Wet van 30 november 2006, houdende regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering)
- BWB-id
- BWBR0020611
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2021-12-31 t/m 2021-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020611
- ELI
- /eli/nl/wet/2007/wet-inburgering
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2007/wet-inburgering/2021-12-31
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020611&g=2021-12-31
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020611&z=2026-06-06&g=2021-12-31
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020611/2021-12-31
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2007/wet-inburgering
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. artikelen 3 5 6 inburgeringsplichtige: de persoon die op grond van de,eninburgeringsplichtig is; c. artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 leerplichtige leeftijd: de leeftijd waarop bij verblijf in Nederland sprake is van een verplichting tot inschrijving als bedoeld in; d. artikel 7 inburgeringsplicht: de verplichting, bedoeld in, eerste lid; e. geestelijke bedienaar: de persoon die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, arbeid verricht als geestelijk voorganger, godsdienstleraar of zendeling, dan wel ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht; f. artikel 7, eerste lid, onderdeel a inburgeringsexamen: het examen, bedoeld in; g. Wet algemene bepalingen burgerservicenummer burgerservicenummer: het als zodanig overeenkomstig deaan een natuurlijke persoon toegekend nummer; h. artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 kwalificatieplicht: de plicht tot inschrijving als bedoeld in; i. artikelen 10, eerste lid 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente waar de inburgeringsplichtige woonplaats heeft als bedoeld in de, en. 2 Bij regeling van Onze Minister kan de geestelijke bedienaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, nader worden omschreven. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn met betrekking tot de uitoefening, onderscheidenlijk de nakoming van de voor hem uit deze wet en de daarop berustende bepalingen voortvloeiende rechten en verplichtingen. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000 Inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van, die: a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, of b. geestelijke bedienaar is. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden. 3 artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in. 4 De inburgeringsplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt niet met terugwerkende kracht gevestigd. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2008 229 26-06-2008 12-06-2008 30877 2008 229 26-06-2008 12-06-2008 30877 27-06-2008
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 3 In afwijking vanis niet inburgeringsplichtig degene die: a. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet jonger dan 16 jaar is dan wel de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt; b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven; c. beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document; d. leerplichtig of kwalificatieplichtig is; e. aansluitend op de leerplicht of kwalificatieplicht een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een krachtens onderdeel c aangewezen diploma, certificaat of ander document. 2 Evenmin is inburgeringsplichtig: a. de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland; b. richtlijn 2004/38/EG het familielid van de persoon, bedoeld in onderdeel a, dat onderdaan is van een derde staat en dat uit hoofde van, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gerechtigd is Nederland binnen te komen en er te verblijven; c. richtlijn 2003/109/EG richtlijn 2011/51 de vreemdeling die ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin vanvan 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16), gewijzigd door/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) te verkrijgen; d. de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht kan worden opgelegd. 3 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c De inburgeringsplichtige die beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document, waaruit blijkt dat hij reeds beschikt over een deel van de vaardigheden en kennis, bedoeld in, is vrijgesteld van de verplichting om dat deel van die kennis of vaardigheden te verwerven. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent: a. verdere gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht; b. het verblijf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 5 Onze Minister kan beleidsregels vaststellen omtrent de toepassing van het tweede lid, onderdeel d. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen. 2 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de onderdelen uit het inburgeringsexamen, bedoeld in, waarvan, op grond van door de inburgeringsplichtige aangetoonde geleverde inspanningen, blijkt dat hij redelijkerwijs niet aan deze onderdelen kan voldoen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden voorzien in: a. verdere ontheffing van de inburgeringsplicht, en b. nadere regels omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid. 4 artikel X, tweede lid, van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige Voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, dan wel voor een medisch onderzoek ten behoeve van de ontheffing, kan een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag worden vastgesteld, dat de inburgeringsplichtige is verschuldigd. Onder de inburgeringsplichtige, bedoeld in de eerste zin, wordt mede verstaan de inburgeringsplichtige, bedoeld in(Stb. 2012, 430), die een ontheffing aanvraagt op grond van artikel 6, zoals dit artikel luidde op 31 december 2012. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 16-12-2017 01-10-2017
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De inburgeringsplichtige behaalt: a. het inburgeringsexamen, of b. artikel 5, eerste lid, onderdeel c een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in. 2 Het inburgeringsexamen bestaat uit de volgende onderdelen: a. het participatieverklaringstraject; b. de examinering van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en c. de examinering van de kennis van de Nederlandse samenleving. 3 Het college biedt het participatieverklaringstraject, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, aan. 4 Onze Minister biedt de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, aan. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 7, tweede lid, onderdeel a De inburgeringsplichtige rondt binnen één jaar het participatieverklaringstraject, bedoeld in, af. 2 artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 De termijn van één jaar, genoemd in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is en ingeschreven is in de basisregistratie personen, met dien verstande dat indien hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd als bedoeld in, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond vanis gehuisvest. 3 artikel 7, tweede lid, onderdeel a Onze Minister verlengt de termijn van één jaar, genoemd in het eerste lid, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig afronden van het participatieverklaringstraject, bedoeld in. 4 Het participatieverklaringstraject wordt afgesloten met het afleggen van een participatieverklaring. Deze verklaring bevat de volgende slotformule: Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving en dat ik deze respecteer. Ik verklaar dat ik actief een bijdrage wil leveren aan de Nederlandse samenleving en reken erop dat ik daarvoor ook de ruimte krijg van mijn medeburgers. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b 1 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c De inburgeringsplichtige behaalt binnen drie jaar de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in. 2 De termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig wordt. 3 Onze Minister verlengt de termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid: a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van deze onderdelen van het inburgeringsexamen, of b. eenmalig met ten hoogste twee jaren, indien aantoonbaar een alfabetiseringscursus wordt of is gevolgd voor het verstrijken van die termijn. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: a. artikelen 7a, eerste lid 7b, eerste lid de verdere verlenging van de termijnen, bedoeld in de, en, en de toepassing van de artikelen 7a, derde lid, en 7b, derde lid; b. het afnemen van het inburgeringsexamen; c. de inhoud en vormgeving van het inburgeringsexamen; d. de ter zake van het inburgeringsexamen verschuldigde kosten; e. de identificatie van de persoon die aan het inburgeringsexamen deelneemt; f. de examencommissie, en g. het diploma. 2 Bij ministeriële regeling wordt de tekst van de participatieverklaring vastgesteld. Het ontwerp van een regeling tot wijziging van de tekst van de participatieverklaring wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd en wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de afgifte van een certificaat aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf werkzaamheden verricht gericht op het toeleiden van inburgeringsplichtigen naar het inburgeringsexamen. 2 artikel 10 Onze Minister dan wel een door Onze Minister op grond vanaangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte van het certificaat, bedoeld in het eerste lid, en is tevens bevoegd een afgegeven certificaat in te trekken. 3 Een certificaat wordt afgegeven voor een beperkte tijdsduur. Aan een certificaat kunnen voorschriften worden verbonden. 4 Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld omtrent: a. de aanvraag en de gegevens die daarbij van de aanvrager worden verlangd; b. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat kan worden verlengd of ingetrokken; c. de vergoeding die verschuldigd is in verband met de afgifte van een certificaat en de betaling daarvan. 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 9, tweede lid Onze Minister kan op aanvraag een instelling aanwijzen die de bevoegdheden, bedoeld in, uitoefent. 2 Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. 3 Een krachtens dit artikel aangewezen instelling verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden voor: a. de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan worden gegeven, ingetrokken dan wel gewijzigd; b. het opstellen van een verslag van werkzaamheden ten behoeve van Onze Minister; c. het toezicht op de instelling, bedoeld in het eerste lid. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 10 Onze Minister kan de krachtensaangewezen instelling aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taken. Hij treedt daarbij niet in individuele gevallen. 2 artikel 10 De krachtensaangewezen instelling is gehouden overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te handelen. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 10 Indien naar het oordeel van Onze Minister de krachtensaangewezen instelling zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. 2 artikel 10 De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de krachtensaangewezen instelling in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog haar taak naar behoren uit te voeren. 3 Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 artikel 9 Zolang op grond vangeen regels zijn gesteld over de afgifte van een certificaat verleent Onze Minister, of een door Onze Minister aangewezen instelling, een keurmerk aan cursusinstellingen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de aanwijzing van een instelling en de verlening van een keurmerk aan cursusinstellingen. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 5, eerste lid, onderdeel c Onze Minister verstrekt op aanvraag een lening aan de inburgeringsplichtige indien is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels omtrent de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt en omtrent het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen, of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in. 2 Aanspraak op een lening bestaat niet of niet langer als de inburgeringsplichtige: a. artikel 7a, eerste lid artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a na het verstrijken van de termijn, bedoeld in, of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, of bij of krachtens, gestelde regels verlengde termijn de participatieverklaring niet heeft ondertekend; b. artikel 7b, eerste lid artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a zes jaar na het verstrijken van de termijn, bedoeld in, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of bij of krachtens, gestelde regels verlengde termijn, niet aan de inburgeringsplicht heeft voldaan; of c. niet langer inburgeringsplichtig is. 3 Het bedrag van de lening wordt betaald aan de door de inburgeringsplichtige aangewezen cursusinstelling en exameninstelling. 4 De inburgeringsplichtige of gewezen inburgeringsplichtige betaalt de lening vermeerderd met de volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug. 5 Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent: a. de hoogte van de lening; b. de betaling en de terugbetaling van de lening, en c. kwijtschelding. 6 Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld omtrent het verstrekken van een lening aan anderen dan inburgeringsplichtigen. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De terugbetalingsperiode vangt aan zes maanden na: a. het voldoen aan de inburgeringsplicht; of b. artikel 16, tweede lid het vervallen van de aanspraak op een lening, op grond van. 2 Onze Minister kan het terug te betalen bedrag invorderen bij dwangbevel. 3 Indien de lening wordt kwijtgescholden, gaat de over het kwijtgescholden bedrag opgebouwde rente op het tijdstip van kwijtschelding teniet. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Het college voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de inburgeringsplichtige die rechtmatig verblijf heeft op grond van een: a. verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of b. verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, voor verblijf bij: 1°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, 2°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, of 3°. artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake internationale bescherming als bedoeld in. 2 artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 De maatschappelijke begeleiding vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is en ingeschreven is in de basisregistratie personen, met dien verstande dat indien hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd als bedoeld in, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond vanis gehuisvest. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud en vormgeving van de maatschappelijke begeleiding. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 7, tweede lid, onderdeel a artikel 7a, eerste lid artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die het participatieverklaringstraject, bedoeld in, niet binnen de in, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, of van de krachtens, gestelde regels verlengde termijn, heeft afgerond. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 28 artikel 7, tweede lid, onderdeel a Onze Minister stelt in de boetebeschikking, bedoeld in, een nieuwe termijn van ten hoogste één jaar waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog het participatieverklaringstraject, bedoeld in, moet afronden. 2 Onze Minister verlengt de nieuwe termijn, bedoeld in het eerste lid, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig afronden van het participatieverklaringstraject. 3 De verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan telkens voor ten hoogste een jaar worden verleend. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022 en voordat de Wet
inburgering 2021 in werking treedt.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 29 artikel 7, tweede lid, onderdeel a Onze Minister legt de inburgeringsplichtige die niet binnen de krachtensvastgestelde termijnen het participatieverklaringstraject, bedoeld in, heeft afgerond, een bestuurlijke boete op. Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 7, tweede lid, onderdeel a Zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de krachtens het eerste lid gestelde termijn het participatieverklaringstraject, bedoeld in, niet afrondt, legt Onze Minister ieder jaar een bestuurlijke boete op. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022 en voordat de Wet
inburgering 2021 in werking treedt.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c artikel 7b, eerste lid artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in, niet binnen de in, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of van de krachtens, gestelde regels verlengde termijn, heeft behaald. 2 artikel 18 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 19 van die wet In afwijking van het eerste lid, legt Onze Minister geen boete op, indien bij of krachtensde aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen dan wel bij of krachtensde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingetrokken. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 31, eerste lid artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c Onze Minister stelt in de boetebeschikking, bedoeld in, een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaren waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in, moet behalen. 2 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c Onze Minister verlengt de nieuwe termijn, bedoeld in het eerste lid, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van de examenonderdelen, bedoeld in. 3 De verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan telkens voor ten hoogste twee jaar worden verleend. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022 en voordat de Wet
inburgering 2021 in werking treedt.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 32 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c Onze Minister legt de inburgeringsplichtige die niet binnen de krachtensvastgestelde termijnen de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in, heeft behaald, een bestuurlijke boete op. Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 32 artikel 7, tweede lid, onderdeel b en c Zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de krachtensgestelde termijnen de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in, niet behaalt, legt Onze Minister iedere twee jaar een bestuurlijke boete op. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022 en voordat de Wet
inburgering 2021 in werking treedt.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan: a. artikel 7a, eerste lid € 340 voor het niet naleven van; b. artikel 7, tweede lid, onderdeel a artikelen 29 30 € 340 voor het niet afronden van het participatieverklaringstraject, bedoeld in, binnen de bij of krachtens deengestelde termijnen; c. artikel 7b, eerste lid € 1.250 voor het niet naleven van; d. artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c artikelen 32 33 € 1.250 voor het niet behalen van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in, binnen de bij of krachtens deengestelde termijnen. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017 Artikel VI van Stb. 2017/285 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Er is een Informatiesysteem Inburgering, beheerd door Onze Minister. Dit systeem bevat een systematisch geordende verzameling van gegevens die noodzakelijk zijn met betrekking tot de inburgering op grond van deze wet. 2 Het Informatiesysteem Inburgering heeft tot doel de verstrekking: a. aan Onze Minister, het college en een of meer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen uitvoerende instanties van gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet; b. aan Onze Minister van gegevens met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid; c. Rijkswet op het Nederlanderschap aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap op grond van de; d. artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de gegevens over diploma’s voor het inburgeringsexamen ten behoeve van het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in; e. artikelen 16a 18 19 21 34 van de Vreemdelingenwet 2000 aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de,,,en; f. artikel 1.6, eerste lid, onderdeel g, van de Wet kinderopvang aan de rijksbelastingdienst van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het Informatiesysteem Inburgering. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de in het Informatiesysteem Inburgering op te nemen gegevens en de verwerking van die gegevens. 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013 Artikel X van Stb. 2012/430 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Onze Minister, het college en een of meer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties nemen in de registratie, die zij voor de uitvoering van deze wet aanleggen, het burgerservicenummer van de geregistreerde op. 2017 285 30-06-2017 23-06-2017 34584 2017 287 30-06-2017 26-06-2017 01-10-2017
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 paragraaf 3.1 paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld inonderscheidenlijkkunnen door Onze Minister, het college en een of meer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties worden verwerkt, voorzover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze wet. 2 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij wordt in ieder geval geregeld: a. op welke wijze de verwerking, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt; b. op welke wijze door passende technische en organisatorische maatregelen deze gegevens worden beveiligd tegen verlies of onrechtmatige verwerking; c. welke gegevens, aan welke personen of instanties, voor welk doel en op welke wijze kunnen worden verstrekt; d. op welke wijze wordt gewaarborgd dat de verwerkte persoonsgegevens slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Wijzigt de Beroepswet. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Wijzigt de Welzijnswet 1994. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Wijzigt de Wet kinderopvang. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Wijzigt de Wet werk en bijstand. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Wet inburgering nieuwkomers Op rijksbijdragen die op grond van dezijn verstrekt ten behoeve van tijdvakken voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat voor het desbetreffende tijdvak gold van toepassing. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Vervallen 2012 430 28-09-2012 13-09-2012 33086 2012 519 30-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Wijzigt deze wet. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Wijzigt deze wet. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Onze Minister zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Wet inburgering nieuwkomers Dewordt ingetrokken. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 artikel 65 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald datterugwerkt tot en met 1 januari 2006. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 Deze wet wordt aangehaald als: Wet inburgering. 2006 625 07-12-2006 30-11-2006 30308 2006 645 14-12-2006 05-12-2006 01-01-2007