Wet van 27 september 2007 tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76) (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties)
- BWB-id
- BWBR0022604
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0022604
- ELI
- /eli/nl/wet/2007/wet-wederzijdse-erkenning-en-tenuitvoerlegging-geldelijke-sa
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2007/wet-wederzijdse-erkenning-en-tenuitvoerlegging-geldelijke-sa/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0022604&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0022604&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0022604/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2007/wet-wederzijdse-erkenning-en-tenuitvoerlegging-geldelijke-sa
Artikel 1 — Artikel 1 (begripsbepalingen)#
Artikel 1 (begripsbepalingen) In deze wet wordt verstaan onder: a. rechterlijke uitspraak: een onherroepelijke beslissing van een rechter wegens een strafbaar feit; b. beschikking: een onherroepelijke beslissing van een bestuurlijke autoriteit wegens een strafbaar feit of een feit dat wordt bestraft als vergrijp tegen de voorschriften betreffende de orde, voor zover tegen de beslissing beroep op een met name in strafzaken bevoegde rechter is opengesteld; c. uitvaardigende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waarin een rechterlijke uitspraak of beschikking is gewezen; d. uitvoerende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waaraan een rechterlijke uitspraak of beschikking met het oog op tenuitvoerlegging is of wordt toegezonden; e. sanctie: een bij rechterlijke uitspraak of beschikking opgelegde straf of maatregel; f. geldelijke sanctie: sanctie houdende de verplichting tot betaling van: 1°. een geldboete; 2°. een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer van het strafbare feit, voor zover deze verplichting is opgelegd door de strafrechter; 3°. een geldbedrag voor een schadefonds of instelling ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten voor zover deze verplichting is opgelegd bij rechterlijke uitspraak of beschikking; 4°. proceskosten. g. voorwerpen: alle zaken en alle vermogensrechten ten aanzien waarvan de rechter van de uitvaardigende lidstaat heeft beslist dat zij: 1°. de opbrengst zijn van een strafbaar feit dan wel met de gehele of gedeeltelijke waarde van die opbrengst overeenstemmen, of 2°. een hulpmiddel voor dat strafbaar feit vormen, of 3°. vatbaar zijn voor confiscatie door de toepassing, in de uitvaardigende lidstaat, van een van de verruimde confiscatiebevoegdheden in de zin van artikel 3, eerste en tweede lid, van het Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PbEU L 68 van 15 maart 2005), of 4°. vatbaar zijn voor confiscatie op grond van andere rechtsvoorschriften van de uitvaardigende lidstaat betreffende verruimde confiscatiebevoegdheden; h. opbrengst: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn; i. hulpmiddelen: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of bestemd om te worden gebruikt om één of meer strafbare feiten te begaan; j. artikel 3:86a, eerste lid, BW cultuurgoederen: cultuurgoederen als bedoeld in; k. beslissing, houdende een geldelijke sanctie: een rechterlijke uitspraak of een beschikking, waarbij een geldelijke sanctie als bedoeld in onderdeel f van dit artikel is opgelegd; l. beslissing tot confiscatie: een rechterlijke uitspraak die leidt tot het blijvend ontnemen van een voorwerp; m. veroordeelde: degene aan wie een sanctie is opgelegd; n. artikelen 4 5 officier van justitie: de ingevolge deenbevoegde officier van justitie; o. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid; p. Verordening 2018/1805: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PbEU 2018, L 303/1); q. Verordening 2018/1805 confiscatiebevel: bevel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van; r. Verordening 2018/1805 uitvaardigende autoriteit: autoriteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, subonderdeel b, van; s. Verordening 2018/1805 uitvoerende autoriteit: autoriteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 2 — Artikel 2 (beginsel wederzijdse erkenning buitenlandse sancties)#
Artikel 2 (beginsel wederzijdse erkenning buitenlandse sancties) Rechterlijke uitspraken en beschikkingen gewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie en aan Nederland gezonden worden overeenkomstig de bepalingen van deze wet in Nederland erkend en ten uitvoer gelegd. 2007 354 11-10-2007 27-09-2007 30699 2007 432 08-11-2007 31-10-2007 01-12-2007
Artikel 3 — Artikel 3 (beginsel erkenning Nederlandse sancties)#
Artikel 3 (beginsel erkenning Nederlandse sancties) In Nederland gewezen rechterlijke uitspraken en beschikkingen kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze wet worden gezonden aan een andere lidstaat van de Europese Unie met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar. 2007 354 11-10-2007 27-09-2007 30699 2007 432 08-11-2007 31-10-2007 01-12-2007
Artikel 4 — Artikel 4 (bevoegde autoriteiten inkomend)#
Artikel 4 (bevoegde autoriteiten inkomend) 1 De officier van justitie bij het arrondissement Noord-Nederland is bevoegd tot erkenning van een in een andere lidstaat van de Europese Unie opgelegde beslissing houdende: a. een geldelijke sanctie; b. een beslissing tot confiscatie; c. een confiscatiebevel. 2 Onze Minister is bevoegd tot tenuitvoerlegging van de beslissing of het bevel. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 5 — Artikel 5 (bevoegde autoriteiten uitgaand)#
Artikel 5 (bevoegde autoriteiten uitgaand) Onze Minister is bevoegd tot het verzenden van een in Nederland opgelegde beslissing, houdende een geldelijke sanctie, een beslissing tot confiscatie of een confiscatiebevel, aan een andere lidstaat van de Europese Unie met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 6 — Artikel 6 (voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbare sancties)#
Artikel 6 (voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbare sancties) 1 Vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland zijn: A. beslissingen, houdende een geldelijke sanctie genomen in een andere lidstaat van de Europese Unie: 1°. bij rechterlijke uitspraak; 2°. bij beschikking; 3°. bij onherroepelijke rechterlijke beslissing genomen in beroep tegen een beschikking. B. beslissingen tot confiscatie genomen in een andere lidstaat van de Europese Unie en strekkende tot: 1°. betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel; 2°. verbeurdverklaring, waarbij de rechter heeft bepaald op welke voorwerpen deze sanctie ten uitvoer moet worden gelegd. C. confiscatiebevelen. 2 Het eerste lid is van toepassing in het geval de veroordeelde een natuurlijke persoon is, voor zover deze inkomsten of vermogen of zijn vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft dan wel in het geval de veroordeelde een rechtspersoon is, voor zover deze inkomsten of vermogen of zijn statutaire zetel in Nederland heeft, dan wel indien het specifieke voorwerp waarop de beslissing tot confiscatie of het confiscatiebevel betrekking heeft zich op Nederlands grondgebied bevindt. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 7 — Artikel 7 (toezending aan bevoegde autoriteit)#
Artikel 7 (toezending aan bevoegde autoriteit) 1 artikel 6, eerste lid De beslissingen, bedoeld in, en het ingevulde certificaat, dat is opgesteld overeenkomstig het bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde model, worden door de officier van justitie in behandeling genomen. Wanneer deze documenten niet aan hem zijn gezonden, worden ze door de geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden. De geadresseerde stelt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis. De officier van justitie bevestigt de ontvangst van een aan hem doorgezonden verzoek aan de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat. 2 artikel 6, eerste lid Indien het certificaat ontbreekt, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de beslissing, bedoeld in, verzoekt de officier van justitie de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat het certificaat alsnog over te leggen, aan te vullen of te verbeteren. 3 De officier van justitie kan de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat verzoeken een gewaarmerkt afschrift van de beslissing of het origineel van het certificaat over te leggen. 2009 124 17-03-2009 05-03-2009 31555 2009 224 28-05-2009 20-05-2009 01-06-2009
Artikel 8 — Artikel 8 (wisselkoers)#
Artikel 8 (wisselkoers) artikel 6, eerste lid Indien een beslissing als bedoeld in, is uitgedrukt in vreemde valuta, bepaalt de officier van justitie de hoogte van het bedrag in euro’s volgens de wisselkoers die gold op het tijdstip waarop de beslissing werd genomen. 2009 124 17-03-2009 05-03-2009 31555 2009 224 28-05-2009 20-05-2009 01-06-2009
Artikel 9 — Artikel 9 (voltooiing en beëindiging van tenuitvoerlegging)#
Artikel 9 (voltooiing en beëindiging van tenuitvoerlegging) 1 artikel 6, eerste lid De tenuitvoerlegging van de beslissing als bedoeld in, wordt gestaakt, zodra een daartoe strekkende kennisgeving van de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat is ontvangen. 2 artikel 6, eerste lid Zodra de tenuitvoerlegging van de beslissing als bedoeld in, is voltooid, stelt Onze Minister de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld in kennis. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 10 — Artikel 10 (vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat)#
Artikel 10 (vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat) 1 Vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn beslissingen, houdende een in Nederland: a. bij rechterlijke uitspraak of beschikking opgelegde geldboete; b. bij rechterlijke uitspraak of beschikking opgelegde verplichting tot betaling aan de staat van een geldsom ten behoeve van het slachtoffer; c. artikel 2 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde administratieve sanctie als bedoeld in; d. genomen beslissing tot confiscatie, betreffende een geldbedrag; e. genomen beslissing tot confiscatie, betreffende een specifiek voorwerp; f. uitgevaardigd confiscatiebevel; g. artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete als bedoeld invoor zover het overtredingen betreft van; h. artikel 174a 174b 174c van de Wegenverkeerswet 1994 artikel 29 artikelen 29a 30 30a 34 34a 35 van die wet door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete als bedoeld in,ofvoor zover het overtredingen betreft van de krachtensgenoemde artikelen en de,,,en; h. artikel 15, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing artikel 12, eerste lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete als bedoeld inof als bedoeld in. 2 Onze Minister kan een beslissing als bedoeld in het eerste lid aan een andere lidstaat van de Europese Unie zenden met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar, indien de veroordeelde in die andere lidstaat inkomsten of vermogen of zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft dan wel, in het geval de veroordeelde een rechtspersoon is, deze aldaar inkomsten of vermogen of zijn statutaire zetel heeft. 3 Onverminderd de bepaling van het tweede lid, kan Onze Minister een beslissing als bedoeld in onderdeel e van het eerste lid met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging aan de lidstaat zenden, waarvan hij het redelijke vermoeden heeft dat dat voorwerp zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt. 2023 377 27-11-2023 26-10-2023 36269 2023 377 27-11-2023 26-10-2023 36269 01-01-2026 Abusievelijk voegt het Staatsblad een tweede onderdeel h toe.
Artikel 11 — Artikel 11 (erkenning en tenuitvoerlegging)#
Artikel 11 (erkenning en tenuitvoerlegging) 1 artikelen 6:1:1 6:1:2 6:1:9 6:4:1 6:4:3 6:4:4 6:4:5 6:4:6 6:4:8 van het Wetboek van Strafvordering Een voor erkenning vatbare beslissing, houdende een geldelijke sanctie, wordt erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in de,,,,,,,en, tenzij in deze wet anders is bepaald. 2 artikelen 28 tot en met 30 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Indien de ten uitvoer te leggen beslissing is opgelegd bij beschikking en betrekking heeft op gedragingen in strijd met de verkeersregels, met inbegrip van overtredingen van de rij- en rusttijdenwetgeving en van de wetgeving inzake gevaarlijke goederen zijn, in voorkomend geval, devan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement Noord-Nederland bevoegd is de vordering tot het verlenen van de machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling te behandelen. 3 De officier van justitie en Onze Minister kunnen de tenuitvoerlegging opschorten gedurende de periode die nodig is om de ten uitvoer te leggen beslissing te laten vertalen. 4 artikel 12 Behoudens de ingenoemde gevallen blijft de hoogte van de opgelegde geldelijke sanctie ongewijzigd. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 504 24-12-2019 18-12-2019 35311 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 12 — Artikel 12 (verlaging van het verschuldigde bedrag)#
Artikel 12 (verlaging van het verschuldigde bedrag) 1 Ingeval de beslissing, houdende de geldelijke sanctie, strekt tot betaling van een geldboete die hoger is dan het wettelijke strafmaximum waarmee het desbetreffende feit naar Nederlands recht is bedreigd, verlaagt de officier van justitie de hoogte van het bedrag tot dat strafmaximum, indien het desbetreffende feit buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en daarover naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. 2 Indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat reeds betalingen zijn verricht ter voldoening van de geldelijke sanctie, raadpleegt Onze Minister de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hierover. 3 Reeds geïnde bedragen worden geheel in mindering gebracht op het verschuldigde bedrag. 4 Wordt de hoogte van het verschuldigde bedrag op grond van het eerste of derde lid aangepast, dan stelt de officier van justitie respectievelijk Onze Minister de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 13 — Artikel 13 (verplichte weigeringsgronden)#
Artikel 13 (verplichte weigeringsgronden) 1 De officier van justitie weigert de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing, houdende een geldelijke sanctie, indien: a. de geldelijke sanctie is opgelegd naar aanleiding van een feit waarover ten aanzien van degene aan wie de geldelijke sanctie is opgelegd: 1°. door de Nederlandse rechter reeds onherroepelijk is beslist; 2°. door een andere rechter reeds een straf is opgelegd welke ten uitvoer is gelegd; b. behoudens het bepaalde in het tweede lid, het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn; c. over het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het recht tot uitvoering van de geldelijke sanctie naar Nederlands recht zou zijn verjaard; d. de tenuitvoerlegging van de beslissing, houdende de geldelijke sanctie, onverenigbaar is met een naar Nederlands recht geldende immuniteit; e. de veroordeelde ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt; f. artikel 7, tweede lid het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de beslissing en niet aan het verzoek, bedoeld in, is voldaan. 2 De tenuitvoerlegging van een beslissing wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, onderdeel b, indien het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd, is vermeld op of valt onder de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde lijst met feiten en soorten van feiten. 3 De tenuitvoerlegging van de beslissing houdende een geldelijke sanctie wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen. 2011 232 24-05-2011 12-05-2011 32188 2011 342 08-07-2011 01-07-2011 01-08-2011 Artikel IV, eerste lid, van Stb 2011/232 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13a — Artikel 13a (aanvullende verplichte weigeringsgrond)#
Artikel 13a (aanvullende verplichte weigeringsgrond) 1 De officier van justitie weigert de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing houdende een geldelijke sanctie, indien uit het certificaat blijkt, dat a. de veroordeelde, indien de geldsanctie bij beschikking is opgelegd, niet in overeenstemming met het recht van de uitvaardigende lidstaat in persoon of via een naar het nationale recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, alsmede van de termijnen waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden aangewend; of b. de veroordeelde niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing, houdende een geldelijke sanctie heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de veroordeelde, overeenkomstig de procedurevoorschriften van de uitvaardigende lidstaat: 1°. tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing, houdende een geldelijke sanctie heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of 2°. op de hoogte was van de voorgenomen behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd; of 3°. nadat de beslissing, houdende een geldelijke sanctie aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend; of c. de veroordeelde niet in persoon is verschenen, tenzij in het certificaat is vermeld dat de veroordeelde, na uitdrukkelijk te zijn geïnformeerd over de behandeling ter terechtzitting en over de mogelijkheid om in persoon ter terechtzitting aanwezig te zijn, uitdrukkelijk heeft verklaard afstand te doen van zijn recht op een mondelinge behandeling en uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de zaak niet betwist. 2 De tenuitvoerlegging van de beslissing, houdende een geldelijke sanctie wordt niet op grond van het eerste lid geweigerd dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 14 — Artikel 14 (facultatieve weigeringsgronden)#
Artikel 14 (facultatieve weigeringsgronden) De officier van justitie kan de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing, houdende een geldelijke sanctie, weigeren indien: a. het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd: 1°. geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of 2°. buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd; b. de hoogte van de geldelijke sanctie 70 euro of minder bedraagt. 2011 232 24-05-2011 12-05-2011 32188 2011 342 08-07-2011 01-07-2011 01-08-2011 Artikel IV, eerste lid, van Stb 2011/232 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 14a — Artikel 14a (mededeling)#
Artikel 14a (mededeling) artikelen 13 13a 14 Indien de officier van justitie op grond van een van de in de,engenoemde gronden de tenuitvoerlegging van de geldelijke sanctie weigert, stelt hij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat daarvan onverwijld, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis. 2011 232 24-05-2011 12-05-2011 32188 2011 342 08-07-2011 01-07-2011 01-08-2011
Artikel 15 — Artikel 15 (rechtsmiddelen)#
Artikel 15 (rechtsmiddelen) 1 Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering De veroordeelde kan zich tegen het nemen van verhaal verzetten.is van toepassing, met dien verstande dat het bezwaarschrift wordt ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op voorwerpen waarop verhaal wordt genomen, zijn de bepalingen van hetvan toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 16 — Artikel 16 (vervangende hechtenis)#
Artikel 16 (vervangende hechtenis) 1 artikelen 6:4:4 tot en met 6:4:6 van het Wetboek van Strafvordering Indien de geldelijke sanctie is opgelegd bij rechterlijke uitspraak waarbij tevens een tot vervangende hechtenis strekkende sanctie is opgelegd, kan de rechter op vordering van de officier van justitie verlof tot tenuitvoerlegging van die vervangende hechtenis verlenen. De vordering wordt slechts ingesteld indien de veroordeelde niet aan de verplichting tot betaling van de geldelijke sanctie voldoet, volledig verhaal op grond van deop diens inkomsten of vermogen niet mogelijk is gebleken en de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat met de tenuitvoerlegging van die vervangende hechtenis heeft ingestemd. 2 De vordering wordt ingesteld bij en behandeld door de raadkamer van de rechtbank Noord-Nederland. 3 De officier van justitie roept de veroordeelde op voor de behandeling van de vordering. De behandeling vindt plaats in het openbaar. 4 De vordering wordt niet toegewezen indien het feit waarvoor de sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn. 5 artikelen 6:4:4 tot en met 6:4:6 van het Wetboek van Strafvordering Bij de beoordeling van de vordering houdt de raadkamer rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en het verhaal dat reeds ingevolge deis genomen. 6 Artikel 24c, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 6:4:7 van het Wetboek van Strafvordering Bij toewijzing van de vordering bepaalt de raadkamer de duur van de vervangende hechtenis.enis van toepassing. De duur wordt niet hoger bepaald dan het maximum dat door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat is aangegeven. 7 artikelen 6:1:6 6:1:15 van het Wetboek van Strafvordering De beslissing van de raadkamer wordt aan de veroordeelde betekend. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 8 De tot vervangende hechtenis strekkende sanctie kan te allen tijde worden beëindigd door de officier van justitie. De hechtenis eindigt indien de veroordeelde alsnog volledig voldoet aan de verplichting tot betaling van de geldboete. 9 Indien de vordering wordt toegewezen en de tot vervangende hechtenis strekkende sanctie ten uitvoer wordt gelegd, stelt Onze Minister de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 504 24-12-2019 18-12-2019 35311 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 17 — Artikel 17 (toezending stukken)#
Artikel 17 (toezending stukken) 1 Onze Minister zendt de beslissing vergezeld van een ingevuld certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde model, rechtstreeks aan de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat die bevoegd zijn de beslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen. 2 Indien niet bekend is welke autoriteiten in de uitvoerende lidstaat bevoegd zijn tot erkenning en tenuitvoerlegging, verzoekt Onze Minister hieromtrent om inlichtingen. 3 De beslissing wordt niet aan twee of meer lidstaten tegelijkertijd toegezonden. 4 De toezending kan plaatsvinden per gewone post, telefax of elektronische post, mits de echtheid van de toegezonden documenten door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan worden vastgesteld. 5 Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat, stuurt Onze Minister deze een gewaarmerkt afschrift van de rechterlijke uitspraak of beschikking dan wel het origineel van het certificaat toe. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 18 — Artikel 18 (recht op tenuitvoerlegging)#
Artikel 18 (recht op tenuitvoerlegging) 1 Het recht van tenuitvoerlegging in Nederland van de aan de uitvoerende lidstaat toegezonden beslissing, wordt opgeschort gedurende de periode dat de beslissing ten uitvoer wordt gelegd in die andere lidstaat. 2 Tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan zodra: a. van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bericht is ontvangen dat de beslissing geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer is gelegd; of b. artikel 21 een kennisgeving als bedoeld inis verzonden. 2007 354 11-10-2007 27-09-2007 30699 2007 432 08-11-2007 31-10-2007 01-12-2007
Artikel 19 — Artikel 19 (kennisgeving vrijwillige betaling)#
Artikel 19 (kennisgeving vrijwillige betaling) Indien na toezending van een beslissing aan de uitvoerende lidstaat een geldsom is ontvangen ter voldoening van het verschuldigde bedrag, wordt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat hiervan door of vanwege Onze Minister onverwijld in kennis gesteld. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 20 — Artikel 20 (uitkering slachtoffer)#
Artikel 20 (uitkering slachtoffer) Ingeval de aan de uitvoerende lidstaat toegezonden beslissing strekt tot betaling aan de staat van een geldsom ten behoeve van het slachtoffer, keert de staat, zodra van de uitvoerende lidstaat een kennisgeving is ontvangen dat een bedrag is ontvangen, dat bedrag uit aan het slachtoffer. 2007 354 11-10-2007 27-09-2007 30699 2007 432 08-11-2007 31-10-2007 01-12-2007
Artikel 21 — Artikel 21 (kennisgeving staking tenuitvoerlegging)#
Artikel 21 (kennisgeving staking tenuitvoerlegging) Indien de officier van justitie of Onze Minister beslist dat de tenuitvoerlegging van de beslissing in de uitvoerende lidstaat moet worden gestaakt, wordt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 22 — Artikel 22 (erkenning en tenuitvoerlegging)#
Artikel 22 (erkenning en tenuitvoerlegging) 1 Verordening 2018/1805 Deze afdeling is van toepassing op een beslissing tot confiscatie van een andere lidstaat van de Europese Unie die niet is gebonden door. 2 Een voor erkenning vatbare beslissing tot confiscatie wordt erkend en ten uitvoer gelegd volgens Nederlands recht. Voor zover de beslissing tot confiscatie: a. artikelen 6:1:9 6:4:9 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht strekt tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, wordt de beslissing ten uitvoer gelegd overeenkomstig de,en, met dien verstande dat de rechtbank Noord-Nederland bevoegd is de vordering te behandelen tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling en daarbijvan overeenkomstige toepassing is; b. artikel 6:5:1 van het Wetboek van Strafvordering betrekking heeft op een specifiek voorwerp, wordt de beslissing overeenkomstigten uitvoer gelegd, tenzij in deze wet anders is bepaald. 3 artikelen 6:1:1 6:1:2 6:1:9 6:4:1 tot en met 6:4:6 6:4:8 van het Wetboek van Strafvordering Indien de beslissing tot confiscatie betrekking heeft op een specifiek voorwerp, kan de officier van justitie met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat overeenkomen, dat de tenuitvoerlegging geschiedt in de vorm van een verplichting tot betaling van een bepaald geldbedrag aan de staat. In voorkomend geval zijn de,,,envan overeenkomstige toepassing. 4 Een vervangende straf of maatregel wordt slechts ten uitvoer gelegd nadat de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat daartoe toestemming heeft gegeven. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 23 — Artikel 23 (samenloop)#
Artikel 23 (samenloop) 1 artikel 6, eerste lid, onderdeel B In geval van samenloop van beslissingen als bedoeld inbeslist de officier van justitie aan welke beslissing tot confiscatie voorrang zal worden gegeven, daarbij rekening houdend met alle feiten en omstandigheden. 2 Indien de betrokkene bewijs levert van gehele of gedeeltelijke confiscatie in een andere staat, raadpleegt Onze Minister de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat. In geval van confiscatie van opbrengsten worden de delen van het bedrag die naar aanleiding van de beslissing tot confiscatie reeds in een andere staat zijn geconfisqueerd, volledig in mindering gebracht op het in Nederland te confisqueren geldbedrag. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 24 — Artikel 24 (verplichte weigeringsgronden)#
Artikel 24 (verplichte weigeringsgronden) 1 De officier van justitie weigert de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, indien: a. de beslissing tot confiscatie is genomen naar aanleiding van een feit waarover ten aanzien van degene aan wie die beslissing is opgelegd: 1°. door de Nederlandse rechter reeds onherroepelijk is beslist; 2°. door een andere rechter reeds een straf of maatregel is opgelegd welke ten uitvoer is gelegd; b. behoudens het bepaalde in het tweede lid, het feit dat ten grondslag ligt aan de strafzaak in verband waarmee de beslissing tot confiscatie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn; c. over het feit dat ten grondslag ligt aan de strafzaak in verband waarmee de beslissing tot confiscatie is genomen, naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het recht tot tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie naar Nederlands recht zou zijn verjaard; d. de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie onverenigbaar is met een naar Nederlands recht geldende immuniteit; e. de rechten van belanghebbenden de tenuitvoerlegging van die beslissing tot confiscatie onmogelijk maken; f. artikel 7, tweede lid het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de beslissing en niet aan het verzoek, bedoeld in, is voldaan. 2 De tenuitvoerlegging van een beslissing wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, onderdeel b, indien het feit waarvoor de beslissing tot confiscatie is opgelegd, is vermeld op of valt onder de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde lijst met feiten en soorten van feiten en het feit in de uitvaardigende lidstaat wordt bedreigd met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaren. 3 artikel 27 De erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie worden niet geweigerd op grond van het onderdeel a, dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen. Hetzelfde geldt voor een weigering op grond van onderdeel e van het eerste lid, indien er geen rechtsmiddel als bedoeld inis ingesteld. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 24a — Artikel 24a (aanvullende verplichte weigeringsgrond)#
Artikel 24a (aanvullende verplichte weigeringsgrond) 1 De officier van justitie weigert de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, indien uit het certificaat blijkt, dat de veroordeelde niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing tot confiscatie heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de veroordeelde, overeenkomstig de procedurevoorschriften van de uitvaardigende lidstaat: 1°. tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing tot confiscatie heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of 2°. op de hoogte was van de voorgenomen behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd; of 3°. nadat de beslissing tot confiscatie aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend. 2 De tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie wordt niet op grond van het eerste lid geweigerd dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 25 — Artikel 25 (facultatieve weigeringsgronden)#
Artikel 25 (facultatieve weigeringsgronden) 1 De officier van justitie kan de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie weigeren indien het feit waarvoor de beslissing tot confiscatie is opgelegd: Indien de strafprocedure die leidde tot de beslissing tot confiscatie zowel betrekking had op een gronddelict als op het witwassen van geld, wordt onder «het feit» voor de toepassing van dit lid het gronddelict verstaan. 1°. geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of 2°. buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd. 2 artikel 1, onderdeel g, onder 4° Tevens kan de officier van justitie de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie weigeren indien hij van oordeel is dat die beslissing is gegeven met toepassing van verruimde confiscatiebevoegdheden zoals bedoeld in. 3 De erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie worden niet geweigerd op grond van dit artikel, dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen. 2009 124 17-03-2009 05-03-2009 31555 2009 224 28-05-2009 20-05-2009 01-06-2009
Artikel 26 — Artikel 26 (opschorting)#
Artikel 26 (opschorting) 1 De tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie kan worden opgeschort indien: a. de beslissing tot confiscatie een geldsom betreft die tevens aan een of meer andere lidstaten is gezonden met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar en Onze Minister van oordeel is dat het risico bestaat dat de totale opbrengst van de tenuitvoerlegging hoger is dan het in de beslissing tot confiscatie bepaalde bedrag; b. het belang van een lopend strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing; c. vertaling van de beslissing tot confiscatie nodig wordt geacht; d. de beslissing tot confiscatie betrekking heeft op een specifiek voorwerp en met betrekking tot dit voorwerp reeds een procedure tot confiscatie loopt. 2 Onze Minister geeft de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat onverwijld schriftelijk kennis van de opschorting van de tenuitvoerlegging. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, doet hij dit onder vermelding van de gronden en zo mogelijk van de verwachte duur van de opschorting. 3 Zodra de gronden voor opschorting zijn vervallen, wordt de beslissing ten uitvoer gelegd. De autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat worden hiervan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 27 — Artikel 27 (rechtsmiddelen)#
Artikel 27 (rechtsmiddelen) 1 artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering De veroordeelde, alsmede belanghebbenden, kunnen tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie beroep instellen bij de rechtbank Noord-Nederland. Het beroep wordt ingesteld uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag dat de veroordeelde of belanghebbende kennis heeft gekregen van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging. Dezijn van toepassing. Een ingesteld beroep heeft schorsende werking. 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Ten aanzien van belanghebbenden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op voorwerpen die op grond van deze wet in beslag zijn genomen, zijn de bepalingen van hetvan toepassing. 3 Indien een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie, wordt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan in kennis gesteld. 4 Artikel 15 is van toepassing. 2013 225 25-06-2013 19-06-2013 33012 2013 257 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 28 — Artikel 28 (verdeling van geconfisqueerde voorwerpen)#
Artikel 28 (verdeling van geconfisqueerde voorwerpen) 1 Indien het geldbedrag dat uit de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie wordt verkregen, hoger is dan € 10 000,–, wordt van de totale opbrengst de helft aan de uitvaardigende lidstaat overgedragen. Indien het geldbedrag dat uit de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie wordt verkregen, lager is dan of gelijk is aan € 10 000,–, valt de gehele opbrengst toe aan de Staat. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de wijze waarop deze verdeling plaatsvindt. 2 Onze Minister kan beslissen dat specifieke voorwerpen, verkregen door de tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie: a. worden verkocht, waarna de opbrengst van de verkoop overeenkomstig het eerste lid wordt verdeeld; b. aan de uitvaardigende lidstaat worden overgedragen; c. worden vernietigd. 3 De voorwerpen worden niet verkocht of teruggegeven, indien het cultuurgoederen zijn die deel uitmaken van het Nederlandse culturele erfgoed. 4 artikel 6:4:3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering Indien de voorwerpen met toepassing vanzijn verkregen, worden deze niet aan de uitvaardigende lidstaat overgedragen, dan nadat deze daarvoor toestemming heeft gegeven. 5 Onze Minister kan met de uitvaardigende lidstaat overeenkomen dat de geconfisqueerde voorwerpen anders worden verdeeld dan volgens het eerste en tweede lid. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 29 — Artikel 29 (mededelingen)#
Artikel 29 (mededelingen) 1 artikelen 24, eerste lid 24a, eerste lid 25, eerste lid Indien de officier van justitie op grond van de,, of, de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie weigert, stelt hij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk en met redenen omkleed in kennis. 2 Indien de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie niet, of niet geheel slaagt, stelt de officier van justitie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld met redenen omkleed in kennis. 3 Van de toepassing van een vervangende straf of maatregel stelt de officier van justitie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat onverwijld in kennis. 4 Indien tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie onmogelijk blijkt, zulks nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in de gelegenheid is gesteld nadere gegevens met betrekking tot het voorwerp waarop de beslissing tot confiscatie betrekking heeft te verstrekken, wordt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat daarvan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld. 2011 232 24-05-2011 12-05-2011 32188 2011 342 08-07-2011 01-07-2011 01-08-2011 Artikel IV, eerste lid, van Stb 2011/232 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30 — Artikel 30 (inbeslagneming)#
Artikel 30 (inbeslagneming) 1 Voorwerpen ten aanzien waarvan de uitvaardigende lidstaat een beslissing tot confiscatie aan Nederland heeft gezonden met het oog op erkenning en tenuitvoerlegging, alsmede voorwerpen die kunnen dienen om het recht tot verhaal te bewaren, kunnen door de officier van justitie in beslag worden genomen. 2 Inbeslagneming overeenkomstig het eerste lid vindt slechts plaats in gevallen waarin gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat de beslissing tot confiscatie op korte termijn in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. 2009 124 17-03-2009 05-03-2009 31555 2009 224 28-05-2009 20-05-2009 01-06-2009
Artikel 31 — Artikel 31 (toezending stukken)#
Artikel 31 (toezending stukken) 1 Verordening 2018/1805 Deze afdeling is van toepassing op een beslissing tot confiscatie van een andere lidstaat van de Europese Unie die niet is gebonden door. 2 Onze Minister zendt een gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie, vergezeld van een ingevuld certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde model rechtstreeks aan de autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is de beslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen, op een wijze die de mogelijkheid biedt een schriftelijk document voort te brengen op grond waarvan de echtheid kan worden vastgesteld. 3 Op verzoek van de uitvoerende lidstaat worden een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie en het originele exemplaar van het certificaat aan de uitvoerende lidstaat toegezonden. 4 Indien niet bekend is welke autoriteiten in de uitvoerende lidstaat bevoegd zijn tot erkenning en tenuitvoerlegging, verzoekt Onze Minister hieromtrent om inlichtingen onder andere bij het Europees Justitieel Netwerk. 5 Behoudens de gevallen, bedoeld in het zesde en zevende lid, wordt de beslissing niet aan twee of meer lidstaten tegelijkertijd toegezonden. 6 Onze Minister kan een in Nederland genomen beslissing tot confiscatie die betrekking heeft op een geldbedrag slechts aan meer dan een lidstaat tegelijkertijd toezenden, indien hij van oordeel is dat alleen door meervoudige toezending de volledige tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie kan worden bereikt. Onze Minister draagt er zorg voor dat de totale opbrengst van de tenuitvoerlegging niet meer bedraagt dan het in de beslissing tot confiscatie bepaalde maximumbedrag. 7 Onze Minister kan een in Nederland genomen beslissing tot confiscatie die betrekking heeft op een of meer specifieke voorwerpen slechts aan meer dan een lidstaat tegelijkertijd toezenden, indien: a. hij redelijke vermoedens heeft dat verschillende voorwerpen waarop de beslissing betrekking heeft, zich in verschillende lidstaten bevinden; b. de confiscatie van dat specifieke voorwerp waarop die beslissing betrekking heeft, noodzaakt tot optreden in meer dan een lidstaat; c. hij redelijke vermoedens heeft dat een specifiek voorwerp waarop de beslissing betrekking heeft, zich in een van twee of meer lidstaten bevindt. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 32 — Artikel 32 (recht van tenuitvoerlegging)#
Artikel 32 (recht van tenuitvoerlegging) artikel 31 Het recht van tenuitvoerlegging in Nederland van de aan de uitvoerende lidstaat toegezonden beslissing blijft bestaan, onverminderd de toepassing van de bepalingen in. 2009 124 17-03-2009 05-03-2009 31555 2009 224 28-05-2009 20-05-2009 01-06-2009
Artikel 33 — Artikel 33 (mededelingen)#
Artikel 33 (mededelingen) 1 Indien Onze Minister beslist dat de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie in de uitvoerende lidstaat moet worden gestaakt, stelt hij de bevoegde autoriteit hiervan onverwijld schriftelijk in kennis. 2 artikel 31, zesde of zevende lid In geval van toepassing van, stelt Onze Minister onmiddellijk de bevoegde autoriteiten in alle uitvoerende lidstaten in kennis, indien a. hij van oordeel is dat het risico bestaat dat het in de beslissing tot confiscatie bepaalde maximumbedrag zal worden overschreden; b. de beslissing tot confiscatie geheel of ten dele ten uitvoer is gelegd in Nederland of een van de andere uitvoerende staten; indien van toepassing wordt het nog ten uitvoer te leggen bedrag gespecificeerd; c. Onze Minister een geldsom ontvangt die de veroordeelde vrijwillig heeft betaald in het kader van de beslissing tot confiscatie, na de toezending van die beslissing tot confiscatie naar een andere lidstaat. 2022 345 07-09-2022 22-08-2022 36003 2022 364 21-09-2022 16-09-2022 01-10-2022
Artikel 34 — Artikel 34 (toepassingsbereik)#
Artikel 34 (toepassingsbereik) Verordening 2018/1805 Deze afdeling is van toepassing op een confiscatiebevel van een andere lidstaat van de Europese Unie die is gebonden door. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 35 — Artikel 35 (erkenning en tenuitvoerlegging confiscatiebevel)#
Artikel 35 (erkenning en tenuitvoerlegging confiscatiebevel) 1 Verordening 2018/1805 Een confiscatiebevel wordt erkend overeenkomstig. Voor zover het bevel betrekking heeft op de confiscatie van: a. artikelen 6:1:1 tot en met 6:1:5 6:1:9 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering tweede titel van het vierde hoofdstuk van het Zesde Boek van het Wetboek van Strafvordering artikel 6:4:19 van het Wetboek van Strafvordering een geldsom, wordt het bevel ten uitvoer gelegd overeenkomstig de,en, deen de regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond vanzijn gesteld, met dien verstande dat de vordering tot de toepassing van het dwangmiddel gijzeling en het verzetschrift tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland; b. artikelen 6:1:2 tot en met 6:1:5 6:1:9 van het Wetboek van Strafvordering vijfde hoofdstuk van het Zesde Boek van het Wetboek van Strafvordering artikel 6:5:3 van het Wetboek van Strafvordering een voorwerp, wordt het bevel ten uitvoer gelegd overeenkomstig deen, heten de regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond vanzijn gesteld, met dien verstande dat het verzetschrift tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel wordt ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. 2 Verordening 2018/1805 Indien de uitvaardigende autoriteit heeft besloten tot teruggave van een voorwerp, dan wel een overeenkomstige geldsom, aan het slachtoffer, of tot overdracht van een geldsom ter compensatie van het slachtoffer, wordt de tenuitvoerlegging van het bevel voltooid overeenkomstig artikel 30, eerste tot en met vierde lid, van. 3 Indien het confiscatiebevel strekt tot: a. Verordening 2018/1805 overdracht van een voorwerp, dan wel een voorwerp in plaats van een geldsom, aan de uitvaardigende staat, wordt de tenuitvoerlegging van het bevel voltooid overeenkomstig artikel 30, zesde lid, onderdeel b, van; b. Verordening 2018/1805 overdracht van een geldsom aan de uitvaardigende staat, wordt de tenuitvoerlegging van het bevel voltooid overeenkomstig artikel 30, zevende lid, van. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 36 — Artikel 36 (weigeringsgronden)#
Artikel 36 (weigeringsgronden) Verordening 2018/1805 De officier van justitie of Onze Minister kan de erkenning onderscheidenlijk de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel weigeren als één van de gronden, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van, van toepassing is. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 37 — Artikel 37 (prioritering)#
Artikel 37 (prioritering) Verordening 2018/1805 Indien de officier van justitie twee of meer bevelen tot confiscatie of bevriezing uit verschillende lidstaten ontvangt die zijn uitgevaardigd tegen dezelfde persoon of betrekking hebben op hetzelfde voorwerp, beslist de officier van justitie welk van de bevelen ten uitvoer moet worden gelegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 38 — Artikel 38 (beslag ten behoeve van tenuitvoerlegging)#
Artikel 38 (beslag ten behoeve van tenuitvoerlegging) 1 titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering Voorafgaand aan de beslissing tot erkenning van een confiscatiebevel kunnen voorwerpen in beslag worden genomen overeenkomstig de derde afdeling van. 2 artikelen 552a 552c tot en met 552d, eerste lid 552e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering De,enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het confiscatiebevel. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 39 — Artikel 39 (rechtsmiddelen erkenning en tenuitvoerlegging confiscatiebevel)#
Artikel 39 (rechtsmiddelen erkenning en tenuitvoerlegging confiscatiebevel) 1 artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering De veroordeelde, alsmede belanghebbenden, kunnen tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel beroep instellen bij de rechtbank Noord-Nederland. Het beroep wordt ingesteld uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag dat de veroordeelde of belanghebbende kennis heeft gekregen van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel. Dezijn van toepassing. Het beroep heeft geen schorsende werking. 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op voorwerpen waarop verhaal wordt genomen, zijn de bepalingen van hetvan toepassing. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020
Artikel 40 — Artikel 40 (kosten)#
Artikel 40 (kosten) 1 Alle kosten van tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, beslissing tot confiscatie, confiscatiebevel of beschikking in Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet, komen ten laste van de staat. 2 Hoofdstuk III, afdeling 1 Hoofdstuk III, afdeling 3 Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat voorstellen de kosten van de tenuitvoerlegging te delen, indien het de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak overeenkomstig, of de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel overeenkomstig, betreft. 3 artikel 31, tweede lid Verordening 2018/1805 Wanneer op grond van, of op grond van, een lidstaat is verzocht een Nederlandse beslissing tot confiscatie te erkennen en ten uitvoer te leggen, kan Onze Minister instemmen met het verzoek van de tenuitvoerleggingsstaat om de kosten van de tenuitvoerlegging te delen. Onze Minister verleent slechts instemming indien hij op basis van door de uitvoerende lidstaat verstrekte gedetailleerde gegevens van oordeel is dat die kosten hoog of uitzonderlijk zijn. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020 Voorheen art. 34.
Artikel 41 — Artikel 41 (baten)#
Artikel 41 (baten) 1 Hoofdstuk II, Afdeling 1 Al hetgeen wordt verkregen door tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke uitspraak of beschikking overeenkomstig, van deze wet, komt ten bate van de staat. 2 Onze Minister kan met de uitvaardigende lidstaat overeenkomen dat de verkregen baten als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk worden verstrekt aan de uitvaardigende lidstaat. 3 Hoofdstuk III, Afdeling 1 artikel 28 Al hetgeen wordt verkregen door tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke uitspraak overeenkomstig, van deze wet, wordt overeenkomstig de bepalingen vanverdeeld. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020 Voorheen art. 35.
Artikel 42 — Artikel 42 (betekening)#
Artikel 42 (betekening) artikelen 36b tot en met 36e 36g 36h 36n van het Wetboek van Strafvordering Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen gedaan krachtens deze wet, zijn de,,envan toepassing. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020 Voorheen art. 36.
Artikel 43 — Artikel 43 (gratie)#
Artikel 43 (gratie) artikel 6:7:1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering Indien met toepassing vangratie is verleend van een sanctie die met toepassing van de bepalingen van deze wet in Nederland is erkend en ten uitvoer wordt gelegd, wordt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020 Voorheen art. 37.
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Deze wet wordt aangehaald als: Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. 2020 291 27-07-2020 01-07-2020 35402 2020 411 30-10-2020 13-10-2020 19-12-2020 Voorheen art. 38.