Wet van 5 oktober 2006, houdende regels inzake geurhinder vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven (Wet geurhinder en veehouderij)
- BWB-id
- BWBR0020396
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2013-01-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020396
- ELI
- /eli/nl/wet/2007/wet-geurhinder-en-veehouderij
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2007/wet-geurhinder-en-veehouderij/2013-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020396&g=2013-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020396&z=2026-06-06&g=2013-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020396/2013-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2007/wet-geurhinder-en-veehouderij
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: concentratiegebied bijlage I bij de Meststoffenwet : concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in, of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied; dierenverblijf : al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden; geuremissiefactor : bij ministeriële regeling vastgestelde geuremissie per dier, behorende bij een daartoe aangewezen diercategorie en huisvestingssysteem; geurgevoelig object artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.26 3.28 van die wet artikel 3.38 van die wet artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet : gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in, een inpassingsplan als bedoeld inofdaaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in, of, indien met toepassing vanvan het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld inmag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; geurhinder : gevolgen voor het milieu door de emissie van geur; huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden; omgevingsvergunning: artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in; veehouderij artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht : inrichting die tot een krachtensaangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. 2012 493 23-10-2012 12-07-2012 33078 2012 571 22-11-2012 12-11-2012 01-01-2013
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikelen 3 tot met 9 Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de. 2 artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingrecht artikel 2.22, derde lid, van die wet artikel 1.3c 8.40 van de Wet milieubeheer Het eerste lid geldt niet voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aankan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtensofofworden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. 3 artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 3, tweede lid artikel 14, tweede lid In afwijking van het eerste lid isvan overeenkomstige toepassing op het nemen van een beslissing als bedoeld in dat lid. De eerste volzin is niet van toepassing op gevallen als bedoeld in, voor zover het betreft een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, en. 2012 493 23-10-2012 12-07-2012 33078 2012 571 22-11-2012 12-11-2012 01-01-2013
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen: a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht; c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht; d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht. 2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 3 Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt. 4 Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voorzover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren vastgesteld bij ministeriële regeling. 3 Indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikelen 3 4 Onverminderd deenbedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object: a. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 2 Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, niet afneemt en: a. de geurbelasting op het geurgevoelige object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, en het aantal dieren van één of meer diercategorieën, niet toenemen, of b. artikel 4 de inbedoelde afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 3, eerste lid Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in, met dien verstande dat deze andere waarde: a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht; b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht; c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht; d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht. 2 artikel 3 4 Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat een bij die verordening vast te stellen andere waarde of afstand als bedoeld inofvan toepassing is voor geurgevoelige objecten die onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij. 3 artikel 4, eerste lid Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in, met dien verstande dat deze: a. ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 4 artikel 4, tweede lid Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente voor pelsdieren een andere afstand van toepassing is met dien verstande dat deze ten minste de helft bedraagt van de afstand, bedoeld in. 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 13-06-2008
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 6 Om te voorkomen dat een gebied minder geschikt wordt voor het behalen van de met de verordening, bedoeld in, te verwezenlijken doelstelling kan de gemeenteraad besluiten dat in afwachting van die verordening een beslissing op een aanvraag voor het oprichten of veranderen van een veehouderij wordt aangehouden. 2 Bij het aanhoudingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt. 3 Een aanhoudingsbesluit vervalt op het tijdstip waarop de verordening ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen, in werking treedt. Een aanhoudingsbesluit vervalt tevens indien niet binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp voor de verordening bij de raad aanhangig is gemaakt of niet binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan de verordening in werking is getreden. 4 Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht Een aanhoudingsbesluit wordt bekendgemaakt door terinzagelegging van dit besluit.is van toepassing. Van het aanhoudingsbesluit wordt tevens mededeling gedaan langs elektronische weg. 5 artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht Het bevoegd gezag houdt, in afwijking van, de beslissing aan, indien voor het gebied waarop de veehouderij zal worden opgericht of veranderd vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een aanhoudingsbesluit in werking is getreden. De aanhouding duurt totdat het aanhoudingsbesluit overeenkomstig het derde lid is vervallen. 2009 616 24-12-2009 23-12-2009 31859 2009 617 24-12-2009 23-12-2009 28-12-2009
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 6 Bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in, betrekt de gemeenteraad in elk geval: a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied; b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu. 2 Bij het bepalen van de andere waarde of afstand betrekt de gemeenteraad tevens: a. de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of b. de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 6 artikelen 3 4 Wanneer voor een gebied als bedoeld ineen andere waarde of andere afstand dan genoemd in deofwordt vastgesteld, en het effect vanwege het vaststellen van die andere waarde of andere afstand doorwerkt naar het grondgebied van een naburige gemeente, kan de gemeenteraad daartoe slechts overgaan na overleg met die naburige gemeente. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, regels gesteld over de wijze waarop: a. artikel 3 de geurbelasting, bedoeld in, wordt bepaald; b. artikelen 3 4, eerste lid de afstand, bedoeld in deen, wordt gemeten. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden Dewordt ingetrokken. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. 2 artikelen 3 4 6 Voor de toepassing van de,enbedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de in dat lid bedoelde kavel aanwezig is. 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 13-06-2008
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Deze wet wordt aangehaald als: Wet geurhinder en veehouderij. 2006 531 07-11-2006 05-10-2006 30453 2006 671 21-12-2006 12-12-2006 01-01-2007