Wet van 6 juli 2000, houdende nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer (Wet personenvervoer 2000)
- BWB-id
- BWBR0011470
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2024-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011470
- ELI
- /eli/nl/wet/2001/wet-personenvervoer-2000
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2001/wet-personenvervoer-2000/2024-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011470&g=2024-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011470&z=2026-06-06&g=2024-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011470/2024-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2001/wet-personenvervoer-2000
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: auto: personenauto op ten minste vier wielen, zoals nader omschreven bij ministeriële regeling, ingericht voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; Autoriteit Consument en Markt: artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in; besloten busvervoer: personenvervoer per bus, niet zijnde openbaar vervoer; betaaldienst: Wet op het financieel toezicht betaaldienst in de zin van de; betaaldienstverlening in het openbaar vervoer: samenstel van betaaldiensten en andere diensten dat de betaalwijzen ondersteunt; betaalwijze: elke manier om te kunnen voldoen aan de betalingsverplichting voor het openbaar vervoer; bus: motorrijtuig, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; communautaire vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 4 van verordening 1073/2009/EG; concessie: recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak; concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie een concessie is verleend; concessieverlener: artikel 20 het tot verlening van een concessie bevoegde gezag, bedoeld in; dienstregeling: voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden waarin zijn aangeduid de halteplaatsen waartussen en de tijdstippen waarop openbaar vervoer wordt verricht, zo nodig onder de vermelding of de halteplaatsen of de tijdstippen door de reiziger kunnen worden beïnvloed; doorgaand ticket: richtlijn 2012/34 doorgaand ticket als bedoeld in artikel 3, onderdeel 35, van/EU; elektronisch vervoerbewijs: bewijs dat toegang geeft tot en voorziet in betaling voor het gebruik van openbaar vervoer door elektronische registratie van de reis of een deel daarvan; hogesnelheidspassagiersvervoer: richtlijn 2012/34 hogesnelheidspassagiersvervoer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 36, van/EU; internationale passagiersvervoerdienst: een passagiervervoerdienst als bedoeld in artikel 3, onderdeel 5, van richtlijn 2012/34/EU; Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; richtlijn 2012/34/EU: richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343/32); taxivervoer: personenvervoer per auto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer; verordening (EU) nr. 181/2011: verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PbEU 2011, L 55); verordening 1071/2009/EG: verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PbEU L 300); verordening 1073/2009/EG: verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2009 (PbEU L 300); verordening (EG) 1370/2007: verordening nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PbEU 2007, L 315); verordening 1371/2007/EG: verordening nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PbEU L 315); vervoerder: degene die openbaar vervoer of besloten busvervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; vervoersmanager: vervoersmanager als bedoeld in artikel 2 van verordening 1071/2009/EG. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Deze wet is van toepassing op: a. openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer over voor het openbaar verkeer openstaande wegen, daaronder begrepen uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen; b. openbaar vervoer over railwegen; c. openbaar vervoer langs geleidesystemen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet of de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede van toepassing zijn op vervoer dat overeenkomst vertoont met het in het eerste lid bedoelde vervoer of dat deze wet of de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op bepaalde soorten van het in het eerste lid bedoelde vervoer. 3 Deze wet is in afwijking van het eerste lid voor wat betreft de onderdelen betreffende de uitvoering van verordening 1371/2007/EG ook van toepassing op ander vervoer van personen langs railwegen dan openbaar vervoer. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat verordening (EG) 1370/2007 of artikelen daarvan van toepassing zijn op vervoer dat overeenkomst vertoont met het in het eerste lid bedoelde vervoer. 5 De wet is niet van toepassing op vervoer van personen per auto, anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer niet te boven gaat, tenzij vorenstaande wordt verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 19 20 24 30 51 52 61 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten behoeve van experimenten met openbaar vervoer voor een periode van ten hoogste zes jaar. Daarbij kan worden afgeweken van de,,,,,, en. 2 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur waarbij wordt afgeweken van deze wet wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2006 642 19-12-2006 22-11-2006 30683 2006 688 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a Deze paragraaf is van toepassing op openbaar vervoer, anders dan per trein, en besloten busvervoer. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De communautaire vergunning is de Nederlandse vergunning voor de uitoefening van het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg, bedoeld in verordening 1071/2009/EG, voor het openbaar vervoer per bus en het besloten busvervoer, heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar en kan telkens voor maximaal vijf jaren worden verlengd. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt met het verrichten van besloten busvervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer, tenzij dit aanbieden geschiedt door tussenpersonen die bemiddelen in dat vervoer bij wijze van dienstverlening of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf. 3 Onze Minister is de bevoegde instantie voor verordening 1071/2009/EG. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van artikel 1, vijfde lid, van verordening 1071/2009/EG vrijstelling van die verordening worden verleend. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven voor de eisen met betrekking tot betrouwbaarheid, vakbekwaamheid, vestiging en financiële draagkracht voor het openbaar vervoer anders dan per bus of per trein. 2022 545 27-12-2022 07-12-2022 36155 2023 486 22-12-2023 05-12-2023 01-01-2024
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Een vervoerder heeft geen toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer indien op basis van het tweede lid,jegens de vervoerder toepassing vindt. 2 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Onze Minister weigert de verlening of verlenging van een communautaire vergunning of gaat over tot intrekking of schorsing van die vergunning in het geval en onder de voorwaarden van. 3 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2022 304 15-07-2022 06-07-2022 35764 2022 367 23-09-2022 19-09-2022 01-10-2022
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b 1 Onze Minister weigert de verlening of verlenging van de communautaire vergunning indien de vervoerder niet of niet meer voldoet aan de vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, bedoeld in artikel 3 van verordening 1071/2009/EG. 2 Onze Minister verklaart een vervoersmanager ongeschikt om leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een vervoerder indien hij niet langer voldoet aan de eis van betrouwbaarheid van verordening 1071/2009/EG. Onze Minister stelt een termijn voor ongeschiktverklaring vast van twee jaar na de datum van ongeschiktverklaring. 3 Onze Minister gaat over tot intrekking of schorsing van de communautaire vergunning volgens de daarvoor geldende procedure van verordening 1071/2009/EG indien de vervoerder definitief niet meer voldoet aan de vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer van die verordening. 4 Onze Minister stelt bij een besluit tot intrekking van de communautaire vergunning een termijn voor rehabilitatie vast. 2022 545 27-12-2022 07-12-2022 36155 2023 486 22-12-2023 05-12-2023 01-01-2024
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis voor een vervoerder zijn: a. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de overlegging van een niet ouder dan twee maanden zijnde met het oog op de uitoefening van de functie van wegvervoerder verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in; b. het ontbreken van een niet ouder dan twee jaar zijnde onherroepelijke rechterlijke uitspraak waarbij is vastgesteld dat de vervoerder de geldende voorschriften inzake de financiële loon- en arbeidsvoorwaarden niet is nagekomen; c. verordening 1071/2009/EG het ontbreken van een minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordeling en onherroepelijke sanctie jegens de vervoerder, wegens een van de zwaarste inbreuken op de regels van de Unie, die in bijlage IV vanals zodanig is aangewezen; d. verordening 1071/2009/EG het aantal minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordelingen of onherroepelijke sancties jegens de vervoerder wegens de krachtens artikel 6, lid 2 bis, vanaangewezen zware inbreuken op de regels van de Unie, overschrijdt niet de krachtens die verordening vastgestelde grenzen; e. de één of meer door de vervoerder aangewezen vervoersmanagers zijn niet ingevolge verordening 1071/2009/EG, door een bevoegde instantie voor die verordening, ongeschikt verklaard om de leiding te hebben over de vervoeractiviteiten van een vervoerder of zijn na een dergelijke ongeschiktverklaring gerehabiliteerd, en f. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de overlegging door een uitvoerend directeur die belast is met het feitelijk leiding geven aan de vervoerder van een niet ouder dan twee maanden verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld inmet het oog op de uitoefening van de zijn functie. 2 De voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis voor een vervoersmanager zijn: a. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de overlegging van een niet ouder dan twee maanden zijnde met het oog op de uitoefening van de functie van vervoermanager verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in; b. het ontbreken van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarbij hij de leiding had over vervoeractiviteiten van de betrokken vervoerder; c. verordening 1071/2009/EG het ontbreken van een minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordeling en onherroepelijke sanctie jegens hem, wegens een van de zwaarste inbreuken op de regels van de, die in bijlage IV vanals zodanig is aangewezen; d. verordening 1071/2009/EG het aantal minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordelingen en onherroepelijke sancties jegens hem, wegens de krachtens artikel 6, lid 2 bis, vanaangewezen zware inbreuken op de regels van de Unie, overschrijdt niet de daarvoor krachtens die verordening vastgestelde grenzen, en e. het ontbreken van een veroordeling en sanctie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, waarbij hij de leiding had over de vervoeractiviteiten van de betrokken vervoerder. 3 artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie De griffier van een gerecht als bedoeld inverstrekt aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie: a. een afschrift van een uitspraak waarbij is vastgesteld dat de vervoerder de geldende voorschriften inzake de financiële arbeidsvoorwaarden niet is nagekomen, en b. een uitspraak waarbij een in onderdeel a bedoelde uitspraak is vernietigd. 4 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c en d, en het tweede lid, onderdelen c, d en e, worden veroordelingen en sancties die vóór 4 december 2011 onherroepelijk zijn geworden, niet in aanmerking genomen. 2022 545 27-12-2022 07-12-2022 36155 2023 486 22-12-2023 05-12-2023 01-01-2024
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 artikel 5, eerste lid Onze Minister verklaart in afwijking van, een vervoerder die niet voldoet aan onderdelen b, c, of d van dat artikellid, toch als betrouwbaar, indien het verlies van de betrouwbaarheid een onevenredig strenge sanctie is. 2 artikel 5, tweede lid Onze Minister verklaart, in afwijking van, een vervoersmanager, die niet voldoet aan onderdelen b, c, d, of e van dat artikellid, toch als betrouwbaar, indien het verlies van de betrouwbaarheid een onevenredig strenge sanctie is. 3 De bekendmaking van een beschikking inhoudende het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder geschiedt in één geschrift met de bekendmaking van het daarmee samenhangende besluit tot schorsing of intrekking van de communautaire vergunning. 4 De bekendmaking van een beschikking inhoudende het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoersmanager geschiedt in één geschrift met de bekendmaking van het daarmee samenhangende besluit tot ongeschiktverklaring van de vervoersmanager. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de toepassing van het eerste en tweede lid waarbij wordt aangegeven wanneer het verlies van betrouwbaarheid in ieder geval een onevenredig strenge sanctie is. 6 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2022 545 27-12-2022 07-12-2022 36155 2023 486 22-12-2023 05-12-2023 01-01-2024
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b 1 Een vervoerder waarvan de communautaire vergunning wegens het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister is geschorst, is na het verstrijken van de termijn van die schorsing voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd. 2 verordening 1071/2009/EG Een vervoersmanager die vanwege het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister ongeschikt is verklaard om de leiding te hebben over de vervoeractiviteiten van een vervoerder, is voor de toepassing vanen van deze wet gerehabiliteerd: a. na het verstrijken van de termijn van ongeschiktverklaring; en b. verordening 1071/2009/EG nadat opnieuw de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van, met succes zijn afgelegd. 3 artikel 4b, vierde lid Een vervoerder waarvan de communautaire vergunning vanwege het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister is ingetrokken, is na het verstrijken van de termijn, bedoeld in, voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere maatregelen voor rehabilitatie of maatregelen van gelijke werking en nadere regels voor de betrouwbaarheid worden vastgesteld. 5 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2022 545 27-12-2022 07-12-2022 36155 2023 486 22-12-2023 05-12-2023 01-01-2024
Artikel 5c — Artikel 5c#
Artikel 5c 1 Onze Minister verwerkt persoonsgegevens ten behoeve van uitvoering van verordening 1071/2009/EG en verordening 1073/2009/EG en het bij of krachtens deze wet gestelde, in het bijzonder in het belang van de handhaving van de vereisten voor de toegang tot het beroep van vervoerder en de betrouwbaarheid van de vervoersmanager. 2 Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke, voor de in het eerste lid bedoelde gegevens. 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gegeven voor de toepassing van het eerste lid. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Onze Minister wijst een exameninstituut aan dat verantwoordelijk is voor de organisatie en de certificering van de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 1071/2009/EG. 2 Onze Minister kan de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, intrekken indien het exameninstituut zijn taak ernstig verwaarloost of niet voldoet aan artikel 8 en de bijlagen I tot en met III van verordening 1071/2009/EG. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Het is verboden openbaar vervoer anders dan per trein of besloten busvervoer te verrichten zonder geldige communautaire vergunning. 2 Het is verboden openbaar vervoer anders dan per trein of besloten busvervoer te verrichten zonder de aanwezigheid in het voertuig van een eensluidend gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning, bedoeld in het eerste lid. 3 Het is verboden een gewaarmerkt afschrift van een communautaire vergunning al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen van een derde ten behoeve van het verrichten van vervoer als bedoeld in het eerste lid. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een communautaire vergunning een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning ter beschikking is gesteld. 5 Ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van het eerste en tweede lid. 2014 73 18-02-2014 05-02-2014 33733 2014 73 18-02-2014 05-02-2014 33733 19-02-2014
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Onze Minister is de bevoegde instantie voor verordening 1073/2009/EG. 2 Het is een in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vervoerder, verboden om: a. geregeld vervoer als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde; b. een bijzondere vorm van geregeld vervoer als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde; c. ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde, en d. vervoer voor eigen rekening als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde. 3 hoofdstuk III Op cabotagevervoer door een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vervoerder, dat in Nederland op grond van verordening 1073/2009/EG is toegestaan, isvan deze wet niet van toepassing. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een communautaire vergunning of tot afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een communautaire vergunning. 2 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de vergoeding en de betaling daarvan die de aanvrager is verschuldigd voor: a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening, wijziging of verlenging van een op grond van verordening 1073/2009/EG te verlenen respectievelijk verleende vergunning voor geregeld vervoer; b. het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een afschrift van de vergunning, bedoeld in onderdeel a; c. het in behandeling nemen van een op grond van verordening 1073/2009/EG af te geven attest voor het vervoer voor eigenrekening, en d. het in behandeling nemen van een aanvraag voor een op grond van verordening 1073/2009/EG af te geven reisbladenboekje. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikelen 80, eerste lid 100, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek De vervoerder voorziet, al dan niet in samenwerking met andere vervoerders, in het op verzoek behandelen van geschillen over de totstandkoming of de uitvoering van een vervoersovereenkomst als bedoeld in de, en, door instelling van een geschillencommissie. 2 Voor zover geschillen als bedoeld in het eerste lid voortvloeien uit de uitvoering van verordening (EU) nr. 181/2011 worden deze in eerste instantie voorgelegd aan de in dat lid bedoelde geschillencommissie. 3 artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De geschillencommissie bestaat uit een oneven aantal leden, waarvan ten minste één voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld inen waarvan de voorzitter onafhankelijk is van de overige leden. 4 Bij de samenstelling van de geschillencommissie wordt aan geen van de bij het geschil betrokken partijen een bevoorrechte positie toegekend. 5 De geschillencommissie beslecht een aan haar voorgelegd geschil door het uitbrengen van een bindend advies of door het bewerkstelligen van een minnelijke schikking tussen partijen. 6 De geschillencommissie stelt een reglement vast over de wijze waarop een geschil wordt behandeld. 2014 73 18-02-2014 05-02-2014 33733 2014 73 18-02-2014 05-02-2014 33733 19-02-2014
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De vervoerder maakt op een naar de aard van het vervoer geëigende wijze kenbaar op welke wijze klachten over het verrichten van personenvervoer worden behandeld. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid. 2004 141 08-04-2004 18-03-2004 28977 2004 399 19-08-2004 09-07-2004 20-08-2004
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De vervoerder verstrekt onder redelijke en objectief gerechtvaardigde voorwaarden gegevens omtrent het door hem te verrichten vervoer aan degene die hierom verzoekt ten behoeve van het voeden en actualiseren van een reisinformatiesysteem. 2 Vervoerders die openbaar vervoer verrichten dragen op zodanige wijze financieel bij aan een door Onze Minister aan te wijzen exploitant van een reisinformatiesysteem met een landelijk bereik, dat daardoor de instandhouding van dat systeem is gewaarborgd. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aard van gegevens als bedoeld in het eerste lid, de gevallen waarin Onze Minister een exploitant aanwijst, en over de wijze waarop aan het tweede lid toepassing wordt gegeven. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a verordening (EG) 1370/2007 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het overzichtsverslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 14b — Artikel 14b#
Artikel 14b artikel 20, tweede, derde en vierde lid De concessieverleners, bedoeld in, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister gegevens voor zover hij die nodig heeft om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Commissie van de Europese Gemeenschappen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening (EG) 1370/2007. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De Autoriteit Consument en Markt verricht taken ter uitvoering van deze wet. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. 2010 208 10-06-2010 29-04-2010 32151 2010 209 10-06-2010 27-05-2010 01-01-2011
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 2010 208 10-06-2010 29-04-2010 32151 2010 209 10-06-2010 27-05-2010 01-01-2011
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Het is verboden openbaar vervoer te verrichten zonder daartoe verleende concessie. 2 verordening (EG) 1370/2007 In afwijking van het eerste lid kan, indien het openbaar vervoer uitvalt of dreigt uit te vallen, voor die situatie openbaar vervoer worden verricht zonder concessie overeenkomstig artikel 5, vijfde lid, van. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a 1 artikel 19 verordening (EG) 1370/2007 artikel 57, vierde of vijfde lid, van de Spoorwegwet Spoorwegwet In afwijking vanen onverminderdheeft een spoorwegonderneming die voornemens is capaciteit aan te vragen en naar aanleiding van dat voornemen daarvan overeenkomstigmelding heeft gemaakt, onder eerlijke, niet-discriminerende en transparante voorwaarden recht op toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in demet het oog op de exploitatie van passagiersvervoer per trein. Dit omvat het recht om passagiers te laten instappen op elk station en hen uit te laten stappen op een ander station. 2 Het recht op toegang tot de spoorinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, wordt beperkt voor het passagiersvervoer tussen een bepaald vertrekpunt en een bepaalde bestemming wanneer: a. voor dezelfde route of voor een alternatieve route een of meer concessies zijn verleend, en b. de uitoefening van het toegangsrecht het economisch evenwicht van de betreffende concessie of concessies in gevaar zou brengen. 3 richtlijn 2012/34 Het recht op toegang wordt beperkt met betrekking tot hogesnelheidspassagiersvervoer overeenkomstig artikel 11 bis van/EU. 4 richtlijn 2012/34 Om vast te stellen of het economisch evenwicht van de concessie of concessies in gevaar komt, als gevolg van het voorgenomen vervoer dat ingevolge artikel 57, vierde lid, van de Spoorwegwet is gemeld, geeft de Autoriteit Consument en Markt een beschikking op basis van een objectieve economische analyse met inachtneming van de uitvoeringshandelingen van de Europese Commissie, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van/EU. 5 richtlijn 2012/34 Indien een concessie voor het openbaar vervoer per trein is verleend vóór 16 juni 2015 is, met inachtneming van artikel 11, vijfde lid, van/EU, dit artikel niet van toepassing gedurende de looptijd van de concessie, of tot en met 25 december 2026, indien de laatst genoemde termijn korter is. 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b 1 artikel 57, vierde of vijfde lid, van de Spoorwegwet De Autoriteit Consument en Markt doet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen tien dagen na ontvangst van een melding als bedoeld inmededeling van die melding in de Staatscourant en aan de betrokken concessieverleners, de betrokken concessiehouders en Onze Minister en vermeldt daarbij de mogelijkheid van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, en de termijn voor indiening van die aanvraag. 2 artikel 1 van de Spoorwegwet artikel 57, vierde of vijfde lid, van de Spoorwegwet richtlijn 2012/34 De Autoriteit Consument en Markt stelt op daartoe strekkende aanvraag van een of meer betrokken concessieverleners, een of meer betrokken concessiehouders, Onze Minister of een beheerder als bedoeld invast of door het ingevolgegemelde voorgenomen vervoer het daarvan deel uitmakende vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gevaar komt. De aanvraag wordt ingediend binnen een maand na ontvangst van de informatie, bedoeld in artikel 11, tweede lid, tweede volzin, van/EU. 3 De Autoriteit Consument en Markt neemt de in artikel 11, tweede lid en derde lid, eerste alinea, van richtlijn 2012/34/EU voorgeschreven procedurele eisen in acht. 4 artikel 6b van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 19a, eerste lid De Autoriteit Consument en Markt geeft de beschikking op de aanvraag binnen zes weken na ontvangst van de overeenkomstiggevorderde gegevens en bescheiden. Indien de Autoriteit Consument en Markt besluit dat het economisch evenwicht, bedoeld in het tweede lid, door de voorgenomen passagiersvervoersdienst in gevaar komt, vermeldt zij welke aanpassingen van die dienst mogelijk zijn om alsnog te voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking voor het recht op toegang, bedoeld in. 5 artikel 1 van de Spoorwegwet De Autoriteit Consument en Markt doet mededeling van de aanvraag en van de beschikking, bedoeld in het vierde lid, aan een beheerder als bedoeld inen doet mededeling van die beschikking in de Staatscourant. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019 Voorheen art. 19a.
Artikel 19c — Artikel 19c#
Artikel 19c 1 artikel 20, eerste en vierde lid Een concessieverlener als bedoeld in, kan aan spoorwegondernemingen een heffing opleggen voor de exploitatie van een passagiersvervoerdienst op onder zijn concessiebevoegdheid vallende trajecten tussen twee stations in Nederland. 2 artikel 19a, eerste lid Indien een spoorwegonderneming recht heeft op toegang als bedoeld in, kan Onze Minister aan deze spoorwegonderneming een heffing opleggen voor de exploitatie van een passagiersvervoersdienst op de relevante trajecten tussen twee stations in Nederland. 3 De heffing, bedoeld in het eerste en tweede lid, voldoet aan de voorwaarden van artikel 12 van richtlijn 2012/34/EU. 4 artikel 19a, eerste lid artikel 20, eerste en vierde lid De in het eerste lid bedoelde concessieverleners en Onze Minister indien er sprake is van een recht op toegang als bedoeld in, houden de informatie, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU bij. Een concessieverlener als bedoeld in, verstrekt die gegevens desgevraagd aan Onze Minister voor zover Onze Minister die nodig heeft om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Europese Commissie. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de heffing, bedoeld in het eerste en tweede lid. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019 Voorheen art. 19b.
Artikel 19c — Artikel 19c#
Artikel 19c Vervallen 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019 Voorheen art. 19c. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer per trein is Onze Minister. 2 Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein, zijn gedeputeerde staten. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in bij die maatregel aan te wijzen gebieden in afwijking van het tweede lid het dagelijks bestuur van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de in het tweede lid bedoelde concessies in dat gebied. 4 In afwijking van het eerste lid is het bestuur, bedoeld in het tweede of derde lid, bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de bij algemene maatregel van bestuur dan wel in overeenstemming met het betrokken bestuur bij besluit van Onze Minister aangewezen vervoersdiensten die de daarbij aangegeven stations verbinden. 5 De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015 Artikel XXVI van Stb. 2014/557 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikel 20, derde lid Gedeputeerde staten dragen zorg voor de coördinatie en afstemming van het openbaar vervoer in de provincie, met uitzondering van het krachtens, aangewezen gebied. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 20 De concessieverleners, bedoeld in, zijn bevoegd subsidies te verstrekken voor het in een concessie omschreven openbaar vervoer. 2 Een concessiehouder verstrekt desgevraagd binnen een door de concessieverlener te bepalen termijn aan hem de gegevens voor zover die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de artikelen 6 en 7 van verordening (EG) 1370/2007. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Geen concessie wordt verleend aan een vervoerder: a. van wie een geheel of gedeeltelijke eigenaar, dan wel een bestuurder of commissaris tevens het lidmaatschap bekleedt van een algemeen vertegenwoordigend orgaan van een openbaar lichaam waarvan een bestuursorgaan bevoegd is tot het verlenen van die concessie; b. voor wie een vertegenwoordiger of adviseur werkzaam is die betrokken is bij het meedingen naar of het verwerven van die concessie, en die tevens het lidmaatschap bekleedt van een algemeen vertegenwoordigend orgaan van een openbaar lichaam waarvan een bestuursorgaan bevoegd is tot het verlenen van die concessie. 2 Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op de burgemeester en de commissaris van de Koning. 3 artikel 63a Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van een bestuurder of commissaris bij een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend bij verlening van concessies waaraan geen procedure van aanbesteding vooraf is gegaan. 4 artikel 20, eerste lid Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verlenen van concessies voor openbaar vervoer per trein op grond van. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 De concessieverlener verleent overeenkomstig de artikelen 4, derde en vierde lid, en 5, zesde lid, van verordening (EG) 1370/2007, een concessie voor beperkte duur. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Een concessie bevat, onverminderd artikel 4 van verordening (EG) 1370/2007, een omschrijving van het openbaar vervoer, van het gebied en de duur waarvoor de concessie is verleend, en, indien van toepassing, de prijs die de concessiehouder betaalt voor de concessie. 2 Een concessie kan tevens betrekking hebben op het verrichten van openbaar vervoer van en naar het gebied, bedoeld in het eerste lid, indien dit is overeengekomen met de concessieverleners die het betreft. 3 In afwijking van het eerste lid bevat een concessie voor openbaar vervoer per trein, in plaats van een omschrijving van het gebied waarvoor de concessie is verleend, een omschrijving van de stations waartussen het openbaar vervoer wordt afgewikkeld. 4 De omschrijving, bedoeld in het derde lid, kan ook stations buiten Nederland betreffen, indien de eventueel daarvoor vereiste toestemming door de daartoe bevoegde autoriteit of autoriteiten in de desbetreffende andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie is gegeven. 5 artikel 62 van de Spoorwegwet Bij de concessie en de daarbij behorende financiële afspraken wordt rekening gehouden met de voor de concessiehouder geldende vergoeding, bedoeld in. 2015 361 15-10-2015 30-09-2015 33965 2015 473 11-12-2015 30-11-2015 15-12-2015
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 20, tweede, derde en vierde lid Voordat een concessie wordt verleend of gewijzigd, pleegt de concessieverlener, bedoeld in, overleg met de concessieverleners die bevoegd zijn tot het verlenen van concessies in aangrenzende gebieden. Het overleg voorziet in ieder geval in afspraken inzake de afstemming van het openbaar vervoer tussen aangrenzende concessiegebieden. 2 artikel 25, tweede lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een concessie als bedoeld in. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Voordat een concessie wordt verleend of gewijzigd, vraagt de concessieverlener advies aan consumentenorganisaties die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, over de aan de concessie te verbinden voorschriften. 2 De concessieverlener stelt de consumentenorganisaties in de gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht. 3 Het advies, bedoeld in het tweede lid, wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het voornemen. 4 De consumentenorganisaties worden door de concessieverlener zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a 1 artikel 1 van de Spoorwegwet Voordat een concessie voor openbaar vervoer per trein over de hoofdspoorweginfrastructuur wordt verleend, vraagt de concessieverlener advies aan de betrokken beheerder, bedoeld in. 2 Artikel 27, tweede tot en met vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2012 213 18-05-2012 19-04-2012 32666 2012 654 20-12-2012 11-12-2012 01-01-2013
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 27 De concessieverlener informeert ten minste eenmaal per jaar de consumentenorganisaties, bedoeld in, over de resultaten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven maatregelen die door hem zijn genomen en die de belangen van de reiziger raken. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 19, eerste lid De concessieverlener kan een ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in, aan een ieder, die openbaar vervoer anders dan per trein wil verrichten of die verzoekt om door een ander dan de desbetreffende concessiehouder openbaar vervoer anders dan per trein te laten verrichten in een gebied waarvoor aan de verzoeker geen concessie is verleend. De ontheffing, bedoeld in de vorige zin, kan niet worden verleend aan de concessiehouder van het gebied waarvoor openbaar vervoer anders dan per trein wordt verzocht. 2 De concessieverlener kan de ontheffing wijzigen of intrekken. 3 Een ontheffing wordt verleend voor een bepaalde tijd. 4 Een ontheffing wordt onverminderd het eerste lid, slechts geweigerd, indien naar het oordeel van de concessieverlener de vervoersvoorziening waarvoor een ontheffing is aangevraagd, een zodanige gelijkenis vertoont met openbaar vervoer waarvoor een concessie is verleend voor het gebied, bedoeld in het eerste lid, dat daarmee een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de exploitatie van die concessie. 5 De concessieverlener kan de ontheffing onder beperkingen verlenen of aan de ontheffing voorschriften verbinden. 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 06-06-2012
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Een besluit tot verlening of wijziging van een concessie zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, kan worden genomen indien de vervoerder niet binnen vier dagen na de dag waarop het voorgenomen besluit aan hem is bekendgemaakt aan de concessieverlener heeft doen blijken dat hij de concessie niet zonder voorbehoud aanvaardt. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over nationale vervoerbewijzen, de daaraan te stellen eisen, de daarbij behorende tarieven en vervoersvoorwaarden, alsmede het gebied waarbinnen deze geldig zijn. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de toegankelijkheid, gebruiksvriendelijkheid en interoperabiliteit van het openbaar vervoer regels worden gesteld over concessieoverstijgende onderwerpen. Deze regels kunnen betrekking hebben op: a. de uitgifte, de kwaliteit en de functionaliteit van vervoerbewijzen; b. de tarieven, waaronder de vaststelling van maximumtarieven, en vervoervoorwaarden; c. de informatievoorziening en klachtprocedures met betrekking tot de onderdelen a en b. 3 De concessiehouder is verplicht reizigers te vervoeren die beschikken over een voor het concessiegebied geldig vervoerbewijs tegen het daarbij behorende tarief. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 30a — Artikel 30a#
Artikel 30a 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een goed functionerende markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer regels worden gesteld met betrekking tot in elk geval: a. de instellingen die elektronische vervoerbewijzen uitgeven, beheren of exploiteren; b. toegang van concessiehouders en aanbieders van elektronische vervoerbewijzen of andere betaalwijzen tot de markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer alsmede tot de diensten van de in onderdeel a bedoelde instellingen; c. op een kostengeoriënteerde basis vast te stellen vergoeding voor de door de in onderdeel a bedoelde instellingen te verlenen diensten; d. maatstaven en procedures voor de verdeling van opbrengsten uit het gebruik van elektronische vervoerbewijzen. 2 Indien uitvoering wordt gegeven aan het eerste lid, onderdelen c of d, wordt bepaald dat: a. de berekeningswijzen van de vergoeding en de maatstaven en procedures, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk onderdelen c en d, de goedkeuring behoeven van de Autoriteit Consument en Markt; b. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van besluiten met betrekking tot de goedkeuring van maatstaven en procedures voor de verdeling van opbrengsten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, isvan toepassing. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toelating van betaalwijzen tot de markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer alsmede met betrekking tot de acceptatie van betaalwijzen door concessiehouders. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 30b — Artikel 30b#
Artikel 30b Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan de concessiehouders worden opgedragen gezamenlijk een systeem van betaaldienstverlening in het openbaar vervoer in stand te houden, waarbij functionele eisen met betrekking tot het betaalsysteem kunnen worden gesteld, indien de situatie ontstaat of dreigt te ontstaan dat er een niet alle vervoersconcessies omvattend minimaal aanbod van betaaldiensten is. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 30c — Artikel 30c#
Artikel 30c artikel 30a, eerste lid, onderdeel a Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het beschikbaar stellen, door concessiehouders, aanbieders van elektronische vervoerbewijzen en de in, bedoelde instellingen, van geanonimiseerde en niet tot personen herleidbare gegevens over de, uit het gebruik van vervoerbewijzen af te leiden, reizigersstromen. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 30d — Artikel 30d#
Artikel 30d Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. artikel 30, tweede lid de samenwerking en werkwijze tussen concessieverleners en concessiehouders met betrekking tot concessieoverstijgende onderwerpen als bedoeld in; b. de samenwerking tussen concessiehouders en de in artikel 30a, eerste lid, onderdeel a, bedoelde instellingen. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De concessiehouder vraagt ten minste eenmaal per jaar advies aan consumentenorganisaties die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, over de door de concessiehouder voorgenomen wijziging van een dienstregeling, het tarief en overige in de concessie geregelde onderwerpen. 2 De concessiehouder stelt de consumentenorganisaties in de gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de aard van onderwerpen als bedoeld in het eerste lid. 4 Het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de door de concessiehouder te nemen beslissing. 5 Indien na het advies van de consumentenorganisaties een beslissing wordt genomen ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, worden de consumentenorganisaties door de concessiehouder zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken voor deze gevolg geeft aan de beslissing, schriftelijk hiervan in kennis gesteld. Indien het advies van de consumentenorganisaties niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de consumentenorganisaties tevens meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken en wordt hen de gelegenheid geboden nader te overleggen met de concessiehouder alvorens deze gevolg geeft aan de beslissing. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de termijnen die bij de adviesprocedure en de overlegprocedure, bedoeld in dit artikel, in acht worden genomen. 7 Indien een voorgenomen wijziging van een dienstregeling, het tarief en overige in de concessie geregelde onderwerpen door de concessieverlener is geïnitieerd, vraagt in afwijking van het eerste lid die concessieverlener advies aan de in dat lid bedoelde consumentenorganisaties. Het tweede tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 06-06-2012
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 De concessieverlener kan aan een concessie voorschriften verbinden. 2 Aan een concessie worden in ieder geval voorschriften verbonden ten aanzien van: a. artikel 31 de onderwerpen waarover en de consumentenorganisaties waaraan de concessiehouder advies vraagt als bedoeld in; b. de onderwerpen waarover en de wijze waarop de concessiehouder de consumentenorganisaties, bedoeld in onderdeel a, informeert; c. het verstrekken van informatie aan de concessieverlener ten behoeve van de controle op de uitvoering van de concessie; d. de tarieven, de modellen van vervoerbewijzen en de vervoersvoorwaarden waartegen het openbaar vervoer moet worden verricht, alsmede de wijziging en openbaarmaking daarvan; e. het opstellen van een financiële verantwoording van het uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van die voor andere activiteiten; f. de wijziging, de openbaarmaking, de datum van ingang en de geldigheidsduur van de dienstregeling; g. de eisen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer ten behoeve van reizigers met een handicap; h. het waarborgen van een verantwoorde mate van veiligheid ten behoeve van zowel de reizigers als het personeel binnen het openbaar vervoer; i. punctualiteit; j. een procentuele beschikbaarheidsgarantie van zitplaatsen; k. het zowel op stations als in de trein aan reizigers geboden serviceniveau. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het minimale niveau van toegankelijkheid van het openbaar vervoer dat concessieverleners middels voorschriften dienen veilig te stellen bij concessieverlening. Deze regels bevatten in ieder geval eisen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer ten behoeve van reizigers met een handicap en eisen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer ten behoeve van reizigers met een fiets. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aan een concessie te verbinden voorschriften. 5 Aan een concessie kan het voorschrift worden verbonden dat de concessiehouder, indien hij tekortschiet in het verrichten van bepaalde prestaties, gehouden is een geldsom te voldoen aan de concessieverlener. 6 Artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid is de concessieverlener niet bevoegd ten aanzien van het verrichten van de desbetreffende prestaties aan de concessiehouder een last onder dwangsom op te leggen.is niet van toepassing. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32a — Artikel 32a#
Artikel 32a artikel 32 Onverminderdbevat een concessie voor openbaar vervoer voorschriften tot regeling van de integratie van vervoerbewijzen in het openbaar vervoer. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32b — Artikel 32b#
Artikel 32b Een concessie voor openbaar vervoer per trein kan het voorschrift bevatten dat de in de concessie aan te duiden natuurlijke personen die de feitelijke leiding zullen uitoefenen over de uitvoering van de concessie, niet als zodanig krachtens een arbeidsovereenkomst met de concessiehouder werkzaam zijn. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een maximum gemiddeld tarief voor het openbaar vervoer, zonodig per concessiegebied. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 De concessiehouder is verplicht openbaar vervoer te verrichten volgens hetgeen in de concessie is bepaald en is verplicht de daaraan verbonden voorschriften na te leven. 2 Voor zolang reizigers ernstig in hun belang worden geschaad als gevolg van de afwijking van de dienstregeling door werkzaamheden op de in de dienstregeling voorziene trajecten of door bijzondere omstandigheden, draagt de concessiehouder zorg voor vervangend vervoer voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 34a — Artikel 34a#
Artikel 34a verordening 1371/2007/EG Een spoorwegonderneming die passagiersdiensten exploiteert heeft noodplannen en draagt ervoor zorg dat de uitvoering ervan deugdelijk wordt gecoördineerd teneinde bij een ernstige verstoring van de dienstverlening bijstand te verlenen aan passagiers als bedoeld in artikel 18 van. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Spoorwegwet Een ieder die enig recht kan doen gelden op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen infrastructuur met uitzondering van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in de, waarover openbaar vervoer per trein plaatsvindt, is verplicht het gebruik daarvan door de concessiehouder redelijkerwijs te gedogen voorzover dit voor de goede uitvoering van de concessie nodig is. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a 1 artikel 20, eerste lid De concessiehouder van een concessie voor openbaar vervoer per trein als bedoeld in, stelt een vervoerplan op conform de in de hem verleende concessie vastgelegde voorschriften. 2 Aan de concessie, bedoeld in het eerste lid, wordt een voorschrift verbonden ten aanzien van de duur van het vervoerplan. 2012 213 18-05-2012 19-04-2012 32666 2012 654 20-12-2012 11-12-2012 01-01-2013
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder overgang van een concessie verstaan: het geheel of gedeeltelijk eindigen van een concessie gevolgd door het ingaan van geheel of gedeeltelijk dezelfde concessie als gevolg van verlening van deze concessie aan een andere vervoerder. 2 artikelen 37 38 artikel 3, vierde lid, van de Wet melding collectief ontslag Deenzijn van toepassing op de overgang van een concessie, tenzij iets anders voortvloeit uit een overeenkomst tussen de voormalige concessiehouder, de nieuwe concessiehouder en de belanghebbende verenigingen van werknemers als bedoeld in, welke overeenkomst is tot stand gekomen binnen een maand na het besluit tot verlening van een concessie als bedoeld in het eerste lid. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 36a — Artikel 36a#
Artikel 36a 1 artikel 19, tweede lid Bij een overgang van openbaar vervoer met een concessie naar een situatie als bedoeld in, in samenhang met artikel 5, vijfde lid, van verordening(EG) 1370/2007, is geen sprake van een overgang van een concessie. 2 artikel 19, tweede lid artikelen 36 37 tot en met 40 Bij een overgang van openbaar vervoer zonder concessie als bedoeld in, naar de situatie dat openbaar vervoer wordt verricht met een daartoe verleende concessie, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikelen 662 663 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 38 Onverminderd het bepaalde in deengaan door de overgang van een concessie van rechtswege over op de nieuwe concessiehouder de rechten en verplichtingen, omschreven in, die op dat tijdstip voor de voormalige concessiehouder voortvloeien uit de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen hem en: a. een direct ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend, werkzame persoon, en b. een indirect ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend, werkzame persoon, met inachtneming van het tweede lid. 2 artikel 36, eerste lid Artikel 10a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Tenzij bij de in, bedoelde concessieverlening aan de andere vervoerder anders is bepaald, geschiedt de vaststelling van het aantal personen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, op basis van de verhouding tussen de verminderde omzet ten gevolge van de overgang van de concessie en de totale omzet van de voormalige concessiehouder ten aanzien van het openbaar vervoer, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de concessieovergang plaatsvindt.is van toepassing. 3 artikel 27 artikel 44, derde lid De concessieverlener oefent zijn in het tweede lid neergelegde afwijkingsbevoegdheid slechts uit, indien hij voorafgaand aan de toepassing vandan wel, ter zake een beleidsregel heeft vastgesteld. 4 artikel 38 artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Indien toepassing van het eerste lid leidt tot overgang van een arbeidsplaats die niet herleidbaar is tot een individu, gaan naar de nieuwe concessiehouder over de rechten en verplichtingen, omschreven in, die op dat tijdstip voor de voormalige concessiehouder voortvloeien uit de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen hem en de persoon die, ware er sprake van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden waaropvan toepassing is, waarbij die arbeidsplaatsen zouden komen te vervallen, voor ontslag in aanmerking zou komen met inachtneming van de daarvoor geldende regels. 5 De voormalige concessiehouder is gedurende een jaar na de overgang naast de nieuwe concessiehouder hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsverhouding die zijn ontstaan voor dat tijdstip. 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 63a Indien de voormalige concessiehouder geen vervoerder is aan wie op grond vaneen concessie is verleend: a. artikelen 14a, eerste en tweede lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 2b van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten zijn op de overgang van een concessie deenvan overeenkomstige toepassing en b. artikel 37, eerste lid gaan door de overgang van de concessie de rechten en verplichtingen welke op het tijdstip van overgang van concessie voor de voormalige concessiehouder ten aanzien van een persoon als bedoeld in, voortvloeien uit bedrijfsregelingen, van rechtswege over op de nieuwe concessiehouder. 2 artikel 63a artikel 37, eerste lid Indien de voormalige concessiehouder een vervoerder is aan wie op grond vaneen concessie is verleend, handhaaft de nieuwe concessiehouder na de overgang van een concessie ten aanzien van een persoon als bedoeld in, een samenstel van rechten en verplichtingen gelijkwaardig aan die welke voor het tijdstip van de overgang voor de voormalige concessiehouder uit de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen de voormalige concessiehouder en die persoon voortvloeiden, voor zover deze rechten en verplichtingen voortvloeiden uit collectieve regelingen inzake arbeidsvoorwaarden. 3 artikelen 14a, tweede en vierde lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 2b van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten Op het eindigen van de rechten en verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 4 artikelen 662 663 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 64, tweede lid, onderdeel a Deenzijn van overeenkomstige toepassing, indien de voormalige concessiehouder een vervoerbedrijf is als bedoeld in. 2020 249 15-07-2020 01-07-2020 35358 2020 250 15-07-2020 09-07-2020 30-07-2020 Abusievelijk is voor het derde lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt voor de sector wegvervoer in werking op 1 juni 2023 (Stb. 2023/152).
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 38 artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b Op verzoek van de concessieverlener verstrekt de concessiehouder binnen de bij verzoek te bepalen termijn aan de concessieverlener ten behoeve van het programma van eisen een openbare schriftelijke opgave van de rechten en verplichtingen, bedoeld in, met betrekking tot de ten behoeve van het verrichte openbaar vervoer werkzame personen, met inbegrip van een gemotiveerde toelichting van de wijze waarop de loonkosten zijn samengesteld, alsmede van de samenstelling en het aantal van het met toepassing van, voor overgang in aanmerking komend personeel. 2 De in het eerste lid bedoelde opgave geschiedt naar de toestand op het tijdstip van de opgave en naar de te verwachten toestand op het tijdstip van het eindigen van de concessie. De opgave gaat vergezeld van een verklaring van één of meer onafhankelijke deskundigen, dat de opgave is opgesteld overeenkomstig het eerste lid. 3 De in het tweede lid bedoelde deskundigen worden aangewezen door de concessieverlener en hun kosten komen voor rekening van de concessieverlener. De concessiehouder is verplicht aan de deskundigen alle door dezen gewenste inlichtingen te verstrekken. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die de in het eerste lid bedoelde opgave ten minste moet bevatten. 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 06-06-2012
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikel 3, vierde lid, van de Wet melding collectief ontslag artikelen 37 38 artikel 36, tweede lid Binnen een maand na het besluit tot verlening van een concessie treden de voormalige en de nieuwe concessiehouder met elkaar en met de belanghebbende verenigingen van werknemers als bedoeld in, in overleg teneinde een goede uitvoering van deendan wel van de overeenkomst, bedoeld in, te bevorderen. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 20, tweede of derde lid Een concessiehouder kan een concessie, die is verleend door een concessieverlener als bedoeld in, geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere vervoerder, indien deze voldoet aan de eisen, die bij of krachtens deze wet aan de concessiehouder zijn gesteld. 2 De andere vervoerder, bedoeld in het eerste lid, is jegens de concessieverlener verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op de concessiehouder rustende verplichtingen. 3 De concessiehouder kan de concessie niet overdragen dan na schriftelijke toestemming van de concessieverlener. 4 artikelen 52 tot en met 56, eerste lid 57 tot en met 60 Toestemming voor overdracht van een concessie die is verleend na aanbesteding wordt onthouden, indien de andere vervoerder niet beschikt over een verklaring van geen bezwaar inzake de desbetreffende concessie. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 5 Toestemming als bedoeld in het derde lid kan voorts slechts worden onthouden, indien redelijkerwijs te verwachten is dat de vervoerder de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen niet of onvoldoende in acht zal nemen. 6 De concessiehouder is naast de andere vervoerder hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de uit de concessie voortvloeiende verplichtingen door de andere vervoerder die zijn ontstaan voor het tijdstip van overdracht. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Een concessie vervalt van rechtswege: a. op het moment dat de vergunning van de concessiehouder van rechtswege is vervallen; b. zodra een besluit tot intrekking van de vergunning van de concessiehouder onherroepelijk is geworden; c. zodra een besluit tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar inzake de desbetreffende concessie onherroepelijk is geworden. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Een concessie kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien is gebleken dat de concessiehouder de concessie niet naar behoren uitvoert of heeft uitgevoerd. 2 Een beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een concessie treedt niet eerder in werking dan dertien weken na de datum van haar bekendmaking. Zij werkt niet terug. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 43a — Artikel 43a#
Artikel 43a 1 artikelen 43a tot en met 43c verordening (EG) 1370/2007 Degelden onverminderd het bepaalde in artikel 5 bis, tweede lid, van. 2 Tenzij de voormalige concessiehouder en de nieuwe concessiehouder anders overeenkomen, is de voormalige concessiehouder gehouden bij overgang van een concessie voor openbaar vervoer per trein de in de concessie omschreven rechten en verplichtingen ten aanzien van productiemiddelen alsmede de daarbij behorende bedrijfsinformatie over te dragen aan die concessiehouder of ten behoeve van die concessiehouder te vestigen. Indien de overgang van de concessie het gedeeltelijk eindigen gevolgd door het gedeeltelijk ingaan van dezelfde concessie betreft, vormen de overgedragen of gevestigde rechten en verplichtingen een dienovereenkomstig deel van de concessie. 3 In een concessie voor openbaar vervoer per trein is opgenomen: a. een omschrijving van de rechten en verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, en b. een methode waarmee de waarde op het moment van overgang van de concessie wordt bepaald van de rechten en verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zodanig dat op evenwichtige wijze wordt recht gedaan aan de belangen van zowel de voormalige als de nieuwe concessiehouder. 4 Artikel 39, tweede en derde lid Op verzoek van de concessieverlener verstrekt de concessiehouder met het oog op de verlening van een concessie binnen de bij het verzoek te bepalen termijn een gemotiveerde schatting van de waarde van de rechten en verplichtingen die worden overgedragen of gevestigd, volgens de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b., is van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 43b, tweede lid De concessieverlener stelt ten behoeve van de voormalige concessiehouder de betaling van de waarde van de rechten en verplichtingen, bedoeld in, zeker. 6 De concessieverlener stelt ten behoeve van de nieuwe concessiehouder de ongestoorde uitoefening van gebruiksrechten van productiemiddelen zeker, voor zover de voormalige concessiehouder rechten of verplichtingen ten aanzien van die productiemiddelen heeft behouden. 7 Het verlenen van een concessie voor openbaar vervoer per trein aan de nieuwe concessiehouder kan door de concessieverlener afhankelijk worden gesteld van een bankgarantie of een andere zekerheid: a. artikel 43b, tweede lid ten behoeve van de voormalige concessiehouder voor de betaling van de waarde van de rechten en verplichtingen, bedoeld in, of b. ten behoeve van de opvolgende concessiehouder voor de ongestoorde uitoefening van gebruiksrechten van productiemiddelen, voor zover de nieuwe concessiehouder rechten of verplichtingen ten aanzien van die productiemiddelen zal behouden. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 43b — Artikel 43b#
Artikel 43b 1 artikel 43a De overdracht en vestiging van rechten en verplichtingen ten aanzien van de productiemiddelen ingevolgevindt plaats op het tijdstip van overgang van de concessie. 2 De nieuwe concessiehouder is de voormalige concessiehouder de waarde verschuldigd van de overgedragen en gevestigde rechten verminderd met de waarde van de overgedragen en gevestigde verplichtingen overeenkomstig hetgeen ter zake in de voormalige concessie is bepaald. 3 artikel 43a Onverminderdverschaft de voormalige concessiehouder voor zover hij daartoe rechtens bevoegd is, de nieuwe concessiehouder op het tijdstip van overgang van de concessie de feitelijke macht over de over te dragen en te vestigen rechten en verplichtingen. 4 De nieuwe concessiehouder is gehouden aan de overdracht en vestiging mee te werken. 5 De kosten van de overdracht en vestiging zijn voor rekening van de nieuwe concessiehouder. 6 titel 10, afdeling 8, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 32b Indien als gevolg van de overdracht van rechten en verplichtingen sprake is van overgang van een onderneming waaropvan toepassing is en dientengevolge rechten en verplichtingen ten aanzien van personen als bedoeld inovergaan op de nieuwe concessiehouder, is de voormalige concessiehouder jegens de nieuwe concessiehouder ter zake gehouden hem de kosten te vergoeden die gemaakt zijn om de desbetreffende arbeidsovereenkomst te beëindigen. Daarenboven is de voormalige concessiehouder jegens de nieuwe concessiehouder per geval een direct opeisbare geldsom verschuldigd van € 100 000. 7 In afwijking van het vierde lid is de nieuwe concessiehouder niet gehouden aan de overdracht van materieel mee te werken, indien het de eerste aanbesteding van een concessie voor regionaal openbaar vervoer op een gedecentraliseerde lijn betreft na de inwerkingtreding van dit artikel. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 43c — Artikel 43c#
Artikel 43c 1 artikelen 43a 43b Aan een concessie kunnen nadere voorschriften worden verbonden ten aanzien van de toepassing van deen. 2 artikel 43a In een concessie voor openbaar vervoer per trein kan de toepasselijkheid vanworden uitgesloten. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 43d — Artikel 43d#
Artikel 43d artikelen 43a tot met 43c verordening (EG) 1370/2007 Dezijn, voor zover het rollend materieel betreft enkel van toepassing indien de concessieverlener, na een beoordeling als bedoeld in artikel 5bis van, de noodzaak hiervan aangeeft. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 64, eerste lid De concessieverlener stelt ten behoeve van de verlening van een concessie, met uitzondering van een concessie als bedoeld in, een programma van eisen vast. 2 Het programma van eisen heeft in elk geval betrekking op: a. de bereikbaarheid in het gebied waarvoor een concessie wordt verleend en op de functie van het openbaar vervoer voor degenen die daarvan afhankelijk zijn; b. de algemene eisen die aan het te verrichten openbaar vervoer worden gesteld; c. de afstemming met het openbaar vervoer in aangrenzende gebieden, alsmede met andere vormen van personenvervoer; d. de afstemming met milieudoelstellingen van de concessieverlener; e. de te benutten infrastructurele voorzieningen. 3 artikel 27, tweede tot en met vierde lid artikel 27 Voordat het programma van eisen wordt vastgesteld, vraagt de concessieverlener overeenkomstig, ter zake advies aan consumentenorganisaties die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden. Bij de verlening van de desbetreffende concessie isniet van toepassing. 4 Een concessieverlener publiceert het programma van eisen dat is opgesteld voor een concessie voor openbaar vervoer die wordt verleend zonder dat daarvoor een aanbesteding wordt gehouden voorafgaand aan de verlening van die concessie. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 artikel 26 Overleg als bedoeld inover het verlenen van een concessie vindt plaats voordat een concessieverlener het programma van eisen vaststelt. 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 verordening (EG) 1370/2007 Een vervoerder die openbaar vervoer verricht zonder daartoe verleende concessie verstrekt desgevraagd binnen een door een concessieverlener te bepalen termijn aan de concessieverlener gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van de verlening van een concessie voor dat openbaar vervoer. Artikel 4, achtste lid, vanis van overeenkomstige toepassing. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gegevens die worden verstrekt en de wijze waarop controle op die gegevens wordt uitgeoefend. 3 Richtlijn 2012/34 Ten aanzien van concessiehouders van concessies die zijn verleend vóór de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel K, van de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22), geldt artikel 46 van deze wet zoals dat luidde vóór het bovengenoemde tijdstip. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aanbesteding van concessies plaatsvindt. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 De concessieverlener stelt een aanbestedingsreglement vast voor de procedure van aanbesteding van concessies. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 artikel 53 Onverminderdwordt een verklaring van geen bezwaar geweigerd aan: a. een vervoerder die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de wederkerigheid van de toegang tot de desbetreffende markt voor personenvervoer voor vervoerders die in Nederland zijn gevestigd niet gewaarborgd is; b. een vervoerder die gevestigd is in een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover dit voortvloeit uit een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dan wel uit een door of vanwege de regering gemaakte internationale afspraak. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikel 53 artikel 54 De Autoriteit Consument en Markt geeft op aanvraag een verklaring van geen bezwaar af, indien de aanvrager voldoet aan de ingestelde eisen en er geen omstandigheden aanwezig zijn als bedoeld in. 2 Een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar kan niet eerder worden ingediend dan nadat de kennisgeving van de aanbesteding van de desbetreffende concessie is gepubliceerd. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/247. Concessieverleners en vervoerders verstrekken de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de inlichtingen die hij nodig heeft voor de uitoefening van de hem in deze paragraaf toegekende bevoegdheden. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 artikel 63a artikel 64, eerste lid Concessies voor openbaar vervoer worden slechts verleend nadat daartoe een aanbesteding is gehouden, tenzijof, van toepassing is. 2 artikel 20, vierde lid In bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen kan het eerste lid buiten toepassing worden gelaten voor de verlening van een concessie voor regionaal openbaar vervoer per trein als bedoeld in. 3 Indien het openbaar vervoer uitvalt of dreigt uit te vallen kan, in afwijking van het eerste lid, een aanbesteding van dat openbaar vervoer achterwege blijven. Artikel 5, vijfde lid, van verordening (EG) 1370/2007 is van toepassing. 4 In afwijking van het eerste lid kan een concessie voor openbaar vervoer worden verleend zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die concessie voldoet aan een van de kenmerken, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van verordening (EG) 1370/2007. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 artikel 63a artikel 20, derde lid Een concessieverlener sluit een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, of een vervoerder waarop die vervoerder invloed heeft uit van de aanbesteding van een concessie voor openbaar vervoer buiten het krachtens, aangewezen gebied waar de concessie op grond van artikel 63a verleend is, ook indien die invloed slechts minimaal is. 2 artikel 20 artikel 63a artikel 2, tweede of vierde lid Een bestuursorgaan als bedoeld in, sluit een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, of een vervoerder waarop die vervoerder invloed heeft uit van de aanbesteding van vervoer buiten het krachtens artikel 20, derde lid, aangewezen gebied waar de concessie op grond van artikel 63a verleend is, waarop, bij algemene maatregel van bestuur van toepassing is verklaard, ook indien die invloed slechts minimaal is. 3 artikel 63a artikel 20, derde lid Een concessieverlener of een bestuursorgaan kan een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, of een vervoerder waarop die vervoerder invloed heeft, uitsluiten van de aanbesteding van vervoer binnen het krachtens, aangewezen gebied waar de concessie op grond van artikel 63a verleend is, ook indien die invloed slechts minimaal is. 4 artikel 20, tweede of derde lid Een concessieverlener als bedoeld in, sluit een vervoerder uit van een aanbesteding als bedoeld in het eerste of tweede lid, indien die vervoerder is gevestigd in een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de wederkerigheid van de toegang tot de desbetreffende markt voor personenvervoer voor vervoerders die in Nederland zijn gevestigd niet gewaarborgd is. 5 Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 1370/2007. 6 artikel 69, eerste of zevende lid Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijk vervoerbedrijf in de zin van, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 artikel 61, tweede lid Onze Minister kan de Autoriteit Consument en Markt verzoeken een rapportage uit te brengen inzake de effecten voor de mededinging op de Nederlandse markt voor openbaar vervoer of een deel daarvan, van een op een aanvraag als bedoeld inte nemen besluit. 2 De rapportage is niet eerder openbaar dan nadat Onze Minister een besluit over de aanvraag heeft genomen. 3 De rapportage wordt meegezonden met de beslissing op de aanvraag. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a 1 artikel 61, eerste lid artikel 20, derde lid In afwijking van, kan een concessieverlener voor openbaar vervoer, anders dan per trein, in een krachtens, aangewezen gebied, dat de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage of Rotterdam omvat, een concessie verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien deze concessie wordt verleend aan een vervoerder waarop het openbaar lichaam als bedoeld artikel 20, derde lid, net als over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent. Artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1370/2007 is van toepassing. 2 artikel 61, eerste lid hoofdstuk XI van de Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van, kan een concessieverlener voor openbaar vervoer, anders dan per trein, voor het gebied van de plusregio, bedoeld in, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet afschaffing plusregio’s, dat de gemeente Utrecht omvatte, een concessie verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien deze concessie wordt verleend aan een vervoerder waarop de concessieverlener net als over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent. Artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1370 /2007 is van toepassing. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 63ab — Artikel 63ab#
Artikel 63ab 1 artikel 63a De Autoriteit Consument en Markt voert een prestatievergelijking uit van vervoerders aan wie op grond vaneen concessie is verleend, die betrekking heeft op de klantenservice, kostenefficiëntie en doelmatigheid van de vervoerders. 2 Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid van de verschillende vervoerders en de frequentie van de prestatievergelijking. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 63b — Artikel 63b#
Artikel 63b 1 artikel 63a Een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, doet niet mee aan de aanbesteding van: a. artikel 63a, eerste en tweede lid concessies voor openbaar vervoer buiten de gebieden, bedoeld in, waar de concessie, bedoeld in de aanhef, verleend is; b. artikel 63a, eerste en tweede lid artikel 62, derde lid concessies voor openbaar vervoer binnen de gebieden, bedoeld in, waar de concessie, bedoeld in de aanhef, verleend is indien de concessieverlener dit heeft uitgesloten als bedoeld in. c. artikel 63a, eerste en tweede lid artikel 2, tweede of vierde lid vervoer buiten het gebied, bedoeld in, waar de concessie verleend is waarop bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, dit artikel van toepassing is verklaard. 2 artikel 63a In afwijking van het eerste lid mag een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, meedoen aan een aanbesteding indien wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 1370/2007. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 63c — Artikel 63c#
Artikel 63c 1 artikel 63a artikel 22 artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, waarbij voor die concessie een subsidie als bedoeld inis verstrekt, en die in een groep als bedoeld inverbonden is met aanbieders van andere activiteiten dan dat openbaar vervoer, voert een gescheiden boekhouding voor het verrichten van het openbaar vervoer waarvoor die concessie is verleend ten opzichte van andere activiteiten die binnen die groep worden verricht. 2 artikel 63a artikel 22 Een vervoerder aan wie op grond vaneen concessie is verleend, waarbij voor die concessie een subsidie als bedoeld inis verstrekt, en die niet in een groep als bedoeld in het eerste lid is verbonden, en wel tevens andere activiteiten verricht binnen een organisatie, voert voor het verrichten van openbaar vervoer waarvoor die concessie is verleend, een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van het verrichten van dat openbaar vervoer afzonderlijk worden geadministreerd. 3 artikel 63a artikel 22 Een vervoerder aan wie anders dan op grond vaneen concessie voor openbaar vervoer is verleend zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden en waarbij voor die concessie een subsidie als bedoeld inis verstrekt, voert voor het verrichten van openbaar vervoer waarvoor die concessie is verleend, een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van het verrichten van het openbaar vervoer waarvoor subsidie is verstrekt afzonderlijk worden geadministreerd. 4 De boekhouding en de administratie, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, zijn zodanig vorm gegeven dat: a. de registratie van de lasten en baten van de verschillende activiteiten gescheiden zijn; b. alle lasten en baten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend; c. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de administratie wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd. 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de boekhouding, de gescheiden administratie en de kostprijsadministratie, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. 6 Een vervoerder als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, bewaart de in het vierde lid bedoelde gegevens gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf het einde van het boekjaar waarop de gegevens betrekking hebben. 7 Indien een vervoerder als bedoeld in het eerste of tweede lid, niet uit hoofde van een andere wettelijke verplichting een jaarrekening opstelt, stelt hij een daarmee overeenkomend financieel overzicht op en legt hij dat overzicht voor eenieder ter inzage op al zijn kantoren op een bij regeling van Onze Minister te bepalen tijdstip. 8 Indien een vervoerder als bedoeld in het eerste of tweede lid, niet reeds uit hoofde van een andere wettelijke verplichting zijn jaarrekening openbaar maakt, legt hij zijn jaarrekening voor eenieder ter inzage op al zijn kantoren op een bij regeling van Onze Minister te bepalen tijdstip. 9 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Een vervoerder als bedoeld in het eerste en tweede lid laat jaarlijks over het voorgaande boekjaar een verklaring van een accountant als bedoeld inopstellen waaruit blijkt dat de financiële verhouding: Deze verklaring ligt tegelijkertijd met de jaarrekening of het financieel overzicht voor eenieder ter inzage op alle kantoren van de vervoerder. a. voldoet aan de in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid gestelde eisen, en b. tussen hem en de aanbieders van andere activiteiten voldoet aan in de in onderdeel 5 van de bijlage bij verordening (EG) 1370/2007 gestelde voorwaarden. 10 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Een vervoerder als bedoeld in het derde lid laat jaarlijks over het voorgaande boekjaar een verklaring van een accountant als bedoeld inopstellen waaruit blijkt dat de financiële verhouding ten opzichte van een concessie als bedoeld in dat lid: Deze verklaring ligt voor eenieder ter inzage op alle kantoren van de vervoerder. a. voldoet aan de in het derde, vierde en vijfde lid gestelde eisen, en b. voldoet aan de in onderdeel 5 van de bijlage bij verordening (EG) 1370/2007 gestelde voorwaarden. 11 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een vervoerder a. artikelen 3 19, tweede lid die op grond van deof, openbaar vervoer verricht op een andere grondslag dan op grond van een concessie; b. artikel 2, tweede of vierde lid artikel 22, eerste lid die vervoer verricht waarop bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, dit artikel of leden daarvan, van toepassing is verklaard, zonder dat voor het in onderdeel a bedoelde vervoer een aanbesteding is gehouden en waarbij voor dat vervoer een subsidie als bedoeld in, is verstrekt. 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 01-01-2015
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikel 20, eerste lid paragrafen 1 tot en met 3 Onze Minister is bevoegd een concessie als bedoeld in, te verlenen zonder dat daartoe de procedure van devan dit hoofdstuk wordt toegepast. 2 paragrafen 1 tot en met 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een concessie door Onze Minister wordt verleend, indien daartoe niet de procedure van devan dit hoofdstuk wordt toegepast. 3 Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kunnen onder meer regels worden gesteld over: a. de keuze van de voor het verlenen van een concessie te volgen procedures; b. de criteria voor toelating van ondernemingen tot de procedure voor het verlenen van een concessie, waaronder de uitsluiting van ondernemingen die door hun marktmacht of concurrentiepositie een eerlijke competitie belemmeren; c. de criteria voor het verlenen van een concessie. 4 Een concessie voor het hoofdrailnet wordt door Onze Minister niet eerder verleend, dan acht weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2019 61 18-02-2019 30-01-2019 34914 2019 103 06-03-2019 22-02-2019 07-03-2019
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder het hoofdrailnet: de spoorvervoerdiensten die als zodanig bij koninklijk besluit zijn aangewezen. 2 De krachtens het eerste lid aangewezen spoorvervoerdiensten kunnen met ingang van 1 januari 2015 mede de diensten met stations buiten Nederland betreffen, indien de eventueel daarvoor vereiste toestemming door de daartoe bevoegde autoriteit of autoriteiten in de desbetreffende andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie, is gegeven. 3 Onze Minister kan bepalen dat een door hem verleende concessie voor het hoofdrailnet geheel of voor een door Onze Minister daarbij te bepalen aanmerkelijk gedeelte door de concessiehouder zal worden uitgevoerd met gebruikmaking van een of meer door Onze Minister aan te wijzen rechtspersonen. 4 Een in het eerste lid bedoeld koninklijk besluit wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overlegd. 2011 218 13-05-2011 16-12-2010 32289 2012 351 24-07-2012 05-07-2012 25-07-2012
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 Dit artikel is van toepassing, indien Onze Minister voornemens is een concessie te verlenen voor het hoofdrailnet. 2 Onze Minister stelt een beleidsvoornemen tot concessieverlening vast, waarin is opgenomen of vermeld: a. een beschrijving van de betrokken markt; b. een beschrijving van de maatregelen die ertoe strekken dat de continuïteit van het betrokken personenvervoer wordt gewaarborgd; c. een schatting van de kosten die met de concessieverlening zijn gemoeid en van de waarde van de concessie; d. een beschrijving van de te volgen procedure van concessieverlening; en e. artikel 65, derde lid of Onze Minister voornemens is, toe te passen. 3 artikel 27 Voordat Onze Minister het beleidsvoornemen vaststelt, legt hij dit voornemen ter advisering voor aan de inbedoelde consumentenorganisaties. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 4 Onze Minister legt het vastgestelde beleidsvoornemen voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Indien binnen 30 dagen na deze voorlegging ten minste 30 leden te kennen geven nadere inlichtingen te willen ontvangen over de voorgenomen concessieverlening, zal de aanvang van procedure tot concessieverlening niet eerder plaatsvinden dan dat veertien dagen zijn verstreken na het verstrekken van die inlichtingen. 5 Indien binnen 30 dagen na de voorlegging of binnen 14 dagen na de verstrekking van de inlichtingen, bedoeld in het vierde lid, de Kamer als haar oordeel uitspreekt dat de concessieverlening machtiging bij wet behoeft, wordt de concessie eerst verleend nadat die machtiging is verleend. 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 01-01-2015 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor
onderdeel d in plaats van onderdeel e.
Artikel 66a — Artikel 66a#
Artikel 66a 1 artikel 44, tweede lid Voorafgaand aan de verlening van een concessie voor het hoofdrailnet, stelt Onze Minister een programma van eisen vast als bedoeld in. 2 Voordat Onze Minister het programma van eisen vaststelt, legt hij dit programma voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 06-06-2012 01-01-2011
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 Concessiewet personenvervoer per trein Dit artikel is van toepassing op de verlening van de eerste concessie voor het hoofdrailnet na de inwerkingtreding van de. 2 paragrafen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk artikel 66 Onze Minister verleent de in het eerste lid bedoelde concessie aan de N.V. Nederlandse Spoorwegen of aan een bij koninklijk besluit te bepalen onderdeel van de N.V. Nederlandse Spoorwegen zonder dat daartoe de procedure van deofwordt toegepast. Deze concessie vangt aan op een bij koninklijk besluit te bepalen datum en eindigt op 1 januari 2015. 3 artikel 66 Onze Minister kan van het tweede lid afwijken; alsdan wordttoegepast. 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 01-01-2015
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Door vernummering vervallen. 2006 642 19-12-2006 22-11-2006 30683 2006 688 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 Het is verboden zonder hiervoor geldig vervoerbewijs gebruik te maken van het openbaar vervoer, alsmede, voor zover de vervoerder zulks duidelijk kenbaar heeft gemaakt, van de daartoe behorende voorzieningen. 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Het is verboden een onbevoegd gewijzigd of anderszins bewerkt vervoerbewijs te gebruiken, een vervoerbewijs te misbruiken of de controle van vervoerbewijzen te belemmeren of te verhinderen. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Het is een ieder verboden zich in een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel in of in de onmiddellijke nabijheid van een station, halteplaats, of een andere bij het openbaar vervoer behorende voorziening en de daarbij behorende perrons, trappen, tunnels en liften zodanig te gedragen dat orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005 2004 141 08-04-2004 18-03-2004 28977 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen die door of vanwege de vervoerder duidelijk kenbaar zijn gemaakt. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. hetgeen onder verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt verstaan; b. artikel 73 de wijze waarop de inbedoelde aanwijzingen onder meer kunnen worden gegeven. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld over onder meer: a. het gebruik en de geldigheid van vervoerbewijzen; b. de verplichting tot betaling en het recht op terugbetaling. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer, tenzij dit aanbieden geschiedt door tussenpersonen die bemiddelen in dat vervoer bij wijze van dienstverlening of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf. 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «de vervoerder die taxivervoer verricht» verstaan: degene die taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door Onze Minister verleende vergunning. 2 Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor onbepaalde tijd. 3 De vervoerder die taxivervoer verricht, alsmede de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, draagt er zorg voor dat in de auto waarmee dat vervoer wordt verricht het vergunningbewijs zichtbaar voor de reiziger aanwezig is. 4 Een in het eerste lid bedoelde vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid. 5 Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het derde lid en van de in het vierde lid bedoelde eis van vakbekwaamheid. 6 Een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het vijfde lid kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen voorschriften aan worden verbonden. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 76a — Artikel 76a#
Artikel 76a 1 Een vergunning kan worden geweigerd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken. Een vergunning wordt geschorst voor bepaalde tijd. 2 artikel 99, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b Een vergunning wordt steeds geweigerd indien binnen een periode van twee jaar direct voorafgaande aan de datum van indiening van een aanvraag voor een vergunning een eerder aan de aanvrager verleende vergunning is ingetrokken op grond van, voor zover het betreft de eis van betrouwbaarheid. 3 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 4 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 5 Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. 6 De beperkingen waaronder een vergunning wordt verleend en de aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 76b — Artikel 76b#
Artikel 76b 1 Een vergunning vervalt van rechtswege: a. zes maanden na het overlijden of het intreden van wettelijke onbekwaamheid van degene aan wie de vergunning is verleend; b. zodra de rechtspersoon waaraan de vergunning is verleend, heeft opgehouden te bestaan; c. zodra de overeenkomst van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap waaraan de vergunning is verleend, is ontbonden, of d. zodra degene aan wie de vergunning is verleend, zijn activiteiten als vervoerder heeft beëindigd. 2 Belanghebbenden kunnen binnen zes maanden na het overlijden of na het intreden van de wettelijke onbekwaamheid bij Onze Minister een aanvraag indienen om de vergunning te stellen op naam van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, op naam van de gezamenlijke erven, dan wel op naam van één of meer door de belanghebbenden aangewezen vertegenwoordigers. 3 Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. Indien Onze Minister de aanvraag inwilligt, geschiedt dat voor een periode van ten hoogste één jaar na het verstrijken van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode. 4 De in het derde lid bedoelde periode van één jaar kan door Onze Minister eenmaal met ten hoogste een half jaar worden verlengd. 5 Het eerste lid vindt geen toepassing zolang Onze Minister nog niet onherroepelijk op de in het tweede lid bedoelde aanvraag heeft beslist. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 76c — Artikel 76c#
Artikel 76c Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een vergunning en de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over: a. de wijze waarop een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt ingediend; b. de termijn waarbinnen op een aanvraag wordt beslist; c. de afgifte, geldigheid en het gebruik van vergunningbewijzen voor auto's, en d. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in onderdeel a en voor de afgifte van vergunningbewijzen. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 76d — Artikel 76d#
Artikel 76d 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid; b. de vergoeding die is verschuldigd voor de behandeling van de aanvraag om verlening van een ontheffing alsmede voor afgifte van verklaringen van Onze Minister betreffende het voldoen aan eisen van vakbekwaamheid. 2 Voor zover dit noodzakelijk is om vast te stellen of wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, kan Onze Minister gegevens omtrent gedrag en strafvorderlijke en justitiële gegevens verwerken. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 76e — Artikel 76e#
Artikel 76e 1 artikel 76, zesde lid Het is de houder van een vergunning verboden te handelen in strijd met een vergunning, de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, de aan een vergunning verbonden voorschriften en met de in, bedoelde beperkingen en voorschriften. 2 Het is de houder van een vergunning verboden een vergunningbewijs al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen van een derde ten behoeve van het verrichten van taxivervoer. 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een vergunning een vergunningbewijs ter beschikking is gesteld. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 1 artikelen 80, eerste lid 100, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek De vervoerder die taxivervoer verricht voorziet, al dan niet in samenwerking met andere vervoerders, in het op verzoek behandelen van geschillen over de totstandkoming of de uitvoering van een vervoersovereenkomst als bedoeld in de, en, door instelling van een geschillencommissie. 2 Artikel 12, tweede tot en met vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 1 De vervoerder die taxivervoer verricht, maakt op een naar de aard van het vervoer geëigende wijze kenbaar op welke wijze klachten over het verrichten van taxivervoer worden behandeld. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de inrichting, uitrusting en herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht; b. de keuring van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht; c. het kenbaar maken van tarieven aan de consument; d. de minimale beschikbaarheid van taxivervoer; e. de eisen en verplichtingen te stellen aan vervoerders die taxivervoer verrichten en aan bestuurders van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht; f. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onderdelen a tot en met e gestelde regels wordt voldaan; g. paragrafen 1 tot en met 4 de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de met de krachtens devan dit hoofdstuk gestelde regels samenhangende werkzaamheden af te geven documenten; h. de administratie die de vervoerder voert ten behoeve van een doelmatig toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde. 2 De in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde regels over de inrichting en uitrusting kunnen mede betrekking hebben op: a. de aanwezigheid van apparatuur en voorzieningen ter registratie van ritten, tarieven, prijzen en arbeids- en rusttijden; b. het gebruik van zodanige apparatuur en voorzieningen met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen daarvan; c. de keuring van zodanige apparatuur en voorzieningen dan wel de installatie daarvan. 3 De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar gelang de aard van het taxivervoer of de locatie waar taxivervoer wordt verricht. 4 Voor zover dit noodzakelijk is ter toetsing van de geschiktheid van bestuurders, kunnen in het kader van de in het eerste lid, onder e, bedoelde eisen en verplichtingen, onder meer gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming en het gedrag van bestuurders worden verwerkt. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot toetsing aan deze eisen, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 artikelen 79 81 81a 82a 82b Het is verboden taxivervoer te verrichten in strijd met de bij of krachtens de,,,engestelde regels. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 1 Met het oog op de inzichtelijkheid voor de consument worden bij ministeriële regeling regels gesteld over tarieven voor taxivervoer. Deze regels kunnen betrekking hebben op: a. de wijze waarop het tarief is opgebouwd; b. de verplichting om de tariefopbouw toe te passen; c. een toe te passen maximumtarief. 2 Het eerste lid heeft geen betrekking op tarieven voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst, waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 81a — Artikel 81a#
Artikel 81a Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over elektronische vervoerbewijzen, en daaraan te stellen eisen, voor taxivervoer. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de invoering, de vaststelling, de uitgifte, de exploitatie of het beheer van deze vervoerbewijzen; b. het gebruik, de geldigheid of de acceptatie; c. de erkenning van een of meer instellingen die deze vervoerbewijzen uitgeven, exploiteren of beheren, alsmede de voorschriften waaraan dergelijke instellingen moeten voldoen. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer. 2 artikelen 82a 82b De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van deen. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 82a — Artikel 82a#
Artikel 82a 1 Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld over: a. de herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden; b. de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van een in onderdeel a bedoelde auto; c. de indiening en behandeling van klachten van consumenten over taxivervoer; d. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onderdelen a tot en met c gestelde regels wordt voldaan; e. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de uitvoeringskosten die samenhangen met de krachtens deze paragraaf gestelde regels af te geven documenten en vergunningen en de uitvoeringskosten die samenhangen met de instandhouding van die documenten en vergunningen. 2 De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar gelang de locatie waar taxivervoer wordt verricht. 3 De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op een verplichting voor de in dat lid bedoelde bestuurders om vanaf een of meer daartoe bij gemeentelijke verordening aangewezen locaties, consumenten op hun verzoek te vervoeren. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid. 5 De in het vierde lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden; b. artikel 79 de aansluiting op bij of krachtensgestelde regels. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 82b — Artikel 82b#
Artikel 82b 1 artikel 82a Onverminderdkan bij of krachtens gemeentelijke verordening worden bepaald dat het gebruik van de bij die verordening te bepalen gemeentelijke openbare weg of delen daarvan, voor wat betreft het aldaar aanbieden van taxivervoer, uitsluitend is voorbehouden aan vervoerders en bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten die overeenkomstig de bij en krachtens dit artikel gestelde regels deel uitmaken van een organisatorisch verband. 2 Het in het eerste lid bedoelde organisatorische verband heeft een verbetering van de kwaliteit van taxivervoer ten doel. 3 Bij of krachtens een in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening worden regels gesteld over de eisen aan en verplichtingen van het organisatorisch verband en de eisen aan en de verplichtingen van de vervoerders en de bestuurders van de in het eerste lid bedoelde auto’s die daar deel van uitmaken alsmede de regels die nodig zijn voor een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid. 4 De in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening stelt regels over het minimum aantal binnen de gemeente betrokken organisatorische verbanden. 5 artikelen 76a, derde lid 99, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid De in het derde lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op verlening van vergunningen aan de in dit artikel bedoelde organisatorische verbanden en degenen die daarvan deel uitmaken, alsmede op de intrekking, wijziging en schorsing van die vergunningen. De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 6 De in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen hebben in elk geval betrekking op de volgende onderwerpen: a. het bestuur en de organisatie van het verband; b. de juridische verhouding tussen het bestuur van het verband en de vervoerders en bestuurders van auto’s die daar deel van uitmaken; c. het gedrag van bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten; d. de herkenbaarheid van de auto’s waarmee taxivervoer wordt verricht; e. de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde doelstelling met inachtneming van in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen, door het verband wordt uitgewerkt in een reglement; f. de instelling van privaatrechtelijke controles betreffende de nakoming van de in het reglement vastgelegde verplichtingen, door een of meer onafhankelijke en deskundige instanties en het optreden van het verband naar aanleiding van tijdens die controles geconstateerde onregelmatigheden; g. de registratie en behandeling van klachten van consumenten; h. de rapportage over de uitkomsten van de in onderdeel f bedoelde controles en het in dat onderdeel bedoelde optreden van het verband alsmede van de afhandeling van de in onderdeel g bedoelde klachten; i. opvolging van in het zevende lid bedoelde aanwijzingen; j. de wijze van vastlegging van en verantwoording over de in de onderdelen a tot en met i bedoelde eisen en verplichtingen door het organisatorisch verband. 7 Het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente kan op de in het eerste lid bedoelde delen van de gemeentelijke openbare weg aanwijzingen geven aan de in het eerste lid bedoelde bestuurders van auto’s, voor zover dat ter plaatse noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen. 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en derde lid. 9 De in het achtste lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in het eerste, derde en zevende lid, bedoelde bevoegdheden; b. artikel 79 de aansluiting op bij of krachtensgestelde regels. 10 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 82c — Artikel 82c#
Artikel 82c artikel 93 In afwijking vanis het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de krachtens deze paragraaf gestelde verplichtingen. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 1 Ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over: a. openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer dat de Nederlandse grens overschrijdt; b. openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer dat door een in Nederland gevestigde vervoerder geheel buiten Nederland of door een buiten Nederland gevestigde vervoerder geheel in Nederland wordt verricht; c. het rijden met een lege bus of auto over voor het openbaar verkeer openstaande wegen in Nederland of het rijden met een lege bus of auto door een in Nederland gevestigde vervoerder geheel of ten dele buiten Nederland of door een buiten Nederland gevestigde vervoerder geheel of ten dele in Nederland, voor zover dat verband houdt met het verrichten van openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede betrekking hebben op de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de behandeling van de aanvraag om verlening of wijziging van de voor dat vervoer benodigde documenten. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Vervallen 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 Vervallen 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 Vervallen 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, van verordening 1071/2009/EG en van verordening 1073/2009/EG zijn belast: a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen; b. artikel 20, tweede, derde en vierde lid artikelen 19 29 30 tot en met 40 46 63c, eerste, tweede en derde lid de bij besluit van de bestuursorganen, bedoeld in, aangewezen personen, voor zover het de door hen verleende concessies betreft, voor het bepaalde bij of krachtens de,,,en, met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is, en elfde lid voor zover niet de Autoriteit Consument en Markt is belast met dat toezicht en c. artikelen 82a 82b de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten aangewezen personen, voor zover het betreft het toezicht op naleving van het bepaalde bij of krachtens deen. 2 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische delicten Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, van verordening 1071/2009/EG en van verordening 1073/2009/EG zijn voorts belast de inbedoelde ambtenaren en de met betrekking tot deze wet krachtensaangewezen ambtenaren. 3 artikelen 70 tot en met 74 Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens debepaalde mede belast personen die daartoe door de vervoerder zijn aangewezen. 4 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij verordening 1371/2007/EG zijn de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen belast. 5 In afwijking van het eerste en tweede lid is de Autoriteit Consument en Markt belast met het toezicht op de naleving van: a. artikel 30a, eerste en derde lid het bepaalde krachtens; b. artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende lid en elfde lid, onderdeel b artikel 87, vierde lid artikel 2, tweede of vierde lid , voor zover op dat vervoer, bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, van toepassing is verklaard; c. vervallen; d. de bij ministeriële regeling aangewezen bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie op het gebied van passagiersvervoerdiensten. 6 Met het toezicht op de naleving van verordening (EU) nr. 181/2011 zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen. 7 artikel 12 van de Bekendmakingswet Op de inbepaalde wijze wordt mededeling gedaan van besluiten als bedoeld in het eerste, vierde of zesde lid. 2023 148 04-05-2023 05-04-2023 36268 2023 149 04-05-2023 21-04-2023 01-07-2023
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 1 Onze Minister kan met betrekking tot het toezicht op de naleving beleidsregels vaststellen. 2 artikel 87, vijfde lid Beleidsregels die betrekking hebben op het toezicht, bedoeld in, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische delicten artikelen 179 tot en met 182 184 van het Wetboek van Strafrecht Met het opsporen van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de met betrekking tot deze wet krachtensaangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in deen, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2 Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk aangewezen personen. 3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 artikel 87 artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht De inbedoelde ambtenaren en personen beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 artikelen 5:12 5:13 5:15 tot en met 5:17 5:19 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 89 De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inbedoelde ambtenaren en personen. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 artikelen 87 89 artikelen 70 71 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht De reiziger die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van deenbedoelde ambtenaren en personen die hebben vastgesteld dat de reiziger heeft gehandeld in strijd met deof, een identiteitsbewijs als bedoeld inter inzage aan te bieden. 2004 300 06-07-2004 24-06-2004 29218 2004 583 18-11-2004 09-11-2004 01-01-2005
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 1 Onze Minister is de handhavende instantie, bedoeld in de artikelen 30 van verordening 1371/2007/EG en 28, eerste lid, van verordening (EU) nr. 181/2011. 2 Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van verordening 1371/2007/EG, verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG, verordening (EU) nr. 181/2011 en van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. 3 De Autoriteit Consument en Markt is bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter handhaving van bij ministeriële regeling aangewezen bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie op het gebied van internationale passagiersvervoerdiensten. 2015 361 15-10-2015 30-09-2015 33965 2015 473 11-12-2015 30-11-2015 15-12-2015
Artikel 93a — Artikel 93a#
Artikel 93a artikel 20, derde en vierde lid artikelen 19, eerste en tweede lid 29 32 34 39 46 63c, eerste, tweede en derde lid artikel 94 Het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen gesteld bij of krachtens de,,,,,en, met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is, en elfde lid, voor zover de bevoegdheid tot handhaving niet op grond vanaan de Autoriteit Consument en Markt is toegekend. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 01-01-2015
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 De Autoriteit Consument en Markt kan een last onder dwangsom opleggen aan de overtreder van: a. artikel 30a, eerste en derde lid regels gesteld krachtens; b. artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende en elfde lid, onderdeel b artikel 2, tweede of vierde lid , voor zover op dat vervoer dit artikel, bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, van toepassing is verklaard, en met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 1 artikel 94 De Autoriteit Consument en Markt deelt haar voornemen een beschikking te geven als bedoeld inschriftelijk en met redenen omkleed mee aan belanghebbenden. 2 afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 94 In afwijking vanstelt de Autoriteit Consument en Markt, alvorens te besluiten omtrent toepassing vanbelanghebbenden in de gelegenheid schriftelijk of mondeling hun zienswijze kenbaar te maken. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 1 De Autoriteit Consument en Markt kan een last onder dwangsom wijzigen of intrekken. 2 afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanstelt de Autoriteit Consument en Markt, alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, belanghebbenden in de gelegenheid mondeling of schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 96a — Artikel 96a#
Artikel 96a 1 artikel 63c, eerste, tweede, vierde, zesde tot en met tiende en elfde lid, onderdeel b artikel 96a artikel 2, tweede of vierde lid In geval van overtreding van, voor zoverop dat vervoer bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, van toepassing is verklaard, en met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is, kan de Autoriteit Consument en Markt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 900.000 of indien dat meer is, 1% van de omzet van de overtreder. 2 artikel 30a, eerste en derde lid In geval van overtreding van de regels gesteld krachtens, kan de Autoriteit Consument en Markt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 900.000 of, indien dat meer is, van 1% van de omzet van de overtreder. 3 artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De bestuurlijke boete die ingevolge het eerste of tweede lid ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met 100%, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in, een aan die overtreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijk voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden. 2015 346 08-10-2015 23-09-2015 34042 2018 343 10-10-2018 25-09-2018 01-01-2019 2016 22 14-01-2016 23-12-2015 34190 2016 123 31-03-2016 23-03-2016 01-01-2019 De wijziging is in werking getreden op 1 juli 2016 (Stb.
2016/123). Artikel XIV van Stb. 2016/22 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 artikel 12b, tweede lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 87 89 Onverminderd, treffen de inofof de inbedoelde ambtenaren en personen zo nodig met behulp van de sterke arm de nodige maatregelen, indien naar hun oordeel in onvoldoende mate medewerking wordt verleend bij de uitvoering van de hun opgedragen taak. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 1 artikelen 70 tot en met 73 artikel 74 artikelen 87 en 89 Indien de reiziger handelt in strijd met deen de krachtensgestelde regels zijn de in debedoelde ambtenaren en personen bevoegd zijn vervoerbewijs in te trekken en hem zo nodig met behulp van de sterke arm het gebruik van het gehele openbaar vervoer te ontzeggen. 2 artikel 72 73 artikel 74 artikel 89 Indien degene die zich bevindt in of in de onmiddellijke nabijheid van een station, halteplaats of een andere bij het openbaar vervoer behorende voorziening of daarbij behorende locatie als bedoeld in, in strijd handelt met de artikelen 72,of de krachtensgestelde regels, zijn de inbedoelde ambtenaren en personen bevoegd deze persoon zo nodig met behulp van de sterke arm de toegang tot een station, halteplaats of een andere bij het openbaar vervoer behorende voorziening of de daarbij behorende locatie als bedoeld in artikel 72, te ontzeggen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de duur van een ontzegging als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid. 4 Het is verboden in strijd te handelen met een op grond van het eerste lid of het tweede lid opgelegde ontzegging. 5 artikelen 87 89 artikel 72 De in deenbedoelde ambtenaren en personen zijn bevoegd bij vermoeden van een ten aanzien van handbagage gepleegde overtreding van het inbepaalde, zich in tegenwoordigheid van de reiziger van aard en inhoud daarvan te overtuigen en onbevoegd meegenomen handbagage uit de vervoermiddelen te weren of verwijderen. 2015 9 15-01-2015 19-11-2014 33904 2015 161 30-04-2015 16-04-2015 01-05-2015
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 1 artikel 76, eerste lid Onze Minister kan een vergunning als bedoeld in, volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels, wijzigen, schorsen of intrekken: a. indien is gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde; b. artikel 76, vierde lid indien niet langer wordt voldaan aan een van de in, bedoelde eisen, tenzij een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het vijfde lid voor zover het de eis van vakbekwaamheid betreft, is verleend; c. artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 2 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 1 artikel 43, eerste lid Artikel 43, tweede lid Onverminderd, kan een concessie worden ingetrokken, indien aan de concessiehouder ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet een sanctie is opgelegd., is van toepassing. 2 artikel 29 De concessieverlener kan een ontheffing als bedoeld inintrekken, indien de vervoerder in strijd handelt met het bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vervoerder bepaalde dan wel met de ontheffing of de aan de ontheffing verbonden beperkingen of voorschriften. 2006 642 19-12-2006 22-11-2006 30683 2006 688 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 1 artikelen 70 tot en met 73 artikel 98, vierde lid artikel 74, tweede lid Niet naleving van deen, alsmede – voor zover aangeduid als strafbare feiten – het bepaalde krachtens, is een overtreding en wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 2 artikelen 87 89 artikelen 70 71 artikel 92 Indien de reiziger ten aanzien van wie door een ambtenaar of persoon, bedoeld in deen, is vastgesteld dat hij in strijd handelt met deof, niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in, worden de in het eerste lid bedoelde straffen verhoogd tot een hechtenis van ten hoogste vier maanden, onderscheidenlijk een geldboete van de derde categorie. 2015 9 15-01-2015 19-11-2014 33904 2015 161 30-04-2015 16-04-2015 01-05-2015
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 artikelen 70 71 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht tot strafvordering wegens overtreding van deofvervalt door voldoening op een daarbij aan te geven wijze van een bij of krachtens die maatregel vast te stellen geldsom aan de vervoerder. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 artikelen 7, eerste, derde en vierde lid 76, eerste lid 76e, tweede en derde lid Overtreding van de,, en, wordt aangemerkt als een misdrijf. 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 2013 233 28-06-2013 13-12-2012 33184 29-06-2013
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op het verrichten van openbaar vervoer anders dan openbaar vervoer per trein en besloten busvervoer regels worden gesteld over: a. inrichting en uitrusting van een auto, bus, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; b. keuring van bussen en auto's; c. eisen te stellen aan bestuurders van auto, bus, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; d. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onderdelen a, b en c, gestelde regels wordt voldaan; e. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de met de ingevolge de onderdelen a tot en met d gestelde regels samenhangende werkzaamheden en af te geven documenten. 2 Voor zover dit noodzakelijk is ter toetsing van de geschiktheid van bestuurders, kunnen in het kader van de in het eerste lid, onder c, bedoelde eisen, onder meer gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming en het gedrag van bestuurders worden verwerkt. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot toetsing aan deze eisen, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 Onze Minister voert overleg over voorgenomen voorstellen van wet, ontwerpen van algemene maatregel van bestuur en ontwerpen van ministeriële regelingen op het terrein van het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer met ten minste vertegenwoordigers van: a. representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer; b. provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten; c. representatieve organisaties die de belangen van gebruikers van het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer behartigen. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 De voordracht voor een eerste vaststelling van een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 1 Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet, voorzover het betreft het openbaar vervoer en het besloten busvervoer, in de praktijk. 2 Onverminderd het eerste lid zendt Onze Minister voor 1 december 2004 aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten in de praktijk van aanbesteding van concessies als bedoeld in deze wet. 3 Met het oog op de besluitvorming inzake de invoering van een plicht tot aanbesteding van concessies met ingang van 1 januari 2006 zendt Onze Minister voor 1 december 2004 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van aanbesteding van concessies. 4 Onze Minister kan onderzoek doen naar de ontwikkeling van de concurrentieverhoudingen op de Nederlandse markt voor openbaar vervoer. 5 De concessieverleners en de concessiehouders verstrekken ten behoeve van de verslagen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, of het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, desgevraagd de informatie die Onze Minister nodig acht. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 109 — Artikel 109#
Artikel 109 Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 01-01-2013
Artikel 110 — Artikel 110#
Artikel 110 artikel 53, tweede lid Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, buiten toepassing blijft. Na het tot stand komen van die regeling wordt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel van wet tot goedkeuring van de ministeriële regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 110a — Artikel 110a#
Artikel 110a 1 Onze Minister wijst de terminals aan, bedoeld in artikel 12 van verordening (EU) nr. 181/2011. 2 Onze Minister is tot 1 maart 2021 bevoegd tot het verlenen van de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2, vierde en vijfde lid, van verordening (EU) nr. 181/2011. 3 Onze Minister is tot 1 maart 2018 bevoegd tot het verlenen van de vrijstellingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening (EU) nr. 181/2011. 2014 73 18-02-2014 05-02-2014 33733 2014 73 18-02-2014 05-02-2014 33733 19-02-2014
Artikel 111 — Artikel 111#
Artikel 111 1 artikel 127 artikel 127 Een jaar na inwerkingtreding vanvervallen de overeenkomsten ter uitvoering van de artikelen 12 en 17 van de Wet personenvervoer, zoals die artikelen luidden voor de inwerkingtreding van, die bestaan tussen een overheid die op grond van de Wet personenvervoer bevoegd was tot het vaststellen van dienstregelingen en een vervoerder. 2 De overheid, bedoeld in het eerste lid, kan de overeenkomst op een eerder tijdstip beëindigen ten behoeve van het verlenen van een concessie aan de vervoerder, bedoeld in het eerste lid, dan wel een andere vervoerder. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 112 — Artikel 112#
Artikel 112 Vervallen 2008 63 28-02-2008 31-01-2008 30959 2009 506 08-12-2009 23-11-2009 01-01-2010
Artikel 113 — Artikel 113#
Artikel 113 artikel 127 artikel 127 artikel 127 artikel 4 Een vergunning voor het verrichten van taxivervoer die voor de datum van inwerkingtreding vanis verleend ingevolge artikel 57 van de Wet personenvervoer, zoals dit artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van, geldt, onverminderd mogelijke wijziging, schorsing, intrekking of het van rechtswege vervallen, met ingang van de datum van inwerkingtreding van, als een vergunning verleend ingevolge. 2004 141 08-04-2004 18-03-2004 28977 2004 399 19-08-2004 09-07-2004 20-08-2004
Artikel 114 — Artikel 114#
Artikel 114 Vervallen 2008 63 28-02-2008 31-01-2008 30959 2009 506 08-12-2009 23-11-2009 01-01-2010
Artikel 115 — Artikel 115#
Artikel 115 artikel 127 artikel 127 artikel 127 artikel 5 Een aanvraag voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer die voor de datum van inwerkingtreding vanis ingediend ingevolge artikel 57 van de Wet personenvervoer, zoals dit artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van, en waarop op de datum van de inwerkingtreding vannog geen beslissing is genomen, geldt met ingang van die datum als een aanvraag voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ingevolge. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 116 — Artikel 116#
Artikel 116 1 artikel 127 artikel 9, tweede lid Een ontheffing van de eis van vakbekwaamheid die voor 1 januari 1988 is verleend op grond van artikel 56a, eerste lid, van de Wet Autovervoer Personen, en die met ingang van die dag is aangemerkt als een ontheffing als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet personenvervoer, geldt met ingang van de dag van inwerkingtreding vanals een ontheffing als bedoeld in. 2 artikel 9, eerste lid Degene die op grond van artikel 68 van de Wet Autovervoer Personen werd geacht te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 56a, eerste lid, van die wet, en op grond van artikel 105 van de Wet personenvervoer werd geacht te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van die wet, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in. 3 artikel 113 artikel 9, tweede lid Een ontheffing van de eis van vakbekwaamheid die is verleend op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wet personenvervoer, geldt met ingang van de dag van inwerkingtreding vanals een ontheffing als bedoeld in. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 117 — Artikel 117#
Artikel 117 Vervallen 2005 28 25-01-2005 23-12-2004 29469 2005 122 15-03-2005 24-02-2005 16-03-2005
Artikel 118 — Artikel 118#
Artikel 118 1 artikel 127 artikel 127 Een dienstregeling voor het lokaal of interlokaal openbaar vervoer zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van, blijft geldig tot uiterlijk een jaar na die dag. Het recht inzake de vaststelling, wijziging en uitvoering van de dienstregeling zoals dat gold op de dag voor de inwerkingtreding vanblijft van toepassing. 2 artikel 127 artikel 127 Een dienstregeling waarvoor op grond van de Wet personenvervoer door de vervoerder een voorstel is ingediend, en waarop door het ingevolge die wet tot vaststellen bevoegde bestuursorgaan op de dag van inwerkingtreding vannog niet is beslist, wordt voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden vastgesteld volgens het recht zoals dat gold voor die dag. Het recht inzake de vaststelling, wijziging en uitvoering van de dienstregeling zoals dat gold op de dag voor de inwerkingtreding vanblijft van toepassing. 3 Artikel 19 is niet van toepassing op het verrichten van openbaar vervoer op grond van een dienstregeling die is vastgesteld overeenkomstig het eerste of tweede lid. 4 artikelen 30, derde lid 46 78 De,enzijn van overeenkomstige toepassing op het verrichten van openbaar vervoer op grond van een dienstregeling die is vastgesteld overeenkomstig het eerste of tweede lid. Artikel 19 is niet van toepassing op het verrichten van openbaar vervoer op grond van een dienstregeling die is vastgesteld overeenkomstig het eerste of tweede lid. 5 artikelen 36 tot en met 40 Dezijn van overeenkomstige toepassing op het eindigen van het verrichten van openbaar vervoer op grond van een dienstregeling als bedoeld in het eerste of tweede lid, voor zover deze beëindiging wordt gevolgd door het ingaan van een concessie, verleend aan een andere vervoerder, voor het verrichten van een geheel of gedeeltelijk dezelfde voorziening van openbaar vervoer als dat werd verricht op grond van die dienstregeling. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 119 — Artikel 119#
Artikel 119 Vervallen 2006 642 19-12-2006 22-11-2006 30683 2006 688 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 120 — Artikel 120#
Artikel 120 1 artikel 127 Een besluit tot aanwijzing van een gemeente als bedoeld in artikel 39 van de Wet personenvervoer zoals dit luidde voor de inwerkingtreding vanbehoudt zijn geldigheid tot het moment waarop Onze Minister het besluit intrekt. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop Onze Minister toepassing geeft aan de bevoegdheid tot intrekken van een besluit als bedoeld in het eerste lid. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 121 — Artikel 121#
Artikel 121 Vervallen 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 121a — Artikel 121a#
Artikel 121a Artikel 51 artikel 51 is niet van toepassing op openbaar vervoer dat wordt verricht op grond van een concessie die is verleend na aanbesteding, indien de aanbesteding heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van. 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 122 — Artikel 122#
Artikel 122 artikel 127 Keuringsbewijzen, duplicaten van keuringsbewijzen en andere bewijzen die zijn afgegeven op basis van artikel 69 van de Wet personenvervoer zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding vanbehouden hun geldigheid voor de duur van de termijn waarvoor zij zijn afgegeven. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 123 — Artikel 123#
Artikel 123 1 artikel 127 Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat voor de dag van inwerkingtreding vanis bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold voor die dag van toepassing. 2 artikel 127 Ten aanzien van een bezwaar- of beroepschrift dat voor de dag van inwerkingtreding vanis ingediend en voor zover daarop bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, blijft het recht zoals het gold voor die dag van toepassing. 3 artikel 127 Ten aanzien van een bezwaar- of beroepschrift dat op of na de dag van inwerkingtreding van deze wet is ingediend en dat is gericht tegen een besluit waartegen voor die dag eveneens bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor de dag van inwerkingtreding vanvan toepassing. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 124 — Artikel 124#
Artikel 124 artikel 123 artikel 127 In afwijking vanwordt een bezwaar- of beroepschrift, gericht tegen een besluit omtrent het verrichten van taxivervoer, dat op of na 1 januari 2000 op grond van de Wet personenvervoer is ingediend en voor zover daarop bij de inwerkingtreding vannog niet is beslist, afgehandeld volgens deze wet. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 124a — Artikel 124a#
Artikel 124a Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 124ab — Artikel 124ab#
Artikel 124ab Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 124b — Artikel 124b#
Artikel 124b Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 124c — Artikel 124c#
Artikel 124c Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 124d — Artikel 124d#
Artikel 124d Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 124e — Artikel 124e#
Artikel 124e Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 124f — Artikel 124f#
Artikel 124f Vervallen 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 2012 556 16-11-2012 05-11-2012 32845 31-12-2019
Artikel 125 — Artikel 125#
Artikel 125 Vervallen 2003 265 30-06-2003 23-04-2003 27216 2004 740 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 126 — Artikel 126#
Artikel 126 Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 127 — Artikel 127#
Artikel 127 De Wet personenvervoer wordt ingetrokken. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 128 — Artikel 128#
Artikel 128 Wijzigt de wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet personenvervoer voor het taxivervoer (deregulering taxivervoer) (Stb. 535). 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 129 — Artikel 129#
Artikel 129 De wet van 13 november 1997 tot wijziging van de Wet personenvervoer (Stb. 1997, 559) wordt ingetrokken. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 130 — Artikel 130#
Artikel 130 Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 131 — Artikel 131#
Artikel 131 Wijzigt de Vervoersnoodwet. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 132 — Artikel 132#
Artikel 132 Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 133 — Artikel 133#
Artikel 133 Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 134 — Artikel 134#
Artikel 134 Wijzigt de Mededingingswet. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 135 — Artikel 135#
Artikel 135 Wijzigt de Vestigingswet bedrijven 1954. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 136 — Artikel 136#
Artikel 136 Wijzigt de Wet op de economische delicten. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 137 — Artikel 137#
Artikel 137 Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 138 — Artikel 138#
Artikel 138 Wijzigt de Wet op de accijns. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 139 — Artikel 139#
Artikel 139 Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. : 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 140 — Artikel 140#
Artikel 140 Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 141 — Artikel 141#
Artikel 141 Artikel 16, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 1, derde lid, onderdeel b, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 vindt geen toepassing met betrekking tot het na de totstandkoming van deze wet krachtens het eerste lid van dat artikel te nemen koninklijk besluit, dat ertoe strekt de invermelde verwijzing inzake besloten busvervoer naar de Wet personenvervoer, aan te passen in verband met de wijzigingen in deze wet. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 142 — Artikel 142#
Artikel 142 1 artikel 127 artikel 84 Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer Na de inwerkingtreding vanberust de, opvan deze wet. 2 32 424 Besluit personenvervoer 2000 Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer artikelen 76, zesde lid 77, derde lid 78, tweede lid 79 artikel 81 Indien Artikel I, onderdeel E, van het bij koninklijke boodschap van 21 juni 2010 ingediende voorstel van wet, inhoudende regels ter bevordering van de kwaliteit in het taxivervoer () in werking treedt, berust hetmede op de,,, en, en berust demede op. 3 32 424 Indien Artikel I, onderdeel E, van het bij koninklijke boodschap van 21 juni 2010 ingediende voorstel van wet, inhoudende regels ter bevordering van de kwaliteit in het taxivervoer () in werking treedt: a. artikel 6, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 artikelen 4, derde lid 5 tot en met 9 11 artikel 76 artikelen 12 13 artikelen 77 78 artikel 104 artikel 79, eerste lid, onderdelen a, b, e, f en g, tweede en vierde lid worden inde verwijzingen naar de,engelezen als een verwijzing naar, wordt de verwijzing naar deengelezen als een verwijzing naar deen, en wordt de verwijzing naargelezen als een verwijzing naar, van deze wet; b. artikel 72a van het in onderdeel a bedoelde besluit artikel 13, eerste lid artikel 78, eerste lid wordt inde verwijzing naar, gelezen als een verwijzing naar, van deze wet; c. artikel 115 van het in onderdeel a bedoelde besluit artikel 4 artikel 76 wordt inde verwijzing naargelezen als een verwijzing naarvan deze wet. 2011 289 21-06-2011 26-05-2011 32424 2011 421 30-09-2011 30-08-2011 01-10-2011
Artikel 143 — Artikel 143#
Artikel 143 artikelen 15 tot en met 18 51 tot en met 60 artikel 108, vierde lid Indien naar het oordeel van Onze Minister redenen aanwezig zijn voor de inwerkingtreding van deen, mede gelet op de naar zijn oordeel uit het in, bedoelde onderzoek gebleken ontwikkelingen ter zake van de concurrentieverhoudingen op de Nederlandse markt voor openbaar vervoer en het met een of beide kamers der Staten-Generaal ter zake gevoerd overleg, wordt een ontwerp van een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van die artikelen zo spoedig mogelijk aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2009 336 06-08-2009 18-07-2009 31569 2009 387 25-09-2009 08-09-2009 15-10-2009
Artikel 144 — Artikel 144#
Artikel 144 Deze wet wordt aangehaald als: Wet personenvervoer 2000. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001