Wet van 31 januari 2002, houdende regels inzake ammoniakemissie uit tot veehouderijen behorende dierenverblijven (Wet ammoniak en veehouderij)
- BWB-id
- BWBR0013402
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2017-01-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013402
- ELI
- /eli/nl/wet/2002/wet-ammoniak-en-veehouderij
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2002/wet-ammoniak-en-veehouderij/2017-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013402&g=2017-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013402&z=2026-06-06&g=2017-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013402/2017-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2002/wet-ammoniak-en-veehouderij
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ammoniakemissie: 3 emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NHper jaar; beste beschikbare technieken artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht : beste beschikbare technieken als bedoeld in; dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden; dierplaats: deel van een huisvestingssysteem, bestemd voor het houden van één dier; ecologische hoofdstructuur: artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 4.3 van die wet ecologische hoofdstructuur, als bedoeld in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II 1989/90, 21 149, nrs. 2–3), zoals deze is begrensd door het provinciaal bestuur, of, voorzover deze begrenzing nog niet heeft plaatsgevonden, zoals deze is aangegeven in een structuurvisie als bedoeld in, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in; emissiefactor: bij ministeriële regeling vastgestelde ammoniakemissie per dierplaats, behorende bij een daarbij aangewezen diercategorie en huisvestingssysteem; IPPC-installatie artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht : installatie als bedoeld in; huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden; maximale emissiewaarde: artikel 8.40 van de Wet milieubeheer ammoniakemissie per dierplaats, die ingevolge een voorschrift gesteld krachtensbij een diercategorie ten hoogste mag plaatsvinden; melkrundvee: melkrundveehouderij: veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee; omgevingsvergunning: artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in; Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; richtlijn (EEG) nr. 92/43 : richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); veehouderij: artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer inrichting, die tot een krachtensaangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; voor verzuring gevoelig gebied : gebied dat onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig was aangemerkt krachtens artikel 1, tweede lid, van die wet, met dien verstande dat: 1°. melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en 2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren; a. een gebied dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig gebied was aangewezen bij een verordening die tegelijk met voornoemde wet is vervallen, niet als voor verzuring gevoelig wordt aangemerkt, en b. een gebied waarop voor 1 januari 2002 een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, niet als voor verzuring gevoelig wordt aangemerkt. 2 Voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij wordt het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn, vermenigvuldigd met de emissiefactoren. 3 artikel 8.40 van de Wet milieubeheer Totdat een algemene maatregel van bestuur krachtens, waarbij maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, van kracht is, geldt voor de toepassing van deze wet als maximale emissiewaarde de waarde die als zodanig is vastgesteld bij ministeriële regeling. Voor een diercategorie waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, geldt als maximale emissiewaarde de emissiefactor behorende bij het betrokken huisvestingssysteem. 2013 159 26-04-2013 11-04-2013 33197 2013 176 23-05-2013 26-04-2013 24-05-2013
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Provinciale staten wijzen de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. 2 Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen. 3 Wet natuurbescherming Provinciale staten wijzen, onverminderd het tweede lid, alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in deaan als zeer kwetsbaar gebied. 4 Bij de aanwijzing van gebieden, anders dan bedoeld in het derde lid, als zeer kwetsbaar gebied houden provinciale staten uitsluitend rekening met de volgende aspecten: a. de gevoeligheid van het voor verzuring gevoelige gebied voor de effecten van ammoniak; b. de in het voor verzuring gevoelige gebied aanwezige natuurwaarden; c. de ecologische samenhang binnen het voor verzuring gevoelige gebied of van dat gebied met een of meer andere gebieden die als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen; d. de grootte van het voor verzuring gevoelige gebied; e. de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen, voorzover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt. 5 Aanwijzing van een gebied als bedoeld in het vierde lid, kleiner dan 50 ha vindt slechts plaats indien het een gebied met zeer grote natuurwaarden betreft. 6 Een gebied kan slechts worden aangemerkt als gebied met zeer grote natuurwaarden als bedoeld in het vijfde lid indien: a. artikel 1.5, vierde lid, van de Wet natuurbescherming in het gebied meer dan een soort aanwezig is die is opgenomen in bijlage II van richtlijn (EEG) nr. 92/43 of op een krachtensvastgestelde lijst en deze soorten of hun leefomgeving zeer gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak; b. het gebied door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe het betreffende gebied behoort, is voorgesteld om als zodanig te worden aangemerkt. 2016 34 19-01-2016 16-12-2015 33348 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 artikel 2, eerste lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Een besluit als bedoeld in, wordt voorbereid door gedeputeerde staten met toepassing van de ingeregelde procedure. 2 artikel 2, eerste lid Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in, plegen gedeputeerde staten in ieder geval overleg met de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe het gebied waarop het besluit betrekking heeft, behoort. 3 artikel 2, eerste lid Een besluit als bedoeld in, gaat vergezeld van een of meer kaarten waarop de begrenzing van de zeer kwetsbare gebieden nauwkeurig wordt aangegeven. 4 Wet natuurbescherming artikel 2, eerste lid Indien de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur of van binnen een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in dewordt gewijzigd, wijzigen provinciale staten het in, bedoelde besluit, voor zover dat noodzakelijk is om te voldoen aan artikel 2. Op de wijziging van het besluit zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. 2016 34 19-01-2016 16-12-2015 33348 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het
zevende lid in plaats van het vierde lid.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 4 tot en met 7 Bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de. 2 Het eerste lid geldt niet voor de gevolgen voor het milieu die veroorzaakt worden door directe opname uit de lucht van ammoniak door planten en bomen. 3 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingrecht artikel 2.22, derde lid, van die wet artikel 1.3c 8.40 van de Wet milieubeheer Het eerste lid geldt evenmin voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan artikelkan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtensofofworden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Daarbij geldt dat de vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften voldoet. Voorzover de voorschriften betrekking hebben op IPPC-installatie wordt de vergunning eveneens geweigerd indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd. 4 artikel 7 artikel 7.35 van de Wet milieubeheer hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer Het eerste lid geldt – onverminderd– evenmin bij het nemen van een besluit als bedoeld inmet betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding waarvan krachtenseen milieueffectrapport dient te worden gemaakt. 2013 159 26-04-2013 11-04-2013 33197 2013 176 23-05-2013 26-04-2013 24-05-2013 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij wordt geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 4 artikel 8.40 van de Wet milieubeheer In afwijking vanwordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtensviel, en: a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn, b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a, e. artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels die krachtenszijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a, of f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a. 2 artikel 4, eerste lid In afwijking van, wordt een omgevingsvergunning eveneens niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Een omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij wordt geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 6 In afwijking vanwordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, voorzover: a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding: 1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of 2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1°, of b. in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, c. de uitbreiding schapen of paarden betreft, d. artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtenszijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. 2 artikel 5, eerste lid, onder c tot en met f Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, dan wel, niet meegerekend. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Artikel 3.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing op het veranderen van een veehouderij, indien het veranderen betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf na de uitbreiding geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Een ministeriële regeling krachtens deze wet wordt vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 2002 93 21-02-2002 31-01-2002 27836 2002 207 07-05-2002 26-04-2002 27836 08-05-2002
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Indien de aanvraag van een vergunning voor een veehouderij is ingediend voor 8 december 2000 blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. 2007 103 27-03-2007 17-02-2007 30654 2007 156 27-04-2007 24-04-2007 01-05-2007
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2002 93 21-02-2002 31-01-2002 27836 2002 207 07-05-2002 26-04-2002 27836 08-05-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Deze wet wordt aangehaald als: Wet ammoniak en veehouderij. 2002 93 21-02-2002 31-01-2002 27836 2002 207 07-05-2002 26-04-2002 27836 08-05-2002