Wet van 18 december 2013 tot invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014 II)
- BWB-id
- BWBR0034553
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2022-03-24 t/m 2022-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0034553
- ELI
- /eli/nl/wet/2014/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2014/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii/2022-03-24
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0034553&g=2022-03-24
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0034553&z=2026-06-06&g=2022-03-24
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0034553/2022-03-24
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2014/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 artikel 1.4 Onder de naam verhuurderheffing wordt een belasting geheven van de inbedoelde belastingplichtigen. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. compensatie: artikel 1.10 heffingsvermindering als bedoeld in; b. diensten van algemeen economisch belang: diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in: 1°. artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en 2°. het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen; c. groep: de combinatie van rechtspersonen in het geval een rechtspersoon meer dan 50% onmiddellijk of middellijk deelname heeft: 1°. aan de leiding van een van die combinatie deel uitmakende andere rechtspersoon; 2°. aan het toezicht op die andere rechtspersoon, of 3°. in het kapitaal van die andere rechtspersoon; d. heffingsjaar: kalenderjaar waarover de verhuurderheffing is verschuldigd; e. huurwoning: artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag artikel 3.1 van de Erfgoedwet in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolgeals één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden en van een woning die krachtensals rijksmonument is aangewezen; f. investeringskosten: door de belastingplichtige betaalde investeringskosten die drukken op de belastingplichtige en noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het verrichten van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 8°; g. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; h. WOZ-waarde: hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken volgensvoor een kalenderjaar vastgestelde waarde, waarbij voor de toepassing van deze wet een waarde van € 345.000 wordt gehanteerd, indien deze waarde hoger is dan dat bedrag. 2 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: a. heffingsvermindering: vermindering van de verhuurderheffing op grond van een definitieve investeringsverklaring; b. voorgenomen investering: te verrichten activiteit die betreft: 1°. artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag bouw van huurwoningen waarvan de huurprijs gelijk of hoger is dan het bedrag, genoemd in; 2°. artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag bouw van huurwoningen waarvan de huurprijs lager is dan het bedrag, genoemd in; 3°. grootschalige verbouw van huurwoningen; 4°. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen; 5°. sloop van huurwoningen; 6°. kleinschalige verbouw van huurwoningen; 7°. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen; of 8°. verduurzaming van huurwoningen; c. voorlopige investeringsverklaring: schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de aanvrager, met gegevens over: 1°. de voorgenomen investering en 2°. het voorlopige bedrag aan heffingsvermindering met een berekening van dat bedrag; d. gerealiseerde investering: activiteit die door de belastingplichtige is gerealiseerd ter uitvoering van een voorgenomen investering; e. definitieve investeringsverklaring: schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de belastingplichtige met gegevens over: 1°. de gerealiseerde investering en 2°. het bedrag aan heffingsvermindering met een berekening van dat bedrag. 3 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, wordt jaarlijks met ingang van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd met het percentage waarmee het gemiddelde van de woningwaarden in het voorafgaande kalenderjaar gewijzigd is ten opzichte van het gemiddelde van die waarden in het daaraan voorafgaande kalenderjaar. 2021 46894 02-12-2021 29-11-2021 2021-0000599740 2021 46894 02-12-2021 29-11-2021 2021-0000599740 01-01-2022
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 Vervallen 2020 243 13-07-2020 08-07-2020 35409 2020 243 13-07-2020 08-07-2020 35409 14-07-2020 01-01-2020
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 Belastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen. 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-01-2018
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 De verhuurderheffing wordt geheven naar het belastbare bedrag. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 1 Het belastbare bedrag is de som van de WOZ-waarden van de huurwoningen waarvan de belastingplichtige bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met vijftig maal de gemiddelde WOZ-waarde van die huurwoningen. 2 artikel 1 van de Woningwet Van de huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgezonderd de huurwoningen die de belastingplichtige in eigendom verwerft tussen 1 januari 2017 en 31 december 2021 voor zover de belastingplichtige een toegelaten instelling is als bedoeld inen voor zover die huurwoningen: a. artikel 1.11, tweede lid, onderdelen b en c gelegen zijn in een gemeente als bedoeld in; b. artikel 1, eerste lid, van de Woningwet zijn opgenomen in een plan dat beoogt uitvoering te geven aan een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing als bedoeld in, en c. de belastingplichtige hiervoor een verklaring heeft van Onze Minister. 3 De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, geldt voor een periode van twintig jaren nadat de huurwoning in eigendom is verworven. 4 Van de huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, zijn voorts uitgezonderd de huurwoningen die de belastingplichtige realiseert in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 voor zover: a. artikel 2.23a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hiervoor een omgevingsvergunning als bedoeld inmet een termijn van maximaal vijftien jaren is verleend voor een tijdelijk bouwwerk; b. artikel 1.11, eerste lid, onderdeel o voor de bouw van die huurwoningen geen heffingsvermindering als bedoeld in, is verleend; en c. de belastingplichtige hiervoor een verklaring heeft van Onze Minister. 5 De uitzondering, bedoeld in het vierde lid, geldt voor een periode van vijftien jaren nadat de huurwoning is gerealiseerd. 6 Onze Minister kan overgaan tot intrekking van: a. een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b; b. een verklaring als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b. 7 De aanvraag om in aanmerking te komen voor de toepassing van de uitzondering, bedoeld in het tweede of vierde lid, wordt langs elektronische weg ingediend bij Onze Minister. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het tweede, vierde en zesde lid, alsmede omtrent de aanvraag, bedoeld in het zevende lid. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020
Artikel 1.6a — Artikel 1.6a#
Artikel 1.6a artikelen 1.4 1.6 Voor de toepassing van deenwordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht. 2020 243 13-07-2020 08-07-2020 35409 2020 243 13-07-2020 08-07-2020 35409 14-07-2020 01-01-2020
Artikel 1.7 — Artikel 1.7#
Artikel 1.7 De verhuurderheffing bedraagt 0,332% van het belastbare bedrag. 2021 650 24-12-2021 22-12-2021 35932 2021 650 24-12-2021 22-12-2021 35932 01-01-2022 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-01-2022
Artikel 1.8 — Artikel 1.8#
Artikel 1.8 De verhuurderheffing wordt verschuldigd op 1 januari van het kalenderjaar. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 1.9 — Artikel 1.9#
Artikel 1.9 1 De door een rechtspersoon of natuurlijke persoon verschuldigde verhuurderheffing wordt op aangifte voldaan. 2 De door een groep verschuldigde verhuurderheffing wordt namens de groep op aangifte voldaan door een van de rechtspersonen die onderdeel is van die groep. Daarbij vermeldt die rechtspersoon welke andere rechtspersonen onderdeel uitmaken van die groep, waarbij die andere rechtspersonen in afwijking van het eerste lid ontheven zijn van hun plicht tot het voldoen op aangifte. 3 De inspecteur kan een naheffingsaanslag ter zake van de door een groep verschuldigde verhuurderheffing opleggen aan een van de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die groep. 4 De ontvanger kan een naheffingsaanslag ter zake van de door een groep verschuldigde verhuurderheffing invorderen ten name van elk van de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die groep. 5 artikel 10, tweede lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vanstelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan negen maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 6 artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vanis de belastingplichtige gehouden de verhuurderheffing aan de ontvanger overeenkomstig de aangifte te betalen binnen negen maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 1.10 — Artikel 1.10#
Artikel 1.10 1 De belastingplichtige die beschikt over een op zijn naam of, in het geval van een groep, op naam van een van de rechtspersonen die onderdeel uitmaakt van de groep afgegeven definitieve investeringsverklaring met een dagtekening in een kalenderjaar dat ten hoogste drie jaren voor het heffingsjaar ligt of voor 1 oktober in het heffingsjaar zelf, kan het bedrag van de verhuurderheffing verminderen met het in die verklaring opgenomen bedrag van de heffingsvermindering; in dat geval brengt de belastingplichtige het volledige in de definitieve investeringsverklaring genoemde bedrag van de heffingsvermindering in mindering voor zover dit niet hoger is dan het bedrag van de verhuurderheffing. 2 Indien het bedrag van de heffingsvermindering hoger is dan het bedrag van de verhuurderheffing, kan de belastingplichtige het deel van het bedrag van de heffingsvermindering in mindering brengen dat gelijk is aan de verhuurderheffing. De belastingplichtige kan het deel van het bedrag van de heffingsvermindering, dat hij in enig heffingsjaar niet op het bedrag van de verhuurderheffing in mindering heeft kunnen brengen, in mindering brengen op de over een volgend heffingsjaar verschuldigde verhuurderheffing, doch niet later dan in het heffingsjaar dat ten hoogste drie jaren ligt na het jaar van de dagtekening van de definitieve investeringsverklaring. 3 artikel 1.13, vijfde lid Indien aan de belastingplichtige een besluit als bedoeld in, is afgegeven, vermeerdert de belastingplichtige het bedrag van de verhuurderheffing in het eerstvolgende aanslagjaar na bekendmaking van dat besluit, met het bedrag, genoemd in dat besluit. 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 1.11 — Artikel 1.11#
Artikel 1.11 1 De heffingsvermindering bedraagt in geval van: a. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° bouw van huurwoningen als bedoeld in: € 0 per gebouwde huurwoning; b. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° de bouw van huurwoningen als bedoeld in, die niet gelegen zijn in een gebied als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of in een gemeente als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d: € 0 per gebouwde huurwoning; c. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° de bouw van huurwoningen als bedoeld in, die gelegen zijn in een gemeente als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d: € 0 per gebouwde huurwoning; d. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° de bouw van huurwoningen als bedoeld in, die gelegen zijn in een gebied als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a: € 0 per gebouwde huurwoning; e. grootschalige verbouw van huurwoningen: € 0 per verbouwde huurwoning; f. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: € 0 per gerealiseerde huurwoning; g. sloop van huurwoningen: € 0 per gesloopte huurwoning; h. kleinschalige verbouw van huurwoningen: € 0 per verbouwde huurwoning; i. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen: € 0 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd; j. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° de bouw van huurwoningen als bedoeld in, die gelegen zijn in een gebied als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a: € 0 per gebouwde huurwoning; k. per 1 oktober 2021: € 0 een verduurzaming van categorie 1: € 0per verduurzaamde huurwoning; l. per 1 oktober 2021: € 0 een verduurzaming van categorie 2: € 0per verduurzaamde huurwoning; m. per 1 oktober 2021: € 0 een verduurzaming van categorie 3: € 0per verduurzaamde huurwoning; n. per 1 oktober 2021: € 0 een verduurzaming van categorie 4: € 0per verduurzaamde huurwoning; o. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° bijlage 2 de bouw van huurwoningen als bedoeld in, die gelegen zijn in een gemeente als genoemd inbij deze wet: € 0 per gebouwde huurwoning; p. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2⁰ bijlage 2 de bouw van huurwoningen als bedoeld in, die niet zijn gelegen in een gemeente als genoemd inbij deze wet: € 0 per gebouwde huurwoning. 2 De heffingsvermindering is: a. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, e en h, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2014 uitsluitend van toepassing in de gebieden Charlois, Feijenoord en IJsselmonde van de gemeente Rotterdam; b. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen g en i, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2014 uitsluitend van toepassing in de in onderdeel a genoemde gebieden en in de gemeenten Beek, Beekdaelen, Brunssum, Eemsdelta, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Het Hogeland, Hulst, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Oldambt, Pekela, Simpelveld, Sittard-Geleen, Sluis, Stadskanaal, Stein, Terneuzen, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Veendam, Voerendaal en Westerwolde; c. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen g en i, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2017 uitsluitend van toepassing in de in onderdeel a genoemde gebieden, de in onderdeel b genoemde gemeenten en de gemeenten Aalten, Achtkarspelen, Berkelland, Bronckhorst, Dantumadiel, Doetinchem, Montferland, Noardeast-Fryslân, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Tytsjerksteradiel en Winterswijk; d. bijlage 1 met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2017 uitsluitend van toepassing in de gemeenten, genoemd inbij deze wet; e. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2017 uitsluitend van toepassing in de in onderdeel a genoemde gebieden; f. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2014; g. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2017; h. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen zijn gerealiseerd in de in onderdeel a genoemde gebieden in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016; i. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen k tot en met n, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2019; j. bijlage 2 met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2020 uitsluitend van toepassing in de gemeenten, genoemd inbij deze wet; k. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel p, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2020. 3 Gerealiseerde investeringen worden voor de toepassing van de heffingsvermindering slechts in aanmerking genomen indien de investeringskosten voor: a. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ten minste € 62.500 per gebouwde huurwoning bedragen; b. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten minste € 25.000 per gebouwde huurwoning bedragen; c. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ten minste € 50.000 per gebouwde huurwoning bedragen; d. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, ten minste € 87.500 per gebouwde huurwoning bedragen; e. de grootschalige verbouw van huurwoningen ten minste € 62.500 per verbouwde huurwoning bedragen; f. de verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: ten minste € 25.000 per gerealiseerde huurwoning bedragen; g. de sloop van huurwoningen ten minste € 62.500 per gesloopte huurwoning bedragen; h. de kleinschalige verbouw van huurwoningen ten minste € 25.000 per verbouwde huurwoning bedragen; i. de samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen ten minste € 62.500 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd, bedragen; j. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste € 62.500 per gebouwde huurwoning bedragen; en k. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, ten minste € 25.000 per verduurzaamde huurwoning bedragen; l. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, ten minste € 17.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; m. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel m, ten minste € 12.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; n. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel n, ten minste € 7.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; o. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, ten minste € 62.500 per gebouwde huurwoning bedragen; p. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel p, ten minste € 31.250 per gebouwde huurwoning bedragen. 4 Indien naar het oordeel van Onze Minister op enig tijdstip onvoldoende evenwicht bestaat of komt te bestaan tussen de heffingsverminderingen en het daarvoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kunnen bij ministeriële regeling met ingang van de eerste dag van enige maand de in het eerste lid en derde lid genoemde bedragen worden verhoogd, verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. De nieuwe bedragen gelden voor voorlopige investeringsverklaringen waarvan de voorgenomen investering is aangemeld na het tijdstip waarop de ministeriële regeling in werking treedt. 5 bijlage 1 bijlage 2 artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene regels herindeling Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het toepassingsbereik van de verschillende onderdelen van het eerste lid. Bij ministeriële regeling kan de begrenzing van de gebieden, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, nader worden aangevuld, kunnen de gemeenten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, de gemeenten, genoemd inbij deze wet, en de gemeenten, genoemd inbij deze wet, worden gewijzigd indien dit noodzakelijk is ten gevolge van een wijziging van de gemeentelijke indeling als bedoeld in, en kunnen gemeenten waarmee Onze Minister afspraken heeft gemaakt over de bouw van huurwoningen worden toegevoegd aan bijlage 2. 2021 650 24-12-2021 22-12-2021 35932 2021 650 24-12-2021 22-12-2021 35932 01-01-2022
Artikel 1.12 — Artikel 1.12#
Artikel 1.12 1 Een voorgenomen investering wordt langs elektronische weg aangemeld bij Onze Minister. 2 De aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk gedaan op: a. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4° 31 december 2017 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs hoger dan of gelijk aan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, is; b. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 3°, 5°, 6° of 7° 31 december 2019 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in, betreft, dan wel indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag; c. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° artikel 1.11, eerste lid, onderdelen b, c, d of j 31 december 2019 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in, betreft in huurwoningen als bedoeld in. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanmelding en welke gegevens daarbij worden verstrekt. 4 Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een voorlopige investeringsverklaring af indien: a. de voorgenomen investering: 1°. artikel 1.11, tweede lid, onderdelen a tot en met g bedoeld in, voor de desbetreffende activiteit is aangevangen op of na het ten aanzien van die activiteit genoemde tijdstip; 2°. artikel 1.11, tweede lid, onderdeel h bedoeld in, is aangevangen op of na 1 januari 2014 en voor 31 december 2016; 3°. artikel 1.11, tweede lid, onderdeel i bedoeld in, is aangevangen op of na 1 januari 2019; en 4°. artikel 1.11, tweede lid, onderdelen j of k bedoeld in, is aangevangen op of na 1 januari 2020. b. de voorgenomen investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde en c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest. 5 De voorlopige investeringsverklaring vervalt indien: a. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 4° een voorgenomen investering als bedoeld in, niet binnen vijf jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld, of b. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 5°, 6°, 7° of 8° een voorgenomen investering als bedoeld in, niet binnen drie jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld. 6 Onze Minister kan een voorlopige investeringsverklaring intrekken indien: a. de voorgenomen investering niet voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde of b. aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest. 7 artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht De voorlopige investeringsverklaring is een besluit in de zin van. 8 artikel 1.11, tweede lid, onderdeel b Voorgenomen investeringen binnen het grondgebied van de opgeheven gemeente Menterwolde die uiterlijk op 31 december 2017 zijn aangemeld op grond van het eerste lid, kunnen na uitvoering aangemeld worden als gerealiseerde investering. Op deze investeringen zijn de bepalingen uit deze wet die van toepassing zijn op investeringen in de gemeenten, genoemd in, van overeenkomstige toepassing. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020
Artikel 1.13 — Artikel 1.13#
Artikel 1.13 1 Artikel 1.12, derde lid Een gerealiseerde investering wordt langs elektronische weg aangemeld door de belastingplichtige bij Onze Minister., is van overeenkomstige toepassing. 2 Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een definitieve investeringsverklaring af indien: a. met betrekking tot de daarin opgenomen gerealiseerde investering een voorlopige investeringsverklaring is afgegeven en deze niet is vervallen of ingetrokken; b. de gerealiseerde investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde; c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest; d. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 3° of 6° in geval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in: voor dezelfde huurwoning niet eerder een definitieve investeringsverklaring met betrekking tot een zodanige gerealiseerde investering is afgegeven; en e. artikel 1.2. tweede lid, onderdeel b, onder 8° Kaderwet overige BZK-subsidies ingeval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in: voor dezelfde investering geen subsidie is vastgesteld voor de verbetering van de energieprestatie bij of krachtens de. 3 Het in een definitieve investeringsverklaring opgenomen bedrag aan heffingsvermindering is niet hoger dan het bedrag dat ten aanzien van de voorgenomen investering is opgenomen in de voorlopige investeringsverklaring. 4 Artikel 1.12, zesde en zevende lid , is van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In het besluit tot intrekking van een definitieve investeringsverklaring wordt het bedrag vermeld waarmee de heffingsvermindering wordt verminderd. Onze minister verstrekt het in dit lid bedoelde besluit aan de inspecteur, bedoeld in. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020 01-02-2019
Artikel 1.14 — Artikel 1.14#
Artikel 1.14 1 artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 8° artikel 1.11, tweede lid artikel 1.6, tweede en vierde lid Als diensten van algemeen economisch belang zijn aan de belastingplichtige opgedragen de activiteiten, bedoeld in, juncto, en. 2 De belastingplichtige komt uitsluitend compensatie toe voor de activiteiten, genoemd in het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de compensatie. 3 De opdracht, bedoeld in het eerste lid, heeft een werkingsduur van: a. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7° tien jaar voor zover het activiteiten als bedoeld in, betreft; b. artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 8° tien jaar voor zover het een activiteit als bedoeld in, betreft. 4 Artikel 25d van de Mededingingswet is niet van toepassing op de belastingplichtige. 5 artikel 25b, eerste lid, van de Mededingingswet De administratie, de jaarrekeningen en de jaarverslagen van de belastingplichtige worden met inachtneming vaningericht. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de inrichting van de administratie, bedoeld in de eerste volzin. 2021 425 10-09-2021 07-07-2021 35517 2021 425 10-09-2021 07-07-2021 35517 11-09-2021
Artikel 1.15 — Artikel 1.15#
Artikel 1.15 1 artikelen 1.6, tweede, vierde en achtste lid 1.12 1.13 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de,enbepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 63 67 artikelen 1.6, tweede, vierde en achtste lid 1.12 1.13 De, met uitzondering van deen, is niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in de,en. Voor de toepassing van de artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreffende de uitvoering van de artikelen 1.6, tweede, vierde en achtste lid, 1.12 en 1.13 door Onze Minister of de door hem aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister in de plaats van Onze Minister van Financiën. 3 artikelen 47 47a 47b 48 tot en met 51 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 1.6, tweede, vierde en achtste lid 1.12 1.13 De in de,,,enjegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister met betrekking tot de toepassing van de,endoor op grond van het eerste lid aangewezen ambtenaren. 4 artikelen 68 69 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen De,enzijn van overeenkomstige toepassing op het bepaalde in het derde lid. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 artikel 5.36 van de Omgevingswet artikel 1.6, vierde lid, onderdeel a Indienin werking treedt, komt, op hetzelfde tijdstip te luiden: a. hiervoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.36 van de Omgevingswet, voor een termijn van maximaal vijftien jaren, is verleend voor een tijdelijk bouwwerk; 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 artikel 1.12, vijfde lid De termijn, bedoeld in, die verstrijkt in de kalenderjaren 2020, 2021 of 2022 wordt verlengd met een jaar. 2021 162 31-03-2021 24-03-2021 35516 2021 162 31-03-2021 24-03-2021 35516 01-04-2021 01-01-2020
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 Wijzigt deze wet. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 Wijzigt deze wet. 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 2.4a — Artikel 2.4a#
Artikel 2.4a Wijzigt deze wet. 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 2.4b — Artikel 2.4b#
Artikel 2.4b Wijzigt deze wet. 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 Wijzigt deze wet. 2017 48 20-02-2017 01-02-2017 34548 2017 88 15-03-2017 06-03-2017 01-04-2017
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 artikel 1.7 Met ingang van 1 januari 2024 wordt inhet genoemde percentage verhoogd met 0,001 procentpunt. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 artikel 1.7 Met ingang van 1 januari 2037 wordt inhet genoemde percentage verlaagd met 0,001 procentpunt. 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 2019 510 27-12-2019 18-12-2019 35302 01-01-2020
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013 Onderdeel A vindt eerst toepassing nadat artikel I van het
Belastingplan 2014 en artikel I van Overige fiscale maatregelen 2014
zijn toegepast.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 Onderdeel A vindt eerst toepassing nadat artikel I van het
Belastingplan 2014 is toegepast.
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 552 19-12-2013 11-12-2013 01-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet
financiële markten 2014 in werking treedt.
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2014 36639 30-12-2014 30-12-2014 DB2014/520M 2014 36639 30-12-2014 30-12-2014 DB2014/520M 01-01-2015
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 01-01-2016 2015 47097 30-12-2015 30-12-2015 DB2015/446M 2015 47097 30-12-2015 30-12-2015 DB2015/446M 01-01-2016
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2016 70381 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223819 2016 70381 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223819 01-01-2017
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2017 70975 28-12-2017 28-12-2017 2017-0000230204 2017 70975 28-12-2017 28-12-2017 2017-0000230204 01-01-2018
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.20 — Artikel 3.20#
Artikel 3.20 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.21 — Artikel 3.21#
Artikel 3.21 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.22 — Artikel 3.22#
Artikel 3.22 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.23 — Artikel 3.23#
Artikel 3.23 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.24 — Artikel 3.24#
Artikel 3.24 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.25 — Artikel 3.25#
Artikel 3.25 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.26 — Artikel 3.26#
Artikel 3.26 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.27 — Artikel 3.27#
Artikel 3.27 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.28 — Artikel 3.28#
Artikel 3.28 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.29 — Artikel 3.29#
Artikel 3.29 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.30 — Artikel 3.30#
Artikel 3.30 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.31 — Artikel 3.31#
Artikel 3.31 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.32 — Artikel 3.32#
Artikel 3.32 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 3.33 — Artikel 3.33#
Artikel 3.33 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2014 36639 30-12-2014 30-12-2014 DB2014/520M 2014 36639 30-12-2014 30-12-2014 DB2014/520M 01-01-2015
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 2015 538 30-12-2015 23-12-2015 34302 01-01-2016 2015 47097 30-12-2015 30-12-2015 DB2015/446M 2015 47097 30-12-2015 30-12-2015 DB2015/446M 01-01-2016
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2016 70381 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223819 2016 70381 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223819 01-01-2017
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. 2017 70975 28-12-2017 28-12-2017 2017-0000230204 2017 70975 28-12-2017 28-12-2017 2017-0000230204 01-01-2018
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.19 — Artikel 5.19#
Artikel 5.19 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.20 — Artikel 5.20#
Artikel 5.20 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.21 — Artikel 5.21#
Artikel 5.21 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.22 — Artikel 5.22#
Artikel 5.22 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.23 — Artikel 5.23#
Artikel 5.23 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.24 — Artikel 5.24#
Artikel 5.24 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.25 — Artikel 5.25#
Artikel 5.25 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.26 — Artikel 5.26#
Artikel 5.26 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.27 — Artikel 5.27#
Artikel 5.27 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.28 — Artikel 5.28#
Artikel 5.28 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 5.29 — Artikel 5.29#
Artikel 5.29 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 Vervallen 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 2018 504 28-12-2018 19-12-2018 35026 01-01-2019
Artikel 8.2a — Artikel 8.2a#
Artikel 8.2a hoofdstuk 1 Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten vanvan deze wet in de praktijk. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 1 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat: a. artikelen 3.1 4.1 deenterugwerken tot en met 1 januari 2013; b. artikel 3.1, onderdeel A artikel I van het Belastingplan 2014 artikel I van Overige fiscale maatregelen 2014 , eerst toepassing vindt nadatenzijn toegepast; c. artikel 3.2, onderdeel A artikel I van het Belastingplan 2014 , eerst toepassing vindt nadatis toegepast. 2 artikel 3.3 Wijzigingswet financiële markten 2014 33 632 In afwijking van het eerste lid treedtin werking op het tijdstip waarop, nadat het bij koninklijke boodschap van 14 mei 2013 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten () (Kamerstukken) tot wet is verheven, die wet in werking treedt. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 2013 583 24-12-2013 18-12-2013 33819 01-01-2014
Artikel 1.11#
artikel 1.11, tweede lid, onderdeel d
Artikel 1.11#
artikel 1.11, tweede lid, onderdeel d
Artikel 1.11#
artikel 1.11, eerste lid, onderdeel o, en tweede lid, onderdeel j