Wet van 18 maart 2010, houdende regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten (Crisis- en herstelwet)
- BWB-id
- BWBR0027431
- Type
- Wet
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- 2023-07-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0027431
- ELI
- /eli/nl/wet/2010/crisis-en-herstelwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2010/crisis-en-herstelwet/2023-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0027431&g=2023-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0027431&z=2026-06-06&g=2023-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2023-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2010/crisis-en-herstelwet
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 1 Afdeling 2 is van toepassing op: a. bijlage I bijlage II alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de inbij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de inbij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten; b. artikel 2.3, eerste lid bestemmingsplannen als bedoeld in, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die bestemmingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en c. artikel 2.10, eerste lid projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in. 2 Afdeling 3 bijlage II artikel 2.18 is van toepassing op de inbij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op krachtensaangewezen projecten. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 bijlage I bijlage II Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aanbij deze wet en kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aanbij deze wet. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 1 afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht De bestuursrechter behandelt het beroep met toepassing van. 2 artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet In afwijking vanis het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan. 3 Indien de bestuursrechter het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de Stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit. 4 De bestuursrechter doet uitspraak binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.6a — Artikel 1.6a#
Artikel 1.6a Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 1.7 — Artikel 1.7#
Artikel 1.7 1 Artikel 1.6, vierde lid artikel 8:51a 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht , is niet van toepassing, indienofwordt toegepast. 2 In dat geval doet de bestuursrechter: a. binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn een tussenuitspraak, en b. binnen zes maanden na de verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.8 — Artikel 1.8#
Artikel 1.8 1 Artikel 1.6, vierde lid , is niet van toepassing, indien de bestuursrechter met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap prejudiciële vragen stelt. 2 In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn bij tussenuitspraak gesteld. 3 In de tussenuitspraak beslist de rechter zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt. 4 Tegen een tussenuitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.9 — Artikel 1.9#
Artikel 1.9 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.9a — Artikel 1.9a#
Artikel 1.9a artikelen 1.6 tot en met 1.8 Dezijn van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.10 — Artikel 1.10#
Artikel 1.10 1 Indien een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was. 2 artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een nieuw besluit wordt genomen ter uitvoering van een tussenuitspraak als bedoeld in. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.11 — Artikel 1.11#
Artikel 1.11 1 artikel 7.2 van de Wet milieubeheer artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder d, van die wet Indien op grond vaneen milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, isniet van toepassing voor zover het de locatie of het tracé van de activiteit betreft als er aan dat besluit een plan als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer ten grondslag ligt waarin een locatie of een tracé is aangewezen en voor dat plan een milieueffectrapport is gemaakt waarin alternatieven voor die locatie of dat tracé zijn onderzocht. 2 artikel 7.32, vijfde lid, van de Wet milieubeheer artikel 2.17 van die wet In afwijking vankan het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in, in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het milieueffectrapport. 2017 30 13-02-2017 25-01-2017 34287 2017 169 26-04-2017 12-04-2017 16-05-2017 Artikel III van Stb. 2017/30 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.12 — Artikel 1.12#
Artikel 1.12 Vervallen 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 1 In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. milieugebruiksruimte: binnen een ontwikkelingsgebied aanwezige marge tussen de bestaande milieukwaliteit en de voor dat gebied geldende milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelastende activiteiten; b. milieukwaliteitsnorm: bij wettelijk voorschrift gestelde norm ten aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu. 2 In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder bestemmingsplan mede verstaan: de bij het bestemmingsplan behorende toelichting dan wel het exploitatieplan. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013 Artikel 3.1 van Stb. 2013/144 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan bij wijze van experiment een gebied, zijnde bestaand stedelijk gebied, bestaand bedrijventerrein of gebied ter uitbreiding van de haven van Rotterdam, voor de duur van ten hoogste tien jaar worden aangewezen als ontwikkelingsgebied, indien dat met het oog op het versterken van de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied bijzonder aangewezen is. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019 Artikel I, onderdeel J, van Stb. 2019/216 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 artikel 2.2 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn binnen een aangewezen ontwikkelingsgebied als bedoeld in, is gericht op de optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het tot stand brengen van een goede milieukwaliteit. 2 Tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald, bevat een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid: a. de voorgenomen maatregelen, projecten en werken ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied; b. de noodzakelijke maatregelen, projecten en werken ter compensatie van het beslag op de milieugebruiksruimte door de in het bestemmingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen; c. zo nodig een fasering en koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen, projecten en werken; d. een raming van de kosten van uitvoering van het bestemmingsplan, een beschrijving van de wijze waarop daarin zal worden voorzien, alsmede een beschrijving van de wijze waarop het bereiken van de met het bestemmingsplan beoogde resultaten zal worden nagestreefd; e. een overzicht van de tijdstippen waarop burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad een rapportage uitbrengen over de voortgang en de uitvoering van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen, projecten en werken, die op verzoek tevens wordt verstrekt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Ten aanzien van een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in, die plaatsvindt binnen het ontwikkelingsgebied, kan of kunnen in het belang van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied: a. artikel 2.4, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het geval dat burgemeester en wethouders ingevolgehet bevoegd gezag zijn: 1°. artikel 2.22, tweede lid, eerste volzin, van die wet onverminderdvoorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor die activiteit; 2°. artikel 2.31, tweede lid, onderdeel b paragraaf 3.4 van die wet artikelen 2.31a 4.2 van die wet in afwijking van, en met toepassing vanvoorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit worden gewijzigd, waarbij deenvan overeenkomstige toepassing zijn; b. artikel 2.4, tweede, derde of vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het geval dat ingevolgeeen ander bestuursorgaan het bevoegde gezag is: 1°. een omgevingsvergunning voor die activiteit niet worden verleend dan nadat burgemeester en wethouders hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben, waarbij geldt dat: aa. de verklaring slechts kan worden geweigerd in het belang van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied; bb. artikelen 2.27, tweede, vierde en vijfde lid 3.11 4.2 van die wet de,envan overeenkomstige toepassing zijn. 2°. artikelen 2.29, derde lid 2.31, eerste lid, onderdeel a 2.31a paragraaf 3.4 van die wet burgemeester en wethouders het bevoegd gezag verzoeken voorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit te wijzigen, waarbij de,, enenvan overeenkomstige toepassing zijn; c. burgemeester en wethouders categorieën van gevallen aanwijzen waarin geen verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, is vereist. 4 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 8.40 van de Wet milieubeheer Voor zover ten aanzien van een activiteit met betrekking tot een inrichting die plaatsvindt binnen het ontwikkelingsgebied geen omgevingsvergunning als bedoeld inis vereist, kunnen burgemeester en wethouders ambtshalve in het belang van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied voorschriften stellen, die afwijken van de voor die activiteit bij of krachtensgestelde regels. 5 artikel 8.40 van de Wet milieubeheer Met de bevoegdheden, bedoeld in het derde en vierde lid, kunnen rechten, die worden ontleend aan voorschriften in een omgevingsvergunning of aan regels gesteld krachtens, worden gewijzigd ter optimalisering van de milieugebruiksruimte, voor zover van die rechten bij het in werking hebben van een inrichting: a. gedurende een periode van drie jaar onder normale bedrijfsomstandigheden geen gebruik is gemaakt of b. naar redelijke verwachting, rekeninghoudend met de binnen afzienbare tijd te verwachten wijzigingen of uitbreidingen van de inrichting of van de in de inrichting gebezigde werkwijzen, geen gebruik zal worden gemaakt. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig per aangewezen ontwikkelingsgebied, over de wijze waarop de optimalisering van de milieugebruiksruimte kan plaatsvinden. 7 Met inachtneming van desbetreffende bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, kan het bestemmingsplan bestemmingen aanwijzen, regels stellen of maatregelen en werken toestaan in afwijking van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bepalingen bij of krachtens: met dien verstande dat uiterlijk tien jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden alsnog wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. Indien er na deze periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm geven burgemeester en wethouders aan op welke wijze alsnog aan die norm zal worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maximale afwijking van milieukwaliteitsnormen. a. Wet natuurbescherming de; b. Ontgrondingenwet de; c. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet de, voor zover het betreft een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in; d. Wet ammoniak en veehouderij de; e. Wet bodembescherming de; f. Wet geluidhinder de, met dien verstande dat die afwijking niet leidt tot een geluidsbelasting binnen een woning met gesloten ramen, die hoger is dan 33 dB; g. Wet geurhinder en veehouderij de; h. Wet inzake de luchtverontreiniging de; i. Wet milieubeheer artikel 5.2b titel 5.2 demet uitzondering vanen, 8 Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten die strekken ter uitvoering van het bestemmingsplan. 9 artikelen 2.27, tweede tot en met vijfde lid 3.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Burgemeester en wethouders nemen in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van gevallen geen besluit als bedoeld in het achtste lid dan nadat het bestuursorgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd zou zijn te beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 10 Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of werken, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, binnen een in het bestemmingsplan te noemen termijn. 11 Belemmeringenwet Privaatrecht Werken opgenomen in het bestemmingsplan worden aangemerkt als openbare werken van algemeen nut in de zin van de. 12 Belemmeringenwet Privaatrecht artikel 4 van die wet artikel 2, vijfde lid artikel 3, tweede lid, van die wet Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, toepassing van denoodzakelijk is, geldt in plaats vandat de werking van een besluit als bedoeld in, ofwordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken. 13 Voor zover een besluit als bedoeld in het achtste lid zijn grondslag vindt in een bestemmingsplan, kunnen de gronden in beroep daarop geen betrekking hebben. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 2.3a — Artikel 2.3a#
Artikel 2.3a Artikel 2.3 artikel 2.2 is van overeenkomstige toepassing op een provinciaal inpassingsplan dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn binnen een ontwikkelingsgebied als bedoeld inmet dien verstande dat: a. in plaats van «bestemmingsplan» telkens wordt gelezen: inpassingsplan; b. in plaats van «burgemeester en wethouders» telkens wordt gelezen: gedeputeerde staten; c. in het tweede lid in plaats van «de gemeenteraad» wordt gelezen: provinciale staten; d. in het zesde lid in plaats van «Burgemeester en wethouders» wordt gelezen: Gedeputeerde staten; e. in het tiende lid in plaats van «gemeente» wordt gelezen: provincie. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013 Artikel 3.1 van Stb. 2013/144 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 1 Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, op verzoek van een bestuursorgaan, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens: a. Elektriciteitswet 1998 Wet belastingen op milieugrondslag devoor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in de; b. artikel 9.1, eerste lid, van de Erfgoedwet hoofdstuk II, paragraaf 2 artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 , voor zover het betreft, met uitzondering van; c. Gaswet de, met dien verstande dat de taken die bij of krachtens die wet aan een netbeheerder zijn opgedragen niet worden gewijzigd; d. Huisvestingswet 2014 de; e. Leegstandwet de; f. Warmtewet de; g. Waterwet hoofdstuk 5 artikel 6.5, aanhef en onder c paragraaf 2 van hoofdstuk 6 de, met uitzondering van,, juncto; h. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de; i. Wet ammoniak en veehouderij de; j. Wet bodembescherming de; k. Wet geluidhinder de; l. Wet geurhinder en veehouderij de; m. Wet inzake de luchtverontreiniging de; n. Wet milieubeheer artikel 5.2b artikelen 5.7 tot en met 5.15 5.17 tot en met 5.24 artikelen 5.6 5.16 demet uitzondering vanen deen, met dien verstande dat afwijkingen van deengeen gevolgen hebben voor de aanleg, het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van wegen in beheer bij het Rijk; o. Wet ruimtelijke ordening de; p. Woningwet de. 2 Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien het experiment bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en a. het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen; of b. uitvoering van het experiment bijdraagt aan het versterken van de economische structuur. 3 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald: a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan; b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft. 4 Bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald: a. aan welke eisen een verzoek voor een afwijking van de in het eerste lid genoemde wetten voldoet; b. in welke situaties afwijkingen van de in het eerste lid genoemde wetten zijn toegestaan. 5 Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan het toepassingsbereik van in de algemene maatregel van bestuur geregelde experimenten worden uitgebreid door daarvoor nieuwe gebieden en projecten aan te wijzen. Daarbij wordt de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen aangegeven. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 Vervallen 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2012 434 28-09-2012 17-09-2012 01-10-2012 Vervalt op het tijdstip waarop artikel 2.6.9 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Stb. 2011/391) en artikel 2.4 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Stcrt. 2012/18234) in werking treden.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 Vervallen 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2012 434 28-09-2012 17-09-2012 01-10-2012 Vervalt op het tijdstip waarop artikel 2.6.9 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Stb. 2011/391) en artikel 2.4 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Stcrt. 2012/18234) in werking treden.
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 [vervallen] 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 Vervallen 2013 264 28-06-2013 19-06-2013 33436 2013 265 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 1 Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van: a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 5 en ten hoogste: 1°. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2 000 nieuwe woningen, dan wel 2°. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis. 2 Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die in elkaars nabijheid liggen of zullen zijn gelegen, vallen uitsluitend onder het toepassingsbereik van deze afdeling, indien de aantallen woningen in die projecten gezamenlijk onder het toepasselijke maximum aantal woningen als bedoeld in dat onderdeel blijven. 3 Deze afdeling is niet van toepassing: a. artikel 2.18 op projecten als bedoeld in het eerste lid, die zijn aangewezen krachtens; b. artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet Wegenverkeerswet 1994 artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen indien het project ziet op de bouw van woningen op minder dan 100 meter van een hoofdweg als bedoeld in, gemeten vanaf de as van die weg, of van een weg die overeenkomstig een daartoe krachtens deaangewezen model is aangeduid als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen dat niet is toegestaan door de krachtensaangewezen tunnels, gemeten vanaf de as van die weg; c. artikel 2 van de Spoorwegwet indien het project ziet op de bouw van woningen binnen 30 meter van een krachtensaangewezen hoofdspoorweg, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor; d. artikelen 4.1 4.4 van de Waterwet indien het project ziet op de bouw van woningen in of op rijkswateren of regionale wateren waaraan krachtens deofde functie vaarweg is toegekend en die geschikt zijn voor gebruik door schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 1 artikel 2.9, eerste lid artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.1 van die wet Op verzoek of ambtshalve kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van een project als bedoeld in, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van toepassing is. Burgemeester en wethouders kunnen het projectuitvoeringsbesluit ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel a, alleen vaststellen indien de gemeenteraad in een structuurvisie als bedoeld inof een bestemmingsplan als bedoeld inde gronden waarop het projectuitvoeringsbesluit betrekking heeft voor woningbouw heeft aangewezen. Indien de gronden in de structuurvisie of in het bestemmingsplan niet voor woningbouw zijn aangewezen, is de gemeenteraad bevoegd tot het nemen van het projectuitvoeringsbesluit voor een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel a. 2 artikel 2.9, eerste lid paragraaf 5.1 van de Erfgoedwet artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet artikelen 4.1a 4.3a van de Wet ruimtelijke ordening artikel 2.7 hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming artikelen 2.27 2.28 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van,en deen. Indien een besluit op grond vanofis vereist, zijn deenvan overeenkomstige toepassing, in die zin dat de verklaring van geen bedenkingen door gedeputeerde staten wordt verleend. 3 Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter gehele of gedeeltelijke vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften. 4 hoofdstuk V, paragraaf 1, van de Monumentenwet 1988 artikel 9.1, eerste lid, van de Erfgoedwet Uit het projectuitvoeringsbesluit en de daarbij behorende toelichting blijkt welke gevolgen aan de uitvoering zijn verbonden en op welke wijze rekening is gehouden met de daarbij betrokken belangen, waaronder in elk geval de belangen ter bescherming waarvan de wettelijke voorschriften strekken die ingevolge het tweede lid niet van toepassing zijn en, voor zover van toepassing,zoals van toepassing op grond van. 5 Bij een projectuitvoeringsbesluit worden de bij of krachtens wet of verordening vastgestelde toetsingskaders toegepast en normen in acht genomen. Voor zover de wet of verordening afwijking van die toetsingskaders of normen toestaat, kan het projectuitvoeringsbesluit daarin voorzien. 6 Aan het projectuitvoeringsbesluit kunnen ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden. 7 artikel 11 van de Monumentenwet 1988 artikel 9.1, eerste lid, van de Erfgoedwet artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Indien een projectuitvoeringsbesluit er toe strekt een vergunning als bedoeld inzoals van toepassing op grond vanofte vervangen: a. Erfgoedwet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht leggen burgemeester en wethouders, indien het een archeologisch monument betreft als bedoeld in deen in de gevallen waarin Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van deadviseert, het voornemen tot een projectuitvoeringsbesluit voor advies voor aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in, advies uitbrengt, en b. zenden burgemeester en wethouders aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het monument gelegen is buiten de bebouwde kom, aan gedeputeerde staten: 1°. het ontwerpbesluit, en 2°. onmiddellijk na de vaststelling een afschrift van het projectuitvoeringsbesluit. 8 artikel 1, onderdeel g, van de Monumentenwet 1988 Erfgoedwet Indien een projectuitvoeringsbesluit betrekking heeft op een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld inzoals die wet luidde voor inwerkingtreding van dezenden burgemeester en wethouders onmiddellijk na de vaststelling hiervan een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 9 Wet luchtvaart Luchtvaartwet wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) Wet luchtvaart artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Het tweede lid en het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op de wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de, deen de(Stb. 561) omtrent ruimtelijke beperkingen in de omgeving van luchthavens in verband met geluidbelasting, externe veiligheid en vliegveiligheid. Voor de toepassing van dewordt het projectuitvoeringsbesluit gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning waarbij met toepassing vanvan het bestemmingsplan wordt afgeweken. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 2.10a — Artikel 2.10a#
Artikel 2.10a artikel 2.9, eerste lid artikel 2.17 Indien sprake is van provinciale belangen, kunnen provinciale staten ten behoeve van de verwezenlijking van een project als bedoeld in, of van een onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van de beslissing tot vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit, isvan toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 2.12 — Artikel 2.12#
Artikel 2.12 artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikelen 2.27 2.28 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Voor zover het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of een beheersverordening, geldt het projectuitvoeringsbesluit als een omgevingsvergunning waarbij met toepassing vanvan het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Deze vergunning kan pas worden verleend als de gemeenteraad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 2.13 — Artikel 2.13#
Artikel 2.13 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.14 — Artikel 2.14#
Artikel 2.14 artikel 2.10, eerste lid Een besluit als bedoeld in, treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Indien gedurende die termijn beroep wordt ingesteld, wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep heeft beslist. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.15 — Artikel 2.15#
Artikel 2.15 Wet ruimtelijke ordening Van dezijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 3.8, zesde lid ; b. afdeling 6.1 ; c. afdeling 6.4 artikel 6.12, eerste lid, van die wet artikel 6.17 van die wet , met dien verstande dat voor aanvang van de bouw van bouwplannen als bedoeld ineen melding aan burgemeester en wethouders wordt gedaan en dat burgemeester en wethouders een beschikking met de inhoud vangeven bij de start van de bouw, gericht aan een eigenaar van gronden waarop gebouwd wordt. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.16 — Artikel 2.16#
Artikel 2.16 Het is verboden in strijd te handelen met een projectuitvoeringsbesluit of een daaraan verbonden voorschrift. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.17 — Artikel 2.17#
Artikel 2.17 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.18 — Artikel 2.18#
Artikel 2.18 Deze afdeling is van toepassing op bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019 Artikel I, onderdeel J, van Stb. 2019/216 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.19 — Artikel 2.19#
Artikel 2.19 1 artikel 2.18 artikel 2.1, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening Ten aanzien van een krachtensaangewezen lokaal project met nationale betekenis stelt de gemeenteraad een structuurvisie als bedoeld invast. 2 De structuurvisie, bedoeld in het eerste lid, bevat onverminderd het elders omtrent de inhoud van een structuurvisie bepaalde, tevens: a. een concretisering van de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het betrokken gebied; b. een beschrijving van de voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit in ieder geval de volgende onderdelen: 1°. een voorlopig overzicht van de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten, alsmede het daarbij voorgenomen tijdpad; 2°. een financiële onderbouwing en een voorlopige opzet van de grondexploitatie; 3°. afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een analyse van de risico’s ten aanzien van verplichtingen tot het toekennen van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in; 4°. eventuele voornemens inzake verwerving van gronden; 5°. artikel 2.21 paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening de vermelding dat ten aanzien van de voor de verwezenlijking van het project noodzakelijke besluiten ingevolgetoepassing zal worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in; c. artikel 2.20, eerste lid een samenvatting van de uitkomsten van het overeenkomstig, gevoerde bestuurlijk overleg. 3 Artikel 2.20 Indien reeds een structuurvisie is vastgesteld, is het eerste lid niet van toepassing en wordt die structuurvisie voor zover nodig aangevuld met de in het tweede lid genoemde onderdelen.is van overeenkomstige toepassing. 2011 675 30-12-2011 22-12-2011 32588 2011 675 30-12-2011 22-12-2011 32588 31-12-2011
Artikel 2.19a — Artikel 2.19a#
Artikel 2.19a 1 artikel 2.18 artikel 2.2, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening Ten aanzien van een krachtensaangewezen (boven)regionaal project met nationale betekenis stellen provinciale staten een structuurvisie als bedoeld invast. 2 Op projecten als bedoeld in het eerste lid is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. artikelen 2.19, tweede lid, onder b, onder 5° 2.21 paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening paragraaf 3.6.2 van de Wet ruimtelijke ordening in de, enin plaats van «de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in» wordt gelezen: de provinciale coördinatieregeling, bedoeld in; b. artikel 2.20, eerste lid in, in plaats van «die diensten van provincie en Rijk» wordt gelezen: die diensten van Rijk; c. artikel 2.20, derde lid in, in plaats van «de eerstverantwoordelijke gemeente» wordt gelezen: de eerstverantwoordelijke provincie; d. artikel 2.21 artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.33, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening inin plaats van «In afwijking van» wordt gelezen: In afwijking van; e. artikel 2.22 inin plaats van «een gemeentelijke verordening» wordt gelezen: een provinciale of gemeentelijke verordening; f. artikel 2.23, eerste lid artikel 3.10 artikel 3.27 in, in plaats van «» wordt gelezen «», in plaats van «kan de gemeenteraad» wordt gelezen «kunnen provinciale staten» en in plaats van «gemeentebestuur» wordt gelezen: provinciebestuur. 2011 675 30-12-2011 22-12-2011 32588 2011 675 30-12-2011 22-12-2011 32588 31-12-2011
Artikel 2.20 — Artikel 2.20#
Artikel 2.20 1 artikel 2.19, eerste lid Bij de voorbereiding van een structuurvisie als bedoeld in, plegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in de structuurvisie in het geding zijn. 2 hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening In afwijking van, worden, voor zover het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot vaststelling van een structuurvisie waarmee de bestuursorganen van de betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en Rijk instemmen, aan die structuurvisie verklaringen gehecht houdende instemming van die bestuursorganen met de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling. 3 Ter uitvoering van de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling wordt ten behoeve van een goede begeleiding en tijdige afronding van het project een projectcommissie ingesteld. In de commissie zijn de betrokken bestuursorganen, bedoeld in het tweede lid, vertegenwoordigd. De commissie staat onder voorzitterschap van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke gemeente. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.21 — Artikel 2.21#
Artikel 2.21 artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 2.18 In afwijking vanwordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtensaangewezen project, toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.22 — Artikel 2.22#
Artikel 2.22 artikel 2.18 artikel 2.21 Voor zover de verwezenlijking van een krachtensaangewezen project onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die, al dan niet krachtens de wet, bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 2.23 — Artikel 2.23#
Artikel 2.23 1 artikel 2.18 artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Indien voor de verwezenlijking van een krachtensaangewezen project een omgevingsvergunning waarbij met toepassing vanvan het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt verleend, kan de gemeenteraad met het oog op de invordering van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met die omgevingsvergunning aan die omgevingsvergunning voorschriften verbinden, die de verplichting inhouden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het nakomen van de ingevolge die vergunning verschuldigde rechten. 2 Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in ieder geval het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in stand moet worden gehouden. 3 Bij de vergunning kunnen voorschriften worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 Wijzigt de Gaswet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 Wijzigt de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 Wijzigt de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 01-07-2008 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 Wijzigt de Mijnbouwwet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 Wijzigt de Onteigeningswet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.9a — Artikel 3.9a#
Artikel 3.9a Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 Wijzigt de Telecommunicatiewet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 Wijzigt de Tracéwet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 Wijzigt de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 Wijzigt de Waterwet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.16a — Artikel 3.16a#
Artikel 3.16a Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 Wijzigt de Wet bodembescherming. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 Wijzigt de Wet geluidhinder. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 Wijzigt de Wet luchtvaart. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.20 — Artikel 3.20#
Artikel 3.20 Wijzigt de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens). 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.21 — Artikel 3.21#
Artikel 3.21 Wijzigt de Wet milieubeheer. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 3.22 — Artikel 3.22#
Artikel 3.22 Wijzigt de Wet op de economische delicten. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.23 — Artikel 3.23#
Artikel 3.23 Wijzigt de Wet op de waterkering. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.24 — Artikel 3.24#
Artikel 3.24 Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.24a — Artikel 3.24a#
Artikel 3.24a Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 3.25 — Artikel 3.25#
Artikel 3.25 Wijzigt de Wet stedelijke vernieuwing. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 15-06-2009 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010
Artikel 3.26 — Artikel 3.26#
Artikel 3.26 Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 Wijzigt het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 Wijzigt het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen regels worden gegeven gericht op: a. een versnelling van de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, en b. een goede uitvoering van deze wet. 2 Het bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalde is slechts van toepassing op: a. bijlagen I II de projecten en categorieën van projecten, genoemd in deenbij deze wet; b. artikel 1.2 de projecten waar deze wet bij een algemene maatregel van bestuur krachtensop van toepassing is verklaard; c. artikel 2.3, eerste lid bestemmingsplannen als bedoeld in, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die bestemmingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en d. artikel 2.10, eerste lid projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 artikel 1.2 bijlage II artikel 2.2 artikel 2.3, negende lid artikel 2.18 Tegen toevoeging als bedoeld invan categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage I of van ruimtelijke en infrastructurele projecten aanbij deze wet alsmede tegen de aanwijzing van een ontwikkelingsgebied als bedoeld in, een verklaring als bedoeld in, of een aanwijzing van een project op grond vanstaat geen beroep open. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 5.2a — Artikel 5.2a#
Artikel 5.2a artikelen 1.2 2.2 2.4 2.9 2.18 5.1 De voordracht voor een krachtens de,,,,ofvast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 artikelen 1.4 1.6 tot en met 1.9 Deenzijn niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dan wel hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendgemaakt. 2 artikelen 1.4 1.9 Deenzijn voorts niet van toepassing, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 1 Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op een onteigeningsbesluit, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip. 2 artikel 79 van de onteigeningswet artikel 78 van de onteigeningswet Een koninklijk besluit tot goedkeuring van een onteigeningsbesluit als bedoeld in, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een onteigeningsbesluit als bedoeld in. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 Interimwet stad-en-milieubenadering artikelen 2 3 van die wet De, zoals die laatstelijk luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op een voor die datum ingesteld beroep tegen een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in deen. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.5a — Artikel 5.5a#
Artikel 5.5a Artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid, van de Spoedwet wegverbreding is niet van toepassing op een wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.5b — Artikel 5.5b#
Artikel 5.5b Artikel 15, tiende, elfde en twaalfde lid, van de Tracéwet is niet van toepassing op een tracébesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Wijzigt deze wet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 Wijzigt deze wet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 Afdeling 3 van hoofdstuk 2 artikel 4.3, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van de krachtensgegeven bepalingen met betrekking tot radarstations als bedoeld in die afdeling. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 Vervallen 2011 190 27-04-2011 07-04-2011 32460 2011 190 27-04-2011 07-04-2011 32460 28-04-2011
Artikel 5.9a — Artikel 5.9a#
Artikel 5.9a Hoofdstuk 1 Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens na twee jaar, aan de Staten-Generaal een evaluatie van de effecten van de invan deze wet opgenomen instrumenten op versnelling en op verbetering van de projecten waarop deze van toepassing zijn. 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 2019 216 18-06-2019 29-05-2019 35013 19-06-2019
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 1 Deze wet vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2 Indien het eerste besluit ter uitvoering van een project waarop deze wet van toepassing was, is genomen voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip blijft deze wet vanaf dat tijdstip van toepassing op latere besluiten of handelingen ter uitvoering van datzelfde project. 3 Deze wet blijft vanaf het in het eerste lid bedoelde tijdstip van toepassing op: a. artikel 2.3 ontwikkelingsgebieden ten aanzien waarvan voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip een gebiedsontwikkelingsplan dan wel bestemmingsplan als bedoeld inis vastgesteld; b. artikel 2.4 experimenten als bedoeld indie voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip zijn aangewezen overeenkomstig dat artikel; c. artikel 2.9, eerste lid artikel 2.10, eerste lid de uitvoering van projecten als bedoeld in, indien ten aanzien van dat project voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip een besluit als bedoeld in, is genomen, en d. artikel 2.18 artikel 2.19, eerste lid artikel 2.20, tweede lid de uitvoering van krachtensaangewezen projecten, indien ten aanzien van die projecten voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip aan de structuurvisie, bedoeld in, de in, bedoelde verklaringen zijn gehecht. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 Deze wet wordt aangehaald als: Crisis- en herstelwet. 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 2010 135 30-03-2010 18-03-2010 32127 31-03-2010 2010 136 30-03-2010 18-03-2010 32254 2010 137 30-03-2010 24-03-2010 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2010/135 gesteld op 1 januari 2010.
Artikel 1.1#
artikel 1.1, eerste lid
Artikel 2.18#
artikel 2.18
Artikel 2.9#
artikel 2.9, eerste lid
Artikel 2.10#
artikel 2.10
Artikel 1.1#
artikel 1.1, eerste en tweede lid