Wet van 19 juni 2008, houdende regels voor een Inkomensvoorziening voor Oudere Werklozen (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen)
- BWB-id
- BWBR0024394
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2024-10-11
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0024394
- ELI
- /eli/nl/wet/2009/wet-inkomensvoorziening-oudere-werklozen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2009/wet-inkomensvoorziening-oudere-werklozen/2024-10-11
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0024394&g=2024-10-11
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0024394&z=2026-06-06&g=2024-10-11
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0024394/2024-10-11
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2009/wet-inkomensvoorziening-oudere-werklozen
Artikel 1 — Artikel 1 Algemene begrippen#
Artikel 1 Algemene begrippen Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – aanvrager: de persoon die een aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet heeft ingediend dan wel schriftelijke toestemming heeft gegeven om een aanvraag in te dienen; – eerste dag van werkloosheid: artikel 16a van de Werkloosheidswet de eerste dag van werkloosheid, bedoeld in; – minimumloon: artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag het minimumloon per maand, bedoeld in; – Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; – re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert; – uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet; – uitreiziger: artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het UWV, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in; – UWV: hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in; – vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: Wetboek van Strafrecht een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het; – werkgever: Werkloosheidswet de werkgever in de zin van de; – werknemer: Werkloosheidswet de werknemer in de zin van de; – WGA-uitkering: hoofdstuk 7, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 2 — Artikel 2 Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden#
Artikel 2 Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. echtgenoot: geregistreerde partner; b. gehuwd: als partner geregistreerd; c. gehuwde: als partner geregistreerde. 2 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 3 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, en: a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering op grond van deze wet voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld; b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend samenlevingscontract; of d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het derde lid. 6 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. 7 Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige. 8 Wet op de jeugdzorg Jeugdwet Algemene Kinderbijslagwet Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van deof de, of kinderbijslag ontving op grond van de. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 3 — Artikel 3 Recht op uitkering#
Artikel 3 Recht op uitkering 1 Recht op uitkering op grond van deze wet heeft de persoon: a. wiens eerste dag van werkloosheid tussen 30 september 2006 en 1 januari 2028 ligt; b. die op die dag 60 jaar en 4 maanden of ouder is; c. artikel 42, tweede lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet die op die dag voldeed aan de voorwaarde, bedoeld in, en d. artikel 6 op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in. 2 Tevens heeft recht op uitkering op grond van deze wet de persoon: a. Werkloosheidswet die terzake van een eerder recht op uitkering op grond van deaan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, voldoet; b. artikel 42b van de Werkloosheidswet artikel 42, tweede lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet voor wie nadien een nieuw recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan terzake waarvantoepassing heeft gevonden of terzake waarvan voldaan is aan de voorwaarde, bedoeld in, en c. artikel 6 op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in. 3 artikel 27, eerste en tweede lid, van de Werkloosheidswet Het tweede lid is niet van toepassing indien het eerdere recht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geheel niet geldend is gemaakt als gevolg van een maatregel van blijvend gehele weigering als bedoeld in. 4 Werkloosheidswet artikel 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet Het recht op uitkering ontstaat op de dag na de dag waarop de geldende uitkeringsduur op grond van deis verstreken, tenzij op de dag voorafgaand aan het verstrijken van de uitkeringsduur een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond vanvan toepassing is. 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 11-10-2024 01-01-2024
Artikel 3a — Artikel 3a Recht op uitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen#
Artikel 3a Recht op uitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen 1 Recht op een uitkering op grond van deze wet heeft tevens de persoon: a. voor wie tussen 31 december 2007 en 1 januari 2028 recht is ontstaan op de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering; b. die op de dag dat het recht op de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering ontstond 60 jaar en 4 maanden of ouder is, en c. artikel 6 op wie geen uitsluitingsgrond als bedoeld invan toepassing is. 2 Het recht op een uitkering op grond van dit artikel ontstaat op de dag na de dag waarop de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken en kan niet eerder ontstaan dan na inwerkingtreding van deze wet. 3 artikel 59, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Werkloosheidswet Het eerste lid is niet van toepassing indientoepassing heeft gevonden, tenzij de eerste dag van de werkloosheid op grond waarvan een uitkering op grond van dewerd ontvangen als bedoeld in dat artikel, lag op of na 1 oktober 2006 en de persoon op die dag 60 jaar en 4 maanden of ouder was. 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 11-10-2024 01-01-2024
Artikel 4 — Artikel 4 Vaststelling recht op uitkering#
Artikel 4 Vaststelling recht op uitkering 1 Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van deze wet bestaat. 2 Een aanvraag wordt ingediend bij het UWV. 3 Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de vorige zin. 2010 838 28-12-2010 16-12-2010 32520 2010 839 28-12-2010 23-12-2010 01-01-2011 01-12-2009
Artikel 5 — Artikel 5 Later ontstaan van het recht op uitkering#
Artikel 5 Later ontstaan van het recht op uitkering artikel 3, eerste lid artikel 3a, eerste lid Indien geen recht op uitkering is ontstaan omdat op de persoon, bedoeld in, en, een of meer uitsluitingsgronden van toepassing waren, ontstaat alsnog recht op die uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 6 — Artikel 6 Uitsluitingsgronden#
Artikel 6 Uitsluitingsgronden 1 Voor het recht op uitkering gelden de volgende uitsluitingsgronden: a. het buiten Nederland wonen of verblijf houden anders dan wegens vakantie; b. artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 het niet rechtmatig verblijf houden in de zin van; c. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen; d. het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; e. het genieten van vakantie; f. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in; g. een uitreiziger zijn. 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van de persoon die gedurende het buitenlands verblijf meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, mits: a. die activiteiten niet langer duren dan zes maanden; b. die activiteiten blijkens een intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een aansluitende dienstbetrekking voor ten minste zes maanden; c. die activiteiten plaatsvinden in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland; en d. artikel 4.2, derde lid, van het Besluit SUWI het bedrag dat het UWV is verschuldigd ter zake van die activiteiten niet hoger is dan het op grond vanvastgestelde bedrag. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder intentieverklaring verstaan: een ondertekende verklaring waarin de ondertekenaar aangeeft dat hij het voornemen heeft om een persoon die meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, na afloop van die activiteiten in dienst te nemen. 4 Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting of een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid, onderdelen a tot en met e en onderdeel g, tot onbillijkheden zou kunnen leiden, op grond waarvan die onderdelen niet van toepassing zijn. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot: a. het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e; b. de vaststelling van de periode gedurende welke de aanvrager of uitkeringsgerechtigde in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten. 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 11-10-2024 01-01-2024
Artikel 7 — Artikel 7 Eindigen van het recht op uitkering#
Artikel 7 Eindigen van het recht op uitkering Het recht op een uitkering eindigt: a. met ingang van de dag waarop er ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde een uitsluitingsgrond van toepassing is; b. de dag volgend op de dag waarop de uitkeringsgerechtigde overlijdt. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 8 — Artikel 8 Herleven van het recht op uitkering#
Artikel 8 Herleven van het recht op uitkering artikel 3, eerste lid artikel 3a, eerste lid artikel 6 Indien geen recht op een uitkering meer bestaat omdat op de persoon, bedoeld in, en, een of meer uitsluitingsgronden als bedoeld invan toepassing waren, herleeft het recht op die uitkering op de dag dat zich ten aanzien van die persoon geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 9 — Artikel 9 Intrekking en herziening beschikkingen#
Artikel 9 Intrekking en herziening beschikkingen 1 artikel 19 Onverminderdherziet het UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien: a. artikel 12 13 14 15 als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van,,ofen de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; b. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld; c. artikel 12 het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld inertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. 2 Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 10 — Artikel 10 Hoogte van de uitkering#
Artikel 10 Hoogte van de uitkering 1 De uitkering bedraagt per kalendermaand: 0,7 x (A – B). Hierbij staat A voor: a. artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet het maandloon, bedoeld in; of b. artikel 13, vierde lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van de Toeslagenwet het maandloon, bedoeld in, met dien verstande dat A niet meer bedraagt dan 10/7 maal het bedrag, genoemd invermenigvuldigd met 21,75; en B staat voor het inkomen per kalendermaand. 2 artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt herzien op de wijze als bedoeld in. 3 Onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan inkomen uit arbeid. 4 Op de uitkering wordt overig inkomen geheel in mindering gebracht. 5 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid als bedoeld in het derde lid en overig inkomen als bedoeld in het vierde lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. 6 Werkloosheidswet Voor zover het recht op uitkering op grond van degedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse verkiezing wordt samengesteld, of een algemeen bestuur van een waterschap, staat bij de toepassing van het eerste lid A, in afwijking in zoverre van het eerste lid, voor het minimumloon. 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015
Artikel 11 — Artikel 11 Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling#
Artikel 11 Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling De uitkeringsgerechtigde heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 11a — Artikel 11a Algemeen geaccepteerde arbeid#
Artikel 11a Algemeen geaccepteerde arbeid Vervallen 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 12 — Artikel 12 Informatieplicht, medewerking controle en procedurevoorschriften#
Artikel 12 Informatieplicht, medewerking controle en procedurevoorschriften 1 artikel 30 De aanvrager, de uitkeringsgerechtigde en de instelling waaraan op grond vaneen uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van re-integratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. 2 De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde: a. voldoen aan elke oproep van het UWV of van een of meer door het UWV aangewezen personen om aanwezig te zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats voor beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van de controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d; b. beantwoorden vragen die door het UWV of door een of meer door het UWV aangewezen personen in verband met het recht op uitkering op grond van deze wet worden gesteld; c. werken mee aan een voor hen gewenst onderzoek naar hun arbeidsgeschiktheid door een arts, een psycholoog of een beroepskeuze-adviseur; d. artikel 17 leven door het UWV vastgestelde voorschriften als bedoeld inna. 3 De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van: a. het re-integratiebedrijf dat in opdracht van het UWV werkzaamheden verricht; of b. personen die met toestemming van het UWV zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf als bedoeld in onderdeel a, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen taken. 4 De uitkeringsgerechtigde die bij deelname aan een re-integratietraject zijn re-integratieverplichtingen niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het re-integratiebedrijf. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 16-12-2017 01-10-2017
Artikel 13 — Artikel 13 Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze wet#
Artikel 13 Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze wet 1 artikel 31 van de Toeslagenwet artikel 12 De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde gedragen zich zodanig dat zij door hun doen en laten het Toeslagenfonds, bedoeld in, niet benadelen of zouden kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit lid is niet begrepen een gedraging als bedoeld in. 2 De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde voorkomen dat zij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid behouden. 3 De aanvrager of de uitkeringsgerechtigde heeft door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid behouden indien: a. artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek hieraan een dringende reden ten grondslag ligt in de zin vanen de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde ter zake een verwijt gemaakt kan worden; b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. 4 Het niet voeren van verweer door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde tegen of het instemmen van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde met de beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 14 — Artikel 14 Plichten gericht op het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid#
Artikel 14 Plichten gericht op het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid 1 De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde trachten in voldoende mate de mogelijkheden tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid te behouden of te verkrijgen. 2 Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, zijn de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde in elk geval verplicht: a. zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV of het re-integratiebedrijf in opdracht van het UWV, op grond van het advies van een arts daartoe opdracht geeft en de genezing niet te belemmeren; b. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op inschakeling in de arbeid, die het UWV wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid; c. mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoongebonden voorzieningen die het UWV verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen. 2012 224 30-05-2012 21-05-2012 33065 2012 251 12-06-2012 04-06-2012 01-07-2012
Artikel 15 — Artikel 15 Verplichtingen#
Artikel 15 Verplichtingen De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde a. staan als werkzoekende geregistreerd en verlengen die registratie tijdig; b. trachten in voldoende mate algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; c. aanvaarden aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid; d. stellen geen eisen in verband met door hen te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; e. voorkomen dat zij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen; f. onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 16 — Artikel 16 Vrijstelling en ontheffing van verplichtingen#
Artikel 16 Vrijstelling en ontheffing van verplichtingen 1 artikelen 12, tweede lid, onderdeel c 14 15 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij groepen personen worden vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de,en. 2 artikelen 12, tweede lid, onderdeel c 14 15 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan aanvragers en uitkeringsgerechtigden in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hen opgelegd op grond van de,en. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 17 — Artikel 17 Uitkeringsreglement#
Artikel 17 Uitkeringsreglement 1 Het UWV stelt een uitkeringsreglement vast, dat bepalingen bevat omtrent: a. voorschriften ten behoeve van een doelmatige controle; b. voorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering; c. andere voorwaarden die aan het ontvangen van uitkering zijn verbonden. 2 Het op grond van het eerste lid door het UWV vastgestelde uitkeringsreglement behoeft goedkeuring van Onze Minister. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 18 — Artikel 18 Verplichting werkgever#
Artikel 18 Verplichting werkgever De werkgever is verplicht de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hen bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 19 — Artikel 19 Weigering uitkering bij niet nakoming verplichtingen#
Artikel 19 Weigering uitkering bij niet nakoming verplichtingen 1 artikel 13, tweede lid Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet blijvend geheel indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de verplichting bedoeld in, niet is nagekomen. Indien het niet nakomen van de verplichting die persoon niet in overwegende mate kan worden verweten weigert het UWV in afwijking van de eerste zin de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door de uitkering te halveren. 2 artikel 15, onderdeel c, of e Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in, niet of niet behoorlijk is nagekomen blijvend naar de mate waarin die persoon met het verrichten van de betreffende arbeid inkomen zou kunnen hebben verwerven. 3 artikelen 12 13, eerste lid 14 15 onderdelen a, b, of d artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 12, eerste lid Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting hem op grond van de,,, of, of, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in, niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. 4 Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 5 artikel 12, eerste lid artikel 15, onderdelen a of b Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. 6 Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 7 artikel 21 Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld inwordt opgelegd. 8 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het derde en vierde lid. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 20 — Artikel 20 Maatregel bij herleving van de uitkering#
Artikel 20 Maatregel bij herleving van de uitkering artikel 19 artikel 8 Indien het UWV een maatregel als bedoeld inheeft opgelegd, zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld ineen weigering van de uitkering voort. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 21 — Artikel 21 Boete bij niet nakomen verplichtingen#
Artikel 21 Boete bij niet nakomen verplichtingen 1 artikel 12, eerste lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de verplichting, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2 artikel 12, eerste lid In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen. 3 artikel 12, eerste lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de verplichting, bedoeld in, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in. 4 artikel 12, eerste lid Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de verplichting, bedoeld in, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. 5 artikel 12, eerste lid Het UWV legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de verplichting, bedoeld in, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 6 artikelen 12, eerste lid 12 van de Toeslagenwet 25 van de Werkloosheidswet 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 27, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 31, eerste lid 49 van de Ziektewet Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de, van deze wet,,,,,, of, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend. 7 In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 8 Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 9 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 10 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 11 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd. 12 artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde wijzigen. 13 Artikel 35a, eerste, derde en vierde lid Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid is begaan, is het UWV bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling., is van overeenkomstige toepassing. 14 Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het dertiende lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding is begaan wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid. 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 22 — Artikel 22 Nadere regels betaling van boeten#
Artikel 22 Nadere regels betaling van boeten Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 23 — Artikel 23 artikel 8:69 Awb Afwijking van#
Artikel 23 artikel 8:69 Awb Afwijking van Vervallen 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013
Artikel 24 — Artikel 24 Invordering bestuurlijke boete#
Artikel 24 Invordering bestuurlijke boete 1 artikel 21, vijfde lid Ziektewet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet arbeid en zorg Werkloosheidswet Toeslagenwet Het UWV verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in, met een uitkering op grond van deze wet, de, de, de, de, de, de, de, deof een toeslag op grond van de, die de overtreder ontvangt. 2 Onverminderd het eerste lid kan het UWV de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft. 3 Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaanden wet Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de overtreder een uitkering ontvangt op grond van de, de, de, deof de. 4 artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De inaan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd. 5 artikel 21, negende lid Zolang de overtreder zijn verplichting, bedoeld in, niet of niet behoorlijk nakomt: a. artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het UWV in afwijking vanbevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn; b. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de, in afwijking van, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel. 6 artikel 24, eerste of tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de hoogte van het op grond van, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 24a — Artikel 24a Verrekening bestuurlijke boete bij recidive#
Artikel 24a Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Vervallen 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 25 — Artikel 25 In kennis stellen re-integratiebedrijf van sanctie-oplegging#
Artikel 25 In kennis stellen re-integratiebedrijf van sanctie-oplegging Indien het UWV de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die persoon werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van dat besluit in kennis voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het re-integratiebedrijf. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 26 — Artikel 26 Betaling van de uitkering#
Artikel 26 Betaling van de uitkering Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat per maand achteraf. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 27 — Artikel 27 Recht op vakantie-uitkering#
Artikel 27 Recht op vakantie-uitkering De uitkeringsgerechtigde die over een maand recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, heeft over die maand recht op vakantie-uitkering. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 27a — Artikel 27a Hoogte van de vakantie-uitkering#
Artikel 27a Hoogte van de vakantie-uitkering 1 De vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan uitkering op grond van deze wet, waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei. 2 artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat. 3 Het UWV betaalt de vakantie-uitkering jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende maand. 4 De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 2010 840 28-12-2010 13-12-2010 32435 2010 877 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 28 — Artikel 28 Inhouding vereveningsbijdrage#
Artikel 28 Inhouding vereveningsbijdrage Vervallen 2011 288 21-06-2011 06-06-2011 32131 2012 45 10-02-2012 06-02-2012 01-01-2013
Artikel 29 — Artikel 29 Overlijdensuitkering#
Artikel 29 Overlijdensuitkering 1 Na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde wordt met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering uitbetaald: a. aan de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde; b. bij ontstentenis van de echtgenoot, aan het minderjarige kind of de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde. 2 artikel 3, eerste lid artikel 3a, eerste lid De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over een periode van één kalendermaand, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van de persoon, bedoeld in, en. 3 artikel 6, eerste lid, onderdeel f In verband met het overlijden van de uitkeringsgerechtigde is, niet van toepassing. 4 De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste lid, door het UWV uitbetaald. 5 Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald. 6 De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag. 7 De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald. 2012 2 10-01-2012 08-12-2011 32846 2012 109 20-03-2012 08-03-2012 01-04-2012
Artikel 30 — Artikel 30 Betaling aan instellingen#
Artikel 30 Betaling aan instellingen 1 Wet langdurige zorg artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Indien de uitkeringsgerechtigde aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in deen op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de uitkeringsgerechtigde, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in. 2 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wet artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg Indien aan de uitkeringsgerechtigde aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in, en hij op grond van diehiervoor een bijdrage is verschuldigd, is het UWV bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de uitkeringsgerechtigde, aan wie die uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in, dat voor de gemeente de bijdrage int. 3 Indien de uitkeringsgerechtigde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het UWV, van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen. 4 Indien het eerste of tweede lid toepassing vindt, heeft de in het derde lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan de in het eerste of tweede lid genoemde instantie wordt uitbetaald. 5 Een herziening van de uitkering op grond van het eerste of tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 31 — Artikel 31 Verjaringstermijn#
Artikel 31 Verjaringstermijn De uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 2 jaar na de dag van betaalbaarstelling wordt niet meer betaald. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 32 — Artikel 32 Voorschot#
Artikel 32 Voorschot Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 33 — Artikel 33 Opschorting en schorsing van de betaling#
Artikel 33 Opschorting en schorsing van de betaling 1 artikel 32 Onverminderdschort het UWV de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoedens heeft dat: a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat; b. recht op een lagere uitkering bestaat; of c. artikelen 12, eerste of tweede lid 13 14 15 de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in de,,, ofniet is nagekomen. 2 Indien een re-integratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een aanvrager of een uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, neemt het UWV een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken. 3 Het UWV stelt het re-integratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het tweede lid. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 33a — Artikel 33a Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming#
Artikel 33a Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming 1 Is van de aanvrager of ontvanger van een uitkering bij het UWV een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat hij is vertrokken naar een onbekend land van verblijf, dan verzoekt het UWV hem de afwijkende registratie in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken. 2 Wanneer na afloop van deze termijn, de afwijkende registratie niet is beëindigd of als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek heeft genomen, schort het UWV de betaling van de uitkering aan de persoon, die recht heeft op de uitkering, op. 3 De opschorting wordt beëindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen. 4 Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort het UWV de betaling van de uitkering op tot verblijf in het buitenland kan worden vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen. 2013 405 23-10-2013 09-10-2013 33579 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014
Artikel 34 — Artikel 34 Terugvordering#
Artikel 34 Terugvordering 1 artikel 9 19 Een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld inofdoor het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd. 2 De uitkering wordt van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmee bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden. 3 De persoon van wie wordt teruggevorderd verstrekt desgevraagd aan het UWV de inlichtingen die voor de terugvordering van belang zijn. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 35 — Artikel 35 Afzien van terugvordering#
Artikel 35 Afzien van terugvordering 1 artikel 34, eerste en derde lid In afwijking van, kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de persoon van wie wordt teruggevorderd: a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. 2 artikel 12, eerste lid De in het eerste lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 3 De in het eerste lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien: a. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het gemiddelde inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan; en b. artikel 12, eerste lid de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 4 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 5 artikel 34, eerste en derde lid In afwijking van, kan het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet te boven gaat. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 35a — Artikel 35a Schuldregeling#
Artikel 35a Schuldregeling 1 In afwijking van artikel 34, eerste en derde lid, kan het UWV, op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien: a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen; b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; c. artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet een naar het oordeel van het UWV betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in; d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en e. artikel 349 van de Faillissementswet uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig. 2 artikel 12, eerste lid artikel 21 Wetboek van Strafrecht Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in, en hiervoor een boete als bedoeld inis opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het. 3 Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van belanghebbende gewijzigd indien: a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid; b. de belanghebbende zijn schuld aan het UWV niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 4 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 21-12-2021 15-11-2021
Artikel 35b — Artikel 35b Preferentie#
Artikel 35b Preferentie artikel 34 35a artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Een vordering van het UWV als bedoeld inenis bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in. 2011 618 20-12-2011 01-12-2011 33015 2011 619 20-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 36 — Artikel 36 Executoriale titel beschikking tot terugvordering#
Artikel 36 Executoriale titel beschikking tot terugvordering 1 artikel 34, eerste lid Het UWV kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in, invorderen bij dwangbevel. 2 Artikel 24 artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddelde inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan, het UWV de aflossingsbedragen lager vaststelt. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikelen 34 35 36 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de,enalsmede omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend van hetgeen onverschuldigd is betaald. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Vervallen 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 39 — Artikel 39 Onvervreemdbaarheid#
Artikel 39 Onvervreemdbaarheid 1 Een uitkering op grond van deze wet is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening. 2 Volmacht tot ontvangst van een uitkering op grond van deze wet onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk. 3 Elke beding strijdig met dit artikel, is nietig. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 40 — Artikel 40 Financiering#
Artikel 40 Financiering 1 artikel 42 van de Zorgverzekeringswet artikel 31 van de Toeslagenwet De op grond van deze wet te betalen uitkeringen, de door het UWV verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld inen de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in. 2 artikel 21 Ter dekking van de uitkeringen en de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt het Toeslagenfonds voorzien van middelen van het Rijk alsmede van de met de toepassing vanverkregen boeten. 3 Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, in de vorm van een onderdeel van het Toeslagenfonds. 2011 288 21-06-2011 06-06-2011 32131 2012 45 10-02-2012 06-02-2012 01-01-2013
Artikel 41 — Artikel 41 Algemene beslistermijnen#
Artikel 41 Algemene beslistermijnen Vervallen 2018 424 22-11-2018 17-10-2018 34977 2018 425 22-11-2018 08-11-2018 23-11-2018
Artikel 42 — Artikel 42 Bijzondere beslistermijnen#
Artikel 42 Bijzondere beslistermijnen 1 artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht Een beschikking over de betaling van een voorschot op grond vanwordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. 2 Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven, wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2010 840 28-12-2010 13-12-2010 32435 2010 877 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 43 — Artikel 43 Afzien van horen belanghebbende#
Artikel 43 Afzien van horen belanghebbende Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 44 — Artikel 44 Beslistermijn in bezwaar#
Artikel 44 Beslistermijn in bezwaar artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbeslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 45 — Artikel 45 Delegatiebepaling bezwaar medische besluiten#
Artikel 45 Delegatiebepaling bezwaar medische besluiten Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 46 — Artikel 46 Strafbaar feit#
Artikel 46 Strafbaar feit 1 artikel 18 De werkgever die zijn verplichting als bedoeld inniet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. 2 Het in het eerste lid omschreven strafbare feit is een overtreding. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 47 — Artikel 47 Beroep in cassatie#
Artikel 47 Beroep in cassatie 1 artikel 2, tweede tot en met zesde lid Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen terzake van schending of verkeerde toepassing vanen de daarop berustende bepalingen. 2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 48 — Artikel 48 Verruiming grondslag lagere regelgeving#
Artikel 48 Verruiming grondslag lagere regelgeving 1 De volgende algemene maatregelen van bestuur berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die maatregelen genoemde artikelen van deze wet: a. Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 artikel 2, zesde lid het:; b. Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid artikel 6, vierde lid het:; c. Boetebesluit socialezekerheidswetten artikel 21, vijfde lid het:; d. Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten artikel 19, achtste lid het:. e. Besluit ontheffing verplichtingen WW en Wet WIA artikel 16, tweede lid het:. 2 De volgende ministeriële regelingen berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die regelingen genoemde artikelen van deze wet: a. Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen artikel 22 artikel 37 de:en; b. Regeling terugvordering geringe bedragen artikel 35, vierde lid de:; c. Regeling vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA artikel 16, eerste lid de:; d. Vakantieregeling WW artikel 6, zesde lid de:. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009 2009 390 29-09-2009 25-06-2009 31893 2009 391 29-09-2009 04-09-2009 01-12-2009
Artikel 48a — Artikel 48a Overgangsbepaling in verband met het verhogen van de toetredingsleeftijd#
Artikel 48a Overgangsbepaling in verband met het verhogen van de toetredingsleeftijd 1 artikel 3, eerste lid, onderdeel b Ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van werkloosheid is gelegen voor de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2019 tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen in verband met het verlengen van de werkingsduur van die wet en het verhogen van de toetredingsleeftijd (Stb. 2019, 481), blijft, van toepassing zoals dat luidde op de dag voor die inwerkingtreding. 2 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, en derde lid Ten aanzien van de persoon wiens recht op uitkering op grond van deis ontstaan voor de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2019 tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen in verband met het verlengen van de werkingsduur van die wet en het verhogen van de toetredingsleeftijd (Stb. 2019, 481) blijft, van toepassing zoals dat luidde op de dag voor die inwerkingtreding. 2019 481 17-12-2019 11-12-2019 35294 2019 482 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 48b — Artikel 48b Overgangsbepaling in verband met de re-integratievisie en het re-integratieplan#
Artikel 48b Overgangsbepaling in verband met de re-integratievisie en het re-integratieplan Vervallen 2012 224 30-05-2012 21-05-2012 33065 2012 251 12-06-2012 04-06-2012 01-07-2017 Treedt in werking op het tijdstip 5 jaar na het tijdstip waarop
artikel III, onderdeel A, van de Wijzigingswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van
de dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de
opheffing van de Raad voor Werk en Inkomen als publiekrechtelijke
rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en
enige andere wetten in verband met de beëindiging van de inzet van
het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van loonkostensubsidies
(Stb. 2012/224) in werking is getreden.
Artikel 48c — Artikel 48c Werkloosheidswet Overgangsbepaling in verband met wijzigingen in de#
Artikel 48c Werkloosheidswet Overgangsbepaling in verband met wijzigingen in de artikel XXXII, onderdeel C, van de Wet werk en zekerheid artikel 10 Ten aanzien van de persoon wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen voor de dag van inwerkingtreding vanblijftvan toepassing zoals dat luidde op de dag voor die inwerkingtreding. 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015
Artikel 48d — Artikel 48d Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen Overgangsbepaling in verband met wijzigingen in de#
Artikel 48d Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen Overgangsbepaling in verband met wijzigingen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel XXXII, onderdeel C, van de Wet werk en zekerheid artikel 10 Ten aanzien van de persoon wiens recht op uitkering op grond van deis ontstaan voor de dag van inwerkingtreding vanblijftvan toepassing zoals dat luidde op de dag voor die inwerkingtreding. 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015
Artikel 49 — Artikel 49 Evaluatie#
Artikel 49 Evaluatie Onze Minister zendt binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009
Artikel 50 — Artikel 50 Inwerkingtreding#
Artikel 50 Inwerkingtreding 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2 Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2038. 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 2024 277 10-10-2024 02-10-2024 36506 11-10-2024 01-01-2024
Artikel 51 — Artikel 51 Citeertitel#
Artikel 51 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. 2008 340 28-08-2008 19-06-2008 30819 2008 341 28-08-2008 18-08-2008 01-12-2009