Wet van 22 december 2005, houdende regels die een geconcentreerde aanpak van grootstedelijke problemen mogelijk maken (Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek)
- BWB-id
- BWBR0019388
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-02-12
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0019388
- ELI
- /eli/nl/wet/2005/wet-bijzondere-maatregelen-grootstedelijke-problematiek
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2005/wet-bijzondere-maatregelen-grootstedelijke-problematiek/2025-02-12
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0019388&g=2025-02-12
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0019388&z=2026-06-06&g=2025-02-12
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0019388/2025-02-12
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2005/wet-bijzondere-maatregelen-grootstedelijke-problematiek
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 huisvestingsvergunning: vergunning als bedoeld in; b. regio: gebied dat uit een oogpunt van het functioneren van de woonruimtemarkt als een samenhangend geheel kan worden beschouwd; c. artikel 4 van de Huisvestingswet 2014 huisvestingsverordening: verordening als bedoeld in; d. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. 2 artikelen 5 6, eerste en tweede lid 8 9, eerste lid 18 19 20 32 tot en met 35 van de Huisvestingswet 2014 artikel 7 artikel 8 9 10 Op de huisvestingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de huisvestingsverordening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de,,,,,,envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in die artikelen voor «» wordt gelezen:,ofvan de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2025 34 11-02-2025 30-01-2025 12-02-2025 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 3 Dit hoofdstuk is van toepassing in kansenzones, die door de gemeenteraad zijn aangewezen overeenkomstig. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Een gebied binnen een gemeente dat een bijzondere behoefte heeft aan omschakeling wegens lokale sociaal-economische problemen kan door de gemeenteraad als kansenzone worden aangewezen indien het voldoet aan de volgende eisen: a. binnen het gebied bedraagt 1°. het aantal niet-actieven ten minste 25 percent, en 2°. het aantal huishoudens met een laag inkomen ten minste 45 percent, b. het gebied heeft ten minste 5.000 en ten hoogste 30.000 inwoners. 2 Voor het vaststellen van de percentages, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van de meest recente cijfers zoals die zijn vastgesteld door het Centraal bureau voor de statistiek, op basis van de definities die dat bureau hanteert voor de in dat lid genoemde begrippen. 3 Het besluit waarin een kansenzone wordt aangewezen bevat een beschrijving van de kansenzone die ten minste de volgende elementen omvat: a. het gebied van de kansenzone, vergezeld van een kaart; b. een beschrijving van de sociaal-economische situatie in de kansenzone, inclusief een toets aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, waarbij de herkomst van de gegevens zodanig is, dat zij controleerbaar zijn. 4 Een kansenzone kan slechts een maal als zodanig worden aangewezen. Deze aanwijzing geldt voor de duur van ten hoogste vier jaar. Deze termijn kan vier maal met telkens ten hoogste vier jaar worden verlengd. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2014 152 14-04-2014 09-04-2014 33797 2014 153 14-04-2014 09-04-2014 15-04-2014
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 220 van de Gemeentewet artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet Wet waardering onroerende zaken In de verordening op de heffing en invordering van de onroerendezaakbelastingen, bedoeld in, kan worden bepaald dat de belastingaanslag ter zake van onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dienen zoals bedoeld in, waarvan de waarde zoals die op grond van deis vastgesteld, niet hoger is dan € 500.000,– wordt verminderd. 2 De vermindering wordt zodanig vastgesteld dat deze niet leidt tot een negatieve aanslag. 3 Het bedrag van de vermindering wordt op het aanslagbiljet vermeld. 4 Indien binnen het grondgebied van een gemeente meer dan een kansenzone is aangewezen wordt de vermindering van de belastingaanslag, bedoeld in het eerste lid, voor alle kansenzones op dezelfde wijze bepaald. 5 artikel 221 van de Gemeentewet Het eerste tot met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de belastingen, bedoeld in, voor zover die worden geheven ter zake van bedrijfsruimten. 2014 152 14-04-2014 09-04-2014 33797 2014 153 14-04-2014 09-04-2014 15-04-2014
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 8 Onze Minister kan op aanvraag van de gemeenteraad complexen, straten of gebieden aanwijzen waarin aan woningzoekenden op grond vaneisen kunnen worden gesteld. 2 artikel 9 Onze Minister kan op aanvraag van de gemeenteraad complexen, straten of gebieden aanwijzen waarin aan woningzoekenden op grond vanvoorrang wordt verleend. 3 Ter beperking van overlast en criminaliteit kan Onze Minister op aanvraag van de gemeenteraad complexen, straten of gebieden aanwijzen, waar aan personen die op het tijdstip van de aanvraag van een huisvestingsvergunning de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, geen huisvestingsvergunning voor in de huisvestingsverordening aangewezen categorieën van woonruimte wordt verleend, indien: a. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens zij geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld inoverleggen, of b. artikel 10a, eerste lid op grond van het onderzoek, bedoeld in, blijkt dat er een gegrond vermoeden is dat hun huisvesting zal leiden tot een toename van overlast of criminaliteit in dat complex, die straat of dat gebied. 4 artikelen 6 7 De aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, geschiedt voor de duur van ten hoogste vier jaar. Deze termijn kan op aanvraag van de gemeenteraad vier maal met telkens ten hoogste vier jaar worden verlengd. Het eerste, tweede of derde lid van dit artikel en deenzijn van overeenkomstige toepassing. 5 Van een aanvraag tot verlenging, als bedoeld in het vierde lid, maakt in ieder geval deel uit een evaluatie van de maatregel die op grond van de aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, in een complex, straat of gebied is toegepast. Het college van burgemeester en wethouders houdt voor dit doel de noodzakelijke gegevens bij. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere voorschriften worden gegeven. 2017 25 09-02-2017 25-01-2017 34468 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 5, eerste, tweede of derde lid Bij de aanvraag, bedoeld in, maakt de gemeenteraad naar het oordeel van Onze Minister voldoende aannemelijk dat de beoogde aanwijzing van de in de aanvraag genoemde complexen, straten of gebieden: a. noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente, en b. voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. 2 artikel 5, eerste of derde lid De aanwijzing, bedoeld in, geschiedt uitsluitend indien is voldaan aan het eerste lid, en de gemeenteraad naar het oordeel van Onze Minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat woningzoekenden, aan wie als gevolg van die aanwijzing geen huisvestingsvergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van woonruimte in de aangewezen complexen, straten of gebieden, voldoende mogelijkheden houden om binnen de regio waarin de gemeente is gelegen passende huisvesting te vinden. 3 artikel 5, derde lid Bij de aanvraag bedoeld in, maakt de gemeenteraad naar het oordeel van Onze Minister voldoende aannemelijk waarom de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, of het onderzoek op basis van politiegegevens, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, het meest geschikte instrument is voor het bestrijden van overlast en criminaliteit. 4 Onze Minister kan gedeputeerde staten advies vragen over de mogelijkheden, bedoeld in het tweede lid. 5 artikel 5, eerste, tweede of derde lid Onze Minister neemt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot aanwijzing van een complex, straat of gebied, bedoeld in, een besluit omtrent die aanwijzing. Indien Onze Minister zijn besluit niet binnen de termijn, genoemd in de eerste volzin, aan de gemeenteraad bekend heeft gemaakt, wordt het besluit tot aanwijzing geacht te zijn genomen. 2016 329 14-09-2016 23-08-2016 34314 2016 533 27-12-2016 14-12-2016 01-01-2017
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 5 Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in, in indien hem is gebleken dat: a. artikel 6, eerste lid niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in, of b. artikel 5, eerste of derde lid de woningzoekenden, aan wie als gevolg van de aanwijzing, bedoeld in, geen huisvestingsvergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van woonruimte in de aangewezen complexen, straten of gebieden, onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen de regio waarin de gemeente is gelegen voor hen passende huisvesting te vinden. 2 artikel 5 Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in, voorts in indien de gemeenteraad daarom verzoekt. 2016 329 14-09-2016 23-08-2016 34314 2016 533 27-12-2016 14-12-2016 01-01-2017
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De gemeenteraad kan, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat woningzoekenden die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene zijn van de regio waarin de gemeente is gelegen, slechts voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van in die verordening aangewezen categorieën van woonruimte in aanmerking komen indien zij beschikken over: a. een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid; b. een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf; c. een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden; d. Algemene Ouderdomswet een ouderdomspensioen als bedoeld in de; e. Wet op de loonbelasting 1964 een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de, of f. Wet studiefinanciering 2000 een aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in de. 2 De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening dat burgemeester en wethouders aan een woningzoekende die niet voldoet aan de eisen, genoemd in het eerste lid, een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van woonruimte als bedoeld in dat lid kunnen verlenen, indien het weigeren van die huisvestingsvergunning tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. 2017 25 09-02-2017 25-01-2017 34468 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De gemeenteraad kan, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die voldoen aan in die verordening vastgelegde sociaal-economische kenmerken. 2 artikel 12, eerste lid artikel 14, van de Huisvestingswet 2014 De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening of aan woningzoekenden als bedoeld in het eerste lid voorrang wordt gegeven boven woningzoekenden als bedoeld in, of. 2016 329 14-09-2016 23-08-2016 34314 2016 533 27-12-2016 14-12-2016 01-01-2017 Artikel III van Stb. 2016/329 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 5, derde lid De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een huisvestingsvergunning voor in die verordening aangewezen categorieën van woonruimte in de op basis van, aangewezen complexen, straten of gebieden, niet wordt verleend indien op basis van het in die aanwijzing genoemde instrument, bedoeld in artikel 5, derde lid, blijkt dat er een gegrond vermoeden is dat het huisvesten van de personen van 16 jaar en ouder die zich in een woonruimte in dat complex, die straat of dat gebied willen huisvesten, zal leiden tot een toename van overlast of criminaliteit in dat complex, die straat of dat gebied. 2 artikel 5, derde lid De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een persoon van 16 jaar en ouder die zich op een later tijdstip bij de houder van een huisvestingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, wil huisvesten over een huisvestingsvergunning dient te beschikken. Zulk een huisvestingsvergunning wordt niet verleend indien op basis van het in die aanwijzing genoemde instrument, bedoeld in, blijkt dat er een gegrond vermoeden is dat het huisvesten van die persoon zal leiden tot een toename van overlast of criminaliteit in het complex, de straat of het gebied waarin de woonruimte is gelegen. 3 De gemeenteraad past de bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid, toe indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. 4 artikel 10b, vijfde lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de voorschriften, bedoeld in. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in. 5 Het college van burgemeester en wethouders kan aan een woningzoekende aan wie onder toepassing van het eerste of tweede lid geen huisvestingsvergunning zou kunnen worden verleend, alsnog een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van woonruimte als bedoeld in die leden verlenen, indien het weigeren ervan tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. 2017 25 09-02-2017 25-01-2017 34468 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 artikel 5, derde lid Indien op basis van de aanwijzing, bedoeld in, in een aangewezen complex, straat of gebied een onderzoek op basis van politiegegevens wordt verlangd, bepaalt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening op basis van de aard van de problematiek in een aangewezen complex, straat of gebied welke van de in het tweede lid genoemde politiegegevens betrokken mogen worden bij dat onderzoek. 2 Bij een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend rekening worden gehouden met de volgende gedragingen uit de politiegegevens: a. het veroorzaken van overlast die hinderlijk of schadelijk is voor personen of een gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van personen door: 1°. geluid of trillingen; 2°. het plaatsen, werpen of hebben van stoffen of voorwerpen; 3°. het verrichten van handelingen waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm, stof, stank of irriterend materiaal wordt verspreid; 4°. vervuiling, verontreiniging of schadelijk of hinderlijk gedierte in de woning of de directe omgeving ervan; b. onrechtmatig gebruik van een woning; c. gebruik van beledigende of discriminerende taal of uitingen jegens of intimidatie van omwonenden of bezoekers; d. gewelddadigheden of openlijke geweldpleging tegen, dan wel bedreiging of mishandeling van omwonenden of bezoekers; e. Opiumwet activiteiten die strafbaar zijn gesteld op grond van dein of in de omgeving van de woning; f. openbare dronkenschap in de omgeving van de woning; g. het plegen van vermogensdelicten met een directe relatie tot de woonomgeving; h. brandstichting, vernieling en vandalisme in de omgeving van de woning; i. Wetboek van Strafrecht radicaliserende, extremistische of terroristische gedragingen die strafbaar zijn gesteld op grond van het. 2016 329 14-09-2016 23-08-2016 34314 2016 533 27-12-2016 14-12-2016 01-01-2017
Artikel 10b — Artikel 10b#
Artikel 10b 1 artikel 5, derde lid, onderdeel b artikel 10a, eerste lid Indien bij de aanvraag van een huisvestingsvergunning, voor een in de huisvestingsverordening aangewezen woonruimte in een complex, straat of gebied, op grond van, een onderzoek op basis van politiegegevens wordt verlangd, stelt het college van burgemeester en wethouders de burgemeester hiervan in kennis. De burgemeester verzoekt daarop de politiechef van de regionale eenheid waarin de gemeente gelegen is, zo spoedig mogelijk een overzicht van de politiegegevens te verstrekken die betrekking hebben op de op grond van, in de huisvestingsverordening genoemde gedragingen van de woningzoekende, alsmede van de personen van 16 jaar en ouder die met hem de woonruimte willen betrekken. 2 artikel 10a, eerste lid De politiechef, verstrekt aan de burgemeester uitsluitend de in, bedoelde relevante politiegegevens over gedragingen die hebben plaatsgevonden in de periode van ten hoogste vier jaren voor het tijdstip van de aanvraag van de huisvestingsvergunning. Deze periode bedraagt ten hoogste twee jaren indien de betrokkene op het tijdstip van die aanvraag nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De politiechef verstrekt de politiegegevens niet indien het verstrekken ervan een nog niet afgerond strafrechtelijk onderzoek kan belemmeren. 3 De politiechef voorziet de te verstrekken politiegegevens van een duiding. 4 De burgemeester beoordeelt op basis van de volgende criteria de verstrekte politiegegevens en de duiding ervan door de politiechef: De burgemeester geeft naar aanleiding van de beoordeling een woonverklaring af, waaraan voorschriften verbonden kunnen zijn. a. de aard en ernst van de gedragingen, waarbij zwaarder gewicht wordt toegekend aan gedragingen die bij wet strafbaar gesteld zijn dan aan andere gedragingen; b. de frequentie en onderlinge samenhang van de gedragingen; c. de overlast die de gedragingen hebben veroorzaakt; d. het tijdsverloop sinds de gedragingen zijn geconstateerd; e. de relatie tussen de geconstateerde overlastgevende gedragingen en de mogelijke invloed van deze gedragingen op de leefbaarheid in een aangewezen complex, straat of gebied. 5 artikel 10, vijfde lid Behoudens in gevallen als bedoeld in, weigert het college van burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning, indien de overgelegde woonverklaring daartoe aanleiding geeft. Indien aan de woonverklaring voorschriften zijn verbonden, worden deze voorschriften opgenomen in de huisvestingsvergunning. 6 Indien de burgemeester voornemens is een negatieve woonverklaring af te geven op grond van de beoordeling, bedoeld in het vierde lid, of aan de woonverklaring voorschriften te verbinden, stelt hij de aanvrager van de huisvestingsvergunning in de gelegenheid te worden gehoord. 7 De burgemeester verwerkt de aan hem op basis van het tweede lid verstrekte politiegegevens en de duiding, bedoeld in het derde lid, uitsluitend ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag van een huisvestingsvergunning, bedoeld in het eerste lid. 8 De burgemeester kan van de bevoegdheden in dit artikel uitsluitend mandaat verlenen aan de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. 9 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. artikel 10a, eerste lid het onderzoek, bedoeld in; b. artikel 17 de evaluatie ten behoeve van het verslag, bedoeld in, en c. de verwerking van de persoonsgegevens ten behoeve van het onderzoek bedoeld in onderdeel a, en de evaluatie, bedoeld in onderdeel b. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op de vastlegging, de beveiliging, de bewaartermijn en de vernietiging van de persoonsgegevens. 2017 25 09-02-2017 25-01-2017 34468 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017
Artikel 10c — Artikel 10c#
Artikel 10c Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk binnen een bij die algemene maatregel van bestuur te stellen termijn. 2016 329 14-09-2016 23-08-2016 34314 2016 533 27-12-2016 14-12-2016 01-01-2017
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Wijzigt de Onteigeningswet. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Wijzigt de Woningwet. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Wijzigt de Onteigeningswet. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Wijzigt deze wet. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Wijzigt deze wet. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Onze Minister zendt iedere vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2014 152 14-04-2014 09-04-2014 33797 2014 153 14-04-2014 09-04-2014 15-04-2014
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Deze wet wordt aangehaald als: Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 2005 726 29-12-2005 22-12-2005 30091 30-12-2005