Wet van 12 april 2001, houdende toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en wijziging van het Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de lijkbezorging (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding)
- BWB-id
- BWBR0012410
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2021-10-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0012410
- ELI
- /eli/nl/wet/2002/wet-toetsing-levensbe-indiging-op-verzoek-en-hulp-bij-zelfdo
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2002/wet-toetsing-levensbe-indiging-op-verzoek-en-hulp-bij-zelfdo/2021-10-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0012410&g=2021-10-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0012410&z=2026-06-06&g=2021-10-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0012410/2021-10-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2002/wet-toetsing-levensbe-indiging-op-verzoek-en-hulp-bij-zelfdo
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: a. Onze Ministers: de Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; b. artikel 294, tweede lid, tweede volzin, Wetboek van Strafrecht hulp bij zelfdoding: het opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn of hem de middelen daartoe verschaffen als bedoeld in; c. de arts: de arts die volgens de melding levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend; d. de consulent: de arts die is geraadpleegd over het voornemen van een arts om levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen; e. artikel 446, eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek de hulpverleners: hulpverleners als bedoeld in; f. artikel 3 de commissie: een regionale toetsingscommissie als bedoeld in. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in, houden in dat de arts: a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt, b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt, c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten, d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was, e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd. 2 Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de zestien en achttien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts aan een verzoek van de patiënt om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding gevolg geven, nadat de ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd bij de besluitvorming zijn betrokken. 4 Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de twaalf en zestien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts, indien een ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd zich met de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding kan of kunnen verenigen, aan het verzoek van de patiënt gevolg geven. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 293, tweede lid 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht Er zijn regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in, onderscheidelijk. 2 Een commissie bestaat uit een oneven aantal leden, waaronder in elk geval één rechtsgeleerd lid, tevens voorzitter, één arts en één deskundige inzake ethische of zingevingsvraagstukken. Van een commissie maken mede deel uit plaatsvervangende leden van elk van de in de eerste volzin genoemde categorieën. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden worden door Onze Ministers benoemd voor de tijd van vier jaar. Herbenoeming kan eenmaal plaatsvinden voor de tijd van vier jaar. 2 Een commissie heeft een secretaris en één of meer plaatsvervangend secretarissen, allen rechtsgeleerden, die door Onze Ministers worden aangewezen. De secretaris heeft in de vergaderingen van de commissie een raadgevende stem. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van secretaris of plaatsvervangend secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. 3 De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 De voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden kunnen te allen tijde op hun eigen verzoek worden ontslagen door Onze Ministers. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden kunnen door Onze Ministers worden ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikelen 4 tot en met 6 Onverminderd deworden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de rechtspositie van de voorzitters, waaronder in ieder geval regels over de vergoeding. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor de onderscheiden voorzitters verschillend worden vastgesteld naar gelang de aard en omvang van de door hen te verrichten werkzaamheden. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2021 366 20-07-2021 15-07-2021 01-10-2021
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging artikel 2 De commissie beoordeelt op basis van het verslag bedoeld in, of de arts die levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend, heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in. 2 De commissie kan de arts verzoeken zijn verslag schriftelijk of mondeling aan te vullen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts noodzakelijk is. 3 De commissie kan bij de gemeentelijke lijkschouwer, de consulent of de betrokken hulpverleners inlichtingen inwinnen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts noodzakelijk is. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 8, eerste lid De commissie brengt haar gemotiveerde oordeel binnen zes weken na ontvangst van het verslag als bedoeld in, schriftelijk ter kennis van de arts. 2 De commissie brengt haar oordeel ter kennis van het College van procureurs-generaal en de inspecteur van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd: a. artikel 2 indien de arts naar het oordeel van de commissie niet heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in; of b. artikel 12, laatste volzin van de Wet op de lijkbezorging. indien de situatie zich voordoet als bedoeld in De commissie stelt de arts hiervan in kennis. 3 De in het eerste lid genoemde termijn kan eenmaal voor ten hoogste zes weken worden verlengd. De commissie stelt de arts hiervan in kennis. 4 De commissie is bevoegd het door haar gegeven oordeel mondeling tegenover de arts nader toe te lichten. Deze mondelinge toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de commissie of op verzoek van de arts. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 De commissie is verplicht aan de officier van justitie desgevraagd alle inlichtingen te verstrekken, welke hij nodig heeft: Van het verstrekken van inlichtingen aan de officier van justitie doet de commissie mededeling aan de arts. 1°. artikel 9, tweede lid ten behoeve van de beoordeling van het handelen van de arts in het geval als bedoeld in; of 2°. ten behoeve van een opsporingsonderzoek. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 De commissie draagt zorg voor registratie van de ter beoordeling gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Bij ministeriële regeling van Onze Ministers kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Een oordeel wordt vastgesteld bij gewone meerderheid van stemmen. 2 artikel 3, tweede lid, eerste zin Een oordeel wordt vastgesteld door drie leden van de commissie die elk een van de in, genoemde categorieën van deskundigheid vertegenwoordigen. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 De voorzitters van de regionale toetsingscommissies voeren ten minste twee maal per jaar overleg met elkaar over werkwijze en functioneren van de commissies. Bij het overleg worden uitgenodigd een arts en een deskundige inzake ethische of zingevingsvraagstukken die ieder de andere leden van de betreffende categorie van deskundigheid vertegenwoordigen. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De leden en plaatsvervangend leden van de commissie zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de taakuitvoering de beschikking krijgen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Een lid van de commissie, dat voor de behandeling van een zaak zitting heeft in de commissie, verschoont zich en kan worden gewraakt indien er feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van zijn oordeel schade zou kunnen lijden. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Een lid, een plaatsvervangend lid en de secretaris van de commissie onthouden zich van het geven van een oordeel over het voornemen van een arts om levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De commissies brengen jaarlijks vóór 1 april aan Onze Ministers een gezamenlijk verslag van werkzaamheden uit over het afgelopen kalenderjaar. Onze Ministers stellen hiervoor bij ministeriële regeling een model vast. 2 Het in het eerste lid bedoelde verslag van werkzaamheden vermeldt in ieder geval: a. het aantal gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding waarover de commissie een oordeel heeft uitgebracht; b. de aard van deze gevallen; c. de oordelen en de daarbij gemaakte afwegingen. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 17, eerste lid Onze Ministers brengen jaarlijks ter gelegenheid van het indienen van de begroting aan de Staten-Generaal verslag uit met betrekking tot het functioneren van de commissies naar aanleiding van het in het, bedoelde verslag van werkzaamheden. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Op voordracht van Onze Ministers worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de commissies regels gesteld betreffende a. hun aantal en relatieve bevoegdheid; b. hun vestigingsplaats. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen Onze Ministers met betrekking tot de commissies nadere regels stellen betreffende a. hun omvang en samenstelling; b. hun werkwijze en verslaglegging; c. het overleg met een vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met inachtneming van het in dit hoofdstuk bepaalde. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 10-10-2012
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b 1 Voor de toepassing van: – artikel 1, onderdeel b artikel 294, tweede lid, tweede volzin, Wetboek van Strafrecht , wordt in plaats van «» gelezen: artikel 307, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht BES. – artikel 1, onderdeel f artikel 3 artikel 19c , wordt in plaats van «een regionale toetsingscommissie als bedoeld in» gelezen: een commissie als bedoeld in. – artikel 2, eerste lid, aanhef artikel 293, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 306, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES , wordt in plaats van «» gelezen:. – artikel 8, eerste lid artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging artikel 1, derde lid, van de Wet verklaringen van overlijden BES , wordt in plaats van «» gelezen:. – artikel 8, derde lid , vervalt: of de betrokken hulpverleners. – artikel 9, tweede lid, aanhef , wordt in plaats van «het College van procureurs-generaal» gelezen: de procureur-generaal. 2 Artikel 1, onder e , is niet van toepassing. 2013 560 20-12-2013 04-12-2013 33507 2014 62 13-02-2014 03-02-2014 15-02-2014
Artikel 19c — Artikel 19c#
Artikel 19c artikel 3, eerste lid In afwijking van, is er een door Onze Ministers aan te wijzen commissie, die bevoegd is de meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 306, tweede lid, onderscheidenlijk 307, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht BES te toetsen. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 10-10-2012
Artikel 19d — Artikel 19d#
Artikel 19d artikel 13 artikel 19c Bij het overleg, bedoeld in, is de voorzitter van de commissie, bedoeld in, betrokken. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Deze wet wordt aangehaald als: Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. 2001 194 26-04-2001 12-04-2001 26691 2002 165 26-03-2002 15-03-2002 26691 01-04-2002