Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)
- BWB-id
- BWBR0017017
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0017017
- ELI
- /eli/nl/wet/2004/wet-kinderopvang
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2004/wet-kinderopvang/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0017017&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0017017&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0017017/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2004/wet-kinderopvang
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 1 In deze wet en de op deze wet berustende bepalingen wordt verstaan onder: beroepskracht: a. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen; b. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau, bezoldigd is en belast is met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang; beroepskracht in opleiding: degene die beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau; beroepskracht meertalige kinderopvang: artikel 1.50, tweede lid, onderdeel b degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met meertalige kinderopvang en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in; beroepskracht voorschoolse educatie: artikel 1.50b, onderdeel a degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in; buitenschoolse opvang: kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd of zal worden gevestigd; continentaal plat: artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland; continue screening kinderopvang: de voortdurende uitwisseling van gegevens over ingeschrevenen in het personenregister kinderopvang door Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor de controle op nieuwe gegevens in de justitiële documentatie van de ingeschrevene op basis waarvan wordt beoordeeld of de ingeschrevene nog steeds voldoet aan de eisen zoals deze gelden bij de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag; gastouder: degene van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van degene: a. artikel 255 artikel 257, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 269 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van wie een of meer kinderen onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in, onderscheidenlijk, die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontheven uit het ouderlijk gezag als bedoeld inof die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontzet van het gezag als bedoeld in, b. die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de basisregistratie personen als de ouder of diens partner van het kind aan wie opvang wordt geboden, of c. die ten behoeve van de opvang van kinderen in enigerlei vorm personeel in dienst heeft; gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt; gastouderopvang: kinderopvang: a. die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau; b. artikel 1.5, eerste lid die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag of diens partner; c. waarbij de opvang plaatsvindt: 1°. op het woonadres van de gastouder, 2°. op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouder opvang biedt, dan wel 3°. op twee of meer van deze woonadressen; en d. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen en de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt; geregistreerd gastouderbureau: artikel 1.46, tweede lid een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven gastouderbureau als bedoeld in; geregistreerd kindercentrum: artikel 1.46, tweede lid een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in; geregistreerde voorziening voor gastouderopvang: artikel 1.46, tweede lid een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in; geschillencommissie: artikel 1.57c, eerste lid de commissie, bedoeld in; GGD: artikel 14 van de Wet publieke gezondheid een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in; houder: a. Handelsregisterwet 2007 degene aan wie een onderneming als bedoeld in detoebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert; b. de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert. ingeschrevene: artikel 1.48d, tweede lid een persoon als bedoeld in, die in het personenregister kinderopvang is ingeschreven; justitiële documentatie: artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de documentatie, bedoeld in; kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang; kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint; kinderopvangtoeslag: artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld inin de kosten van kinderopvang; landelijk register kinderopvang: artikel 1.47b, eerste lid het register, bedoeld in; meertalige kinderopvang: artikel 1.55, derde lid kinderopvang als bedoeld in; Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; ouder: Jeugdwet de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van debuiten beschouwing blijft; oudercommissie: artikel 1.58 de commissie, bedoeld in; ouderparticipatiecrèche: een kindercentrum waar ouderparticipatieopvang plaatsvindt; ouderparticipatieopvang: artikel 1.60a kinderopvang als bedoeld in; overheidswerkgever: artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiering sociale verzekeringen de werkgever, bedoeld in; participerende ouder: ouder die ouderparticipatieopvang verzorgt en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen; pedagogisch beleidsmedewerker: de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens of het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden; personenregister kinderopvang: artikel 1.48d, eerste lid de verzameling van gegevens die verwerkt worden ten behoeve van het doel, beschreven in; register buitenlandse kinderopvang: artikel 1.48b, eerste lid het register, bedoeld in; stagiair: degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is; Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in; uitvoeringskosten: de kosten die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van gastouderopvang; uitzendkracht: degene van 18 jaar of ouder die werkzaam is voor een uitzendbureau en is uitgezonden voor werkzaamheden bij een kindercentrum of een gastouderbureau; verklaring omtrent het gedrag: een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen of een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen; verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen: Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de, ten behoeve van een natuurlijk persoon; verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen: Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de, ten behoeve van een rechtspersoon; voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten; voorziening voor gastouderopvang: gastouderopvang door een specifieke gastouder op een specifiek woonadres. 2 Tot kinderopvang worden niet gerekend: a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht tijdens de middagpauze; b. Jeugdwet verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de; c. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft. 3 hoofdstuk 3 Waar in het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk enwordt gesproken over verklaring omtrent het gedrag wordt een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen bedoeld, indien de betrokkene een natuurlijk persoon is en een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen, indien de betrokkene een rechtspersoon is. 2023 412 17-11-2023 08-11-2023 36393 2024 9 30-01-2024 24-01-2024 01-02-2024
Artikel 1.1a — Artikel 1.1a#
Artikel 1.1a Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 1 De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Dienst Toeslagen. 2 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 5 van die wet artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b Op deze wet is devan toepassing met uitzondering vanop wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind, bedoeld in, met dien verstande dat: a. artikel 4, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Jeugdwet in afwijking vaneen kind voor wie de pleegouder een vergoeding ontvangt op grond van de, geacht wordt door die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden; b. artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikelen 1.5 1.5a in afwijking van, een ouder over de berekeningsjaren 2014 en volgende geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als bedoeld in deenover de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden gelegen is voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Dienst Toeslagen. 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 11-12-2024 04-03-2022
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 1 artikel 1.5, eerste lid artikel 1.47b, derde lid Met het oog op het toekennen van een kinderopvangtoeslag verstrekt de ouder, bedoeld in, aan de Dienst Toeslagen het unieke nummer, bedoeld in. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 1 Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner betaalde kosten, indien het betreft: a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang. 2 artikel 1.60b Indien het ouderparticipatieopvang in een ouderparticipatiecrèche betreft, heeft de ouder in de aanloopperiode, bedoeld in, in afwijking van het eerste lid, geen aanspraak op kinderopvangtoeslag. 3 Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.5a — Artikel 1.5a#
Artikel 1.5a artikelen 1.5 1.6 artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 Richtlijn 2001/55/EG Onverminderd deenheeft een ouder die tijdelijk bescherming geniet als bedoeld in, omdat hij onder de reikwijdte valt van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 71/1) of een verlenging van dat besluit, aanspraak op kinderopvangtoeslag. 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 11-12-2024 04-03-2022
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 1 Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar: a. Wet inkomstenbelasting 2001 tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van dewordt genoten, b. artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zonder enige vergoeding arbeid verricht in de onderneming van de partner in de zin van, c. Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Algemene nabestaandenwet artikelen 7, eerste lid, onder a 7a, eerste lid, onder a, van de Participatiewet artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen algemene bijstand of een uitkering ontvangt op grond van de, de, deof de, en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de, of,en, die de noodzaak tot kinderopvang met zich brengt, d. vervallen, e. artikel 16 artikel 18, eerste en twaalfde lid, van de Participatiewet de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, scholing of een opleiding volgt en met toepassing vanofalgemene bijstand ontvangt of kan ontvangen, f. hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikelen 7, eerste lid, onder a 7a, eerste lid, onder a, van de Participatiewet als niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende is geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in, en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de, of, g. Wet inburgering 2021 artikel 15 van die wet artikel 8, tweede lid, van die wet artikel 28 van die wet artikel 32 van die wet artikel 13, eerste lid, van die wet artikel 16, eerste lid, van die wet inburgeringsplichtig is op grond van deen een cursus of opleiding volgt waarmee hij aan de op grond vanvastgestelde leerroute kan voldoen, voor zover de inburgeringsplichtige het taalschakeltraject, bedoeld in, volgt, dan wel de cursusinstelling waar die cursus of opleiding wordt gevolgd in het bezit is van een certificaat als bedoeld inof een keurmerk als bedoeld in, of, indien het een inburgeringsplichtige als bedoeld inbetreft, de opleiding of cursus wordt aangeboden door het college als bedoeld in, h. Werkloosheidswet artikel 76 van die wet artikel 76a 77a van die wet recht heeft op of een uitkering ontvangt op grond van deen deelneemt aan scholing als bedoeld inof werkzaamheden verricht als bedoeld inofmet behoud van die uitkering dan wel op andere wijze deelneemt aan een traject gericht op arbeidsinschakeling, i. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Ziektewet recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de, de, de, arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een uitkering op grond vanof recht heeft op ziekengeld op grond van de: 1°. artikel 30a, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld inlaat verrichten, 2°. artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 63a van de Ziektewet artikel 42 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 63a, eerste lid, tweede volzin, van de Ziektewet ten behoeve van wie de eigenrisicodrager, bedoeld in, onderscheidenlijk, werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in, onderscheidenlijk, laat verrichten, of 3°. artikel 65g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering artikel 2:24 3:69 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten artikel 67e van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen artikel 37 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 52e van de Ziektewet werkzaamheden op een proefplaats verricht als bedoeld in,of,,of, j. is ingeschreven bij een school of instelling, voor het volgen van: 1°. artikel 2.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 14, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, hoger of middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs, praktijkonderwijs of andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld inof; 2°. artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in; 3°. artikel 7.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 1.1.1 van die wet artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een beroepsopleiding als bedoeld indie verzorgd wordt door een instelling als bedoeld in, of door een instelling die op grond vanbevoegd is een diploma uit te reiken voor die opleiding; of 4°. artikelen 7.3a 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding, een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in deof, waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan;. k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden; l. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. 2 Wet inkomstenbelasting 2001 Een ouder die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien hij in een andere lidstaat of Zwitserland woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland of op het continentaal plat tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van dewordt genoten of een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 3 Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner a. Wet inkomstenbelasting 2001 tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van dewordt genoten, b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een ander land, c. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l, d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder b. 4 hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van deze wet wordt met inkomen uit werk en woning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en het derde lid, onderdeel a, gelijkgesteld een daarmee overeenkomend inkomen dat niet tot het verzamelinkomen van de ouder of het verzamelinkomen van de partner behoort omdat het niet behoort tot het Nederlands inkomen als bedoeld in, of is vrijgesteld op grond van bepalingen van internationaal recht. 5 Een ouder of zijn partner die in een berekeningsjaar of in het daaraan voorafgaande berekeningsjaar tegenwoordige arbeid heeft verricht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, of derde lid, onderdeel a of d, behoudt gedurende drie kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste dag na de dag waarop het verrichten van die arbeid is beëindigd, dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag als voor die beëindiging. Indien de periode van drie maanden, bedoeld in de vorige zin, samenvalt met de periode die loopt van 28 dagen voor de datum van de vermoedelijke bevalling van de persoon, wiens arbeid is beëindigd, tot 42 dagen na diens bevalling, wordt de periode, bedoeld in de vorige zin, verlengd met de periode waarin deze perioden samenvielen. 6 Het derde lid is niet van toepassing op een ouder met een partner indien de partner: a. artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen op grond vanofpartner is van de ouder, en b. bloed- of aanverwant is van de ouder in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. 7 Indien de tegenwoordige arbeid, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, of derde lid, onderdeel a of d, van een ouder of zijn partner in een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen berekeningsjaar is beëindigd, behoudt de ouder in afwijking van het vijfde lid, gedurende zes kalendermaanden dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien sprake van omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid. Indien de periode van zes maanden, bedoeld in de vorige zin, samenvalt met de periode die loopt van 28 dagen voor de datum van de vermoedelijke bevalling van de persoon, wiens arbeid is beëindigd, tot 42 dagen na diens bevalling, wordt de periode, bedoeld in de vorige zin, verlengd met de periode waarin deze perioden samenvielen. 8 artikel 3.2.1, eerste lid 3.2.2, van de Wet langdurige zorg artikel 11.1.1, van de Wet langdurige zorg Een ouder als bedoeld in het eerste en tweede lid, met een partner, heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner een verzekerde is die recht op zorg heeft op grond van, 3.2.1, derde lid, ofof op grond vanis gelijkgesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van de Wet langdurige zorg. 9 artikel 3.2.1, eerste lid 3.2.2, van de Wet langdurige zorg artikel 11.1.1 van de Wet langdurige zorg Een ouder die een verzekerde is die recht op zorg heeft op grond van, 3.2.1, derde lid, ofof op grond vanis gelijkgesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van de Wet langdurige zorg, heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder een partner heeft die a. Wet inkomstenbelasting 2001 tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van dewordt genoten; b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een ander land; of c. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder b, f, g, j, k of l. 10 Een ouder jegens wie een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven, of die is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, heeft, gedurende de periode waarin dit bevel of die straf of maatregel ten uitvoer wordt gelegd voor zover die periode meer dan drie maanden bedraagt, voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder een partner heeft die a. Wet inkomstenbelasting 2001 tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van dewordt genoten; b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een ander land; of c. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder b, f, g, j, k of l. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
berekeningsjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2026. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.6a — Artikel 1.6a#
Artikel 1.6a Vervallen 2025 164 19-06-2025 11-06-2025 36513 2025 428 11-12-2025 05-12-2025 01-01-2026
Artikel 1.6b — Artikel 1.6b#
Artikel 1.6b Artikel 1.6, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing op een ouder die valt binnen de personele werkingssfeer, bedoeld in de artikelen 30 of 32 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01 van 12 november 2019. 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 11-12-2024 04-03-2022
Artikel 1.7 — Artikel 1.7#
Artikel 1.7 1 De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van: a. de draagkracht, en b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door: 1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, 2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en 3º. de soort kinderopvang. 2 De uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven. Dat bedrag kan per opvangsoort verschillend worden vastgesteld. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de redelijke verhouding tussen het aantal uren dat de ouder en zijn partner arbeid verrichten, gebruik maken van een voorziening die gericht is op arbeidsinschakeling, of scholing, een opleiding of een cursus volgen, alsmede de in verband daarmee benodigde reistijd, en het aantal uren kinderopvang waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden aangevraagd. 4 Het aantal uren kinderopvang dat in aanmerking wordt genomen bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximum, dat per soort kinderopvang of per leeftijdsgroep verschillend kan worden vastgesteld, niet te boven. 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 327 18-07-2012 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.8 — Artikel 1.8#
Artikel 1.8 1 artikel 1.7, eerste lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag die 33,3 procent of minder bedraagt van de kosten van kinderopvang, bedoeld in. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte van het bedrag dat als vaste eigen bijdrage van de ouder in mindering wordt gebracht op de kinderopvangtoeslag. Daarbij kunnen het toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner, de aanwezigheid van een partner en het aantal kinderen in aanmerking worden genomen. 2016 319 08-09-2016 23-08-2016 34478 2016 363 17-10-2016 06-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.9 — Artikel 1.9#
Artikel 1.9 1 artikel 1.7, tweede lid artikel 1.8, tweede lid De bedragen, bedoeld in, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in, worden bij het begin van het kalenderjaar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen. 2 De overeenkomstig het eerste lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen: a. artikelen 1.7, tweede lid 1.8, tweede lid bedoeld in de, en, en b. die voortvloeien uit de mate waarin het toetsingsinkomen een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.10 — Artikel 1.10#
Artikel 1.10 1 artikel 36 van de Wet financiering sociale verzekeringen De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de kinderopvangtoeslag kunnen mede worden verkregen door het heffen van een opslag op de premie, bedoeld in. 2 De premieopslag, bedoeld in het eerste lid, is verschuldigd door de werkgever. 3 Artikel 35 van de Wet financiering sociale verzekeringen De premieopslag wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.is van overeenkomstige toepassing. 4 artikelen 57 59 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen Op de heffing en invordering van de premieopslag zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015 01-01-2014
Artikel 1.11 — Artikel 1.11#
Artikel 1.11 De kinderopvangtoeslag blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen. 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.12 — Artikel 1.12#
Artikel 1.12 1 artikel 1.6, eerste lid, onderdeel k of l Het college stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn partner dan wel het kind van de ouder een geïndiceerde persoon is als bedoeld in, en in welke mate uit dien hoofde, voor zover andere voorzieningen geen passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de zin van deze wet noodzakelijk is. 2 artikelen 10, eerste lid 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij het college van de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de, en. 3 Alvorens te besluiten, wint het college ten behoeve van de vaststelling van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld in het eerste lid advies in van een onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid. 4 Het besluit van het college vermeldt de geldigheidsduur van de indicatie. 5 Het college kan periodiek herindicatie verrichten van personen als bedoeld in het eerste lid. De herindicatie vindt plaats overeenkomstig het derde lid. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen: a. nadere regels worden gesteld met betrekking tot de krachtens dit artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze van uitoefening daarvan; b. organisaties als bedoeld in het derde lid worden aangewezen, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld omtrent de door die organisaties te hanteren werkwijze. 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 Voorheen art. 1.23. 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 De wijziging is in werking getreden op 1 januari 2013 (Stb. 2012/387). De wijziging wordt niet getoond, omdat het artikel nog niet in werking is getreden. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 De wijziging is in werking getreden op 1 juli 2013 (Stb. 2013/254). De wijziging wordt niet getoond, omdat het artikel nog niet in werking is getreden.
Artikel 1.13 — Artikel 1.13#
Artikel 1.13 artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l artikel 1.7, eerste lid Het college kan aan een ouder als bedoeld in, een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-07-2013
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.22 — Artikel 1.22#
Artikel 1.22 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.23 — Artikel 1.23#
Artikel 1.23 Door vernummering vervallen. 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.24 — Artikel 1.24#
Artikel 1.24 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.25 — Artikel 1.25#
Artikel 1.25 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.26 — Artikel 1.26#
Artikel 1.26 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.27 — Artikel 1.27#
Artikel 1.27 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.28 — Artikel 1.28#
Artikel 1.28 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.29 — Artikel 1.29#
Artikel 1.29 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.30 — Artikel 1.30#
Artikel 1.30 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.31 — Artikel 1.31#
Artikel 1.31 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.32 — Artikel 1.32#
Artikel 1.32 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.33 — Artikel 1.33#
Artikel 1.33 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.34 — Artikel 1.34#
Artikel 1.34 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.35 — Artikel 1.35#
Artikel 1.35 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.38 — Artikel 1.38#
Artikel 1.38 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.39 — Artikel 1.39#
Artikel 1.39 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.40 — Artikel 1.40#
Artikel 1.40 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.41 — Artikel 1.41#
Artikel 1.41 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.44 — Artikel 1.44#
Artikel 1.44 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.45 — Artikel 1.45#
Artikel 1.45 1 Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, doet daarvoor een aanvraag bij het college. 2 De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder of voorgenomen gastouder gedaan bij het college. 3 artikel 1.62, eerste lid artikelen 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in, heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de,,engestelde regels. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer. 5 In de gevallen waarin het burgerservicenummer dient te worden verstrekt, is degene ten behoeve van wie een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt gedaan gehouden dat nummer te verstrekken aan degenen, bedoeld in het tweede lid. 6 artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing vanisniet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.46 — Artikel 1.46#
Artikel 1.46 1 artikel 1.45, eerste of tweede lid artikel 1.62, eerste lid artikelen 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de,,engestelde regels en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist. 2 In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het landelijk register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen. 3 artikel 1.45, vierde lid Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge, zijn verstrekt. 4 Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college dit op in het landelijk register kinderopvang. 5 artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid artikelen 1.47, eerste lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Indien uit een onderzoek als bedoeld in, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de,,engestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken. 6 In het besluit, waarbij een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt ingetrokken, bepaalt het college met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang, waarbij ook de einddatum van de toestemming tot exploitatie wordt opgenomen. 7 Indien de aanvraag tot exploitatie van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010 door middel van een melding bij het college volstaat het college, in afwijking van het vijfde en zesde lid, met een beschikking waarin wordt bepaald met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie en verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.47 — Artikel 1.47#
Artikel 1.47 1 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau doet van een wijziging in de gegevens die daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aangewezen onverwijld mededeling aan het college, nadat deze wijziging hem bekend is geworden. Hierbij verzoekt de houder de gegevens te wijzigen. 2 Het college kan naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, besluiten tot wijziging van de gegevens en verwerkt dit zo nodig in het landelijk register kinderopvang. 3 artikel 1.46, tweede lid De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau kan het college verzoeken de beschikking, bedoeld in, in te trekken. Indien het college besluit tot intrekking van de beschikking, draagt het college onverwijld zorg voor de verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang. 4 Indien de aanvraag tot exploitatie van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010 door middel van een melding bij het college volstaat het college, in afwijking van het derde lid, met een beschikking waarin wordt bepaald met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie en verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang. 5 artikel 229 van de Gemeentewet Het college heft geen recht als bedoeld inin verband met een verzoek als bedoeld in het eerste en derde lid. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid nadere regels worden gesteld. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.47a — Artikel 1.47a#
Artikel 1.47a 1 Onze Minister dan wel het college kan besluiten de gegevens van een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang zonder een daaraan voorafgaand verzoek van de houder in het landelijk register kinderopvang te wijzigen. Indien Onze Minister dan wel het college hiertoe besluit, wordt dit verwerkt in het landelijk register kinderopvang. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste lid nadere regels worden gesteld. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.47b — Artikel 1.47b#
Artikel 1.47b 1 Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een landelijk register kinderopvang ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van de kinderopvang alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het landelijk register kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de vorm van het register; b. de in het register op te nemen gegevens; c. de vastlegging in, de wijziging van en de verwijdering van gegevens uit het register; d. de verstrekking van gegevens; e. de openbaarheid van gegevens; f. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register. 3 Een kindercentrum, een gastouderbureau en een voorziening voor gastouderopvang worden in het landelijk register kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer. 4 Indien een gastouderbureau uit het landelijk register kinderopvang wordt verwijderd, blijft een voorziening voor gastouderopvang die bij dat gastouderbureau is aangesloten gedurende een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn in het landelijk register kinderopvang ingeschreven. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.48 — Artikel 1.48#
Artikel 1.48 1 Onze Minister kan een in een andere lidstaat dan Nederland of een in Zwitserland of het Verenigd Koninkrijk gevestigde voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, gelijkstellen met een geregistreerd kindercentrum of een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door inschrijving daarvan in het register buitenlandse kinderopvang. Indien in een andere lidstaat dan Nederland, in Zwitserland of in het Verenigd Koninkrijk een of meer organisaties bestaan die naar aard en strekking gastouderopvang tot stand brengen of begeleiden, is gelijkstelling met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang uitsluitend mogelijk indien sprake is van tussenkomst van een dergelijke organisatie. 2 Onze Minister kan een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt door een in Nederland gevestigde gastouder die gastouderopvang biedt op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouderopvang wordt geboden, waarbij dat woonadres zich in een andere lidstaat dan Nederland, in Zwitserland of in het Verenigd Koninkrijk bevindt, gelijkstellen met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door inschrijving daarvan in het register buitenlandse kinderopvang. Gelijkstelling is uitsluitend mogelijk indien sprake is van tussenkomst van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, tweede zin, of van een geregistreerd gastouderbureau. 3 Een ouder die ten behoeve van zijn kind voornemens is: dient bij Onze Minister een aanvraag in tot inschrijving van die voorziening in het register buitenlandse kinderopvang. a. gebruik te maken van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid die nog niet staat ingeschreven in het register buitenlandse kinderopvang; en b. artikel 1.5, eerste lid aanspraak te maken op de kinderopvangtoeslag, bedoeld in; 4 Bij de aanvraag, bedoeld in het derde lid, toont de ouder aan dat degene die een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid exploiteert, instemt met de aanvraag en bereid is desgevraagd alle door de Dienst Toeslagen en de door Onze Minister benodigde inlichtingen te verstrekken en de Dienst Toeslagen en Onze Minister inzage te geven in alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van hun taken redelijkerwijs nodig is. 5 Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het derde lid, besluit Onze Minister op de aanvraag. Indien door de ouder aannemelijk is gemaakt dat de kwaliteit van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid: en voldaan is aan het vierde lid, wordt positief op de aanvraag beslist. a. paragraaf 2 naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtensvan deze afdeling, en b. anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, 6 Bij een positieve beschikking als bedoeld in het vijfde lid bepaalt Onze Minister de ingangsdatum en de einddatum van de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang. Onze Minister draagt zorg voor inschrijving van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid in het register buitenlandse kinderopvang. 7 De ouder, bedoeld in het derde lid, doet gedurende de periode dat hij gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid, van een wijziging in de gegevens die daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aangewezen, onverwijld mededeling aan Onze Minister. Hierbij verzoekt hij de gegevens te wijzigen. 8 De ouder, bedoeld in het derde lid, kan aan Onze Minister een verzoek tot verwijdering van de inschrijving van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid, doen. 9 Onze Minister kan naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het zevende of achtste lid, besluiten tot wijziging van de gegevens of tot verwijdering van de inschrijving uit het register buitenlandse kinderopvang. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit zo nodig in het register buitenlandse kinderopvang. 10 artikelen 1.45 tot en met 1.47b 1.48d tot en met 1.60c afdelingen 4 5 De deenen deenvan dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid. 11 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur: a. worden nadere regels gesteld omtrent de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het derde lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens; b. paragraaf 2 4 worden nadere regels gesteld over de wijze waarop kan worden aangetoond dat een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtensenvan deze afdeling; c. kunnen ter uitvoering van het vijfde tot en met negende lid nadere regels worden gesteld. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 1.48a — Artikel 1.48a#
Artikel 1.48a 1 artikel 1.48, eerste of tweede lid Onze Minister kan besluiten de gegevens van een voorziening als bedoeld in, zonder een daaraan voorafgaand verzoek in het register buitenlandse kinderopvang te wijzigen. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit in het register. 2 artikel 1.48, eerste of tweede lid Onze Minister kan besluiten een voorziening als bedoeld in, zonder een daaraan voorafgaand verzoek uit het register buitenlandse kinderopvang te verwijderen. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit in het register. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-01-2014
Artikel 1.48b — Artikel 1.48b#
Artikel 1.48b 1 artikel 1.48, eerste of tweede lid Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register buitenlandse kinderopvang ten behoeve van de rechtszekerheid en de waarborging van de kwaliteit van voorzieningen als bedoeld in, alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens artikel 1.48 gestelde regels. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het register buitenlandse kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de vorm van het register; b. de in het register op te nemen gegevens en de duur van de inschrijving; c. de vastlegging in, de wijziging van en de verwijdering uit het register van de gegevens; d. de verstrekking van gegevens; e. de openbaarheid van gegevens; f. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register. 3 artikel 1.48, eerste en tweede lid Voorzieningen als bedoeld in, worden in het register buitenlandse kinderopvang ingeschreven onder een uniek nummer. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 1.48c — Artikel 1.48c#
Artikel 1.48c Vervallen 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 1.48d — Artikel 1.48d#
Artikel 1.48d 1 Onze Minister verwerkt gegevens in het personenregister kinderopvang om te waarborgen dat alle personen die op grond van deze wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken, continu worden gescreend waardoor wordt bijgedragen aan het vergroten van de veiligheid van de opgevangen kinderen. 2 Met het oog op het in het eerste lid genoemde doeleinde schrijven de personen, bedoeld in het eerste lid, zich in, in het personenregister kinderopvang. 3 artikel 1.50, derde lid artikel 1.56b, derde lid De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau heeft toegang tot het personenregister kinderopvang voor het leggen van een koppeling met de in, genoemde personen, inclusief hemzelf. De houder van een gastouderbureau legt tevens een koppeling met de in, bedoelde personen. Voor de koppeling gebruikt de houder het burgerservicenummer, zodat is gegarandeerd dat hij een koppeling legt met de personen die daadwerkelijk aan hem verbonden moeten zijn en om de persoonsgegevens van die personen in het personenregister kinderopvang te kunnen verifiëren. 4 Inschrijving in het personenregister kinderopvang eindigt: a. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient en zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven; b. artikel 1.47 uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven en het college het besluit tot verwijdering van alle inschrijvingen van de ingeschrevene, bedoeld in, heeft genomen; c. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven en niet meer op hetzelfde woonadres als een houder van de voorziening voor gastouderopvang – voor zover dit tevens de opvanglocatie is – zijn hoofdverblijf heeft of niet meer zijn hoofdverblijf heeft op het adres waar een kindercentrum is gevestigd; d. uiterlijk vier maanden nadat de ingeschrevene zonder koppeling als bedoeld in het derde lid in het personenregister kinderopvang is opgenomen; e. artikel 1.50, vijfde tot en met zevende lid artikel 1.56b, vierde en vijfde lid uiterlijk vier maanden na het verzoek tot het overleggen van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag vanwege de ontvangst van een melding van nieuwe gegevens in de justitiële documentatie of vanwege de omstandigheid, bedoeld in, enen de ingeschrevene geen nieuwe verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd; f. uiterlijk binnen twee weken na kennisgeving van het overlijden van de ingeschrevene. 5 Ingeval van beëindiging als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, kan de periode van vier maanden op verzoek van de ingeschrevene eenmaal worden verlengd voor de duur van negen maanden, tenzij er een nieuwe verklaring omtrent het gedrag is verlangd van de ingeschrevene. 6 Bij het inschrijven in het personenregister kinderopvang kunnen kosten in rekening worden gebracht bij degene die verzoekt om inschrijving. De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. 7 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de gegevens die in het personenregister kinderopvang worden opgenomen; b. de start van de continue screening kinderopvang; c. de wijze waarop de gegevens uit het personenregister kinderopvang worden verstrekt; d. het aanwijzen van een verwerker; en e. het verwijderen uit en bewaren van gegevens in het personenregister kinderopvang. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 1.49 — Artikel 1.49#
Artikel 1.49 1 Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen, het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen en de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. 3 Een houder van een voorziening voor gastouderopvang biedt verantwoorde gastouderopvang aan waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. 4 Een houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt verstaan: a. het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving; b. het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders. 2017 251 19-06-2017 31-05-2017 34597 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.50 — Artikel 1.50#
Artikel 1.50 1 De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste zin besteedt de houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen, de opleidingseisen waaraan beroepskrachten voldoen, de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op: a. de veiligheid en de gezondheid; b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen; c. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs; d. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; e. de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes; f. de herkenbaarheid van personen; g. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk; h. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang; i. de beschikbare ruimte voor kinderen; j. de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers; k. de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen. 3 In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn: artikel 1.48d Voor zover het natuurlijke personen betreft is een ieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met f ingeschreven in het personenregister kinderopvang, bedoeld in. De verklaring omtrent het gedrag is bij inschrijving in het personenregister kinderopvang niet ouder dan twee maanden. a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum en de bestuurder, vennoot, maat of beheerder van dat kindercentrum; b. de participerende ouder; c. de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; d. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waar kinderen worden opgevangen; e. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen; en f. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres. 4 artikel 1.48d, derde lid Na inschrijving van een persoon als bedoeld in het derde lid, en na de koppeling, bedoeld in, kan die persoon zijn werkzaamheden aanvangen. 5 artikel 1.45, eerste lid Een houder of voorgenomen houder kan een aanvraag als bedoeld in, indienen na zijn inschrijving en inschrijving van de in het derde lid, onderdeel f, bedoelde personen in het personenregister kinderopvang. De verklaring omtrent het gedrag van de houder of voorgenomen houder is op het moment van de aanvraag niet ouder dan 2 maanden indien het een voorgenomen houder betreft en niet ouder dan 2 jaar indien het een houder betreft. 6 artikel 1.48d Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder van een kindercentrum niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat deze houder opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt de inschrijving van de houder in het personenregister kinderopvang, bedoeld in, onmiddellijk door de verwerker geblokkeerd. 7 artikel 1.48d Indien de houder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder, dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt de inschrijving van die persoon in het personenregister kinderopvang, bedoeld in, onmiddellijk door de verwerker geblokkeerd. 8 Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. 2023 412 17-11-2023 08-11-2023 36393 2024 9 30-01-2024 24-01-2024 01-02-2024
Artikel 1.50a — Artikel 1.50a#
Artikel 1.50a artikelen 160 161 van de Wet op het primair onderwijs De houder van een kindercentrum neemt deel aan het overleg tussen het college en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in deenen werkt mee aan de totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan. 2021 171 07-04-2021 25-02-2021 35605 2022 114 16-03-2022 08-03-2022 01-04-2022 Artikel XI van Stb. 2021/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.50b — Artikel 1.50b#
Artikel 1.50b Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen; b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen; c. de groepsgrootte; en d. de minimum omvang van de voorschoolse educatie. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-07-2013
Artikel 1.51 — Artikel 1.51#
Artikel 1.51 De houder van een gastouderbureau voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de door de gastouder op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder van het gastouderbureau legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico's de opvang van kinderen met zich brengt. 2017 251 19-06-2017 31-05-2017 34597 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.51a — Artikel 1.51a#
Artikel 1.51a 1 De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor het personeel of de gastouders een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 2 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in. 3 artikel 1.1 van de Jeugdwet Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in. 4 De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 1.51b — Artikel 1.51b#
Artikel 1.51b 1 Indien de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau op enigerlei wijze bekend is geworden dat: Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht Titel XX van het Wetboek van Strafrecht zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld inof mishandeling als bedoeld injegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een door Onze Minister aan te wijzen deskundige. a. een bij zijn onderneming werkzaam persoon; of b. artikel 1.56b, derde lid een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt of een van de andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in; 2 artikel 127 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum of gastouderbureau onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld injuncto, en stelt de houder de deskundige, bedoeld in het eerste lid, hiervan onverwijld in kennis. 3 artikel 1.56b, derde lid Indien een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon, een gastouder of een persoon van 18 jaar of ouder als bedoeld in, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum of van dat gastouderbureau daarvan onverwijld in kennis. 4 artikel 1.51c, eerste en tweede lid Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is, van overeenkomstige toepassing. 5 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel. 2024 59 27-03-2024 20-03-2024 36222 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024
Artikel 1.51c — Artikel 1.51c#
Artikel 1.51c 1 Indien: Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht Titel XX van het Wetboek van Strafrecht artikel 1.51b, eerste lid op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum of van een gastouderbureau zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld inof mishandeling als bedoeld injegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene als bedoeld in onderdeel a of b in overleg treden met een deskundige als bedoeld in. a. een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon; of b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt; 2 artikel 127 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, of de gastouder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld injuncto. 3 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel. 2024 59 27-03-2024 20-03-2024 36222 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024
Artikel 1.52 — Artikel 1.52#
Artikel 1.52 1 Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de ouder. 2 Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de ouder niet kan worden verplicht tot afname en betaling van meer uren per dag of dagdeel dan een in die regeling te bepalen maximum. 3 Het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, kan per soort kinderopvang verschillend worden vastgesteld. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-07-2013
Artikel 1.53 — Artikel 1.53#
Artikel 1.53 Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij een kindercentrum en de informatieverstrekking door een kindercentrum aan ouders. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.54 — Artikel 1.54#
Artikel 1.54 1 De houder van een kindercentrum informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf. 2 artikel 1.63, eerste lid De houder van een kindercentrum informeert over een inspectierapport als bedoeld in, inzake zijn kindercentrum: a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum worden opgevangen, en b. de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder dat kindercentrum exploiteert. 3 Het informeren als bedoeld in het tweede lid vindt plaats doordat de houder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders en de personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het kindercentrum exploiteert gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage legt op een voor de ouders en de personen werkzaam bij de onderneming, toegankelijke plaats. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een kindercentrum verplicht is beschikbaar te stellen aan een ouder. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-01-2014
Artikel 1.54a — Artikel 1.54a#
Artikel 1.54a 1 De houder van een gastouderbureau informeert de ouders van de kinderen die gebruik maken van gastouderopvang die door zijn tussenkomst plaats vindt en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf. 2 artikel 1.63, eerste lid De houder van een gastouderbureau informeert over een inspectierapport als bedoeld in, inzake zijn gastouderbureau of inzake een bij dat gastouderbureau aangesloten voorziening voor gastouderopvang: a. de ouders van de kinderen die door zijn tussenkomst gebruik maken van een voorziening voor gastouderopvang, b. de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, en c. de gastouders die gastouderopvang aanbieden door zijn tussenkomst. 3 Het informeren als bedoeld in het tweede lid vindt plaats doordat de houder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders, de personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het gastouderbureau exploiteert en de gastouders gemakkelijk vindbaar is, dan wel indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage legt op een voor de ouders, de personen werkzaam bij de onderneming en de gastouders toegankelijke plaats. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een gastouderbureau verplicht is beschikbaar te stellen aan een ouder. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-01-2014
Artikel 1.55 — Artikel 1.55#
Artikel 1.55 1 Bij kinderopvang in een kindercentrum of in een voorziening voor gastouderopvang wordt de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt. 2 In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebezigd, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau vastgestelde gedragscode. 3 artikel 1.50b, aanhef en onderdeel d In afwijking van het eerste lid kan een kindercentrum meertalige kinderopvang aanbieden waarbij voor ten hoogste vijftig procent van de openingstijd per dag de Duitse, Engelse of Franse taal als voertaal worden gebruikt, met uitzondering van de krachtens, voorgeschreven tijd die het kindercentrum minimaal besteedt aan voorschoolse educatie. 4 In afwijking van het derde lid kan een hoger percentage gehanteerd worden in geval van ziekte, vakantie of andere soorten verlof. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor afwijking van het percentage als bedoeld in het vierde lid. 2023 412 17-11-2023 08-11-2023 36393 2024 9 30-01-2024 24-01-2024 01-02-2024
Artikel 1.56 — Artikel 1.56#
Artikel 1.56 1 artikel 1.56b De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering van die werkzaamheden en tot naleving vandoor de gastouder. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen. 3 artikel 1.50, derde tot en met achtste lid Op de houder of voorgenomen houder van een gastouderbureau en de personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert of daarvoor beschikbaar zijn, is, van overeenkomstige toepassing. 4 Gastouderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst. 5 Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de uitvoeringskosten een bij die regeling vast te stellen maximum per nader te bepalen soort kosten niet te boven gaan. 6 Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld omtrent: a. de administratie van gegevens bij gastouderbureaus; b. het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en ouders; c. de informatieverstrekking door het gastouderbureau aan ouders. 7 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over het minimum aantal uren ondersteuning dat een gastouderbureau jaarlijks verleent aan een gastouder. 2017 251 19-06-2017 31-05-2017 34597 2018 14 07-02-2018 25-01-2018 01-03-2018
Artikel 1.56a — Artikel 1.56a#
Artikel 1.56a De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer van de ouder. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-07-2013 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 1.56b — Artikel 1.56b#
Artikel 1.56b 1 artikel 1.51 artikel 1.51a, eerste lid De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang. De gastouder houdt bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening met de opgestelde risico-inventarisatie, bedoeld inen hij is verantwoordelijk voor de naleving van de meldcode, bedoeld in. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van de gastouderopvang. Deze regels kunnen betrekking hebben op: a. de veiligheid en de gezondheid; b. de deskundigheidseisen waaraan de gastouder voldoet; c. de groepsgrootte; d. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastouderopvang; e. de beschikbare ruimte voor kinderen; f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk. 3 artikel 1.48d De gastouder of voorgenomen gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de gastouder, voor zover dit tevens de opvanglocatie is, hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben alsmede de personen van 18 jaar en ouder die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op de opvanglocatie, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en staan ingeschreven in het personenregister kinderopvang, bedoeld in. De verklaring omtrent het gedrag is bij inschrijving in het personenregister kinderopvang niet ouder dan twee maanden. 4 artikel 1.48d artikel 1.45, tweede lid artikel 1.46, tweede lid Na inschrijving van een voorgenomen gastouder en de personen, bedoeld in het derde lid, in het personenregister kinderopvang, bedoeld in, dient de houder van het gastouderbureau een aanvraag als bedoeld in, in. Na toestemming tot exploitatie, bedoeld in, en na de koppeling, bedoeld in artikel 1.48d, derde lid, kan de gastouder of voorgenomen gastouder zijn werkzaamheden aanvangen. 5 artikel 1.48d Indien de houder van een gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt de inschrijving van de persoon in het personenregister kinderopvang, bedoeld in, onmiddellijk door de verwerker geblokkeerd. 6 Artikel 1.53 is van overeenkomstige toepassing op de gastouder. 7 Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt, niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van het derde tot en met het zevende lid. 2018 424 22-11-2018 17-10-2018 34977 2018 425 22-11-2018 08-11-2018 01-01-2019
Artikel 1.56c — Artikel 1.56c#
Artikel 1.56c 1 Een gastouder is per voorziening voor gastouderopvang aangesloten bij ten hoogste twee gastouderbureaus. 2 In afwijking van het eerste lid kan een gastouder tijdelijk per voorziening voor gastouderopvang aangesloten zijn bij drie gastouderbureaus. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de tijdelijke uitbreiding naar drie gastouderbureaus. 2025 164 19-06-2025 11-06-2025 36513 2025 428 11-12-2025 05-12-2025 01-07-2026
Artikel 1.57 — Artikel 1.57#
Artikel 1.57 Vervallen 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.57a — Artikel 1.57a#
Artikel 1.57a artikelen 1.49 1.50, eerste lid 1.51 1.56, eerste en derde lid 1.56b, eerste lid Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de,,,, en. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 1.57b — Artikel 1.57b#
Artikel 1.57b 1 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft ten behoeve van ouders een regeling voor de afhandeling van klachten over: a. een gedraging jegens een ouder of een kind van de houder of van voor de houder of door zijn tussenkomst werkzame personen, en b. de overeenkomst tussen de houder en de ouder. 2 De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk vastgelegd en voorziet er in ieder geval in dat: a. de ouder zijn klacht schriftelijk bij de houder indient; b. de houder de klacht zorgvuldig onderzoekt; c. de houder de ouder zoveel mogelijk op de hoogte houdt van de voortgang van de behandeling van de klacht; d. de klacht, rekening houdende met de aard ervan, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes weken na indiening bij de houder, wordt afgehandeld; e. de houder de ouder een schriftelijk en met redenen omkleed oordeel op de klacht verstrekt, en f. er in het oordeel een concrete termijn wordt gesteld waarbinnen eventuele maatregelen naar aanleiding van de klacht zullen zijn gerealiseerd. 3 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de regeling, bedoeld in het eerste lid, alsmede wijzigingen daarvan, op passende wijze onder de aandacht van de ouders en handelt overeenkomstig deze regeling. 4 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar in het eerstvolgende kalenderjaar een verslag wordt opgesteld waarin ten minste wordt opgenomen: a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid; b. de wijze waarop hij die regeling onder de aandacht van de ouders heeft gebracht; c. het aantal en de aard van de door hem behandelde klachten per locatie; d. de strekking van de oordelen en de aard van de getroffen maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, per locatie, en e. artikel 1.57c, eerste lid het aantal en de aard van de door de geschillencommissie, bedoeld in, behandelde geschillen. 5 Het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt in zodanige vorm opgesteld dat de oordelen niet tot natuurlijke personen herleidbaar zijn, tenzij het de houder betreft. 6 In het verslag, bedoeld in het vierde lid, worden niet opgenomen: a. het woonadres van een gastouder, voor zover op dat adres geen voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, en b. het woonadres van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, wanneer die houder een natuurlijk persoon is en voor zover het kindercentrum of gastouderbureau niet op dit adres gevestigd is. 7 Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald vanaf welk kalenderjaar het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt opgesteld. 8 artikel 1.61, eerste lid De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau zendt het verslag, bedoeld in het vierde lid, voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verslag betrekking heeft aan de toezichthouder, genoemd in, en brengt het verslag gelijktijdig op passende wijze onder de aandacht van de ouders. 9 In afwijking van het vierde lid behoeft geen verslag te worden opgesteld indien er in het betreffende kalenderjaar geen klachten bij de houder zijn ingediend. 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.57c — Artikel 1.57c#
Artikel 1.57c 1 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau is aangesloten bij een door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen: a. artikel 1.57b, eerste lid tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en een ouder over een onderwerp als bedoeld in; b. artikel 1.60 tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de oudercommissie over de toepassing en uitvoering vandoor de houder. 2 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de ouders. 3 De geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid, informeert het college dat een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau is aangesloten of niet meer is aangesloten bij de geschillencommissie. Het college verwerkt de gegevens, bedoeld in de eerste zin, in het landelijk register kinderopvang. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voor de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de ouder en de oudercommissie verbonden verplichtingen aan de geschillenbeslechting. 5 Bij beschikking van Onze Minister kan een financiële vergoeding worden verstrekt aan de geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.57d — Artikel 1.57d#
Artikel 1.57d artikelen 1.57b 1.57c Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deenen daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.57e — Artikel 1.57e#
Artikel 1.57e 1 Wet publieke gezondheid Bij regeling van Onze Minister kunnen kindercentra, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang tijdelijk worden vrijgesteld van een of meer artikelen van deze paragraaf, indien naleving van die artikelen redelijkerwijs niet gevergd kan worden vanwege bijzondere omstandigheden die verband houden met de bestrijding van de epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A1 of een directe dreiging daarvan als bedoeld in de. Aan de vrijstelling kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2 Een vrijstelling geldt voor de duur van ten hoogste drie maanden en kan telkens voor ten hoogste drie maanden bij regeling van Onze Minister worden verlengd. 2023 184 07-06-2023 24-05-2023 36194 2023 204 19-06-2023 14-06-2023 20-06-2023
Artikel 1.58 — Artikel 1.58#
Artikel 1.58 1 artikel 1.46, tweede lid artikel 1.60 Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in, voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in. 2 De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien: a. de houder zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen; en b. het een kindercentrum, waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen, of een gastouderbureau, waarbij maximaal 50 gastouders zijn aangesloten, betreft. 3 artikel 1.60, eerste lid artikel 1.59, tweede tot en met vijfde lid In de situatie, bedoeld in het tweede lid, betrekt de houder de ouders aantoonbaar voldoende op een andere wijze bij de onderwerpen, bedoeld in, biedt de houder de ouders de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie, stelt de houder voor die oudercommissie in dat geval een reglement vast en zijn, en artikel 1.60 van overeenkomstige toepassing. 4 De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door de ouders van wie de kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden opgevangen. 5 Personen werkzaam bij een kindercentrum onderscheidenlijk gastouderbureau zijn geen lid van de oudercommissie van dat kindercentrum of gastouderbureau. 6 De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.58a — Artikel 1.58a#
Artikel 1.58a 1 artikel 1.58, eerste lid In afwijking van, kan een houder van kindercentra of van gastouderbureaus een gecombineerde oudercommissie instellen indien de houder in hetzelfde of een aangrenzend gebouw meer dan een kindercentrum of gastouderbureau exploiteert. 2 artikelen 1.58, tweede tot en met zesde lid 1.59 1.60 Op een gecombineerde oudercommissie zijn de,envan deze wet van overeenkomstige toepassing. 3 Een gecombineerde oudercommissie bestaat in elk geval uit een afzonderlijke ouder per kindercentrum of gastouderbureau. 4 artikel 1.59, vierde lid Onverminderd, is voor een beslissing van een gecombineerde oudercommissie een meerderheid van stemmen nodig per kindercentrum of gastouderbureau. 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2022 544 27-12-2022 21-12-2022 01-01-2023
Artikel 1.59 — Artikel 1.59#
Artikel 1.59 1 artikel 1.46, tweede lid artikel 1.58, tweede lid De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in, voor de oudercommissie een reglement vast, tenzij er op grond van, geen oudercommissie is ingesteld. 2 Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent: a. het aantal leden van de oudercommissie; b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen; c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie. 3 Het reglement bevat geen regels omtrent de werkwijze van de oudercommissie. 4 De oudercommissie beslist bij meerderheid van stemmen. 5 Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie. 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.60 — Artikel 1.60#
Artikel 1.60 1 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot: a. artikel 1.50, eerste lid artikel 1.56, eerste lid de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan, in het bijzonder het pedagogisch beleid dat wordt gevoerd, respectievelijk, in het bijzonder het beleid dat wordt gevoerd inzake het door de gastouder te voeren pedagogisch beleid; b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid; c. openingstijden; d. het beleid met betrekking tot het aanbieden van voorschoolse educatie; e. artikel 1.57b, eerste lid de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten als bedoeld in; f. wijziging van de prijs van kinderopvang. 2 Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet. 3 De oudercommissie is bevoegd de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid. 4 artikel 1.50, eerste lid artikel 1.56, eerste lid artikel 1.56b, eerste lid De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau voert ten minste eenmaal per 12 maanden overleg met de oudercommissie over de invulling van het nog te voeren pedagogisch beleid en over het al gevoerde pedagogisch beleid, bedoeld in, respectievelijk, in verbinding met. 5 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. 6 artikel 1.63, eerste lid Na vaststelling door de toezichthouder van het inspectierapport, bedoeld in, bespreekt de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau dit rapport met de oudercommissie. 7 De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.60a — Artikel 1.60a#
Artikel 1.60a Van ouderparticipatieopvang is sprake, indien: a. de kinderopvang uitsluitend verzorgd wordt door ten minste één ouder van elk van de kinderen die in de ouderparticipatiecrèche wordt opgevangen; b. de kinderopvang niet verzorgd wordt op het woonadres van een ouder; c. participerende ouders niet worden bezoldigd voor werkzaamheden bij een ouderparticipatiecrèche; d. uitsluitend één of meer ouders van de kinderen die in de ouderparticipatiecrèche worden opgevangen de houder is van de ouderparticipatiecrèche; en e. uit de statuten, reglement of beleidsplan en administratie van de ouderparticipatiecrèche blijkt dat de ouderparticipatiecrèche alle inkomsten ten bate van verantwoorde kinderopvang aanwendt. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.60b — Artikel 1.60b#
Artikel 1.60b 1 Voor de ouderparticipatiecrèche geldt een aanloopperiode van 1 jaar en 3 maanden. De aanloopperiode vangt aan op de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie van een ouderparticipatiecrèche. 2 In afwijking van het eerste lid, vangt geen nieuwe aanloopperiode aan, indien de houder van een ouderparticipatiecrèche opnieuw toestemming tot exploitatie krijgt, in verband met een wijziging van de locatie van de ouderparticipatiecrèche. 3 artikel 1.47b, derde lid In afwijking van, wordt het unieke nummer van een ouderparticipatiecrèche door het college, kenbaar gemaakt in het landelijk register kinderopvang, nadat de aanloopperiode, bedoeld in het eerste lid, is verstreken. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.60c — Artikel 1.60c#
Artikel 1.60c 1 artikel 1.50, eerste en tweede lid artikel 1.50b 1.51a, eerste lid 1.51b eerste en derde lid 1.51c, eerste lid In,,,enen de bij of krachtens die artikelen gestelde regels wordt voor de toepassing op een ouderparticipatiecrèche voor beroepskracht, personeel of werkzame persoon gelezen: participerende ouder. 2 Artikel 1.50, tweede lid, onderdelen b en f artikel 1.58, vijfde lid , en, zijn niet van toepassing op een ouderparticipatiecrèche. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.61 — Artikel 1.61#
Artikel 1.61 1 Het college ziet toe op de naleving van: a. artikelen 1.45, derde lid 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c de bij of krachtens de,,,,engestelde regels; b. artikel 1.65 de krachtensgegeven aanwijzingen en bevelen; en c. artikel 1.66, eerste lid de krachtens, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden. 2 Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder. 3 Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.61a — Artikel 1.61a#
Artikel 1.61a 1 Een door Onze Minister aan te wijzen instelling bevordert de kwaliteit en uniformiteit van de uitvoering van de taak door het college op grond van deze afdeling. 2 Bij beschikking van Onze Minister wordt een financiële vergoeding verstrekt aan de instelling, bedoeld in het eerste lid. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 1.62 — Artikel 1.62#
Artikel 1.62 1 artikel 1.45, derde lid artikelen 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de,,engestelde regels. 2 artikelen 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de,,,engestelde regels. 3 artikelen 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid jaarlijks bij ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang en ten minste eens per drie jaar bij iedere geregistreerde voorziening voor gastouderopvang per gemeente of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de,, engestelde regels. 4 artikelen 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c 1.65 1.66 Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de,,,,,engestelde regels. 5 Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten. 6 artikel 1.60b De toezichthouder verricht het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ten minste tweemaal gedurende de aanloopperiode, bedoeld in, indien het een ouderparticipatiecrèche betreft. 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2022 544 27-12-2022 21-12-2022 01-01-2023
Artikel 1.63 — Artikel 1.63#
Artikel 1.63 1 artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld invast in een inspectierapport. 2 artikelen 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de,,,engestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3 artikel 1.62, vijfde lid Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in. 4 De toezichthouder zendt het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan: a. de houder van een kindercentrum, b. de houder van een gastouderbureau en de gastouder indien het rapport betrekking heeft op de gastouder, of c. de houder van een gastouderbureau, indien het rapport betrekking heeft op een gastouderbureau. 5 De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. 6 artikel 1.61, eerste lid De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in, tekortkomingen zijn geconstateerd. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.64 — Artikel 1.64#
Artikel 1.64 Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 1.65 — Artikel 1.65#
Artikel 1.65 1 artikelen 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de,,,engestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. 2 In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 3 De toezichthouder kan een schriftelijk bevel geven aan een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang indien hij oordeelt: a. dat de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum of een voorziening voor gastouderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden; of b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor het risico bestaat dat ook de kwaliteit van de gastouderopvang in gevaar komt, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. 4 Het bevel, bedoeld in het derde lid, heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd. 5 De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.66 — Artikel 1.66#
Artikel 1.66 1 Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is. 2 artikel 1.62 artikelen 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c Indien uit een onderzoek als bedoeld inof anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de,,engegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden. 2021 101 01-03-2021 10-02-2021 35610 2021 246 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 1.66a — Artikel 1.66a#
Artikel 1.66a 1 De geschillencommissie verricht haar werkzaamheden op basis van een reglement dat ten minste waarborgt dat: a. aan de geschillencommissie een geschil kan worden voorgelegd door een ouder: 1°. artikel 1.57b, tweede lid, onderdeel e die na de indiening van een klacht bij de houder van een kindercentrum of een gastouderbureau niet tijdig een oordeel heeft ontvangen als bedoeld in; 2°. die een klacht in tweede aanleg wil laten beoordelen; 3°. artikel 1.57b, eerste lid voor wie behandeling van een klacht overeenkomstig een schriftelijke regeling als bedoeld in, niet gewaarborgd is door het ontbreken van die regeling of doordat de regeling niet aan artikel 1.57b, tweede lid, voldoet, of 4°. van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden een klacht bij de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau indient; b. de geschillencommissie bevoegd is over een geschil door middel van een bindend advies een uitspraak te doen; c. de geschillencommissie uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak doet; d. de geschillencommissie in afwijking van onderdeel c op kortere termijn na voorlegging van het geschil uitspraak doet in gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, is aangewezen; e. de geschillencommissie de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar maakt, zodanig dat deze niet tot natuurlijke- of rechtspersonen herleidbaar zijn, en f. de geschillencommissie uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter bestaat, en deze leden niet werkzaam zijn voor of bij de houder op wie het geschil betrekking heeft noch anderszins in directe relatie tot de betreffende ouder of houder staan. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot geschillenbeslechting door de geschillencommissie en het reglement, bedoeld in het eerste lid. 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.66b — Artikel 1.66b#
Artikel 1.66b 1 artikel 1.60 Indien de oudercommissie een geschil met de houder over de toepassing en de uitvoering vandoor de houder aan de geschillencommissie voorlegt, toetst de geschillencommissie uitsluitend of de houder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft gehandeld. 2 Indien de geschillencommissie de oudercommissie in het gelijk stelt, kan zij in haar uitspraak tevens bepalen dat: a. de houder zijn besluit geheel of ten dele intrekt; b. een of meer gevolgen van dat besluit ongedaan worden gemaakt. 3 artikel 1.58, tweede en derde lid artikel 1.57c Indien de houder gebruik maakt van de in, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid kan, indien deze vorm zich daarvoor leent, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat deze vorm voor de toepassing van het eerste en tweede lid engelijk wordt gesteld met een oudercommissie. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden. 4 artikel 1.58, tweede en derde lid artikel 1.57c artikel 1.60 Indien gebruik is gemaakt van de in, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid, maar deze vorm zich niet leent voor de toepassing van het eerste en tweede lid en, kan in plaats daarvan een ouder een geschil over de toepassing en uitvoering vanaan de geschillencommissie voorleggen en zijn het eerste en tweede lid en artikel 1.57c zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.67 — Artikel 1.67#
Artikel 1.67 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 1.67a — Artikel 1.67a#
Artikel 1.67a hoofdstuk 1 De Dienst Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtensgestelde regels. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 1.68 — Artikel 1.68#
Artikel 1.68 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 1.69 — Artikel 1.69#
Artikel 1.69 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 1.70 — Artikel 1.70#
Artikel 1.70 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.72 — Artikel 1.72#
Artikel 1.72 1 artikelen 1.45, derde lid 1.47, eerste lid 1.48d, tweede en derde lid 1.49 tot en met 1.59 1.60a 1.60c artikel 1.65 artikel 1.66 artikel 160 van de Wet op het primair onderwijs artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het college kan degene die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de,,,,en, een afspraak als bedoeld in, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld inof een vordering tot medewerking als bedoeld inniet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. 2 In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft. 2021 171 07-04-2021 25-02-2021 35605 2022 114 16-03-2022 08-03-2022 01-04-2022 Artikel XI van Stb. 2021/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 1.80 — Artikel 1.80#
Artikel 1.80 Indien het college voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-07-2013
Artikel 1.81 — Artikel 1.81#
Artikel 1.81 1 Indien het college de houder in het kader van het toezicht op de naleving van de verplichtingen op basis van dit hoofdstuk: wordt daarover een vermelding opgenomen in het landelijk register kinderopvang zodra dit besluit onherroepelijk is. a. hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht een sanctie als bedoeld inoplegt; b. artikel 1.65 een aanwijzing als bedoeld ingeeft, c. artikel 1.66 een verbod tot exploitatie als bedoeld inoplegt; of d. artikel 1.72 een bestuurlijke boete als bedoeld inoplegt; 2 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, betreft het karakter van de sanctie of van de maatregel, alsmede een beschrijving van de verplichting die niet is nagekomen. 3 Op verzoek verstrekt het college een afschrift van het besluit, bedoeld in het eerste lid, waarin de tot natuurlijke personen herleidbare gegevens, geanonimiseerd worden, met uitzondering van het woonadres van de houder wanneer opvang plaats vindt op dat woonadres. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 Vervallen 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 2005 343 30-06-2005 23-06-2005 29765 01-09-2005 2005 345 05-07-2005 23-06-2005 30097 Artikel II van hoofdstuk 2 van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Geldt voor berekeningsjaren als bedoeld in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2005/343 gesteld op 1 januari 2006.
Artikel 1.86 — Artikel 1.86#
Artikel 1.86 Vervallen 2012 327 18-07-2012 12-07-2012 33212 2012 387 04-09-2012 24-08-2012 01-01-2013
Artikel 1.87 — Artikel 1.87#
Artikel 1.87 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming van innovatieve kinderopvang mogelijk te maken, vormen van kinderopvang worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld omtrent: artikel 1.1, eerste lid artikel 1.7 afdeling 3 artikel 1.48 tot en met 1.48b afdeling 4, paragrafen 1 2 afdeling 5, paragraaf 2 Bij die regels kan worden afgeweken van, wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.1, tweede lid, onderdeel a,,, met uitzondering van, alsmede vanen, en, van dit hoofdstuk. a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van kinderopvang; b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a; c. de hoogte van de kinderopvangtoeslag; d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld aan de deelname aan een experiment. 3 artikel 1.6 Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld inaanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-01-2014
Artikel 1.88 — Artikel 1.88#
Artikel 1.88 1 artikel 1.87 Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2 artikel 1.87 Indien een experiment als bedoeld in, eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2010 296 22-07-2010 07-07-2010 31989 2010 297 22-07-2010 07-07-2010 01-08-2010 Voorheen art. 88.
Artikel 1.89 — Artikel 1.89#
Artikel 1.89 Vervallen 2013 253 28-06-2013 26-06-2013 33538 2013 254 28-06-2013 26-06-2013 01-07-2013
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XIV en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XVII, eerste lid, XXIV en XXVI, van Stb. 2017/252
bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4a — Artikel 2.4a#
Artikel 2.4a Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4b — Artikel 2.4b#
Artikel 2.4b Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XXIV, XXV en XXVI van Stb. 2017/252 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.9a — Artikel 2.9a#
Artikel 2.9a Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.9b — Artikel 2.9b#
Artikel 2.9b Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.9c — Artikel 2.9c#
Artikel 2.9c Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XIX en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.12 — Artikel 2.12#
Artikel 2.12 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.13 — Artikel 2.13#
Artikel 2.13 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.13a — Artikel 2.13a#
Artikel 2.13a Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XVI en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.13b — Artikel 2.13b#
Artikel 2.13b Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.13c — Artikel 2.13c#
Artikel 2.13c Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.14 — Artikel 2.14#
Artikel 2.14 Vervallen 2016 319 08-09-2016 23-08-2016 34478 2016 363 17-10-2016 06-10-2016 01-01-2017
Artikel 2.15 — Artikel 2.15#
Artikel 2.15 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XVII, eerste lid, en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.16 — Artikel 2.16#
Artikel 2.16 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XVII, eerste lid, en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.17 — Artikel 2.17#
Artikel 2.17 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XVII, tweede lid, en XXIV van Stb. 2017/252 bevat
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.18 — Artikel 2.18#
Artikel 2.18 Vervallen 2015 177 15-05-2015 04-05-2015 34045 2015 517 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2015 525 21-12-2015 11-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.19 — Artikel 2.19#
Artikel 2.19 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.19a — Artikel 2.19a#
Artikel 2.19a Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.20 — Artikel 2.20#
Artikel 2.20 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XVIII en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.21 — Artikel 2.21#
Artikel 2.21 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XIX en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.22 — Artikel 2.22#
Artikel 2.22 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.23 — Artikel 2.23#
Artikel 2.23 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XX en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.24 — Artikel 2.24#
Artikel 2.24 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XXI en XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.24a — Artikel 2.24a#
Artikel 2.24a Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XXII en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.24b — Artikel 2.24b#
Artikel 2.24b Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XXII en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.25 — Artikel 2.25#
Artikel 2.25 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.26 — Artikel 2.26#
Artikel 2.26 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 2.27 — Artikel 2.27#
Artikel 2.27 Vervallen 2016 319 08-09-2016 23-08-2016 34478 2016 363 17-10-2016 06-10-2016 01-01-2017
Artikel 2.28 — Artikel 2.28#
Artikel 2.28 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.29 — Artikel 2.29#
Artikel 2.29 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.30 — Artikel 2.30#
Artikel 2.30 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.31 — Artikel 2.31#
Artikel 2.31 Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikel XXIV van Stb. 2017/252 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.28a — Artikel 2.28a#
Artikel 2.28a Vervallen 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018 Artikelen XXIII en XXIV van Stb. 2017/252 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 artikel 1.48, eerste en tweede lid De inschrijvingen van de voorzieningen, bedoeld in, die op 1 januari 2014 in het register buitenlandse kinderopvang staan opgenomen vervallen van rechtswege met ingang van 1 januari 2018. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 1.48d Onze Minister verwerkt de gegevens van de personen die op basis van de artikelen 9a en 9b van het Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang onder de continue screening vallen vanaf de datum van inwerkingtreding vantot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip in het personenregister kinderopvang. Deze personen kunnen bij hun inschrijving gebruik maken van hun bestaande verklaring omtrent het gedrag. 2 artikelen 1.50, derde lid 1.56, derde lid 1.56b, derde lid Bij de personen, bedoeld in het eerste lid, en bij de overige personen die op grond van de,en, in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, worden in verband met de verwerking van hun gegevens in het personenregister kinderopvang tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip geen kosten in rekening gebracht. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 3.2a — Artikel 3.2a#
Artikel 3.2a Artikel 1.6, eerste lid, onderdeel g Wet inburgering 2021 artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering , zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deblijft van toepassing op de ouder die inburgeringsplichtig is als bedoeld inzoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor
hoofdstuk 3, paragraaf 2 in plaats van hoofdstuk 3, paragraaf 1.
Artikel 3.2b — Artikel 3.2b#
Artikel 3.2b Artikel 1.6, tweede en derde lid , zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen C en D, van de Wet van 2 december 2020 tot wijziging van de Wet Kinderopvang in verband met enkele wijzigingen met betrekking tot het recht op kinderopvangtoeslag (Stb. 2020, 518) blijft tot een jaar na dat tijdstip van toepassing, indien de ouder: a. op de dag voor dat tijdstip aanspraak had op kinderopvangtoeslag, en b. Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1.6, vierde lid hij of zijn partner op dat tijdstip arbeid verrichtte, niet zijnde tegenwoordige arbeid waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van dewordt genoten dan wel inkomen dat hiermee gelijkgesteld wordt op grond van. 2020 518 16-12-2020 02-12-2020 35598 2020 519 16-12-2020 08-12-2020 01-01-2021 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 3.2c — Artikel 3.2c#
Artikel 3.2c artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onderdeel b Wet van 20 november 2024 Richtlijn 2001/55/EG In afwijking van, heeft een ouder die als gevolg van detot wijziging van de Wet kinderopvang om aanspraak op kinderopvangtoeslag mogelijk te maken voor Oekraïense ontheemden gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 vanvan de Raad van 20 juli 2001, en ouders met een partner buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland ook aanspraak op kinderopvangtoeslag te geven (Stb. 2024, 390) aanspraak op kinderopvangtoeslag, over de periode van 4 maart 2022 tot en met de inwerkingtredingsdatum van die wet aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de aanvraag om kinderopvangtoeslag uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden is gelegen na de inwerkingtredingsdatum van die wet is ingediend. 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 2024 390 10-12-2024 20-11-2024 36241 11-12-2024 04-03-2022
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent de aard van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt en verzameld en, voor zover het betreft het college, of en op welke wijze deze informatie openbaar wordt gemaakt. 3 De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 artikelen 1.6, zevende lid 1.7, tweede tot en met vierde lid 1.8 1.50, tweede lid 1.56, tweede lid 1.56b, tweede lid 1.87 De voordracht voor een krachtens de,,,,,, envast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 hoofdstuk 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de invan deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018
Artikel 3.5a — Artikel 3.5a#
Artikel 3.5a Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 8 november 2023 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een structurele regeling voor meertalige dagopvang (Stb. 2023, 412), aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk. In het verslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan: artikel 1.55, derde lid Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle talen, bedoeld in. a. de werking in de praktijk van het maximumpercentage van 50% per dag; b. de effecten op het aanbod en de kwaliteit van de kinderopvang; c. de effecten op de werkzaamheden van de beroepskrachten meertalige kinderopvang en de pedagogische beleidsmedewerkers werkzaam bij de meertalige kinderopvang. 2023 412 17-11-2023 08-11-2023 36393 2024 9 30-01-2024 24-01-2024 01-02-2024
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang. 2017 252 19-06-2017 31-05-2017 34596 2017 309 17-07-2017 03-07-2017 01-01-2018