Wet van 27 juni 2002, houdende bepalingen inzake de geldtransactiekantoren
- BWB-id
- BWBR0013816
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- 2012-01-01 t/m 2012-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013816
- ELI
- /eli/nl/wet/2002/wet-inzake-de-geldtransactiekantoren
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2002/wet-inzake-de-geldtransactiekantoren/2012-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013816&g=2012-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013816&z=2026-06-06&g=2012-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013816/2012-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2002/wet-inzake-de-geldtransactiekantoren
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. geldtransactiekantoor: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan; b. artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek derde: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die geen onderdeel uitmaakt van een groep als bedoeld in, met dien verstande dat indien een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap: 1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of 2°. artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in, dan wel, voorzover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie, die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep; c. geldtransactie: 1°. het wisselen van munten of bankbiljetten; 2°. het uitbetalen van munten of bankbiljetten op vertoon van een creditcard, tegen inlevering van een of meer cheques of tegen inlevering van een of meer onderdelen van het couponblad van een waardepapier aan toonder tegen inlevering waarvan de rente op dit waardepapier kan worden geïnd; 3°. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere verwante activiteit; d. register: het openbare register van geldtransactiekantoren dat door de zorg van Onze Minister wordt gehouden; e. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; f. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Onze Minister draagt zorg voor de inschrijving in het register van ieder geldtransactiekantoor dat daarom verzoekt, tenzij Onze Minister op grond van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een van de in het tweede lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen of op grond van de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie: a. van oordeel is dat hierdoor de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien Onze Minister een redelijk vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer van de in het tweede lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen of heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld; of b. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen en te handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen. 2 Het verzoek om inschrijving bevat de volgende gegevens en bescheiden: a. de identiteit en de antecedenten van de bestuurders van het geldtransactiekantoor; b. de identiteit en de antecedenten van degenen die het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen; c. de identiteit en de antecedenten van de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de onder a en b bedoelde personen te benoemen of te ontslaan; d. de identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in het geldtransactiekantoor, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming; e. de naam, het adres en de vestigingsplaats van het geldtransactiekantoor en, indien van toepassing, het adres en de vestigingsplaats van diens bijkantoren; f. de voorziene bedrijfsvoering, waaronder begrepen de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en de voorziene administratieve organisatie van het geldtransactiekantoor; g. het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel; h. artikel 1, eerste lid, onder c de geldtransacties, genoemd in, die het geldtransactiekantoor uitvoert of voornemens is uit te voeren; i. overige gegevens en bescheiden die Onze Minister nodig heeft in het belang van de beoordeling van de aanvraag. 3 In het register worden opgenomen de naam, het adres en de vestigingsplaats van het geldtransactiekantoor, het adres en de vestigingsplaats van de bijkantoren, de datum van inschrijving van het geldtransactiekantoor in het register, het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het soort geldtransacties dat het geldtransactiekantoor uitvoert of voornemens is uit te voeren. 4 Een geldtransactiekantoor dat is ingeschreven in het register meldt iedere voorgenomen wijziging die optreedt in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, b of c, voor zover deze het aantal of identiteit van de daar genoemde personen betreft, of in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder h, vooraf aan Onze Minister. 5 Een wijziging als bedoeld in het vierde lid wordt niet doorgevoerd, indien Onze Minister het voornemen daartoe afwijst binnen zes weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het vierde lid, of, indien Onze Minister om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of inlichtingen. 6 Indien zich een wijziging voordoet in de antecedenten, bedoeld in het tweede lid, onder a, b of c, dan wel in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder d, e, f, g of i, meldt het geldtransactiekantoor deze onverwijld schriftelijk aan Onze Minister. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Het is verboden als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. 2 Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op: a. degene die als geldtransactiekantoor is ingeschreven in het register als bedoeld in deze wet; b. De Nederlandsche Bank N.V.; c. artikel 2:11 2:20 van de Wet op het financieel toezicht financiële ondernemingen die ingevolgeofin Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen; d. 2:15 2:18 van de Wet op het financieel toezicht artikel 3:39 financiële ondernemingen die ingevolgeofin Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond vanis toegestaan in Nederland werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten; e. Wet op het financieel toezicht artikel 2:25 2:26 3:110, van die wet financiële instellingen die ingevolge dein Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond van,, onderscheidenlijkis toegestaan in Nederland werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten. 2011 670 29-12-2011 22-12-2011 32826 2011 671 29-12-2011 22-12-2011 01-01-2012 30-04-2011
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 3, eerste lid Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen van het in, vervatte verbod. 2 artikel 2, tweede lid, onder a, b, c of d Een ontheffing van het verbod als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn wordt geweigerd indien Onze Minister op grond van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een van de personen bedoeld in, of op grond van de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie: a. van oordeel is dat hierdoor de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien Onze Minister een redelijk vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer van de in de aanhef van dit lid bedoelde personen zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen of heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld; of b. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen of te handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen. 3 Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Onze Minister haalt de inschrijving door: a. op verzoek van het geldtransactiekantoor; b. in geval van overlijden van de natuurlijke persoon die het bedrijf van geldtransactiekantoor uitoefent; c. titel III van de Faillissementswet in geval het geldtransactiekantoor of de natuurlijke persoon die het bedrijf van geldtransactiekantoor uitoefent, in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling, bedoeld in, is uitgesproken; d. in geval van ontbinding van de rechtspersoon of vennootschap die het bedrijf van geldtransactiekantoor uitoefent; e. in geval van beëindiging van de werkzaamheden als geldtransactiekantoor. 2 Onze Minister kan de inschrijving doorhalen: a. in geval het geldtransactiekantoor kennelijk niet langer geldtransacties uitvoert dan wel niet langer beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan; b. in geval het geldtransactiekantoor niet voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen; c. artikel 2, tweede lid, onder a, b, c of d in geval Onze Minister op grond van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een van de in, bedoelde personen, of op grond van de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie: 1°. artikel 2, tweede lid, onder a, b, c of d van oordeel is dat hierdoor de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien Onze Minister een redelijk vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer van de in, bedoelde personen zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen of heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld; of 2°. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen en te handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen; d. in geval Onze Minister informatie bekend wordt die, was zij hem bekend geweest op het moment van het verzoek om inschrijving, ertoe zou hebben geleid dat het verzoek niet zou zijn ingewilligd; e. indien een der bestuurders of degene die het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor bepaalt of mede bepaalt, in staat van faillissement is verklaard; f. artikel 7 in geval Onze Minister na de tenuitvoerlegging van de inbedoelde executoriale titel, niet de ingevolge dat artikel verschuldigde betaling heeft ontvangen. 3 Indien Onze Minister de inschrijving doorhaalt op een moment dat het geldtransactiekantoor in het kader van een geldtransactie gelden of geldswaarden ter beschikking heeft gekregen en deze nog niet heeft uitbetaald of betaalbaar gesteld, geeft Onze Minister aanwijzingen met betrekking tot de afwikkeling van de geldtransactie. Het geldtransactiekantoor is gehouden deze aanwijzingen op te volgen. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Staatscourant Van de inschrijving in het register dan wel van de doorhaling van de inschrijving in het register wordt door de zorg van Onze Minister binnen twee weken na de dag waarop deze heeft plaatsgevonden, mededeling gedaan in de. 2 Onze Minister houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Het geldtransactiekantoor is ter zake van het verzoek om inschrijving in het register aan Onze Minister een bedrag verschuldigd. 2 Het geldtransactiekantoor dat is ingeschreven in het register is jaarlijks, ter zake van de dekking van de kosten verbonden aan het toezicht op de ingeschreven geldtransactiekantoren, aan Onze Minister een bedrag verschuldigd. 3 De hoogte van de in dit artikel bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat deze bedragen gezamenlijk ten hoogste gelijk zijn aan de kosten die Onze Minister maakt ter zake van de registratie van geldtransactiekantoren en ter zake van het toezicht dat zij uitoefenen op ingeschreven geldtransactiekantoren. 4 De hoogte van de in dit artikel genoemde bedragen wordt vastgesteld door Onze Minister. 5 Het ingevolge dit artikel verschuldigde bedrag wordt betaald binnen vier weken na dagtekening van de brief waarbij het is opgelegd. 6 Het verschuldigde bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de in het vorige lid bedoelde termijn is verstreken. 7 Indien het bedrag niet binnen de gestelde termijn is betaald, stuurt Onze Minister een schriftelijke aanmaning om binnen tien dagen na dagtekening van de aanmaning het bedrag, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het achtste lid zal worden ingevorderd. 8 Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister het bedrag, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen. 9 Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Het dwangbevel wordt op kosten van het geldtransactiekantoor bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het. 10 Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van Onze Minister. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist. 2006 24 31-01-2006 22-12-2005 30171 2006 24 31-01-2006 22-12-2005 30171 01-02-2006
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Onze Minister kan bij: a. in het register ingeschreven geldtransactiekantoren; b. artikel 4 geldtransactiekantoren waaraan een ontheffing als bedoeld inis verleend; c. artikel 4 geldtransactiekantoren waarop een vrijstelling als bedoeld invan toepassing is; d. de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd. 2 Wet op het financieel toezicht Onze Minister kan van ieder ingeschreven geldtransactiekantoor en van iedere financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank of financiële instelling mag uitoefenen, inlichtingen verlangen betreffende de door dat kantoor of die onderneming met een geldtransactiekantoor of met een bank of financiële instelling verrichte transacties, voorzover dat voor de vervulling van zijn bij deze wet opgelegde taak redelijkerwijs nodig is. 3 Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen redelijke termijn. 4 Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 Voor zover de in het tweede lid bedoelde inlichtingen gegevens betreffen die de instelling reeds aan De Nederlandsche Bank N.V. heeft verstrekt uit hoofde van de, kan de instelling aan de in het derde lid genoemde verplichting voldoen door die gegevens aan te merken als verstrekt uit hoofde van deze wet. De Nederlandsche Bank N.V. verstrekt in dat geval aan Onze Minister de gevraagde inlichtingen. 5 artikelen 5:12 5:13 5:15 5:16 5:17 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de,,,,envan overeenkomstige toepassing. 2011 670 29-12-2011 22-12-2011 32826 2011 671 29-12-2011 22-12-2011 01-01-2012 30-04-2011
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Onze Minister kan, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bij deze wet opgelegde taak, regels stellen met betrekking tot de bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van geldtransactiekantoren, daaronder begrepen de financiële administratie en de interne controle. Onder de regels met betrekking tot de bedrijfsvoering worden mede begrepen regels met het oog op een integere bedrijfsvoering, waaronder in ieder geval worden verstaan regels ter zake van: a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen; b. het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden; c. het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden; d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het geldtransactiekantoor. 2 Een geldtransactiekantoor zendt binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn aan Onze Minister een rapportage omtrent haar bedrijfsvoering en administratieve organisatie. Onze Minister bepaalt de wijze waarop de rapportage geschiedt en de perioden waarop de rapportage betrekking heeft. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 2, eerste lid, onder a of b artikel 5, tweede lid, onder b tot en met f artikel 2, tweede lid, onder a, b of c Onze Minister kan, indien zich bij een geldtransactiekantoor een omstandigheid voordoet als bedoeld in, of in, aan het geldtransactiekantoor dan wel aan de personen bedoeld in, een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven onderwerpen een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat deze omstandigheid zich niet meer voordoet. Het geldtransactiekantoor dan wel de persoon aan wie de aanwijzing is gegeven, volgt deze op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme artikel 3, derde lid, onder b van die wet artikel 3, eerste lid Het is een instelling als bedoeld in, met uitzondering van een instelling als bedoeld in onderdeel 15°, verboden een zakelijke relatie aan te gaan met of een incidentele transactie als bedoeld inte verrichten ten behoeve van een geldtransactiekantoor waarop, naar de instelling weet of redelijkerwijs kan vermoeden, het verbod van, van toepassing is. 2008 303 29-07-2008 15-07-2008 31238 2008 304 29-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 15 Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van een instantie als bedoeld inverkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers verkregen, verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist. 2 Wetboek van Strafvordering Het in het eerste lid bepaalde laat, ten aanzien van degene op wie het eerste lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 12, eerste lid artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme In afwijking van, licht Onze Minister het Meldpunt ongebruikelijke transacties, bedoeld in, in, indien hij bij de uitoefening van zijn bij deze wet opgelegde taak feiten ontdekt die duiden op witwassen of heling van geld. 2008 303 29-07-2008 15-07-2008 31238 2008 304 29-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 12, eerste lid In afwijking van, kan Onze Minister gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, tenzij: a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald; b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn; c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde; d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd; e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt. 2 Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister verzoekt om de gegevens of inlichtingen die op grond van dat lid zijn verstrekt te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt dat verzoek slechts ingewilligd: a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid; of b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen. 3 Indien het in het tweede lid bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten, wordt dit niet ingewilligd dan na toestemming van Onze Minister van Justitie. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, kan Onze Minister ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat is belast met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het kredietwezen of geldtransactiekantoren, inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij ieder ingeschreven geldtransactiekantoor dat ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld. 2 Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze Minister te stellen termijn. 3 Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld, verleent aan de persoon die het onderzoek verricht alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld slechts kan worden verplicht tot het verlenen van inzage in boeken, zakelijke bescheiden of andere informatiedragers. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Wet op het financieel toezicht Wet toezicht trustkantoren artikel 2, derde lid, onder a, b, c of d Onze Minister verstrekt aan de autoriteiten die ingevolge deof debelast zijn met het toezicht op financiële ondernemingen onderscheidenlijk trustkantoren, de gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in, voorzover deze naar het oordeel van Onze Minister van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend. 2 artikel 14 De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in. 2006 605 07-12-2006 20-11-2006 30658 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 15, eerste lid Onze Minister kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid. 2 artikel 15 De verplichting, omschreven in het derde lid van, geldt eveneens jegens de in het eerste lid bedoelde functionaris. 3 De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikelen 7, vierde lid 14, derde lid 20, derde lid 21, tweede en derde lid 31, tweede lid artikel 4, eerste lid Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft, kunnen, met uitzondering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de,,,en, en met uitzondering van het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in, bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. De verplichtingen jegens Onze Minister op grond van deze wet gelden alsdan als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. 2 Een overdracht als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet: a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen; b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de betrokken rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden zoveel mogelijk is gewaarborgd. 3 Aan de overdracht als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. 4 artikel 4, eerste lid artikel 7, vierde lid Voor de totstandkoming, wijziging of intrekking van een vrijstelling als bedoeld in, en de door Onze Minister vast te stellen bedragen als bedoeld in, kan het advies van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon of rechtspersonen worden ingewonnen. De rechtspersoon aan wie advies wordt gevraagd is verplicht dit advies uit te brengen. 5 Eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei, wordt door de rechtspersoon of rechtspersonen verslag uitgebracht aan Onze Minister over de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden in het voorgaande kalenderjaar. Dit verslag wordt door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt, met dien verstande dat gegevens met betrekking tot afzonderlijke geldtransactiekantoren niet openbaar worden gemaakt zonder zijn schriftelijke toestemming. 2009 327 31-07-2009 18-07-2009 31458 2009 328 31-07-2009 18-07-2009 01-08-2009 Artikel XII van Stb. 2009/327 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanis voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikelen, 2, vierde, vijfde en zesde lid 3, eerste lid 4, derde lid 5, derde lid 8, derde en vijfde lid 9 10 11 15, tweede en derde lid Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de,,,,,,,,. 2 Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikelen, 2, vierde, vijfde en zesde lid 3, eerste lid 4, derde lid 5, derde lid 8, derde en vijfde lid 9 10 11 15, tweede en derde lid Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de,,,,,,,,. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 2009 436 29-10-2009 15-10-2009 31892 01-11-2009
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke overtreding verdubbeld. 2 De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt: Categorie Basisbedrag Minimumbedrag Maximumbedrag 1 € 10 000,– € 0,– € 10 000,– 2 € 500 000,– € 0,– € 1 000 000,– 3 € 2 000 000,– € 0,– € 4 000 000,– 3 In afwijking van het eerste en tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000. 2009 327 31-07-2009 18-07-2009 31458 2009 328 31-07-2009 18-07-2009 01-08-2009 Artikel XII van Stb. 2009/327 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting tot betaling van de bestuurlijke boete totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 2 De schorsing van de verplichting tot betaling van de bestuurlijke boete schorst niet de berekening van de wettelijke rente. 2009 327 31-07-2009 18-07-2009 31458 2009 328 31-07-2009 18-07-2009 01-08-2009 Artikel XII van Stb. 2009/327 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2009 327 31-07-2009 18-07-2009 31458 2009 328 31-07-2009 18-07-2009 01-08-2009 Artikel XII van Stb. 2009/327 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 12 Met het oog op de bescherming van het financiële stelsel en het tegengaan van het witwassen en helen van geld en van het financieren van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld, kan Onze Minister, in afwijking van, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen. 2 Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 artikel 31 Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze Minister zijn handelen of nalaten op grond vanter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 31 Onze Minister geeft, indien hij voornemens is op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. 2 artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht In aanvulling opis Onze Minister niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen. 3 artikel 31 De beschikking om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval: a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht; b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht. 4 artikel 31 Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 5 artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vantreedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 31 artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht De bevoegdheid om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge. 2 artikel 31 Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld invervalt, indien Onze Minister het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 31 De bevoegdheid om op grond vaneen feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad. 2 De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 31 De werkzaamheden in verband met het op grond vanter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Wijzigt de Wet op de economische delicten. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 3 van de Wet inzake de wisselkantoren artikel 2 van deze wet c artikel 1, eerste lid, onderdeel, onder 1 en 2 Een wisselkantoor dat op het moment van inwerkingtreding van deze wet is ingeschreven in het register, bedoeld in, wordt door de zorg van Onze Minister ingeschreven in het register, bedoeld in, als een geldtransactiekantoor dat geldtransacties verricht als bedoeld in. 2 Het in het eerste lid bedoelde wisselkantoor zal voor de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangeven welke geldtransacties het als geldtransactiekantoor uitvoert. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 artikel 5 van de Wet inzake de wisselkantoren artikel 4 van deze wet Een ontheffing als bedoeld inwordt geacht te zijn verleend op grond van. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 c artikel 1, eerste lid, onderdeel, onder 3°, van deze wet Een verzoek om ontheffing van het verbod, bedoeld in, voor het verrichten van handelingen als bedoeld in, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet door Onze Minister is beslist, wordt aan Onze Minister overgedragen ter behandeling als een verzoek om inschrijving op grond van deze wet. 2 Wet inzake de wisselkantoren Een verzoek om ontheffing of inschrijving dat is ingediend op grond van dewaarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet door De Nederlandsche Bank N.V. is beslist, wordt aan Onze Minister overgedragen ter behandeling als een verzoek om ontheffing of inschrijving op grond van deze wet. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Wet inzake de wisselkantoren artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 c artikel 1, eerste lid, onderdeel, onder 3°, van deze wet Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep is ingesteld tegen een op grond van degenomen besluit of tegen een ingevolgegenomen besluit terzake van een activiteit als bedoeld in, wordt op het beroep beslist met toepassing van het voor dat tijdstip geldende recht. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 3, eerste lid c artikel 1, eerste lid, onderdeel, onder 3°, van deze wet artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 Het verbod, bedoeld in, blijft tot de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van deze wet buiten toepassing ten aanzien van geldtransactiekantoren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikken over een ontheffing ingevolgevoor het uitvoeren van geldtransacties als bedoeld in. 2 artikel 3, eerste lid Ten aanzien van het geldtransactiekantoor dat in de periode voorafgaande aan de in het eerste lid bedoelde dag bij Onze Minister een verzoek tot inschrijving heeft ingediend, blijft het verbod, bedoeld in, buiten toepassing tot aan de tweede dag nadat de beslissing op het verzoek door Onze Minister is verzonden. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Wet inzake de wisselkantoren Dewordt ingetrokken. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet Onder toepassing vantreedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Deze wet wordt aangehaald als: Wet inzake de geldtransactiekantoren. 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 2002 380 18-07-2002 27-06-2002 28229 19-07-2002 De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel
16 van de Tijdelijke Referendumwet.