Wet van 29 mei 2006 tot vaststelling van regels met betrekking tot de bijzondere opsporingsdiensten en de instelling van het functioneel parket (Wet op de bijzondere opsporingsdiensten)
- BWB-id
- BWBR0019919
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0019919
- ELI
- /eli/nl/wet/2007/wet-op-de-bijzondere-opsporingsdiensten
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2007/wet-op-de-bijzondere-opsporingsdiensten/2025-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0019919&g=2025-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0019919&z=2026-06-06&g=2025-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0019919/2025-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2007/wet-op-de-bijzondere-opsporingsdiensten
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 2 bijzondere opsporingsdienst: een van de diensten, bedoeld in; b. artikel 3 opsporingsambtenaar: een ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die is aangewezen voor de uitvoering van de taken, bedoeld in; c. Onze betrokken Minister: Onze minister onder wie een bijzondere opsporingsdienst ressorteert. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Er zijn vier bijzondere opsporingsdiensten, te weten: a. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Financiën; b. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; c. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; d. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Een bijzondere opsporingsdienst is onder gezag van de officier van justitie belast met: a. de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op de beleidsterreinen waarvoor Onze betrokken Minister verantwoordelijkheid draagt; b. de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op een beleidsterrein waarvoor een andere minister dan de onder a. bedoelde, verantwoordelijkheid draagt en die door die minister in overeenstemming met Onze betrokken Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan die bijzondere opsporingsdienst is opgedragen; c. opsporingshandelingen in verband met strafbare feiten die zijn geconstateerd in het kader van de taakuitoefening bedoeld onder a. en b., en die met die taakuitoefening verband houden; d. de opsporing van andere strafbare feiten, indien de bijzondere opsporingsdienst daarmee is belast door de officier van justitie; e. de opsporing van strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283). 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 80, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 3 De officier van justitie kan, onverlet de toepassing van, de betrokken opsporingsambtenaren de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de inbedoelde taken. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 De opsporingsambtenaar is bevoegd zijn taak uit te oefenen in het gehele land. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De opsporingsambtenaar is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn taak geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. 2 Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. 3 De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van zijn taak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de opsporingsambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar. 4 De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. 5 artikel 9 van de Politiewet 2012 Met overeenkomstige toepassing vanwordt een ambtsinstructie voor de opsporingsambtenaren vastgesteld. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld invan personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak. 2008 85 25-03-2008 13-03-2008 31248 2008 85 25-03-2008 13-03-2008 31248 26-03-2008
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 3 Het College van procureurs-generaal ziet erop toe dat de bijzondere opsporingsdiensten de taken, bedoeld in, naar behoren uitvoeren. 2 Het hoofd van het functioneel parket heeft tot taak erop toe te zien dat: a. de opsporingsambtenaar beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden; b. de opsporingsambtenaar zijn taak op de juiste wijze uitoefent. 3 Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gegeven met betrekking tot de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden. 4 artikel 126nba, achtste lid, van het Wetboek van Strafvordering Het bepaalde in het eerste lid laat het bepaalde inonverlet. 2018 322 21-09-2018 27-06-2018 34372 2019 67 21-02-2019 12-02-2019 01-03-2019
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Het College van procureurs-generaal kan Onze betrokken Minister adviseren over de uitoefening van de taken van de bijzondere opsporingsdienst en de feitelijke toepassing van de opsporingsbevoegdheden door de opsporingsambtenaren. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De bijzondere opsporingsdienst is als afzonderlijke organisatorische eenheid geplaatst in de organisatie van het ministerie waartoe deze behoort. 2 De aanwijzing van het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst, op voordracht van Onze betrokken Minister, geschiedt na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van hoofd van de opsporingsdienst geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Onze betrokken Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie stellen, gehoord het College van procureurs-generaal, periodiek de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de taakuitoefening door de bijzondere opsporingsdiensten vast. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 10 Jaarlijks stellen Onze betrokken Minister en het College van procureurs-generaal voor het komende jaar, met inachtneming van de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de taakuitoefening door de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in, een handhavingsarrangement vast, waarin de wederzijdse afspraken over opsporing en afhandeling van de opsporingsonderzoeken zijn opgenomen. 2 Onze betrokken Minister en het College van procureurs-generaal stellen jaarlijks een jaarverslag vast over de verwezenlijking van de afspraken in het handhavingsarrangement. 3 Onze betrokken Minister zendt het jaarverslag na de vaststelling ervan aan de Staten-Generaal. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 3 Er is een eenheid binnen de bijzondere opsporingsdienst die, onder gezag van de officier van justitie, persoonsgegevens verwerkt ten behoeve van het voorkomen en opsporen van misdrijven die gezien hun ernst, frequentie of het georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd, een ernstige inbreuk kunnen maken op de rechtsorde op de terreinen waarop de bijzondere opsporingsdienst een taak heeft als bedoeld in. 2 Bij regeling van Onze betrokken Minister in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden regels gesteld omtrent de werkzaamheden van de eenheid. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Onze betrokken Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen tezamen bij ministeriële regeling regels geven over de samenwerking tussen de bijzondere opsporingsdienst en de politie. 2 Onze betrokken Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Defensie kunnen tezamen bij ministeriële regeling regels geven over de samenwerking tussen de bijzondere opsporingsdienst en de Koninklijke marechaussee. 3 Onze betrokken Ministers en Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen tezamen bij ministeriële regeling regels geven over de samenwerking van bijzondere opsporingsdiensten onderling. 4 artikel 3 Onze betrokken Ministers en Onze Minister van Veiligheid en Justitie, eventueel in overeenstemming met andere terzake verantwoordelijke ministers kunnen, op de terreinen waarop de bijzondere opsporingsdiensten een taak hebben als bedoeld in, tezamen bij ministeriële regeling regels geven over de samenwerking van bijzondere opsporingsdiensten met toezichthoudende instanties. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Onze betrokken Minister draagt zorg voor de behandeling van een klacht over een gedraging van een opsporingsambtenaar. Onze betrokken Minister stelt nadere regels vast over de behandeling van klachten over gedragingen van opsporingsambtenaren. 2 In een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in: a. Hoofdstuk 9, afdeling 9.1.3, van de Algemene wet bestuursrecht de instelling van een commissie, bestaande uit onafhankelijke leden, die overeenkomstig, is belast met de behandeling van klachten en advisering over de afhandeling daarvan; b. de registratie van de ingediende klachten en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen, alsmede c. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en beslissingen. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, wordt van de klacht onverwijld na de ontvangst daarvan afschrift gezonden aan het functioneel parket. Het hoofd van het functioneel parket wordt in de gelegenheid gesteld advies over de afhandeling van de klacht uit te brengen. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanwordt de klacht afgehandeld binnen veertien weken na de ontvangst van het klaagschrift. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Wijzigt de Wet wapens en munitie. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Wijzigt de Politiewet 1993. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. 2006 285 27-06-2006 29-05-2006 30182 2007 172 22-05-2007 07-05-2007 01-06-2007