Wet van 4 juli 2002, houdende regels voor het heffen van mobiliteitstarieven ter zake van het rijden op de weg met een motorrijtuig en de ondersteuning van regionale mobiliteitsfondsen (Wet bereikbaarheid en mobiliteit)
- BWB-id
- BWBR0013854
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2015-11-01 t/m 2016-03-14
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013854
- ELI
- /eli/nl/wet/2002/wet-bereikbaarheid-en-mobiliteit
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2002/wet-bereikbaarheid-en-mobiliteit/2015-11-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013854&g=2015-11-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013854&z=2026-06-06&g=2015-11-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013854/2015-11-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2002/wet-bereikbaarheid-en-mobiliteit
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; b. artikel 2, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 motorrijtuig: een motorrijtuig als bedoeld in; c. 13 21 26 mobiliteitstarief: een tarief als bedoeld in de artikelen,en; d. betaalpoort: het geheel van werken en andere voorzieningen op en aan de weg dat ertoe strekt een mobiliteitstarief te heffen; e. expresbaan: een verkeersbaan, bestemd voor één rijrichting, van een weg die nog een andere verkeersbaan, bestemd voor dezelfde rijrichting, omvat, en waar het gebruik van de expresbaan aan een heffing kan zijn onderworpen die er toe strekt dat het verkeer op de expresbaan geen reistijd verliest wegens congestie; f. tolweg: een weg waar ten behoeve van de bekostiging van de weg verkeersdeelnemers wegens het gebruik van de weg een specifieke bijdrage verschuldigd zijn; g. tolbaan: een verkeersbaan, bestemd voor één rijrichting, van een weg die nog een andere verkeersbaan, bestemd voor dezelfde rijrichting, omvat, en waar ten behoeve van de bekostiging van de tolbaan verkeersdeelnemers wegens het gebruik van de tolbaan een specifieke bijdrage verschuldigd zijn. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Wegenwet Deze wet is uitsluitend van toepassing op wegen die openbaar zijn in de zin van de. 2 Bij de toepassing van deze wet wordt de bij regeling van Onze Minister aangewezen EG-richtlijn in acht genomen. 3 Een wijziging van de richtlijn, bedoeld in het tweede lid, gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2008 428 06-11-2008 24-10-2008 31340 2008 428 06-11-2008 24-10-2008 31340 07-11-2008
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Onze Minister wijst in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de plaats van een betaalpoort op een weg, in beheer bij het Rijk, aan, en bepaalt voor welk mobiliteitstarief en voor welke rijrichting de betaalpoort is bestemd. Een aanwijzing als bedoeld in de eerste volzin heeft niet plaats indien te verwachten is dat de kosten van invordering van het desbetreffende mobiliteitstarief meer dan 20 procent van de opbrengst zullen bedragen. 2 Het bestuur van een waterschap, provinciale staten van een provincie of de raad van een gemeente wijst de plaats van een betaalpoort op een weg, in beheer bij dat openbaar lichaam, aan en bepaalt voor welk mobiliteitstarief en voor welke rijrichting de betaalpoort is bestemd. De aanwijzing behoeft de goedkeuring van de in het eerste lid genoemde ministers. De goedkeuring wordt geweigerd, indien: a. artikel 14 artikel 22, eerste lid de plaats van de betaalpoort niet voldoet aan, onderscheidenlijk; b. te verwachten is dat de kosten van invordering van het desbetreffende mobiliteitstarief meer dan 20 procent van de opbrengst zullen bedragen, of c. de aanwijzing van de betaalpoort naar verwachting ongewenste gevolgen heeft voor het gebruik van wegen die in dezelfde verbinding voorzien als de weg waarop de plaats voor de betaalpoort is aangewezen, of die in het verlengde zijn gelegen van de weg waarop de plaats voor de betaalpoort is aangewezen. 3 Onze Minister zendt het ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid, alsmede een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld toe aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 533 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Een mobiliteitstarief wordt verschuldigd op het tijdstip waarop met een motorrijtuig met binnenlands of buitenlands kenteken, rijdend op de weg, een voor dat tarief aangewezen betaalpoort wordt gepasseerd in een voor die poort aangewezen rijrichting. 2 Een mobiliteitstarief wordt geheven van de houder van het motorrijtuig. 3 Een motorrijtuig wordt gehouden door degene: a. artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994 op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister, bedoeld in; b. op wiens naam, indien het een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig betreft, terzake van de registratie van het betrokken motorrijtuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een kentekenbewijs is afgegeven; c. die het motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven, feitelijk ter beschikking heeft. 4 37 van de Wegenverkeerswet 1994 Als motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven, wordt niet aangemerkt een motorrijtuig waarvoor ingevolge artikel, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, daarvan, het voorzien zijn van een kenteken ter zake van het gebruik van de weg niet is voorgeschreven. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen Invorderingswet 1990 Kostenwet invordering rijksbelastingen De mobiliteitstarieven worden geheven en ingevorderd met overeenkomstige toepassing van de, deen de. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Een verschuldigd geworden mobiliteitstarief wordt op aangifte voldaan, voor zover dat tarief niet op aangifte is voldaan op de voet van het vierde lid. 2 Het passeren van een betaalpoort met een motorrijtuig wordt aangemerkt als het doen van aangifte. 4 artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vanwordt het verschuldigd geworden mobiliteitstarief onverwijld na het doen van aangifte betaald. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën worden nadere regels gesteld inzake de voldoening. 4 Een mobiliteitstarief kan op elektronische wijze worden geheven. De aangifte wordt alsdan op elektronische wijze gedaan op het tijdstip dat een betaalpoort wordt gepasseerd, door het in werking stellen van op de betaalpoort aanwezige betalingsapparatuur gelijktijdig met betaling van het verschuldigde mobiliteitstarief. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën worden nadere regels gesteld inzake de elektronische aangifte en voldoening. 5 Hoofdstuk II van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet van toepassing op de in het tweede en het vierde lid bedoelde aangiften. 2015 378 28-10-2015 14-10-2015 34196 2015 379 28-10-2015 14-10-2015 01-11-2015
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vrijstelling van de mobiliteitstarieven kan, onder voorwaarden en beperkingen, worden verleend bij algemene maatregel van bestuur. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Ter zake van het passeren van een betaalpoort op een expresbaan is geen toltarief verschuldigd. 2 Ter zake van het passeren van een tolpoort op een tolbaan of een tolweg is geen expresbaantarief verschuldigd. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien een mobiliteitstarief wordt nageheven, blijftbuiten toepassing. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikelen 15, eerste lid artikel 21, eerste lid artikel 2 van de Wet Infrastructuurfonds De netto-opbrengst van de mobiliteitstarieven, bedoeld in de, en, komt ten goede aan het Infrastructuurfonds, bedoeld in. 2 De netto-opbrengst van het mobiliteitstarief, bedoeld in artikel 21, tweede lid, komt uitsluitend ten goede aan fondsen waarvan de middelen uitsluitend worden aangewend voor infrastructurele investeringen. 3 De netto-opbrengst van het mobiliteitstarief, bedoeld in artikel 21, eerste en tweede lid, wordt uitsluitend besteed aan de aanleg, het beheer en het onderhoud van de weg, waaraan de betaalpoort voor het desbetreffende tarief is gelegen. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Bij regeling van Onze Minister worden eenvormige regels gesteld over de apparatuur voor het op elektronische wijze doen van aangifte en het op elektronische wijze betalen van mobiliteitstarieven. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld die ertoe strekken dat voor de weggebruiker duidelijk kenbaar zijn: a. de plaats van een betaalpoort, b. het mobiliteitstarief waarvoor de betaalpoort is bestemd, en c. de rijrichting waarvoor de betaalpoort is bestemd. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 16, eerste lid, onderdeel c Onder de naam «expresbaantarief» wordt van rijkswege een mobiliteitstarief geheven ter zake van het passeren tijdens een daartoe krachtens, aangewezen tijdsperiode van een voor dat tarief aangewezen betaalpoort op een weg, in beheer bij het Rijk, met een motorrijtuig in de voor die betaalpoort aangewezen rijrichting over de ten aanzien van die betaalpoort aangewezen baan van de weg. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Bij de aanwijzing van de plaats van een betaalpoort voor het expresbaantarief wordt bepaald voor welke baan van de weg het expresbaantarief wordt geheven. 2 Bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, worden niet alle banen van de weg in dezelfde richting aangewezen. 3 De expresbaan is van de andere banen afgescheiden. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De hoogte van het expresbaantarief per passage wordt bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Financiën zodanig bepaald dat naar verwachting een goede doorstroming op de desbetreffende aangewezen baan van de weg wordt bereikt. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van het tarief, bedoeld in het eerste lid, op basis van verkeersintensiteit. 3 artikel 6, eerste lid De hoogte van het expresbaantarief per passage is bij betaling op elektronische wijze lager dan in het geval het expresbaantarief wordt voldaan op een aangifte op de voet van. Het in de eerste volzin bedoelde verschil wordt, rekening houdend met het verschil in behandelingskosten, bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 4 Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij wordt geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Financiën wordt ten aanzien van een betaalpoort vastgesteld: a. de datum met ingang waarvan het expresbaantarief wordt geheven; b. de dagen van het jaar waarop het expresbaantarief wordt geheven, en c. de tijdsperiode of de tijdsperioden waarin op een krachtens onderdeel b aangewezen dag het expresbaantarief wordt geheven. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 De rijksbelastingdienst heft het expresbaantarief en vordert het in. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Indien een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, feitelijk en niet geheel voorbijgaand ter beschikking staat van een ander dan degene op wiens naam het opgegeven kenteken is gesteld, kan de inspecteur die ander: a. op gezamenlijk verzoek aanmerken als degene die het motorrijtuig houdt; b. ambtshalve aanmerken als degene die het motorrijtuig houdt. 2 De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de beslissing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld die ertoe strekken dat voor de weggebruiker tijdig en duidelijk kenbaar zijn: a. de expresbaan waar het expresbaantarief wordt geheven; b. de dagen waarop en de tijdsperioden waarin het expresbaantarief wordt geheven, en c. de hoogte van het expresbaantarief. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Deze paragraaf is slechts van toepassing op het passeren van de betaalpoorten die voor dat tarief zijn aangewezen op: a. de A1 tussen de eerste toerit na afrit 5 (Naarden) en knooppunt Watergraafsmeer in beide richtingen; b. de A4 tussen het knooppunt Kethelplein en het knooppunt Benelux in beide richtingen; c. de A12 tussen knooppunt Oudenrijn en de aansluiting met de N11 bij Bodegraven in beide richtingen; d. de A16 tussen de eerste toerit na afrit 20 (Randweg Dordrecht) en knooppunt Klaverpolder in beide richtingen, en e. de A5 (Verlengde Westrandweg) in beide richtingen. 2 Artikel 1, onderdeel e artikel 14, tweede lid , en, zijn niet van toepassing op de Verlengde Westrandweg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. 3 artikel 40, eerste lid In de periode tot een half jaar nadat het verslag, bedoeld in, aan de beide kamers der Staten-Generaal is toegezonden, kan slechts voor twee van de in het eerste lid bedoelde wegvakken een plaats voor een betaalpoort voor het expresbaantarief worden aangewezen. 4 artikel 40, tweede lid Voorafgaand aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, zendt Onze Minister aan de beide kamers der Staten-Generaal een beschrijving van de kwantitatieve en kwalitatieve resultaten die op het desbetreffende wegvak tenminste behaald moeten worden. De beschrijving heeft in elk geval betrekking op de onderwerpen, omschreven in. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Onder de naam «toltarief» wordt van rijkswege een mobiliteitstarief geheven ter zake van het passeren van een voor dat tarief aangewezen betaalpoort op een weg, in beheer bij het Rijk, met een motorrijtuig in de voor die poort aangewezen rijrichting. 2 Een provincie, een gemeente of een waterschap kan onder de naam «toltarief» een mobiliteitstarief instellen ter zake van het passeren van een voor dat tarief aangewezen betaalpoort op een weg, in beheer bij dat openbaar lichaam, met een motorrijtuig in de voor die poort aangewezen rijrichting. 3 hoofdstuk XV van de Provinciewet § 1 § 4 van hoofdstuk XV van de Gemeentewet hoofdstukken XVI XVIII van de Waterschapswet Voor de toepassing van,enen deenwordt het tarief, bedoeld in het tweede lid, aangemerkt als een provinciale belasting, onderscheidenlijk gemeentelijke belasting, onderscheidenlijk waterschapsbelasting. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 De plaats voor een betaalpoort voor een toltarief kan slechts zijn gelegen op a. deze wet een tolweg die voor het verkeer wordt opengesteld na de datum van inwerkingtreding van; b. deze wet een tolbaan van een weg waar na de datum van inwerkingtreding vande capaciteit van de weg is vergroot en het aantal stroken zonder toltarief niet kleiner is dan voor de capaciteitsuitbreiding. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een betaalpoort op de A4 tussen het knooppunt Kethelplein en het knooppunt Benelux in beide richtingen. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 21, tweede lid Bij regeling van Onze Minister, en in geval van toepassing van, bij verordening van het desbetreffende openbare lichaam, wordt vastgesteld: a. de datum met ingang waarvan bij een betaalpoort een toltarief wordt geheven; b. de hoogte van het toltarief per passage. 2 De hoogte van het toltarief per passage kan in ieder geval verschillen naar gelang van de tijdsperiode waarin de betaalpoort wordt gepasseerd. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Algemene wet inzake rijksbelastingen Invorderingswet 1990 Kostenwet invordering rijksbelastingen Bij een weg, in beheer bij het Rijk, treedt voor de toepassing van de, deen deOnze Minister in de plaats van de in die wetten genoemde functionarissen. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De openbare lichamen die een toltarief instellen, treffen een gezamenlijke voorziening voor het verschaffen van inlichtingen en het gebruik van één postadres voor het behandelen van klachten en bezwaren. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kwaliteit van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, over het verstrekken van gegevens ten behoeve van die voorziening en over de bekostiging van die voorziening door de openbare lichamen, bedoeld in het eerste lid. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Onder de naam «kilometerheffing» wordt een mobiliteitstarief geheven ter zake van het rijden met een motorrijtuig. 2 2 3 4, eerste lid 6 12 De artikelen,,,enzijn niet van toepassing. 3 De kilometerheffing kent als maatstaf met een motorrijtuig afgelegde afstanden, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar milieu- en veiligheidskenmerken van de auto en onderscheid kan worden gemaakt naar de tijdsperiode waarin en de plaats waar wordt gereden. 4 Bij of krachtens wet worden nadere regels over de kilometerheffing gesteld. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit hoofdstuk regels worden gesteld ter aanvulling van de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Financiën nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 Als een provincie een openbaar lichaam als bedoeld in, of een gemeente een regionaal mobiliteitsfonds tot stand heeft gebracht met als enig doel de bekostiging van infrastructurele maatregelen en vervoersdiensten, kan Onze Minister ten gunste van het fonds bijdragen verlenen, indien daarmee de bereikbaarheid van een uit het oogpunt van verkeer en vervoer samenhangend gebied en van belangrijke economische en andere centra binnen dat gebied wordt bevorderd, en binnen het gebied voldoende overeenstemming bestaat over de wijze waarop de middelen uit het fonds tot besteding zullen komen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent: a. de voorwaarden en voorschriften die aan een bijdrage kunnen worden verbonden, en b. de verantwoording met betrekking tot de besteding van de desbetreffende rijksbijdragen. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Onze Minister zendt periodiek aan de Staten-Generaal een overzicht, bevattende: a. de wegen, in beheer bij het Rijk, met structurele congestie; b. de plaatsen die voor plaatsing van een betaalpoort voor het expresbaantarief zijn aangewezen; c. de wegvakken waar plaatsing van een betaalpoort voor het expresbaantarief wordt overwogen. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 3, eerste lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een in, bedoeld besluit isvan toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 2 artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Provinciale staten en de raden van de betrokken gemeenten delen binnen de inbedoelde termijn hun oordeel over het ontwerpbesluit aan Onze Minister mee. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 3, eerste lid artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.38 van die wet Een in, bedoeld besluit geldt als voorbereidingsbesluit als bedoeld in. Voor zover het in de eerste volzin bedoelde besluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing. Het besluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor de plaats die is aangewezen in het besluit een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld inin overeenstemming met het besluit in werking is getreden. 2 Artikel 3.3, eerste tot en met derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet artikel 3, eerste lid is niet van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld inter uitvoering van een besluit als bedoeld in. 3 artikel 3, eerste lid artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.10 van die wet Voor zover het in, bedoelde besluit en het bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het besluit voor de uitvoering daarvan als omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met toepassing van, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Zolang het bestemmingsplan of de beheersverordening nog niet in overeenstemming is met het besluit, verleent het college van burgemeester en wethouders van de gemeente aan degenen die inzage verlangen in het plan of de verordening, tevens inzage in het besluit. Bij de toepassing vanwordt onder bestemmingsplan of beheersverordening mede het besluit begrepen. 4 artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 3, eerste lid Voor zover een bestemmingsplan, een beheersverordening of een ander besluit voor de uitvoering van werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld invereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitwerking van het in, bedoelde besluit. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Abusievelijk is voor het derde lid een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 artikel 3, eerste lid Wet ruimtelijke ordening De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat een in, bedoeld besluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in deovereenkomstig dat besluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in dat besluit, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 3, eerste lid Indien voor de uitvoering van een in, bedoeld besluit een besluit is vereist en dit niet of niet tijdig wordt verleend of genomen, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing nemen. In dat geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien de in de eerste volzin bedoelde ministers voornemens zijn een beslissing te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen. 2 Ten aanzien van aanvragen om een besluit als bedoeld in het eerste lid, is Onze Minister mede bevoegd deze in te dienen bij het bevoegde bestuursorgaan. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 3, eerste lid Belemmeringenwet Privaatrecht Het oprichten of wijzigen van een in, bedoelde betaalpoort wordt voor de toepassing van deaangemerkt als openbaar werk van algemeen nut. 2 artikel 3, eerste lid Belemmeringenwet Privaatrecht Indien voor de uitvoering van een in, bedoeld besluit toepassing van denoodzakelijk is, geldt het volgende: a. artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht in afwijking van, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat: 1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting wordt gehouden; 2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon; b. artikelen 2, vijfde lid 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht in afwijking van de, enwordt het college van gedeputeerde staten niet gehoord; c. artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht artikel 2, vijfde lid artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht in afwijking vanwordt de werking van een besluit als bedoeld in, ofopgeschort tot het tijdstip waarop de termijn voor het indienen van een beroepschrift verstrijkt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Artikel 72a van de onteigeningswet is van overeenkomstige toepassing met het oog op onteigening ten behoeve van betaalpoorten. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 artikel 3, tweede lid artikel 3, tweede lid 30 tot en met 37 In geval, niet wordt toegepast ten aanzien van een weg die in beheer is bij een ander dan het Rijk, en het naar het oordeel van Onze Minister in het belang van een goede uitvoering van de wet is dat ter zake een besluit als bedoeld in, wordt genomen, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een zodanig besluit nemen en zijn ter zake de artikelenvan overeenkomstige toepassing. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Onze Minister zendt tweejaarlijks voor juli aan de beide kamers der Staten-Generaal een overzicht waaruit de stand van zaken met betrekking tot de mobiliteitstarieven blijkt. Het overzicht geeft in elk geval aan: a. de wegbeheerder; b. de locatie waarop het mobiliteitstarief betrekking heeft; c. de exploitatiekosten; d. de opbrengsten; e. de besteding van de opbrengsten; f. informatie over de opbrengsten en bestedingen van alle afzonderlijke mobiliteitsfondsen. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 deze wet Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen twee en een half jaar na de datum waarop voor het eerst een expresbaantarief is geheven, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten vanin de praktijk wat het expresbaantarief betreft. 2 Het verslag, bedoeld in het eerste lid, heeft in elk geval betrekking op: a. de verandering van de congestie en de reistijden op wegen of banen waar het expresbaantarief wordt geheven en op wegen of banen die in dezelfde verbinding voorzien; b. de verandering in verkeersstromen en in ritmotieven, op alle in aanmerking komende wegen of banen; c. de verandering van de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid, tijdens de heffingsperiode en de direct daaraan voorafgaande of daarop volgende periodes, nabij de betaalpoorten en bij de plaatsen waar in verband met de heffing op nabijgelegen betaalpoorten verkeersbeperkende maatregelen worden genomen, de mate van doorstroming op wegen of banen waar het expresbaantarief wordt geheven; d. de met de onder b bedoelde verandering in verkeersstromen samenhangende gevolgen voor de geluidsbelasting, en e. het gedrag van weggebruikers die al dan niet gebruik maken van wegen of banen waar het expresbaantarief wordt geheven. 3 deze wet Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen twee en een half jaar na de datum waarop voor het eerst een toltarief is geheven, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten vanin de praktijk wat het toltarief betreft. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 40, eerste lid deze wet Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen vijf jaar na de datum waarop het verslag, bedoeld in, aan de beide kamers der Staten-Generaal is gezonden en vervolgens telkens na vier jaar aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid vanin de praktijk. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Op eerste vordering van ambtenaren van de rijksbelastingdienst of van opsporingsambtenaren als bedoeld in, is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat te doen stilstaan. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 artikel 42 De inbedoelde ambtenaren zijn bevoegd een motorrijtuig te onderwerpen aan een onderzoek en het daartoe te brengen of te doen brengen naar een nabij gelegen plaats. De bestuurder van het motorrijtuig en bij diens afwezigheid degene die het motorrijtuig houdt, is verplicht desgevorderd zijn voor het onderzoek en het vervoer noodzakelijke medewerking te verlenen en de ambtenaren met het motorrijtuig te vervoeren. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 40, eerste lid Tot het tijdstip, bedoeld in, wordt de houder van een motorrijtuig, die in het bezit is van een abonnement, afgegeven door het Rijk, voor het gebruik van een expresbaan gedurende een maand in een bepaalde rijrichting, vrijgesteld van het desbetreffende expresbaantarief. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van het tarief voor een abonnement bepaald, met dien verstande dat het tarief ten hoogste € 140 bedraagt. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Artikel 11.20 van de Wet milieubeheer artikel 40, eerste lid is tot een jaar nadat het verslag, bedoeld in, aan de beide kamers der Staten-Generaal is toegezonden, niet van toepassing op een weg waar betaalpoorten voor een expresbaantarief zijn geplaatst. 2012 267 20-06-2012 24-11-2011 32625 2012 268 20-06-2012 06-06-2012 01-07-2012
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Wijzigt de Wegenwet. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Wijzigt deze wet. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Deze wet wordt aangehaald als: Wet bereikbaarheid en mobiliteit. 2002 406 30-07-2002 04-07-2002 27552 2002 523 31-10-2002 10-10-2002 01-11-2002