Wet van 21 november 2002, houdende integratie van de Huurprijzenwet woonruimte en de Wet op de huurcommissies in een uitvoeringswet huurprijzen woonruimte onder gelijktijdige overheveling van een deel van de tekst van de Huurprijzenwet woonruimte naar de nieuwe titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte)
- BWB-id
- BWBR0014315
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0014315
- ELI
- /eli/nl/wet/2003/uitvoeringswet-huurprijzen-woonruimte
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2003/uitvoeringswet-huurprijzen-woonruimte/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0014315&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0014315&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0014315/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2003/uitvoeringswet-huurprijzen-woonruimte
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ao. bestuur: artikel 3a, tweede lid bestuur als bedoeld in; a. gebrek: artikel 7:241 van het Burgerlijk Wetboek gebrek als bedoeld in; b. huurcommissie: huurcommissie als bedoeld in artikel 3a; c. inflatiepercentage: het onmiddellijk voorafgaand aan de datum van 1 juli, ieder jaar in januari door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendgemaakte percentage, waarmee de consumentenprijzen (alle huishoudens) ten opzichte van het aan die bekendmaking voorafgaande jaar zijn verhoogd; d. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; e. zittingscommissie: artikel 21, eerste lid zittingscommissie als bedoeld in. 2 afdeling 5 van titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder woonruimte, zelfstandige woning, woonwagen, standplaats, prijs, huurprijs, huishoudinkomen, inkomenstoetsjaar, peiljaar, kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter, servicekosten en energieprestatievergoeding verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in. 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2025 34 11-02-2025 30-01-2025 12-02-2025
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Deze wet is niet van toepassing op overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte die een gebruik betreffen, dat naar zijn aard slechts van korte duur is. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 7:247 van het Burgerlijk Wetboek onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Op huurovereenkomsten waarop ingevolgeten dele van toepassing is, is deze wet slechts van toepassing voorzover dat uit die onderafdeling voortvloeit. 2 artikel 7:247 van het Burgerlijk Wetboek Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het inbedoelde bedrag van de huurprijs bij aanvang van de bewoning vastgesteld, waarboven ingevolge dat artikel voornoemde onderafdeling ten dele van toepassing is. 3 artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek Bij algemene maatregel van bestuur worden, voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, in aanvulling opnadere regels gesteld over het onderscheid tussen een zelfstandige en onzelfstandige woonruimte. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 Er is een huurcommissie. 2 artikel 4a De huurcommissie bestaat uit een bestuur en minimaal vier zittingsvoorzitters. Daarnaast bestaat de huurcommissie uit zittingsleden uit de kring van huurders onderscheidenlijk de kring van verhuurders. Voor de behandeling van geschillen als bedoeld inkunnen ook personen van buiten de kring van huurders onderscheidenlijk de kring van verhuurders zittingslid zijn. Het bestuur bestaat uit een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 3 Het bestuur en de zittingsvoorzitters hebben tot taak binnen de huurcommissie de eenheid en de kwaliteit van de uitspraken, adviezen en verklaringen te bevorderen. Zij kunnen met het oog hierop regels stellen. Bij de uitvoering van deze taak treden zij niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak. 4 Indien ten aanzien van het stellen van de regels, bedoeld in het derde lid, tussen het bestuur enerzijds en de zittingsvoorzitters gezamenlijk anderzijds een verschil van mening bestaat, beslist het bestuur. Indien binnen het bestuur een verschil van mening bestaat, beslist de voorzitter. Indien binnen de kring van zittingsvoorzitters een verschil van mening bestaat, wordt onderling bij meerderheid van stemmen beslist, waarbij bij een staking van de stemmen binnen die kring het bestuur beslist. 5 artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen In afwijking van, heeft het bestuur, in plaats van het zelfstandig bestuursorgaan, de bevoegdheden en taken die zijn genoemd in dat artikel. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 3b — Artikel 3b#
Artikel 3b 1 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden benoemd voor een tijdvak van zes jaar en kunnen voor maximaal een aansluitend tijdvak van zes jaar als voorzitter onderscheidenlijk plaatsvervangend voorzitter worden herbenoemd. De zittingsvoorzitters worden over de benoeming en herbenoeming van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter gehoord. De zittingsvoorzitters worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar en kunnen voor maximaal twee aansluitende tijdvakken van vier jaar als zittingsvoorzitter worden herbenoemd. Het bestuur wordt over de benoeming en herbenoeming van de zittingsvoorzitters gehoord. 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Aan de voorzitter en de zittingsvoorzitters moet op grond van het afleggen van een examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop debetrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht zijn verleend, dan wel moeten die voorzitter en die zittingsvoorzitters op grond van het afleggen van een examen van een opleiding aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen, of blijk hebben gegeven op andere wijze de voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk zittingsvoorzitter benodigde kennis te hebben verworven. 3 artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het overleg huurders verhuurder Onverminderd, mogen de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters niet metterdaad betrokken zijn bij de uitoefening van een bedrijf dat werkzaam is of mede werkzaam is op het gebied van woonruimte, noch is het hen toegestaan beroepsmatig betrokken te zijn bij het beheer van en de beschikking over woonruimte dan wel deel uit te maken van het bestuur van een vereniging, vennootschap of stichting die daarbij is betrokken, of aangesloten te zijn bij een bewonerscommissie als bedoeld in. 4 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters genieten een bezoldiging, een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij ministeriële regeling te geven regels. Hun rechtspositie wordt nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur. 2011 529 18-11-2011 27-10-2011 32586 2011 668 29-12-2011 22-11-2011 01-01-2012
Artikel 3c — Artikel 3c#
Artikel 3c Het bestuur geeft leiding aan de werkzaamheden van de huurcommissie en de administratieve ondersteuning. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 3d — Artikel 3d#
Artikel 3d 1 De zittingsleden worden op voordracht van het bestuur door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De voordracht vindt plaats na overleg tussen het bestuur en de door Onze Minister daartoe aangewezen betrokken organisaties, die geacht kunnen worden de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de belangen van de verhuurders te behartigen. De zittingsleden worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar en kunnen voor maximaal twee aansluitende tijdvakken van vier jaar als zittingslid worden herbenoemd. 2 Tot zittingslid worden slechts benoemd personen die over voldoende deskundigheid beschikken om bij te dragen aan een behoorlijke uitoefening van de ingevolge de wet aan de huurcommissie opgedragen taken. 3 De benoeming van de zittingsleden geschiedt zodanig dat de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de belangen van de verhuurders gelijkelijk in de huurcommissie zijn vertegenwoordigd. 4 Onze Minister neemt binnen zes weken nadat de voordracht is gedaan een beslissing over de benoeming. 5 De zittingsleden genieten een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij ministeriële regeling te geven regels. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 3e — Artikel 3e#
Artikel 3e artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Onverminderd, worden de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters ook ontslagen indien zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 3f — Artikel 3f#
Artikel 3f 1 Artikel 11, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Het bestuur stelt een bestuursreglement vast, gehoord de zittingsvoorzitters. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.is van overeenkomstige toepassing. 2 In het bestuursreglement worden de hoofdlijnen van de inrichting en de werkwijze van de organisatie van de huurcommissie, alsmede de zittingslocaties vastgesteld. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 3g — Artikel 3g#
Artikel 3g 1 Er is een Raad van Advies. De Raad bestaat uit negen leden, die afkomstig zijn uit de door Onze Minister aangewezen organisaties van huurders en verhuurders en onafhankelijke organisaties of personen, waarbij die organisaties van huurders en verhuurders in de Raad gelijkelijk zijn vertegenwoordigd. De leden hebben een deskundigheid die relevant is in het kader van de advisering, bedoeld in het vijfde lid, en mogen niet tegelijkertijd deel uitmaken van de huurcommissie of van een zittingscommissie. 2 De leden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Zij worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar en kunnen voor een aansluitend tijdvak van vier jaar als lid van de Raad worden herbenoemd. 3 Onze Minister stelt met inachtneming van het eerste lid bij iedere benoeming de door hem daartoe aangewezen organisaties, die geacht kunnen worden de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de belangen van de verhuurders, te behartigen, gedurende negen weken in de gelegenheid een aanbeveling te doen. Indien binnen een categorie van organisaties, die geacht kunnen worden de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de belangen van de verhuurders, te behartigen, meer dan één organisatie is aangewezen om een aanbeveling te doen, stelt Onze Minister de betrokken organisaties slechts in de gelegenheid gezamenlijk een aanbeveling te doen. 4 De benoeming van de leden die afkomstig zijn uit de door Onze Minister aangewezen onafhankelijke organisaties of personen vindt plaats op voordracht van het bestuur en na overleg tussen het bestuur en die organisaties of personen. Onze Minister neemt binnen zes weken na het doen van de voordracht een beslissing over de benoeming. 5 artikel 4 artikel 4a artikel 3f De Raad adviseert het bestuur over algemene aspecten van de huurgeschillenbeslechting, bedoeld in, en de beslechting van de geschillen, bedoeld in, alsmede over de meerjarenstrategie, de ontwerpbegroting, het conceptjaarplan, de conceptjaarrekening en het conceptjaarverslag en kan het op verzoek dan wel uit eigen beweging in kennis stellen van de binnen de Raad levende standpunten. De Raad wordt voorts over de benoeming, de herbenoeming en het ontslag, behoudens het ontslag vanwege het bereiken van de voor hen geldende pensioengerechtigde leeftijd, van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter gehoord. In het bestuursreglement, bedoeld in, worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van de taken en de bevoegdheden van de Raad en de wijze waarop het bestuur met de Raad overleg voert. 6 Artikel 3d, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 3h — Artikel 3h#
Artikel 3h Onze Minister voorziet in de administratieve ondersteuning van de huurcommissie. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 3i — Artikel 3i#
Artikel 3i 1 artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het overleg huurders verhuurder Het bestuur houdt een openbaar register aan, waarin met weglating van de namen van de betrokken huurders, verhuurders, bewonerscommissies als bedoeld inen huurdersorganisaties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van die wet, onder vermelding van de adressen waarop die uitspraken betrekking hebben, de uitspraken van de huurcommissie zijn opgenomen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven omtrent de inrichting van het register. 3 artikel 4, tweede lid In het openbaar register, bedoeld in het eerste lid, wordt met betrekking tot een verzoekschrift met als grondslag een artikel genoemd in, of met als grondslag artikel 4, vijfde lid, het adres van de woonruimte waarop het verzoek betrekking heeft en de indieningsdatum opgenomen totdat er een uitspraak is gedaan en de slotwoorden van de uitspraak van de huurcommissie zijn opgenomen in het openbaar register, of wanneer het verzoek is ingetrokken. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 3j — Artikel 3j#
Artikel 3j 1 artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen In afwijking van, strekt de bevoegdheid van Onze Minister tot het vernietigen van besluiten zich niet uit tot de uitspraken, de adviezen en de verklaringen van de huurcommissie onderscheidenlijk de voorzitter. 2 Onze Minister treedt bij de uitvoering van de bevoegdheden, toegedeeld bij of krachtens de wet en de in het eerste lid genoemde wet niet in de procedurele behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikelen 4a 5 De huurcommissie heeft de in het tweede tot en met vijfde lid en in deenaangegeven taken. 2 De huurcommissie doet uitspraak: 0a. artikel 7:248, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover verhoging van de huurprijs; a. artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de redelijkheid van de overeengekomen aanvangshuurprijs; b. artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de redelijkheid van het voorstel tot verhoging van de huurprijs; c. artikel 7:254 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de redelijkheid van de huurprijs; d. artikelen 7:255 7:255a van het Burgerlijk Wetboek ingevolge deenover het bedrag van de verhoging van de huurprijs na de totstandkoming van voorzieningen, veranderingen of toevoegingen; e. artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de in rekening te brengen huurprijs bij vermindering van het woongenot als gevolg van een gebrek; f. artikel 7:258 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de huurprijs en het voorschotbedrag aan kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten indien tussen partijen slechts een prijs en niet een huurprijs is overeengekomen; g. artikel 7:260 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de betalingsverplichting met betrekking tot de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten; h. artikel 7:261 van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover het voorschotbedrag van de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter; i. artikel 7:261a van het Burgerlijk Wetboek ingevolgeover de energieprestatievergoeding; j. artikel 54a, zesde lid, van de Woningwet ingevolgeover het voorstel tot huurverlaging als bedoeld in het eerste lid van dat artikel of het ontbreken daarvan. 3 artikelen 7:249 7:257 van het Burgerlijk Wetboek De huurcommissie doet uitspraak in gevallen waarin als gevolg van een uitspraak als bedoeld in deende in rekening te brengen huurprijs in verband met gebreken is verlaagd, omtrent het verholpen zijn van die gebreken. 4 artikel 20, zesde lid De huurcommissie doet uitspraak indien ingevolge, verzet is gedaan tegen een uitspraak van de voorzitter. 5 Indien de verhuurder een door de huurder bij hem schriftelijk ingediende klacht over de gedraging van de verhuurder in het kader van de door de verhuurder op basis van de tussen partijen geldende huurovereenkomst aan de huurder geleverde producten en verrichte diensten van de huurder niet binnen een redelijke termijn na indiening van die klacht inhoudelijk heeft behandeld dan wel indien de huurder niet instemt met de beoordeling van die klacht door de verhuurder, kan de huurder tot uiterlijk een jaar na het tijdstip waarop de gedraging van de verhuurder heeft plaatsgevonden de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen in het geschil dat voortvloeit uit die klacht. Een gedraging van een persoon die werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de verhuurder, wordt aangemerkt als een gedraging van die verhuurder. Onder een gedraging wordt niet verstaan een gedraging ten aanzien van het toe- en afwijzen van een woonruimte, een wanbetaling, een huurbeëindiging of het afsluiten van nutsvoorzieningen. 6 De huurcommissie is niet bevoegd een uitspraak te doen indien het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, betrekking heeft op: a. een gedraging ten aanzien waarvan door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan, b. een gedraging ten aanzien waarvan een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a De huurcommissie doet uitspraak in geschillen over: a. Wet op het overleg huurders verhuurder het voeren van overleg en het verschaffen van informatie als bedoeld in de; b. die wet het bevorderen van de werkzaamheden van een bewonerscommissie als bedoeld in; c. die wet het vergoeden van kosten van een huurdersorganisatie als bedoeld in; d. die wet overige verplichtingen die voortvloeien uit; e. artikelen 43, tweede lid 53, tweede lid, tweede volzin 55b, tweede lid, van de Woningwet het voeren van overleg als bedoeld in de,en. 2015 145 16-04-2015 20-03-2015 32769 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De huurcommissie verstrekt desverzocht aan de rechter of een publiekrechtelijk lichaam nadere inlichtingen over een door haar gedane uitspraak, alsmede, ingeval zij geen uitspraak heeft gedaan, indien de rechter of het publiekrechtelijk lichaam geacht kan worden daarbij belang te hebben, over de aan een woonruimte toe te kennen kwaliteit en een voor die woonruimte redelijk te achten huurprijs. 2 De huurcommissie verstrekt desverzocht verklaringen aan Onze Minister en aan publiekrechtelijke lichamen die geacht kunnen worden daarbij belang te hebben, over de aan een woonruimte toe te kennen kwaliteit, de gebreken ten aanzien van die woonruimte en een voor die woonruimte redelijk te achten huurprijs. Bij ministeriële regeling wordt een bedrag vastgesteld dat het publiekrechtelijk lichaam verschuldigd is aan de huurcommissie voor het verstrekken van een verklaring als bedoeld in de eerste volzin en kunnen voor de uitvoering van de in de eerste volzin bedoelde taak nadere regels worden gesteld. 3 artikel 3 artikel 3 De huurcommissie geeft ten aanzien van een huurovereenkomst als bedoeld indesverzocht advies over aangelegenheden waaromtrent de huurcommissie bevoegd zou zijn uitspraak te doen indiendaaraan niet in de weg zou staan. De huurcommissie geeft een dergelijk advies slechts voorzover in de huurovereenkomst of anderszins tussen partijen is afgesproken dat de desbetreffende aangelegenheden bij geschil aan de huurcommissie worden voorgelegd. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De voorzitter heeft tot taak: a. artikel 4, eerste lid artikel 4a artikel 20, eerste lid in afwijking van, in de in het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel aangegeven gevallen en over geschillen als bedoeld inuitspraak te doen indien ten aanzien van een aan de huurcommissie gedaan verzoek een van de in, bedoelde gevallen zich voordoet; b. artikel 5, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag in de gevallen van een verzoek van de Dienst Toeslagen als bedoeld inbinnen zes weken een verklaring te verstrekken omtrent de redelijkheid van de huurprijs en de juistheid van andere gegevens betreffende de woonruimte waarvoor een aanvraag om een huurtoeslag is ingediend, een en ander voorzover van belang voor de toepassing van genoemde wet. 2 De voorzitter kan zich bij de uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid, laten vervangen door een zittingsvoorzitter. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4, tweede, derde of vijfde lid Voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak als bedoeld in, is door de verzoeker een voorschot op de voor hem geldende vergoeding aan de Staat, bedoeld in het tweede lid, verschuldigd of door de partij die niet de verzoeker is, de voor hem geldende vergoeding, bedoeld in dat lid. Het bedrag van dat voorschot en die vergoeding wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld, mede aan de hand van het gegeven of de verzoeker of de partij die niet de verzoeker is een huurder of een verhuurder is en het aantal malen in vier achtereenvolgende kalenderjaren dat de huurcommissie uitspraak heeft gedaan, en daarbij, gelet op de strekking van het verzoekschrift, heeft geoordeeld dat de verhuurder de in het ongelijk gestelde partij is. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de tweede volzin, wordt bepaald dat het legesbedrag gelijk wordt gesteld aan de kosten van de behandeling van het geschil indien de verhuurder aan wie de leges worden opgelegd al in vier of meer uitspraken in het ongelijk is gesteld. De huurcommissie kan van de krachtens de algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen, bedoeld in de tweede volzin, afwijken voor zover de toepassing gelet op het belang dat die bedragen beogen te beschermen naar haar oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2 artikel 7:253, tweede lid, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek Bij het doen van een uitspraak geeft de huurcommissie gemotiveerd aan welke partij en tot welk bedrag een vergoeding aan de Staat verschuldigd is. Indien de huurcommissie van oordeel is dat de huurder niet ingevolgegegevens met betrekking tot het huishoudinkomen heeft verstrekt, kan zij gemotiveerd uitspreken dat de verhuurder deze vergoeding niet is verschuldigd. Deze vergoeding is, in andere gevallen dan dat, bedoeld in de tweede volzin, verschuldigd door de partij die naar het oordeel van de huurcommissie geheel of voor het grootste deel, gelet op de strekking van het verzoekschrift, de in het ongelijk gestelde partij is. Indien de huurcommissie, in andere gevallen dan dat, bedoeld in de tweede volzin, van oordeel is dat beide partijen in ongeveer gelijke mate in het ongelijk worden gesteld, kan zij gemotiveerd uitspreken dat elke partij de helft van de voor hem geldende vergoeding aan de Staat verschuldigd is. In gevallen waarin de voorzitter bevoegd is tot het doen van een uitspraak, komen de in de eerste tot en met vierde volzin bedoelde bevoegdheden toe aan de voorzitter. 3 Indien naar het oordeel van de huurcommissie, gelet op de strekking van het verzoekschrift, en in andere gevallen dan die, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, a. de verzoeker de geheel of voor het grootste deel in het gelijk gestelde partij is, wordt: 1°. de bij wijze van voorschot betaalde voor hem geldende vergoeding terugbetaald, en 2°. bij de partij die niet de verzoeker is, de voor hem geldende vergoeding ingevorderd, dan wel b. beide partijen in ongeveer gelijke mate in het ongelijk worden gesteld, wordt: 1°. de helft van de bij wijze van voorschot door de verzoeker betaalde voor hem geldende vergoeding terugbetaald, en 2°. bij de partij die niet de verzoeker is, de helft van de voor hem geldende vergoeding ingevorderd. 4 Het bestuur roept de verzoeker bij schriftelijk bericht op, onder kennisgeving van de ontvangst van het verzoek, tot betaling van het in het eerste lid bedoelde voorschot op de vergoeding, voor zover dit op dat tijdstip nog niet is voldaan, binnen vier weken na de datum van verzending van dat bericht. 5 Ingeval de verzoeker het voorschot op de vergoeding niet binnen de in het vierde lid genoemde termijn heeft voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de verzoeker in verzuim is geweest. 6 Het betaalde voorschot op de vergoeding: a. artikel 7: 900 van het Burgerlijk Wetboek wordt aan de verzoeker terugbetaald indien tussen partijen een vaststellingsovereenkomst als bedoeld inis gesloten; b. artikel 28, derde lid wordt voor de helft aan de verzoeker terugbetaald, indien de verzoekende partij binnen drie weken na verzending van het rapport van het voorbereidend onderzoek, bedoeld in, te kennen geeft het geschil niet voort te zetten; c. wordt niet aan de verzoeker terugbetaald indien het verzoek na die termijn wordt ingetrokken. 7 Het bestuur roept de partij die niet de verzoeker is bij schriftelijk bericht op tot betaling van de in het derde lid, onderdeel a, onder 2°, of onderdeel b, onder 2°, bedoelde vergoeding binnen vier weken na de datum van verzending van dat bericht. Onze Minister kan die vergoeding invorderen bij dwangbevel. 8 Artikel 6, tweede lid De voorzitter is bevoegd op verzoek van de verzoeker of de partij die niet de verzoeker is vrijstelling te verlenen van de aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in het eerste lid en tweede lid. Zolang niet is beslist op een aanvraag om vrijstelling, wordt de in het vierde en zevende lid genoemde termijn opgeschort. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen de voorzitter van de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, gebruik kan maken., is van overeenkomstige toepassing. 9 De huurcommissie kan bij gelijkluidende of nagenoeg gelijkluidende verzoeken ten aanzien van de partij die niet de verzoeker is en een verhuurder is, indien deze, naar het oordeel van de huurcommissie, gelet op de strekking van het verzoekschrift, de geheel of voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij is, dan wel in ongeveer gelijke mate als de partij die de verzoeker is in het ongelijk wordt gesteld, afwijken van het eerste lid, eerste volzin, voor zover toepassing gelet op het belang dat die volzin beoogt te beschermen naar haar oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 10 artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a artikel 4.20, aanhef en onder f, van de Omgevingswet Indien de partij die, gelet op de strekking van het verzoekschrift, in het ongelijk wordt gesteld, uitsluitend in het ongelijk wordt gesteld op grond van een eigen oordeel van de huurcommissie ten aanzien van de waardering van de energieprestatie van de woonruimte, dat afwijkt van een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van, in samenhang metgegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat, is die partij, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, geen vergoeding als bedoeld in dat lid verschuldigd. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 4a Voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak als bedoeld in, is door de verzoeker een vergoeding aan de Staat verschuldigd. 2 Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 3 Artikel 6, tweede lid Op verzoek van een verzoeker, is de voorzitter bevoegd vrijstelling te verlenen van de aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in het eerste lid. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen de voorzitter van de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, gebruik kan maken., is van overeenkomstige toepassing. 4 vierde, vijfde en zesde lid van artikel 7 Hetzijn van overeenkomstige toepassing. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikel 5, derde lid Voor het door de huurcommissie uitbrengen van een advies als bedoeld in, is door de verzoeker een vergoeding aan de Staat verschuldigd, waarvan het bedrag bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, mede aan de hand van het gegeven of de verzoeker een huurder of een verhuurder is. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a Onder de naam verhuurderbijdrage legt de huurcommissie een bijdrage op ter bestrijding van de geraamde lasten van de huurcommissie in één kalenderjaar. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 8b — Artikel 8b#
Artikel 8b In dit hoofdstuk wordt onder bijdragejaar verstaan: kalenderjaar waarover de verhuurderbijdrage is verschuldigd. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 8c — Artikel 8c#
Artikel 8c Woningwet artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken artikel 24, derde en vierde lid, van die wet Indien er ter zake van een woongelegenheid als bedoeld in demeer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderbijdrage de woongelegenheid in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in, ter zake van die huurwoning op de voet vanis bekendgemaakt. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 8d — Artikel 8d#
Artikel 8d artikel 19 van de Woningwet Bijdrageplichtig voor de verhuurderbijdrage zijn toegelaten instellingen als bedoeld in. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 8e — Artikel 8e#
Artikel 8e 1 De totale opbrengst van de verhuurderbijdrage komt overeen met het geraamde bedrag op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties over het bijdragejaar. 2 artikel 36a, vierde lid van de Woningwet Om de verhuurderbijdrage te berekenen wordt het geraamde bedrag omgeslagen over de toegelaten instellingen naar rato van het totale aantal woongelegenheden waarvan zij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht hebben op 31 december van het jaar voorafgaande aan het bijdragejaar volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 8f — Artikel 8f#
Artikel 8f De verhuurderbijdrage wordt verschuldigd op uiterlijk 31 december van het bijdragejaar. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 8g — Artikel 8g#
Artikel 8g De huurcommissie kan de verhuurderbijdrage invorderen bij dwangbevel. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Een verzoek aan de huurcommissie wordt schriftelijk ingediend. 2 titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Wet op het overleg huurders verhuurder De huurcommissie toetst bij aan haar gedane verzoeken of voldaan is aan de voor die verzoeken bij of krachtens, bij deen bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften. 3 artikel 7:260, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld inis het verzoek niet-ontvankelijk indien het voorwerp van geschil een bedrag van minder dan € 36 beloopt. 4 artikelen 7: 255, tweede lid 7:255a, derde lid 7: 257, tweede lid 7: 261, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek 7:254 van het Burgerlijk Wetboek artikel 10, eerste lid In geval van een verzoek als bedoeld in de,,,is het verzoek niet-ontvankelijk indien het voorwerp van geschil een bedrag van minder dan € 3 per maand beloopt. In geval van een verzoek als bedoeld in artikelis het verzoek niet-ontvankelijk indien het voorwerp van geschil een bedrag beloopt dat kleiner is dan het bedrag dat correspondeert met een verschil van één punt van de krachtens, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bepaalde waardering van de woonruimte. 5 De bedragen, genoemd in het derde en vierde lid, kunnen bij ministeriële regeling hoger of lager worden gesteld. 6 Indien na een onherroepelijke uitspraak een nieuw verzoekschrift met dezelfde grondslag wordt ingediend ten aanzien van dezelfde huurovereenkomst, is de verzoeker gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, is het verzoek niet-ontvankelijk. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 1 van de Wet op het overleg huurders verhuurder artikel 7, tweede lid Indien binnen een wooncomplex als bedoeld insprake is van gelijkluidende of nagenoeg gelijkluidende verzoeken kunnen deze door ten minste de helft van de partijen die een woonruimte huren binnen dat wooncomplex of deel van dat wooncomplex collectief worden ingediend. Die partijen zijn daarbij elk het voorschot op de vergoeding aan de Staat, bedoeld in, verschuldigd. 2 Artikel 6, tweede lid Indien het verzoek naar het oordeel van de voorzitter niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde vereisten, wordt het verzoek opgevat als per afzonderlijke woonruimte of groep van woonruimten ingediend., is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 7, eerste lid, eerste volzin De huurcommissie kan ten aanzien van de partijen, bedoeld in het eerste lid, indien die, naar het oordeel van de huurcommissie, gelet op de strekking van het verzoekschrift , de geheel of voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partijen zijn, dan wel in ongeveer gelijke mate als de partij die niet de verzoeker is in het ongelijk worden gesteld, afwijken van, voor zover toepassing gelet op het belang dat die volzin beoogt te beschermen naar haar oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2011 191 27-04-2011 07-04-2011 32302 2011 316 28-06-2011 23-06-2011 01-07-2011 Artikel Ia van Stb. 2011/191 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a artikel 4.20, aanhef en onder f, van de Omgevingswet artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de waardering van de kwaliteit van een woonruimte, van de redelijkheid van de huurprijs en van wijziging daarvan, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen woonruimte waarvoor de eigenaar een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van, in samenhang metgegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat aan de huurder heeft verstrekt of indien dat niet het geval is daartoe op grond van die regels wel verplicht was, en onderscheid kan worden gemaakt tussen woonruimte waarvoor voor die woonruimte een WOZ-waarde is vastgesteld op grond vanen woonruimte waarvoor dat niet het geval is, en overige woonruimte. 2 Bij ministeriële regeling wordt het percentage dan wel het bedrag van de maximale huurverhoging vastgesteld, mede aan de hand van: artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in onderdeel a, met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar van het bedrag, genoemd in. a. het gegeven of het huishoudinkomen over het peiljaar of het inkomenstoetsjaar van de op het tijdstip van de in het voorstel tot verhoging van de huurprijs genoemde ingangsdatum in de woonruimte wonende huurder en overige bewoners: 1°. niet hoger is dan € 59.504 indien het huishouden bestaat uit de huurder, dan wel niet hoger is dan € 68.858 indien het huishouden bestaat uit de huurder en een of meer overige bewoners, 2°. hoger is dan € 59.504 doch niet hoger dan € 70.149 indien het huishouden bestaat uit de huurder, dan wel hoger is dan € 68.858 doch niet hoger dan € 93.531 indien het huishouden bestaat uit de huurder en een of meer overige bewoners, 3°. hoger is dan € 70.149 indien het huishouden bestaat uit de huurder, dan wel hoger is dan € 93.531 indien het huishouden bestaat uit de huurder en een of meer overige bewoners; b. de geldende huurprijs, en c. het gegeven of die woonruimte een zelfstandige woning vormt. 3 artikelen 7:247 7:247a van het Burgerlijk Wetboek Het maximale huurverhogingspercentage voor huurovereenkomsten als bedoeld in deenin enig jaar is gelijk aan: a. (het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de maanden december t-2 tot en met november t-1) / (het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de maanden december t-3 tot en met november t-2) vermeerderd met één procentpunt, waarbij de prijsindexcijfers de cijfers uit de «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens» van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn en de gemiddelde prijsindexcijfers worden berekend uit de prijsindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van november t-1 respectievelijk november t-2, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd, dan wel, indien dat leidt tot een lager percentage; b. (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-2 tot en met november t-1) / (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-3 tot en met november t-2) waarbij de CAO-loonindexcijfers de cijfers uit de «CAO-loonindex Alle Economische Activiteiten, Cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen» van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn en de gemiddelde loonindexcijfers worden berekend uit de CAO-loonindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van november t-1 respectievelijk november t-2, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd, vermeerderd met één procentpunt. 4 artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 Het maximale huurverhogingspercentage voor huurovereenkomsten die betrekking hebben op middeldure huurwoonruimte als bedoeld inin enig jaar is gelijk aan (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-2 tot en met november t-1) / (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-3 tot en met november t-2) waarbij de CAO-loonindexcijfers de cijfers uit de «CAO-loonindex Alle Economische Activiteiten, Cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen» van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn en de gemiddelde loonindexcijfers worden berekend uit de CAO-loonindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van november t-1 respectievelijk november t-2, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd, vermeerderd met één procentpunt. 2025 38156 19-11-2025 17-11-2025 2025-0000627046 2025 38156 19-11-2025 17-11-2025 2025-0000627046 01-01-2026
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 artikel 10, tweede lid In afwijking van, kan de huurprijs worden verhoogd tot ten hoogste: artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag De onder b bedoelde verhoging leidt niet tot een hogere huurprijs dan het op de ingangsdatum van de voorgestelde huurverhoging ingenoemde bedrag, tenzij de huurprijs op de dag voor de datum waarop de huurprijs niet is verhoogd respectievelijk is verlaagd, lager is dan wel op de dag na die datum hoger is dan het op die dag in dat artikel genoemde bedrag. a. artikel 7:252c onder a BW het bedrag dat voor dat jaar is voorzien in de bij aanvang van de huur overeengekomen stapsgewijze verhoging van de huurprijs, bedoeld in; b. artikel 7:252c onder b BW artikel 10, tweede lid het bedrag van de huurprijs direct voorafgaand aan de datum waarop de huurprijs overeenkomstigniet is verhoogd respectievelijk is verlaagd, vermeerderd met de som van ten hoogste de krachtens, toegelaten verhogingen over de jaren sinds die datum. 2 artikel 10, derde respectievelijk vierde lid artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag In afwijking van, kan de huurprijs, indien niet eerder dan drie jaar voor de ingangsdatum van de huurverhoging de huurprijs op schriftelijk verzoek van de huurder niet is verhoogd respectievelijk is verlaagd, worden verhoogd tot ten hoogste het bedrag van de huurprijs direct voorafgaand aan de datum waarop de huurprijs niet is verhoogd respectievelijk is verlaagd vermeerderd met de som van ten hoogste de krachtens artikel 10, derde respectievelijk vierde lid, toegelaten verhogingen over de jaren sinds die datum. De in de eerste zin bedoelde verhoging leidt niet tot een hogere huurprijs dan het op de ingangsdatum van de voorgestelde huurverhoging ingenoemde bedrag, tenzij de huurprijs op de dag voor de datum waarop de huurprijs niet is verhoogd respectievelijk is verlaagd, lager is dan wel op de dag na die datum hoger is dan het op die dag in dat artikel genoemde bedrag. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 10b — Artikel 10b#
Artikel 10b Indien de waardering van de kwaliteit van een woonruimte en van de redelijkheid van de huurprijs zowel door de huurcommissie dan wel door de rechter als door burgemeester en wethouders van de gemeente waar de woonruimte zich bevindt, is beoordeeld, geldt de waardering van de huurcommissie dan wel van de rechter als de geldende waardering voor die woonruimte. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 10c — Artikel 10c (prijsopslag)#
Artikel 10c (prijsopslag) 1 artikel 10, eerste lid Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, wordt ten minste bepaald dat: a. artikel 1.1 van de Erfgoedwet voor de bepaling van de maximale huurprijs, behorend bij de kwaliteit van een zelfstandige of onzelfstandige woning de waardering van de kwaliteit met 35 procent wordt vermeerderd indien de woonruimte deel uitmaakt van een monument dat is ingeschreven in het register van de rijksmonumenten, bedoeld in; b. artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 de maximale huurprijs, behorend bij de kwaliteit van een middeldure huurwoonruimte als bedoeld in, met tien procent wordt vermeerderd indien die woonruimte na 1 juli 2024 voor het eerst in gebruik wordt genomen als woonruimte en waarvan de bouw of de verbouw van een ruimte met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie naar een woonruimte met een woonfunctie voor 1 januari 2028 is gestart, met dien verstande dat deze vermeerdering vanaf het moment van ingebruikname na twintig jaar eindigt. 2 artikel 10, eerste lid Onze Minister zendt voor 1 juli 2027 aan de Staten-Generaal een verslag over de noodzaak van de vermeerdering bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarbij wordt ingegaan op de eventuele noodzaak voor een voorzetting van deze vermeerdering. Die voortzetting kan bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, worden bepaald. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 10d — Artikel 10d (energieprestatie)#
Artikel 10d (energieprestatie) artikel 10, eerste lid artikel 1.1 van de Erfgoedwet Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, wordt ten minste bepaald dat de puntenwaardering voor een zelfstandige woonruimte, niet zijnde een woonruimte die bestaat uit of deel uitmaakt van een rijksmonument als bedoeld in, een provinciaal monument of een gemeentelijke monument, wordt verminderd met het hieronder bij de letter die overeenkomt met de op het energieprestatiecertificaat van die woning vermelde letter vermelde puntenaantal: 1°. E: –4; 2°. F: –9; 3°. G: –15. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek artikel 7: 249 van het Burgerlijk Wetboek artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel b In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs. Als een dergelijk verzoek wordt mede aangemerkt een verzoek ingevolge, indien een aanvraag om een huurtoeslag voor de desbetreffende woonruimte is ingediend binnen de inbedoelde termijn en indien en zodra de voorzitter op dat verzoek een verklaring heeft afgegeven waaruit blijkt dat de overeengekomen huurprijs hoger is dan de bij de desbetreffende woonruimte behorende maximale huurprijsgrens. 2 artikel 10, eerste lid De huurcommissie toetst in dat geval de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs aan de krachtens, gegeven regels. 3 Indien de huurcommissie de overeengekomen huurprijs niet redelijk acht, vermeldt zij in haar uitspraak de huurprijs die zij redelijk acht. 4 artikel 3 artikel 7:247 van het Burgerlijk Wetboek artikel 7:247 In geval sprake is van een huurovereenkomst als bedoeld inspreekt de huurcommissie, indien de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, zou leiden tot een huurprijs boven de ingenoemde grens, uit dat de door partijen overeengekomen huurprijs redelijk is. Indien de huurprijs na de uitspraak van de huurcommissie en in voorkomend geval na de vaststelling ervan door de rechter onherroepelijk is komen vast te staan en niet boven die grens uitkomt, isop die huurovereenkomst niet langer van toepassing. 5 De huurcommissie beoordeelt de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de huurprijs naar de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek artikel 11, derde lid In geval van een verzoek als bedoeld inspreekt de huurcommissie tevens uit of zij van oordeel is dat de overeengekomen huurprijs of de op grond van, redelijk geachte huurprijs, gelet op de gebreken ten aanzien van de woonruimte, in rekening dient te worden gebracht. Indien de huurcommissie van oordeel is dat die huurprijs, gelet op de gebreken, niet in rekening dient te worden gebracht, geeft zij deze gebreken in de uitspraak aan en vermeldt zij een in verhouding tot die gebreken lagere huurprijs als de in rekening te brengen huurprijs. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven die de huurcommissie bij de beoordeling van de redelijkheid van de in rekening te brengen huurprijs in acht neemt. 3 De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de datum van ingang van de in rekening te brengen lagere huurprijs, zijnde de ingangsdatum van de huurovereenkomst. 4 De huurcommissie bepaalt in de uitspraak dat, nadat de in die uitspraak genoemde gebreken zijn verholpen, de in rekening te brengen lagere huurprijs niet meer van toepassing is met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de opheffing van die gebreken heeft plaatsgevonden. 5 Indien tussen huurder en verhuurder geen overeenstemming bestaat over het al dan niet verholpen zijn van de gebreken, doet de huurcommissie daarover op verzoek van de verhuurder uitspraak. In voorkomend geval geeft zij daarbij aan in welke maand de opheffing heeft plaatsgevonden. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 artikel 7:248, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek artikel 10, derde of vierde lid artikel 10a, tweede lid In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak over de redelijkheid van de huurprijsverhoging die volgt uit het in het derde lid van dat artikel bedoelde beding. De huurcommissie toetst de huurprijsverhoging aan het krachtens, geldende maximale huurverhogingspercentage dan wel. De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de ingangsdatum van de huurprijsstijging, zijnde de uit de huurovereenkomst voortvloeiende datum, alsmede tot welke huurprijs toepassing van de tweede zin leidt. 2 artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 artikel 13, vijfde lid In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid dat betrekking heeft op een middeldure huurwoonruimte als bedoeld inis, van overeenkomstige toepassing. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de redelijkheid van de huurprijsverhoging die staat vermeld in het daaraan ten grondslag liggende voorstel. De huurcommissie spreekt uit welke huurprijsverhoging zij redelijk acht, in welk geval zij tevens aangeeft tot welke huurprijs die huurprijsverhoging leidt, dan wel dat zij een huurprijsverhoging niet redelijk acht. 2 De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de datum van ingang van de huurprijsverhoging, zijnde de in het in het eerste lid bedoelde voorstel vermelde datum van ingang, dan wel een latere datum indien de wet zulks voorschrijft. 3 artikel 10, tweede lid artikel 10a De huurcommissie toetst het voorstel tot huurprijsverhoging aan het krachtens, geldende maximale huurverhogingspercentage respectievelijk maximale huurverhogingsbedrag dan wel. 4 Bij de beoordeling van de kwaliteit van de woonruimte worden voorzieningen die de huurder onverplicht voor eigen rekening heeft aangebracht en waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen, buiten beschouwing gelaten. 5 artikel 10, eerste lid artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a artikel 4.20, aanhef en onder f, van de Omgevingswet artikel 7: 252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek De huurcommissie toetst het voorstel tot huurprijsverhoging, indien de huurder bezwaar heeft gemaakt tegen de woningwaardering in het voorstel, dan wel indien de huurprijs, vermeerderd met de voorgestelde huurprijsverhoging, de maximale huurprijsgrens zou kunnen overschrijden, tevens aan de krachtens, gegeven regels met betrekking tot de waardering van de kwaliteit van een woonruimte. Daarbij vormt de huurcommissie slechts een eigen oordeel over de kwaliteit van de woonruimte, voorzover die kwaliteit al dan niet op onderdelen voorwerp van geschil is tussen partijen. De huurcommissie vormt zich daarbij geen eigen oordeel over de energieprestatie van de woonruimte, indien de eigenaar een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van, in samenhang metgegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat aan de huurder heeft verstrekt. Indien sprake is van een voorstel tot verhoging van de huurprijs als bedoeld in, toetst de huurcommissie, voor zover het huishoudinkomen in het peiljaar voorwerp van geschil is tussen partijen, tevens of dat huishoudinkomen lager is dan of gelijk is aan het op grond van artikel 10, tweede lid, onderdeel a, onder 1° dan wel onder 3°, voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag, dan wel hoger is dan dat bedrag. 6 De huurcommissie beoordeelt de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de wijziging van de huurprijs naar de toestand, met uitzondering van de bepaling van de hoogte van het huishoudinkomen, op het tijdstip van de in het voorstel tot verhoging van de huurprijs genoemde ingangsdatum. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 7:254 van het Burgerlijk Wetboek artikel 10, eerste lid In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de redelijkheid van de huurprijs. De huurcommissie toetst de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs aan de krachtens, gegeven regels. De huurcommissie spreekt uit welke huurprijsverlaging zij redelijk acht, in welk geval zij tevens aangeeft tot welke huurprijs die huurprijsverlaging leidt, dan wel dat zij een huurprijsverlaging niet redelijk acht. Indien de huurprijsverlaging op grond van het daaraan ten grondslag liggende voorstel tot een huurprijs zou leiden die hoger is dan de krachtens artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale huurprijs, verlaagt de Huurcommissie de huurprijs naar de maximaal toegestane huurprijs. 2 artikel 7:252b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Indien sprake is van een voorstel tot verlaging van de huurprijs als bedoeld in: a. toetst de huurcommissie, voor zover het huishoudinkomen voorwerp van geschil is tussen partijen, of dat huishoudinkomen in het peiljaar: 1°. artikel 14, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag gelijk is aan of lager is dan het inbedoelde bedrag, of 2°. artikel 10, tweede lid, onderdeel a, onder 1° dan wel onder 3° gelijk is aan of lager is dan het op grond van, voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag, b. artikel 7:252b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is de huurprijs na een daling van het huishoudinkomen als bedoeld inniet hoger dan de huurprijs die zou hebben gegolden, indien die over het tijdvak dat loopt van het tijdstip van het doen van het voorstel, bedoeld in de aanhef van dat artikellid, tot het tijdstip dat drie jaar daaraan voorafgaat, mede gebaseerd was geweest op het lagere huishoudinkomen en het daarmee corresponderende lagere maximale huurverhogingspercentage respectievelijk lagere maximale huurverhogingsbedrag, en c. artikel 7:252b, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Burgerlijk Wetboek artikel 3, tweede lid is de huurprijs na een daling van het huishoudinkomen als bedoeld invoorts niet hoger dan het krachtens, vastgestelde bedrag. 3 artikelen 11, vierde lid 13, tweede, vierde, vijfde, eerste en tweede volzin, en zesde lid De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a artikel 54a, zesde lid, van de Woningwet In geval van een verzoek als bedoeld inspreekt de huurcommissie uit tot welke huurprijs toepassing van artikel 54a, eerste lid, van de Woningwet leidt en dat de verlaagde huurprijs ingaat op het tijdstip dat de verlaging blijkens het voorstel, bedoeld in artikel 54a, eerste lid, van de Woningwet had moeten ingaan of bij het ontbreken van een dergelijk voorstel op de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van indiening van het verzoek. 2020 547 23-12-2020 02-12-2020 35578 2020 547 23-12-2020 02-12-2020 35578 01-01-2021
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 7:255 van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de huurprijswijziging die zij redelijk acht. De huurcommissie vermeldt in de uitspraak dat de overeengekomen huurprijs redelijk is dan wel welke de huurprijs is die zij redelijk acht, alsmede de datum van ingang van de huurprijswijziging, zijnde de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de voorzieningen, veranderingen of verbeteringen zijn gereedgekomen. 2 artikelen 10, eerste lid 13, vierde lid De huurcommissie toetst of het bedrag van de verhoging van de huurprijs in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder gemaakte kosten met betrekking tot de voorzieningen, veranderingen of toevoegingen. De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a artikel 7:255a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, eerste volzin In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de huurprijswijziging die zij redelijk acht., is van overeenkomstige toepassing. 2021 194 22-04-2021 09-04-2021 35488 2021 213 29-04-2021 19-04-2021 01-05-2021
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b artikel 7:255 van het Burgerlijk Wetboek artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken artikel 10, eerste lid artikel 3, tweede lid Onverminderdis dat artikel van overeenkomstige toepassing indien de krachtens, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bepaalde waardering van de kwaliteit staande de huurovereenkomst ten gevolge van verduurzamingsmaatregelen, die leiden tot een beter energieprestatiecertificaat, boven het bij of krachtens, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgestelde bedrag uitstijgt, met dien verstande dat de bepalingen omtrent middenhuurbescherming en een eventuele beperking van de punten voor de waarde van de woning als bedoeld invan toepassing blijven zolang de huurovereenkomst standhoudt. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 7:257, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak of zij van oordeel is dat de overeengekomen huurprijs, in verband met de gebreken ten aanzien van de woonruimte, in rekening dient te worden gebracht. Indien de commissie van oordeel is dat die huurprijs, in verband met de gebreken, niet in rekening dient te worden gebracht, geeft zij deze gebreken in de uitspraak aan en vermeldt zij een in verhouding tot die gebreken lagere huurprijs als de in rekening te brengen huurprijs. 2 artikel 12, tweede lid artikel 7:207 van het Burgerlijk Wetboek De huurcommissie neemt bij haar oordeel de krachtens, vastgestelde regels in acht, met dien verstande dat de huurcommissie zich slechts een eigen oordeel over de gebreken vormt, voorzover deze aan de verhuurder door middel van de inbedoelde kennisgeving door de huurder zijn gemeld, alsmede over de gebreken die van zodanige aard of samenhang zijn dat ze ook zonder aanzegging aan de verhuurder bekend moesten zijn, zulks naar de toestand op het tijdstip waarop de bedoelde kennisgeving door de huurder is verzonden. 3 De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de datum van ingang van de in rekening te brengen lagere huurprijs, zijnde de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de in het tweede lid bedoelde aanzegging door de huurder aan de verhuurder is verzonden. 4 Artikel 12, vierde en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2014 205 13-06-2014 04-06-2014 33698 2014 234 27-06-2014 25-06-2014 01-07-2014 Artikel IV van Stb. 2014/205 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 7:258 van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld inoordeelt de huurcommissie dat de voorgestelde huurprijs redelijk is als deze niet lager dan 55% van de overeengekomen prijs en het voorgestelde voorschotbedrag voor de kosten voor nutsvoorzieningen en servicekosten niet lager dan 25% van de overeengekomen prijs is. Indien de huurcommissie van oordeel is dat de voorgestelde huurprijs niet redelijk is, stelt zij deze vast op 55% van de overeengekomen prijs en, voor zover nodig, het voorgestelde voorschotbedrag op 25% van de overeengekomen prijs. 2 Indien de huurcommissie van oordeel is dat niet een huurprijs is overeengekomen, vermeldt zij in haar uitspraak dat de door haar uitgesproken huurprijs en het voorschotbedrag voor de servicekosten in de plaats treden van de overeengekomen prijs met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin het verzoek is ontvangen. 2014 205 13-06-2014 04-06-2014 33698 2014 234 27-06-2014 25-06-2014 01-07-2014 Artikel IV van Stb. 2014/205 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 17a — Artikel 17a#
Artikel 17a 1 artikel 7:249 7:253 7:254 7:255 7:257, tweede lid 7:260 7:261, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek Ingeval bij een verzoek als bedoeld in,,,,,of, blijkt dat de huurovereenkomst meer omvat dan het enkele gebruik van de woonruimte en bij die overeenkomst slechts de hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs is vastgesteld, kan de huurcommissie, voordat een uitspraak wordt gegeven, ambtshalve de huurprijs vaststellen op 55% van de overeengekomen prijs en, voor zover nodig, het voorschotbedrag voor de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten op 25% van de overeengekomen prijs. 2 Artikel 17, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2014 205 13-06-2014 04-06-2014 33698 2014 234 27-06-2014 25-06-2014 01-07-2014 Artikel IV van Stb. 2014/205 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 7:260 van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot de servicekosten. 2 De huurcommissie toetst de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter aan de voor de berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften en aan de redelijkheid. 3 artikel 7:260, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek Indien de verhuurder gebruik heeft gemaakt van het formulier, genoemd in, toetst de huurcommissie de servicekosten aan de voor de berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften en aan de redelijkheid. 4 artikel 7:260, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek Indien de verhuurder geen gebruik heeft gemaakt van het formulier, bedoeld in, dan wel indien dat formulier onvolledig is ingevuld, stelt de huurcommissie de servicekosten vast op een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag of indien de zaak of dienst door de verhuurder niet is geleverd op € 0. 2014 205 13-06-2014 04-06-2014 33698 2014 234 27-06-2014 25-06-2014 01-07-2014 Artikel IV van Stb. 2014/205 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 7:261 van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de redelijkheid van het voorschotbedrag voor de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter. 2 De huurcommissie beoordeelt of het voorschotbedrag voor de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter, indien nodig herleid tot een bedrag per jaar, in aanzienlijke mate afwijkt van hetgeen in redelijke verhouding staat tot de in het desbetreffende jaar te verwachten kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter. Indien de huurcommissie van oordeel is dat daarvan sprake is, spreekt zij uit welk voorschotbedrag van de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter in redelijke verhouding staat tot de te verwachten kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter. 3 De in het tweede lid bedoelde te verwachten kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter worden gesteld op het bedrag van de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter, opgenomen in het laatstelijk in de drie voorafgaande kalenderjaren door de verhuurder verstrekte verrekenoverzicht inzake de desbetreffende of soortgelijke serviceposten, verhoogd met het percentage waarmee de consumentenprijsindex voor werknemersgezinnen sedertdien is verhoogd. Indien geen verrekenoverzicht in de in de eerste volzin bedoelde periode is verstrekt, worden bedoelde kosten gesteld op de daarvoor als gebruikelijk aan te merken kosten. 4 De huurcommissie vermeldt in haar uitspraak dat het door haar uitgesproken voorschotbedrag in de plaats treedt van het overeengekomen voorschotbedrag met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin het verzoek is ontvangen. 2014 205 13-06-2014 04-06-2014 33698 2014 234 27-06-2014 25-06-2014 01-07-2014 Artikel IV van Stb. 2014/205 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 19bis — Artikel 19bis#
Artikel 19bis 1 artikel 7:261a van het Burgerlijk Wetboek In geval van een verzoek als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak omtrent de redelijkheid van de betalingsverplichting van de huurder ter zake van de energieprestatievergoeding. De huurcommissie toetst daarbij aan de in de leden 2 en 3 bedoelde regels. 2 De energieprestatievergoeding is gebaseerd op een door de verhuurder gegarandeerde minimale productie van duurzaam opgewekte finale energie op basis van een gegarandeerde maximale netto warmtevraag en bedraagt ten hoogste een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de energieprestatievergoeding kan worden overeengekomen. 2016 199 31-05-2016 18-05-2016 34228 2016 302 31-08-2016 23-08-2016 01-09-2016
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a 1 Wet op het overleg huurders verhuurder artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het overleg huurders verhuurder Indien de huurcommissie constateert dat sprake is van een schending door de verhuurder van een verplichting die voortvloeit uit dewaardoor de verzoeker is benadeeld, kan zij bepalen dat, voor zover het geschil betrekking heeft op voorgenomen beleid van een verhuurder als bedoeld in, de uitvoering van dat beleid wordt opgeschort totdat het verzuim is hersteld. 2 artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het overleg huurders verhuurder Indien de huurcommissie wordt verzocht te bepalen dat een genomen besluit van een verhuurder als bedoeld in, tot wijziging van zijn beleid niet mag worden uitgevoerd, kan de huurcommissie bepalen dat een zodanig besluit niet mag worden uitgevoerd, indien: a. artikel 5, eerste lid, van die wet dat besluit afwijkt van een advies als bedoeld in, en b. die verhuurder de beslissing tot afwijking van dat advies niet heeft onderbouwd, of hij naar het oordeel van de huurcommissie onder afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot afwijking van dat advies had kunnen komen. 3 artikel 7, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder De huurcommissie doet in geval van een geschil over de hoogte van de vergoeding, bedoeld in, uitspraak over de redelijkheid van die vergoeding. De huurcommissie spreekt uit welke vergoeding zij redelijk acht. 2011 529 18-11-2011 27-10-2011 32586 2011 668 29-12-2011 22-11-2011 01-01-2012
Artikel 19aa — Artikel 19aa#
Artikel 19aa artikel 4, vijfde lid Indien de huurcommissie constateert dat de klacht, bedoeld in, betrekking heeft op een gedraging van de verhuurder als bedoeld in dat artikellid waardoor de huurder is benadeeld, kan zij uitspreken dat de klacht gegrond is. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b 1 artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek De verhuurder vraagt en gebruikt de gegevens, die overeenkomstigworden verstrekt, uitsluitend voor het doen van een voorstel tot verhoging van de huurprijs als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. 2 artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek De betrokken gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard totdat op het betrokken voorstel, bedoeld in, onherroepelijk is beslist of de voorgestelde verhoging van de huurprijs geacht wordt te zijn overeengekomen. 3 artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek De verhuurder voert ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de gegevens met betrekking tot het huishoudinkomen die verband houden met de toepassing van. 4 artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek Een ieder die kennis neemt van de gegevens, die overeenkomstigworden verstrekt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 5 artikel 7:252a, tweede lid, onderdeel e, van het Burgerlijk Wetboek Indien de verhuurder in strijd handelt met het eerste, tweede, derde of vierde lid kan de inspecteur, bedoeld in, het afgeven van de huishoudverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dat artikel, weigeren. 2017 25 09-02-2017 25-01-2017 34468 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017
Artikel 19c — Artikel 19c#
Artikel 19c artikel 36a, vierde lid van de Woningwet Onze Minister verstrekt ten behoeve van de heffing en inning van de verhuurderbijdrage jaarlijks aan het bestuur een overzicht van de toegelaten instellingen en de woongelegenheden waarvan zij op 31 december van het jaar voorafgaande aan het bijdragejaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben volgens het overzicht bedoeld in. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 19d — Artikel 19d#
Artikel 19d 1 artikel 19c Het bestuur vraagt en gebruikt de gegevens, bedoeld in, uitsluitend voor het heffen en het innen van de verhuurderbijdrage. 2 De betrokken gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard totdat de verhuurderbijdrage onherroepelijk is geworden. 3 Het bestuur voert ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de gegevens met betrekking tot de bijdrage. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 a. artikel 7, vierde lid artikel 28 De voorzitter doet onverwijld, in ieder geval binnen vier weken na het verstrijken van de in, genoemde termijn, dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is ontvangen, of binnen vier weken na het voorbereidend onderzoek, bedoeld in, schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak, indien: 1°. het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, 2°. het verzoek kennelijk redelijk of niet redelijk is, 3°. het voorstel dat ten grondslag ligt aan het verzoek, kennelijk redelijk of niet redelijk is, 4°. de aan het verzoek ten grondslag liggende bezwaren kennelijk gegrond of ongegrond zijn of 5°. de bezwaren tegen het aan het verzoek ten grondslag liggende voorstel kennelijk ongegrond zijn. b. artikel 7, vierde lid artikel 28 Onverminderd onderdeel a doet de voorzitter binnen vier maanden na het verstrijken van de in, genoemde termijn, dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is ontvangen of binnen vier maanden na het voorbereidend onderzoek, bedoeld in, desverzocht tevens schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak indien in de huurovereenkomst of anderszins tussen partijen is afgesproken dat de desbetreffende aangelegenheden bij geschil aan de voorzitter kunnen worden voorgelegd. 2 artikel 7:253, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek Van een kennelijk redelijk verzoek is in ieder geval sprake in het geval, bedoeld in, tenzij: a. artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek de huurcommissie in een eerdere uitspraak heeft uitgesproken dat op grond vaneen lagere huurprijs redelijk is en de in die uitspraak genoemde gebreken nog niet zijn verholpen; b. artikel 10, tweede lid het percentage van de in het voorstel opgenomen huurverhoging het in, bedoelde maximale huurverhogingspercentage te boven gaat, in welk geval het verzoek slechts kennelijk redelijk is, voorzover het dat percentage niet overschrijdt. 3 De voorzitter vermeldt in voorkomende gevallen in de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tot welke huurprijs zijn uitspraak leidt, alsmede de datum van ingang. Hetgeen in deze wet is bepaald met betrekking tot een uitspraak van de huurcommissie is van overeenkomstige toepassing op de uitspraak van de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 4 Artikel 7 artikel 4a artikel 7a dan wel, voor geschillen als bedoeld in,is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak op het verzet, bedoeld in het zesde en zevende lid, niet opnieuw de in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 7a bedoelde vergoeding aan de Staat verschuldigd is. 5 Het bestuur zendt onverwijld een afschrift van de voorzittersuitspraak aan partijen. 6 Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de huurder, verhuurder, huurdersorganisatie of bewonerscommissie binnen drie weken na verzending van het afschrift van die uitspraak schriftelijk en gemotiveerd in verzet gaan bij de huurcommissie. De voorzitter wijst in zijn uitspraak partijen op deze mogelijkheid, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht genomen moeten worden. 7 hoofdstuk III Is de huurcommissie van oordeel dat het verzet, bedoeld in het zesde lid, gegrond is, dan vervalt de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, en wordt het aan de in het eerste lid bedoelde uitspraak ten grondslag liggende verzoek overeenkomstigdoor de huurcommissie in behandeling genomen. 8 artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek artikel 8a van de Wet op het overleg huurders verhuurder Indien geen van de in het zesde lid genoemde partijen binnen de in dat lid genoemde termijn in verzet is gegaan, is hetgeen indan welis bepaald met betrekking tot een uitspraak van de huurcommissie, van overeenkomstige toepassing op de uitspraak van de voorzitter. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 3f Het bestuur vormt voor de behandeling van zaken ter zitting bij bestuursreglement als bedoeld inzittingscommissies. 2 De zittingscommissie houdt zitting in het arrondissement waarbinnen de woonruimte waarop het geschil betrekking heeft, is gelegen. Indien daartoe aanleiding bestaat kan het bestuur bepalen dat de zittingscommissie zitting houdt in een ander arrondissement dat binnen een redelijke afstand van die woonruimte ligt, waarbij een goede balans tussen enerzijds de laagdrempeligheid van de huurcommissie en anderzijds een efficiënte werkwijze wordt bevorderd. 3 artikel 3f artikel 4a Het bestuur wijst bij bestuursreglement als bedoeld inten minste drie zittingslocaties als bedoeld in artikel 3f, tweede lid, aan waar een zittingscommissie geschillen als bedoeld inkan behandelen. 2011 529 18-11-2011 27-10-2011 32586 2011 668 29-12-2011 22-11-2011 01-01-2012
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 De zittingscommissie houdt zitting en beraadslaagt met een zittingsvoorzitter en twee zittingsleden, waarvan een zittingslid afkomstig is uit de kring van huurders en een zittingslid afkomstig is uit de kring van verhuurders. 2 De voorzitter kan optreden als zittingsvoorzitter. 3 artikel 4a Artikel 3d, derde lid In afwijking van het eerste lid kunnen personen die niet uit de kring van huurders onderscheidenlijk de kring van verhuurders voortkomen, zittingslid zijn van een zittingscommissie die geschillen behandelt als bedoeld in., is van overeenkomstige toepassing. 2011 529 18-11-2011 27-10-2011 32586 2011 668 29-12-2011 22-11-2011 01-01-2012
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 4, tweede, derde of vijfde lid artikel 4a Alvorens een voorbereidend onderzoek in te stellen of een uitspraak te doen als bedoeld in, of, wordt de partij die niet de verzoeker is, door het bestuur in kennis gesteld van de inhoud van het verzoek. Alvorens een uitspraak te doen als bedoeld in artikel 4, tweede, derde of vijfde lid, artikel 4a, wordt een voorbereidend onderzoek ingesteld. Een zodanig onderzoek blijft achterwege indien de beschikbare stukken naar het oordeel van de voorzitter voldoende zijn ter voorbereiding van de besluitvorming. 2 Het voorbereidend onderzoek wordt ingesteld door het bestuur. In bijzondere gevallen kan de zittingsvoorzitter het onderzoek instellen. 3 Van het voorbereidend onderzoek wordt een schriftelijk rapport opgemaakt. 4 artikel 20, eerste lid In de gevallen waarin de voorzitter geen uitspraak als bedoeld in, doet, bepaalt het bestuur de dag en het uur, waarop het verzoek ter zitting van een zittingscommissie zal worden behandeld, zodra het voorbereidend onderzoek naar het oordeel van de voorzitter voltooid is, of, indien dit onderzoek ingevolge het eerste lid niet wordt ingesteld, reeds aanstonds. 5 Het bestuur legt de op de zaak betrekking hebbende stukken tot de dag van de zitting ter inzage voor partijen of hun schriftelijk gemachtigden. 6 Het bestuur geeft partijen van de gegevens omtrent de zitting onverwijld, doch ten minste twee weken voor de dag van de behandeling van het verzoek ter zitting, kennis. De kennisgeving gaat vergezeld van een afschrift van het in het derde lid bedoelde rapport of bevat de mededeling dat ter zake geen voorbereidend onderzoek nodig is geacht, zulks onder vermelding van de redenen die tot dat oordeel hebben geleid. De kennisgeving bevat voorts de mededeling dat de stukken overeenkomstig het vijfde lid ter inzage liggen. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 De voorzitter is bevoegd verzoeken welke gelijkluidend dan wel nagenoeg gelijkluidend zijn gevoegd door de huurcommissie te laten behandelen. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Indien door een partij omtrent dezelfde woonruimte gelijktijdig meerdere verzoeken zijn ingediend, worden deze gevoegd behandeld. 2 artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek artikel 7:253 van dat wetboek Indien omtrent dezelfde woonruimte een verzoek als bedoeld inen een verzoek als bedoeld inbij de huurcommissie zijn ingediend, beslist de huurcommissie op het eerstgenoemde verzoek alvorens op het andere verzoek te beslissen, tenzij de indiening van het eerstgenoemde verzoek heeft plaatsgevonden na het tijdstip waarop volgens het andere verzoek de wijziging van de huurprijs dient in te gaan. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Voor de aanvang van de behandeling van het verzoek ter zitting kunnen de zittingsvoorzitter en elk van de aan de zitting deelnemende zittingsleden door een van de partijen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden, die het vormen van een onpartijdig oordeel zouden kunnen bemoeilijken. 2 Op grond van zodanige feiten of omstandigheden kan de zittingsvoorzitter, alsmede elk van de aan de zitting deelnemende zittingsleden, zich verschonen. 3 De zittingsvoorzitter en de aan de zitting deelnemende zittingsleden, uitgezonderd de persoon ten aanzien van wie ingevolge het eerste of tweede lid wraking, onderscheidenlijk verschoning, wordt gevraagd, beslissen zo spoedig mogelijk of de wraking, onderscheidenlijk de verschoning, wordt toegestaan. In geval van staking van stemmen is het verzoek tot wraking of verschoning toegestaan. De behandeling van de zaak kan in dat geval tot een door de zittingsvoorzitter te bepalen dag en uur worden aangehouden. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 De zittingen van een zittingscommissie zijn openbaar. 2 In het belang van de openbare orde of op verzoek van een van de partijen, indien haar belangen dit eisen, kan de zittingscommissie besluiten dat de zitting met gesloten deuren zal worden gehouden. 3 artikel 31, derde lid De beraadslaging en de beslissing over een verzoek als bedoeld in het tweede lid en, geschiedt buiten aanwezigheid van partijen of derden. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 De zittingsvoorzitter heeft de leiding van de zitting. 2 De zittingsvoorzitter en de aan de zitting deelnemende zittingsleden van de zittingscommissie maken zich voor de aanvang van de behandeling van het verzoek bekend en ondervragen vervolgens partijen of hun gemachtigden alsmede door partijen voor de aanvang van de zitting aan de zittingsvoorzitter opgegeven getuigen en deskundigen. 3 Partijen worden daarbij in de gelegenheid gesteld door tussenkomst van de zittingsvoorzitter ter zake dienende vragen tot elkaar te richten. 4 Voordat de behandeling ter zitting wordt gesloten, heeft ieder van de partijen het recht het woord te voeren. 5 Zodra de behandeling ter zitting gesloten is, deelt de zittingsvoorzitter mede wanneer uitspraak zal worden gedaan. 6 Indien een nader onderzoek noodzakelijk blijkt of indien een onderzoek alsnog wenselijk wordt geacht, kan de zittingsvoorzitter tot het instellen daarvan besluiten. In dat geval zijn de verdere bepalingen over het voorbereidend onderzoek van overeenkomstige toepassing. 7 artikel 28, vijfde lid Een zittingscommissie beraadslaagt buiten aanwezigheid van partijen of derden, beslist daarbij bij meerderheid van stemmen en baseert haar uitspraken uitsluitend op hetgeen ter zitting is besproken en op de stukken die overeenkomstig, ter inzage zijn gelegd. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikel 2:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien een machtiging als bedoeld inontbreekt, kan een zittingscommissie de zaak aanhouden totdat de betrokken partij in de gelegenheid is geweest op de juiste wijze in zijn vertegenwoordiging te voorzien. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2023 368 25-10-2023 16-10-2023 01-01-2024
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Bij de zittingen is een ambtenaar van de administratieve ondersteuning van de huurcommissie aanwezig. Hij houdt aantekening van al hetgeen daar wordt behandeld met vermelding van de zakelijke inhoud van de verklaringen van de door de zittingscommissie gehoorde personen. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 7, vierde lid artikel 4a De huurcommissie doet binnen vier maanden na het verstrijken van de in, genoemde termijn, dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is ontvangen, schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak. In geval van een geschil als bedoeld indoet de huurcommissie uitspraak binnen acht weken na het verstrijken van de in artikel 7, vierde lid, genoemde termijn. In afwijking van de eerste en tweede volzin doet de huurcommissie in het geval dat de in de eerste, dan wel, tweede volzin genoemde termijn niet kan worden gehaald, uitspraak binnen een door de huurcommissie aan te geven langere termijn, mits zij aan beide partijen daarvan voor het verstrijken van de in de eerste, dan wel, tweede volzin genoemde termijn schriftelijk en met redenen omkleed heeft kennisgegeven. 2 De uitspraken van de huurcommissie vermelden de namen van degenen die aan de behandeling van de zaak ter zitting hebben deelgenomen. Zij worden door de desbetreffende zittingsvoorzitter ondertekend. 3 Het bestuur zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak van de huurcommissie aan partijen. 4 artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek De huurcommissie wijst in haar uitspraak partijen op de inbedoelde mogelijkheid zich tot de rechter te wenden, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht moeten worden genomen. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de zittingsvoorzitters, de zittingsleden en de ambtenaren van de administratieve ondersteuning mogen zich, indien dit de onpartijdigheid in gevaar brengt, direct noch indirect in enig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of hun raadslieden, noch enige bijzondere onderrichting, memorie of geschriften aannemen over enige aangelegenheid, welke aanhangig is of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze aanhangig zal worden bij de huurcommissie. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikelen 4, tweede tot en met vijfde lid 4a 5 artikel 6, eerste lid Het bestuur kan, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitoefening van de taken van de huurcommissie, bedoeld in de,en, en de taken van de voorzitter, bedoeld in, nodig is, van de verhuurder inzage en het nemen van afschrift vorderen van boeken en andere zakelijke bescheiden. 2 De verhuurder is verplicht van hem krachtens het eerste lid gevorderde inzage en nemen van afschrift van boeken en andere zakelijke bescheiden te verlenen, een en ander op de wijze en binnen de termijn, door het bestuur te bepalen. 3 Het niet voldoen aan de in het tweede lid omschreven verplichting wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Het strafbare feit is een overtreding. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 De zittingsvoorzitter en de zittingsleden hebben toegang tot alle woon- en bedrijfsruimten, alsmede tot ruimte die als zodanig kan worden gebruikt, voorzover dat redelijkerwijs voor de uitoefening van hun taak nodig is. Zij kunnen zich bij het betreden door bepaalde, door hen aan te wijzen personen doen vergezellen. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm. 2 artikel 4a Dit artikel is niet van toepassing op geschillen als bedoeld in. 2011 529 18-11-2011 27-10-2011 32586 2011 668 29-12-2011 22-11-2011 01-01-2012
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 4, vijfde lid, eerste zin artikel 4a, onderdeel e Wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder of op een verzoek van de huurder of de verhuurder uitspraak heeft gedaan als bedoeld in, onderscheidenlijk, worden de huurder en de verhuurder geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht. 2 Tegen een beslissing krachtens dit artikel is geen hogere voorziening toegelaten. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 artikel 3, tweede lid 7, eerste lid 7a, eerste lid 8 artikel 10, eerste of derde lid 12, tweede lid Een voordracht voor een krachtens,,,,, of, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2021 194 22-04-2021 09-04-2021 35488 2021 213 29-04-2021 19-04-2021 01-05-2021 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Bij ministeriële regeling kunnen: a. artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering vanregels worden gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaraan het in het tweede lid van dat artikel bedoelde schrijven van de verhuurder aan de huurder dient te voldoen, en b. artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering vanregels worden gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaraan een kennisgeving van de huurder aan de verhuurder van een gebrek dient te voldoen. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 artikel 10, vierde lid artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 Wet betaalbare huur In afwijking van, blijft artikel 10, derde lid, van toepassing op huurovereenkomsten betreffende middeldure huurwoonruimte als bedoeld indie zijn gesloten voor het tijdstip van inwerkingtreding van de. 2024 193 28-06-2024 26-06-2024 36496 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een huurcommissie aanhangige verzoeken worden met toepassing van het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht behandeld door de huurcommissie. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 De toepasselijkheid van de bepalingen van deze wet kan niet bij overeenkomst worden uitgesloten of beperkt. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 artikel 7:260, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek In elke na het verstrijken van de termijn, bedoeld in, ingestelde rechtsvordering ter zake van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt een uitspraak van de huurcommissie dan wel beschikking van de rechter omtrent de betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot deze vergoedingen overgelegd. 2006 307 30-06-2006 29-06-2006 29858 2006 307 30-06-2006 29-06-2006 29858 01-07-2006
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 artikel 7:258 van het Burgerlijk Wetboek artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek artikel 17 In elke rechtsvordering ter zake van hetgeen onverschuldigd mocht zijn betaald in verband met een overeenkomst als bedoeld inwaarbij partijen slechts de hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs zijn overeengekomen, wordt een uitspraak van de huurcommissie, als bedoeld in, dan wel een beschikking van de rechter, als bedoeld inovergelegd. 2006 307 30-06-2006 29-06-2006 29858 2006 307 30-06-2006 29-06-2006 29858 01-07-2006
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 artikel 4a Onze Minister zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding vanvan de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de beslechting van de geschillen, bedoeld in artikel 4a, door de huurcommissie. 2011 529 18-11-2011 27-10-2011 32586 2011 668 29-12-2011 22-11-2011 01-01-2012
Artikel 53a — Artikel 53a#
Artikel 53a artikel 53 Onverminderdzendt Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2018 172 19-06-2018 06-06-2018 34652 2018 251 31-07-2018 06-07-2018 01-01-2019
Artikel 53b — Artikel 53b#
Artikel 53b Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 53c — Artikel 53c#
Artikel 53c Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 53d — Artikel 53d#
Artikel 53d Vervallen 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Huurprijzenwet woonruimte Dewordt ingetrokken. 2 Wet op de huurcommissies Dewordt ingetrokken. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 titel 7.4 (Huur) van het Burgerlijk Wetboek Indien het bij koninklijke boodschap van 2 juli 1998 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van(kamerstukken II 1997/98, 26 089, nrs. 1–2), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt, treedt deze wet op hetzelfde tijdstip in werking. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. 2002 589 19-12-2002 21-11-2002 26090 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003 Treedt volgens Stb. 2002/589 in werking op het tijdstip dat de Wet
van 21 november 2002 tot vaststelling 7.4 (Huur) van het Burgerlijk
Wetboek (Stb. 2002/587) in werking treedt.