79 Stakingsaftrek 1 De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die als ondernemer in het kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van een of meer gehele ondernemingen. 2 De stakingsaftrek is gelijk aan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt niet meer dan € 3 630. 3 artikel 3.59, tweede lid artikel 3.62 artikel 3.63 De stakingsaftrek is ten aanzien van de ondernemer die op grond van doorschuiving bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in, doorschuiving bij overlijden als bedoeld inof doorschuiving naar ondernemers als bedoeld in, een onderneming voortzet of mede voortzet, met betrekking tot de voordelen ter zake van die doorgeschoven onderneming alleen van toepassing indien die onderneming ten minste drie jaren voor zijn rekening is gedreven. 4 Het in het tweede lid bedoelde maximumbedrag van € 3 630 wordt verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.79a — Artikel 3.79a MKB-winstvrijstelling#
Artikel 3.79a MKB-winstvrijstelling ondernemer paragraaf 3.2.2 paragraaf 3.2.4 De MKB-winstvrijstelling bedraagt 12,7% van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige alsgeniet uit een of meer ondernemingen () nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (). 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2025
Artikel 3.80 — Artikel 3.80 Belastbaar loon#
Artikel 3.80 Belastbaar loon loon reisaftrek paragraaf 3.3.2 Belastbaar loon isverminderd met de(). 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 01-01-2007
Artikel 3.81 — Artikel 3.81 Loon#
Artikel 3.81 Loon loon: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onderloon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting, met dien verstande dat, voorzover nodig in afwijking van die bepalingen, fooien en dergelijke prestaties van derden in aanmerking worden genomen voor het werkelijk genoten bedrag. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.82 — Artikel 3.82 Uitbreiding begrip loon#
Artikel 3.82 Uitbreiding begrip loon loon Totwordt gerekend: a. wat wordt genoten: 1°. ter vervanging van gederfd of te derven loon; 2°. ter zake van het staken of nalaten van werkzaamheden voorzover het genotene niet is aan te merken als resultaat uit overige werkzaamheden; b. artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 2004 251 28-12-2004 21-12-2004 WDB2004/799M 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 01-01-2006
Artikel 3.83 — Artikel 3.83 Pensioen in grensoverschrijdende situaties#
Artikel 3.83 Pensioen in grensoverschrijdende situaties 1 loon pensioenregeling Belastingregeling voor het Koninkrijk Totwordt gerekend de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een, indien de belastingplichtige die werknemer of gewezen werknemer is in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting en aan wie het pensioen is toegezegd, ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn anders dan door overlijden, of indien na zijn overlijden de gerechtigde tot de uitkeringen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn. 2 pensioenregeling artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b en d, van de Wet op de loonbelasting 1964 Tot loon wordt gerekend, tenzij het eerste lid toepassing vindt, de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit eenindien de verplichtingen waarop de aanspraken berusten, geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in. 3 De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste is gekomen van belastbaar inkomen uit werk en woning. 4 artikel 7.2, achtste lid, onderdeel a Indien het eerste of het tweede lid toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die op grond van het eerste of tweede lid dan wel, eveneens is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. 5 artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 Indientoepassing heeft gevonden, wordt het loon verminderd met de waarde van de aanspraken die tot het loon zijn gerekend met toepassing van het tweede lid, voorzover de belasting ter zake van de waarde van die aanspraken is voldaan. 6 Bij algemene maatregel van bestuur worden aanwijzingen gegeven met betrekking tot de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde aanspraken. 7 artikel 7.2, achtste lid, onderdeel a Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van het eerste of tweede lid dan wel, is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en 1°. artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling bedoeld in, en 2°. artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b of d, van de Wet op de loonbelasting 1964 de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. 8 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen toepassing van het eerste en tweede lid achterwege kan blijven. 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-04-2017 2017 116 27-03-2017 08-03-2017 34662
Artikel 3.84 — Artikel 3.84 Vrijstelling eindheffingsbestanddelen#
Artikel 3.84 Vrijstelling eindheffingsbestanddelen 1 artikel 31 artikel 32ab artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 Tot loon behoren niet voordelen waarover de belasting op grond vanofin verbinding metis verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor voor de belastingplichtige ontstaan voordeel. 2 artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Ingeval een belastingplichtige loon geniet uit een dienstbetrekking ter zake van welke dienstbetrekking de werkgever geen inhoudingsplichtige is in de zin van, behoren niet tot het loon de in het loon van de belastingplichtige opgenomen vergoedingen en verstrekkingen overeenkomstig, voorzover een inhoudingsplichtige daarover bij toepassing vangeen belasting zou zijn verschuldigd. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 3.85 — Artikel 3.85 Werknemersaftrek#
Artikel 3.85 Werknemersaftrek Vervallen 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 01-01-2007
Artikel 3.86 — Artikel 3.86 Fietsaftrek#
Artikel 3.86 Fietsaftrek Vervallen 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. 2002 615 19-12-2002 12-12-2002 28607 2002 615 19-12-2002 12-12-2002 28607 01-01-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.87 — Artikel 3.87 Reisaftrek#
Artikel 3.87 Reisaftrek 1 reisafstand De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde, voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt. 2 In dit artikel en daarop berustende bepalingen wordt onder reisafstand verstaan: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van de werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg. 3 De op basis van de volgende leden bepaalde reisaftrek wordt verminderd met de voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen. 4 Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: bij een reisafstand per openbaar vervoer van meer dan maar niet meer dan op jaarbasis – 10 km - 10 km 15 km € 574 15 km 20 km € 762 20 km 30 km € 1.268 30 km 40 km € 1.572 40 km 50 km € 2.047 50 km 60 km € 2.279 60 km 70 km € 2.527 70 km 80 km € 2.614 80 km – € 2.649 5 Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,29 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 2.649 per jaar. 6 Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 2.649 per jaar. 7 Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. 8 Voor de toepassing van het eerste lid pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd. 9 De per openbaar vervoer afgelegde reisafstand blijkt slechts uit een op een tijdvak van 12 maanden betrekking hebbende verklaring die is afgegeven door de desbetreffende openbaar-vervoersonderneming (de openbaar-vervoerverklaring) of, in die gevallen dat door de gebruikte kaartsoort de openbaar-vervoerverklaring niet kan worden verstrekt, een aan een openbaar-vervoerverklaring gelijk te stellen andere tot de persoon van de belastingplichtige herleidbare verklaring omtrent het gereisd hebben met openbaar vervoer (de reisverklaring). 10 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de openbaar-vervoerverklaring en van de reisverklaring en voor de uitvoering van dit artikel. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.88 — Artikel 3.88 Begrippen woon–werkverkeer#
Artikel 3.88 Begrippen woon–werkverkeer Vervallen 2002 617 19-12-2002 12-12-2002 28608 2002 617 19-12-2002 12-12-2002 28608 01-01-2003
Artikel 3.89 — Artikel 3.89 Zeedagenaftrek#
Artikel 3.89 Zeedagenaftrek Vervallen 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 01-01-2007
Artikel 3.90 — Artikel 3.90 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden#
Artikel 3.90 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden § 3.4.3 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling (Terbeschikkingstellingsvrijstelling). 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 3.91 — Artikel 3.91 Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een onderneming of werkzaamheid#
Artikel 3.91 Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een onderneming of werkzaamheid 1 Onder werkzaamheid wordt mede verstaan: a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – door deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden; b. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld ten behoeve van een samenwerkingsverband waarvan een met de belastingplichtige verbonden persoon die daarbij belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden geniet, deel uitmaakt; c. het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis. 2 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt: a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde persoon of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld: 1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband; 2°. levensverzekering levensverzekering afdeling 3.5 het sluiten van een overeenkomst vanof het hebben van rechten uit een overeenkomst vanwaarbij de in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in; 3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband; 4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven; 5°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort; 6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort; b. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: 1°. de partner van de belastingplichtige; 2°. de minderjarige kinderen van de belastingplichtige of zijn partner; c. indien de belastingplichtige minderjarig is, onder een met de belastingplichtige verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt verstaan; d. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden betreffende een onderneming, werkzaamheid of samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel; e. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand; f. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand. 3 Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een niet onder het tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 3.92 — Artikel 3.92 Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden#
Artikel 3.92 Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden 1 Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan: a. hoofdstuk 4 artikelen 4.10 4.11 het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld inbehoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van deen; b. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt. 2 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt: a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld: 1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband; 2°. levensverzekering levensverzekering afdeling 3.5 het sluiten van een overeenkomst vanof het hebben van rechten uit een overeenkomst vanwaarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in; 3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband; 4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven; 5°. artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband; 6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband; b. artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in; c. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel; d. artikel 4.5 artikel 4.5b, onderdeel b met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in, een lichaam als bedoeld in, en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag; e. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap; f. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand; g. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand. 3 artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling. 4 Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte gemeenschap van goederen. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 3.92a — Artikel 3.92a Opwaarderingsreserve#
Artikel 3.92a Opwaarderingsreserve artikel 3.98a Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan het hebben van een opwaarderingsreserve als bedoeld in. 2005 613 08-12-2005 01-12-2005 29686 2005 613 08-12-2005 01-12-2005 29686 09-12-2005
Artikel 3.92b — Artikel 3.92b Met een werkzaamheid verband houdende lucratieve belangen#
Artikel 3.92b Met een werkzaamheid verband houdende lucratieve belangen 1 Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan: a. het onmiddellijk of middellijk houden van aandelen als bedoeld in het tweede lid, van vorderingen als bedoeld in het derde lid of van rechten als bedoeld in het vierde lid, indien de voordelen die met deze aandelen, vorderingen of rechten worden behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder deze aandelen, vorderingen of rechten zijn verkregen, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, alsmede het hebben van schulden die rechtstreeks samenhangen met deze aandelen, vorderingen of rechten; b. het onmiddellijk of middellijk hebben van schulden die rechtens dan wel in feite tegemoetkomingen kennen van geheel of gedeeltelijke kwijtschelding waarbij die tegemoetkomingen, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de schulden zijn aangegaan, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. 2 Aandelen als bedoeld in het eerste lid zijn aandelen in een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal die verschillende soorten aandelen heeft, indien het aandelen betreft van een soort: a. die is achtergesteld bij andere soorten en het totale geplaatste aandelenkapitaal van die achtergestelde soort minder is dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, of b. met een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar. 3 Vorderingen als bedoeld in het eerste lid zijn vorderingen waarvan het rendement in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming. 4 Rechten als bedoeld in het eerste lid zijn vermogensrechten die, gelet op de feiten en omstandigheden, economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met aandelen als bedoeld in het tweede lid of vorderingen als bedoeld in het derde lid, alsmede overige rechten of verplichtingen waarvan het waardeverloop in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt tot het totale geplaatste aandelenkapitaal gerekend een lening die mede bijdraagt aan een beloning als bedoeld in het eerste lid, waarbij een dergelijke lening voor de toepassing van het tweede lid als afzonderlijke soort wordt aangemerkt. 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: a. de partner van de belastingplichtige; b. een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner. 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 01-01-2024 26-06-2023
Artikel 3.93 — Artikel 3.93 Bijzondere bepalingen begrip werkzaamheden#
Artikel 3.93 Bijzondere bepalingen begrip werkzaamheden 1 artikelen 3.91 3.92 3.92b Voor de toepassing van de,en: a. geldt een persoon niet als aanverwant indien het partnerschap waardoor de verwantschap is ontstaan, anders dan door overlijden is geëindigd; b. wordt niet als het rendabel maken van vermogensbestanddelen aangemerkt het ter beschikking stellen van een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning die de belastingplichtige ter beschikking staat, indien de persoon aan wie of het lichaam waaraan ter beschikking wordt gesteld ter zake van die terbeschikkingstelling niet een vergoeding ten laste van de winst of het resultaat uit overige werkzaamheden kan brengen. 2 Werkzaamheden van dezelfde aard worden aangemerkt als een werkzaamheid. 3 artikel 1, onder l, van de Wet op de huurtoeslag Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in, alsmede de aanhorigheden van een woning, schip of woonwagen. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 445 11-11-2022 07-11-2022 01-01-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet
verbetering uitvoerbaarheid toeslagen in werking treedt.
Artikel 3.94 — Artikel 3.94 Resultaat uit een werkzaamheid#
Artikel 3.94 Resultaat uit een werkzaamheid Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.95 — Artikel 3.95 Bepaling van het resultaat#
Artikel 3.95 Bepaling van het resultaat 1 artikelen 3.10 3.13 tot en met 3.21 3.25 tot en met 3.30a 3.55 tot en met 3.62 artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b Bij de bepaling van het resultaat zijn de,,envan overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt. Voor de overeenkomstige toepassing van, wordt verstaan onder de winst uit onderneming vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in: het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden vermeerderd met de ten laste van dat resultaat gekomen premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b. 2 artikelen 3.91 3.92 artikelen 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid 3.54 3.64 Bij de bepaling van het resultaat met betrekking tot een werkzaamheid als bedoeld in deen, met uitzondering van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel c, zijn de,enook van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023
Artikel 3.95a — Artikel 3.95a artikel 2.14, derde lid, onderdeel e Aftrek bij het toepassing vinden van#
Artikel 3.95a artikel 2.14, derde lid, onderdeel e Aftrek bij het toepassing vinden van artikel 2.14, derde lid, onderdeel e artikel 3.19 Indien ingevolge, door de belastingplichtige genoten vergoedingen ter zake van een werkruimte niet worden aangemerkt als loon doch als voordeel behaald met een werkzaamheid en die werkruimte behoort tot het vermogen van een onderneming van hem of van één met hem verbonden persoon als bedoeld in dat artikelonderdeel, wordt voor de berekening van het resultaat met die werkzaamheid slechts als kosten en lasten in aftrek gebracht een evenredig deel van de op de voet vanberekende bijtelling privé-gebruik woning. 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 01-01-2017
Artikel 3.95b — Artikel 3.95b Aanvullende bepaling resultaat bij lucratieve belangen#
Artikel 3.95b Aanvullende bepaling resultaat bij lucratieve belangen 1 artikel 3.92b Ingeval op enig tijdstip een vermogensbestanddeel tot een werkzaamheid als bedoeld ingaat behoren, wordt het op dat tijdstip te boek gesteld op het bedrag dat is opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel vermeerderd met het bedrag waarover ter zake van de verkrijging van het bestanddeel inkomstenbelasting is geheven. Indien het in de eerste volzin bedoelde tijdstip samenvalt met het tijdstip waarop de belastingplichtige in Nederland gaat wonen, wordt in afwijking van de eerste volzin het vermogensbestanddeel te boek gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan dat vermogensbestanddeel kan worden toegekend. 2 artikel 3.92b Ingeval een tot een werkzaamheid als bedoeld inbehorend vermogensbestanddeel middellijk wordt gehouden, wordt het resultaat met betrekking tot deze werkzaamheid niet later genoten dan ingeval dit vermogensbestanddeel onmiddellijk zou zijn gehouden. 3 artikel 3.92b Ingeval een tot een werkzaamheid als bedoeld inbehorend vermogensbestanddeel onmiddellijk wordt gehouden en dat vermogensbestanddeel bij dezelfde belastingplichtige met ingang van enig tijdstip middellijk wordt gehouden, wordt het vermogensbestanddeel op het direct daaraan voorafgaande tijdstip te boek gesteld op de waarde ervan in het economische verkeer. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een middellijk gehouden vermogensbestanddeel dat met ingang van enig tijdstip onmiddellijk wordt gehouden. 4 artikel 3.92b Indien de berekening van de in een jaar genoten voordelen met betrekking tot middellijk gehouden vermogensbestanddelen die tot een werkzaamheid als bedoeld inbehoren, zou leiden tot een negatief bedrag, wordt dat negatieve bedrag niet tot het resultaat van een werkzaamheid gerekend. 5 artikel 3.92b Ingeval de belastingplichtige daarvoor kiest, worden de in een kalenderjaar genoten voordelen met betrekking tot middellijk gehouden vermogensbestanddelen die tot een werkzaamheid als bedoeld inbehoren, niet tot het resultaat van een werkzaamheid gerekend, mits in dat kalenderjaar tot een bedrag van ten minste 95% van die voordelen inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten dat een weerspiegeling is van die voordelen. 6 artikel 3.92b hoofdstuk 4 afdeling 7.3 Ingeval de tot een werkzaamheid als bedoeld inbehorende vermogensbestanddelen middellijk worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige niet een aanmerkelijk belang als bedoeld inofhoudt en die vermogensbestanddelen met ingang van enig tijdstip worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang houdt, is het vijfde lid ter zake van die vermogensbestanddelen niet van toepassing op voordelen als bedoeld in dat lid, voor zover de waarde in het economische verkeer van deze vermogensbestanddelen op het direct daaraan voorafgaande tijdstip het opgeofferde bedrag van het lucratieve belang overtreft. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 3.96 — Artikel 3.96 Vrijstelling#
Artikel 3.96 Vrijstelling Tot het resultaat behoren niet: a. artikel 2, eerste lid, van de Wet op de kansspelbelasting voordelen uit het deelnemen aan kansspelen als bedoeld in; b. artikel 3.16, vierde lid voordelen die door de belastingplichtige worden behaald ter zake van het verrichten van arbeid in de onderneming van zijn partner, indien bij het bepalen van de winst uit die onderneming de kosten en lasten die verband houden met de vergoeding voor die arbeid op grond van, niet in aftrek komen; c. artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voordelen die door de belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in, worden behaald, waarbij het gezamenlijke bedrag van de vergoedingen en verstrekkingen niet meer bedraagt dan de aldaar genoemde bedragen. 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-01-2006
Artikel 3.97 — Artikel 3.97 Keuzemogelijkheid bij het houden van kostgangers#
Artikel 3.97 Keuzemogelijkheid bij het houden van kostgangers 1 eigen woning Indien de belastingplichtige bij de aangifte daarvoor kiest, worden de door hem uit het houden van kostgangers verkregen opbrengsten voor een deel als voordelen uitdan wel uit een huurrecht aangemerkt. Dit keuzerecht geldt voor het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het, anders dan voor korte duur, ter beschikking stellen aan derden van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige tot hoofdverblijf dient. 2 Het eerste lid is alleen van toepassing indien: a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 6.633 per jaar, en b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 3.98 — Artikel 3.98 Doorschuiving bij ontbinding van de vennootschap#
Artikel 3.98 Doorschuiving bij ontbinding van de vennootschap 1 artikel 3.92 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien vermogensbestanddelen als bedoeld inniet langer door de belastingplichtige ter beschikking worden gesteld aan de vennootschap in verband met de toepassing vanmaar onderdeel gaan uitmaken van de onderneming van de vennootschap die door hem wordt voortgezet, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid. 2 artikel 3.92 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien een vermogensbestanddeel als bedoeld inniet langer door de belastingplichtige ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap in verband met de toepassing vanen onderdeel gaat uitmaken van de onderneming van de vennootschap die door de echtgenoot wordt voortgezet, wordt op verzoek van de belastingplichtige en zijn echtgenoot de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming van de echtgenoot de boekwaarde van het vermogensbestanddeel gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid van de belastingplichtige. 3 artikel 3.53 artikel 3.25 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld inalsmede voorzieningen die in overeenstemming metzijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd. 2010 871 29-12-2010 23-12-2010 32401 2010 871 29-12-2010 23-12-2010 32401 01-01-2011
Artikel 3.98a — Artikel 3.98a artikel 3.92 Omzetting van een afgewaardeerde vordering als bedoeld in#
Artikel 3.98a artikel 3.92 Omzetting van een afgewaardeerde vordering als bedoeld in 1 artikel 3.92 Indien de belastingplichtige een schuldvordering heeft als bedoeld inen die schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de winst uit een onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid van hem of van een met hem verbonden persoon, wordt, indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, tot het resultaat van de belastingplichtige gerekend een bedrag gelijk aan die afwaardering. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag kan gelijktijdig ten laste van het resultaat worden toegevoegd aan een reserve (opwaarderingsreserve). 2 Van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is sprake indien: a. de met de schuldvordering corresponderende schuld door de schuldenaar wordt voldaan door het uitgeven van aandelen of winstbewijzen (omzetting); b. de met de schuldvordering corresponderende schuld gaat functioneren als eigen vermogen van de schuldenaar zonder dat deze daartoe aandelen of winstbewijzen uitgeeft waarbij de schuldvordering niet meer behoort tot het vermogen van een werkzaamheid; of c. de schuldvordering geheel of gedeeltelijk wordt prijsgegeven. 3 Het eerste lid is ter zake van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, niet van toepassing voor zover de in dat lid bedoelde omstandigheid bij de schuldenaar leidt tot belastbare winst in Nederland of meebrengt dat een voordeel bij de schuldenaar wordt betrokken in de heffing van een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. 4 De opwaarderingsreserve wordt aan het resultaat toegevoegd voor zover het verschil tussen de actuele waarde in het economische verkeer van de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon direct of indirect houdt in de schuldenaar en de waarde in het economische verkeer van die aandelen of winstbewijzen ten tijde van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid uitgaat boven het bedrag waarmee de opwaarderingsreserve sinds die omstandigheid reeds is afgenomen. Daarbij wordt de waardestijging van de direct of indirect gehouden aandelen of winstbewijzen van een met de belastingplichtige verbonden persoon bij de belastingplichtige niet in aanmerking genomen, voor zover die waardestijging bij de verbonden persoon op grond van dit artikel reeds leidt tot een toevoeging aan het resultaat uit een werkzaamheid. 5 hoofdstuk 4 hoofdstuk 4 Indien aandelen of winstbewijzen van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon in de schuldenaar na de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zijn vervreemd aan een niet met de belastingplichtige verbonden persoon of een vennootschap waarin de belastingplichtige noch een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, wordt voor de toepassing van het vierde lid de actuele waarde in het economische verkeer van de daar bedoelde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de overdrachtsprijs van de vervreemde aandelen of winstbewijzen. Indien de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon zijn aandelenbezit of bezit van winstbewijzen in de schuldenaar na de in het eerste lid bedoelde omstandigheid heeft uitgebreid doordat aandelen of winstbewijzen zijn verkregen van de schuldenaar zelf of van een niet met de belastingplichtige verbonden persoon of een vennootschap waarin noch de belastingplichtige noch een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, wordt voor de toepassing van het vierde lid de actuele waarde in het economische verkeer van de daar bedoelde aandelen of winstbewijzen verminderd met de verkrijgingsprijs van die uitbreiding. Onder een uitbreiding van het aandelenbezit of bezit aan winstbewijzen als bedoeld in de tweede volzin wordt mede begrepen een storting van kapitaal zonder uitreiking van aandelen of winstbewijzen. 6 hoofdstuk 4 Indien een omstandigheid, anders dan omschreven in het achtste lid, meebrengt dat noch de belastingplichtige, noch een met hem verbonden persoon, meer een aanmerkelijk belang als bedoeld inin de schuldenaar heeft, wordt direct voorafgaande aan die omstandigheid het vierde lid voor het laatst toegepast. Ingeval daarna nog een bedrag aan opwaarderingsreserve resteert, vervalt dat restant zonder dat dit tot een toevoeging aan het resultaat leidt. 7 In afwijking van het zesde lid, tweede volzin, wordt het restant van de opwaarderingsreserve wel toegevoegd aan het resultaat uit een werkzaamheid indien de omstandigheid in overwegende mate is gericht op het realiseren van een vrijval van de opwaarderingsreserve die niet tot een toevoeging aan het resultaat leidt. Een omstandigheid wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het realiseren van een vrijval die niet tot een toevoeging aan het resultaat leidt, indien de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon binnen drie jaar na die omstandigheid opnieuw een aanmerkelijk belang in de schuldenaar verkrijgt. 8 hoofdstuk 4 Indien de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of aan een met hem verbonden persoon dan wel aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, wordt onmiddellijk daaraan voorafgaand de opwaarderingsreserve toegevoegd aan het resultaat. 9 artikelen 4.3 tot en met 4.5b Voor de toepassing van dit artikel zijn devan overeenkomstige toepassing. 10 artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 3.98b — Artikel 3.98b Vervreemding van een afgewaardeerde vordering#
Artikel 3.98b Vervreemding van een afgewaardeerde vordering 1 artikel 3.91 3.92 Indien de belastingplichtige een schuldvordering heeft als bedoeld inofen die schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de winst uit een onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid van hem of van een met hem verbonden persoon, wordt, indien de schuldvordering wordt vervreemd of overgebracht als omschreven in het tweede lid, ter zake van die vervreemding of overbrenging, tot het resultaat van de belastingplichtige gerekend een bedrag gelijk aan die afwaardering voorzover met betrekking tot die schuldvordering niet reeds een bedrag op de voet van dit artikel tot het resultaat van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon is gerekend. 2 Een vervreemding of overbrenging als bedoeld in het eerste lid doet zich voor indien de afgewaardeerde schuldvordering: a. hoofdstuk 4 wordt vervreemd aan een met de belastingplichtige verbonden persoon of aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, onderscheidenlijk b. wordt overgebracht naar het vermogen van een buiten Nederland gedreven onderneming, dan wel naar het vermogen van een buiten Nederland gedreven gedeelte van een onderneming op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. 3 hoofdstuk 4 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon of aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in. 4 artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in. 5 hoofdstuk 4 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, wordt bij vervreemding aan een niet in Nederland wonend natuurlijk persoon of een niet in Nederland gevestigd lichaam, die persoon onderscheidenlijk dat lichaam geacht een met de belastingplichtige verbonden persoon te zijn onderscheidenlijk een vennootschap te zijn waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. 2006 682 22-12-2006 14-12-2006 30804 2006 682 22-12-2006 14-12-2006 30804 01-01-2007
Artikel 3.98c — Artikel 3.98c Doorschuiving bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht#
Artikel 3.98c Doorschuiving bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht 1 artikel 3.53 artikel 3.25 De overgang krachtens huwelijksvermogensrecht van een evenredig deel van een vermogensbestanddeel van de belastingplichtige op zijn echtgenoot wordt ten aanzien van hem niet als een staking van een werkzaamheid aangemerkt, mits het evenredig deel bij de echtgenoot tot een werkzaamheid behoort. De echtgenoot stelt het evenredig deel van het vermogensbestanddeel voor de eerste keer te boek op een evenredig deel van de laatste boekwaarde van het vermogensbestanddeel bij de belastingplichtige. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld inalsmede voorzieningen die in overeenstemming metzijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd. 2 Het eerste lid vindt geen toepassing indien de belastingplichtige en zijn echtgenoot daarvoor kiezen. De keuze wordt gemaakt bij de aangifte van de belastingplichtige. 2010 871 29-12-2010 23-12-2010 32401 2010 871 29-12-2010 23-12-2010 32401 01-01-2011
Artikel 3.98d — Artikel 3.98d Doorschuiving bij overgang krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden#
Artikel 3.98d Doorschuiving bij overgang krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden 1 artikel 3.92, eerste of tweede lid artikel 3.53 artikel 3.25 De verdeling van een huwelijksgemeenschap waartoe een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel als bedoeld in, behoort binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden, wordt met betrekking tot dat vermogensbestanddeel niet als een vervreemding aangemerkt mits het vermogensbestanddeel bij de verkrijger tot een werkzaamheid blijft behoren. De verkrijger stelt het deel van het vermogensbestanddeel dat hij verkrijgt te boek op de laatste boekwaarde van dat deel van het vermogensbestanddeel bij degene van wie het is verkregen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld inalsmede voorzieningen die in overeenstemming metzijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd. 2 Het eerste lid vindt geen toepassing indien de beide gewezen echtgenoten hier gezamenlijk voor kiezen. De keuze wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan de inspecteur van de gewezen echtgenoot bij wie een vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. 3 artikelen 3.98a 3.98b artikel 3.92, eerste of tweede lid Deenzijn bij een belastingplichtige van overeenkomstige toepassing op een ter beschikking gestelde schuldvordering als bedoeld in, die voorafgaande aan de verdeling van een huwelijksgemeenschap is afgewaardeerd ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid van zijn gewezen echtgenoot. 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 01-01-2012
Artikel 3.99 — Artikel 3.99 Overgang werkzaamheid in onderneming#
Artikel 3.99 Overgang werkzaamheid in onderneming ondernemer Indien een werkzaamheid in een kalenderjaar uitgroeit tot een onderneming waaruit de belastingplichtige alswinst geniet, wordt voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat, de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.99a — Artikel 3.99a Doorschuiffaciliteit bij inbreng van ter beschikking gesteld pand in een nv of bv#
Artikel 3.99a Doorschuiffaciliteit bij inbreng van ter beschikking gesteld pand in een nv of bv Vervallen 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2011
Artikel 3.99b — Artikel 3.99b Terbeschikkingstellingsvrijstelling#
Artikel 3.99b Terbeschikkingstellingsvrijstelling 1 artikel 3.91 artikel 3.92 De terbeschikkingstellingsvrijstelling geldt voor de belastingplichtige met een werkzaamheid als bedoeld inof, met uitzondering van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel c. 2 artikelen 3.91 3.92 De terbeschikkingstellingsvrijstelling bedraagt 12% van het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden als bedoeld in deen, met uitzondering van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel c. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 3.100 — Artikel 3.100 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen#
Artikel 3.100 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen 1 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn: artikel 3.108 verminderd met de daarop drukkende aftrekbare kosten, bedoeld in. a. de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen; b. lijfrenten artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b artikel 3.125 artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c artikel 3.126a termijnen vanals bedoeld in, en inen andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in, en in; c. afdeling 3.7 uitkeringen en verstrekkingen op grond van een buitenlandse voorziening waarvan de strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening als bedoeld in, behoudens voorzover aannemelijk is dat met de voor die voorziening betaalde premies geen rekening is gehouden bij een heffing naar het inkomen; d. artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b artikel 3.135, zesde lid uitkeringen en verstrekkingen op grond van een pensioenregeling als bedoeld in, alsmede uitkeringen en afkoopsommen als bedoeld in; 2 artikel 2.14 Algemene Kinderbijslagwet In afwijking in zoverre vanwordt de belastbaarheid van uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen op grond van debeheerst door deze afdeling. 3 afdeling 5.3A In afwijking in zoverre van het eerste lid worden niet tot de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen gerekend termijnen van nettolijfrenten als bedoeld in. 4 artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op termijnen of uitkeringen van een niet of niet langer kwalificerende lijfrente, tenzij ter zake van die lijfrente negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. Onder een niet of een niet langer kwalificerende lijfrente wordt verstaan: een aanspraak waarvoor uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen als bedoeld in, en: a. die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden die in deze wet en de daarop berustende bepalingen aan de aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden gesteld; of b. artikel 3.133, tweede of derde lid waarbij zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in, anders dan bedoeld in onderdeel a. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 25-04-2025
Artikel 3.101 — Artikel 3.101 Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen#
Artikel 3.101 Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen 1 Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die: a. worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling; b. worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn; c. in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn dan wel de genieter behoort tot het huishouden van de schuldenaar; d. niet in rechte vorderbaar zijn en worden ontvangen van een rechtspersoon. 2 artikel 3.112 Indien verstrekkingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, worden ontvangen in de vorm van huisvesting ter zake van een woning of een gedeelte van een woning, worden die verstrekkingen voorzover zij afkomstig zijn van een beperkt gerechtigde tot die woning of gedeelte van die woning gesteld op de huurwaarde respectievelijk een evenredig deel van de huurwaarde berekend volgens. 2004 657 23-12-2004 16-12-2004 29678 2004 657 23-12-2004 16-12-2004 29678 01-03-2005 01-01-2001
Artikel 3.102 — Artikel 3.102 Algemene uitbreidingen aangewezen uitkeringen#
Artikel 3.102 Algemene uitbreidingen aangewezen uitkeringen 1 Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoort wat wordt ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing voorzover wat wordt ontvangen ter vervanging van de gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen bestaat uit een recht op soortgelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 3 Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoort wat in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening van: a. pensioenrechten; b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen. 4 Het derde lid is niet van toepassing voorzover wat wordt ontvangen bestaat uit een lijfrente of een andere inkomensvoorziening en de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen. 5 Tot wat wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening bedoeld in het derde lid, behoort niet een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen dat is toegekend door degene die tot de verrekening verplicht is. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.103 — Artikel 3.103 Specifieke uitbreidingen publiekrechtelijke uitkeringen#
Artikel 3.103 Specifieke uitbreidingen publiekrechtelijke uitkeringen Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling behoren: a. artikelen 35 38 van de Algemene Ouderdomswet artikelen 63a 63d 66a, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van deofen de,of; b. artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet uitkeringen aan gemoedsbezwaarden op grond van; c. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen uitkeringen op grond van de; d. Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd artikelen 3 9 van de Kaderwet SZW-subsidies uitkeringen in verband met deop grond van een regeling op grond van deen; e. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en d. 2013 236 28-06-2013 19-06-2013 33556 2013 261 28-06-2013 14-06-2013 01-07-2013
Artikel 3.104 — Artikel 3.104 Vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen#
Artikel 3.104 Vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren niet: a. Wet langdurige zorg uitkeringen en verstrekkingen op grond van de; b. Algemene Kinderbijslagwet Wet op het kindgebonden budget uitkeringen op grond van deen het kindgebonden budget op grond van de; c. artikel 4.3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten uitkeringen ingevolge; d. Wet studiefinanciering 2000 uitkeringen in de vorm van een gift ingevolge de; e. artikelen 7.51 tot en met 7.51f 7.51h 7.51j 7.51k, eerste en tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikelen 8.1.5 tot en met 8.1.5c 8.1.5e 8.1.6, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs uitkeringen als bedoeld in de,,enen uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in de,en; f. Participatiewet artikel 36 van die wet uitkeringen en verstrekkingen op grond van dedie zijn bedoeld ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten, waaronder begrepen uitkeringen als bedoeld in; g. Wet kinderopvang artikel 1.13 van die wet kinderopvangtoeslag op grond van dealsmede tegemoetkomingen op grond vanen gemeentelijke tegemoetkomingen voor kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie; h. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling zijn bedoeld ter dekking van: 1°. bepaalde noodzakelijke kosten van huur van een woning of een woonwagen; 2°. artikel 3.111 artikel 3.110 bepaalde noodzakelijke kosten in verband met de verkrijging of het behoud van een eigen woning als bedoeld in, waarbij voor de toepassing van de regeling inzake de aftrek van de op de voordelen uit die woning drukkende kosten als bedoeld indeze uitkering geacht wordt wel te zijn aangewezen; 3°. bepaalde noodzakelijke kosten in verband met opleiding of studie; 4°. bepaalde noodzakelijke kosten die naar aard en strekking overeenkomen met kosten als bedoeld in onderdeel f; 5°. bepaalde noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp; i. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen; j. artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitkeringen krachtens; k. Wet op de zorgtoeslag de zorgtoeslag op grond van de; l. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 uitkeringen en verstrekkingen op grond van de; m. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l; n. artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet uitkeringen ingevolge; o. artikel 11a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 artikel 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet artikel 3 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers de vaste vergoedingen voor behandeling of verpleging, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op, onderscheidenlijken, alsmede bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit; p. bij ministeriële regeling aan te wijzen publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn gericht op het verbeteren of behouden van de positie van de belastingplichtige op de arbeidsmarkt en daarmee samenhangende vervoersvoorzieningen voor het bereiken van de werkplek of opleidingslocatie, alsmede vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met eerstgenoemde vervoersvoorzieningen; q. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met p; r. uitkeringen op grond van de overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Conference on Jewish Material Claims Against Germany, gebaseerd op artikel 2 van de Vereinbarung vom 18. September 1990 über die Herstellung der Einheit Deutschlands zwischen der Bundesrepublik Deutschland und der Deutschen Demokratischen Republik zur Durchführung und Auslegung des am 31. August 1990 in Berlin unterzeichneten Einigungvertrages. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 3.105 — Artikel 3.105 Specifieke uitbreidingen familierechtelijke uitkeringen#
Artikel 3.105 Specifieke uitbreidingen familierechtelijke uitkeringen 1 Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover zij zijn overeengekomen in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed ter verrekening van: a. pensioenrechten; b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen. 2 Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die dienen ter vervanging van dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 3 Het eerste en het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan door degene die tot de verrekening respectievelijk de vervanging verplicht is. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.106 — Artikel 3.106 Uitbreidingen uitkeringen uit inkomensvoorzieningen#
Artikel 3.106 Uitbreidingen uitkeringen uit inkomensvoorzieningen 1 lijfrente artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b artikel 3.100, eerste lid, onderdeel d Voorzover ter zake van eenof een andere aanspraak uit een inkomensvoorziening als bedoeld in, dan wel een aanspraak op grond van een pensioenregeling als bedoeld in, op enig moment negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoort op dat tijdstip mede tot de uitkeringen als bedoeld in genoemd onderdeel b of d, de waarde in het economische verkeer van de aanspraak voorzover deze de ter zake van de aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven te boven gaat. 2 artikel 3.100, eerste lid, onderdeel c Tot de uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening als bedoeld in, behoort mede: a. wat wordt genoten ter vervanging van gederfde of te derven zodanige uitkeringen; b. wat met betrekking tot een recht op zodanige uitkeringen wordt genoten ter zake van vervreemding of het onherroepelijk worden van de begunstiging. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt als op het tijdstip van vervreemding of onherroepelijk worden van de begunstiging genoten bedrag aangemerkt, de waarde in het economische verkeer van het in dat onderdeel bedoelde recht. De vorige volzin is niet van toepassing indien de verkrijger of de begunstigde een natuurlijk persoon is en het verkregen recht geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming. Met vervreemding wordt gelijkgesteld het brengen in het vermogen van een onderneming. 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 01-01-2001 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.107 — Artikel 3.107 Uitgezonderde uitkeringen uit inkomensvoorzieningen#
Artikel 3.107 Uitgezonderde uitkeringen uit inkomensvoorzieningen 1 artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b artikel 3.100, eerste lid, onderdeel d artikel 3.106 Tot de uitkeringen uit inkomensvoorzieningen bedoeld in, en de uitkeringen uit pensioenregelingen als bedoeld in, behoren niet uitkeringen op grond van een voorziening waarvan de waarde op grond vanin aanmerking is genomen. 2 Artikel 2.14, tweede lid , is niet van toepassing op het recht waaruit deze uitkeringen voortvloeien. 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 01-01-2001 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.107a — Artikel 3.107a Bepaling omvang belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen#
Artikel 3.107a Bepaling omvang belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen 1 artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b Voor het bepalen van de omvang van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in, ingevolge een overeenkomst ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat de betaalde premies en bedragen geheel of gedeeltelijk niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, worden op de termijn of uitkering tot het in het tweede lid aangegeven maximum in mindering gebracht de betaalde premies en bedragen waarvan aannemelijk is dat die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen en voor zover die in mindering te brengen premies en bedragen niet reeds: a. bij een eerdere termijn of uitkering ingevolge dit lid in mindering zijn gebracht, of b. artikel 3.137, tweede lid bij een afkoop ingevolge, in mindering zijn gebracht. 2 artikel 3.137 Van de in een kalenderjaar betaalde premies en bedragen die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, kan ten hoogste € 2 269 op de voet van dit artikel enin mindering worden gebracht, met dien verstande dat ingeval in een kalenderjaar ter zake van meerdere overeenkomsten premies en bedragen zijn betaald die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen het maximum van € 2269 geldt voor het totaal van die premies en bedragen. 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 01-01-2011 01-01-2009
Artikel 3.108 — Artikel 3.108 Aftrekbare kosten van aangewezen uitkeringen en van uitkeringen uit inkomensvoorzieningen#
Artikel 3.108 Aftrekbare kosten van aangewezen uitkeringen en van uitkeringen uit inkomensvoorzieningen Aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen zijn de daarop drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen. De kosten kunnen in mindering worden gebracht voorzover zij in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk is. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.109 — Artikel 3.109 Van aftrek uitgesloten kosten#
Artikel 3.109 Van aftrek uitgesloten kosten Artikel 3.14, zesde lid artikel 3.16, negende lid Tot de aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen behoren niet renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen., en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 3.109a — Artikel 3.109a#
Artikel 3.109a Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2012/668. Vervallen 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 01-01-2013
Artikel 3.110 — Artikel 3.110 Belastbare inkomsten uit eigen woning#
Artikel 3.110 Belastbare inkomsten uit eigen woning artikel 3.120 Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten (). 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.111 — Artikel 3.111 Eigen woning#
Artikel 3.111 Eigen woning 1 eigen woning artikel 1, onder l, van de Wet op de huurtoeslag In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: a. partner eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijnde voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat; b. een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken. 2 artikel 3.119aa artikel 2.14, derde lid, onderdelen b en c artikelen 10bis.4 10bis.5 Een woning wordt voor de periode dat deze in het kalenderjaar leeg staat mede aangemerkt als eigen woning indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en hij aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop. Indien een in de eerste volzin bedoelde woning vanaf enig moment in de daar bedoelde periode inkomen uit sparen en beleggen genereert en vervolgens vanaf enig moment weer belastbare inkomsten uit eigen woning, wordt een en ander voor de toepassing vanniet aangemerkt als een vervreemding, onderscheidenlijk als een verwerving. Voorts vindt, met betrekking tot deze woning gedurende de in de eerste volzin bedoelde periode geen toepassing en wordt de woning ook gedurende deze periode voor de toepassing van deenaangemerkt als eigen woning. 3 Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder een woning in aanbouw mede verstaan een bouwkavel ter zake waarvan concrete stappen zijn gezet voor het in gang zetten van bouwkundige werkzaamheden voor de realisatie van een eigen woning. Ingeval de bouwkundige werkzaamheden zijn gestart, wordt voor de toepassing van de tweede volzin aangenomen dat de concrete stappen, bedoeld in die volzin, in ieder geval zes maanden voor de start van de bouwkundige werkzaamheden zijn gezet. 4 Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de toepassing van dit lid en van het negende lid wordt onder de gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot. 5 Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige gedurende die periode is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom. 6 Een woning die de belastingplichtige gedurende ten minste een jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als eigen woning indien gedurende die periode: a. de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en b. de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet. 7 Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel a, wordt indien de woning om niet ter beschikking wordt gesteld niet als derde aangemerkt: a. een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van de belastingplichtige, een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van diens partner of een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van degene die direct voorafgaand aan de periode, bedoeld in het zesde lid, de partner van de belastingplichtige was; b. de partner van de belastingplichtige of degene die direct voorafgaand aan de periode, bedoeld in het zesde lid, de partner van de belastingplichtige was; c. de persoon die direct voorafgaand aan de periode, bedoeld in het zesde lid, gedurende ten minste twaalf aaneengesloten maanden behoorde tot het huishouden van de belastingplichtige. 8 Het tijdelijk ter beschikking stellen van een woning aan derden, ontneemt daaraan niet het karakter van hoofdverblijf. 9 partner Bij een belastingplichtige en zijntezamen wordt niet meer dan één hoofdverblijf in aanmerking genomen. Indien partners meer dan één woning hebben die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, kunnen de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk bij de aangifte kiezen welke van die woningen als zodanig wordt aangemerkt. 10 Indien de belastingplichtige en zijn partner voor een kalenderjaar: a. de keuze om één woning als hoofdverblijf aan te merken hebben gemaakt, kan niet op die keuze worden teruggekomen; b. geen keuze hebben gemaakt, wordt geen van de woningen als hoofdverblijf aangemerkt. 11 Onder eigen woning wordt niet begrepen een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van een gebouw, schip of woonwagen met de daartoe behorende aanhorigheden dat wordt gebruikt: 1°. in een onderneming van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van de winst van die onderneming ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht; 2°. voor resultaat uit een of meer werkzaamheden van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van dat resultaat ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van het resultaat kan worden gebracht, of 3°. hoofdstuk 4 artikelen 4.10 4.11 in een vennootschap waarin de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in, uitgezonderd deen, en bij de bepaling van de winst van die vennootschap ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 3.112 — Artikel 3.112 Eigenwoningforfait#
Artikel 3.112 Eigenwoningforfait 1 De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: meer dan maar niet meer dan op jaarbasis – € 12.500 nihil € 12.500 € 25.000 0,10% van deze waarde € 25.000 € 50.000 0,20% van deze waarde € 50.000 € 75.000 0,25% van deze waarde € 75.000 € 1.350.000 0,35% van deze waarde € 1.350.000 € 4.725 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.350.000 2 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken De eigenwoningwaarde is de volgensvoor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning. 3 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken artikelen 16 tot en met 18 20, tweede lid, van die wet Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond vanvastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens deenen van het tweede lid, tweede volzin. 4 artikel 3.111, tweede en derde lid De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in, worden gesteld op nihil. 5 artikel 3.111, zesde lid De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in, worden gesteld op 0,55% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.350.000 de voordelen gesteld op € 7.425 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.350.000. 6 artikel 3.111, eerste lid Met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in, wordt de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de basisregistratie personen. De eerste volzin is niet van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op het adres van de eigen woning in de basisregistratie personen niet mogelijk is of indien artikel 3.111, negende lid, toepassing vindt. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 3.113 — Artikel 3.113 Tijdelijke verhuur#
Artikel 3.113 Tijdelijke verhuur eigen woning eigen woning artikel 3.112 Met betrekking tot dedie tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden wordt het ingevolgeals voordelen uitin aanmerking te nemen bedrag vermeerderd met 70 percent van de voordelen ter zake van het ter beschikking stellen. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010
Artikel 3.114 — Artikel 3.114 Kamerverhuurvrijstelling#
Artikel 3.114 Kamerverhuurvrijstelling 1 eigen woning artikel 3.112, eerste lid Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 6.633 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van deen worden de voordelen, andere dan bedoeld in, niet in aanmerking genomen. 2 Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.115 — Artikel 3.115 Toedeling eigenwoningforfait#
Artikel 3.115 Toedeling eigenwoningforfait partner eigen woning artikel 3.111, eerste lid De voordelen uit een woning die voor twee of meer belastingplichtigen die geenvan elkaar zijn samen eenis, worden voor elk van hen in aanmerking genomen naar de mate waarin zij op grond van, tot de woning gerechtigd zijn. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.116 — Artikel 3.116 Voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning#
Artikel 3.116 Voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.116a — Artikel 3.116a Voordeel uit spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 3.116a Voordeel uit spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.117 — Artikel 3.117 Begrip levensverzekering#
Artikel 3.117 Begrip levensverzekering Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.118 — Artikel 3.118 Vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning#
Artikel 3.118 Vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.118a — Artikel 3.118a Vrijstelling spaarrekening eigen woning en vrijstelling beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 3.118a Vrijstelling spaarrekening eigen woning en vrijstelling beleggingsrecht eigen woning Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.119 — Artikel 3.119 Omzetting kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 3.119 Omzetting kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.119a — Artikel 3.119a Eigenwoningschuld#
Artikel 3.119a Eigenwoningschuld 1 Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige: a. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning; b. artikel 3.119c ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig; c. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en d. artikel 3.119g ter zake waarvan, ingevalvan toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan. 2 Onder schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning worden verstaan de schulden die zijn aangegaan: a. ter verwerving van de eigen woning, doch ten hoogste tot een gezamenlijk bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van de woning; b. voor verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de woning, doch ten hoogste tot een gezamenlijk bedrag gelijk aan de kosten van verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de woning; c. artikel 3.120, vijfde lid ter betaling van de kosten ter verkrijging van de schulden, bedoeld in de onderdelen a en b, waarbij afsluitprovisies in aanmerking worden genomen tot het maximum, bedoeld in. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt de som van het bedrag van de kosten ter verwerving van de woning, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het bedrag van de kosten van verbetering, het onderhoud of de afkoop, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verminderd met de som van: a. artikel 3.119aa het positieve bedrag van de eigenwoningreserve, bedoeld in, direct voorafgaand aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning wordt aangemerkt, onderscheidenlijk direct voorafgaand aan de verbetering, het onderhoud of de afkoop; b. hetgeen ter zake van die verwerving, die verbetering, dat onderhoud of die afkoop aan verhoogde vrijstelling van schenkbelasting is genoten. 4 artikel 3.119aa Indien de belastingplichtige een eigen woning verwerft die bestemd is om hem en zijn partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan, wordt, indien hun voordien reeds tezamen een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan en de partner ten aanzien van die eerdere woning een vervreemdingssaldo eigen woning heeft behaald, de op grond van het eerste lid berekende eigenwoningschuld van de belastingplichtige verlaagd, doch niet verder dan tot nihil, met de eigenwoningreserve, bedoeld in, van de partner waarbij, indien de partner de woning mede heeft verworven, wordt uitgegaan van de eigenwoningreserve na toepassing van artikel 3.119aa met betrekking tot de partner. De in de eerste zin bedoelde verlaging van de eigenwoningschuld wordt toegepast tot het moment waarop de woning hun niet meer gezamenlijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. 5 Artikel 3.119c, derde lid Op een schuld aan een aannemer of projectontwikkelaar die is ontstaan door het sluiten van een koop- of aannemingsovereenkomst, zijn de voorwaarden van het eerste lid, onderdelen b, c en d, niet van toepassing tot het moment van aflossen van die schuld dan wel, indien dat eerder is, het moment van levering van de onroerende zaak., vindt geen toepassing voor zover de in dat lid bedoelde schuld die laatstelijk heeft bestaan een schuld als bedoeld in de eerste zin betrof. 6 Tot de eigenwoningschuld behoren niet: a. artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a schulden die zijn aangegaan of ontstaan ter betaling van renten als bedoeld in; b. schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning of een gedeelte daarvan, indien de eigen woning of een gedeelte daarvan direct of indirect is verkregen van de partner van de belastingplichtige, voor zover het totaal van de schulden die de belastingplichtige en zijn partner zijn aangegaan ter verwerving van de woning, na deze verkrijging meer bedraagt dan vóór de vervreemding van de woning of een gedeelte daarvan door zijn partner; c. schulden aan de partner; d. artikel 5.4, eerste lid schulden die corresponderen met geldvorderingen als bedoeld in; e. schulden waarvan de maximale looptijd van 360 maanden is verstreken. 7 artikel 10bis.1, eerste lid Artikel 3.119c, vijfde lid Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel e, wordt de verstreken looptijd van een schuld vermeerderd met de verstreken looptijd van eerdere schulden van de belastingplichtige die behoorden tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, of die behoorden tot de eigenwoningschuld in de periode van 2001 tot en met 2012. Voor de schulden, bedoeld in de eerste zin, wordt als verstreken looptijd beschouwd het voor die schulden voor de aftrek van rente geldende deel van de periode van 30 jaar dat is verstreken, naar beneden afgerond op hele kalendermaanden., is van overeenkomstige toepassing. 8 Indien de belastingplichtige een eigen woning heeft als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt voor de toepassing van het eerste lid als een schuld van de belastingplichtige mede aangemerkt een schuld waarvan de belastingplichtige op grond van het krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik gehouden is de kosten en lasten te dragen. 9 Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder rente mede verstaan boeterente. Onder boeterente wordt verstaan de reële vergoeding die de geldverstrekker in rekening brengt vanwege het renteverlies dat hij lijdt over de nog resterende rentevastperiode bij het al dan niet gedeeltelijk aflossen, wijzigen of oversluiten van een lening die behoort tot de eigenwoningschuld. 10 Indien een schuld van de belastingplichtige uitsluitend niet tot de eigenwoningschuld behoort vanwege een vermindering als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, en de belastingplichtige deze schuld samen met zijn partner is aangegaan wordt deze schuld mede als eigenwoningschuld aangemerkt voor zover hetgeen bij de belastingplichtige en zijn partner met inachtneming van de vermindering, bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, en de verlaging, bedoeld in het vierde lid, tot de eigenwoningschuld zou kunnen behoren hoger is dan hetgeen bij de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van dit lid tot de eigenwoningschuld behoort. 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 01-01-2022
Artikel 3.119aa — Artikel 3.119aa Eigenwoningreserve#
Artikel 3.119aa Eigenwoningreserve 1 artikel 3.119a, vierde lid Bij de vervreemding van een eigen woning wordt het vervreemdingssaldo eigen woning toegevoegd aan de eigenwoningreserve. Onder vervreemdingssaldo eigen woning wordt verstaan de waarde van de tegenprestatie bij de vervreemding van een eigen woning, verminderd met de kosten ter zake van die vervreemding en verminderd met de eigenwoningschuld voor de woning. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin wordt tot de eigenwoningschuld mede gerekend het bedrag van de verlaging, bedoeld in, en het bedrag dat op grond van artikel 3.119a, zesde lid, onderdeel b, niet tot de eigenwoningschuld behoort. 2 De eigenwoningreserve neemt af, doch niet verder dan tot nihil, met: a. artikel 3.119a, eerste lid een bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van een eigen woning verminderd met het bedrag dat ingevolge, als eigenwoningschuld voor die woning in aanmerking wordt genomen; b. artikel 3.119a, vierde lid een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de eigenwoningschuld van de partner op grond van, is verlaagd, met dien verstande dat dit bedrag weer aan de eigenwoningreserve wordt toegevoegd ingeval artikel 3.119a, vierde lid, niet meer van toepassing is op de eigenwoningschuld van de partner; c. een bedrag gelijk aan de in een kalenderjaar gemaakte kosten voor verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de woning. 3 De eigenwoningreserve vervalt voor zover die is toe te rekenen aan een vervreemdingssaldo eigen woning dat drie jaar geleden is toegevoegd. 4 Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder verwerving onderscheidenlijk vervreemding van een eigen woning verstaan een gebeurtenis waardoor de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning wordt aangemerkt, onderscheidenlijk niet meer als zodanig wordt aangemerkt. Als verwerving of vervreemding wordt niet aangemerkt die krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk of krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden. Voorts wordt niet als verwerving aangemerkt die krachtens erfrecht tussen partners. Indien bij een verwerving of vervreemding een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de verwerving, onderscheidenlijk de vervreemding, in het economische verkeer aan de woning kan worden toegekend. 5 De eigenwoningreserve die ontstaat door de vervreemding van een eigen woning waartoe meer dan een belastingplichtige gerechtigd is, wordt aan elk van hen toegerekend naar de mate waarin zij gerechtigd zijn tot het vervreemdingssaldo eigen woning. 6 De eigenwoningreserve die is ontstaan voordat boedelmenging heeft plaatsgevonden door: wordt bij die boedelmenging bij helfte toegerekend aan elk van de partners. a. voltrekking van een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen; of b. wijziging van huwelijkse voorwaarden waardoor een gemeenschap als bedoeld in onderdeel a ontstaat; 7 artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel b In afwijking van het eerste lid, eerste zin, wordt een vervreemdingssaldo eigen woning bij vervreemding van een woning die geheel of gedeeltelijk op grond van, als eigen woning wordt aangemerkt niet toegevoegd aan de eigenwoningreserve voor zover dit vervreemdingssaldo betrekking heeft op het deel van de woning waarop het recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik, bedoeld in dat onderdeel, is gevestigd. 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 01-01-2022
Artikel 3.119b — Artikel 3.119b Beschikking eigenwoningreserve#
Artikel 3.119b Beschikking eigenwoningreserve 1 artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel b De eigenwoningreserve kan naar de stand van het einde van een kalenderjaar, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld. Indien er sprake is van een afname van de eigenwoningreserve als bedoeld in, wordt in de beschikking tevens melding gemaakt van het bedrag van die afname. 2 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de eigenwoningreserve te laag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3 Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond voor herziening op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 4 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.119c — Artikel 3.119c Aflossingseis#
Artikel 3.119c Aflossingseis 1 Aan de aflossingseis wordt voldaan indien een tot de eigenwoningschuld behorende schuld op het toetsmoment niet meer bedraagt dan het bedrag dat per schuld volgt uit de formule: waarbij wordt verstaan onder: x B: de maximale schuld op het toetsmoment; 0 B: het startbedrag van de schuld; m i: de maandelijkse rentevoet; x: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd; n: de maximale looptijd van 360 maanden. 2 Na een wijziging van de maandelijkse rentevoet wordt de formule in het eerste lid als volgt toegepast: a. 0 onder Bwordt verstaan: de omvang van de schuld op het moment direct voorafgaand aan de wijziging van de maandelijkse rentevoet; b. m onder iwordt verstaan: de nieuwe maandelijkse rentevoet; c. onder x wordt verstaan: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf het moment direct voorafgaand aan de wijziging van de maandelijkse rentevoet, en d. onder n wordt verstaan: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de schuld in gehele kalendermaanden op het moment direct voorafgaand aan de wijziging van de maandelijkse rentevoet. 3 artikel 3.119a, eerste lid Voor zover een of meerdere schulden die behoorden tot de eigenwoningschuld laatstelijk hebben bestaan en voor een bedrag overeenstemmend met of lager dan de laatste omvang van die schuld, onderscheidenlijk schulden, een of meer nieuwe schulden als bedoeld in, worden aangegaan, wordt de formule in het eerste lid per schuld als volgt toegepast: a. 0 onder Bwordt verstaan: de laatste omvang van de voorgaande schuld, dan wel indien het bedrag van de nieuwe schuld lager is, dit lagere bedrag; b. m onder iwordt verstaan: de maandelijkse rentevoet op het moment van aangaan van de nieuwe schuld; c. onder x wordt verstaan: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf het moment direct voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe schuld, en d. onder n wordt verstaan: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke maximale looptijd van 360 maanden van de voorgaande schuld in maanden op het laatste moment dat deze schuld bestond. 4 Het derde lid vindt geen toepassing voor zover de in dat lid bedoelde schuld of schulden die laatstelijk hebben bestaan: a. artikel 10bis.1, eerste lid behoorden tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, of b. in de jaren 2001 tot en met 2012 behoorden tot de eigenwoningschuld. 5 artikel 3.119a, eerste lid Indien bij de toepassing van het derde lid meerdere schulden laatstelijk hebben bestaan waarvan de resterende maximale looptijd verschilt en voor een bedrag lager dan de gezamenlijke omvang van die schulden een of meerdere nieuwe schulden als bedoeld in, worden aangegaan, wordt voor de toepassing van het derde lid van die meerdere schulden die laatstelijk hebben bestaan eerst de schuld met de kortste resterende maximale looptijd in aanmerking genomen. 6 artikel 3.119d Voor zover de nieuwe eigenwoningschuld, verminderd met de eigenwoningschuld waarop de aflossingsstand, bedoeld in, is toegepast, de laatste omvang van de voorgaande eigenwoningschuld, uiterlijk op het moment direct voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe schuld of schulden, overtreft, geldt voor de nieuwe schuld, onderscheidenlijk schulden, de formule van het eerste lid, waarbij onder n wordt verstaan: de maximale looptijd van 360 maanden. 7 Als toetsmoment als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt: a. 31 december van het kalenderjaar; b. het moment van vervreemding van de eigen woning; c. het moment van wijziging van de maandelijkse rentevoet, bedoeld in het tweede lid; d. het laatste moment waarop de voorgaande schuld bestond, bedoeld in het derde lid. 8 artikel 3.119a, eerste lid Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het aangaan van een nieuwe schuld als bedoeld in, mede verstaan het gaan kwalificeren van een bestaande schuld als eigenwoningschuld. 9 Voor zover krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden of krachtens erfrecht een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van een van de partners overgaat op de andere partner gaat ook het aflossingsschema over op die andere partner. 10 artikel 3.119a, achtste lid Indien een schuld op grond van, tot de eigenwoningschuld behoort, en de belastingplichtige, bedoeld in dat lid, de partner van de erflater was, blijft het aflossingsschema van de erflater voor deze schuld van toepassing. 11 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017
Artikel 3.119d — Artikel 3.119d Aflossingsstand#
Artikel 3.119d Aflossingsstand 1 Indien bij een vervreemding van de eigen woning de eigenwoningschuld van de belastingplichtige direct voorafgaand aan die vervreemding groter is dan de eigenwoningschuld van de belastingplichtige ter zake van een nieuw verworven eigen woning of indien na de vervreemding een eigenwoningschuld ontbreekt, blijven van dat meerdere van de eigenwoningschuld, onderscheidenlijk van de eigenwoningschuld direct voorafgaand aan die vervreemding, het bedrag en de stand van de resterende looptijd in maanden (de aflossingsstand) behouden. De aflossingsstand kan naar de stand van het einde van een kalenderjaar, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking (de beschikking aflossingsstand) worden vastgesteld. 2 artikel 3.119c, eerste lid Indien de belastingplichtige de eigenwoningschuld op enig moment verhoogt of indien na een periode zonder eigenwoningschuld opnieuw een eigenwoningschuld ontstaat, en er op dat moment een aflossingsstand bestaat, wordt de formule van, voor de verhoging van de eigenwoningschuld, onderscheidenlijk voor de genoemde opnieuw ontstane eigenwoningschuld, als volgt toegepast: a. 0 onder Bwordt verstaan: het bedrag van de aflossingsstand, dan wel indien het bedrag van de nieuwe schuld lager is, dit lagere bedrag, en b. onder n wordt verstaan: de resterende looptijd in maanden van de aflossingsstand. 3 De aflossingsstand en de beschikking aflossingsstand vervallen indien de aflossingsstand geheel is toegepast op een eigenwoningschuld. Indien er sprake is van een gedeeltelijke toepassing van het bedrag van de aflossingsstand, blijft de aflossingsstand behouden voor het resterende bedrag en, indien een beschikking aflossingsstand is vastgesteld, wordt in de beschikking tevens melding gemaakt van het bedrag van die gedeeltelijke toepassing. 4 Voor de toepassing van het derde lid wordt bij het gezamenlijk met de partner aangaan van een eigenwoningschuld een aflossingsstand mede geacht geheel of gedeeltelijk te zijn toegepast voor zover de aflossingsstand voor ten minste het schuldaandeel van de belastingplichtige in die schuld bij de belastingplichtige of zijn partner is toegepast. Onder toepassen van de aflossingsstand bij de partner wordt in dit kader verstaan het bij de partner voor het deel van de aflossingsstand dat bij hem in aanmerking wordt genomen op overeenkomstige wijze toepassen van het tweede lid. 5 Artikel 3.119b, tweede tot en met vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 01-01-2022
Artikel 3.119e — Artikel 3.119e Kortstondig afwijken van aflossingsschema en betalingsregelingen#
Artikel 3.119e Kortstondig afwijken van aflossingsschema en betalingsregelingen 1 artikel 3.119c, zevende lid, onderdeel a artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c Indien een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van de belastingplichtige in een kalenderjaar op het toetsmoment, bedoeld in, meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit, (de aflossingsachterstand) blijft die schuld behoren tot de eigenwoningschuld, indien die schuld op 31 december van het daaropvolgende kalenderjaar niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c, voor dat moment. De eerste volzin geldt niet indien de aflossingsachterstand vaker dan incidenteel voorkomt. 2 artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c Indien een tot de eigenwoningschuld behorende schuld op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit, voor dat moment, blijft die schuld behoren tot de eigenwoningschuld, indien: a. artikel 3.119c, eerste lid de belastingplichtige aannemelijk maakt dat dit het gevolg is van onvoldoende betalingscapaciteit en de belastingplichtige per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan contractueel een nieuw ten minste annuïtair aflosschema overeenkomt met de schuldeiser waarbij de schuld op de daaropvolgende toetsmomenten niet meer bedraagt dan de uitkomst van de formule van, waarbij wordt verstaan onder: 0 B: de hoogte van de schuld ter zake waarvan sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit, op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan; m i: de nieuwe maandelijkse rentevoet; x: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, en n: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de schuld in gehele kalendermaanden op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan; of b. artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aflossingsachterstand in het jaar volgend op het kalenderjaar waarin voor het eerst een aflossingsachterstand is ontstaan het gevolg is van een onbedoelde fout in de betaling of berekening van het aflossingsbedrag, en de eigenwoningschuld op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit, voor dat moment. 3 artikel 3.119c, eerste lid Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de betalingsproblemen zodanig zijn dat na vaststelling op de voet van het tweede lid, onderdeel a, van een nieuw ten minste annuïtair aflossingsschema per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, niet aan de nieuw vastgestelde aflossingseis kan worden voldaan, blijft die schuld behoren tot de eigenwoningschuld, mits de schuldeiser instemt met betalingsuitstel. De belastingplichtige komt vervolgens uiterlijk per 31 december van het vierde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, contractueel een nieuw ten minste annuïtair aflossingsschema overeen met de schuldeiser waarbij de schuld op de daaropvolgende toetsmomenten niet meer bedraagt dan de uitkomst van de formule van, waarbij wordt verstaan onder: 0 B: de hoogte van de schuld, waarbij de betalingsproblemen zich voordoen, op het moment direct voorafgaand aan het contractueel overeenkomen van het nieuwe ten minste annuïtaire aflossingsschema; m i: de nieuwe maandelijkse rentevoet; x: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf het moment direct voorafgaand aan het contractueel overeenkomen van het nieuwe ten minste annuïtaire aflossingsschema, en n: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de schuld in gehele kalendermaanden op het moment direct voorafgaand aan het contractueel overeenkomen van het nieuwe ten minste annuïtaire aflossingsschema. 4 Indien het tweede lid of het derde lid er niet toe leidt dat de schuld waarvoor een aflossingsachterstand is ontstaan toch tot de eigenwoningschuld blijft behoren, behoort die schuld per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, onderscheidenlijk per 1 januari van het vierde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin aflossingsachterstand is ontstaan, niet tot de eigenwoningschuld. 5 artikel 3.119c, zevende lid, onderdelen b tot en met d artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c Voor zover een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van de belastingplichtige op een toetsmoment als bedoeld in, meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit, behoort die schuld voor de toepassing van artikel 3.119a op het moment direct voorafgaand aan het toetsmoment niet meer tot de eigenwoningschuld. De eerste volzin is niet van toepassing indien het derde lid van toepassing is en de woning is vervreemd voor het verstrijken van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016 01-01-2013
Artikel 3.119f — Artikel 3.119f Verhuisregelingen#
Artikel 3.119f Verhuisregelingen 1 artikel 3.111, tweede of derde lid artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c Indien nog een andere woning van de belastingplichtige wordt aangemerkt als eigen woning door de toepassing van, gaat de aflossingseis, bedoeld in, met toepassing van de stand en looptijd van de aflossing ter zake van de tot de eigenwoningschuld behorende schuld op dat moment over van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van die andere eigen woning, voor zover de schuld ten behoeve van die andere eigen woning de schuld ten behoeve van de te vervreemden eigen woning niet overtreft. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij het gezamenlijk met de partner aangaan van een eigenwoningschuld de aflossingseis mede geacht te zijn overgegaan van de schuld ter zake van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van de andere woning voor zover de aflossingseis voor ten minste het schuldaandeel van de belastingplichtige in de laatstgenoemde schuld bij de belastingplichtige of zijn partner is overgegaan. Onder overgaan van de aflossingseis naar de partner wordt in dit kader verstaan het bij de partner voor het deel van de aflossingseis dat bij hem in aanmerking wordt genomen op overeenkomstige wijze toepassen van het eerste lid. 3 artikel 3.119a, eerste lid, onderdelen b en c artikel 3.111, tweede of derde lid Voor zover een schuld dient ter voorfinanciering van een toekomstig vervreemdingssaldo eigen woning zijn de voorwaarden van, gedurende de periode dat, van toepassing is niet van toepassing. 4 artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen a en c artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel a Indien ten aanzien van de belastingplichtige twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens één van die woningen wordt vervreemd, wordt direct daarna de eigenwoningschuld voor de andere woning opnieuw vastgesteld door toepassing vanvoor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verwerving, en derde lid, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning is aangemerkt. Vervolgens wordt, opnieuw toegepast. Daarna wordt artikel 3.119a, vierde lid, opnieuw toegepast bij de partner en wordt bij de belastingplichtige vervolgens artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel b, opnieuw toegepast. Daarna wordt artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen b en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verbetering, het onderhoud of de afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming van de woning, en derde lid, opnieuw toegepast, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan de verbetering, het onderhoud of de afkoop. Ten slotte wordt artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel c, opnieuw toegepast. 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 01-01-2024 01-01-2022
Artikel 3.119g — Artikel 3.119g Informatieplicht bij schulden bij anderen dan aangewezen administratieplichtigen#
Artikel 3.119g Informatieplicht bij schulden bij anderen dan aangewezen administratieplichtigen artikel 10.8 artikel 3.119a De belastingplichtige die een overeenkomst van geldlening aangaat anders dan met een op grond vanaangewezen administratieplichtige en die de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld wil rekenen tot de eigenwoningschuld, bedoeld in, is gehouden jaarlijks in de aangifte de bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens te verstrekken. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 3.120 — Artikel 3.120 Aftrekbare kosten eigen woning#
Artikel 3.120 Aftrekbare kosten eigen woning 1 De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van: a. de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld; b. de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld; c. de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming, met betrekking tot de eigen woning. 2 Tot de aftrekbare kosten van een eigen woning worden niet gerekend kosten voor zover in verband met de voldoening daarvan schulden ontstaan waarvan de verplichting tot betaling – anders dan voor het geval van overlijden of arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige – rechtens, al dan niet voorwaardelijk, of in feite, direct of indirect is beperkt. 3 De in een kalenderjaar bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden en kosten van geldleningen worden niet in aanmerking genomen: a. indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan doch slechts voor zover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt; b. voor zover zij betrekking hebben op tijdvakken of delen daarvan die vallen na het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht anders dan door overlijden eindigt. 4 Vooruitbetaalde renten en kosten van geldleningen die op grond van het derde lid, onderdeel a, niet in aanmerking zijn genomen, worden, behoudens indien de binnenlandse belastingplicht anders dan door overlijden is geëindigd, geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het derde lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten of kosten van geldleningen betrekking hebben, waarbij gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren worden aangemerkt. In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt, worden de renten of kosten van geldleningen die nog buiten aanmerking zijn gebleven, geheel in aanmerking genomen. 5 Afsluitprovisies die zijn voldaan ter zake van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld worden niet gerekend tot de bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden en kosten van geldleningen, mits de woning in het kalenderjaar of in de daaropvolgende twee jaren de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat, een en ander voor zover zij niet meer belopen dan 1,5% van het bedrag van de aangegane schulden en tevens gezamenlijk een bedrag van € 3630 niet te boven gaan. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 3.120a — Artikel 3.120a Aftrekbare kosten restschuld vervreemde eigen woning#
Artikel 3.120a Aftrekbare kosten restschuld vervreemde eigen woning 1 artikel 3.120 Als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld inworden voor een periode van vijftien jaar na het tijdstip van vervreemding van een eigen woning mede aangemerkt de renten en kosten van geldleningen voor een restschuld van die vervreemde eigen woning. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een restschuld van een vervreemde eigen woning verstaan de schuld die de belastingplichtige had op het moment direct voorafgaand aan een vervreemding in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 van een eigen woning, voor zover deze schuld heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning. 3 artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel b Indien de vervreemde eigen woning, bedoeld in het tweede lid, voor de belastingplichtige een eigen woning was als bedoeld in, wordt voor de toepassing van het tweede lid als een schuld die de belastingplichtige had mede aangemerkt een schuld waarvan de belastingplichtige op grond van het krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik gehouden was de kosten en lasten te dragen. 4 Een schuld die op grond van het derde lid als restschuld van de belastingplichtige wordt aangemerkt, wordt voor de toepassing van dit artikel niet als restschuld aangemerkt van degene op wiens schuld het recht van vruchtgebruik, het recht van bewoning of het recht van gebruik, bedoeld in het derde lid, betrekking had. 5 Voor zover de schuld, bedoeld in het tweede lid, wordt omgezet in een andere schuld, wordt de tweede schuld voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een voortzetting van de eerste. 6 Artikel 3.120, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017
Artikel 3.121 — Artikel 3.121 Aftrekbare kosten gedeelde eigen woning bij gezamenlijke bewoning#
Artikel 3.121 Aftrekbare kosten gedeelde eigen woning bij gezamenlijke bewoning De aftrekbare kosten met betrekking tot een woning die voor twee of meer belastingplichtigen die geen partner van elkaar zijn samen een eigen woning is, worden voor elk van hen bepaald door hun aandeel in de schulden die zij zijn aangegaan ter verwerving van de woning en door de periodieke betalingen voor zover die op hen drukken. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.122 — Artikel 3.122 Aftrekbare kosten na eerder gebruik vrijstelling kapitaalverzekering, spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 3.122 Aftrekbare kosten na eerder gebruik vrijstelling kapitaalverzekering, spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.123 — Artikel 3.123 Kosten voor verbetering of onderhoud eigen woning#
Artikel 3.123 Kosten voor verbetering of onderhoud eigen woning In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden kosten voor verbetering of onderhoud van de woning in aanmerking genomen voorzover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven. 2004 657 23-12-2004 16-12-2004 29678 2004 657 23-12-2004 16-12-2004 29678 01-03-2005 01-01-2004
Artikel 3.123a — Artikel 3.123a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld#
Artikel 3.123a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld 1 artikel 3.112 Indien de voordelen uit eigen woning, bedoeld in, meer bedragen dan de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten, komt de belastingplichtige in aanmerking voor de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. 2 artikel 3.112 De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is gelijk aan 71,867% van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning, bedoeld in, en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten. 3 Indien de belastingplichtige een partner heeft, worden voor de toepassing van dit artikel de voordelen van de belastingplichtige en zijn partner en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten samengevoegd. De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld wordt in dat geval gesteld op een evenredig gedeelte van de in het tweede lid berekende aftrek, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning die worden geacht bij de belastingplichtige op te komen, staan tot de gezamenlijke belastbare inkomsten uit eigen woning van hem en zijn partner. 4 artikel 3.120, vijfde lid Voor de toepassing van de vorige leden worden de in een kalenderjaar op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten naar evenredigheid toegerekend aan de tijdvakken waarop deze kosten betrekking hebben. De eerste volzin is niet van toepassing op afsluitprovisies die niet meer belopen dan het maximum, bedoeld in. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.124 — Artikel 3.124 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen#
Artikel 3.124 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen 1 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn de op de belastingplichtige drukkende: a. artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a artikelen 3.127 3.129 premies voor lijfrenten als bedoeld in, die dienen ter compensatie van een pensioentekort tot de in deengenoemde bedragen; b. artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a premies voor lijfrenten als bedoeld in, waarvan de termijnen toekomen aan een meerderjarig invalide kind of kleinkind en uitsluitend eindigen bij het overlijden van de gerechtigde; c. premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige en d. artikel 66a, derde lid, Algemene nabestaandenwet bijdragen ingevolge. 2 artikel 3.124 artikel 3.126a artikel 3.126a Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verwezen naar een lijfrente als bedoeld inwordt daaronder tevens verstaan een tegoed van een lijfrenterekening als bedoeld inof de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.125 — Artikel 3.125 Lijfrentevoorzieningen#
Artikel 3.125 Lijfrentevoorzieningen 1 artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a Als lijfrenten als bedoeld in, die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt: a. artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet lijfrenten als bedoeld in, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, waarvan de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, en waarvan de termijnen uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b. artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a partner lijfrenten als bedoeld in, waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijnof zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; c. artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet lijfrenten als bedoeld in, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en een looptijd hebben van ten minste vijf jaar en waarvan de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, bereikt en uiterlijk wordt uitgekeerd in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 27.192 per jaar. 2 artikel 1.7, eerste lid In afwijking van, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. 3 artikel 1.7, eerste lid In afwijking van, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 3.126 — Artikel 3.126 Toegelaten aanbieders#
Artikel 3.126 Toegelaten aanbieders 1 artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a Premies voor lijfrenten als bedoeld in, worden alleen in aanmerking genomen indien zij zijn verschuldigd aan: a. een van de volgende verzekeraars die de lijfrenteverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen: 1°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een verzekeraar als bedoeld in; 2°. een in Nederland wonend natuurlijk persoon die niet is de echtgenoot, of een in Nederland gevestigd lichaam, mits de lijfrenten zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming aan die persoon of dat lichaam, maar tot ten hoogste het bedrag van de met of bij die overdracht behaalde winst; b. artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een lichaam dat volgensis vrijgesteld van die belasting; c. pensioenregeling een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits de premies worden voldaan ter vrijwillige voortzetting van eenof terzake van een lijfrente die reeds voor het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht is verzekerd bij dat fonds of dat lichaam en dat fonds of lichaam voldoet aan door Onze Minister te stellen voorwaarden; d. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan bedoeld in de onderdelen a, b en c, dat door Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht: 1°. te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en 2°. artikelen 3.133 3.135 3.136 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van de,en, dan wel de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen. 2 Voor premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval is het eerste lid, onderdelen a, onder 1°, b, c en d, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze premies ook in aanmerking worden genomen indien zij zijn verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde aanwijzing. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 3.126a — Artikel 3.126a Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht#
Artikel 3.126a Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht 1 artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht Met premies voor lijfrenten als bedoeld in, die dienen ter compensatie van een pensioentekort als bedoeld in, worden gelijkgesteld de bedragen die door de belastingplichtige zijn overgemaakt naar een door hem bij een bank of beleggingsonderneming als omschreven in het tweede lid aangehouden geblokkeerde rekening waarop gelden worden aangehouden of die wordt aangehouden ter uitvoering van transacties in financiële instrumenten als bedoeld in(lijfrenterekening) of die door hem zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als omschreven in dat lid, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling (lijfrentebeleggingsrecht), waarbij: artikel 3.126 Met betrekking tot deze overgemaakte bedragen isniet van toepassing. a. de met de overgemaakte bedragen behaalde rendementen worden bijgeboekt op de lijfrenterekening, onderscheidenlijk worden aangewend ter verkrijging van lijfrentebeleggingsrechten, en b. artikel 3.125 het tegoed van de lijfrenterekening, onderscheidenlijk de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht, uitsluitend kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in, dan wel overeenkomstig de in het vierde tot en met zevende lid opgenomen voorwaarden uitsluitend kan worden uitgekeerd in termijnen. 2 Een bank, beleggingsonderneming of beheerder als bedoeld in het eerste lid is: a. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, mits deze onderneming de verplichting ingevolge de lijfrenterekening voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen; b. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van beleggingsonderneming mag uitoefenen, en die is gevestigd in Nederland; c. Wet op het financieel toezicht een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten mag uitoefenen, en die is gevestigd in Nederland; d. een onderneming of instelling die bevoegd als bank, als beleggingsonderneming of als beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten optreedt, anders dan bedoeld in onderdeel a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, die door Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en die zich tegenover Onze Minister heeft verplicht: 1°. te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en 2°. artikelen 3.133 3.136 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door de toepassing van deen, dan wel de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen. 3 De rekeninghouder van een lijfrenterekening en de houder van een lijfrentebeleggingsrecht worden hierna aangeduid als verzekeringnemer en ook overigens gelijkgesteld met verzekeringnemer. 4 artikel 3.125 Voor zover het tegoed van de lijfrenterekening, onderscheidenlijk de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht niet is aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in, dient het tegoed van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar te worden uitgekeerd. Voorts geldt daarbij: a. bij in leven zijn van de verzekeringnemer: 1°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in; 2°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, van de verzekeringnemer; 3°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd heeft bereikt die een jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 27.192, en ten minste 20 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn, indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag; 4°. dat, ingeval de uitkering van de eerste termijn plaatsvindt binnen zes maanden na het overlijden van de partner of gewezen partner van de verzekeringnemer, in afwijking van het onder 2° en 3° bepaalde, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt; b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan: 1°. dat de termijnen direct ingaan en worden uitgekeerd aan een natuurlijk persoon; 2°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop die bloed- of aanverwant de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn; 3°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die ouder is dan 30 jaar maar niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt; 4°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die jonger is dan 30 jaar, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn hetzij ten minste 5 jaar bedraagt doch nimmer meer dan het aantal jaren dat deze bloed- of aanverwant jonger is dan 30 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn, hetzij ten minste 20 jaar bedraagt; 5°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet dat, ingeval de termijnen toekomen aan een ander persoon dan bedoeld onder 2°, 3° en 4°, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren dat de leeftijd van de belastingplichtige op het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn hoger is dan de leeftijd die 15 jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in. 5 In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van een lijfrenterekening, onderscheidenlijk de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan, in één termijn worden uitgekeerd, mits de waarde in het economische verkeer van dat tegoed, onderscheidenlijk van dat recht, op het onmiddellijk aan het tijdstip van uitkering voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 5.513. Voor de toepassing van de eerste volzin worden lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, geacht tezamen één rekening onderscheidenlijk één beleggingsrecht te vormen. 6 Indien ingevolge het vierde lid, onderdeel a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen voor uitkering van de laatste termijn overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op een of meer van zijn erfgenamen of legatarissen. 7 Artikel 1.7, derde lid , is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de termijnen, bedoeld in het vierde lid en zesde lid. 8 Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen en van deen de daarop berustende bepalingen worden de termijnen, bedoeld in het vierde lid, vijfde lid en zesde lid, gelijkgesteld met periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 9 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het tweede lid, onderdeel d, bedoelde aanwijzing. 10 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 01-01-2023
Artikel 3.127 — Artikel 3.127 In aanmerking te nemen premies voor lijfrenten#
Artikel 3.127 In aanmerking te nemen premies voor lijfrenten 1 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd heeft bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, kan hij, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 30% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken. 2 Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van tien jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voor zover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste € 42.753. 3 De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van: van de belastingplichtige waarvan ten hoogste € 137.800 in aanmerking wordt genomen, verminderd met een bedrag van € 19.172. a. de winst uit onderneming vóór de ondernemersaftrek; b. het belastbare loon; c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden; d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; 4 artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 38s van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 5.17 artikel 5.16, vierde lid Voor de toepassing van het eerste lid wordt de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: het gezamenlijke bedrag van de in het voorafgaande kalenderjaar in pensioenregelingen van de belastingplichtige ingelegde premies voor ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum als bedoeld in, voor zover deze ingelegde premies het gevolg zijn van de toeneming van de diensttijd in dat kalenderjaar, exclusief de premie voor een compensatie als bedoeld in, vermeerderd met het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen als bedoeld inbetaalde of verrekende premies, gedeeld door de nettofactor, bedoeld in. 5 Indien de belastingplichtige in het kalenderjaar een onderneming – of een gedeelte daarvan – waaruit hij als ondernemer winst geniet staakt, wordt op zijn verzoek in afwijking van de voorgaande leden voor de berekening van hetgeen in het kalenderjaar aan lijfrentepremies in aanmerking kan worden genomen, niet uitgegaan van de voor die berekening relevante gegevens van het voorafgaande kalenderjaar, maar van die van het kalenderjaar zelf. Alsdan wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in het volgende kalenderjaar de premiegrondslag verminderd met de daarin begrepen stakingswinst. 6 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de in het vierde lid, bedoelde waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 01-07-2023
Artikel 3.128 — Artikel 3.128 Omzetting oudedagsreserve in lijfrente#
Artikel 3.128 Omzetting oudedagsreserve in lijfrente Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.129 — Artikel 3.129 Omzetting stakingswinst in lijfrente#
Artikel 3.129 Omzetting stakingswinst in lijfrente 1 ondernemer lijfrente artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a Eendie in het kalenderjaar een onderneming – of een gedeelte daarvan – waaruit hij als ondernemer winst geniet staakt kan, vanwege de omzetting van de stakingswinst in een, premies voor lijfrenten als bedoeld in, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste het bedrag van de winst behaald met of bij die staking, maar tot niet meer dan het in het tweede lid aangegeven maximum verminderd met het in het derde lid bedoelde bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen. 2 Het maximum bedraagt: a. € 574.867 in de gevallen waarin: 1°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet de ondernemer ten tijde van het staken een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste vijf jaar lager is dan de ten tijde van het staken geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in; 2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of 3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer; b. € 287.445 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: 1°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet de ondernemer ten tijde van het staken een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste vijftien jaar lager is dan de ten tijde van het staken geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, of 2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan; c. € 143.732 in de overige gevallen. 3 Het bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen is de som van: a. artikel 3.13, eerste lid, onderdelen b en c de waarde in het economische verkeer ten tijde van het staken van de in, bedoelde aanspraken; b. artikel 3.127, eerste en tweede lid de bedragen die op grond van, in de voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen; c. de bedragen die reeds eerder volgens het eerste lid in aanmerking zijn genomen. 4 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a Voor de toepassing van dit artikel wordt de belastingplichtige, bedoeld in, als ondernemer aangemerkt, indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer. 5 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, wordt de ondernemer beschouwd voor 45% of meer arbeidsongeschikt te zijn indien hij aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 3.130 — Artikel 3.130 Tijdstip aftrek premies voor lijfrenten#
Artikel 3.130 Tijdstip aftrek premies voor lijfrenten 1 lijfrenten Premies voorkomen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend, voorzover de verrekening niet leidt tot een schuldig gebleven bedrag. 2 artikelen 3.127, vijfde lid 3.129 Een belastingplichtige kan premies voor lijfrenten als bedoeld in de, endie binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend, naar bij de aangifte gemaakte keuze nog aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar. 3 Bij wijziging van binnenlandse belastingplicht in buitenlandse belastingplicht in het kalenderjaar kan de belastingplichtige premies voor lijfrenten naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in de periode van binnenlandse belastingplicht in het kalenderjaar, indien de premies zijn betaald of verrekend in de periode van de buitenlandse belastingplicht in het kalenderjaar of, indien het betreft premies voor lijfrenten als bedoeld in het tweede lid, binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.131 — Artikel 3.131 Aftrek premies voor lijfrenten na overlijden ondernemer#
Artikel 3.131 Aftrek premies voor lijfrenten na overlijden ondernemer 1 lijfrenten artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a artikel 3.125, eerste lid artikel 3.126a, eerste lid Een belastingplichtige kan als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking komende premies voor onmiddellijk ingaandeop zijn verzoek, in afwijking in zoverre van de,, en, niet bij hem zelf in aanmerking nemen, maar, als uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bij degene door het overlijden van wie een onderneming is gestaakt, waarbij deze wordt geacht de verzekeringnemer te zijn. Hierbij geldt als voorwaarde dat de premies zijn betaald of verrekend binnen zes maanden na het overlijden en in de overeenkomst waarbij de lijfrenten zijn bedongen, is opgenomen dat een verzoek zal worden gedaan om toepassing van deze bepaling. 2 artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2° In afwijking van, kunnen in situaties, bedoeld in het eerste lid, ook in aanmerking komen premies voor lijfrenten die zijn verschuldigd aan degene die de onderneming voortzet, onder voorwaarde dat deze in Nederland woont of is gevestigd en de lijfrenteverplichting tot zijn binnenlandse ondernemingsvermogen rekent. 3 artikel 3.129 Het eerste lid is niet van toepassing voorzover de premies meer bedragen dan op grond vanis toegestaan. 4 De bij de overledene in aanmerking te nemen premies worden in aanmerking genomen op het tijdstip van zijn overlijden. 5 Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de overledene. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 3.131a — Artikel 3.131a#
Artikel 3.131a Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2012/668. Vervallen 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 01-01-2013
Artikel 3.131b — Artikel 3.131b#
Artikel 3.131b Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2012/668. Vervallen 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 01-01-2013
Artikel 3.132 — Artikel 3.132 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen#
Artikel 3.132 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn teruggaven van uitgaven voor inkomensvoorzieningen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.133 — Artikel 3.133 Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij handelen in strijd met de voorwaarden#
Artikel 3.133 Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij handelen in strijd met de voorwaarden 1 lijfrente artikel 3.124, eerste lid, onderdelen b en c artikel 3.125 artikel 3.126a artikel 3.137 Voorzover zich met betrekking tot een aanspraak opof periodieke uitkeringen als bedoeld in,ofeen in het tweede lid genoemde omstandigheid voordoet, worden de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement () bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. 2 Het eerste lid vindt toepassing indien: a. artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c het een aanspraak als bedoeld in, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat onderdeel gestelde voorwaarden voldoet; b. artikel 3.125 het een aanspraak als bedoeld inbetreft en de aanspraak – beoordeeld vanuit de verzekeringnemer – zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet; c. artikel 3.125 artikelen 3.127 3.129 het een aanspraak als bedoeld inbetreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van deenin totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag; d. lijfrente Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak opof periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 5.513; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt., is van overeenkomstige toepassing; e. artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van; f. artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2° het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; g. artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2° artikel 3.126 de verzekeraar of de in, bedoelde belastingplichtige niet langer voldoet aan de ingestelde voorwaarden; h. artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b of onderdeel d de lijfrenteverplichting overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand jaar is overgegaan, op een ander pensioenfonds of lichaam dat bevoegd is het levensverzekeringsbedrijf te uitoefenen dan bedoeld in, ter verwerving van pensioenrechten in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland teneinde een pensioenbreuk als gevolg van deze aanvaarding te voorkomen; i. artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b of onderdeel d de lijfrenteverplichting, anders dan bedoeld onder h, geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in, of j. artikel 3.126, eerste lid, onderdeel c de aanspraak bij het einde van het kalenderjaar is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in; k. artikel 3.127, eerste of tweede lid een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van, nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling. 3 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Een aanspraak op lijfrente die nog niet tot uitkering van termijnen is gekomen omdat de omvang van die termijnen nog moet worden vastgesteld, wordt op de eerste dag direct volgend op de hierna aangeduide uiterste datum geacht te zijn afgekocht indien op die uiterste datum nog geen termijn is uitgekeerd. De uiterste datum bij leven is 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de leeftijd heeft bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in. De uiterste datum bij overlijden is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van het overlijden. De termijnen, bedoeld in de tweede en derde zin, kunnen door de inspecteur worden verlengd wanneer door bijzondere omstandigheden geen termijnen zijn uitgekeerd. 4 artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2° artikel 3.131, tweede lid Onder overgang van de lijfrenteverplichting wordt mede verstaan herverzekering indien de lijfrente is bedongen bij een verzekeraar als bedoeld in, of. 5 Het tweede lid, aanhef en onderdeel i, heeft mede betrekking op verplichtingen die betrekking hebben op aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval. 6 artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 Voorzover voor de belasting die betrekking heeft op de premies voor een aanspraak, en het daarover behaalde rendement, die volgens het eerste lid in samenhang met het tweede lid, onderdelen h en j, als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen, uitstel van betaling is verleend volgens, wordt het eerste lid voor het overige geacht geen toepassing te hebben gevonden op die premies en het behaalde rendement. 7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel k. 8 Met betrekking tot een inkomensvoorziening via een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht worden onder de in het tweede lid genoemde omstandigheden mede begrepen omstandigheden die overeenkomen met de in het tweede lid omschreven omstandigheden. 9 artikel 3.125 artikel 3.126a Bij een gehele of gedeeltelijke afkoop van een aanspraak op lijfrente als bedoeld inofvindt het eerste lid geen toepassing: Hetgeen wordt ontvangen ter zake van een afkoop als bedoeld in de eerste volzin, wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. a. indien de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak langdurig arbeidsongeschikt is en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter zake van deze arbeidsongeschiktheid; b. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet indien de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak op het moment van afkoop nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt; en c. artikel 3.127, derde lid voor zover het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan € 51.440, dan wel, indien dat hoger is, niet meer dan het gemiddelde van de premiegrondslag, bedoeld in, vermeerderd met het in dat lid als laatste vermelde bedrag, van het kalenderjaar en het voorafgaande kalenderjaar. 13 artikel 3.100, vierde lid artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2° artikel 3.125 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een niet of niet langer kwalificerende lijfrente als bedoeld in, die is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in, en waarvan de termijnen niet of niet langer overeenkomstig het derde lid enworden uitgekeerd. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 25-04-2025
Artikel 3.134 — Artikel 3.134 Handelingen die niet leiden tot een negatieve uitgave#
Artikel 3.134 Handelingen die niet leiden tot een negatieve uitgave 1 lijfrente artikelen 3.124 3.125 Voorzover eenals bedoeld in deenwordt omgezet in een ander zodanig recht, wordt het tweede recht beschouwd als een voortzetting van het eerste. 2 Artikel 3.133 artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b is niet van toepassing indien een belastingplichtige in het kader van de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed, ter voldoening of afkoop van een verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen als bedoeld in, of ter voldoening aan een verplichting tot verevening van pensioenrechten: a. een aanspraak op periodieke uitkeringen geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot; b. zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot aanwijst als onherroepelijk begunstigde van een dergelijke aanspraak of c. artikelen 3.124 3.125 een dergelijke aanspraak omzet in een aanspraak die voor zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot een aanspraak is als bedoeld in deen. 3 artikel 3.125, eerste lid In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan, in afwijking van, de aanspraak zodanig worden gewijzigd dat de uitkeringen onmiddellijk na het tijdstip van de wijziging ingaan en uiterlijk eindigen bij het overlijden van de gewezen echtgenoot. 4 In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de gewezen echtgenoot aangemerkt als verzekeringnemer van de aanspraak op periodieke uitkeringen. 5 artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b of c Onze Minister kan voor gevallen of groepen van gevallen waarin, gezien de strekking van dit artikel tot onbillijkheden leidt, onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat dit onderdeel a, b of c niet van toepassing is. 6 artikel 3.133, tweede lid, onderdeel i artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2° artikel 3.131, tweede lid Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat, niet van toepassing is indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar als bedoeld in, of. 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 01-01-2001 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 3.135 — Artikel 3.135 Specifieke uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij beroepspensioenen#
Artikel 3.135 Specifieke uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij beroepspensioenen 1 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b artikel 3.137 Als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen van de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde worden mede in aanmerking genomen de premies voor aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in, en het daarover behaalde rendement () voorzover: a. de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer is aan te merken als een aanspraak uit een zodanige pensioenregeling; b. de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze geheel of gedeeltelijk niet langer bestaat uit een recht op belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen; c. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd; d. artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van, of e. artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b de verplichting inzake de aanspraak geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere instelling dan de instelling waarbij de aanspraak op grond van de in, genoemde wettelijke regelingen is ondergebracht; f. artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel f de zekerheidstelling wordt beëindigd door de belastingplichtige die zich op grond van, heeft verplicht deze zekerheid te stellen. 2 artikelen 3.136 3.137 Voor de toepassing van dit artikel alsmede van deenwordt degene die verplicht is de premies voor de aanspraak te betalen, aangemerkt als de verzekeringnemer. 3 Voorzover een in het eerste lid bedoelde aanspraak wordt omgezet in een andere zodanige aanspraak, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste. 4 Het eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing indien de belastingplichtige in het kader van scheiding van tafel en bed of echtscheiding de aanspraak geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn binnenlands belastingplichtige echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot. Voor de toepassing van deze wet wordt de verkregen of omgezette aanspraak geacht de voortzetting te zijn van de eerste aanspraak. 5 Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing is. 6 artikel 66 67 68 van de Pensioenwet artikel 78 79 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van,ofof,of. 7 artikel 57, vijfde lid, van de Pensioenwet artikel 68, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 134, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 129, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Het eerste lid is niet van toepassing bij een vervreemding als bedoeld inofof bij een vermindering als bedoeld inof. 2012 669 27-12-2012 20-12-2012 33403 2012 669 27-12-2012 20-12-2012 33403 01-01-2015
Artikel 3.136 — Artikel 3.136 Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij emigratie#
Artikel 3.136 Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij emigratie 1 artikel 3.124, eerste lid, onderdelen a, b en c artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c Belastingregeling voor het Koninkrijk Bij de belastingplichtige die anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, worden indien hij verzekeringnemer, dan wel indien deze is overleden, gerechtigde is, de premies voor aanspraken als bedoeld in, die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek zijn gebracht en de premies voor aanspraken als bedoeld in, alsmede het over die premies behaalde rendement als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Bij de toepassing van de eerste volzin blijven premies voor aanspraken als bedoeld in, waarvan de uitkeringen zijn ingegaan buiten beschouwing. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn. 2 Indien het eerste lid als gevolg van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet kan worden toegepast, worden in afwijking in zoverre van dat lid slechts de aldaar bedoelde premies als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. De ingevolge de vorige volzin in aanmerking te nemen premies voor aanspraken waarvan de uitkeringen zijn ingegaan, worden in aanmerking genomen tot ten hoogste het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan de in het eerste lid bedoelde omstandigheid. 3 artikel 3.83, eerste lid artikel 3.81 Bij de belastingplichtige die anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn en, in het kader van een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander, een aanspraak ingevolge een pensioenregeling heeft verkregen, worden, indien, als gevolg van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet kan worden toegepast, voorts als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen de aanspraken en bijdragen ingevolge die pensioenregeling voor zover deze aanspraken en bijdragen ingevolgeniet tot het loon zijn gerekend. Het eerste lid, derde volzin, en het tweede lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 3.83, eerste lid artikel 3.83, eerste lid artikel 3.83, eerste lid Ingeval de belastingplichtige binnen tien jaar na toepassing van het eerste lid onderscheidenlijk, inwoner wordt van een staat als bedoeld in het tweede of derde lid, wordt het belastbare inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar waarin de toepassing van het eerste lid onderscheidenlijk, heeft plaatsgevonden verlaagd met het ingevolge de toepassing van het eerste lid onderscheidenlijk, in dat belastbare inkomen uit werk en woning begrepen bedrag en verhoogd met het bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen bij toepassing van het tweede onderscheidenlijk derde lid. 5 artikel 3.83, eerste lid Ingeval de belastingplichtige na toepassing van het tweede, derde of vierde lid anders dan door overlijden ophoudt inwoner te zijn van een staat als bedoeld in het tweede lid onderscheidenlijk derde lid en op dat moment niet binnenlands belastingplichtige wordt, is het eerste lid onderscheidenlijk, van overeenkomstige toepassing, mits niet meer dan tien jaar zijn verstreken sinds het tijdstip waarop de belastingplichtige is opgehouden binnenlands belastingplichtige te zijn. Het ingevolge de eerste volzin als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen onderscheidenlijk als loon in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met het bedrag dat met toepassing van het tweede of vierde lid onderscheidenlijk derde of vierde lid als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking is genomen. 6 artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 Voorzover voor de belasting die betrekking heeft op de premies voor een aanspraak, en het daarover behaalde rendement, die volgens het eerste of vijfde lid als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen uitstel van betaling is verleend volgens, worden het eerste en vijfde lid voor het overige geacht geen toepassing te hebben gevonden op die premies en het behaalde rendement. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de premies, bedoeld in het tweede lid, en de aanspraken en bijdragen, bedoeld in het derde lid. 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de bepaling van de omvang van de premies, bedoeld in het tweede lid, en de aanspraken en bijdragen, bedoeld in het derde lid. 8 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen toepassing van het eerste tot en met vijfde lid achterwege kan blijven. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 3.137 — Artikel 3.137 In aanmerking te nemen bedrag bij uitbreidingen van het begrip negatieve uitgaven#
Artikel 3.137 In aanmerking te nemen bedrag bij uitbreidingen van het begrip negatieve uitgaven 1 artikelen 3.133 3.135 3.136, eerste, vijfde en zesde lid Voor de toepassing van de,enwordt het bedrag aan in aanmerking te nemen premies en bedragen en het daarover behaalde rendement ter zake van een aanspraak of een gedeelte van een aanspraak gesteld op de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of dat gedeelte op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de in die artikelen bedoelde omstandigheid voordoet. Daarbij wordt de waarde in het economische verkeer van een aanspraak waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, tenminste gesteld op de premies en bedragen die voor de aanspraak of een gedeelte van de aanspraak zijn betaald doch niet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. De tweede volzin is niet van toepassing bij afkoop van aanspraken als bedoeld in artikel 3.133, eerste lid. 2 artikel 3.107a, tweede lid In aanvulling op het eerste lid wordt, ingeval een aanspraak wordt afgekocht, op de in het eerste lid, eerste volzin, genoemde waarde tot het in, aangegeven maximum in mindering gebracht de betaalde premies en bedragen ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen voor zover die in mindering te brengen premies en bedragen niet reeds: a. artikel 3.107a, eerste lid bij een termijn of uitkering ingevolge, in mindering zijn gebracht, of b. bij een eerdere afkoop ingevolge dit lid in mindering zijn gebracht. 3 artikelen 3.133 3.135 3.136, eerste, vijfde en zesde lid Voor de toepassing van het eerste lid en de,enblijft buiten beschouwing het behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 3.138 — Artikel 3.138 Verminderingen en voorkoming dubbeltellingen#
Artikel 3.138 Verminderingen en voorkoming dubbeltellingen 1 artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j artikel 3.136 Voorzover bij een binnenlandse belastingplichtige de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die op grond van, ofin aanmerking worden genomen, eveneens zijn begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorig kalenderjaar met de daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. De verlaging vindt plaats door vermindering van de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. 2 artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h en j artikel 3.136 In een kalenderjaar bedraagt het volgens, enin totaal in aanmerking te nemen bedrag aan negatieve uitgaven ter zake van een aanspraak niet meer dan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak, waarbij de negatieve uitgaven in de volgorde waarin deze opkomen zo veel mogelijk worden toegerekend aan een periode van binnenlandse belastingplicht. 3 Voorzover de belasting die betrekking heeft op in aanmerking genomen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen wordt voldaan, en die negatieve uitgaven eveneens zijn begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een ander kalenderjaar, wordt het belastbare inkomen uit werk en woning van dat andere kalenderjaar met die daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 Indien bij een belastingplichtige in een kalenderjaar negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen en hij voor de belasting die daarop betrekking heeft uitstel van betaling heeft volgens, wordt, indien de omstandigheid waarvoor deze negatieve uitgaven in aanmerking zijn genomen zich niet meer voordoet, op zijn verzoek het belastbare inkomen uit werk en woning van dat jaar verminderd met die daarin begrepen negatieve uitgaven. Deze bepaling is van toepassing in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en onder bij die regeling te stellen voorwaarden. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing. 2009 612 29-12-2009 23-12-2009 32133 2009 612 29-12-2009 23-12-2009 32133 01-01-2010 01-07-2009
Artikel 3.139 — Artikel 3.139 Negatieve persoonsgebonden aftrek#
Artikel 3.139 Negatieve persoonsgebonden aftrek Als negatieve persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige wordt in aanmerking genomen: a. afdeling 6.2 hetgeen door hem is ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van onderhoudsverplichtingen die op grond vanin aanmerking zijn genomen; b. afdeling 6.5 hetgeen door hem is ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten die op grond vanin aanmerking zijn genomen, ten hoogste tot het bedrag van de uitgaven die in aftrek zijn gekomen; c. afdeling 6.9 artikel 6.39a het bedrag dat door hem is ontvangen ten gevolge van de ontbinding of herroeping van een schenking die op grond vanin aanmerking is genomen, indien van toepassing vermeerderd met het bedrag, bedoeld in, voor zover dat bedrag of die bedragen in aftrek is onderscheidenlijk zijn gekomen. 2019 514 27-12-2019 18-12-2019 35306 2021 349 16-07-2021 12-07-2021 01-01-2022
Artikel 3.140 — Artikel 3.140 Uitgaven voor kinderopvang#
Artikel 3.140 Uitgaven voor kinderopvang Vervallen 2004 455 21-09-2004 09-07-2004 28447 2004 555 29-10-2004 25-10-2004 01-01-2005
Artikel 3.141 — Artikel 3.141 Voorwaarden#
Artikel 3.141 Voorwaarden Vervallen 2004 455 21-09-2004 09-07-2004 28447 2004 555 29-10-2004 25-10-2004 01-01-2005
Artikel 3.142 — Artikel 3.142 Arbeidsongeschiktheid of werkloosheid#
Artikel 3.142 Arbeidsongeschiktheid of werkloosheid Vervallen 2004 455 21-09-2004 09-07-2004 28447 2004 555 29-10-2004 25-10-2004 01-01-2005
Artikel 3.143 — Artikel 3.143 In aanmerking te nemen uitgaven#
Artikel 3.143 In aanmerking te nemen uitgaven Vervallen 2004 455 21-09-2004 09-07-2004 28447 2004 555 29-10-2004 25-10-2004 01-01-2005
Artikel 3.144 — Artikel 3.144 Waardering niet in geld genoten inkomen#
Artikel 3.144 Waardering niet in geld genoten inkomen loon eigen woning Niet in geld genoten, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, voordelen uiten voordelen uit kapitaalverzekering eigen woning worden – voorzover niet anders is bepaald – in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover de verwerving van dat inkomen het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. Deze kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.145 — Artikel 3.145 Privé-gebruik auto#
Artikel 3.145 Privé-gebruik auto Vervallen 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 2004 653 23-12-2004 16-12-2004 29767 01-01-2006
Artikel 3.146 — Artikel 3.146 Tijdstip genieten#
Artikel 3.146 Tijdstip genieten 1 lijfrenten Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, termijnen vanen andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening, uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening die naar aard en strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening, voordelen uit eigen woning, voordelen uit kapitaalverzekeringen eigen woning, voordelen uit spaarrekening eigen woning, voordelen uit beleggingsrecht eigen woning en negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden – voorzover niet anders is bepaald – geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn: a. ontvangen; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld; d. rentedragend geworden of e. vorderbaar en inbaar geworden. 2 artikel 13a, tweede, derde, vierde en zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor loon isvan overeenkomstige toepassing. 3 artikel 3.83, eerste lid pensioenregeling De in, bedoelde aanspraken uit eenworden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn. 4 artikelen 3.133 3.135 3.136, eerste, tweede en derde lid De in de,enbedoelde negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in die artikelen. 5 artikel 3.136, vierde lid De in, bedoelde negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop de belastingplichtige is opgehouden binnenlands belastingplichtige te zijn. 6 artikel 3.136, vijfde lid, eerste volzin artikel 3.136, vijfde lid, eerste volzin De in, bedoelde negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de ingevolge, als loon aan te merken aanspraken uit een pensioenregeling worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk volgt op dat waarop zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in die volzin. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 3.147 — Artikel 3.147 Tijdstip aftrek#
Artikel 3.147 Tijdstip aftrek Aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorzieningen komen – voorzover niet anders is bepaald – voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn: a. betaald; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld of d. rentedragend geworden. 2004 455 21-09-2004 09-07-2004 28447 2004 555 29-10-2004 25-10-2004 01-01-2005
Artikel 3.148 — Artikel 3.148 Verlies#
Artikel 3.148 Verlies 1 Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als verlies uit werk en woning. 2 Indien de berekening van de belastbare winst uit onderneming leidt tot een negatief bedrag, wordt dit tot ten hoogste het verlies uit werk en woning aangemerkt als ondernemingsverlies. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.149 — Artikel 3.149 Te conserveren inkomen buiten beschouwing#
Artikel 3.149 Te conserveren inkomen buiten beschouwing Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit werk en woning en verlies uit werk en woning bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.150 — Artikel 3.150 Verliesverrekening#
Artikel 3.150 Verliesverrekening 1 Het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en de negen volgende kalenderjaren. 2 artikel 7.2, vierde lid Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit werk en woning mede verstaan verlies uit werk en woning in Nederland zoals bedoeld in. 3 artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen ontheffing is verleend als bedoeld in, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vierde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar. 4 Het derde lid is van toepassing op ondernemingsverliezen die zijn toe te rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de belastingplichtige, plegen te verzekeren. 5 De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten. 6 artikel 7.8 Het verlies uit werk en woning voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit werk en woning van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inwas. 7 artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Het ondernemingsverlies dat met toepassing vangeacht wordt te zijn geleden door de aandeelhouder die de onderneming voortzet, wordt uitsluitend verrekend met de winst uit de voortgezette onderneming. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 3.151 — Artikel 3.151 Vaststelling verlies#
Artikel 3.151 Vaststelling verlies 1 De inspecteur stelt het bedrag van een verlies uit werk en woning vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 Ingeval het verlies geheel of gedeeltelijk bestaat uit een ondernemingsverlies, stelt de inspecteur bij de in het eerste lid bedoelde beschikking tevens het bedrag van het ondernemingsverlies vast. 3 Het bedrag van het verlies uit werk en woning en het bedrag van het ondernemingsverlies worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. 4 Indien er grond is voor het vermoeden dat een verlies uit werk en woning of een ondernemingsverlies te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. 5 Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond op voor herziening, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 6 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010 Artikel XXI, tweede lid, van Stb. 2009/610 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.152 — Artikel 3.152 Formalisering achterwaartse verliesverrekening#
Artikel 3.152 Formalisering achterwaartse verliesverrekening 1 Verrekening van verlies uit werk en woning met het inkomen uit werk en woning van een voorafgaand kalenderjaar vindt plaats door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag aan ondernemingsverlies wordt verrekend. 2 De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan. 3 artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien over een voorafgaand kalenderjaar geen aanslag is vastgesteld en met het inkomen uit werk en woning van dat jaar een verlies wordt verrekend, nodigt de inspecteur de belastingplichtige alsnog uit tot het doen van aangifte voor dat jaar. Voor de toepassing vanwordt de belastingplichtige in dat geval geacht uitstel voor het doen van aangifte te hebben verkregen vanaf het einde van het desbetreffende jaar tot het tijdstip van uitnodiging tot het doen van aangifte. 4 artikel 3.150 Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van. 5 Voorafgaand aan de vermoedelijke vaststelling van de in het eerste lid bedoelde beschikking kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking volgens bij ministeriële regeling te stellen regels een voorlopige verliesverrekening verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige verliesverrekening kan door één of meer voorlopige verliesverrekeningen worden aangevuld. 6 Voorlopige verliesverrekeningen worden verrekend bij de in het eerste lid bedoelde beschikking of, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige verliesverrekening heeft geleid, is aangegeven. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.153 — Artikel 3.153 Formalisering voorwaartse verliesverrekening#
Artikel 3.153 Formalisering voorwaartse verliesverrekening 1 Verrekening van een verlies uit werk en woning met het inkomen uit werk en woning van een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag aan ondernemingsverlies wordt verrekend. 2 De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarmee het verlies wordt verrekend. 3 Het bedrag van het verrekende verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 4 artikel 3.150 Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van, alsmede, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van het verrekende bedrag. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 3.154 — Artikel 3.154 Middeling#
Artikel 3.154 Middeling Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023
Artikel 3.155 — Artikel 3.155 Te conserveren inkomen buiten beschouwing#
Artikel 3.155 Te conserveren inkomen buiten beschouwing Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023
Artikel 3.156 — Artikel 3.156 Vragen van een beschikking#
Artikel 3.156 Vragen van een beschikking Vervallen 2016 45 11-02-2016 03-02-2016 34036 2016 166 28-04-2016 08-04-2016 01-05-2016 Artikel VIII van Stb. 2016/45 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.157 — Artikel 3.157 Zekerheid omtrent de aard van de arbeidsrelatie#
Artikel 3.157 Zekerheid omtrent de aard van de arbeidsrelatie Vervallen 2016 45 11-02-2016 03-02-2016 34036 2016 166 28-04-2016 08-04-2016 01-05-2016 Artikel VIII van Stb. 2016/45 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang#
Artikel 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang afdeling 4.10 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd met de te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang (). 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Beëindiging aanverwantschap door echtscheiding#
Artikel 4.2 Beëindiging aanverwantschap door echtscheiding Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen geldt een persoon niet als aanverwant indien het partnerschap waardoor de aanverwantschap is ontstaan, anders dan door overlijden is geëindigd. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 445 11-11-2022 07-11-2022 01-01-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet
verbetering uitvoerbaarheid toeslagen in werking treedt.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Genotsrechten#
Artikel 4.3 Genotsrechten Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen: a. wordt met een aandeelhouder gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als aandeel; b. wordt met de houder van winstbewijzen gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit winstbewijzen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als winstbewijs. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Koopopties gelijkgesteld met onderliggende waarde#
Artikel 4.4 Koopopties gelijkgesteld met onderliggende waarde artikelen 4.6 tot en met 4.8 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van de, wordt een recht om aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap te verwerven (koopoptie) aangemerkt als een dergelijk aandeel respectievelijk een dergelijk winstbewijs. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Participaties open fondsen voor gemene rekening#
Artikel 4.5 Participaties open fondsen voor gemene rekening 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden bewijzen van deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal en worden de fondsen gelijkgesteld met vennootschappen. 2 Voor de beoordeling van de vraag of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een fonds voor gemene rekening wordt zijn bezit aan bewijzen van deelgerechtigdheid in het fonds uitgedrukt als een percentage van de in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid, waarbij andere dan enkelvoudige bewijzen van deelgerechtigdheid worden herleid tot een daarmee overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 4.5a — Artikel 4.5a Coöperaties#
Artikel 4.5a Coöperaties 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt: a. een lidmaatschapsrecht, of een daarmee op één lijn te stellen bewijs van deelgerechtigdheid tot het vermogen, van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een winstbewijs; b. een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een vennootschap. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op rechten van lidmaatschap van coöperaties indien die rechten direct en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik belichamen van een gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 01-01-2001
Artikel 4.5b — Artikel 4.5b Niet-vergelijkbare rechtsvormen#
Artikel 4.5b Niet-vergelijkbare rechtsvormen Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt: a. artikel 2, eerste lid, onderdeel h artikel 3, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het stemrecht, kapitaalbelang of winstrecht in een lichaam als bedoeld in, ofgelijkgesteld met een aandeel; b. artikel 2, eerste lid, onderdeel h artikel 3, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een lichaam als bedoeld in, ofgelijkgesteld met een vennootschap. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Begrip aanmerkelijk belang#
Artikel 4.6 Begrip aanmerkelijk belang partner De belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn, direct of indirect: a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld; b. rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal; c. winstbewijzen heeft die betrekking hebben op ten minste 5% van de jaarwinst van een vennootschap dan wel op ten minste 5% van wat bij liquidatie wordt uitgekeerd; d. artikel 4.5a gerechtigd is om ten minste 5% van de stemmen uit te brengen in de algemene vergadering van een inbedoelde rechtspersoon; e. artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van die wet een aandeel heeft in een lichaam als bedoeld inen daardoor voor ten minste 5% deelt in de winst van dat lichaam vóór toepassing van; f. artikelen 2, eerste lid, onderdeel h 3, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aandeel heeft in een lichaam als bedoeld in de, ofen daardoor voor ten minste 5% deelt in de winst van dat lichaam, recht heeft op ten minste 5% van wat bij liquidatie wordt uitgekeerd of ten minste 5% van de stemrechten vertegenwoordigt. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Gelijkstelling; aandelen met bijzondere rechten#
Artikel 4.7 Gelijkstelling; aandelen met bijzondere rechten 1 partner Indien een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, heeft de belastingplichtige ook een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn, direct of indirect: a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen aandeelhouder is of b. rechten heeft om direct of indirect aandelen van een soort te verwerven tot ten minste 5% van het van die soort geplaatste kapitaal. 2 Aandelen in een vennootschap en de aandelen in die vennootschap die zich daarvan onderscheiden uitsluitend doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, of doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, worden beschouwd als behorende tot één soort. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aandelen niet worden aangemerkt als aandelen van een soort. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Omvang kapitaal#
Artikel 4.8 Omvang kapitaal Voor de vaststelling of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, wordt ingekocht nog in te trekken kapitaal niet in aanmerking genomen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 Meesleepregeling#
Artikel 4.9 Meesleepregeling Indien een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap, behoren daartoe ook zijn overige aandelen in of winstbewijzen van die vennootschap. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.10 — Artikel 4.10 Meetrekregeling#
Artikel 4.10 Meetrekregeling De tot het vermogen van de belastingplichtige behorende aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap waarin hij geen, maar zijn partner of een van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner wel een aanmerkelijk belang heeft, behoren voor de belastingplichtige tot een aanmerkelijk belang. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.11 — Artikel 4.11 Fictief aanmerkelijk belang#
Artikel 4.11 Fictief aanmerkelijk belang artikel 3.65 4.17 4.17a 4.17b 4.17c 4.40 4.41 Indien tot het vermogen van de belastingplichtige behorende aandelen of winstbewijzen niet op grond van de overige artikelen van deze afdeling tot een aanmerkelijk belang behoren, wordt een aanmerkelijk belang aanwezig geacht indien,,,,,ofis toegepast. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 4.12 — Artikel 4.12 Inkomen uit aanmerkelijk belang#
Artikel 4.12 Inkomen uit aanmerkelijk belang Inkomen uit aanmerkelijk belang is het gezamenlijke bedrag van: hoofdstuk 6 verminderd met de persoonsgebonden aftrek (). a. de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten en b. de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, of bij de vervreemding van een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen besloten liggende rechten (vervreemdingsvoordelen); 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.12a — Artikel 4.12a Bij een vererfd aanmerkelijk belang, binnen twee jaar afboeking reguliere voordelen op verkrijgingsprijs#
Artikel 4.12a Bij een vererfd aanmerkelijk belang, binnen twee jaar afboeking reguliere voordelen op verkrijgingsprijs artikel 4.12 artikel 2.8 Ingeval de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen of uit aandelen of winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap op verzoek, in afwijking van, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen van die soort in die vennootschap. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de erflater ingevolgeals te conserveren inkomen is aangemerkt en waarvoor ten tijde van het genieten van de reguliere voordelen nog uitstel van betaling loopt, buiten beschouwing. 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 01-01-2016
Artikel 4.13 — Artikel 4.13 Reguliere voordelen#
Artikel 4.13 Reguliere voordelen 1 artikel 4.12, onderdeel a Tot de reguliere voordelen bedoeld in, behoren mede: a. artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een forfaitair voordeel uit aandelen in of winstbewijzen van een lichaam dat ingevolgeis vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting alsmede een forfaitair voordeel uit aandelen in of winstbewijzen van een niet in Nederland gevestigde vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen grotendeels, direct of indirect, bestaan uit beleggingen; b. de teruggaaf van wat op aandelen is gestort, waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen en tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd; c. artikel 4.5, eerste lid de teruggaaf van wat op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening als bedoeld in, is gestort waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende bewijzen van deelgerechtigdheid; d. de teruggaaf van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de bedoelde winstbewijzen; e. artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de nominale waarde van aandelen die worden uitgereikt door een lichaam dat wordt aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in, voorzover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden; f. het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft (het fictief reguliere voordeel), waarbij onder schulden wordt verstaan: alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, wordt bijschrijving op aandelen met uitreiking van aandelen gelijkgesteld. 3 Behoudens de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, behoren tot de reguliere voordelen niet de aan aandeelhouders uitgereikte aandelen. 4 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel f, blijven schulden uit hoofde van een civielrechtelijke verbondenheid van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon voor een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband waaruit de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon winst uit onderneming geniet buiten beschouwing. 5 Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder een samenwerkingsverband verstaan: a. een vennootschap onder firma; b. een commanditaire vennootschap; c. een maatschap; d. een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam dat een met een vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap vergelijkbare rechtsvorm heeft. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2023 Vindt geen toepassing voor het jaar 2024.
Artikel 4.14 — Artikel 4.14 Forfaitair voordeel uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en uit buitenlandse beleggingslichamen#
Artikel 4.14 Forfaitair voordeel uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en uit buitenlandse beleggingslichamen 1 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a artikel 4.12, onderdeel a Het forfaitaire voordeel bedoeld in, wordt gesteld op 6% per jaar van de waarde in het economische verkeer die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend, verminderd met de overige op grond van, ter zake van die aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen reguliere voordelen, met dien verstande dat het forfaitaire voordeel ten minste op nihil wordt gesteld. 2 Het voordeel wordt naar tijdsgelang berekend. Indien de aandelen of winstbewijzen niet het gehele kalenderjaar tot het aanmerkelijk belang hebben behoord, worden bij de berekening van het voordeel gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd. 3 Indien de vennootschap na het begin van het kalenderjaar is opgericht, treedt voor de toepassing van het eerste lid de datum van oprichting in de plaats van het begin van het kalenderjaar. 4 Voorzover tot de directe of indirecte bezittingen van de vennootschap aandelen in, lidmaatschapsrechten van en belangen bij een ander lichaam behoren, worden niet de bezittingen van het andere lichaam maar die aandelen, lidmaatschapsrechten en belangen als bezittingen van de vennootschap in aanmerking genomen indien de feitelijke werkzaamheden van het andere lichaam aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden. 5 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a Voor de toepassing van, wordt onder een niet in Nederland gevestigde vennootschap mede verstaan een in Nederland gevestigde vennootschap die een buiten Nederland aanwezige vaste inrichting heeft waarvan, of een vaste vertegenwoordiger buiten Nederland heeft van wie de feitelijke werkzaamheden niet aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden. 6 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a Voor de toepassing van: a. worden onder bezittingen mede verstaan: goederen die niet aan een vennootschap toebehoren voorzover de waardeveranderingen die vennootschap aangaan of voorzover die vennootschap tot de opbrengsten van die goederen gerechtigd is; b. worden onder beleggingen mede verstaan: banktegoeden en andere schuldvorderingen, met uitzondering van vorderingen die voortvloeien uit feitelijke werkzaamheden van een vennootschap die aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden. 7 artikel 5.22 Voor de toepassing van het eerste lid worden bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang in de vennootschap de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde goederen gewaardeerd met inachtneming van de inbedoelde algemene maatregel van bestuur. 8 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a Het forfaitaire voordeel, bedoeld in, is niet van toepassing op een aanmerkelijk belang in: a. banken, hypotheekbanken en verzekeringsmaatschappijen die officieel zijn genoteerd op bij ministeriële regeling aan te wijzen effectenbeurzen; b. vennootschappen waarvan de feitelijke werkzaamheden aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden; c. vennootschappen die zijn onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. 9 Indien tot het vermogen van een in Nederland gevestigde vennootschap in enigszins belangrijke mate, direct of indirect, aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap als bedoeld in het eerste lid behoren, worden deze aandelen of winstbewijzen voor de toepassing van dit artikel geacht toe te behoren aan diegenen bij wie het belang bij de eerstgenoemde vennootschap berust. De aandelen en winstbewijzen worden toegerekend naar evenredigheid van ieders belang. Het in een kalenderjaar in aanmerking te nemen voordeel wordt verminderd met een evenredig gedeelte van het voordeel dat door de vennootschap of indirect door een andere zodanige vennootschap op de aandelen en winstbewijzen in een in het eerste lid bedoelde vennootschap in dat kalenderjaar als beleggingsopbrengst voor de heffing van de vennootschapsbelasting in aanmerking is genomen. 10 artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 3.29a Het vierde tot en met achtste lid van dit artikel zijn niet van toepassing voor de bepaling van het forfaitaire voordeel uit aandelen in of winstbewijzen van een lichaam als bedoeld in. Het negende lid is niet van toepassing met betrekking tot aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan bij een in Nederland gevestigde vennootschaptoepassing vindt, dan wel geen toepassing vindt omdat die vennootschap een lichaam is als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 4.14a — Artikel 4.14a Fictief regulier voordeel#
Artikel 4.14a Fictief regulier voordeel 1 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f Als het bovenmatige deel van schulden, bedoeld in, wordt in aanmerking genomen: a. als positief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, overschrijdt; b. als negatief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze lager is dan het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, doch ten hoogste het bedrag dat eerder ingevolge onderdeel a of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing is betrokken, voor zover ter zake van dat bedrag nog niet eerder een negatief bedrag als het bovenmatige deel van schulden in aanmerking is genomen. 2 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 500.000, vermeerderd met de bedragen die eerder op grond van, of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing zijn betrokken. 3 Schulden van de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner worden in een kalenderjaar eenmaal in aanmerking genomen bij de belastingplichtige en zijn partner tezamen. Het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, geldt voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk. 4 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag van de schulden bepaald aan het einde van het kalenderjaar op basis van de nominale waarde. 5 artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h Indien de belastingplichtige aan het einde van het jaar, anders dan door een vervreemding als bedoeld in, niet langer een aanmerkelijk belang heeft, wordt het eerste lid toegepast alsof de belastingplichtige op dat moment een aanmerkelijk belang heeft en het bedrag van de schulden nihil is. 6 artikel 3.119a Een eigenwoningschuld als bedoeld inblijft bij de toepassing van het eerste lid buiten aanmerking voor zover ter zake van die eigenwoningschuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap. 7 Indien een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking wordt genomen bij meerdere belastingplichtigen die participeren in dat samenwerkingsverband en het gezamenlijk in aanmerking te nemen bedrag van die schuld meer bedraagt dan de nominale waarde daarvan, wordt bij de belastingplichtige het meerdere voor hetzelfde deel als bij de andere belastingplichtige of belastingplichtigen in mindering gebracht op het bij de belastingplichtige in aanmerking te nemen bedrag van de schuld. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025 01-01-2023
Artikel 4.14b — Artikel 4.14b Flankerende bepalingen ter zake van het fictief reguliere voordeel#
Artikel 4.14b Flankerende bepalingen ter zake van het fictief reguliere voordeel 1 afdeling 4.3 artikel 4.14a, eerste lid Schulden die een met de belastingplichtige verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang als bedoeld inheeft, maar waarin de verbonden persoon geen aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, worden als schulden als bedoeld in, in aanmerking genomen bij de belastingplichtige voor zover de schulden van de verbonden persoon meer bedragen dan € 500.000 en voor die verbonden persoon geen schulden zijn als bedoeld in artikel 4.14a, zesde lid. Voor de toepassing van de eerste zin wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner. 2 Het bedrag van € 500.000, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de verbonden persoon en zijn partner gezamenlijk. 3 artikel 4.13, eerste lid Het eerste lid is niet van toepassing op schulden als bedoeld in het eerste lid voor zover die schulden ingevolge, onderdeel f, schulden van de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner zijn. 4 artikel 4.14a, eerste lid Voor zover schulden op grond van het eerste lid bij meerdere belastingplichtigen als schulden als bedoeld in, in aanmerking worden genomen, wordt het ingevolge het eerste lid als schulden in aanmerking te nemen bedrag in gelijke delen bij ieder van hen in aanmerking genomen. 5 artikel 4.12, onderdeel a artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f artikel 4.14a, eerste lid Voor zover ter zake van de hoofdsom van schulden een regulier voordeel als bedoeld in, niet zijnde een fictief regulier voordeel als bedoeld in, in aanmerking is genomen, worden die schulden niet in aanmerking genomen als schulden als bedoeld in. 6 artikel 4.14a, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het maximumbedrag, bedoeld in, ingeval de belastingplichtige niet gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 4.14c — Artikel 4.14c Maximumbedrag bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht#
Artikel 4.14c Maximumbedrag bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht 1 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f artikel 4.14a, tweede lid Artikel 4.14b Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en op dat tijdstip schulden heeft aan vennootschappen als bedoeld in, wordt het maximumbedrag, bedoeld in, gesteld op het bedrag van die schulden, doch ten minste op € 500.000.is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 4.14a, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de vaststelling van het maximumbedrag, bedoeld in, indien: a. de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen; b. de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlandse belastingplichtige is geweest. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 4.14d — Artikel 4.14d Aanpassing vervreemdingsvoordeel bij einde binnenlandse belastingplicht#
Artikel 4.14d Aanpassing vervreemdingsvoordeel bij einde binnenlandse belastingplicht artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h artikel 4.19, eerste lid artikel 4.14a, eerste lid, aanhef en onderdeel b artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f In geval van een vervreemding als bedoeld in, wordt het ingevolge artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h, in aanmerking te nemen vervreemdingsvoordeel, bedoeld in, vermeerderd met het negatieve bedrag dat ingevolge, als fictief regulier voordeel als bedoeld in, in aanmerking zou zijn genomen ingeval de belastingplichtige binnenlandse belastingplichtige zou zijn gebleven en aan het einde van het kalenderjaar het bedrag van de schulden nihil zou zijn. 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 01-01-2023
Artikel 4.15 — Artikel 4.15 Kosten van reguliere voordelen#
Artikel 4.15 Kosten van reguliere voordelen 1 Kosten van reguliere voordelen zijn de daarop drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die voordelen en in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk is. 2 artikel 5.4, eerste lid Bij de bepaling van de kosten van reguliere voordelen blijven renten en kosten van schulden die corresponderen met geldvorderingen als bedoeld in, buiten aanmerking. 3 Voorzover in verband met de voldoening van aftrekbare kosten schulden ontstaan waarvan de verplichting tot betaling – anders dan voor het geval van overlijden of arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige – rechtens, al dan niet voorwaardelijk, of in feite, direct of indirect, is beperkt, zijn deze kosten niet aftrekbaar. 4 Tot de kosten behoren niet: a. geheven dividendbelasting en kansspelbelasting; b. belasting die buiten Nederland in enige vorm naar het inkomen of bestanddelen van het inkomen wordt geheven indien voor de belastingplichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 2003 526 29-12-2003 18-12-2003 29210 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 4.16 — Artikel 4.16 Fictieve vervreemdingen#
Artikel 4.16 Fictieve vervreemdingen 1 Onder vervreemding van aandelen of winstbewijzen wordt mede verstaan: a. het inkopen van aandelen; b. het afkopen en inkopen van winstbewijzen; c. het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen; d. het van rechtswege worden van aandeelhouder of houder van winstbewijzen in een andere vennootschap indien vermogen van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap. De vorige zinsnede is van overeenkomstige toepassing op een belastingplichtige die een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap waarvan vermogen onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap en die van rechtswege houder wordt van rechten om aandelen in of winstbewijzen van de andere vennootschap te verwerven; e. de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel; f. het brengen in het vermogen van een onderneming of het tot het resultaat uit een werkzaamheid gaan behoren; g. het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang; h. Belastingregeling voor het Koninkrijk het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn; i. het verlenen van een koopoptie; j. artikel 2.14a, zevende lid het niet of niet langer toerekenen aan de belastingplichtige van tot een afgezonderd particulier vermogen behorende aandelen of winstbewijzen vanwege het van toepassing worden van; k. artikel 4.12, onderdeel a artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a het tot de reguliere voordelen, bedoeld in, uit de aandelen of winstbewijzen gaan behoren van een forfaitair voordeel als bedoeld in. 2 Indien een aandeel of winstbewijs wordt vervreemd, wordt degene die slechts is gerechtigd tot de voordelen daaruit geacht zijn gerechtigdheid ook te hebben vervreemd, tenzij die gerechtigdheid tot dat aandeel of winstbewijs in stand blijft. 3 artikel 4.11 Indien aandelen of winstbewijzen op grond vantot een aanmerkelijk belang behoren, worden deze aandelen of winstbewijzen geacht te zijn vervreemd indien de belastingplichtige daarom verzoekt. 4 Een tot een aanmerkelijk belang behorend genotsrecht wordt geacht te zijn vervreemd indien het genotsrecht eindigt. 5 artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Met het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gelijkgesteld het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, in het kader van de ontbinding van die vennootschap met toepassing van. 6 De vervreemding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel k, wordt geacht plaats te vinden op de eerste dag van de periode waarover het reguliere voordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, wordt berekend. 7 artikel 4.12, onderdeel b Het eerste lid, aanhef en onderdeel k, is niet van toepassing als toepassing ervan zou leiden tot een ingevolge, in aanmerking te nemen negatief vervreemdingsvoordeel. 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 01-01-2017 20-09-2016 Artikel XIV van Stb. 2016/544 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.17 — Artikel 4.17 Uitzondering bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden#
Artikel 4.17 Uitzondering bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden De overgang krachtens huwelijksvermogensrecht alsmede de verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden wordt niet als vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren. 2010 871 29-12-2010 23-12-2010 32401 2010 871 29-12-2010 23-12-2010 32401 01-01-2011 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 4.17a — Artikel 4.17a Uitzondering bij overgang krachtens erfrecht#
Artikel 4.17a Uitzondering bij overgang krachtens erfrecht 1 De overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt voor het in het tweede lid omschreven deel van de overdrachtsprijs, indien: a. artikel 3.2 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming als bedoeld indrijft of een medegerechtigdheid als bedoeld in, houdt; b. artikel 4.10 de aandelen of winstbewijzen bij de erflater niet tot een aanmerkelijk belang op grond vanbehoren; c. de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren, en d. in geval van een overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel, deze plaats vindt binnen twee jaren na het overlijden. 2 Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben. 3 Dit artikel is met betrekking tot preferente aandelen alleen van toepassing, indien: a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen; b. de omzetting tot preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander; c. ten tijde van de omzetting tot preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of een medegerechtigdheid als aldaar bedoeld hield; en d. de verkrijger van de preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b. 4 artikel 3.2 Het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot een medegerechtigdheid alleen van toepassing voor zover dit een medegerechtigdheid betreft die een rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in, en de vervreemde aandelen of winstbewijzen worden verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is van de onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft, dan wel enig aandeelhouder is van een vennootschap die reeds een zodanig beherend vennoot is. 5 Ingeval het lichaam waarin de erflater een aanmerkelijk belang heeft direct of indirect een belang heeft in een ander lichaam, worden voor de toepassing van dit artikel de bezittingen en schulden van dat andere lichaam, met inachtneming van de omvang van dat belang, toegerekend aan eerstbedoeld lichaam, mits: Ingeval het aandelenkapitaal van de vennootschap waarin de erflater indirect een belang hield uit meerdere soorten aandelen bestaat, geschiedt de toerekening met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van die aandelen. Dit lid vindt met betrekking tot indirect gehouden preferente aandelen alleen toepassing indien deze zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. a. de erflater in dat andere lichaam indirect een aanmerkelijk belang heeft, of b. de erflater in dat andere lichaam indirect een belang heeft van minder dan 5% doch ten minste 0,5% en: 1°. dat belang bij een van zijn rechtsvoorgangers krachtens erfrecht, huwelijksvermogensrecht of schenking een indirect aanmerkelijk belang heeft gevormd als bedoeld in onderdeel a; 2°. dat belang uitsluitend is verwaterd door vererving, overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of schenking, en 3°. direct voorafgaande aan de verwatering van dat belang tot beneden de 5% dat andere lichaam een onderneming dreef of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. 6 Voor de toepassing van dit artikel worden als ondernemingsvermogen aangemerkt: a. de bezittingen en schulden voor zover toerekenbaar aan de onderneming of medegerechtigdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vermeerderd met: b. het beleggingsvermogen tot ten hoogste vijf percent van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden, bedoeld in onderdeel a. 7 Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam. 8 Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, worden mede niet gerekend: a. onroerende zaken of gedeelten daarvan voor zover die meer dan bijkomstig rechtens dan wel in feite, direct of indirect, ter beschikking zijn gesteld aan een ander, of die daartoe bestemd zijn; b. schulden die rechtstreeks samenhangen met die onroerende zaken of gedeelten daarvan; c. bedrijfsmiddelen waarvan de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overgang, bedoeld in het eerste lid, minimaal € 103.000 per bedrijfsmiddel bedraagt, voor zover deze zijn bestemd om te gebruiken voor andere dan de bedrijfsdoeleinden van de onderneming of medegerechtigdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waaronder begrepen privédoeleinden van werknemers, mits dat bestemde gebruik meer dan bijkomstig is; en d. schulden die rechtstreeks samenhangen met die bedrijfsmiddelen. 9 afdeling 4.3 artikel 4.10 Voor de toepassing van het achtste lid, onderdeel a, wordt niet als een ander aangemerkt: een lichaam waarin de erflater ten tijde van het overlijden een direct aanmerkelijk belang als bedoeld in, met uitzondering van, heeft of een indirect belang als bedoeld in het vijfde lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b, aanhef en onder 1° tot en met 3°, heeft. 10 artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Het achtste lid, aanhef en onderdelen a en b, is niet van toepassing op een terbeschikkingstelling van los land op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in. 11 artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Onder onroerende zaken als bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, worden mede verstaan: appartementsrechten, rechten van opstal en erfpacht of vruchtgebruik van onroerende zaken, dan wel de economische eigendom, opgevat overeenkomstig, van onroerende zaken of genoemde rechten. 12 Voor de toepassing van het achtste lid, onderdeel c, wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. 13 Als ondernemingsvermogen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, wordt mede aangemerkt het in de tweede volzin omschreven deel van een vordering op de verkrijger van aandelen of winstbewijzen die krachtens erfrecht overgaan, of op een vennootschap waarin hij, direct of indirect een aanmerkelijk belang heeft, indien de vordering is ontstaan voor 1 januari 2010 uit hoofde van een overdracht van aandelen of winstbewijzen in een vennootschap, en die vennootschap ten tijde van de overdracht en ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel een onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, drijft. Het in de eerste volzin bedoelde deel van de vordering dat mede wordt aangemerkt als ondernemingsvermogen, wordt berekend volgens de formule: A = V x O/T, doch maximaal O waarin voorstelt, A: de waarde in het economische verkeer van het in aanmerking te nemen deel van de vordering ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel; V: de waarde in het economische verkeer van de vordering ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel; O: de waarde in het economische verkeer van het ondernemingsvermogen, bedoeld in het zesde lid, van de vennootschap waarop de vordering bestaat ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel; T: de waarde in het economische verkeer van alle bezittingen en schulden van de vennootschap waarop de vordering bestaat ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel. 14 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder preferente aandelen verstaan aandelen met voorrang ten aanzien van de winstverdeling of liquidatieopbrengsten. Indien een aandeel slechts voor een deel van het aan het aandeel verbonden vermogen die voorrang kent, wordt enkel dat deel van het aandeel aangemerkt als preferent aandeel. 15 artikel 4.39a Hetgeen binnen twee jaren na de ontbinding van een huwelijksgemeenschap door overlijden bij de verdeling van die gemeenschap meer aan tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen dan overeenkomt met de evenredige gerechtigdheid van de overledene in die aandelen wordt toebedeeld aan de nalatenschap, is een vervreemding van de langstlevende echtgenoot welke voor de toepassing van dit artikel engelijk wordt gesteld met een overgang krachtens erfrecht en waarbij de langstlevende echtgenoot als erflater wordt aangemerkt. 16 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2024 439 23-12-2024 18-12-2024 36610 2024 439 23-12-2024 18-12-2024 36610 01-01-2026
Artikel 4.17b — Artikel 4.17b Uitzondering bij verdeling nalatenschap binnen twee jaar#
Artikel 4.17b Uitzondering bij verdeling nalatenschap binnen twee jaar 1 De verdeling van een nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater, wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren. 2 artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c De in, opgenomen voorwaarde dat de verkrijger een binnenlands belastingplichtige moet zijn geldt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet indien de overgang krachtens erfrecht op de niet in Nederland wonende verkrijger binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen worden toegedeeld aan een binnenlandse belastingplichtige waarbij deze aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren. 3 artikel 4.17a, derde lid Indien ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wijziging komt in de gerechtigdheid tot preferente aandelen als bedoeld in, of een vordering als bedoeld in artikel 4.17a, dertiende lid, vindt artikel 4.17a op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2023 504 27-12-2023 20-12-2023 36421 2023 504 27-12-2023 20-12-2023 36421 01-01-2025
Artikel 4.17c — Artikel 4.17c Uitzondering bij overdracht krachtens schenking#
Artikel 4.17c Uitzondering bij overdracht krachtens schenking 1 artikel 4.22 De overdracht tijdens het leven waarbijtoepassing vindt, wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt voor het in het tweede lid omschreven deel van de overdrachtsprijs, indien: a. artikel 3.2 artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming als bedoeld indrijft, of een medegerechtigdheid als bedoeld in, houdt; b. artikel 4.10 de aandelen of winstbewijzen bij de vervreemder niet tot een aanmerkelijk belang op grond vanbehoren; c. de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren; en d. de verkrijger op het tijdstip van de vervreemding 21 jaar of ouder is. 2 Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, doch nooit meer dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie. 3 Artikel 4.17a, derde tot en met twaalfde en veertiende lid , is van overeenkomstige toepassing. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2024 439 23-12-2024 18-12-2024 36610 2024 439 23-12-2024 18-12-2024 36610 01-01-2026
Artikel 4.18 — Artikel 4.18 Passanten#
Artikel 4.18 Passanten Artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h Belastingregeling voor het Koninkrijk , is niet van toepassing bij een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap indien het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn, plaatsvindt binnen acht jaren nadat de belastingplichtige in Nederland is gaan wonen en de belastingplichtige gedurende de laatste vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan tien jaren in Nederland heeft gewoond. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 4.19 — Artikel 4.19 Vervreemdingsvoordelen#
Artikel 4.19 Vervreemdingsvoordelen 1 De vervreemdingsvoordelen worden gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. In geval van vervreemding van een gedeelte van de in aandelen of winstbewijzen besloten rechten wordt een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen. 2 artikel 4.17a artikel 4.17c Ingevaloftoepassing vindt, wordt in afwijking van het eerste lid, tweede volzin, als verkrijgingsprijs in aanmerking genomen de verkrijgingsprijs die in aanmerking zou zijn genomen ingeval niet was verzocht om toepassing van artikel 4.17a, onderscheidenlijk artikel 4.17c, met dien verstande dat ingeval alsdan de verkrijgingsprijs meer zou bedragen dan de overdrachtsprijs, als verkrijgingsprijs wordt genomen een bedrag gelijk aan de overdrachtsprijs. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 4.20 — Artikel 4.20 Overdrachtsprijs#
Artikel 4.20 Overdrachtsprijs Onder overdrachtsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de vervreemding, verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.21 — Artikel 4.21 Verkrijgingsprijs#
Artikel 4.21 Verkrijgingsprijs 1 Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten. 2 Indien een belastingplichtige aandelen of winstbewijzen van eenzelfde soort heeft met een verschillende verkrijgingsprijs, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen gesteld op de gemiddelde verkrijgingsprijs. 3 Indien bij een vervreemding een verkrijgingsprijs in aanmerking is genomen met toepassing van het tweede lid, wordt bij de berekening van de verkrijgingsprijs van de niet-vervreemde aandelen of winstbewijzen uitgegaan van de bij de vervreemding in aanmerking genomen verkrijgingsprijs. 4 artikel 3.65 Indien een inbreng heeft plaatsgevonden op de voet vankan de verkrijgingsprijs negatief zijn. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig nadere, regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van belastingaanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor situaties waarin zich een van de volgende situaties voordoet: a. de verkrijger van de aandelen huwt met een persoon die in Nederland woont; b. de verkrijger van de aandelen overlijdt en bij dat overlijden gaan krachtens erfrecht aandelen over op een in Nederland wonende natuurlijk persoon; c. de verkrijger van de aandelen schenkt aandelen aan een in Nederland wonende natuurlijk persoon; d. andere situaties waarin de aandelen krachtens een verdeling van een huwelijksgemeenschap of een verdeling van een nalatenschap weer terechtkomen bij een verkrijger die in Nederland woont. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017
Artikel 4.22 — Artikel 4.22 Correctie naar waarde in het economisch verkeer#
Artikel 4.22 Correctie naar waarde in het economisch verkeer 1 Indien bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de vervreemding, respectievelijk de verkrijging, in het economische verkeer aan de aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend. 2 Het eerste lid is ook van toepassing indien bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden, behoudens in geval van uitgifte van aandelen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.23 — Artikel 4.23 Verkrijgingsprijs bij ontstaan aanmerkelijk belang na verkrijging#
Artikel 4.23 Verkrijgingsprijs bij ontstaan aanmerkelijk belang na verkrijging Indien een aandeel of winstbewijs op een tijdstip na de verkrijging daarvan tot een aanmerkelijk belang gaat behoren, wordt de verkrijgingsprijs van dat aandeel of winstbewijs gesteld op de waarde in het economische verkeer die op dat tijdstip daaraan kan worden toegekend. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.24 — Artikel 4.24 Geen tussentijdse verliesneming#
Artikel 4.24 Geen tussentijdse verliesneming 1 Indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen vervreemdt maar zijn belang bij de activiteiten van de vennootschap direct of indirect geheel of nagenoeg geheel behoudt, wordt een negatief vervreemdingsvoordeel niet in aanmerking genomen. 2 Het negatieve vervreemdingsvoordeel dat op grond van het eerste lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt: a. indien de belastingplichtige aandelen in de vennootschap behoudt, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de overige aandelen in de vennootschap; b. indien de belastingplichtige geen aandelen in de vennootschap behoudt, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de aandelen in de vennootschap door middel waarvan hij het belang direct of indirect heeft behouden; c. artikel 4.16, vierde lid indien de verkrijgingsprijs niet op grond van de onderdelen a en b is toegevoegd aan andere aandelen en, is toegepast, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de winstbewijzen van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. 3 Het eerste en het tweede lid zijn, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,niet van toepassing indien het niet in aanmerking genomen negatieve vervreemdingsvoordeel niet gevoegd kan worden bij de verkrijgingsprijs van een aandeel. 4 partner Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen vervreemdt aan zijn echtgenoot ofof een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of een vennootschap waarin een van deze personen een aanmerkelijk belang heeft, en hij een aanmerkelijk belang behoudt in de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben. 5 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h artikel 4.16, derde lid artikel 7.5, zevende lid Dit artikel is niet van toepassing op vervreemdingen in de zin van,, en. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 4.24bis — Artikel 4.24bis Negatief vervreemdingsvoordeel in samenhang met een afgezonderd particulier vermogen#
Artikel 4.24bis Negatief vervreemdingsvoordeel in samenhang met een afgezonderd particulier vermogen 1 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel j Bij een vervreemding van aandelen of winstbewijzen als bedoeld in, wordt een negatief vervreemdingsvoordeel niet in aanmerking genomen tenzij deze vervreemding niet in overwegende mate heeft plaatsgevonden met het oog op het in aanmerking nemen van dit negatieve vervreemdingsvoordeel. De inspecteur stelt het bedrag van het niet in aanmerking genomen negatieve vervreemdingsvoordeel op verzoek van de belastingplichtige vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 artikel 2.14a, zevende lid Het negatieve vervreemdingsvoordeel dat bij de belastingplichtige op grond van het eerste lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt in aanmerking genomen zodra de aandelen of winstbewijzen ook zonder de toepassing van, niet langer direct of indirect aan hem zouden worden toegerekend, doch uiterlijk 10 jaar na de vervreemding. 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 01-01-2014
Artikel 4.24a — Artikel 4.24a geen negatief vervreemdingsvoordeel bij geruisloze terugkeer uit een BV#
Artikel 4.24a geen negatief vervreemdingsvoordeel bij geruisloze terugkeer uit een BV artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Het vervreemdingsvoordeel ter zake van een geruisloze terugkeer als bedoeld inwordt ten minste gesteld op nihil. 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 31-10-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 4.25 — Artikel 4.25 Verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht#
Artikel 4.25 Verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht 1 Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap heeft, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of die winstbewijzen gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen of die winstbewijzen kan worden toegekend. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen. 3 Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlands belastingplichtig is geweest. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid. 5 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h artikel 7.5, zevende lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het verminderen van de belastingaanslag bij de vaststelling waarvan, of, is toegepast, in geval van terugkeer van de belastingplichtige naar Nederland voordat die belastingaanslag volledig is voldaan. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van belastingaanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor situaties waarin de verkrijger van de aandelen in Nederland gaat wonen. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017
Artikel 4.26 — Artikel 4.26 Bonusaandelen en winstbewijzen#
Artikel 4.26 Bonusaandelen en winstbewijzen 1 In geval van uitreiking van aandelen, storting op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening of uitreiking van winstbewijzen aan aandeelhouders, wordt als tegenprestatie aangemerkt het bedrag dat ter zake van die uitreiking of storting als regulier voordeel wordt aangemerkt, verhoogd met een eventuele toebetaling door de belastingplichtige. 2 Bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld. 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 31-10-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 4.27 — Artikel 4.27 Voordelen uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en uit buitenlandse beleggingslichamen#
Artikel 4.27 Voordelen uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en uit buitenlandse beleggingslichamen 1 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a Indien een voordeel als bedoeld in, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van het desbetreffende aandeel of winstbewijs daarmee verhoogd. 2 artikel 4.14, negende lid artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a Indien op grond van, een voordeel als bedoeld in, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen van de in Nederland gevestigde vennootschap door middel waarvan de aandelen of winstbewijzen van de niet in Nederland gevestigde vennootschap worden gehouden, daarmee verhoogd. 3 artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel k artikel 4.12, onderdeel b Indien ter zake van een vervreemding als bedoeld in, een vervreemdingsvoordeel als bedoeld in, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van het desbetreffende aandeel of winstbewijs daarmee verhoogd. 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 01-01-2017 20-09-2016
Artikel 4.28 — Artikel 4.28 Overdrachtsprijs in termijnen#
Artikel 4.28 Overdrachtsprijs in termijnen 1 Indien een overdrachtsprijs uit een of meer termijnen bestaat waarvan het aantal of de omvang op het tijdstip van de vervreemding nog niet vaststaat, wordt een geschatte overdrachtsprijs in aanmerking genomen. 2 artikel 4.43 Het verschil tussen de in het eerste lid bedoelde geschatte overdrachtsprijs en wat daadwerkelijk wordt genoten – opgevat overeenkomstig– wordt in aanmerking genomen voorzover de daadwerkelijk genoten termijnen de geschatte overdrachtsprijs te boven gaan. 3 Indien het totaal van de daadwerkelijk genoten termijnen lager is dan de geschatte overdrachtsprijs, wordt het verschil in aanmerking genomen als negatief vervreemdingsvoordeel. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.29 — Artikel 4.29 Aanpassingen overdrachtsprijs#
Artikel 4.29 Aanpassingen overdrachtsprijs 1 Indien na het tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verhoogd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs aangemerkt als vervreemdingsvoordeel. 2 Indien na het tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verlaagd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.30 — Artikel 4.30 Verkrijgingsprijs koopopties bij uitoefening of expiratie#
Artikel 4.30 Verkrijgingsprijs koopopties bij uitoefening of expiratie 1 Indien een koopoptie wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs van de koopoptie gerekend tot de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen. 2 Indien een koopoptie op aandelen of winstbewijzen niet wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs van het optierecht gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de soort aandelen of winstbewijzen waarop het betrekking had, of bij afwezigheid van die soort, bij de verkrijgingsprijs van de aandelen, respectievelijk winstbewijzen die tot het aanmerkelijk belang behoren. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.31 — Artikel 4.31 Verleende koopopties#
Artikel 4.31 Verleende koopopties Het vervreemdingsvoordeel ter zake van het door de belastingplichtige verlenen van een koopoptie wordt gesteld op het bedrag van de vergoeding. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.32 — Artikel 4.32 Putopties#
Artikel 4.32 Putopties 1 Indien de belastingplichtige een recht verwerft om aandelen of winstbewijzen te vervreemden, wordt de vergoeding daarvoor aangemerkt als kosten ter zake van vervreemding die, indien de belastingplichtige het recht uitoefent, in mindering komen op de overdrachtsprijs. 2 Bij de belastingplichtige aan wie wordt vervreemd, komt de vergoeding in mindering op de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.33 — Artikel 4.33 Vermindering verkrijgingsprijs bij terugbetaling aandelenkapitaal#
Artikel 4.33 Vermindering verkrijgingsprijs bij terugbetaling aandelenkapitaal Ingeval van teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, wordt de verkrijgingsprijs verminderd met de teruggaaf voorzover deze niet als regulier voordeel in aanmerking is genomen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in geval van teruggaaf op winstbewijzen. 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 01-01-2001 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.33a — Artikel 4.33a Vaststelling verkrijgingsprijs bij omzetting afgewaardeerde vordering#
Artikel 4.33a Vaststelling verkrijgingsprijs bij omzetting afgewaardeerde vordering artikel 3.98a, tweede lid artikel 3.98a, eerste lid, eerste volzin artikel 3.98a, eerste lid, tweede volzin artikel 3.98a, vierde, zevende of achtste lid Indien zich met betrekking tot een schuldvordering een omstandigheid voordoet als bedoeld in, wordt de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen onderscheidenlijk de reeds in het bezit van de belastingplichtige zijnde aandelen in of winstbewijzen in de schuldenaar, verhoogd met het ingevolge, tot het resultaat uit een werkzaamheid gerekende voordeel dan wel, indien een opwaarderingsreserve als bedoeld in, is gevormd, met het sindsdien ingevolge, tot het resultaat uit een werkzaamheid gerekende voordeel. 2005 613 08-12-2005 01-12-2005 29686 2005 613 08-12-2005 01-12-2005 29686 09-12-2005
Artikel 4.34 — Artikel 4.34 Liquidatie-uitkeringen#
Artikel 4.34 Liquidatie-uitkeringen 1 In geval van een liquidatie-uitkering wordt als vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen hetgeen wordt uitgekeerd boven de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen of winstbewijzen. 2 Voorzover de liquidatie-uitkering niet als vervreemdingsvoordeel in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs verminderd. 3 Indien bij ontbinding van de vennootschap nadat de vereffening van het vermogen is voltooid, na toepassing van het tweede lid een bedrag aan verkrijgingsprijs resteert, wordt het restant aan verkrijgingsprijs aangemerkt als negatief vervreemdingsvoordeel. 4 Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op: a. artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van; b. artikel 4.16, vijfde lid het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in. 5 artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 3.148, tweede lid Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond vanwordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van, en verminderd met het laagste tarief, bedoeld in, geldend op het tijdstip van de voortzetting, vermenigvuldigd met het bedrag dat op grond vanwordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil. 2018 505 28-12-2018 19-12-2018 35028 2018 505 28-12-2018 19-12-2018 35028 01-01-2019
Artikel 4.35 — Artikel 4.35 Vestigingsplaats#
Artikel 4.35 Vestigingsplaats Voor de toepassing van deze afdeling wordt een lichaam waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht. 2003 527 29-12-2003 18-12-2003 29035 2003 527 29-12-2003 18-12-2003 29035 01-01-2004 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Bij Stb. 2003/527, artikel XXII, eerste lid, onderdeel a, is
bepaald dat onderhavige wijziging voor het eerst toepassing vindt
met ingang van 8 oktober 2004.
Artikel 4.36 — Artikel 4.36 Beschikking#
Artikel 4.36 Beschikking De verkrijgingsprijs van aandelen of winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren kan, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.37 — Artikel 4.37 Herziening beschikking#
Artikel 4.37 Herziening beschikking 1 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de verkrijgingsprijs te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behalve indien de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.is van overeenkomstige toepassing. 3 De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de datum van vaststelling van de beschikking, behoudens voorzover de verkrijgingsprijs was verschuldigd aan een natuurlijke persoon die niet in Nederland woont of een rechtspersoon die niet in Nederland is gevestigd, in welk geval de bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van twaalf jaren na de datum van vaststelling van de beschikking. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010 Artikel XXI, tweede lid, van Stb. 2009/610 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.38 — Artikel 4.38 Afrekening op verzoek#
Artikel 4.38 Afrekening op verzoek 1 artikel 4.17 Indien de gezamenlijke belanghebbenden daarvoor kiezen, wordtniet toegepast. 2 De keuze wordt gemaakt bij de aangifte of aangiften waarin het aldus ontstane vervreemdingsvoordeel is begrepen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.39 — Artikel 4.39 Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap#
Artikel 4.39 Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap 1 artikel 4.17 Indien bij de overgang krachtens huwelijksvermogenrecht door toepassing vangeen sprake is van een vervreemding, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wiens zijde de aandelen of winstbewijzen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. 2 artikel 4.17 Indien in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschapis toegepast en bij het ontstaan van deze huwelijksgemeenschap ter zake van de daartoe behorende aandelen of winstbewijzen dat artikel niet is toegepast, geldt als verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wie in het kader van de verdeling is verkregen. 3 artikel 4.3 De in het eerste en het tweede lid bedoelde verkrijgingsprijs wordt evenredig over de verkrijgers verdeeld voor zover in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap een gerechtigdheid als bedoeld inwordt gevestigd. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 4.39a — Artikel 4.39a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens erfrecht#
Artikel 4.39a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens erfrecht 1 artikel 4.17a artikel 4.19, tweede lid Indien in het kader van een overgang krachtens erfrechttoepassing vindt, geldt bij de erfgenamen als verkrijgingsprijs voor het deel van de overgang dat ingevolge artikel 4.17a niet als vervreemding wordt aangemerkt, de verkrijgingsprijs die gold voor de erflater, verminderd met het deel daarvan dat ingevolge, bij hem in aanmerking is genomen voor de bepaling van het vervreemdingsvoordeel. 2 artikel 4.3 De in het eerste lid bedoelde verkrijgingsprijs wordt evenredig over de verkrijgers verdeeld voor zover bij de overgang een gerechtigdheid als bedoeld inwordt gevestigd. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 4.39b — Artikel 4.39b Doorschuiving verkrijgingsprijs bij verdeling nalatenschap binnen twee jaar#
Artikel 4.39b Doorschuiving verkrijgingsprijs bij verdeling nalatenschap binnen twee jaar 1 artikel 4.17b, eerste lid Indien in het kader van de verdeling van een nalatenschap, is toegepast, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wie in het kader van de verdeling wordt verkregen. 2 artikel 4.17b, tweede lid artikel 4.17a artikel 4.19, tweede lid Indien, is toegepast, geldt bij de erfgenaam aan wie is toegescheiden als verkrijgingsprijs voor het deel van de overgang dat ingevolgeniet als vervreemding wordt aangemerkt, de verkrijgingsprijs die gold voor de erflater, verminderd met het deel daarvan dat ingevolge, bij hem in aanmerking is genomen voor de bepaling van het vervreemdingsvoordeel. 3 artikel 4.3 De in het eerste lid of tweede lid bedoelde verkrijgingsprijs wordt evenredig over de verkrijgers verdeeld voor zover bij de verdeling een gerechtigdheid als bedoeld inwordt gevestigd. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 4.39c — Artikel 4.39c Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overdracht krachtens schenking#
Artikel 4.39c Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overdracht krachtens schenking 1 artikel 4.17c, eerste lid artikel 4.19, tweede lid Indien, toepassing vindt, geldt als verkrijgingsprijs voor het deel van de overdracht dat ingevolge artikel 4.17c niet als vervreemding wordt aangemerkt, de verkrijgingsprijs die gold voor de vervreemder met betrekking tot overgedragen aandelen, verminderd met het deel daarvan dat ingevolge, bij hem in aanmerking is genomen voor de bepaling van het vervreemdingsvoordeel. 2 artikel 4.3 De in het eerste lid bedoelde verkrijgingsprijs wordt evenredig over de verkrijgers verdeeld voor zover bij de vervreemding een gerechtigdheid als bedoeld inwordt gevestigd. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 4.40 — Artikel 4.40 Doorschuiving op verzoek (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang)#
Artikel 4.40 Doorschuiving op verzoek (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang) artikel 4.16, eerste lid, onderdeel g Op verzoek van de belastingplichtige vindt, geen toepassing met betrekking tot aandelen of winstbewijzen die tot zijn vermogen blijven behoren. 2012 300 05-07-2012 18-06-2012 32426 2012 301 05-07-2012 29-06-2012 01-10-2012
Artikel 4.41 — Artikel 4.41 Doorschuiving op verzoek (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang)#
Artikel 4.41 Doorschuiving op verzoek (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang) 1 artikel 3.55 Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld inniet in aanmerking genomen. Artikel 3.55, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel d artikel 3.55, vijfde lid Artikel 3.56, vierde, zesde en zevende lid Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel, bedoeld in, niet in aanmerking genomen in het geval van een splitsing van een rechtspersoon mits de splitsende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin vanin een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd., is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel d artikel 3.55, vijfde lid Artikel 3.57, vierde, zesde en zevende lid artikel 4.16, eerste lid, onderdeel g Op verzoek van belastingplichtige wordt het voordeel, bedoeld in, niet in aanmerking genomen in het geval van een juridische fusie, mits de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin vanin een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd.is van overeenkomstige toepassing. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing op het voordeel, bedoeld in, indien sprake is van een overgang onder algemene titel van het vermogen van een verdwijnende vennootschap naar een verkrijgende vennootschap waarbij de belastingplichtige ten tijde van de fusie onmiddellijk alle aandelen in de verdwijnende en de verkrijgende vennootschap houdt en in het kader van de fusie geen aandelen worden toegekend. 4 De in de vorige leden bedoelde mogelijkheid het voordeel niet in aanmerking te nemen, geldt niet voor een in het kader van de aandelenfusie, splitsing of juridische fusie genoten bijbetaling. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 4.42 — Artikel 4.42 Doorschuiving verkrijgingsprijs#
Artikel 4.42 Doorschuiving verkrijgingsprijs 1 artikel 4.41 Indien door toepassing vanhet voordeel in het kader van een aandelenfusie buiten aanmerking blijft, wordt als verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen aangemerkt de verkrijgingsprijs van de in het kader van de aandelenfusie vervreemde aandelen of winstbewijzen. 2 artikel 4.41 Artikel 3.56, vijfde lid, onderdeel a Indien door toepassing vanhet voordeel in het kader van een splitsing buiten aanmerking blijft, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen in de splitsende rechtspersoon voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige direct na de splitsing heeft in de verkrijgende rechtspersonen., is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 4.41 Indien door toepassing vanhet voordeel in het kader van een juridische fusie buiten aanmerking blijft, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen in de verdwijnende rechtspersoon gerekend tot de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige direct na de fusie heeft in de verkrijgende rechtspersoon. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025
Artikel 4.42a — Artikel 4.42a Doorschuiving vervreemdingsvoordeel bij geruisloze terugkeer#
Artikel 4.42a Doorschuiving vervreemdingsvoordeel bij geruisloze terugkeer 1 artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Op verzoek van de belastingplichtige worden de voordelen in verband met de vervreemding in het kader van de ontbinding van een vennootschap met toepassing van, niet in aanmerking genomen. 2 Onze Minister kan aan de toepassing van het eerste lid voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden mogen slechts strekken tot verzekering van de heffing en invordering van inkomstenbelasting. 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 01-01-2001 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 4.43 — Artikel 4.43 Genietingstijdstip reguliere voordelen#
Artikel 4.43 Genietingstijdstip reguliere voordelen 1 Reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn: a. ontvangen; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld; d. rentedragend geworden of e. vorderbaar en inbaar geworden. 2 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a Reguliere voordelen als bedoeld in, worden geacht uiterlijk te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de binnenlandse belastingplicht indien deze in de loop van het kalenderjaar eindigt. 3 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f Een fictief regulier voordeel als bedoeld in, wordt geacht uiterlijk te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of, indien de belastingplichtige in de loop van het kalenderjaar is overleden, het moment onmiddellijk voorafgaand aan het moment van overlijden. 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 01-01-2023
Artikel 4.44 — Artikel 4.44 Betalingstijdstip aftrekbare kosten#
Artikel 4.44 Betalingstijdstip aftrekbare kosten De op reguliere voordelen in mindering te brengen aftrekbare kosten worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.45 — Artikel 4.45 Vooruitbetaalde rente#
Artikel 4.45 Vooruitbetaalde rente 1 In een kalenderjaar worden bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen (vooruitbetaalde rente), niet in aanmerking genomen indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan en voorzover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt. 2 Vooruitbetaalde rente die op grond van het eerste lid niet in aanmerking is genomen wordt geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten betrekking hebben. Hierbij worden gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren aangemerkt. 3 In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt wordt hetgeen ter zake van vooruitbetaalde rente in dat jaar door hem is of wordt geacht te zijn voldaan en de vooruitbetaalde rente die in daaropvolgende jaren wordt geacht te zijn voldaan, geheel in aanmerking genomen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.46 — Artikel 4.46 Genietingstijdstip vervreemdingsvoordelen#
Artikel 4.46 Genietingstijdstip vervreemdingsvoordelen 1 Vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding. 2 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h In geval van een vervreemding als bedoeld in, wordt als tijdstip van genieten aangemerkt het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht. 3 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel i Het voordeel bedoeld inwordt genoten op het tijdstip waarop de koopoptie is verleend. 4 artikel 4.28, tweede lid artikel 4.43 artikel 4.28, derde lid Het voordeel bedoeld in, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de daadwerkelijk genoten termijnen – opgevat overeenkomstig– de geschatte overdrachtsprijs overschrijden. Het negatieve voordeel bedoeld in, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de laatste termijn is genoten. 5 artikel 4.29, eerste lid artikel 4.29, tweede lid Het voordeel bedoeld in, wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip van de verhoging van de overdrachtsprijs. Het negatieve vervreemdingsvoordeel bedoeld in, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip van de verlaging van de overdrachtsprijs. 6 artikel 4.34 Het inbedoelde negatieve vervreemdingsvoordeel in geval van ontbinding van de vennootschap wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid. 7 artikel 4.16, derde lid De vervreemding als bedoeld in, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip dat is vermeld in het verzoek, maar niet eerder dan op het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen door de inspecteur. 8 artikel 4.16, vijfde lid Het voordeel, bedoeld in, wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop de onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, voor rekening en risico van de belastingplichtige wordt voortgezet. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 2000 567 27-12-2000 14-12-2000 27209 01-01-2001
Artikel 4.47 — Artikel 4.47 Verlies#
Artikel 4.47 Verlies Indien de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als verlies uit aanmerkelijk belang. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.48 — Artikel 4.48 Te conserveren inkomen buiten beschouwing#
Artikel 4.48 Te conserveren inkomen buiten beschouwing Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit aanmerkelijk belang en verlies uit aanmerkelijk belang bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.49 — Artikel 4.49 Verliesverrekening#
Artikel 4.49 Verliesverrekening 1 Het verlies uit aanmerkelijk belang wordt verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande kalenderjaar en de zes volgende kalenderjaren. 2 artikel 7.5, tweede lid Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit aanmerkelijk belang mede verstaan verlies uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap zoals bedoeld in. 3 De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten. 4 artikel 7.8 Het verlies uit aanmerkelijk belang voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit aanmerkelijk belang van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit aanmerkelijk belang van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inwas. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 4.50 — Artikel 4.50 Vaststelling verlies#
Artikel 4.50 Vaststelling verlies 1 De inspecteur stelt het bedrag van een verlies uit aanmerkelijk belang vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 De inspecteur geeft de bedoelde beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan. 3 Het bedrag van het verlies uit aanmerkelijk belang wordt afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. 4 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag van het verlies uit aanmerkelijk belang te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. 5 Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond voor herziening op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 6 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010 Artikel XXI, tweede lid, van Stb. 2009/610 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.51 — Artikel 4.51 Formalisering achterwaartse verliesverrekening#
Artikel 4.51 Formalisering achterwaartse verliesverrekening 1 Verrekening van verlies uit aanmerkelijk belang met inkomen uit aanmerkelijk belang van een voorafgaand kalenderjaar vindt plaats door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. 2 De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan. 3 artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien over een voorafgaand kalenderjaar geen aanslag is vastgesteld en met het inkomen uit aanmerkelijk belang van dat jaar een verlies wordt verrekend, nodigt de inspecteur de belastingplichtige alsnog uit tot het doen van aangifte voor dat jaar. Voor de toepassing vanwordt de belastingplichtige in dat geval geacht uitstel voor het doen van aangifte te hebben verkregen vanaf het einde van het desbetreffende jaar tot het tijdstip van uitnodiging tot het doen van aangifte. 4 Rechtsmiddelen tegen de in het eerste lid bedoelde beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel 4.49. 5 Voorafgaand aan de vermoedelijke vaststelling van de in het eerste lid bedoelde beschikking kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking volgens bij ministeriële regeling te stellen regels een voorlopige verliesverrekening verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige verliesverrekening kan door één of meer voorlopige verliesverrekeningen worden aangevuld. 6 Voorlopige verliesverrekeningen worden verrekend bij de in het eerste lid bedoelde beschikking of, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige verliesverrekening heeft geleid, is aangegeven. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.52 — Artikel 4.52 Formalisering voorwaartse verliesverrekening#
Artikel 4.52 Formalisering voorwaartse verliesverrekening 1 Verrekening van een verlies uit aanmerkelijk belang met het inkomen uit aanmerkelijk belang van een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. 2 De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarmee het verlies wordt verrekend. 3 Het bedrag van het verrekende verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld. 4 artikel 4.49 Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van, en, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van het verrekende bedrag. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 4.53 — Artikel 4.53 Omzetting verlies bij einde aanmerkelijk belang in een belastingkorting#
Artikel 4.53 Omzetting verlies bij einde aanmerkelijk belang in een belastingkorting 1 partner Indien de belastingplichtige en zijnin het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang hebben, wordt een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang op verzoek van de belastingplichtige omgezet in een belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang. Ingeval de belastingplichtige geen partner heeft en in het kalenderjaar is overleden, geldt in afwijking van de eerste volzin slechts als voorwaarde voor het indienen van een verzoek tot omzetting van een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting, dat de belastingplichtige ten tijde van het overlijden geen aanmerkelijk belang heeft. 2 artikel 2.12 De belastingkorting bedraagt het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel inopgenomen percentage van het nog niet verrekende verlies. 3 Artikel 4.50, vierde, vijfde en zesde lid De inspecteur stelt het bedrag van de belastingkorting vast bij voor bezwaar vatbare beschikking., is van overeenkomstige toepassing. 4 De belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang vermindert de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van het in het eerste lid, eerste volzin, eerstbedoelde kalenderjaar en de zeven daarop volgende jaren, maar uiterlijk van het negende jaar volgend op het jaar waarin het verlies is geleden. Indien het eerste lid, tweede volzin, toepassing vindt, vermindert de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar van overlijden. 5 artikel 7.8 De belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang voorzover deze is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt, aangemerkt als belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van het eindigen van het partnerschap binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inwas. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2024
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen#
Artikel 5.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen hoofdstuk 6 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek (). 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Voordeel uit sparen en beleggen#
Artikel 5.2 Voordeel uit sparen en beleggen 1 Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op het product van het effectieve rendementspercentage, bedoeld in het tweede lid, en de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. 2 Het effectieve rendementspercentage wordt gesteld op het rendement gedeeld door de rendementsgrondslag. Het rendement is de som van 1,37% van de waarde van de banktegoeden op de peildatum en 6% van de waarde van de overige bezittingen op de peildatum, verminderd met 2,70% van de waarde van de schulden op de peildatum. Indien het ingevolge de tweede zin berekende rendement negatief is, wordt het rendement op nihil gesteld. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder banktegoeden verstaan: a. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht deposito’s als bedoeld inen daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s; b. een recht van vruchtgebruik dat rust op een banktegoed als bedoeld in onderdeel a; c. contant geld; d. artikel 125, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek een lidmaatschapsrecht in een vereniging van eigenaars als bedoeld in; e. artikel 25 van de Wet op het notarisambt een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de notaris, bedoeld in; f. artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de gerechtsdeurwaarder, bedoeld in. 4 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder schulden mede verstaan een genotsrecht van een schuld waarvan de genotsgerechtigde de rente moet voldoen. 5 partner partner partner artikel 2.17 artikel 2.17 Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfdeheeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van het op grond vanaan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijnvoor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn. Bij de berekening van het effectieve rendementspercentage wordt hierbij uitgegaan van de gezamenlijke rendementsgrondslag en wordt bij de berekening van het rendement uitgegaan van de waarde van de banktegoeden, de waarde van de overige bezittingen en de waarde van de schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen. 6 Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, of indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar anders dan door overlijden eindigt, wordt eveneens uitgegaan van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd. 2026 3708 20-02-2026 12-02-2026 2026-0000036908 2026 3708 20-02-2026 12-02-2026 2026-0000036908 21-02-2026 01-01-2025
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Rendementsgrondslag#
Artikel 5.3 Rendementsgrondslag 1 De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. 2 Bezittingen zijn: Algemene wet inzake rijksbelastingen Invorderingswet 1990 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 Bezittingen die voortvloeien uit de, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit deof uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, worden niet in aanmerking genomen. In afwijking van de tweede volzin worden bezittingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking genomen alsmede de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in, of de invorderingsrente, bedoeld in. De derde volzin is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting, alsmede op de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit een renteregeling die is opgenomen in een wetgeving die overeenkomt met de Algemene wet inzake rijksbelastingen of de Invorderingswet 1990. a. onroerende zaken; b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben; c. roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen; d. rechten op roerende zaken; e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en f. overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer. 3 Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat: a. hoofdstuk 6 verplichtingen die kunnen leiden tot uitgaven die ingevolgegeheel of voor een deel worden aangemerkt als een persoonsgebonden aftrekpost, niet in aanmerking worden genomen; b. artikel 3.101, eerste lid, onderdelen b en c verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die ingevolge, geen aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn, niet in aanmerking worden genomen; c. Algemene wet inzake rijksbelastingen Algemene wet inzake rijksbelastingen Invorderingswet 1990 verplichtingen die voortvloeien uit de, uit een belastingwet waarop devan toepassing is, uit deof uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, niet in aanmerking worden genomen; d. hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 in afwijking van onderdeel c verplichtingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking worden genomen alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in, of de invorderingsrente, bedoeld in; e. hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 onderdeel d van overeenkomstige toepassing is op verplichtingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit een met de regeling voor de belastingrente, bedoeld in, of de regeling voor de invorderingsrente, bedoeld in, overeenkomende renteregeling; f. partner partner artikel 2.17 verplichtingen, niet zijnde verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en het vierde lid, alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 3.800. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfdeheeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin, onderdeel f, genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijngezamenlijk op € 7.600 gesteld. 4 Successiewet 1956 artikel 7 van de Natuurschoonwet 1928 In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel d, wordt niet in aanmerking genomen de verplichting die voortvloeit uit demet betrekking tot de toepassing vanvoor zover er geen sprake is van terstond invorderbare belasting als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht#
Artikel 5.4 Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht 1 Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige: a. die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder; b. die voortvloeien uit een door die echtgenoot schuldig gebleven vergoeding voor een legaat tegen inbreng van de waarde aan die echtgenoot op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder; c. die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van die ouder, of d. artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek artikel 81 van Boek 4 van dat wetboek artikelen 82 83 van Boek 4 van dat wetboek ter zake van een legitieme portie als bedoeld invan de belastingplichtige die niet opeisbaar zijn op grond vanof die niet opeisbaar zijn omdat de opeisbaarheid afhankelijk is van een voorwaarde of van omstandigheden als bedoeld in deof. 2 Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de in het eerste lid genoemde vorderingen. 3 Tot de bezittingen behoren niet goederen: a. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht; b. artikelen 19 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van dat wetboek waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van een wilsrecht als bedoeld in deofeen vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in; c. artikel 29 30 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond vanofeen vruchtgebruik is gevestigd. 4 Tot de schulden behoren niet schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop een vruchtgebruik als bedoeld in het derde lid rust of is gevestigd. 5 Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden als bedoeld in het vierde lid. 6 Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing ingeval: a. een natuurlijk persoon bij plaatsvervulling tot de nalatenschap van de in het eerste of derde lid bedoelde overleden ouder is geroepen; b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een goed waarop een vruchtgebruik rust als bedoeld in het derde lid is verkregen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van de in het eerste lid bedoelde overleden ouder of zijn als erfgenaam achtergelaten echtgenoot. 7 artikel 1a, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Successiewet 1956 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder echtgenoot mede begrepen de partner voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting, bedoeld in, en wordt onder ouder mede begrepen de echtgenoot van de ouder van de belastingplichtige. 8 Bezittingen die zijn verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarop een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen. 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 01-01-2021 01-01-2015
Artikel 5.4a — Artikel 5.4a Defiscaliseren bepaalde onderlinge vorderingen en schulden#
Artikel 5.4a Defiscaliseren bepaalde onderlinge vorderingen en schulden 1 artikel 5.3, derde lid Tot de bezittingen behoren niet vorderingen op de partner van de belastingplichtige die corresponderen met een schuld als bedoeld in, van de partner aan de belastingplichtige. 2 artikel 2.15, tweede lid artikel 5.3, derde lid Tot de bezittingen behoren niet vorderingen van een minderjarig kind op een ouder aan wie de rendementsgrondslag, bedoeld in, wordt toegerekend, die corresponderen met een schuld als bedoeld in, van die ouder aan dat minderjarige kind. 3 Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de vorderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 01-01-2023
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Heffingvrij vermogen#
Artikel 5.5 Heffingvrij vermogen Het heffingvrije vermogen bedraagt € 59.357. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 5.6 — Artikel 5.6 Ouderentoeslag#
Artikel 5.6 Ouderentoeslag Vervallen 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2016
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen#
Artikel 5.7 Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen 1 Tot de bezittingen behoren niet: a. bossen; b. natuurterreinen; c. Natuurschoonwet 1928 onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge deaangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 5.8 — Artikel 5.8 Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap#
Artikel 5.8 Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap 1 Tot de bezittingen behoren niet voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen. 2 Als voorwerpen van kunst en wetenschap worden mede aangemerkt voorwerpen van kunst en wetenschap die ter beschikking zijn gesteld aan derden voor culturele en wetenschappelijke doeleinden. 3 Voorwerpen van kunst en wetenschap die deel uitmaken van een verzameling worden niet door dit enkele feit aangemerkt als belegging. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 5.9 — Artikel 5.9 Vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht#
Artikel 5.9 Vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht Tot de bezittingen behoren niet de rechten op roerende zaken die krachtens erfrecht bij de belastingplichtige zijn opgekomen voorzover deze zaken door de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, tenzij deze rechten hoofdzakelijk als belegging dienen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 5.10 — Artikel 5.10 Vrijstelling bepaalde rechten#
Artikel 5.10 Vrijstelling bepaalde rechten Tot de bezittingen behoren niet: a. levensverzekering partner rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijnof een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits: 1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 8.904; dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan € 8.904: 2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 8.904; b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; c. artikel 4.28 rechten op termijnen van een inbedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang; d. partner partner artikel 2.17 geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 672 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfdeheeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijngezamenlijk op € 1.344 wordt gesteld; e. Tijdelijke wet Groningen ten aanzien van de: 1°. artikel 2, derde lid, van die wet aanspraken op vergoeding van schade door het treffen van maatregelen in natura als bedoeld in; 2°. artikel 2, tiende lid, van die wet aanspraken op tegemoetkomingen in natura als bedoeld in; 3°. artikelen 13ia, derde lid 13ib, derde lid 13j, eerste lid, onderdeel b, van die wet aanspraken op vergoeding als bedoeld in de,, envoor zover deze aanspraken niet zijn gericht op de uitbetaling van geld aan de eigenaar. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 5.11 — Artikel 5.11 Vrijstelling inzake spaarloonregeling#
Artikel 5.11 Vrijstelling inzake spaarloonregeling Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 01-01-2012 01-01-2011
Artikel 5.12 — Artikel 5.12 Vrijstelling kortlopende termijnen van inkomsten en verplichtingen#
Artikel 5.12 Vrijstelling kortlopende termijnen van inkomsten en verplichtingen Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en verplichtingen die betrekking hebben op een tijdvak van een jaar of korter en waarvan het achterliggende vermogensbestanddeel eveneens in het bezit is van de belastingplichtige. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 5.13 — Artikel 5.13 Vrijstelling groene beleggingen#
Artikel 5.13 Vrijstelling groene beleggingen 1 partner artikel 2.17 Tot de bezittingen behoren niet groene beleggingen voor een bedrag van in totaal € 26.715. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfdeheeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 53.430 gesteld. 2 Indien een belastingplichtige zowel groene beleggingen in de vorm van een of meer banktegoeden als groene beleggingen in de vorm van overige bezittingen heeft, wordt het eerste lid toegepast op die overige bezittingen en uitsluitend voor de resterende ruimte op die banktegoeden. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 5.14 — Artikel 5.14 Vrijstelling groene beleggingen#
Artikel 5.14 Vrijstelling groene beleggingen 1 Groene beleggingen zijn aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan aangewezen groene fondsen. Aanwijzing geschiedt op verzoek van het fonds bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing. 2 Als groene fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen: a. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht banken als bedoeld in, of onderdelen van banken, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; b. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht beleggingsinstellingen als bedoeld in, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. 3 Projecten als bedoeld in het tweede lid zijn: a. in Nederland gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos; b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. 4 Aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is ook reeds mogelijk in een aanloopperiode van drie maanden waarin een instelling nog niet voldoet aan de in het tweede lid opgenomen voorwaarde dat het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. 5 Op verzoek van een instelling wordt de in het vierde lid bedoelde aanloopperiode van drie maanden vervangen door een ingroeiperiode van maximaal twee jaar, indien de instelling voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. 6 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid isniet van toepassing. 7 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het administratieve onderscheid tussen het onderdeel van de bank dat het groenfonds is en de overige onderdelen van de bank en met betrekking tot het indirect verstrekken van kredieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. 8 Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring bedoeld in het derde lid. Het ontwerp van een ministeriële regeling bedoeld in het derde lid of in de vorige volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 5.15 — Artikel 5.15 Vrijstelling sociaal-ethische beleggingen#
Artikel 5.15 Vrijstelling sociaal-ethische beleggingen Vervallen 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 01-01-2013
Artikel 5.16 — Artikel 5.16 Vrijstelling nettolijfrenten#
Artikel 5.16 Vrijstelling nettolijfrenten 1 Tot de bezittingen behoren niet nettolijfrenten. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een nettolijfrente verstaan: artikel 5.16a indien de ter zake daarvan verschuldigde premie voldoet aan de in het derde lid genoemde voorwaarden, het opbouwen van de nettolijfrente voor de belastingplichtige vrijwillig is en in de overeenkomst met de aanbieder, bedoeld in, is opgenomen dat het een nettolijfrente betreft. a. artikel 3.125 een lijfrente als bedoeld in, met dien verstande dat het bedrag, genoemd in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in het vierde lid; b. artikel 3.126a een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in, met dien verstande dat het bedrag, genoemd artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3°, wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in het vierde lid; 3 Een lijfrente, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in het tweede lid wordt uitsluitend als nettolijfrente aangemerkt, indien de ter zake daarvan verschuldigde premie: a. op de belastingplichtige heeft gedrukt; b. niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking is genomen als uitgave voor inkomensvoorzieningen; c. blijft binnen de in deze afdeling gestelde begrenzingen; d. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet niet geheel of gedeeltelijk is voldaan na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt. 4 artikel 2.10, eerste lid De nettofactor bedraagt (100% – T), waarbij T gelijk is aan het in de laatste kolom van de in, opgenomen tabel als derde vermelde percentage. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2022 387 11-10-2022 28-09-2022 36004 2022 467 24-11-2022 21-11-2022 01-01-2023 2022 497 09-12-2022 07-12-2022
Artikel 5.16a — Artikel 5.16a Toegelaten aanbieders#
Artikel 5.16a Toegelaten aanbieders 1 Als aanbieder van een nettolijfrente kan optreden: a. artikel 3.126, eerste lid, onderdelen a, onder 1°, b, c en d een verzekeraar als bedoeld in; b. artikel 3.126a, tweede lid een bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in. 2 afdeling 3.7 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b hoofdstukken IIB VIII van de Wet op de loonbelasting 1964 Een aanbieder als bedoeld in het eerste lid die naast een nettolijfrente tevens een lijfrente als bedoeld inuitvoert of tevens optreedt als verzekeraar van een pensioenregeling in de zin van deenof, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter voorkoming van vermenging met vermogen ten behoeve van een nettolijfrente. 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-04-2017 01-01-2017 2017 116 27-03-2017 08-03-2017 34662
Artikel 5.16b — Artikel 5.16b Begrenzing nettolijfrente#
Artikel 5.16b Begrenzing nettolijfrente 1 artikel 3.127, eerste lid artikel 5.16, vierde lid De jaarlijkse premie ter zake van alle nettolijfrenten van de belastingplichtige gezamenlijk bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in, van het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, onderdelen a tot en met d, voor zover dit bedrag het in artikel 3.127, derde lid, als eerste vermelde bedrag overtreft. 2 artikel 5.17, eerste lid De ten hoogste in aanmerking te nemen premie, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd met de premie die in het voorafgaande kalenderjaar is ingelegd ten behoeve van een nettopensioenregeling als bedoeld in. 3 artikel 3.127, tweede lid artikel 5.16, vierde lid Artikel 3.127, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrag, genoemd in, wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. 4 Artikel 3.127, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024 01-01-2023
Artikel 5.16c — Artikel 5.16c Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten#
Artikel 5.16c Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten 1 Ingeval op enig tijdstip: artikel 5.16, eerste lid vervalt op dat tijdstip, voor zover de onderdelen a, b, c of d van toepassing zijn, voor de aanspraak de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in. a. een aanspraak op een nettolijfrente niet langer als zodanig is aan te merken; b. een aanspraak op een nettolijfrente geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt; c. artikel 5.16a de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettolijfrente overgaan op een andere aanbieder dan bedoeld in; d. Wet op de loonbelasting 1964 de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in de zin van deheeft ontvangen ten behoeve van de nettolijfrente, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage heeft verstrekt; 2 Artikel 3.133, derde lid , is van overeenkomstige toepassing op nettolijfrenten. 3 Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. 4 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5.16 artikel 5.5 Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het derde lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolgegenoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het derde lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in. 5 artikel 3.133, negende lid, onderdelen a en b artikel 3.127, derde lid, onderdelen a, b, c en d artikel 5.16, vierde lid Het eerste lid is niet van toepassing op een afkoop van een nettolijfrente ingeval voldaan wordt aan de voorwaarden van, en het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan een bedrag gelijk aan het gemiddelde van het gezamenlijke bedrag van de inkomensbestanddelen, bedoeld in, van het voorafgaande kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar voor zover dat gezamenlijke bedrag het in het betreffende jaar in artikel 3.127, derde lid, eerstvermelde bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. 6 artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d Het eerste lid is mede niet van toepassing op een afkoop van een aanspraak op een nettolijfrente waarvan nog geen termijnen zijn vervallen ingeval de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in. 7 Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande jaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van het derde en vierde lid. 8 Voor zover een aanspraak op een nettolijfrente wordt omgezet in een andere zodanige aanspraak, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste. 9 Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van een aanspraak op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlandse belastingplichtige te zijn. 10 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2024 440 23-12-2024 18-12-2024 36605 2024 440 23-12-2024 18-12-2024 36605 01-01-2025
Artikel 5.17 — Artikel 5.17 Vrijstelling nettopensioen#
Artikel 5.17 Vrijstelling nettopensioen 1 Tot de bezittingen behoren niet aanspraken ingevolge een nettopensioenregeling. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een nettopensioenregeling verstaan een regeling: a. artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 1.7, tweede lid, onderdelen b en c die ten doel heeft het treffen van een voorziening als bedoeld in, dan wel een daarmee naar aard en strekking overeenkomende voorziening ingevolge een regeling als bedoeld in; b. artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 die voldoet aan de ingestelde voorwaarden; c. artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van de Wet op de loonbelasting 1964 waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in; d. die blijft binnen de in of krachtens deze afdeling vastgestelde begrenzingen. 3 Een nettopensioenregeling kan voorzien in: a. artikel 5.17a netto-ouderdomspensioen of nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum bij overlijden op of na pensioendatum (); b. artikel 5.17b nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum (); c. artikel 5.17c nettowezenpensioen (). 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.17a — Artikel 5.17a Netto-ouderdomspensioen en nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum#
Artikel 5.17a Netto-ouderdomspensioen en nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum 1 artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 5.16, vierde lid Een netto-ouderdomspensioen en een nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum worden opgebouwd over ten hoogste het bedrag dat ingevolgeniet tot het pensioengevend loon behoort. De premie bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in, van dat bedrag, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de kosten die zijn begrepen in de premie, bedoeld in de tweede zin. 2 Artikel 18a, vierde en vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.17b — Artikel 5.17b Nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum#
Artikel 5.17b Nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum 1 artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18b, eerste lid, van die wet artikel 5.16, vierde lid Een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum bedraagt niet meer dan 50% van het bedrag dat ingevolgeniet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. 2 Artikel 18b, tweede en derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.17c — Artikel 5.17c Nettowezenpensioen#
Artikel 5.17c Nettowezenpensioen 1 artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18c, eerste lid, van die wet artikel 5.16, vierde lid Een nettowezenpensioen bedraagt voor halve wezen niet meer dan 20% van het bedrag dat ingevolgeniet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. 2 artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18c, tweede lid, van die wet artikel 5.16, vierde lid Een nettowezenpensioen bedraagt voor volle wezen niet meer dan 40% van het bedrag dat ingevolgeniet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. 3 Artikel 18c, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.17d — Artikel 5.17d Overschrijding maxima nettopensioen#
Artikel 5.17d Overschrijding maxima nettopensioen Artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 5.16, vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een netto-ouderdomspensioen, een nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een nettowezenpensioen met dien verstande dat het in het tweede lid van dat artikel genoemde bedrag wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.17e — Artikel 5.17e Onregelmatige handelingen met nettopensioen#
Artikel 5.17e Onregelmatige handelingen met nettopensioen 1 Ingeval op enig tijdstip: artikel 5.17, eerste lid vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in. a. een aanspraak op een nettopensioen niet langer als zodanig is aan te merken; b. een aanspraak ingevolge een nettopensioen geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt; c. artikel 5.17, tweede lid, onderdeel c de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettopensioen overgaan op een andere verzekeraar dan bedoeld in; d. Wet op de loonbelasting 1964 de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in de zin van deheeft ontvangen ten behoeve van het nettopensioen, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage heeft verstrekt; 2 Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. 3 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5.17 artikel 5.5 Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolgegenoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in. 4 Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande dienstjaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van het tweede en derde lid. 5 Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen: a. wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van een aanspraak op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlandse belastingplichtige te zijn; b. artikel 19b, tweede tot en met achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 isvan overeenkomstige toepassing; c. artikel 69, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 80a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is het eerste lid mede niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing vanof. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.17f — Artikel 5.17f Delegatiebevoegdheid#
Artikel 5.17f Delegatiebevoegdheid 1 artikel 3.18 artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij ministeriële regeling kunnen, overeenkomstig het bepaalde inen in, regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen in aanmerking komen als dienstjaren alsmede met betrekking tot het pensioengevend loon. 2 artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij de toepassing van deze afdeling isvan overeenkomstige toepassing. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 5.18 — Artikel 5.18 Vrijstelling indirecte beleggingen in durfkapitaal#
Artikel 5.18 Vrijstelling indirecte beleggingen in durfkapitaal Vervallen 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 01-01-2013
Artikel 5.19 — Artikel 5.19 Waardering bezittingen en schulden; algemeen#
Artikel 5.19 Waardering bezittingen en schulden; algemeen 1 Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. 2 Bezittingen en schulden die, al dan niet tezamen, in het economische verkeer als een eenheid plegen te worden beschouwd, worden als eenheid in aanmerking genomen. 3 Indien de waarde van een bezitting of van een schuld op de peildatum niet kan worden bepaald, wordt die waarde bepaald op het naastbij gelegen tijdstip waarop dat wel mogelijk is. 4 Genotsrechten die zijn verleend tegen een zakelijke vergoeding die wordt voldaan in regelmatig vervallende termijnen die betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste een jaar, worden gewaardeerd op nihil. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde genotsrechten. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 5.20 — Artikel 5.20 Waardering woningen andere dan eigen woningen#
Artikel 5.20 Waardering woningen andere dan eigen woningen 1 artikel 5.19, eerste lid hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken De waarde van een woning, wordt, in afwijking van, gesteld op de volgensvoor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning. 2 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken artikelen 16 tot en met 18 20, tweede lid, van die wet Indien met betrekking tot een woning het eerste lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond vanvastgestelde waarde, wordt de waarde van de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens deen. 3 afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Indien een woning geheel of gedeeltelijk wordt verhuurd en op deze verhuurvan toepassing is, of ingevolge een voor ten minste 12 jaren aangegane pachtovereenkomst wordt verpacht en op deze verpachtingvan toepassing is, wordt de waarde gesteld op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van het waardegegeven, bedoeld in het eerste of tweede lid. 4 In geval van erfpacht wordt voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen het in het eerste of tweede lid bedoelde waardegegeven verminderd met een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen waarde van de erfpachtcanon. 5 Het derde lid is niet van toepassing indien sprake is van: a. artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in; of b. gelieerde partijen die een zodanige huurprijs of pachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 5.21 — Artikel 5.21 Waardering effecten#
Artikel 5.21 Waardering effecten Voor de waardering van effecten die zijn opgenomen in enige bij ministeriële regeling aangewezen prijscourant wordt de waarde in het economische verkeer op de peildatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag van het voorafgaande kalenderjaar. 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 01-01-2011 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 5.22 — Artikel 5.22 Waardering genotsrechten#
Artikel 5.22 Waardering genotsrechten 1 genotsrechten Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in aanmerking te nemen waarde van. 2 Bezittingen waarop een genotsrecht is gevestigd, worden gewaardeerd op het verschil van de waarde van de onbezwaarde bezitting en de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde waarde van het genotsrecht. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden waarvan een genotsgerechtigde de rente moet voldoen. 3 genotsrecht In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen. 4 artikel 3.101, tweede lid Indien een genotsrecht is gevestigd in de vorm van verstrekkingen als bedoeld in, wordt voor de toepassing van het tweede lid de waarde van het genotsrecht op nihil gesteld. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 5.23 — Artikel 5.23 Waardering: aanvullende regels#
Artikel 5.23 Waardering: aanvullende regels Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in het kader van dit hoofdstuk passende, regels worden gesteld ten behoeve van de waardering van bezittingen en schulden. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 5.24 — Artikel 5.24 Peildatumarbitrage#
Artikel 5.24 Peildatumarbitrage 1 artikel 5.2, tweede lid Indien aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) de waarde van de overige bezittingen, bedoeld in, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen lager is dan de hoogste waarde van zijn overige bezittingen in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na die peildatum, en tevens op die peildatum de waarde van de banktegoeden, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn banktegoeden in die periode, worden die handelingen voor de toepassing van artikel 5.2 geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover zowel de waarde van zijn overige bezittingen op enig na die peildatum gelegen moment in die periode hoger is dan de waarde van zijn overige bezittingen op die peildatum als de waarde van zijn banktegoeden op enig na die peildatum gelegen moment in die periode lager is dan de waarde van zijn banktegoeden op die peildatum. De eerste zin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. 2 artikel 5.2, tweede lid Indien op de peildatum de waarde van de schulden, bedoeld in, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn schulden in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na die peildatum, worden die handelingen voor de toepassing van artikel 5.2 geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover de waarde van zijn schulden op enig na die peildatum gelegen moment in die periode lager is dan de waarde van zijn schulden op die peildatum. De eerste zin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste en tweede lid. 2022 534 27-12-2022 21-12-2022 36204 2022 534 27-12-2022 21-12-2022 36204 01-01-2023
Artikel 5.25 — Artikel 5.25 Tegenbewijsregeling#
Artikel 5.25 Tegenbewijsregeling 1 artikel 5.1 hoofdstuk 6 Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking vangesteld op het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek (). 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendement van bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld. 3 artikel 2.15 Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarig kind wordt overeenkomstigtoegerekend aan de ouder of ouders. 4 artikel 2.17 Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerking genomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Deze toerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. 5 Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen. 6 artikelen 4:1 4:2, eerste lid 6:4, eerste lid 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking van de,,enmaakt de belastingplichtige bij een beroep op de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement gebruik van een door de inspecteur ter beschikking te stellen formulier. 7 Ter aanvulling op het ter beschikking gestelde formulier kunnen tot zes weken na verzending van het formulier nadere stukken ingediend worden. 8 Het zesde en zevende lid is niet van toepassing indien de gegevens voor de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement door de inspecteur zijn gevraagd als onderdeel van de uitnodiging tot het doen van aangifte. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.26 — Artikel 5.26 Werkelijk rendement#
Artikel 5.26 Werkelijk rendement 1 Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het gezamenlijke bedrag van alle voordelen die worden behaald met bezittingen en schulden. 2 De voordelen bestaan uit: a. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden; en b. de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. 3 artikelen 5.3, derde lid, onderdeel f 5.10, onderdelen a en d 5.13 hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden zijn de,, enniet van toepassing, evenmin als. 4 artikel 5.12 artikel 5.2, derde lid Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden isuitsluitend van toepassing, indien het achterliggende vermogensbestanddeel, bedoeld in dat artikel, een banktegoed is als bedoeld in. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026 25-08-2025 Artikel XL van Stb. 2025/444 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.27 — Artikel 5.27 Reguliere voordelen#
Artikel 5.27 Reguliere voordelen 1 Tot de reguliere voordelen behoren in ieder geval genoten: a. rente; b. huur; c. pacht; d. dividend; e. winstuitkering; f. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal; g. licentievergoeding; h. gebruiksvergoeding; i. voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak of een deel daarvan. 2 Negatieve reguliere voordelen zijn door de belastingplichtige verschuldigde renten ter zake van: a. een door hem aangegane schuld; b. artikel 5.2, derde lid een banktegoed als bedoeld in, of een door hem verstrekte geldlening. 3 Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbedoelde voorwaarden zijn overeengekomen. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 01-01-2026
Artikel 5.27a — Artikel 5.27a Waardering voordeel uit eigen gebruik van een onroerende zaak#
Artikel 5.27a Waardering voordeel uit eigen gebruik van een onroerende zaak 1 Het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak of een deel daarvan wordt gesteld op de economische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel van die onroerende zaak. 2 Indien een onroerende zaak of een deel daarvan een gedeelte van het kalenderjaar voor eigen gebruik ter beschikking staat, wordt het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan gesteld op de economische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel van die onroerende zaak, gedeeld door het totale aantal dagen in het kalenderjaar en vermenigvuldigd met het aantal dagen in het kalenderjaar dat die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat. 3 Een onroerende zaak of een deel daarvan staat in ieder geval niet voor eigen gebruik ter beschikking voor zover die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, wordt verhuurd of verpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of een verbouwing. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 01-01-2026
Artikel 5.28 — Artikel 5.28 Vermogensaanwas#
Artikel 5.28 Vermogensaanwas 1 De vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt: a. een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een positieve vermogensaanwas in aanmerking genomen; b. een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een negatieve vermogensaanwas in aanmerking genomen. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.29 — Artikel 5.29 Stortingen#
Artikel 5.29 Stortingen 1 Een storting is een positieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van: a. het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel; of b. het niet langer tot de schulden behoren van een schuld. 2 Als storting wordt mede aangemerkt een positieve waardemutatie die het directe gevolg is van een uitbreiding of verbetering van een bezitting voor zover die waardemutatie niet reeds een storting is op grond van het eerste lid. 3 In afwijking van het eerste en tweede lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit een uitbreiding of verbetering van een woning geen storting. 4 In afwijking van het eerste lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit onderhoud van een bezitting geen storting. 5 Stortingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de storting. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.30 — Artikel 5.30 Onttrekkingen#
Artikel 5.30 Onttrekkingen 1 Een onttrekking is een negatieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van: a. het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; of b. het tot de schulden gaan behoren van een verplichting. 2 Onttrekkingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de onttrekking. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.31 — Artikel 5.31 Waardering bezittingen en schulden#
Artikel 5.31 Waardering bezittingen en schulden 1 afdeling 5.4 De waarde van bezittingen en schulden wordt bepaald met overeenkomstige toepassing vanen de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat: a. de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid; b. artikel 5.21 niet wordt toegepast, indien ter zake van het betreffende effect sprake is van een lopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet of niet volledig in de notering in de prijscourant is verdisconteerd. 2 De waarde van een woning: a. artikel 5.20, eerste of tweede lid aan het begin van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van, voor die woning voor het kalenderjaar vastgestelde waarde; b. artikel 5.20, eerste of tweede lid aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van, voor die woning voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid van toepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen; c. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde, bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemutatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld in onderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door het totale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van het kalenderjaar. 3 artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken artikel 5.20, eerste of tweede lid Indienvanwege een uitbreiding of verbetering van een woning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bij het bepalen van de op grond van, voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waarde aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde die zonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar. 4 Artikel 5.20, derde en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 5.20, derde lid de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op het percentage, bedoeld in, van de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning; b. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte van de huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffende waarde geldt. 5 Artikel 5.20, vierde lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon, bedoeld in artikel 5.20, vierde lid. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026 25-08-2025 Artikel XL van Stb. 2025/444 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.31a — Artikel 5.31a Vrijstelling bepaalde levensverzekeringen#
Artikel 5.31a Vrijstelling bepaalde levensverzekeringen Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, uitsluitend tot de bezittingen, indien: a. artikel 5.10, onderdeel a de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen aan het begin van het kalenderjaar per verzekerde meer bedraagt dan het in, vermelde bedrag; en b. artikel 5.10, onderdeel a de som van de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar per persoon meer bedraagt dan het in, vermelde bedrag. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.31b — Artikel 5.31b Vrijstelling contant geld#
Artikel 5.31b Vrijstelling contant geld 1 artikel 5.10, onderdeel d artikelen 5.26 tot en met 5.31 5.33 5.34 Voor de toepassing van deze afdeling behoren geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, uitsluitend tot de bezittingen, indien het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag en het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen bepaald met overeenkomstige toepassing van de,en. 2 artikel 2.17 artikel 5.10, onderdeel d Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op het gezamenlijke geld, het gezamenlijke elektronische geld in de vorm van een chipkaart, alsmede de gezamenlijke vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.32 — Artikel 5.32 Vrijstelling groene beleggingen#
Artikel 5.32 Vrijstelling groene beleggingen 1 artikel 5.13, eerste lid artikelen 5.26 tot en met 5.31 5.33 5.34 Voor de toepassing van deze afdeling behoren groene beleggingen uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van de groene beleggingen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag en de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van de groene beleggingen bepaald met overeenkomstige toepassing van de,en. 2 artikel 2.17 artikel 5.13, eerste lid Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.32a — Artikel 5.32a Vrijstelling bepaalde kapitaalverzekeringen#
Artikel 5.32a Vrijstelling bepaalde kapitaalverzekeringen 1 hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 artikelen 5.26 tot en met 5.31 5.33 5.34 Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld inuitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan € 123.428. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die rechten niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die rechten te vermenigvuldigen met het quotiënt van € 123.428 en de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die rechten bepaald met overeenkomstige toepassing van de,en. 2 artikel 2.17 hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld invan de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij een bedrag van € 246.856 wordt toegepast. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.33 — Artikel 5.33 Vermogensaanwas bij ontstaan of einde binnenlandse belastingplicht#
Artikel 5.33 Vermogensaanwas bij ontstaan of einde binnenlandse belastingplicht 1 artikel 5.28 Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, wordt bij de toepassing vanvoor het begin van het kalenderjaar gelezen: het begin van de binnenlandse belastingplicht. 2 artikel 5.28 Indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar eindigt, wordt bij de toepassing vanvoor het einde van het kalenderjaar gelezen: het einde van de binnenlandse belastingplicht. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.34 — Artikel 5.34 Tijdstip genieten en aftrek#
Artikel 5.34 Tijdstip genieten en aftrek 1 Reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn: a. ontvangen; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld; d. rentedragend geworden; of e. vorderbaar en inbaar geworden. 2 Negatieve reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn: a. betaald; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld; of d. rentedragend geworden. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.35 — Artikel 5.35 Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten#
Artikel 5.35 Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten 1 artikel 5.16c, eerste lid artikel 5.2, tweede lid Na toepassing van, in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak op een nettolijfrente wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. 2 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5.16 artikel 2.13 Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolgegenoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het invermelde percentage. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 5.36 — Artikel 5.36 Onregelmatige handelingen met nettopensioenen#
Artikel 5.36 Onregelmatige handelingen met nettopensioenen 1 artikel 5.17e, eerste lid artikel 5.2, tweede lid Na toepassing van, in het voorafgaande kalenderjaar op de aanspraak op een nettopensioen wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die aanspraak aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. 2 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5.17 artikel 2.13 Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolgegenoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het invermelde percentage. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Persoonsgebonden aftrek#
Artikel 6.1 Persoonsgebonden aftrek 1 Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van: a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen. 2 Persoonsgebonden aftrekposten zijn de: a. afdeling 6.2 uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (); b. vervallen; c. vervallen; d. afdeling 6.5 uitgaven voor specifieke zorgkosten (); e. afdeling 6.6 weekenduitgaven voor gehandicapten (); f. vervallen; g. vervallen; h. afdeling 6.9 aftrekbare giften (). 3 Uitgaven als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, worden in aanmerking genomen voorzover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aanspraken op vergoedingen of tegemoetkomingen alsmede genoten of te genieten vergoedingen of tegemoetkomingen worden aangewezen die buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de omvang van hetgeen op de belastingplichtige aan uitgaven drukt. 2019 514 27-12-2019 18-12-2019 35306 2021 349 16-07-2021 12-07-2021 01-01-2022
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 In aanmerking nemen persoonsgebonden aftrek#
Artikel 6.2 In aanmerking nemen persoonsgebonden aftrek 1 De persoonsgebonden aftrek vermindert het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar, maar niet verder dan tot nihil. 2 Voorzover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, maar niet verder dan tot nihil. 3 Voorzover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het inkomen uit aanmerkelijk belang van het jaar, maar niet verder dan tot nihil. 4 Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen. 5 artikel 6.1, tweede lid, onderdeel d Bij een vermindering worden allereerst de uitgaven voor specifieke zorgkosten, bedoeld in, in aanmerking genomen. 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009 2008 606 30-12-2008 29-12-2008 31706 2008 608 30-12-2008 29-12-2008 01-01-2009
Artikel 6.2a — Artikel 6.2a Vaststelling niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek#
Artikel 6.2a Vaststelling niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek 1 De inspecteur stelt het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid gelijktijdig wordt gegeven met de vaststelling van een belastingaanslag, wordt het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. 3 Indien er grond is voor het vermoeden dat het in het eerste lid bedoelde bedrag te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in dat lid bedoelde beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. 4 Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond op voor herziening, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 5 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening. 6 artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a Rechtsmiddelen tegen de in het eerste lid bedoelde beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op het bedrag, bedoeld in. Rechtsmiddelen tegen de in het derde lid, tweede volzin, bedoelde beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op het bedrag van de herziening. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010 Artikel XXI, tweede lid, van Stb. 2009/610 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6.2b — Artikel 6.2b Vaststelling in aanmerking genomen buitengewone uitgaven bij nihil aanslag#
Artikel 6.2b Vaststelling in aanmerking genomen buitengewone uitgaven bij nihil aanslag Vervallen 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Onderhoudsverplichtingen#
Artikel 6.3 Onderhoudsverplichtingen 1 Onderhoudsverplichtingen zijn: a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn; b. afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot; c. paragraaf 6.5 van de Participatiewet op grond vanverhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van de belastingplichtige gescheiden levende echtgenoot of gewezen echtgenoot; d. lijfrenten bedragen die in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed worden voldaan ter zake van de verplichting tot verrekening van pensioenrechten en vanen andere inkomensvoorzieningen waarvan de betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen; e. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud; f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud. 2 artikel 3.101, tweede lid Onderhoudsverplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, e of f, worden ingeval deze de vorm hebben van periodieke verstrekkingen van huisvesting in een woning of een gedeelte van een woning en indien zij worden verstrekt door een beperkt gerechtigde tot die woning of dat gedeelte van een woning, bij hem in aanmerking genomen voor het bedrag waarvoor die verstrekkingen bij degene die deze geniet, in aanmerking worden genomen op de voet van. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Uitgesloten onderhoudsverplichtingen#
Artikel 6.4 Uitgesloten onderhoudsverplichtingen 1 artikel 6.3, eerste lid, onderdelen e en f Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren niet de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan aan: a. bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn; b. personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige. 2 artikel 6.3, eerste lid, onderdelen b en d lijfrenten Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren niet de afkoopsommen en verrekenbedragen die worden gedaan in de vorm vanen andere inkomensvoorzieningen, voorzover de voor die voorzieningen betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen. 3 artikel 6.3, eerste lid, onderdeel d Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren niet rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen die zijn toegekend door degene die tot de verrekening verplicht is. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Afkoop alimentatie door betaling lijfrentepremie#
Artikel 6.5 Afkoop alimentatie door betaling lijfrentepremie 1 artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1° Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren afkoopsommen die worden gedaan in de vorm van een betaling van een premie voor een lijfrente aan een verzekeraar als bedoeld in. 2 De termijnen van de lijfrente moeten: a. toekomen aan de gewezen echtgenoot; b. onmiddellijk na het betalen van de premie ingaan; c. uiterlijk bij het overlijden van de gewezen echtgenoot eindigen. 3 artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a De voor de lijfrente betaalde premie wordt aangemerkt als een premie voor een lijfrente als bedoeld in. 4 artikel 3.133, tweede lid Indien de lijfrente niet meer voldoet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden, wordt geacht een omstandigheid als bedoeld in, te hebben plaats gevonden. 5 artikel 3.126a, tweede lid Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bedragen die worden overgemaakt naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in, waarbij in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, bij overlijden van de gewezen echtgenoot het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen overgaat op een of meer erfgenamen of legatarissen van de gewezen echtgenoot. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 Verrekening van pensioenrechten door betaling lijfrentepremie#
Artikel 6.6 Verrekening van pensioenrechten door betaling lijfrentepremie 1 artikel 6.3, eerste lid, onderdeel d artikel 3.125, eerste lid, aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1° lijfrente Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren bedragen die worden voldaan ter zake van de verrekening van pensioenrechten in de vorm van een betaling van een premie voor eenals bedoeld in. 2 artikel 3.125, eerste lid Voor de toepassing van, wordt de echtgenoot of de gewezen echtgenoot aangemerkt als de belastingplichtige en als de verzekeringnemer van de in die bepaling genoemde lijfrenten. 3 artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a De voor de lijfrente betaalde premie wordt aangemerkt als een premie voor een lijfrente als bedoeld in. 4 artikel 3.125, eerste lid De lijfrente wordt aangemerkt als een lijfrente als bedoeld in. 5 artikel 3.133, tweede lid Indien de lijfrente niet meer voldoet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden, wordt geacht een omstandigheid als bedoeld in, te hebben plaats gevonden. 6 artikel 3.126a, tweede lid Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bedragen die worden overgemaakt naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Uitbreiding familierechtelijke uitkeringen#
Artikel 6.7 Uitbreiding familierechtelijke uitkeringen 1 artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover die zijn overeengekomen in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed ter verrekening van: a. pensioenrechten; b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen. 2 artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in, behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die dienen ter vervanging van dergelijke onderhoudsverplichtingen. 3 Het eerste en het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan door degene die tot de verrekening respectievelijk de vervanging verplicht is. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal#
Artikel 6.8 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal Vervallen 2010 872 29-12-2010 23-12-2010 32504 2010 872 29-12-2010 23-12-2010 32504 01-01-2011
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Kwijtschelding binnen een bepaalde periode#
Artikel 6.9 Kwijtschelding binnen een bepaalde periode Vervallen 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 31-10-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 6.10 — Artikel 6.10 Omvang in aanmerking te nemen verliezen#
Artikel 6.10 Omvang in aanmerking te nemen verliezen Vervallen 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 31-10-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Uitgesloten geldleningen#
Artikel 6.11 Uitgesloten geldleningen Vervallen 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 31-10-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 6.12 — Artikel 6.12 Tijdstip van aftrek van de verliezen#
Artikel 6.12 Tijdstip van aftrek van de verliezen Vervallen 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 2001 491 30-10-2001 18-10-2001 27746 31-10-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 6.13 — Artikel 6.13 Definitie#
Artikel 6.13 Definitie Vervallen 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 6.14 — Artikel 6.14 Beperkingen#
Artikel 6.14 Beperkingen Vervallen 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 01-01-2015 19-07-2014
Artikel 6.15 — Artikel 6.15 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven#
Artikel 6.15 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven Vervallen 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 6.16 — Artikel 6.16 Kring van personen waarvan specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen#
Artikel 6.16 Kring van personen waarvan specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen Uitgaven voor specifieke zorgkosten worden in aanmerking genomen indien de uitgaven zijn gedaan voor de belastingplichtige, zijn partner, zijn jonger dan 27-jarige kinderen, tot zijn huishouden behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder en bij de belastingplichtige inwonende zorgafhankelijke ouders, broers of zusters. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer een persoon voor de toepassing van deze afdeling als ernstig gehandicapt of als zorgafhankelijk wordt beschouwd. 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009 2008 606 30-12-2008 29-12-2008 31706 2008 608 30-12-2008 29-12-2008 01-01-2009
Artikel 6.17 — Artikel 6.17 Uitgaven voor specifieke zorgkosten#
Artikel 6.17 Uitgaven voor specifieke zorgkosten 1 Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor: a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen; b. vervoer voor het verkrijgen van genees- en heelkundige hulp, farmaceutische hulpmiddelen en andere hulpmiddelen als bedoeld in de onderdelen a, d en e; c. vervoer, anders dan bedoeld in de onderdelen b en i, indien de belastingplichtige met schriftelijke bescheiden doet blijken dat hij als gevolg van zijn ziekte of invaliditeit, al dan niet met hulpmiddelen, niet meer dan 100 meter zelfstandig kan lopen; d. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts; e. andere hulpmiddelen, voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt; f. extra gezinshulp; g. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling; h. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels; i. reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de verpleging een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer. 2 Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, worden in ieder geval niet aangemerkt: 1°. brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen; 2°. scootmobielen; 3°. rolstoelen; 4°. aanpassingen aan, in of om een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan. 3 Gezinshulp wordt als extra aangemerkt voor zover de uitgaven voor gezinshulp meer bedragen dan het bedrag dat volgt uit de volgende tabel. Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van meer dan maar niet meer dan wordt gezinshulp geacht extra te zijn voor zover de uitgaven voor gezinshulp meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek – € 39.701 0% € 39.701 € 59.549 1% € 59.549 € 79.387 2% € 79.387 – 3% 4 artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd en geldt voor de toepassing van het derde lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. 5 Uitgaven voor extra gezinshulp worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. 6 De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en i, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd: a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,23 per kilometer, vermeerderd met de parkeer-, veer- en tolgelden; b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten. 7 De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in aanmerking genomen voor € 925 per jaar. 8 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel g, wordt met een medisch voorschrift gelijkgesteld een voorschrift van een persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel diëtist. 9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid, onderdeel g, en het achtste lid bedoelde voorschriften. 10 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan: a. een behandeling door een arts; b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus; c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 6.18 — Artikel 6.18 Beperkingen van uitgaven voor specifieke zorgkosten#
Artikel 6.18 Beperkingen van uitgaven voor specifieke zorgkosten 1 artikel 6.17, eerste lid Als uitgaven als bedoeld in, worden niet aangemerkt: a. premies en premievervangende belasting voor volksverzekeringen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen; b. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling alsmede premievervangende en bijdragevervangende belastingen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen; c. Wet langdurige zorg de krachtens deverschuldigde bijdragen; d. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de krachtens deverschuldigde bijdragen; e. Zorgverzekeringswet de krachtens deverschuldigde bijdragen; f. artikel 1, onderdelen g en h, van de Zorgverzekeringswet uitgaven die ten laste komen van een verplicht eigen risico of een overeengekomen vrijwillig eigen risico als bedoeld in; g. Zorgverzekeringswet uitgaven voor zorg die vallen onder het door de belastingplichtige ingevolge deverplicht te verzekeren risico; h. Zorgverzekeringswet bij ministeriële regeling aangewezen uitgaven die vanwege wijziging van het bepaalde bij of krachtens deniet langer zijn aan te merken als uitgaven als bedoeld in onderdeel g; i. Wet langdurige zorg Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 uitgaven als bedoeld in deof devoor zover een bijdrage is verschuldigd ter verkrijging van een subsidie of tegemoetkoming als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ter bekostiging van die uitgaven; j. afdeling 6.6 uitgaven die op de voet vanin aanmerking worden genomen. 2 artikel 6.16 Het eerste lid, onderdelen g en h, is van overeenkomstige toepassing voor uitgaven die door de belastingplichtige zijn gedaan voor de inbedoelde personen. 2014 494 12-12-2014 03-12-2014 33891 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 6.19 — Artikel 6.19 Verhoging uitgaven voor specifieke zorgkosten#
Artikel 6.19 Verhoging uitgaven voor specifieke zorgkosten 1 artikel 6.17, eerste lid, onderdelen b tot en met h Het bedrag aan uitgaven, bedoeld in, wordt verhoogd met: a. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet 113%, indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt; b. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet artikel 2.10a, eerste lid 40%, indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, niet heeft bereikt; een en ander mits het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, niet te boven gaat het bedrag dat is genoemd in de eerste regel van de tweede kolom van de tabel in. 2 artikel 6.17, eerste lid, onderdelen b tot en met h Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de uitgaven, bedoeld in, van de belastingplichtige en de partner samengevoegd en geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. artikel 2.10a, eerste lid artikel 6.17, eerste lid, onderdelen b tot en met h artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Indien het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en de in de eerste volzin bedoelde partner, vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, niet te boven gaat het bedrag dat is genoemd in de eerste regel van de tweede kolom van de tabel in, en de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, niet heeft bereikt, maar de partner bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wel heeft bereikt, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid het bedrag aan uitgaven, bedoeld in, verhoogd met 113%. 3 artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin Het tweede lid is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 6.20 — Artikel 6.20 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven voor specifieke zorgkosten#
Artikel 6.20 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven voor specifieke zorgkosten 1 artikel 6.19 Uitgaven voor specifieke zorgkosten worden in aanmerking genomen voor zover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge, meer bedragen dan: a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 9.680 niet te boven gaat: € 166; b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 9.680 te boven gaat, maar € 51.411 niet te boven gaat: 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 51.411 te boven gaat: de som van 1,65% van € 51.411 en 5,75% van het gedeelte van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek dat € 51.411 te boven gaat. 2 artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor specifieke zorgkosten samengevoegd en geldt voor de toepassing van het eerste lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 9.680 vervangen door € 19.360 en wordt in het eerste lid, onderdeel a, het bedrag van € 166 vervangen door € 332. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 6.21 — Artikel 6.21 Uitgaven wegens ouderdom#
Artikel 6.21 Uitgaven wegens ouderdom Vervallen 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009
Artikel 6.22 — Artikel 6.22 Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind#
Artikel 6.22 Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind Vervallen 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009
Artikel 6.23 — Artikel 6.23 Uitgaven wegens adoptie#
Artikel 6.23 Uitgaven wegens adoptie Vervallen 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009
Artikel 6.24 — Artikel 6.24 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven#
Artikel 6.24 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven Vervallen 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 2007 562 27-12-2007 20-12-2007 31205 01-01-2009
Artikel 6.25 — Artikel 6.25 Definities#
Artikel 6.25 Definities 1 Weekenduitgaven voor gehandicapten zijn de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind, broer of zus, een onder zijn mentorschap gestelde ernstig gehandicapte persoon of een onder curatele gestelde ernstig gehandicapte persoon voor zover hij als curator de persoonlijke belangen behartigt, te verzorgen, mits dit kind, deze broer, zus of persoon 21 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. mentorschap: titel 20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek mentorschap als bedoeld in; b. curatele: titel 16 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek curatele als bedoeld in; c. persoonlijke belangen: artikel 381, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aangelegenheden als bedoeld in. 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer een kind, broer, zus of onder mentorschap of curatele van de belastingplichtige gestelde persoon voor de toepassing van dit artikel als ernstig gehandicapt wordt beschouwd. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 6.26 — Artikel 6.26 Het in aanmerking te nemen bedrag#
Artikel 6.26 Het in aanmerking te nemen bedrag Weekenduitgaven voor gehandicapten worden in aanmerking genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. 2004 654 23-12-2004 16-12-2004 29758 2004 654 23-12-2004 16-12-2004 29758 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 6.27 — Artikel 6.27 Scholingsuitgaven#
Artikel 6.27 Scholingsuitgaven Vervallen 2019 514 27-12-2019 18-12-2019 35306 2021 349 16-07-2021 12-07-2021 01-01-2022
Artikel 6.28 — Artikel 6.28 Beperkingen#
Artikel 6.28 Beperkingen Vervallen 2019 514 27-12-2019 18-12-2019 35306 2021 349 16-07-2021 12-07-2021 01-01-2022
Artikel 6.29 — Artikel 6.29 Studiefinanciering#
Artikel 6.29 Studiefinanciering Vervallen 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 01-01-2013 Artikel II van Stb. 2012/668 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6.30 — Artikel 6.30 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven#
Artikel 6.30 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven Vervallen 2019 514 27-12-2019 18-12-2019 35306 2021 349 16-07-2021 12-07-2021 01-01-2022
Artikel 6.31 — Artikel 6.31 Uitgaven voor monumentenpanden#
Artikel 6.31 Uitgaven voor monumentenpanden Vervallen 2018 512 28-12-2018 19-12-2018 34556 2018 512 28-12-2018 19-12-2018 34556 01-01-2019
Artikel 6.32 — Artikel 6.32 Aftrekbare giften#
Artikel 6.32 Aftrekbare giften giften Aftrekbarezijn: a. periodieke giften; b. andere giften. 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 01-01-2021
Artikel 6.33 — Artikel 6.33 Definities#
Artikel 6.33 Definities In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. giften : bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat; b. instellingen: algemeen nut beogende instellingen; c. verenigingen : niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en met ten minste 25 leden, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid of op de BES eilanden. 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 01-01-2012 Artikel VIII van Stb. 2011/641 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6.34 — Artikel 6.34 Periodieke giften#
Artikel 6.34 Periodieke giften giften Periodiekezijn giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2007 122 10-04-2007 29-03-2007 11-04-2007 De wijziging vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot aftrekbare giften die zijn gedaan en belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na 1 januari 2008.
Artikel 6.35 — Artikel 6.35 Andere giften#
Artikel 6.35 Andere giften giften Anderezijn giften aan instellingen of aan steunstichtingen SBBI. 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 01-01-2012
Artikel 6.36 — Artikel 6.36 Afzien van vergoedingen#
Artikel 6.36 Afzien van vergoedingen 1 Giften artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 die bestaan uit het afzien door een vrijwilliger als bedoeld invan een vergoeding, worden in aanmerking genomen indien: a. artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de instelling een verklaring heeft afgegeven dat de belastingplichtige zich heeft ingezet als vrijwilliger als bedoeld in; b. de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in de verklaring genoemde vergoeding; c. de instelling bereid en in staat is die vergoeding uit te keren, en d. de belastingplichtige de vrijheid heeft over de vergoeding te beschikken. 2 Giften die bestaan uit het afzien door de vrijwilliger van vergoedingen voor daadwerkelijk gemaakte kosten worden in aanmerking genomen voor zover sprake is van kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, met dien verstande dat kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, in aanmerking worden genomen voor € 0,23 per kilometer. De eerste volzin is ook van toepassing in de situatie waarin de instelling voor deze kosten geen vergoedingsregeling heeft getroffen. 3 Indien giften op grond van het eerste lid in aanmerking worden genomen, kunnen giften op grond van het tweede lid aan dezelfde instelling slechts in aanmerking worden genomen voor zover de daadwerkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan de in het eerste lid bedoelde vergoeding. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 6.37 — Artikel 6.37 Geen gift#
Artikel 6.37 Geen gift Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder een gift niet verstaan: a. een bevoordeling of bijdrage in contant geld; b. een bevoordeling of bijdrage die wordt betaald, verrekend of ter beschikking gesteld bij of na het overlijden van de belastingplichtige dan wel op een daarmee samenhangend tijdstip. 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 01-01-2021
Artikel 6.38 — Artikel 6.38 Het in aanmerking nemen van periodieke giften#
Artikel 6.38 Het in aanmerking nemen van periodieke giften 1 giften Periodiekeworden in aanmerking genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren. 2 Periodieke giften in natura waarvan de waarde in het economische verkeer in totaal meer bedraagt dan € 10.000 per kalenderjaar, worden voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking genomen voor zover die waarde in het economische verkeer volgt uit een onafhankelijk taxatierapport of een factuur. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder giften in natura mede begrepen een kwijtschelding van een vordering die betrekking heeft op een of meer vermogensbestanddelen in natura. 4 Voor de toepassing van het eerste lid worden periodieke giften in aanmerking genomen tot het gezamenlijke bedrag van ten hoogste € 1.500.000 per kalenderjaar. 5 artikel 2.17 Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, worden de periodieke giften voor de toepassing van het tweede en vierde lid samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het tweede lid, in plaats van een bedrag van € 10.000, een bedrag van € 20.000. 6 De akte van schenking kan voorschrijven dat de periodieke gift in ieder geval wordt beëindigd bij: a. verlies van de status als instelling of vereniging; b. faillissement van de instelling of vereniging; c. bij arbeidsongeschiktheid van de schenker of van een van de schenkers; of d. bij werkloosheid van de schenker of van een van de schenkers. 7 Tussentijdse beëindiging van de periodieke gift op grond van een omstandigheid als bedoeld in het zesde lid kan uitsluitend betrekking hebben op de nog niet vervallen termijnen van de periodieke gift en is uitsluitend mogelijk indien de schenker niet of nauwelijks invloed heeft op die omstandigheid. Indien de periodieke gift binnen een periode van vijf jaar eindigt op grond van een omstandigheid als bedoeld in het zesde lid, wordt geacht te zijn voldaan aan het eerste lid. 8 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld waaraan de akte van schenking, alsmede het taxatierapport, onderscheidenlijk de factuur, moet voldoen. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 6.39 — Artikel 6.39 Het in aanmerking nemen van andere giften#
Artikel 6.39 Het in aanmerking nemen van andere giften 1 giften Andereworden in aanmerking genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. 2 Andere giften in natura waarvan de waarde in het economische verkeer in totaal meer bedraagt dan € 10.000 per kalenderjaar, worden voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking genomen voor zover die waarde in het economische verkeer volgt uit een onafhankelijk taxatierapport dat of factuur die aan bij ministeriële regeling te stellen regels voldoet. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder giften in natura mede begrepen een kwijtschelding van een vordering die betrekking heeft op een of meer vermogensbestanddelen in natura. 4 partner Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar eenheeft worden andere giften samengevoegd. Over deze periode geldt: a. voor de toepassing van het eerste lid, in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; b. voor de toepassing van het tweede lid, in plaats van een bedrag van € 10.000, een bedrag van € 20.000. 5 artikel 2.17, zevende lid, van deze wet Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld inhebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het vierde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.39a — Artikel 6.39a Giften aan culturele instellingen#
Artikel 6.39a Giften aan culturele instellingen 1 Het bedrag van giften aan culturele instellingen wordt voor de bepaling van het voor de toepassing van deze afdeling in aanmerking te nemen bedrag verhoogd met 25%, doch ten hoogste met € 1250. 2 artikel 2.17 Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt de verhoging van 25% toegepast op het gezamenlijke bedrag aan giften aan culturele instellingen, waarbij de verhoging voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op ten hoogste € 1.250 wordt gesteld. 3 artikel 6.39, eerste en tweede lid artikel 6.35 Het in, bedoelde maximum wordt verhoogd met het bedrag waarmee het bedrag van giften als bedoeld iningevolge het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, wordt verhoogd. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023
Artikel 6.40 — Artikel 6.40 Tijdstip aftrek#
Artikel 6.40 Tijdstip aftrek 1 Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, komen uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn: a. betaald; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld of d. rentedragend geworden. 2 giften Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing met betrekking tot aftrekbare. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Nederlands inkomen#
Artikel 7.1 Nederlands inkomen Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten: a. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland; b. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning#
Artikel 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning 1 hoofdstuk 3 Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van. 2 Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van: a. artikelen 3.2 3.3 de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in deenuit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming); b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid; c. het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland; d. pensioenregelingen artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j artikel 3.136 de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen of voortkomen uitvoorzover de daarvoor betaalde premies ten laste van de belastbare winst van een Nederlandse onderneming zijn gebracht, waarbij met het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen op grond van, of, dan wel in de periode van buitenlandse belastingplicht, geen rekening wordt gehouden; e. de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon; f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland, verminderd met de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld; g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, en h. de negatieve persoonsgebonden aftrek. 3 artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b artikelen 3.91 3.92 artikel 3.92b artikel 3.92b Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een inwoner van een niet-verdragsland die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in deenaan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap alsmede het houden van aandelen, vorderingen of rechten als bedoeld inof het hebben van schulden als bedoeld inindien de voordelen die daarmee worden behaald naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden verricht in Nederland. Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt onder het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid niet begrepen het verrichten of hebben verricht van arbeid als zodanig door een artiest of sportbeoefenaar die inwoner is van een verdragsland en niet in dienstbetrekking staat tot een inhoudingsplichtige in de zin van de. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, worden onder werkzaamheden in Nederland niet begrepen de werkzaamheden als zodanig van een artiest of sportbeoefenaar die inwoner is van een verdragsland. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verdragsland verstaan een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten alsmede Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden, en onder een niet-verdragsland alle overige landen. 4 afdeling 3.13 Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning in Nederland leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit werk en woning in Nederland. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van. 5 Verliezen uit werk en woning zijn de verliezen uit werk en woning die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit werk en woning in Nederland. 6 In Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen rechten die samenhangen met de exploratie en exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen waaronder ook wordt gerekend de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden, of rechten waaraan deze zijn onderworpen, die tot het vermogen van een onderneming behoren, behoren tot het vermogen van een Nederlandse onderneming. 7 Wet op de loonbelasting 1964 Belastingregeling voor het Koninkrijk De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van de, de Belastingregeling voor het land Nederland of verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid of door de rijksoverheid op de BES eilanden wordt geheven. De eerste volzin vindt evenmin toepassing indien de dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland wordt vervuld en het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door een andere mogendheid wordt geheven en het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen is onderworpen. De dienstbetrekking bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel de dienstbetrekking waarbij in het kader van een uitzending op het grondgebied van een andere mogendheid werkzaamheden zijn of worden verricht op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, wordt steeds geacht in Nederland te zijn vervuld. Tenzij de eerste zin toepassing vindt, wordt een geheel of gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking geacht in Nederland te zijn vervuld voor zover het heffingsrecht over het loon ter zake van die dienstbetrekking op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht aan Nederland is toegewezen. 8 a. pensioenregeling pensioenregeling artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b en d van de Wet op de loonbelasting 1964 Tot belastbaar loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit eenindien de verplichtingen volgens dewaarop die aanspraken berusten geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in. Tot de waarde in het economische verkeer wordt niet gerekend het met pensioenpremies behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest. b. Indien onderdeel a toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die eerder op grond van: 1°. onderdeel a in het Nederlandse inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering; 2°. artikel 3.83 in het belastbare inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, voorzover de belasting ter zake van die aanspraken is voldaan, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd en de eerder opgelegde conserverende aanslag door de inspecteur verminderd bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. c. artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3.83 Indientoepassing heeft gevonden wordt het belastbaar loon verminderd met de waarde van de aanspraken die zijn gerekend tot het loon met toepassing vandan wel met toepassing van onderdeel a, voorzover de belasting ter zake van de waarde van die aanspraken is voldaan. d. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van onderdeel a is begrepen in het Nederlandse inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en 1°. artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling als bedoeld in, en 2°. artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b of d, van de Wet op de loonbelasting 1964 de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in, het Nederlandse inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. e. De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste zijn gekomen van Nederlands belastbaar inkomen uit werk en woning. 9 Het bedrag van de belastbare periodieke uitkeringen uit een aanspraak wordt verminderd met de ter zake van die aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen voorzover de belasting die is verschuldigd over die negatieve uitgaven is voldaan. 10 artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h en j Bij een aanspraak op periodieke uitkeringen vindt, alleen toepassing indien door de buitenlandse belastingplichtige in het kalenderjaar ter zake van de aanspraak premie is voldaan die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking is genomen. De vorige volzin geldt bij onderdeel h niet voor het jaar van de in dat onderdeel bedoelde overgang van de lijfrenteverplichtingen. 11 artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j artikel 3.136 Het bij een buitenlandse belastingplichtige op grond van, in aanmerking te nemen bedrag aan negatieve uitgaven wordt in de bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en onder de in die regeling te stellen voorwaarden, verminderd met de negatieve uitgaven die bij hem ter zake van dezelfde aanspraken op grond vanin aanmerking zijn genomen. 12 artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j Voorzover bij een buitenlandse belastingplichtige de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die op grond van, in aanmerking worden genomen, eveneens zijn begrepen in het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van dat vorig kalenderjaar met die daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. De verlaging vindt plaats door vermindering van de aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. 13 artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 35g van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van het tweede lid wordt een niet in Nederland wonende natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een buitenlands gezelschap als bedoeld in, geacht een evenredig deel, gerelateerd aan het aantal leden van het gezelschap, te hebben genoten van de door het gezelschap voor het optreden of de sportbeoefening ontvangen gage, bedoeld in, behoudens voorzover hij aannemelijk maakt dat hij een ander deel van de gage heeft genoten. 14 Tot het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid worden gerekend: 1°. uitkeringen op grond van artikel 14 of 15 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 2005/684/EG, Euratom, van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PbEU L 262/I), aan een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement; 2°. uitkeringen op grond van artikel 17 van het onder 1° bedoelde Besluit aan de echtgenoot of partner van een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement; 3°. uitkeringen op grond van artikel 17 van het onder 1° bedoelde Besluit aan de ten laste van een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement komende kinderen. 15 Tot het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland worden gerekend uitkeringen op grond van de artikelen 9 en 13 van het in het veertiende lid bedoelde Besluit aan een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement. 16 artikel 3.136, derde en vierde lid De in het achtste lid, onderdelen b, c en e, bedoelde verlaging vindt mede plaats met de aanspraken en bijdragen, bedoeld in. 17 De functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam wordt: a. voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, steeds geacht te zijn vervuld met behulp van een vaste inrichting in Nederland; b. voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b en c, steeds geacht te zijn vervuld in Nederland. 18 artikel 2.7, eerste lid, derde zin Indien bij een buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in, een heffingskorting afhankelijk is van zijn arbeidsinkomen of van dat van zijn partner, wordt voor de bepaling hiervan uitgegaan van het volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen berekende arbeidsinkomen. 19 artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 2.14bis, derde lid Tot een Nederlandse onderneming worden gerekend stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in een lichaam als bedoeld indie worden gehouden door een natuurlijk persoon die woonachtig is in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt, indien die natuurlijk persoon ten aanzien van deze stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten zonder toepassing van artikel 2, derde lid, van die wet en, belastbare winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zou hebben genoten. 20 artikel 3.65, eerste lid artikelen 3.11 3.12 Indien een onderneming door een buitenlandse belastingplichtige met toepassing van, wordt omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, wordt in afwijking van artikel 3.65, eerste lid, voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, onder de belastbare winst uit Nederlandse onderneming mede begrepen de waarde in het economische verkeer van de omgezette onderneming op het tijdstip van die omzetting, verminderd met de boekwaarde van die onderneming op dat tijdstip van omzetting, alsmede verminderd met de positieve voordelen dan wel vermeerderd met de negatieve voordelen die, zonder de toepassing van artikel 3.65, eerste lid, zouden zijn vrijgesteld door de toepassing van deof. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Vrijstelling internationaal verkeer#
Artikel 7.3 Vrijstelling internationaal verkeer Tot het drijven van een Nederlandse onderneming behoort niet het vervoer te water of door de lucht van personen en zaken tussen plaatsen buiten Nederland en plaatsen in Nederland, en tussen plaatsen buiten Nederland onderling (vervoer in het internationaal verkeer), tenzij de leiding van de onderneming in Nederland is gevestigd. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Werkzaamheden buitengaats#
Artikel 7.4 Werkzaamheden buitengaats Werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden verricht gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen in, op of boven het Noordzeewinningsgebied, vormen een Nederlandse onderneming. Het Noordzeewinningsgebied bestaat uit de territoriale zee van Nederland alsmede het buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voorzover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht rechten mag uitoefenen. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang#
Artikel 7.5 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang 1 hoofdstuk 4 artikel 4.12 artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b afdeling 4.2 Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap is het inkomen uit een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, verminderd met de verliezen uit aanmerkelijk belang, berekend volgens de regels van, met uitzondering van de ingenoemde persoonsgebonden aftrek. Voor de beoordeling van de vraag of er een aanmerkelijk belang is, is, niet van toepassing. Voor de toepassing van de eerste volzin isvan overeenkomstige toepassing. 2 afdeling 4.10 Indien de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van. 3 Verliezen uit aanmerkelijk belang zijn de verliezen uit aanmerkelijk belang die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. 4 Artikel 4.41, eerste lid , is niet van toepassing indien de vennootschap die de aandelen of winstbewijzen verwerft niet in Nederland is gevestigd. 5 Artikel 4.41, tweede en derde lid , is niet van toepassing indien en voorzover de verkrijgende vennootschap niet in Nederland is gevestigd. 6 Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest, na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd zolang een belastingaanslag ter zake van te conserveren inkomen uit een aanmerkelijk belang in dat lichaam, niet volledig is voldaan. 7 Een verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland is een vervreemding van het aanmerkelijk belang. 8 Artikel 4.14a, vijfde lid , is niet van toepassing, indien de belastingplichtige door een vervreemding als bedoeld in het zevende lid niet langer een aanmerkelijk belang heeft. 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 01-01-2023
Artikel 7.5a — Artikel 7.5a Aanpassing vervreemdingsvoordeel bij verplaatsing werkelijke leiding#
Artikel 7.5a Aanpassing vervreemdingsvoordeel bij verplaatsing werkelijke leiding artikel 7.5, zevende lid artikel 4.19, eerste lid artikel 4.14a, eerste lid, aanhef en onderdeel b artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f artikel 4.14d Indien de belastingplichtige door een vervreemding als bedoeld in, niet langer, of uitsluitend nog vanwege de toepassing van artikel 7.5, zesde lid, een aanmerkelijk belang heeft, wordt het ingevolge artikel 7.5, zevende lid, in aanmerking te nemen vervreemdingsvoordeel, bedoeld in, vermeerderd met het negatieve bedrag dat ingevolge, als fictief regulier voordeel als bedoeld in, in aanmerking zou zijn genomen ingeval de verplaatsing van de werkelijke leiding van de vennootschap niet had plaatsgevonden en aan het einde van het kalenderjaar het bedrag van de schulden nihil zou zijn, voor zover ter zake van dat negatieve bedrag nog niet eerder een vervreemdingsvoordeel is vermeerderd op grond van. 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 01-01-2023
Artikel 7.6 — Artikel 7.6 Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang#
Artikel 7.6 Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang 1 Als verkrijgingsprijs van aandelen en winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren, geldt de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht in Nederland is geëindigd, indien bij de beëindiging van de binnenlandse belastingplicht van de belastingplichtige vervreemdingsvoordelen in aanmerking zijn genomen. 2 artikel 7.5, zevende lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na een vervreemding als bedoeld in. 3 artikelen 25 26 van de Invorderingswet 1990 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs indien deofzijn toegepast. 4 artikelen 25 26 van de Invorderingswet 1990 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen die zijn verkregen van een natuurlijk persoon bij wie ter zake van die vervreemding te conserveren inkomen is genoten, indien deofzijn toegepast. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017 15-09-2015
Artikel 7.7 — Artikel 7.7 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen#
Artikel 7.7 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 1 hoofdstuk 5 artikel 5.1 hoofdstuk 5 Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland is het voordeel dat een belastingplichtige geniet uit sparen en beleggen in Nederland, berekend volgens de regels van, met uitzondering van de ingenoemde persoonsgebonden aftrek. Het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland wordt gesteld op het met overeenkomstige toepassing van de regels vanbepaalde rendement van de rendementsgrondslag in Nederland. 2 De rendementsgrondslag in Nederland is de waarde van de bezittingen in Nederland verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen in Nederland. Bezittingen in Nederland zijn: a. in Nederland gelegen onroerende zaken; b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken en c. afdelingen 7.2 7.3 rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voorzover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking en zij niet op grond van deofzijn belast. 3 Onder in Nederland gelegen onroerende zaken worden begrepen rechten die samenhangen met de exploratie of de exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen. 4 Indien de belastingplichtige ten aanzien van een of meer bezittingen bij het begin van het kalenderjaar nog geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland geniet, of indien de belastingplichtige ten aanzien van een of meer bezittingen gedurende het kalenderjaar anders dan door overlijden ophoudt belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland te genieten, wordt eveneens uitgegaan van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland ten aanzien van die bezittingen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd. 5 afdeling 5.6 Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het met overeenkomstige toepassing vanberekende werkelijke rendement van de bezittingen in Nederland en van de schulden in verband met die bezittingen in Nederland per saldo lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland in afwijking van het eerste lid gesteld op het werkelijke rendement van die bezittingen en schulden. 2025 195 18-07-2025 14-07-2025 36706 2025 196 18-07-2025 14-07-2025 19-07-2025 01-01-2023
Artikel 7.8 — Artikel 7.8 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen#
Artikel 7.8 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen 1 artikel 7.2 hoofdstuk 3 Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van, indien deze negatief zijn, verminderd met: 1°. hoofdstuk 3 de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van, en 2°. hoofdstuk 6 de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van. 2 afdeling 7.3 artikel 6.1, tweede lid hoofdstuk 6 Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap bepaald overeenkomstig, waarbij de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in, overeenkomstig de regels vanin aanmerking worden genomen. 3 afdeling 7.4 Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland bepaald overeenkomstig, waarbij: a. artikel 6.1, tweede lid hoofdstuk 6 de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in, overeenkomstig de regels vanin aanmerking worden genomen, en b. artikel 5.3, derde lid, eerste volzin, onderdeel f, en tweede volzin , van overeenkomstige toepassing is. 4 De belastbare inkomsten uit eigen woning, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek blijven buiten aanmerking voor zover deze bij de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, bij de belastingheffing in de woonstaat of op de BES eilanden in aanmerking kunnen worden genomen. 5 Indien bij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige de omvang van een inkomensbestanddeel of van een heffingskorting afhankelijk is van zijn inkomen of dat van zijn partner, wordt voor de bepaling hiervan uitgegaan van het volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen berekende inkomen. 6 Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en: onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt ingeval de inspecteur daarom verzoekt. De inspecteur kan die belastingplichtige na dat verzoek alsnog de mogelijkheid bieden op een andere wijze aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden, bedoeld in de eerste zin, aanhef en onderdelen a of b, is voldaan aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring. a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting, 7 artikel 2.18 Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder het inkomen van de buitenlandse belastingplichtige verstaan het volgens de regels voor binnenlands belastingplichtigen berekende verzamelinkomen, bedoeld in, van die belastingplichtige, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen uitgaven voor inkomensvoorzieningen, persoonsgebonden aftrek en aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Het inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, bedoeld in het zesde lid, is het zonder de toepassing van dit artikel bepaalde gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, voor zover dat inkomen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland ter heffing is toegewezen, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. 8 Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het zesde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op vergelijkbare buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden. De aanwijzing als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, bedoeld in de eerste en tweede volzin, kan ook betrekking hebben op een deel van het jaar. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Definities#
Artikel 8.1 Definities 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. belastingtarief eerste schijf artikel 2.10, eerste lid : het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in, opgenomen percentage; b. gecombineerde inkomensheffing artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen : het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgensberekende premie voor de volksverzekeringen; c. gecombineerd heffingspercentage artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen : de som van het belastingtarief eerste schijf en de op grond vanvastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de verzekering langdurige zorg; d. gecombineerde heffingskorting : het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg; e. arbeidsinkomen: het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. 2 arbeidsinkomen Tot hetwordt tevens gerekend: a. artikel 628 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek loon genoten wegens tijdelijke inactiviteit als bedoeld in, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, voor een tijdvak van maximaal 104 weken; b. artikel 628a, eerste, derde en achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek loon genoten als garantieloon als bedoeld in; c. artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Ziektewet artikel 64 van die wet loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen en uitkeringen ingevolge de, voor zover die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van die wet nog niet is beëindigd of voor zover die voortvloeien uit een vrijwillige verzekering als bedoeld in; d. Wet arbeid en zorg uitkeringen op grond van deen aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2020 2019 219 19-06-2019 29-05-2019 35074 2019 266 18-07-2019 11-07-2019 01-01-2020
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Bedrag van de standaardheffingskorting#
Artikel 8.2 Bedrag van de standaardheffingskorting De standaardheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van: a. artikel 8.10 de algemene heffingskorting (); b. artikel 8.11 de arbeidskorting (); c. vervallen; d. vervallen; e. artikel 8.14a de inkomensafhankelijke combinatiekorting (); f. vervallen; g. vervallen; h. vervallen; i. artikel 8.16a de jonggehandicaptenkorting (); j. artikel 8.17 de ouderenkorting (); k. artikel 8.18 de alleenstaande ouderenkorting (), en l. artikel 8.19 de korting voor groene beleggingen (). 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2018
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 Berekening heffingskorting voor de inkomstenbelasting#
Artikel 8.3 Berekening heffingskorting voor de inkomstenbelasting belastingtarief eerste schijf gecombineerde heffingspercentage De heffingskorting voor de inkomstenbelasting is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als hetstaat tot het. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 8.4 — Artikel 8.4 Berekening heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering#
Artikel 8.4 Berekening heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen gecombineerde heffingspercentage De heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgensvastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering staat tot het. 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 8.5 — Artikel 8.5 Berekening heffingskorting voor de nabestaandenverzekering#
Artikel 8.5 Berekening heffingskorting voor de nabestaandenverzekering artikel 11, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen gecombineerde heffingspercentage De heffingskorting voor de nabestaandenverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgensvastgestelde premiepercentage voor de nabestaandenverzekering staat tot het. 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 8.6 — Artikel 8.6 Berekening heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg#
Artikel 8.6 Berekening heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen gecombineerde heffingspercentage De heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgensvastgestelde premiepercentage voor de verzekering langdurige zorg staat tot het. 2014 494 12-12-2014 03-12-2014 33891 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.7 — Artikel 8.7 Bijzondere regels voor de berekening van de heffingskortingen#
Artikel 8.7 Bijzondere regels voor de berekening van de heffingskortingen artikel 8.3 artikel 8.5 artikel 8.6 artikel 8.4 gecombineerde heffingspercentage artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen Bij de toepassing van,enop het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting, of de korting voor groene beleggingen betrekking heeft, wordt hetverminderd met het volgensvoor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting en de korting voor groene beleggingen in afwijking vanop nihil gesteld. 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013 2012 669 27-12-2012 20-12-2012 33403 2012 669 27-12-2012 20-12-2012 33403 01-01-2013 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 01-01-2013
Artikel 8.8 — Artikel 8.8 Maximum gecombineerde heffingskorting#
Artikel 8.8 Maximum gecombineerde heffingskorting gecombineerde heffingskorting gecombineerde inkomensheffing. Debedraagt maximaal het bedrag van de 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 8.9 — Artikel 8.9 Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner#
Artikel 8.9 Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner 1 artikel 8.8 Indien ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 de gecombineerde heffingskorting doorwordt beperkt tot een bedrag beneden het bedrag van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. 2 De verhoging van de gecombineerde heffingskorting wordt verlaagd met het bedrag van de belastingvermindering volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. 3 De belastingplichtige die uitsluitend door zijn overlijden in het kalenderjaar of het overlijden van zijn partner niet voldoet aan de voorwaarde van het eerste lid inzake het gedurende meer dan zes maanden hebben van dezelfde partner in het kalenderjaar wordt, voor de toepassing van dit artikel, geacht meer dan zes maanden dezelfde partner te hebben gehad. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025 01-01-2023
Artikel 8.9a — Artikel 8.9a Bijzondere verhoging heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-premieplichtigen#
Artikel 8.9a Bijzondere verhoging heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-premieplichtigen 1 artikel 8.9 De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting geldt voor de belastingplichtige die recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in, maar die deze verhoging als niet-premieplichtige niet volledig kan effectueren. 2 De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is gelijk aan de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, voorzover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig in Nederland zou zijn. 3 partner De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is echter niet hoger dan het gezamenlijke bedrag van de belasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en de premie voor de volksverzekeringen die zijnis verschuldigd over het belastbare inkomen uit werk en woning, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 8.10 — Artikel 8.10 Algemene heffingskorting#
Artikel 8.10 Algemene heffingskorting 1 De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. 2 De algemene heffingskorting bedraagt € 3.115, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,398% van het gedeelte van het verzamelinkomen dat meer bedraagt dan € 29.736. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 8.11 — Artikel 8.11 Arbeidskorting#
Artikel 8.11 Arbeidskorting 1 arbeidsinkomen De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige diegeniet. 2 De arbeidskorting bedraagt: arbeidsinkomen artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 25, tweede lid, van die wet Ingeval hetniet meer bedraagt dan € 45.592, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgenstoegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag. a. arbeidsinkomen 8,324% van hetmet een maximum van € 996, vermeerderd met: b. arbeidsinkomen 31,009% van hetvoor zover dat meer bedraagt dan € 11.965, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.300, alsmede vermeerderd met: c. 1,950% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 25.845, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.685, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met: d. arbeidsinkomen 6,51% van hetvoor zover dat meer bedraagt dan € 45.592. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 8.12 — Artikel 8.12 Werkbonus#
Artikel 8.12 Werkbonus Vervallen 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2018
Artikel 8.13 — Artikel 8.13 Aanvullende kinderkorting#
Artikel 8.13 Aanvullende kinderkorting Vervallen 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 2005 683 27-12-2005 15-12-2005 30306 01-01-2006
Artikel 8.14 — Artikel 8.14 Combinatiekorting#
Artikel 8.14 Combinatiekorting Vervallen 2008 565 29-12-2008 18-12-2008 31704 2008 565 29-12-2008 18-12-2008 31704 01-01-2009
Artikel 8.14a — Artikel 8.14a Inkomensafhankelijke combinatiekorting#
Artikel 8.14a Inkomensafhankelijke combinatiekorting 1 De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: Indien een kind gedurende het kalenderjaar in de huishoudens van diens beide ouders verblijft (co-ouderschap), wordt het kind voor de toepassing van onderdeel b geacht ten minste zes maanden tot de huishoudens van diens beide ouders te behoren indien hij ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. In het jaar van aanvang of beëindiging van co-ouderschap wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend indien ten minste zes maanden sprake is van co-ouderschap. a. arbeidsinkomen hij eenheeft dat meer bedraagt dan € 6.239; b. in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt tot hetzelfde huishouden als de belastingplichtige behoort; en c. arbeidsinkomen hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lagerheeft dan zijn partner. 2 arbeidsinkomen De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt 11,45% van het, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 6.239, doch niet meer dan € 3.032. 3 arbeidsinkomen Indien hetvan de belastingplichtige in het kalenderjaar gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de inkomensafhankelijke combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige. 4 Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in dat lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt met een partner gelijkgesteld: a. artikel 1.2, vierde lid, onderdeel degene die uitsluitend vanwege de toepassing vanb, niet als partner wordt aangemerkt; b. artikel 1.2 degene die ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige verblijft en uitsluitend door het ontbreken van een inschrijving op dit woonadres in de basisregistratie personen niet als partner in de zin vanwordt aangemerkt. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 8.14b — Artikel 8.14b Ouderschapsverlofkorting#
Artikel 8.14b Ouderschapsverlofkorting Vervallen 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 8.15 — Artikel 8.15 Alleenstaande-ouderkorting#
Artikel 8.15 Alleenstaande-ouderkorting Vervallen 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 8.16 — Artikel 8.16 Aanvullende alleenstaande-ouderkorting#
Artikel 8.16 Aanvullende alleenstaande-ouderkorting Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2011
Artikel 8.16a — Artikel 8.16a Jonggehandicaptenkorting#
Artikel 8.16a Jonggehandicaptenkorting 1 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van derecht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 923. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 8.17 — Artikel 8.17 Ouderenkorting#
Artikel 8.17 Ouderenkorting 1 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt. 2 De ouderenkorting bedraagt € 2.067, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het verzamelinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 46.002. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 8.18 — Artikel 8.18 Alleenstaande ouderenkorting#
Artikel 8.18 Alleenstaande ouderenkorting 1 artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van. 2 De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 540. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 8.18a — Artikel 8.18a Levensloopverlofkorting#
Artikel 8.18a Levensloopverlofkorting Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2012 2011 22888 30-12-2011 30-12-2011 DB2011/447M 2011 22888 30-12-2011 30-12-2011 DB2011/447M 01-01-2012
Artikel 8.19 — Artikel 8.19 Korting voor groene beleggingen#
Artikel 8.19 Korting voor groene beleggingen 1 artikel 5.13 partner De korting voor groene beleggingen geldt voor de belastingplichtige van wie groene beleggingen zijn vrijgesteld op grond van. Voor de belastingplichtige en zijnbij wie ingevolge artikel 5.13 een gezamenlijke vrijstelling voor groene beleggingen in aanmerking is genomen, geldt de korting voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk. 2 artikel 5.13 De korting voor groene beleggingen bedraagt 0,1% van het bedrag dat ingevolgeop de peildatum is vrijgesteld. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 8.20 — Artikel 8.20 Korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen#
Artikel 8.20 Korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen Vervallen 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 2012 321 17-07-2012 12-07-2012 33287 01-01-2013
Artikel 8.21 — Artikel 8.21 Toetrederskorting#
Artikel 8.21 Toetrederskorting Vervallen 2002 615 19-12-2002 12-12-2002 28607 2002 615 19-12-2002 12-12-2002 28607 01-01-2003 Artikel XXVII van Stb. 2002/615 bevat overgangsrecht m.b.t.
onderhavige wijziging.
Artikel 8.22 — Artikel 8.22 Toeslag voor MKB-beleggingen#
Artikel 8.22 Toeslag voor MKB-beleggingen Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2011/873. . 1 artikel 8.21 De toeslag voor MKB-beleggingen (heffingstoeslag) geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar aandelen vervreemdt ter zake waarvan hij in het kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande kalenderjaren de korting voor MKB-beleggingen, bedoeld in, heeft genoten. De toeslag bedraagt 7,5% van de waarde in het economische verkeer van de vervreemde aandelen dan wel, wanneer dat meer is, een bedrag gelijk aan de eerder ter zake van die aandelen genoten korting voor MKB-beleggingen. 2 artikel 4.16 artikel 3.55 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vervreemding mede verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in. Een aandelenfusie als bedoeld inwordt niet als een vervreemding aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen ook andere situaties worden aangegeven die niet als een vervreemding worden aangemerkt. 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 01-01-2011
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Heffing bij wege van aanslag of conserverende aanslag#
Artikel 9.1 Heffing bij wege van aanslag of conserverende aanslag 1 artikelen 2.7 2.8 De belasting, bedoeld in deen, wordt geheven bij wege van aanslag. 2 artikel 2.9 De belasting, bedoeld in, wordt geheven bij wege van conserverende aanslag. 3 artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen door middel van één belastingaanslag en voorzover de heffing plaatsvindt bij wege van conserverende aanslag, door middel van één conserverende belastingaanslag. Hierbij zijn de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt, indientoepassing vindt, die bepaling eenmaal toegepast. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Voorheffingen#
Artikel 9.2 Voorheffingen 1 De voorheffingen zijn: a. de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting; b. de geheven dividendbelasting; c. de op prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen; d. de op grond van artikel 12 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 2005/684/EG, Euratom, van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PbEU 2005, L 262), geheven gemeenschapsbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen voor zover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland is toegewezen. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt dividendbelasting slechts als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de geheven dividendbelasting in het kalenderjaar € 1.000 of minder bedraagt. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin wordt in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij: a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon die of lichaam dat in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en b. artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 deze natuurlijk persoon of dat lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld inof geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. 3 Voor de toepassing van het tweede lid: a. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt als bedoeld inof een met een gereglementeerde markt als bedoeld invergelijkbaar systeem dat gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie; b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen; c. behoren tot een samenstel van transacties ook transacties die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn aangegaan door: 1°. een lichaam waarin de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn partner, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft; 2°. de partner van de belastingplichtige of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, waarbij een partner van een kind wordt gelijkgesteld met een bloed- of aanverwant. 4 artikel 3.126a artikel 3.126a In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een lijfrenterekening als bedoeld inof een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in. 5 artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 35g van die wet Ten aanzien van een belastingplichtige die deel uitmaakt van een buitenlands gezelschap als bedoeld in, wordt ook als voorheffing aangemerkt een evenredig deel van de loonbelasting die is geheven over de door het gezelschap ontvangen gage, bedoeld in, welk evenredig deel is gerelateerd aan het aan hem toegerekende deel van de door het gezelschap ontvangen gage. 6 artikel 9.1, derde lid Indien, toepassing vindt, wordt ook als voorheffing aangemerkt de bij wijze van inhouding geheven premie voor de volksverzekeringen met uitzondering van de bij wijze van eindheffing geheven premie voor de volksverzekeringen. 7 De ingevolge dit artikel in aanmerking te nemen voorheffingen gelden niet als voorheffing voor de bij wege van conserverende aanslag te heffen belasting. 8 Voor buitenlandse belastingplichtigen wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen. 9 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van: a. de in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II, (Trb. 2001, 136) worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting; b. de in Duitsland verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel XII van het Protocol bij het op 12 april 2012 te Berlijn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123) worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting. 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 01-01-2024
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 Voorlopige teruggaaf#
Artikel 9.3 Voorlopige teruggaaf Vervallen 2007 563 27-12-2007 20-12-2007 31206 2007 563 27-12-2007 20-12-2007 31206 01-01-2009
Artikel 9.4 — Artikel 9.4 Wel of geen aanslag#
Artikel 9.4 Wel of geen aanslag 1 Een aanslag wordt vastgesteld indien: a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 58 te boven gaat; b. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan; c. artikel 2.17 de rendementsgrondslag van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 38.479 of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, de gezamenlijke rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 76.958; of d. artikel 2.17 artikel 5.13 de belastingplichtige of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, zijn partner aan het begin van het kalenderjaar groene beleggingen bezit die door de toepassing vanniet tot de rendementsgrondslag behoren. 2 In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend. 3 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing: a. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Algemene Ouderdomswet indien de belastingplichtige in het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, bereikt en een verzamelinkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit een uitkering volgens de; b. artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 5b van die wet artikel 35 35g van die wet indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter is als bedoeld in, dan wel lid is van een buitenlands gezelschap in de zin van, en zijn verzamelinkomen uitsluitend bestaat uit gage, bedoeld inof. 4 artikel 8.9, eerste lid, tweede volzin Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld waarbij ook rekening is gehouden met negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen, dan wel waarbij geheel of gedeeltelijk ten onrechte of tot een hoger bedrag dan in, is aangeduid, een verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 in aanmerking is genomen. In het laatste geval hoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner. 5 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 18 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend. 6 artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de inbedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven. 7 artikel 9.1, derde lid Indien, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 9.4a — Artikel 9.4a Beschikking bedrag rendementsgrondslag en beschikking bedrag groen beleggen#
Artikel 9.4a Beschikking bedrag rendementsgrondslag en beschikking bedrag groen beleggen 1 Gelijktijdig met de aanslag stelt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vast en vermeldt afzonderlijk op het aanslagbiljet: a. artikel 5.3, eerste lid artikel 2.17 het bedrag van de rendementsgrondslag, bedoeld in, aan het begin van het kalenderjaar, indien dit meer bedraagt dan € 38.479 of, ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, indien de gezamenlijke rendementsgrondslag van belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 76.958 (beschikking bedrag rendementsgrondslag); b. artikel 5.13 het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet behoort tot de bezittingen op grond van(beschikking bedrag groen beleggen). 2 artikel 2.17 artikel 8.19 Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, is artikel 2.17, tweede, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing voor de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. Indien artikel 2.17, tweede of derde lid, is toegepast voor de toedeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, geldt bij de toedeling van de bedragen van de rendementsgrondslag en de groene beleggingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, dezelfde verhouding. Indien de eerste volzin is toegepast voor de toedeling van het bedrag van de rendementsgrondslag, geldt bij de toedeling van het bedrag groen beleggen dezelfde verhouding. In afwijking van artikel 2.17, tweede lid, derde en vierde volzin, wordt de korting voor groene beleggingen, bedoeld in, van de belastingplichtige en zijn partner geacht bij hen op te komen in de verhouding die wordt toegepast op de rendementsgrondslag respectievelijk de groene beleggingen. 3 Indien na vaststelling van de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, de belastingaanslag wordt aangepast en blijkt dat de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, herziet de inspecteur de beschikkingen bij voor bezwaar vatbare beschikking. 4 Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan deze door de inspecteur worden herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening als bedoeld in de eerste zin opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.is van overeenkomstige toepassing. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 9.5 — Artikel 9.5 Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen#
Artikel 9.5 Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen 1 Een voorlopige aanslag wordt door de inspecteur op verzoek herzien voor zover die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. 2 Ingeval een verzoek om herziening geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij de termijn voor het instellen van bezwaar eindigt op de dag van de dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag wordt afgewezen. 3 Algemene wet bestuursrecht artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking van deenis een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar. 4 artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbeslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van een bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid. 5 artikel 2.18 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in, en de belastingrente en de revisierente, bedoeld in, geacht worden onderdeel uit te maken van de voorlopige aanslag. De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ter zake van de beschikking belastingrente ten minste zes weken na de dag van dagtekening van de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om herziening, met dien verstande dat een verzoek om herziening kan worden ingediend tot zes weken na de dag van dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXIII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.5a — Artikel 9.5a Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen#
Artikel 9.5a Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen artikel 9.5 artikel 5.2 artikel 10.6ter, tweede en vierde lid In afwijking vanwordt in de periode waarin de percentages voor banktegoeden en voor schulden, bedoeld in, nog niet ingevolge, voor het kalenderjaar zijn vastgesteld bij het opleggen van een voorlopige aanslag over dat kalenderjaar ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgegaan van bij ministeriële regeling vast te stellen percentages. Daarbij wordt het te hanteren percentage voor banktegoeden vastgesteld op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, en het percentage voor schulden op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 9.6 — Artikel 9.6 Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen#
Artikel 9.6 Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen 1 Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel. 2 In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. 3 artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Niettegenstaande het bepaalde krachtens het tweede lid wordt de aanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld door de inspecteur ambtshalve verminderd indien een verzoek daartoe is ingediend binnen de termijn, bedoeld in.is niet van toepassing. 4 Indien gegevens worden verstrekt nadat de aanslag is vastgesteld en die gegevensverstrekking uitsluitend op dezelfde wijze plaatsvindt als naar aanleiding van een uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die gegevensverstrekking aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering voor zover die gegevensverstrekking strekt tot een vermindering van de aanslag. 5 Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. 6 Voor de toepassing van dit artikel en voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep ten aanzien van de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het vijfde lid, wordt een voor bezwaar vatbare beschikking waarvan het bedrag op het aanslagbiljet van de belastingaanslag is vermeld of ingevolge het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift behoort te worden vermeld geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. 2023 509 27-12-2023 20-12-2023 36428 2023 509 27-12-2023 20-12-2023 36428 01-01-2024 Is voor het eerst van toepassing op een verstrekking van gegevens
op of na 1 januari 2024.
Artikel 9.7 — Artikel 9.7 Bijzondere regels voor massaal bezwaar#
Artikel 9.7 Bijzondere regels voor massaal bezwaar 1 hoofdstuk V, afdeling 1a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen De bepalingen vanzijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken om ambtshalve vermindering waarvoor een aanwijzing massaal bezwaar als bedoeld in het tweede lid is gegeven. 2 artikel 25c, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vankan Onze Minister ook een aanwijzing massaal bezwaar geven voor de beslissing op een groot aantal verzoeken om ambtshalve vermindering of een groot aantal bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering tezamen indien naar het oordeel van Onze Minister voor deze beslissing de beantwoording van eenzelfde rechtsvraag van belang is. 3 artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 9.6, vijfde lid In afwijking vanen, beslist de inspecteur door middel van één collectieve beslissing op verzoeken om ambtshalve vermindering waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt. De collectieve beslissing wordt bekendgemaakt door gelijktijdige kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. De collectieve beslissing is geen voor bezwaar vatbare beschikking. 4 artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vanen het derde lid beslist de inspecteur door middel van één gezamenlijke collectieve beslissing en collectieve uitspraak ingeval een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven voor de beslissing op een groot aantal bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering tezamen. 2023 509 27-12-2023 20-12-2023 36428 2023 509 27-12-2023 20-12-2023 36428 01-01-2024
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Inflatiecorrectie#
Artikel 10.1 Inflatiecorrectie 1 artikelen 2.10 2.10a 2.12 3.15, eerste lid 3.41 3.42 3.47 3.77 3.87 3.125 3.126a 3.127, tweede lid 3.129 3.133 4.17a 5.3 5.5 5.10 5.13 6.17, vierde lid 6.20 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a 8.14a 8.16a 8.17 8.18 9.4 9.4a 10.7 artikel 8.10, tweede lid Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,envermelde bedragen, het in, eerstvermelde bedrag, het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. 2 artikel 2.10, eerste lid In afwijking in zoverre van het eerste lid, tweede volzin, wordt het bedrag dat is vermeld in de eerste regel van de tweede kolom en in de tweede regel van de eerste kolom van de tabel in, berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de uitkomst van de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor – 1)). 2023 504 27-12-2023 20-12-2023 36421 2023 504 27-12-2023 20-12-2023 36421 01-01-2026
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 De tabelcorrectiefactor#
Artikel 10.2 De tabelcorrectiefactor 1 De tabelcorrectiefactor is de verhouding van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de achttiende tot en met de zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de dertigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand. 2 De prijsindexcijfers zijn de cijfers uit de «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De gemiddelde prijsindexcijfers worden berekend uit de prijsindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van de zevende respectievelijk negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand voor het eerst, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd. 3 Indien de basis voor de prijsindexcijfers wijzigt, wordt bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze wordt overgegaan op de nieuwe reeks prijsindexcijfers. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 10.2a — Artikel 10.2a Jaarlijkse aanpassing correctie tarief grondslagverminderende posten#
Artikel 10.2a Jaarlijkse aanpassing correctie tarief grondslagverminderende posten artikel 2.10, tweede lid artikel 2.10a, tweede lid Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, en, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op het verschil tussen de in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als derde en tweede vermelde percentages. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2023
Artikel 10.2b — Artikel 10.2b Contractloonontwikkelingscorrectie, percentage jaarruimte en drempelbedrag#
Artikel 10.2b Contractloonontwikkelingscorrectie, percentage jaarruimte en drempelbedrag 1 artikel 3.127, derde lid Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, eerstvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. 2 artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag De contractloonontwikkelingsfactor is de verhouding van het bedrag, genoemd in, bij het begin van het kalenderjaar tot het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het voorafgaande kalenderjaar. 3 artikel 3.127, eerste lid artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op het voor dat jaar invermelde percentage. 4 artikel 3.127, derde lid artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, laatstvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in, vermeerderd met de vakantietoeslag, te vermenigvuldigen met de factor 100/75. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 Bijstelling eigenwoningforfait#
Artikel 10.3 Bijstelling eigenwoningforfait 1 artikel 3.19, tweede lid artikel 3.112, eerste en vijfde lid Bij het begin van het kalenderjaar worden de hierna aangeduide percentages en bedragen, vermeld in, en, bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en andere bedragen. Het betreft met betrekking tot artikel 3.19, tweede lid: het laatste bedrag van de eerste kolom, het laatste bedrag van de tweede kolom, de twee bedragen in de derde kolom en de eerste vijf percentages in de derde kolom. Het betreft met betrekking tot artikel 3.112, eerste lid: het laatste bedrag van de eerste kolom, het laatste bedrag van de tweede kolom, de twee bedragen in de derde kolom en de eerste vier percentages in de derde kolom. Het betreft met betrekking tot artikel 3.112, vijfde lid: het percentage in de eerste volzin en de bedragen in de tweede volzin. 2 artikel 3.19, tweede lid artikel 3.112, eerste lid artikel 10.2 Het laatstvermelde bedrag in de eerste, tweede en derde kolom in, en in, en het in artikel 3.112, vijfde lid, tweede volzin, als eerste en als laatste vermelde bedrag, worden berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in. 3 artikel 3.112, eerste lid De in de derde kolom in artikel 3.19, tweede lid, eerstvermelde vijf percentages en het in de derde kolom in, als vierde vermelde percentage worden berekend door het te vervangen percentage te vermenigvuldigen met het product van de factor ih en de factor iw. 4 h Onder de factor iwordt verstaan: de verhouding van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaande kalenderjaar tot dat indexcijfer over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar. 5 Onder de factor iw wordt verstaan: de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het kalenderjaar. 6 artikel 3.112, eerste lid, derde kolom De in, eerstvermelde drie percentages worden achtereenvolgens berekend door het volgens het derde lid berekende, als vierde vermelde percentage in artikel 3.112, eerste lid, derde kolom, te vermenigvuldigen met 0,4, 0,6 en 0,8. 7 artikel 3.112, vijfde lid, eerste volzin Het in, vermelde percentage wordt berekend door het volgens het derde lid berekende, als vierde vermelde percentage in artikel 3.112, eerste lid, derde kolom, te vermenigvuldigen met 10/6. 8 derde kolom van artikel 3.19, tweede lid derde kolom van artikel 3.112, eerste lid Het in de, eerstvermelde bedrag wordt berekend door het volgens het tweede lid berekende laatstvermelde bedrag in de eerste kolom van artikel 3.19, tweede lid, te vermenigvuldigen met het volgens het derde lid berekende, als vijfde vermelde percentage in de derde kolom van artikel 3.19, tweede lid. Het in de, eerstvermelde bedrag wordt berekend door het volgens het tweede lid berekende laatstvermelde bedrag in de eerste kolom van artikel 3.112, eerste lid, te vermenigvuldigen met het volgens het derde lid berekende, als vierde vermelde percentage in de derde kolom van artikel 3.112, eerste lid. Het in artikel 3.112, vijfde lid, tweede volzin, als tweede vermelde bedrag wordt berekend door het volgens het tweede lid berekende eerstvermelde bedrag van artikel 3.112, vijfde lid, tweede volzin, te vermenigvuldigen met het volgens het zevende lid berekende percentage van artikel 3.112, vijfde lid, eerste volzin. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2021
Artikel 10.3a — Artikel 10.3a Geleidelijke verhoging tot en met 2016 van het percentage eigenwoningforfait bij de laatste schijf#
Artikel 10.3a Geleidelijke verhoging tot en met 2016 van het percentage eigenwoningforfait bij de laatste schijf Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 10.4 — Artikel 10.4 Bijstelling uitgaven voor een monumentenpand#
Artikel 10.4 Bijstelling uitgaven voor een monumentenpand Vervallen 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 01-01-2012
Artikel 10.5 — Artikel 10.5 Afronding en definitie indexcijfer van de woninghuren#
Artikel 10.5 Afronding en definitie indexcijfer van de woninghuren 1 artikel 10.3 artikel 10.3, tweede lid Bij de berekeningen volgensworden de percentages naar beneden afgerond tot op vijfhonderdste nauwkeurig. Bij de berekening volgens, worden de bedragen naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10 000. Indien in het voorafgaande jaar een afronding als bedoeld in de eerste of tweede volzin is toegepast, wordt bij de vervanging, bedoeld in artikel 10.3, uitgegaan van het niet-afgeronde percentage, onderscheidenlijk van het niet-afgeronde bedrag. 2 artikel 10.3 Onder indexcijfer van de woninghuren inwordt verstaan het gemiddelde van de consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens voor de woninghuur, vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin het indexcijfer voor de maand juli voor de tweede maal wordt gepubliceerd. 3 Indien de basis voor de in het tweede lid genoemde prijsindexcijfers wordt verlegd, worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt overgegaan van de oude op de nieuwe reeks prijsindexcijfers. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017
Artikel 10.6 — Artikel 10.6 Indexering vrijstelling kamerverhuur#
Artikel 10.6 Indexering vrijstelling kamerverhuur 1 artikelen 3.97 3.114 Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in deenvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de verhouding van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaande kalenderjaar tot dat indexcijfer over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. 2 Artikel 10.1, eerste lid, laatste volzin artikel 10.5, tweede en derde lid , en, zijn ook hier van toepassing. 2012 544 08-11-2012 01-11-2012 33245 2012 544 08-11-2012 01-11-2012 33245 01-01-2013 01-01-2011
Artikel 10.6bis — Artikel 10.6bis#
Artikel 10.6bis artikel 3.123a, tweede lid Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verlagen met 4,8%-punt. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 10.6ter — Artikel 10.6ter Jaarlijkse vervanging percentages forfaitair rendement uit vermogen#
Artikel 10.6ter Jaarlijkse vervanging percentages forfaitair rendement uit vermogen 1 artikel 4.14, eerste lid artikel 5.2, tweede lid, tweede zin Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, vermelde percentage na toepassing van het derde tot en met achtste lid bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op het in, als tweede vermelde percentage. 2 artikel 5.2, tweede lid, tweede zin Na afloop van het kalenderjaar wordt het in, eerstvermelde percentage bij ministeriële regeling met terugwerkende kracht tot en met het begin van het kalenderjaar vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op de door twaalf te delen som van het gemiddelde maandelijkse rendement in procenten op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, uit een periode van elf maanden, beginnend op 1 januari en eindigend op 30 november van het kalenderjaar, onder dubbeltelling van het percentage over de maand november. 3 artikel 5.2, tweede lid, tweede zin Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, als tweede vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op de som van 53% van het langetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijnrendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement op obligaties. 4 artikel 5.2, tweede lid, tweede zin Na afloop van het kalenderjaar wordt het in, als derde vermelde percentage bij ministeriële regeling met terugwerkende kracht tot en met het begin van het kalenderjaar vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op de door twaalf te delen som van het gemiddelde maandelijkse rentepercentage over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, uit een periode van elf maanden, beginnend op 1 januari en eindigend op 30 november van het kalenderjaar, onder dubbeltelling van het percentage over de maand november. 5 Het langetermijnrendement op onroerende zaken, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op het percentage dat volgt uit de formule: waarbij wordt verstaan onder: t rloz : het langetermijnrendement in procenten op onroerende zaken voor het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid; t–1 rloz : het langetermijnrendement in procenten op onroerende zaken voor het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid; t–2 roz : het rendement in procenten op onroerende zaken in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, welk rendement wordt gesteld op de procentuele verandering van het gemiddelde van de maandelijkse prijsindexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor Bestaande Koopwoningen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, ten opzichte van het gemiddelde van de maandelijkse prijsindexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor Bestaande Koopwoningen in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid. Indien de basis voor het prijsindexcijfer van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor Bestaande Koopwoningen wordt verlegd, wordt bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze wordt overgegaan op de nieuwe reeks van het prijsindexcijfer. 6 Het langetermijnrendement op aandelen voor het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op het percentage dat volgt uit de formule: waarbij wordt verstaan onder: t rla : het langetermijnrendement in procenten op aandelen voor het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid; t–1 rla : het langetermijnrendement in procenten op aandelen voor het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid; t–2 ra : het rendement in procenten op aandelen voor het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, welk rendement wordt gesteld op de procentuele verandering van de MSCI Europe Standard Gross Local Index aan het einde van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, ten opzichte van deze index aan het einde van het derde kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid. 7 Het langetermijnrendement op obligaties, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op het percentage dat volgt uit de formule: waarbij wordt verstaan onder: t rlo : het langetermijnrendement in procenten op obligaties, bedoeld in het derde lid; t–1 rlo : het langetermijnrendement in procenten op obligaties voor het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid; t–2 ro : het rendement in procenten op obligaties in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, welk rendement wordt gesteld op de gemiddelde kapitaalmarktrentevoet in procenten van de Nederlandse 10-jarige staatsobligatie met betrekking tot het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, zoals gepubliceerd door de Europese Centrale Bank. 8 De percentages, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, en de langetermijnrendementen, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden rekenkundig afgerond op twee decimalen. 2022 534 27-12-2022 21-12-2022 36204 2022 534 27-12-2022 21-12-2022 36204 01-01-2023
Artikel 10.6a — Artikel 10.6a Jaarlijkse verlaging percentage in regeling gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner#
Artikel 10.6a Jaarlijkse verlaging percentage in regeling gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner Vervallen 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023
Artikel 10.6b — Artikel 10.6b Indexering inkomensgrens en percentage algemene heffingskorting#
Artikel 10.6b Indexering inkomensgrens en percentage algemene heffingskorting 1 artikel 8.10, tweede lid Bij het begin van het kalenderjaar worden het in, vermelde percentage en het in artikel 8.10, tweede lid, laatstvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage en een ander bedrag. 2 artikel 8.10, tweede lid artikel 2.10, eerste lid Het percentage in, wordt berekend door na toepassing van het derde lid het in artikel 8.10, tweede lid, eerstvermelde bedrag te delen door het verschil tussen het in de tabel van, in de tweede kolom als laatste vermelde bedrag en het in artikel 8.10, tweede lid, laatstvermelde bedrag. Dit berekende percentage wordt rekenkundig afgerond op drie decimalen. 3 artikel 8,10, tweede lid artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Het in, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 108% van het twaalfvoud van het inbedoelde bedrag. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 10.7 — Artikel 10.7 Indexering inkomensgrenzen en percentages arbeidskorting#
Artikel 10.7 Indexering inkomensgrenzen en percentages arbeidskorting 1 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a, b en c Bij het begin van het kalenderjaar worden de in, vermelde percentages en de in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen b, c en d, eerstvermelde bedragen en het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en andere bedragen. 2 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a artikel 10.1 Het percentage in, wordt berekend door het in dat onderdeel genoemde bedrag na toepassing vante delen door het volgens het vierde lid berekende bedrag. 3 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b artikel 10.1 Het percentage in, wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing vante delen door het verschil van: a. artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 93,87% van het twaalfvoud van het inbedoelde bedrag, en b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. 4 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Het in, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 43,46% van het twaalfvoud van het inbedoelde bedrag. 5 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c artikel 10.1 Het percentage in, wordt berekend door het verschil van het in dat onderdeel na toepassing vanals tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, na toepassing van artikel 10.1 als tweede vermelde bedrag te delen door het verschil van het volgens het zevende lid berekende bedrag en het volgens het zesde lid berekende bedrag. 6 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Het in, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 93,87% van het twaalfvoud van het inbedoelde bedrag. 7 artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel d artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Het vermelde bedrag in, en het bedrag in, worden gesteld op 93,87% van 239,57% van het twaalfvoud van het inbedoelde bedrag, verminderd met € 16.325. 8 De volgens het tweede, derde en vijfde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026
Artikel 10.7a — Artikel 10.7a Indexering maximumbedrag, inkomensgrenzen en percentages werkbonus#
Artikel 10.7a Indexering maximumbedrag, inkomensgrenzen en percentages werkbonus Vervallen 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2015
Artikel 10.8 — Artikel 10.8 Verstrekken van gegevens en inlichtingen#
Artikel 10.8 Verstrekken van gegevens en inlichtingen 1 artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn aan de verplichtingen ingevolgete voldoen met betrekking tot het verstrekken van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de belastingheffing over inkomen uit werk en woning, het voordeel uit sparen en beleggen en voor de bepaling van de hoogte van de persoonsgebonden aftrekposten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan de inspecteur dienen te worden verstrekt. 2 Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 01-01-2012
Artikel 10.9 — Artikel 10.9 Rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen#
Artikel 10.9 Rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld volgens welke voor de heffing van de inkomstenbelasting de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders. 2 Natuurschoonwet 1928 Een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, is een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit ingevolge deaangewezen landgoederen en waarvan de werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van die landgoederen. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 2000 570 27-12-2000 14-12-2000 27466 01-01-2001
Artikel 10.10 — Artikel 10.10 Activa in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden#
Artikel 10.10 Activa in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden 1 artikelen 3.40 tot en met 3.47 artikel 3.51, eerste lid artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a, onder 2° artikel 3.41, tweede lid De,, en, zijn in afwijking van, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. 2 artikel 5.14, derde lid artikel 5.14, derde lid Als projecten als bedoeld in, worden mede aangemerkt projecten of categorieën van projecten, die zijn gelegen op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden ter zake waarvan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, schriftelijk is verklaard onder door hem te stellen voorwaarden met betrekking tot de controle ter zake van de omstandigheid, dat die projecten of categorieën van projecten in het belang dienen te zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Een schriftelijke verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor een project dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van de krachtens, gestelde bepalingen of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt. Een verklaring kan worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de controle. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Daarbij zal de controle op de naleving van de gestelde voorwaarden worden opgedragen aan Nederlandse ambtenaren. 4 artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk artikel 3.1 van de Belastingregeling voor het land Nederland Voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting bedoeld inrespectievelijkwordt de winst die is toe te rekenen aan de vaste inrichting die gelegen is in Aruba, Curaçao of Sint Maarten respectievelijk de BES eilanden berekend zonder inachtneming van het eerste lid. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 10.11 — Artikel 10.11 Experimenteerbepaling pensioenregeling zelfstandigen#
Artikel 10.11 Experimenteerbepaling pensioenregeling zelfstandigen 1 artikelen 1.2, 1.7 3.13 3.18 3.27 3.82 3.83 3.95 3.100 3.106 3.107 3.126 3.127 3.133 3.135 3.136 3.146 5.16a 5.17 7.2 10.8 10a.24 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 32 van de Successiewet 1956 artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 150a van de Pensioenwet Voor de toepassing van de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,en,,en, en de op die artikelen berustende bepalingen wordt onder een pensioenregeling als bedoeld in, mede verstaan een pensioenregeling als bedoeld in, waarbij wordt verstaan onder dienstjaar: jaar waarin wordt deelgenomen in een pensioenregeling op grond van artikel 150a van de Pensioenwet. 2 artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d artikel 150a van de Pensioenwet In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt voor de toepassing van, op een pensioenregeling als bedoeld inhet pensioengevend loon bepaald op basis van de inkomensbestanddelen, genoemd in, in het eerste kalenderjaar voorafgaande aan het dienstjaar, bedoeld in het eerste lid. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10bis.1 — Artikel 10bis.1 Bestaande eigenwoningschuld#
Artikel 10bis.1 Bestaande eigenwoningschuld 1 artikel 3.119a, eerste lid Onder bestaande eigenwoningschuld van de belastingplichtige wordt verstaan: de eigenwoningschuld, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, van de belastingplichtige op 31 december 2012. 2 artikel 3.119a, eerste lid Onder de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de tot de eigenwoningschuld, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, behorende schuld die: a. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige eigenwoningschuld had, in 2012 had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning, voor zover de belastingplichtige in 2013 weer een zodanige eigenwoningschuld heeft; b. in 2013 ontstaat ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot verwerving van een eigen woning; c. in 2013 ontstaat ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot het verrichten van onderhoud aan of tot verbetering van de woning, voor zover het onderhoud of de verbetering in 2013 voltooid is; d. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige eigenwoningschuld had, op enig moment vóór 31 december 2012 direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning had, indien die vervreemding het gevolg is van verhuur van de voormalige eigen woning, voor zover de belastingplichtige vóór 1 januari 2021 ter zake van diezelfde woning weer een zodanige eigenwoningschuld heeft; e. artikel 3.19, eerste lid de belastingplichtige na 31 december 2012 heeft in verband met een woning die op 31 december 2012 een woning was als bedoeld in, tot ten hoogste de omvang van de schuld die op 31 december 2012 in verband met die woning bestond, of f. de belastingplichtige in 2013, 2014, 2015 of 2016 als starterslening aangaat bij de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten. 3 Indien na 31 december 2012 op de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, van de belastingplichtige wordt afgelost, wordt het bedrag van die bestaande eigenwoningschuld verminderd met die aflossing. Onder aflossing wordt voor de toepassing van dit lid niet verstaan het in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk aflossen van een tot de bestaande eigenwoningschuld behorende schuld voor zover tot ten hoogste het afgeloste bedrag uiterlijk in het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw een schuld in verband met een eigen woning bestaat (oversluiten). Indien vanwege oversluiten van een schuld van de belastingplichtige gezamenlijk bij de belastingplichtige en zijn partner opnieuw een schuld bestaat in verband met een eigen woning, kan deze schuld, in afwijking in zoverre van de tweede zin, tot ten hoogste het afgeloste bedrag naar rato van het schuldaandeel in de gezamenlijke schuld en tot uiterlijk het tijdstip waarop de termijn van 30 jaar, bedoeld in artikel 10bis.10, bij de belastingplichtige zou verstrijken, bij de belastingplichtige en zijn partner worden aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld. 4 artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht artikel 10bis.2, zesde lid Indien na een verrekening op grond vanvan een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld, uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgevonden opnieuw een schuld wordt aangegaan, wordt deze opnieuw aangegane schuld tot het beloop van die verrekening geacht te zijn aangegaan in verband met een eigen woning. De eerste zin vindt alleen toepassing voor zover in samenhang met de opnieuw aangegane schuld weer een spaarrekening eigen woning wordt geopend als bedoeld in. 5 Indien ten aanzien van de belastingplichtige op enig moment na 31 december 2012 twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt, wordt de schuld in verband met de tweede eigen woning mede aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid, voor zover de schuld ten behoeve van die tweede eigen woning de bestaande eigenwoningschuld in verband met de eerste eigen woning niet overtreft. 6 Indien ten aanzien van de belastingplichtige op of na 31 december 2012 twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens een van die woningen niet langer als eigen woning wordt aangemerkt, wordt de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, van de belastingplichtige verminderd met de tot de eigenwoningschuld behorende schuld die de belastingplichtige had in verband met de woning die niet langer als eigen woning wordt aangemerkt. 7 artikel 10bis.10 Voor zover krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden of krachtens erfrecht een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid van een van de partners overgaat op de andere partner, is deze schuld tot uiterlijk het tijdstip waarop de termijn van 30 jaar, bedoeld in, bij de eerstgenoemde partner zou verstrijken, bij die andere partner een bestaande eigenwoningschuld. Indien, op een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid is afgelost, en een van de partners overlijdt, kan, voor zover de langstlevende partner binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, opnieuw een schuld aangaat in verband met een eigen woning, deze schuld, in afwijking in zoverre van het derde lid, tot ten hoogste het afgeloste bedrag worden aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld. 8 artikel 10bis.10 Indien de belastingplichtige de partner van de erflater was, wordt als een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid van de belastingplichtige tot uiterlijk het tijdstip waarop de termijn van 30 jaar, bedoeld in, bij de erflater zou zijn verstreken mede aangemerkt een schuld voor een eigen woning waarvan de belastingplichtige op grond van een krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of recht van gebruik gehouden is de kosten en lasten te dragen en die bij de erflater een bestaande eigenwoningschuld was. 9 artikelen 3.111 3.119a, tweede lid 3.119aa, vierde lid Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de,, en, van overeenkomstige toepassing. 10 Het derde lid, tweede en derde zin, is niet van toepassing op een starterslening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat wordt verstaan onder een starterslening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f. 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 01-01-2022
Artikel 10bis.2 — Artikel 10bis.2 Kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 10bis.2 Kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning 1 artikel 3.116, tweede lid artikel 3.116a, tweede lid Een kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning is een op 31 december 2012 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, een op 31 december 2012 bestaande spaarrekening eigen woning als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, onderscheidenlijk een op 31 december 2012 bestaand beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, derde lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, indien het ter zake van het betreffende product overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst, zoals die luidde op 31 december 2012, te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd. 2 artikel 3.116, tweede lid Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, die: a. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige kapitaalverzekering eigen woning had, in 2012 had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning, voor zover de belastingplichtige in 2013 weer een zodanige kapitaalverzekering eigen woning heeft, waarvan het ter zake overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te betalen bedrag, niet hoger is dan dat op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van de eigen woning; b. in 2013 wordt overeengekomen ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot verwerving van een eigen woning; c. in 2013 wordt overeengekomen ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot het verrichten van onderhoud aan of tot verbetering van de woning, voor zover het onderhoud of de verbetering in 2013 voltooid is, of d. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige kapitaalverzekering eigen woning had, op enig moment vóór 31 december 2012 direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning had, indien die vervreemding het gevolg is van verhuur van de voormalige eigen woning of van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn en diezelfde kapitaalverzekering vóór 1 januari 2021 ter zake van diezelfde woning weer is aan te merken als zodanige kapitaalverzekering eigen woning. 3 Indien een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in het eerste lid geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen en diezelfde kapitaalverzekering uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar weer voldoet aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt de laatstgenoemde verzekering geacht een kapitaalverzekering eigen woning te zijn. 4 Bij toepassing van het derde lid vindt de aldaar opgenomen beperking in de tijd tot uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar geen toepassing indien de uitkering, bedoeld in het derde lid, het gevolg is van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn of van verhuur van de voormalige eigen woning en de belastingplichtige de voormalige eigen woning weer bewoont waardoor die woning weer een eigen woning is. 5 artikel 3.116, tweede lid Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel d, het derde lid en het vierde lid wordt de aangegroeide rente in de periode dat de kapitaalverzekering geen kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, is, in de betreffende periode aangemerkt als premie. 6 artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht artikel 10bis.1, vierde lid In geval van verrekening op grond vanvan een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld wordt, indien uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgevonden een vervangende spaarrekening wordt aangegaan, deze nieuwe spaarrekening tot het beloop van die verrekening aangemerkt als voortzetting van de voorgaande spaarrekening eigen woning, mits in samenhang met die spaarrekening weer een schuld wordt aangegaan als bedoeld in. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 552 19-12-2013 11-12-2013 01-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet
financiële markten 2014 (Stb. 2013/487) in werking treedt.
Artikel 10bis.2a — Artikel 10bis.2a Verlenging termijn kapitaalverzekering eigen woning#
Artikel 10bis.2a Verlenging termijn kapitaalverzekering eigen woning 1 artikel 10bis.2, eerste lid artikel 3.116, tweede lid artikel 10bis.1, eerste lid Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, wordt mede verstaan een op 31 maart 2013 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, mits het ter zake van die verzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te bereiken doelvermogen niet hoger is dan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, op het moment van aangaan van de kapitaalverzekering. 2 artikel 10bis.2, eerste lid artikel 3.116, tweede lid artikel 10bis.1, eerste lid Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, wordt mede verstaan een op 31 december 2013 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2012, mits het ter zake van die verzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te bereiken doelvermogen niet hoger is dan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, op het moment van aangaan van de kapitaalverzekering en de verzekeraar, financiële instelling, tussenpersoon of bemiddelaar uiterlijk op 31 maart 2013 ter zake van het verlengen van de looptijd, het aangaan of het verhogen van de kapitaalverzekering van de belastingplichtige: a. een schriftelijk verzoek heeft ontvangen; b. een mondeling verzoek heeft ontvangen en de belastingplichtige uiterlijk op 31 maart 2013 een schriftelijke ontvangstbevestiging van dat verzoek heeft ontvangen; c. een mondeling verzoek heeft ontvangen en de belastingplichtige uiterlijk op 31 maart 2013 een schriftelijke afwijzing van dat verzoek heeft ontvangen; d. de aanvaarding heeft ontvangen in reactie op een daartoe strekkend aanbod. 3 artikel 10bis.1 Indien de belastingplichtige een bestaande eigenwoningschuld heeft als bedoeld inen daarnaast een kapitaalverzekering heeft die slechts als gevolg van het in de overeenkomst ontbreken van de bepaling dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld, niet kwalificeert als kapitaalverzekering eigen woning en de belastingplichtige de genoemde bepaling voor 1 april 2013 alsnog opneemt in de overeenkomst, kwalificeert de genoemde kapitaalverzekering vanaf dat moment als kapitaalverzekering eigen woning, mits het ter zake van de kapitaalverzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst, zoals die luidde op 31 december 2012, te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 10bis.2b — Artikel 10bis.2b Overeenkomstige toepassing#
Artikel 10bis.2b Overeenkomstige toepassing Artikel 10bis.2, tweede tot en met vijfde lid artikel 10bis.2a , enzijn van overeenkomstige toepassing op de spaarrekening eigen woning en op het beleggingsrecht eigen woning. Daarbij wordt gelezen voor: a. de premie: het naar de rekening, onderscheidenlijk naar de beheerder, overgemaakte bedrag; b. tot uitkering komen: deblokkeren. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 10bis.3 — Artikel 10bis.3 Belastbare inkomsten uit eigen woning#
Artikel 10bis.3 Belastbare inkomsten uit eigen woning artikel 3.110 Onder de belastbare inkomsten uit eigen woning, bedoeld in, worden mede begrepen het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning, het voordeel uit spaarrekening eigen woning en het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 10bis.4 — Artikel 10bis.4 Voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning#
Artikel 10bis.4 Voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning 1 Het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning is de rente die is begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die dient ter aflossing van de eigenwoningschuld. 2 Van een kapitaalverzekering eigen woning is sprake zolang de verzekeringnemer of zijn partner een eigen woning heeft en: a. in de overeenkomst is bepaald dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld; b. in de overeenkomst is bepaald dat jaarlijks premies ter zake van de verzekering worden voldaan waarbij de hoogste premie niet meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie; c. de verzekering recht geeft op een eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden; d. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht de premies voor de verzekering verschuldigd zijn aan een levensverzekeraar als bedoeld in. 3 Een kapitaalverzekering eigen woning wordt geacht geheel tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde, indien: De hoogte van de uitkering wordt voor de toepassing van de eerste volzin gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering. a. de verzekering niet meer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid; b. artikel 10bis.8 de verzekering wordt afgekocht, behoudens voor zover sprake is van omzetting als bedoeld in; c. de verzekering wordt vervreemd, behoudens voor zover de verzekering in het kader van het aangaan of beëindigen van een partnerschap wordt omgezet in een of meer andere soortgelijke verzekeringen voor een of beide partners of voormalige partners; d. de verzekering wordt ingebracht in het vermogen van een onderneming; e. de verzekering gedeeltelijk tot uitkering komt dan wel, indien de verzekering recht geeft op eenmalige uitkeringen bij leven of overlijden van meer dan een verzekerde, per verzekerde gedeeltelijk tot uitkering komt; f. niet jaarlijks premies ter zake van de verzekering worden voldaan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, dan wel de hoogste premie meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie; g. de verzekering een looptijd van 30 jaar heeft overschreden, of h. het overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012 na 31 december 2012 wordt verhoogd, of bij het ontbreken van een gegarandeerd kapitaal, het op grond van de betreffende overeenkomst zoals die luidde op 31 december 2012 te betalen bedrag na 31 december 2012 wordt verhoogd of de looptijd na 31 december 2012 wordt verlengd. 4 Indien de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, de begunstigde anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, wordt de kapitaalverzekering eigen woning geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde en de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de verzekeringnemer, onderscheidenlijk de begunstigde, voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn. 5 Indien bij de belastingplichtige ingevolge het vierde lid een uitkering in aanmerking is genomen ter zake waarvan een conserverende aanslag is opgelegd en de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig is en in de tussentijd: wordt op diens verzoek het geconserveerde inkomen van het jaar waarin de uitkering in aanmerking is genomen, verlaagd met de waarde van die uitkering voor zover deze waarde tot het geconserveerde inkomen is gerekend. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. a. artikel 3.111 zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen woning te zijn in de zin van; b. de belastingplichtige niet een voordeel heeft genoten als bedoeld in het eerste lid; en c. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid; 6 De rente begrepen in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft wat ter zake van de verzekering aan premies is voldaan. 7 Onder premies ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning worden mede begrepen: a. bij een uitkering bij leven: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen bij overlijden of uitkeringen of vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, voor zover die uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij leven; b. bij een uitkering bij overlijden: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen bij leven, uitkeringen of vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit of uitkeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval, voor zover die uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij overlijden. 8 Indien een kapitaalverzekering eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die na 14 september 1999 tot stand gekomen is en die geen kapitaalverzekering eigen woning was, wordt op het moment dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, indien dat uiterlijk op 31 maart 2013 het geval is, mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering eigen woning aangemerkt de waarde in het economische verkeer van de oude polis verminderd met de daarop gestorte premies (overschot). Voor de beoordeling van de voorwaarde of de hoogste en de laagste premie blijft binnen de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde bandbreedte, blijft het overschot buiten aanmerking. 9 artikel 2.8 Als te conserveren inkomen als bedoeld in, worden mede aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van het vierde lid. 10 artikel 3.146 In afwijking van het bepaalde in, wordt de in het derde en vierde lid bedoelde waarde in het economische verkeer van de kapitaalverzekering eigen woning geacht te zijn genoten op het tijdstip van de fictieve uitkering. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2017 91 16-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 10bis.5 — Artikel 10bis.5 Voordeel uit spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 10bis.5 Voordeel uit spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning 1 Het voordeel uit spaarrekening eigen woning is het rendement dat op het tijdstip van deblokkering is begrepen in het tegoed van een spaarrekening eigen woning. Het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning is het rendement dat op het tijdstip van deblokkering is begrepen in de waarde van een beleggingsrecht eigen woning. 2 Van een spaarrekening eigen woning is sprake indien het betreft een rekening bij een bank waarbij de volgende voorwaarden in acht worden genomen: a. de rekeninghouder of zijn partner heeft een eigen woning met een eigenwoningschuld; b. de rekening is geblokkeerd en wordt slechts eenmalig gedeblokkeerd ter aflossing van de eigenwoningschuld; c. er wordt jaarlijks een bedrag naar de rekening overgemaakt waarbij het hoogste totaal van in een jaar naar de rekening overgemaakte bedragen niet meer bedraagt dan het tienvoud van het laagste totaal van in een jaar overgemaakte bedragen; ingeval een spaarrekening met ingang van enig tijdstip wordt aangeduid als spaarrekening eigen woning wordt het op dat tijdstip aanwezige tegoed aangemerkt als eerste overmaking; d. de op de rekening genoten inkomsten worden bijgeboekt op de rekening; bij deblokkering in de loop van het tijdvak waarover inkomsten worden genoten, vindt eerst nog bijboeking van die inkomsten plaats voordat tot deblokkering wordt overgegaan; e. Wet op het financieel toezicht de bank is een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen. 3 Van een beleggingsrecht eigen woning is sprake indien het betreft bij een beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten aangehouden rechten van deelneming in die instelling waarbij de volgende voorwaarden in acht worden genomen: a. de eigenaar van het beleggingsrecht of zijn partner heeft een eigen woning met een eigenwoningschuld; b. het beleggingsrecht is geblokkeerd en wordt slechts eenmalig gedeblokkeerd ter aflossing van de eigenwoningschuld; c. er wordt jaarlijks een bedrag naar de beheerder overgemaakt ter verkrijging van rechten van deelneming waarbij het hoogste totaal van in een jaar naar de beheerder overgemaakte bedragen niet meer bedraagt dan het tienvoud van het laagste totaal van in een jaar overgemaakte bedragen; ingeval een beleggingsrecht met ingang van enig tijdstip wordt aangeduid als beleggingsrecht eigen woning wordt de waarde in het economische verkeer van het recht op dat tijdstip aangemerkt als eerste overmaking; d. het met het beleggingsrecht behaalde rendement wordt aangewend ter verkrijging van rechten van deelneming die tot het beleggingsrecht gaan behoren; e. Wet op het financieel toezicht de beheerder is een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten mag uitoefenen. 4 Een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning wordt geacht geheel te zijn gedeblokkeerd indien: a. op enig tijdstip de spaarrekening, onderscheidenlijk het beleggingsrecht, niet meer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid, onderscheidenlijk van het derde lid; b. de spaarrekening, onderscheidenlijk het beleggingsrecht, wordt vervreemd of verdeeld, behoudens voor zover sprake is van vervreemding of verdeling in het kader van het aangaan of beëindigen van een partnerschap en de spaarrekening, onderscheidenlijk het beleggingsrecht, wordt gecontinueerd als een spaarrekening eigen woning, onderscheidenlijk beleggingsrecht eigen woning; c. de spaarrekening, onderscheidenlijk het beleggingsrecht, wordt ingebracht in het vermogen van een onderneming; d. de spaarrekening, onderscheidenlijk het beleggingsrecht, gedeeltelijk wordt gedeblokkeerd; e. 30 jaren zijn verstreken na de eerste overmaking op de spaarrekening, onderscheidenlijk na de eerste overmaking naar de beheerder van de beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten; f. de rekeninghouder van de spaarrekening, onderscheidenlijk de eigenaar van het beleggingsrecht, komt te overlijden; in dat geval wordt de deblokkering geacht te hebben plaatsgevonden op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip; er wordt geen deblokkering verondersteld bij een continuering als bedoeld in onderdeel b, of g. het overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012 na 31 december 2012 wordt verhoogd, of bij het ontbreken van een gegarandeerd kapitaal, het op grond van de betreffende overeenkomst zoals die luidde op 31 december 2012 te betalen bedrag na 31 december 2012 wordt verhoogd of de looptijd na 31 december 2012 wordt verlengd. 5 Artikel 10bis.4, vierde en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. Daarbij wordt gelezen voor: a. verzekeringnemer: rekeninghouder van een spaarrekening eigen woning, onderscheidenlijk eigenaar van een beleggingsrecht eigen woning; b. kapitaalverzekering eigen woning: spaarrekening eigen woning, onderscheidenlijk beleggingsrecht eigen woning; c. tot uitkering te zijn gekomen: te zijn gedeblokkeerd. 6 Het rendement begrepen in een tegoed van een spaarrekening eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee het tegoed de naar de spaarrekening overgemaakte bedragen overtreft. Het rendement begrepen in de waarde van een beleggingsrecht eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee de waarde van het recht de naar de beheerder overgemaakte bedragen overtreft. 7 artikel 3.146 In afwijking van het bepaalde in, is ingeval het vierde of vijfde lid toepassing vindt, het tijdstip waarop geacht wordt deblokkering te hebben plaatsgevonden het tijdstip van genieten van het voordeel uit spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning. 8 artikel 9.2, eerste lid In afwijking van, wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning. 9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2017 91 16-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 10bis.6 — Artikel 10bis.6 Vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning#
Artikel 10bis.6 Vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning 1 Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan € 207.500 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld; b. ter zake van de verzekering jaarlijks premies zijn voldaan en c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste. 2 De in het eerste lid, onderdeel a, genoemde voorwaarde geldt niet indien: a. de verzekeringnemer of zijn partner geen eigen woning meer ter beschikking staat en ter zake daarvan de verzekering tot uitkering is gekomen of wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen of b. artikel 10bis.4, vierde lid de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen door het ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn als bedoeld in. 3 artikel 10bis.7 Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt verminderd met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking is genomen, alsmede met het tegoed van een spaarrekening eigen woning dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van de vrijstelling vanin aanmerking is genomen en met de waarde van een beleggingsrecht eigen woning dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van de vrijstelling van genoemd artikel in aanmerking is genomen. 4 Indien op het tijdstip van de uitkering het bedrag van de eigenwoningschuld lager is dan het op grond van het eerste en het derde lid bepaalde bedrag, wordt het in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde bedrag vervangen door het bedrag van de eigenwoningschuld. Indien de uitkering plaatsvindt binnen zes maanden na vervreemding van een eigen woning waarbij het bedrag van de eigenwoningschuld onmiddellijk na die vervreemding lager is dan het bedrag van de eigenwoningschuld van die woning onmiddellijk voorafgaande aan die vervreemding, wordt het in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde bedrag in afwijking van de eerste volzin vervangen door het bedrag van de eigenwoningschuld van die woning voorafgaande aan die vervreemding, voor zover dat niet hoger is dan het in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde bedrag. 5 artikel 10bis.4, achtste lid Indien de belastingplichtige een levensverzekering heeft die ten aanzien van hem tot enig moment heeft voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning en ter zake van die verzekering binnen drie jaren na dat moment wederom wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op deze verzekering. De rente begrepen in de in de eerste volzin bedoelde verhoging, komt in mindering op het overschot, bedoeld in. 6 Bij toepassing van het vijfde lid vindt de aldaar genoemde termijn van drie jaren geen toepassing indien het niet langer voldoen aan de voorwaarden het gevolg is van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn of van verhuur van de voormalige eigen woning. Indien de binnenlandse belastingplicht is beëindigd of de verhuur is aangevangen voor 1 januari 2013, geldt de in het vijfde lid genoemde termijn van drie jaren niet, mits de belastingplichtige voor 1 januari 2021 de voormalige eigen woning weer bewoont waardoor die woning weer een eigen woning is. 7 artikel 10bis.4, vierde lid Indien bij de belastingplichtige ingevolge, een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking is genomen en de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig is en: wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op die kapitaalverzekering. a. artikel 3.111 zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen woning te zijn in de zin van; b. artikel 10bis.4, eerste lid de belastingplichtige ter zake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een voordeel heeft genoten als bedoeld in; en c. artikel 10bis.4, derde lid ter zake van die kapitaalverzekering zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in; 8 Indien één of meer kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komen door het overlijden van de partner wordt het op grond van de voorgaande leden vast te stellen bedrag ten behoeve van de langstlevende partner verhoogd met het bedrag dat de overleden partner ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. Deze verhoging kan niet groter zijn dan het totale bedrag dat uit levensverzekering wordt uitgekeerd ten gevolge van het overlijden van de partner. 9 Indien één of meer kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komen door het overlijden van een persoon die geen partner is van de begunstigde, geldt voor de begunstigde ten aanzien van deze verzekeringen in plaats van het op grond van de voorgaande leden vast te stellen bedrag het bedrag dat de overleden persoon ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. Indien verschillende begunstigden een uitkering als bedoeld in de eerste volzin ontvangen, geldt voor de begunstigde onverkort hetgeen daar is bepaald met dien verstande dat het daar bedoelde bedrag dat de overleden persoon nog in aanmerking had kunnen nemen naar rato van de uitkeringen aan onderscheiden begunstigden in aanmerking wordt genomen. 10 Voor zover een uitkering uit kapitaalverzekering eigen woning heeft gediend als aflossing van een schuld die heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning, wordt mede geacht te zijn voldaan aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 10bis.7 — Artikel 10bis.7 Vrijstelling spaarrekening eigen woning en vrijstelling beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 10bis.7 Vrijstelling spaarrekening eigen woning en vrijstelling beleggingsrecht eigen woning artikel 10bis.6 artikel 10bis.5, vierde lid, onderdeel f Met betrekking tot het voordeel uit spaarrekening eigen woning of het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning geldt een vrijstelling waarvan de omvang wordt berekend met overeenkomstige toepassing van, met dien verstande dat artikel 10bis.6, achtste en negende lid, slechts toepassing vindt bij een continuering als bedoeld in. artikel 10bis.5, vijfde lid, tweede volzin Bij de toepassing van de eerste volzin is, van overeenkomstige toepassing en wordt voorts voor premies gelezen: naar een spaarrekening eigen woning overgemaakte bedragen, onderscheidenlijk naar een beheerder van een beleggingsrecht overgemaakte bedragen. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2017 91 16-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 10bis.8 — Artikel 10bis.8 Omzetting kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 10bis.8 Omzetting kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning 1 Voor zover een kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning wordt omgezet in een andere soortgelijke verzekering, een andere soortgelijke spaarrekening of een ander soortgelijk beleggingsrecht, en indien het overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst zoals die luidde op 31 december 2012 te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd, wordt de laatstgenoemde verzekering, de laatstgenoemde spaarrekening, onderscheidenlijk het laatstgenoemde beleggingsrecht, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht een voortzetting te zijn van de eerstgenoemde verzekering, de eerstgenoemde spaarrekening, onderscheidenlijk het eerstgenoemde beleggingsrecht. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 10bis.9 — Artikel 10bis.9 Eigenwoningschuld en eigenwoningreserve#
Artikel 10bis.9 Eigenwoningschuld en eigenwoningreserve 1 artikel 3.119a, eerste lid artikel 10bis.1, eerste lid Onder eigenwoningschuld als bedoeld in, wordt mede verstaan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, voor zover deze niet door de toepassing van de eigenwoningreserve is verminderd. 2 artikel 3.119aa, eerste lid artikel 10bis.10, derde en vierde lid Voor de toepassing van, worden tot de eigenwoningschuld mede gerekend de schulden, bedoeld in. 3 artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht artikel 10bis.1, vierde lid artikel 3.119aa Indien na verrekening op grond vanvan een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgehad opnieuw een schuld is aangegaan als bedoeld in, wordt in de tussenliggende periode voor de toepassing vantot het beloop van de verrekening geacht geen sprake te zijn van een vervreemding. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 552 19-12-2013 11-12-2013 01-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet
financiële markten 2014 (Stb. 2013/487) in werking treedt.
Artikel 10bis.10 — Artikel 10bis.10 Aftrekbare kosten eigen woning#
Artikel 10bis.10 Aftrekbare kosten eigen woning 1 artikel 10bis.1, eerste lid artikel 10bis.1, derde lid De renten van schulden die behoren tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, worden gedurende ten hoogste 30 jaren in aanmerking genomen als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. De duur van de termijn van 30 jaren vangt aan bij het begin van het eerste tijdvak waarop de renten van deze schulden, die als bestanddeel van het inkomen uit werk en woning in aftrek zijn gebracht, betrekking hadden en eindigt op het tijdstip waarop de gehele schuld wordt afgelost. Indien een tot de bestaande eigenwoningschuld behorende schuld wordt overgesloten als bedoeld in, worden de renten slechts in aanmerking genomen voor zover de termijn van 30 jaren nog niet is verstreken. 2 artikel 3.111, tweede of derde lid artikel 10bis.1, eerste lid Indien, van toepassing is, kunnen de renten van de bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in, als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aanmerking worden genomen, tenzij ter zake van die schuld of een gedeelte daarvan de termijn van 30 jaren reeds is verstreken. Voor het gedeelte van de schuld dat overeenstemt met de laatste omvang van het totaal van de schulden op het moment direct voorafgaand aan de verwerving van de tweede eigen woning, die zijn aangegaan voor de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, en waarvoor op grond van het eerste lid een termijn van 30 jaren in aanmerking wordt genomen, heeft in afwijking in zoverre van het eerste lid dat gedeelte geen invloed op de duur van de termijn van 30 jaren. 3 artikel 10bis.1, eerste lid Tot de aftrekbare kosten van een eigen woning worden niet gerekend renten van schulden, kosten van geldlening daaronder begrepen, die behoren tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, aangegaan ter verwerving van de eigen woning of een gedeelte daarvan, indien de eigen woning of een gedeelte daarvan direct of indirect is verkregen van de partner van de belastingplichtige, voor zover het totaal van de schulden die de belastingplichtige en zijn partner zijn aangegaan ter verwerving van de woning, na deze verkrijging meer bedraagt dan vóór de vervreemding van de woning of een gedeelte daarvan door zijn partner. 4 artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a artikel 10bis.1, eerste lid Voor de toepassing van, worden renten van schulden die betrekking hebben op per 31 december 1995 bestaande schulden, die behoren tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in, voor zover deze schulden per die datum verzekerd waren door een hypotheek op een eigen woning en zulks nog steeds zijn met betrekking tot dezelfde woning, aangemerkt als aftrekbare kosten die verband houden met de eigen woning waarop de hypotheek is gevestigd. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 10bis.11 — Artikel 10bis.11 Aftrekbare kosten na eerder gebruik vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 10bis.11 Aftrekbare kosten na eerder gebruik vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning 1 artikel 3.118 artikel 10bis.6 De tot de bestaande eigenwoningschuld behorende schulden worden slechts in aanmerking genomen tot ten hoogste het bedrag dat is aangewend voor de verwerving van de eigen woning verminderd met het gedeelte van het bedrag van de uitkeringen uit kapitaalverzekeringen eigen woning ter zake waarvan de daarin begrepen rente eerder op grond van, zoals dat artikel luidde op 31 december 2012, ofniet als voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning is aangemerkt. 2 artikel 3.118 artikel 10bis.6 Indien de belastingplichtige een eigen woning verwerft en ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning in een van de drie daaraan voorafgaande jaren, zoals dat artikel luidde op 31 december 2012, oftoepassing heeft gevonden en deze verzekering bij de verwerving een kapitaalverzekering eigen woning wordt, wordt vanaf dat tijdstip voor de toepassing van het eerste lid artikel 3.118, zoals dat artikel luidde op 31 december 2012, onderscheidenlijk artikel 10bis.6, geacht geen toepassing te hebben gevonden. 3 artikel 10bis.6, zesde lid Bij toepassing van het tweede lid vindt de aldaar genoemde termijn van drie jaren geen toepassing indien, van toepassing is. 4 artikel 10bis.4, vierde lid Indien bij de belastingplichtige op grond van, een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking is genomen, en zolang: artikel 10bis.4, vierde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid de uitkering uit die kapitaalverzekering eigen woning op grond van, genegeerd. a. artikel 3.111 zich niet een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van; b. artikel 10bis.4, eerste lid de belastingplichtige ter zake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een voordeel geniet als bedoeld in; en c. artikel 10bis.4, derde lid ter zake van die kapitaalverzekering eigen woning zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in; 5 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij een spaarrekening eigen woning en een beleggingsrecht eigen woning. Ter zake kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2017 91 16-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 10bis.11a — Artikel 10bis.11a Verzoek gezamenlijk genieten kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning#
Artikel 10bis.11a Verzoek gezamenlijk genieten kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning 1 artikel 2.17 Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing vangeacht wordt te hebben gehad, wordt op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner een uitkering uit kapitaalverzekering eigen woning, een gedeblokkeerd tegoed van een spaarrekening eigen woning of een gedeblokkeerde waarde van een beleggingsrecht eigen woning bij leven geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen. 2 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan in de aangifte over het jaar waarin de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering is gekomen, de spaarrekening eigen woning is gedeblokkeerd of het beleggingsrecht eigen woning is gedeblokkeerd. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 10bis.12 — Artikel 10bis.12 Indexatie#
Artikel 10bis.12 Indexatie artikel 10bis.6, eerste lid artikel 10.2 Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in, vermelde bedrag bij ministeriële regeling gewijzigd in een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te wijzigen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij wijziging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2017 91 16-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 10a.1 — Artikel 10a.1 Overgangsrecht in verband met afschaffing per 1 januari 2006 van premieaftrek voor overbruggingslijfrenten#
Artikel 10a.1 Overgangsrecht in verband met afschaffing per 1 januari 2006 van premieaftrek voor overbruggingslijfrenten 1 artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c Op aanspraken die uitsluitend dan wel mede betrekking hebben op lijfrenten als bedoeld in, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, blijven de op die datum geldende bepalingen die verband houden met de aanspraken op dergelijke lijfrenten van toepassing, voor zover de aanspraken voortvloeien uit premies die vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. 2 artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, worden die premies geacht geen betrekking te hebben op lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c. 3 artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c artikel 3.133, eerste lid Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die uitsluitend of mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, is aanwending van opgebouwde aanspraken voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c slechts mogelijk tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op 31 december 2005. Voor zover de in de eerste volzin bedoelde aanspraken tot een hoger bedrag dan de aldaar bedoelde waarde worden aangewend voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c, is, van overeenkomstige toepassing. 2005 115 10-03-2005 24-02-2005 29760 2005 115 10-03-2005 24-02-2005 29760 01-01-2006
Artikel 10a.2 — Artikel 10a.2 artikel 3.29b Overgangsbepaling waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten vanwege invoering#
Artikel 10a.2 artikel 3.29b Overgangsbepaling waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten vanwege invoering artikel 3.29b De waardering van onderhanden werk en onderhanden opdrachten overeenkomstigvindt voor de eerste keer toepassing aan het einde van het eerste boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari 2007. 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 10a.3 — Artikel 10a.3 artikel 3.30 artikel 3.30a Overgangsbepaling afschrijving op bedrijfsmiddelen vanwege wijzigingen invoering#
Artikel 10a.3 artikel 3.30 artikel 3.30a Overgangsbepaling afschrijving op bedrijfsmiddelen vanwege wijzigingen invoering 1 Artikel 3.30, tweede lid artikel 3.30a , onderscheidenlijk, vindt ook toepassing met betrekking tot goodwill en andere bedrijfsmiddelen, onderscheidenlijk gebouwen, ter zake waarvan vóór 1 januari 2007 voor de verwerving of verbetering verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt, met dien verstande dat wat betreft goodwill en andere bedrijfsmiddelen het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend op jaarbasis ten hoogste bedraagt: a. met betrekking tot goodwill, 12/(120-V) x boekwaarde van de goodwill op 1 januari 2007, en b. met betrekking tot andere bedrijfsmiddelen, 12/(60-V) x boekwaarde van het bedrijfsmiddel op 1 januari 2007, waarbij V voorstelt: het aantal maanden dat de belastingplichtige vóór 1 januari 2007 reeds heeft afgeschreven op de goodwill, onderscheidenlijk het andere bedrijfsmiddel. 2 artikel 3.30, tweede lid artikel 3.30a Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, vinden, envoor het eerst toepassing met betrekking tot het boekjaar dat op of na 1 januari 2007 aanvangt. Alsdan wordt voor de toepassing van het eerste lid en het derde lid voor «1 januari 2007» gelezen de datum van aanvang van het in de eerste volzin bedoelde boekjaar. 3 artikel 3.30a Met betrekking tot een gebouw dat vóór 1 januari 2007 reeds tot het ondernemingsvermogen of resultaatvermogen van de belastingplichtige behoorde en waarop de belastingplichtige reeds vóór 1 januari 2007 heeft afgeschreven doch nog niet gedurende tenminste drie jaren, vindtvoor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin die drie jaren zijn geëindigd. 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 10a.4 — Artikel 10a.4 artikel 3.20 Overgangsbepaling bijin verband met de wijziging van artikel 3.20 per 1 januari 2017.#
Artikel 10a.4 artikel 3.20 Overgangsbepaling bijin verband met de wijziging van artikel 3.20 per 1 januari 2017. 1 artikel 3.20, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel a In afwijking van, wordt voor een auto met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 als onttrekking als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, eerste volzin, onderdeel a, op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto in aanmerking genomen. 2 Artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 is van overeenkomstige toepassing. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026
Artikel 10a.5 — Artikel 10a.5 Overgangsrecht in verband met het vervallen van de mogelijkheid dat een natuurlijke persoon als pensioenverzekeraar optreedt#
Artikel 10a.5 Overgangsrecht in verband met het vervallen van de mogelijkheid dat een natuurlijke persoon als pensioenverzekeraar optreedt artikel 19 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet artikel 1 van de Pensioenwet artikel 3.83, tweede lid artikel 7.2, achtste lid Met betrekking tot een pensioentoezegging als bedoeld inblijven, en, zoals deze leden luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van, van toepassing. 2006 706 22-12-2006 07-12-2006 30655 2006 707 22-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 10a.6 — Artikel 10a.6 artikel 3.107a artikel 3.137 Overgangsbepaling met ingang van 2009 voor de toepassing vanen#
Artikel 10a.6 artikel 3.107a artikel 3.137 Overgangsbepaling met ingang van 2009 voor de toepassing vanen 1 artikel 3.107a, tweede lid artikel 3.137, tweede lid De in, en, opgenomen beperking dat van de in een kalenderjaar betaalde premies en bedragen die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen ten hoogste € 2 269 op de voet van die artikelen in mindering kan worden gebracht, geldt niet voor hetgeen aan premies en bedragen is betaald in de kalenderjaren 2001 tot en met 2009. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid. 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 01-01-2011 01-01-2009
Artikel 10a.7 — Artikel 10a.7 Overgangsbepaling toerekening afgezonderd particulier vermogen#
Artikel 10a.7 Overgangsbepaling toerekening afgezonderd particulier vermogen 1 Artikel 2.14a is niet van toepassing op afgezonderd particulier vermogen dat is afgezonderd door een persoon die vóór 1 januari 2010 is overleden, mits op 20 april 2009: a. artikel 2.14a, eerste lid de waarde van de bezittingen, verminderd met de waarde van de schulden per erfgenaam, bedoeld in, niet meer dan € 5 000 bedraagt, en b. hoofdstuk 4 tot het afgezonderd particulier vermogen geen aandelen of winstbewijzen behoren die worden aangemerkt als een aanmerkelijk belang als bedoeld in. 2 artikel 2.14a, eerste lid Op verzoek worden in afwijking van, de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een bestaand afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan de persoon of personen zoals overeengekomen met de inspecteur in een vaststellingovereenkomst die uiterlijk op 19 april 2009 is gesloten. 3 artikel 2.14a, tweede lid Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een bestaand afgezonderd particulier vermogen verstaan: een voor 1 januari 2010 afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in. 4 artikel 2.14a Voor de berekening van het inkomen uit werk en woning in de zin van deze wet wordt het ondernemingsvermogen en het resultaatvermogen, die tot de bezittingen van een bestaand afgezonderd particulier vermogen behoren en ingevolgeworden toegerekend aan degene die dit vermogen heeft afgezonderd of aan zijn erfgenamen, per 1 januari 2010 te boek gesteld voor de historische kostprijs met inachtneming van een zodanige afschrijving, onderscheidenlijk lage waardering, als zou zijn toegepast indien het vermogen niet zou zijn afgezonderd. 5 artikel 2.14a Voor de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van deze wet wordt de verkrijgingsprijs van aandelen en winstbewijzen die voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidde op 31 december 2000, behoorden tot een aanmerkelijk belang, dan wel voor de toepassing van deze wet behoren tot een aanmerkelijk belang, en die tot de bezittingen van een bestaand afgezonderd particulier vermogen behoren en ingevolgeworden toegerekend aan degene die dit vermogen heeft afgezonderd of aan zijn erfgenamen, per 1 januari 2010 gesteld op de verkrijgingsprijs zoals die gold voor degene die deze aandelen en winstbewijzen rechtens dan wel in feite, direct of indirect, heeft afgezonderd. 6 artikel 2.14a, zevende lid Voor de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van deze wet wordt de verkrijgingsprijs van de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen die tot de bezittingen van een bestaand afgezonderd particulier vermogen behoren waarop direct voorafgaand aan 20 september 2016, 15.15 uur,, zoals dat tot dat tijdstip luidde, van toepassing was, en die met terugwerkende kracht tot en met 20 september 2016, 15.15 uur, ingevolge artikel 2.14a worden toegerekend aan degene die dit vermogen heeft afgezonderd of aan zijn erfgenamen, per 20 september 2016, 15.15 uur, gesteld op de verkrijgingsprijs zoals die gold voor degene die deze aandelen en winstbewijzen rechtens dan wel in feite, direct of indirect, heeft afgezonderd: a. vermeerderd met de vervreemdingsvoordelen ter zake van die aandelen of winstbewijzen die ingevolge artikel 4.16, eerste lid, onderdeel j, tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend; b. vermeerderd met de waardestijging van die aandelen en winstbewijzen waarover ten laste van het afgezonderde particuliere vermogen, over de periode van 1 januari 2010 tot 20 september 2016, 15.15 uur, een belasting is betaald van ten minste 10%; en c. verminderd met de voordelen ter zake van die aandelen en winstbewijzen die op basis van artikel 2.14a, zevende lid, zoals dat luidde tot 20 september 2016, 15.15 uur, in de periode van 1 januari 2010 tot 20 september 2016, 15.15 uur, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend en waarvoor geen belasting is betaald van ten minste 10%. 7 artikelen 4.3 4.4 4.5 4.5a Voor de toepassing van dit artikel zijn de,,envan overeenkomstige toepassing. 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 2016 544 29-12-2016 21-12-2016 34552 01-01-2017 20-09-2016
Artikel 10a.8 — Artikel 10a.8 Wet op de loonbelasting 1964 Overgangsbepaling in verband met wijziging regime voor vergoedingen en verstrekkingen in de#
Artikel 10a.8 Wet op de loonbelasting 1964 Overgangsbepaling in verband met wijziging regime voor vergoedingen en verstrekkingen in de Vervallen 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2015 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2009/611 gesteld op 1 januari 2014.
Artikel 10a.9 — Artikel 10a.9 afdeling 6.3 Overgangsbepaling verliezen op beleggingen in durfkapitaal in verband met het vervallen vanper 1 januari 2011#
Artikel 10a.9 afdeling 6.3 Overgangsbepaling verliezen op beleggingen in durfkapitaal in verband met het vervallen vanper 1 januari 2011 1 Artikel 3.139 afdeling 6.3 , onderdeel b, zoals dat onderdeel luidde op 31 december 2010, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als nagekomen schuldaflossing op een geldlening ter zake waarvan verliezen op grond van, zoals die afdeling op 31 december 2010 luidde, of op grond van het tweede lid in aanmerking zijn genomen. 2 Afdeling 6.3 artikel 6.8, eerste lid , zoals die afdeling op 31 december 2010 luidde, blijft van toepassing op verliezen op vóór 1 januari 2011 verstrekte geldleningen als bedoeld in, zoals dat lid op 31 december 2010 luidde. 3 artikelen 2.10, tweede en derde lid 2.10a, tweede en derde lid De, en, zijn van overeenkomstige toepassing op verliezen als bedoeld in het tweede lid. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2020
Artikel 10a.9a — Artikel 10a.9a Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten#
Artikel 10a.9a Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/565. Artikel 3.139, onderdeel b, zoals dat luidde op 31 december 2013, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten die op grond van afdeling 6.5, zoals die afdeling op 31 december 2013 luidde, in aanmerking zijn genomen. 2014 259 15-07-2014 04-06-2014 33726 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752
Artikel 10a.10 — Artikel 10a.10 Overgangsbepaling vrijstelling box 3 inzake spaarloontegoeden#
Artikel 10a.10 Overgangsbepaling vrijstelling box 3 inzake spaarloontegoeden Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2016
Artikel 10a.11 — Artikel 10a.11 Overgangsbepaling levensloopregelingen#
Artikel 10a.11 Overgangsbepaling levensloopregelingen Vervallen 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2022 2012 668 27-12-2012 20-12-2012 33402
Artikel 10a.12 — Artikel 10a.12 Overgangsrecht tijdelijke oudedagslijfrenten bij verhoging van de AOW-leeftijd#
Artikel 10a.12 Overgangsrecht tijdelijke oudedagslijfrenten bij verhoging van de AOW-leeftijd 1 artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c Op aanspraken die uitsluitend dan wel mede betrekking hebben op lijfrenten als bedoeld in, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2013, die niet voldoen aan de met ingang van 1 januari 2014 in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, gestelde voorwaarden, blijven de op 31 december 2013 geldende bepalingen die verband houden met de aanspraken op dergelijke lijfrenten van toepassing, voor zover de aanspraken op dergelijke lijfrenten voortvloeien uit premies of bedragen die vóór 1 januari 2014 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. 2 artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2013, die niet voldoen aan de met ingang van 1 januari 2014 in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, gestelde voorwaarden, nog premies worden voldaan, worden die premies geacht geen betrekking te hebben op lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c. 3 artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c artikel 3.133, eerste lid Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die uitsluitend of mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2013, die niet voldoen aan de met ingang van 1 januari 2014 in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, gestelde voorwaarden, ook na 31 december 2013 nog premies worden voldaan, is aanwending van opgebouwde aanspraken voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c slechts mogelijk tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op 31 december 2013. Voor zover de in de eerste volzin bedoelde aanspraken tot een hoger bedrag dan de aldaar bedoelde waarde worden aangewend voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c, is, van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3° De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing op het tegoed van de lijfrentespaarrekening of de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht waarop, zoals dat luidde op 31 december 2013, van toepassing is. 2012 669 27-12-2012 20-12-2012 33403 2012 669 27-12-2012 20-12-2012 33403 01-01-2014
Artikel 10a.13 — Artikel 10a.13 Overgangsbepaling stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten#
Artikel 10a.13 Overgangsbepaling stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 9.2, vierde lid Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijft, zoals dat op 31 december 2013 luidde, met overeenkomstige toepassing van, van toepassing. 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2014
Artikel 10a.14 — Artikel 10a.14 Wegenverkeerswet 1994 Overgangsbepaling in verband met de wijziging van demet ingang van 1 januari 2014#
Artikel 10a.14 Wegenverkeerswet 1994 Overgangsbepaling in verband met de wijziging van demet ingang van 1 januari 2014 Vervallen 2016 275 14-07-2016 06-07-2016 34391 2016 275 14-07-2016 06-07-2016 34391 01-01-2017
Artikel 10a.15 — Artikel 10a.15 Overgangsbepaling nettolijfrente en nettopensioen#
Artikel 10a.15 Overgangsbepaling nettolijfrente en nettopensioen artikel 5.16c, eerste lid artikel 5.17e, eerste lid Indien het aantal kalenderjaren tussen 1 januari 2015 en het moment waarop, of, toepassing vindt lager is dan tien, wordt voor de toepassing van artikel 5.16c, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 5.17e, tweede lid, de helft van de waarde van de aanspraak, bedoeld in artikel 5.16c, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.17e, eerste lid, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar niet vermenigvuldigd met tien, maar met het aantal kalenderjaren tussen 1 januari 2015 en het moment waarop artikel 5.16c, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.17e, eerste lid, toepassing vindt. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 10a.16 — Artikel 10a.16 Overgangsbepaling scholingsuitgaven studiejaren tot en met het studiejaar 2014/2015#
Artikel 10a.16 Overgangsbepaling scholingsuitgaven studiejaren tot en met het studiejaar 2014/2015 Artikel 6.28 artikelen 6.1 6.27 6.30 , zoals dat luidde op 30 juni 2015, alsmede de,en, zoals die luidden op 31 december 2021, blijven van toepassing op scholingsuitgaven die betrekking hebben op studiejaren tot en met het studiejaar 2014/2015. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 01-01-2022
Artikel 10a.17 — Artikel 10a.17 Overgangsbepaling buitenlandse bronbelasting als voorheffing#
Artikel 10a.17 Overgangsbepaling buitenlandse bronbelasting als voorheffing Artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, achtste lid en tiende lid , en de daarop gebaseerde bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing op geheven bronbelasting over rentebetalingen die zijn gedaan na 31 december 2015. 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 2016 545 29-12-2016 21-12-2016 34553 01-01-2017 01-01-2016
Artikel 10a.18 — Artikel 10a.18 Overgangsbepaling uitfaseren pensioen in eigen beheer#
Artikel 10a.18 Overgangsbepaling uitfaseren pensioen in eigen beheer 1 artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikelen 3.18, eerste lid, tweede volzin, en vijfde lid 3.27, tweede, derde en vierde lid 3.83, tweede en zevende lid 5.17, tweede lid 7.2, achtste lid Met betrekking tot pensioenvoorzieningen waarvoor een lichaam als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt, blijven de,,,, en, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen en bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing. 2 artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3.29 Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst wordt een oudedagsverplichting als bedoeld in, in afwijking van, gewaardeerd met inachtneming van de marktrente, bedoeld in artikel 38p, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. 3 artikel 4.21, eerste lid artikel 38n, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 De verkrijgingsprijs van aandelen of winstbewijzen in de zin van, wordt niet verhoogd door de toepassing in de jaren 2017, 2018 of 2019 van, zoals dat artikel destijds luidde. 4 artikelen 3.107a 3.133 3.136 7.2 artikel 3.125 artikel 3.126a artikel 38p, eerste of vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van de,,enwordt het bedrag van de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting dat met toepassing vanwordt aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld inof een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld inaangemerkt als in aanmerking genomen uitgave voor inkomensvoorziening. 5 artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a en c 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 1° artikel 3.125 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet artikel 38p, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 In afwijking van de, en, kan onder door Onze Minister te stellen voorwaarden een lijfrente als bedoeld inlater ingaan of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a later worden uitgekeerd dan het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, indien dit het gevolg is van de toepassing van. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 01-04-2017
Artikel 10a.19 — Artikel 10a.19 Overgangsbepaling conserverende aanslagen lijfrente en pensioen#
Artikel 10a.19 Overgangsbepaling conserverende aanslagen lijfrente en pensioen 1 artikel 3.136, tweede lid Voor de toepassing van, blijven de aldaar bedoelde premies buiten beschouwing voor zover deze betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 1991 of op de periode van 1 januari 2001 tot en met 15 juli 2009. 2 artikel 3.136, derde lid Voor de toepassing van, blijven de aldaar bedoelde aanspraken en bijdragen buiten beschouwing voor zover deze betrekking hebben op de periode tot en met 15 juli 2009. 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 10a.20 — Artikel 10a.20 Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor monumentenpanden#
Artikel 10a.20 Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor monumentenpanden Artikel 3.139, onderdeel d afdeling 6.8 , zoals dat luidde op 31 december 2018, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor monumentenpanden die op grond van, zoals die afdeling op 31 december 2018 luidde, in aanmerking zijn genomen. 2018 512 28-12-2018 19-12-2018 34556 2018 512 28-12-2018 19-12-2018 34556 01-01-2019
Artikel 10a.21 — Artikel 10a.21 Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van scholingsuitgaven#
Artikel 10a.21 Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van scholingsuitgaven Artikel 3.139, onderdeel c afdeling 6.7 , zoals dat luidde op 31 december 2021, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van scholingsuitgaven die op grond van, zoals die afdeling op 31 december 2021 luidde, in aanmerking zijn genomen. 2019 514 27-12-2019 18-12-2019 35306 2021 349 16-07-2021 12-07-2021 01-01-2022
Artikel 10a.22 — Artikel 10a.22#
Artikel 10a.22 artikel 2.7 artikel 7.8, zesde lid Voor de toepassing vanen, wordt onder een inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie mede verstaan een inwoner van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland die in het kalenderjaar de in de artikelen 24 en 25 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PbEU 2020, L 29) genoemde rechten geniet. 2020 554 24-12-2020 16-12-2020 35595 2020 554 24-12-2020 16-12-2020 35595 01-01-2021
Artikel 10a.23 — Artikel 10a.23 Overgangsbepaling vereisten hypotheekrecht bij fictief regulier voordeel#
Artikel 10a.23 Overgangsbepaling vereisten hypotheekrecht bij fictief regulier voordeel artikel 4.14a, eerste lid artikel 3.119a Bij de toepassing van, blijft mede buiten aanmerking een op 31 december 2022 bestaande eigenwoningschuld als bedoeld inter zake waarvan geen recht van hypotheek is verstrekt aan de vennootschap. 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 01-01-2023
Artikel 10a.24 — Artikel 10a.24 Overgangsbepaling premie voor beroeps- of bedrijfstakregeling#
Artikel 10a.24 Overgangsbepaling premie voor beroeps- of bedrijfstakregeling artikel 3.18 Wet toekomst pensioenen artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor een pensioenregeling als bedoeld inzoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deisvan overeenkomstige toepassing en blijven artikel 3.18 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen en de bij of krachtens dat artikel gestelde normeringen en beperkingen van toepassing. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10a.25 — Artikel 10a.25 Overgangsbepaling vermindering jaarruimte in verband met de opbouw van pensioenaanspraken#
Artikel 10a.25 Overgangsbepaling vermindering jaarruimte in verband met de opbouw van pensioenaanspraken 1 artikel 3.127, eerste lid artikel 3.127, vierde lid artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 artikelen 18 tot en met 18ga van die wet Wet toekomst pensioenen Voor de toepassing van, wordt in afwijking van het vierde lid van dat artikel, voor de belastingplichtige die met toepassing vanpensioenaanspraken opbouwt volgens de normeringen en begrenzingen uit dealsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit, zoals dat luidde op 31 december 2023. Voor de toepassing van de eerste zin blijven artikel 3.127, zesde lid, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2023, van toepassing. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing op de aan de belastingplichtige toe te rekenen pensioenaanspraken die zijn opgebouwd in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023. 2 artikel 3.127, eerste lid artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van, wordt in afwijking van het vierde lid van dat artikel, voor de belastingplichtige die een ouderdomspensioen of partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum opbouwt, waarbij de premie per dienstjaar is bepaald met inachtneming van, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit de formule: A = ((1 – (X-Y) / X) * B) + Z waarbij wordt verstaan onder: A: het bedrag aan vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken; artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 B: het bedrag van het in het voorafgaande kalenderjaar invermelde percentage, vermenigvuldigd met de in het voorafgaande kalenderjaar voor de belastingplichtige geldende pensioengrondslag, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van die wet; artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18a, tweede lid, van die wet X: het bedrag van het voor de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar geldende maximale premiepercentage, bedoeld in de inopgenomen tabel, vermenigvuldigd met de in het voorafgaande kalenderjaar voor de belastingplichtige geldende pensioengrondslag, bedoeld in; artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 Y: het bedrag van de door of voor de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar ingelegde premies voor een ouderdomspensioen en een partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum als bedoeld in; artikel 5.17 artikel 5.16, vierde lid Z: het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen betaalde of verrekende premies, bedoeld in, gedeeld door de nettofactor, bedoeld in. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025 01-07-2023
Artikel 10a.26 — Artikel 10a.26 Overgangsbepaling experimenteerbepaling zelfstandigen#
Artikel 10a.26 Overgangsbepaling experimenteerbepaling zelfstandigen 1 artikelen 1.2 1.7 3.13 3.82 3.83 3.100 3.106 3.107 3.126 3.127 3.133 3.135 3.136 3.146 5.17 7.2 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b artikel 10.11 artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 32 van de Successiewet 1956 artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Voor de toepassing van de,,,,,,,,,,,,,en,,enen de op die artikelen berustende bepalingen wordt onder een pensioenregeling als bedoeld in, mede verstaan een pensioenregeling als bedoeld inzoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel XV. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de afwikkeling van reeds opgebouwde pensioenen op grond van een pensioenregeling als bedoeld in het eerste lid. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10a.27 — Artikel 10a.27 Overgangsbepaling nettopensioen#
Artikel 10a.27 Overgangsbepaling nettopensioen artikel 5.17 afdeling 5.3B artikelen 5.17 tot en met 5.17f Wet toekomst pensioenen Voor een nettopensioen als bedoeld inzoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dedie na de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen niet voldoet aan, blijven dealsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen van toepassing. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10a.28 — Artikel 10a.28 Overgangsbepaling middelingsregeling#
Artikel 10a.28 Overgangsbepaling middelingsregeling Afdeling 3.14 zoals die luidde op 31 december 2022 blijft van toepassing op verzoeken om een middelingsteruggaaf over een middelingstijdvak waartoe het kalenderjaar 2022 of een daaraan voorafgaand kalenderjaar behoort. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023
Artikel 10a.29 — Artikel 10a.29 Overgangsbepaling oudedagsreserve#
Artikel 10a.29 Overgangsbepaling oudedagsreserve 1 artikel 3.53, eerste lid artikelen 3.70 3.71 3.72, tweede en derde lid 3.73, tweede lid, onderdeel c, en derde lid Met betrekking tot een op 31 december 2022, dan wel, indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, het einde van het laatste boekjaar dat is aangevangen vóór 1 januari 2023 bestaande oudedagsreserve als bedoeld in, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2022, blijven de,,, en, zoals deze luidden op 31 december 2022, van toepassing. 2 artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b In afwijking van, wordt, voor een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid, voor de beoordeling of is voldaan aan de normeringen en beperkingen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, verstaan onder pensioengevend loon: pensioengevend inkomen, bestaande uit de winst uit onderneming vóór afneming van de oudedagsreserve en, voor de dienstjaren 2023 tot en met 2026, vóór toevoeging aan de oudedagsreserve, en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in, van de belastingplichtige, in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het dienstjaar, waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil en waarbij onder dienstjaar wordt verstaan het jaar, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel c. 3 Artikel 3.59, tweede lid artikel 3.71 , is van overeenkomstige toepassing op een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid voor zover deze in het kader van de ontbinding van een huwelijksgemeenschap, bedoeld in artikel 3.59, eerste lid, overgaat naar de langstlevende echtgenoot of gewezen echtgenoot van de belastingplichtige en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2022, waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet. 4 Artikel 3.62, eerste en tweede lid artikel 3.71 , is van overeenkomstige toepassing op een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid voor zover deze in het kader van het overlijden van de belastingplichtige overgaat op diens partner en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2022, waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet. 5 Artikel 3.63, eerste en tweede lid artikel 3.71 , is van overeenkomstige toepassing op een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid voor zover deze in het kader van de overdracht van een onderneming, bedoeld in artikel 3.63, eerste lid, overgaat op de partner van de belastingplichtige en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2022, waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet. 6 Artikel 3.65, eerste lid , is niet van toepassing met betrekking tot een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid. 7 artikel 3.79, eerste lid artikel 3.59, tweede lid artikel 3.62 artikel 3.63 artikel 3.65 In aanvulling op, geldt de stakingsaftrek ook voor de ondernemer die als ondernemer in het kalenderjaar winst behaalt door een afneming van een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid na een geruisloze doorschuiving of omzetting als bedoeld in,,, onderscheidenlijk, waarbij zonder die geruisloze doorschuiving of omzetting sprake zou zijn van het staken van een gehele onderneming. 8 artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a In aanvulling op, behoort tot de bedragen, bedoeld in dat onderdeel, ook het bedrag, bedoeld in het twaalfde lid. 9 artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2° artikel 3.70 In afwijking van, is het daarin bedoelde maximale bedrag voor een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid het bedrag van de met of bij de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming behaalde winst en het bedrag van de afnemingen van die oudedagsreserve volgens, zoals dat luidde op 31 december 2022, in het jaar van de overdracht. 10 artikel 3.127, derde lid, onderdeel a In afwijking van, behoort voor een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid tot de premiegrondslag, bedoeld in genoemd derde lid, het bedrag van de winst uit onderneming in het voorafgaande kalenderjaar vóór afneming van die oudedagsreserve en, voor de premiegrondslag in de jaren 2023 en 2024, vóór toevoeging aan die oudedagsreserve, en vóór de ondernemersaftrek. 11 artikel 3.127, eerste lid artikel 3.70, eerste lid, onderdeel b In aanvulling op, wordt voor de jaren 2023 en 2024 de uitkomst van de berekening, bedoeld in dat lid, ook verminderd met het bedrag waarmee de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande kalenderjaar overtreft de afneming van die reserve bij het einde van dat kalenderjaar volgens, zoals dat luidde op 31 december 2022. 12 artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a artikel 3.70, eerste lid, onderdeel a Een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid kan, vanwege de omzetting van die oudedagsreserve in een lijfrente, premies voor lijfrenten als bedoeld in, in samenhang met het achtste lid van dit artikel, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste het bedrag van de afneming in het kalenderjaar van die reserve volgens, zoals dat luidde op 31 december 2022. 13 artikel 3.129, derde lid artikel 3.129, eerste lid artikel 3.128 In aanvulling op, behoren tot het bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen, bedoeld in dat lid, ook het bedrag van een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid bij de aanvang van het kalenderjaar, bedoeld in, en de bedragen die op grond van het twaalfde lid en, zoals dat luidde op 31 december 2022, in de aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen. 14 artikel 3.130, tweede lid In aanvulling op, kan een belastingplichtige ook premies als bedoeld in het twaalfde lid die binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend, naar bij de aangifte gemaakte keuze nog aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar. 15 artikel 3.131, derde lid artikel 3.129 In afwijking van, is artikel 3.131, eerste lid, niet van toepassing voor zover de premies, bedoeld in artikel 3.131, eerste lid, meer bedragen dan op grond van het twaalfde lid enis toegestaan. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die
aanvangen op of na 1 januari 2023.
Artikel 10a.30 — Artikel 10a.30 Overgangsbepaling inkomensafhankelijke combinatiekorting#
Artikel 10a.30 Overgangsbepaling inkomensafhankelijke combinatiekorting artikelen 2.7, eerste lid, derde zin, en tweede lid 8.2, onderdeel e 8.14a 10.1, eerste lid De,,en, zoals deze luidden op 31 december 2024, blijven van toepassing met betrekking tot een belastingplichtige: a. artikel 8.14a die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld inzoals dat luidde op 31 december 2024; en b. artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b van wie het kind, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 december 2024, is geboren voor 1 januari 2025.
Artikel 10b.1 — Artikel 10b.1 Horizonbepaling#
Artikel 10b.1 Horizonbepaling artikelen 3.31 3.42 3.42a De,envervallen met ingang van 1 januari 2029. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Intrekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vermogensbelasting 1964#
Artikel 11.1 Intrekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vermogensbelasting 1964 1 De Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt ingetrokken. 2 De Wet op de vermogensbelasting 1964 wordt ingetrokken. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie en nummering#
Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie en nummering De tekst van deze wet zoals die luidt bij de inwerkingtreding van deze wet en bij de inwerkingtreding van overige wetten die op hetzelfde tijdstip in werking treden en waarin deze wet wordt gewijzigd, wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 11.3 — Artikel 11.3 Inwerkingtreding#
Artikel 11.3 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij wet te bepalen tijdstip. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.
Artikel 11.4 — Artikel 11.4 Citeertitel#
Artikel 11.4 Citeertitel 1 Deze wet wordt aangehaald als: Wet inkomstenbelasting 2001. 2 De citeertitel kan worden afgekort tot: Wet IB 2001. 2000 215 30-05-2000 11-05-2000 26727 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001 De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en
5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB.