Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)
- BWB-id
- BWBR0035362
- Type
- Wet
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0035362
- ELI
- /eli/nl/wet/2014/wet-maatschappelijke-ondersteuning-2015
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2014/wet-maatschappelijke-ondersteuning-2015/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0035362&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0035362&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0035362/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2014/wet-maatschappelijke-ondersteuning-2015
Artikel 1.1.1 — Artikel 1.1.1#
Artikel 1.1.1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; – algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; – begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. – beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; – beroepskracht: natuurlijke persoon die in persoon beroepsmatig werkzaam is voor een aanbieder; – bijzondere categorieën van persoonsgegevens: paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in; – burgerservicenummer: artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer burgerservicenummer als bedoeld in; – CAK: artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg het CAK, genoemd in; – calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid; – CIZ: artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg het CIZ, genoemd in; – cliënt: artikel 2.3.2, eerste lid persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in; – cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; – college: college van burgemeester en wethouders; – dossier: artikel 3a.1.1 geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot het bieden van maatschappelijke ondersteuning, tolkvoorzieningen als bedoeld indan wel met betrekking tot een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan; – gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; – gegevens over gezondheid: gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming; – geweld bij de verstrekking van een voorziening: seksueel binnendringen van het lichaam van of seksuele handelingen verrichten met een cliënt, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft; – huiselijk geweld: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring; – huiselijke kring: een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger; – hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen; – Inlichtingenbureau: Jeugdwet als zodanig door Onze Minister aangewezen instelling die is belast met de coördinatie en dienstverlening ten behoeve van de colleges bij de verwerking van gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van taken van de colleges op het gebied van deen Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; – kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel; – maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; – maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; – mantelzorg: Zorgverzekeringswet hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; – Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; – opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; – participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; – persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; – persoonsgegevens, gegevens over gezondheid, verwerking van persoonsgegevens, bestand, verwerkingsverantwoordelijke en verwerker : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming; – persoonsgegevens van strafrechtelijke aard: paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in; – Richtlijn 2004/38/EG: Richtlijn nr. 2004/38/EG Verordening (EEG) 1612/68 Richtlijnen 64/221/EEG 68/360/EEG 72/194/EEG 73/148/EEG 75/34/EEG 75/35/EEG 90/364/EEG 90/365/EEG 93/96/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging vanen tot intrekking van,,,,,,,en(PbEU L 158); – sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; – toezichthoudende ambtenaar: artikelen 4.3.1 6.1 6.2 persoon als bedoeld in de,en; – Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in; – Veilig Thuis artikel 4.1.1 : Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in; – vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; – vertrouwenspersoon: 1°. persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger personen die bij een melding aan een Veilig Thuis-organisatie betrokken zijn op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens Veilig Thuis; 2°. die onafhankelijk is van de Veilig Thuis-organisatie waarmee de persoon die bij een melding betrokken is, te maken heeft, en 3°. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor wie een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld inis afgegeven; – voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; – woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte; – zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. 2 Personen of rechtspersonen die als vertegenwoordiger als bedoeld in het eerste lid kunnen optreden zijn de curator, de mentor of de gevolmachtigde van de cliënt, dan wel, indien zodanige persoon of rechtspersoon ontbreekt, diens echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, diens ouder, kind, broer, zus, grootouder of kleinkind, tenzij deze persoon dat niet wenst. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 1.1.2 — Artikel 1.1.2#
Artikel 1.1.2 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. echtgenoot: geregistreerde partner; b. gehuwd: als partner geregistreerd. 2 Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt: a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 3 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld, b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander, c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid. 5 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het derde lid. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 1.2.1 — Artikel 1.2.1#
Artikel 1.2.1 Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: a. door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, b. beschermd wonen, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, voor zover hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving, dan wel c. opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 1.2.2 — Artikel 1.2.2#
Artikel 1.2.2 1 artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 Een vreemdeling komt voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van. 2 Richtlijn 2004/38/EG Een vreemdeling komt in afwijking van het eerste lid niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang in de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van. De eerste volzin is niet van toepassing op opvang in verband met risico’s voor de veiligheid van betrokkene als gevolg van huiselijk geweld. 3 artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 In afwijking van het eerste of het tweede lid kan worden bepaald dat in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven maatwerkvoorzieningen. 4 In de in het derde lid genoemde maatregel kan worden bepaald dat het college zorg draagt voor het verstrekken van bij die maatregel aangewezen voorzieningen. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 2.1.1 — Artikel 2.1.1#
Artikel 2.1.1 1 Het gemeentebestuur draagt zorg voor de maatschappelijke ondersteuning. 2 Het gemeentebestuur draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 2.1.2 — Artikel 2.1.2#
Artikel 2.1.2 1 De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. 2 Het plan beschrijft de beleidsvoornemens inzake door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen die erop gericht zijn: a. de sociale samenhang, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente te bevorderen, alsmede huiselijk geweld te voorkomen en te bestrijden; b. de verschillende categorieën van mantelzorgers, en vrijwilligers, zoveel mogelijk in staat te stellen hun taken als mantelzorger of vrijwilliger uit te voeren; c. vroegtijdig vast te stellen of ingezetenen maatschappelijke ondersteuning behoeven; d. te voorkomen dat ingezetenen op maatschappelijke ondersteuning aangewezen zullen zijn; e. algemene voorzieningen te bieden aan ingezetenen die maatschappelijke ondersteuning behoeven; f. maatwerkvoorzieningen te bieden ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie aan ingezetenen van de gemeente die daartoe op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk niet of onvoldoende in staat zijn; g. maatwerkvoorzieningen te bieden aan personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en beschermd wonen of opvang behoeven in verband met psychische of psychosociale problemen of omdat zij de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; h. uitvoering te geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169); i. de participatie van ingezetenen die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben, te versterken. 3 Het plan is erop gericht dat: a. cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 4 In het plan wordt bijzondere aandacht gegeven aan: a. een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, publieke gezondheid, preventie, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; b. Zorgverzekeringswet de samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in demet het oog op een zo integraal mogelijke dienstverlening; c. keuzemogelijkheden tussen aanbieders voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening wordt verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van cliënten, in het bijzonder voor kleine doelgroepen; d. de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking; e. Jeugdwet de wijze waarop de continuïteit van hulp wordt gewaarborgd, in het bijzonder ten aanzien van de persoon die door het bereiken van een bepaalde leeftijd geen jeugdhulp als bedoeld in demeer kan ontvangen; f. mogelijkheden om met inzet van begeleiding, waaronder dagbesteding, mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te laten blijven; g. de wijze waarop ingezetenen worden geïnformeerd over de personen die kunnen optreden als vertegenwoordiger van een cliënt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 5 artikel 2.1.7 In het plan wordt aangegeven op welke wijze de gemeentetoepast dan wel de reden om dat artikel niet toe te passen. 6 In het plan wordt aangegeven welke resultaten het gemeentebestuur in de door het plan bestreken periode wenst te behalen, welke criteria worden gehanteerd om te meten hoe deze resultaten zijn behaald en welke prestatie-indicatoren worden gehanteerd ten aanzien van aanbieders. 2018 37 16-02-2018 24-01-2018 32399 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 2.1.3 — Artikel 2.1.3#
Artikel 2.1.3 1 artikel 2.1.2 De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het inbedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. 2 In de verordening wordt in ieder geval bepaald: a. op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; b. op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn; c. welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen; d. ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; e. ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. 3 In de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij: a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; f. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 4 In de verordening worden regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 2.1.4 — Artikel 2.1.4#
Artikel 2.1.4 1 Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor het gebruik van een algemene voorziening. 2 Bij verordening kan de hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een algemene voorziening worden vastgesteld. Bij die verordening kan de hoogte van de bijdrage per soort voorziening verschillen of kan een korting worden bepaald per in de verordening omschreven categorie van cliënten. 3 artikel 2.1.4a, vierde lid per 1 januari 2026 € 21,80 In afwijking van het tweede lid worden bij verordening algemene voorzieningen aangewezen, waaronder in ieder geval die voorzieningen ter compensatie van beperkingen in de participatie of zelfredzaamheid waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. De hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een of meerdere van die aangewezen voorzieningen tezamen bedraagt, onverminderd, € 19,–per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen. 4 Onverminderd het eerste lid en in afwijking van het derde lid kan bij verordening worden bepaald dat de hoogte van de bijdrage, bedoeld in dat lid: a. op een lager bedrag wordt vastgesteld; b. wordt verlaagd tot nihil voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van cliënten, indien het inkomen over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen niet meer bedraagt dan een bij verordening vastgesteld bedrag. 5 Voor het gebruik van de algemene voorziening cliëntondersteuning is geen bijdrage verschuldigd. 6 De bijdrage, bedoeld in het tweede lid, gaat de kostprijs van de voorziening niet te boven. Bij verordening wordt bepaald op welke wijze de kostprijs wordt berekend. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 2.1.4a — Artikel 2.1.4a#
Artikel 2.1.4a 1 Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor een maatwerkvoorziening, dan wel een persoonsgebonden budget. 2 In afwijking van het eerste lid kan bij verordening worden bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget verschuldigd is zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend. 3 artikel 2.1.4, derde lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden omschreven waarin bij verordening de hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld of geen bijdrage is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, een krachtens, aangewezen voorziening, dan wel een persoonsgebonden budget. 4 artikel 2.1.4, derde lid per 1 januari 2026 € 21,80 De hoogte van de bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorziening, persoonsgebonden budgetten of krachtens, aangewezen voorzieningen, tezamen, met uitzondering van beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen, bedraagt € 19,–per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen. 5 Onverminderd het eerste lid en in afwijking van het vierde lid kan bij verordening de hoogte van de bijdrage, bedoeld in het vierde lid: a. op een lager bedrag worden vastgesteld; b. worden verlaagd tot nihil voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van cliënten, indien het inkomen over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen niet meer bedraagt dan een bij verordening vastgesteld bedrag. 6 De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woningaanpassing of een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid, gaat de kostprijs daarvan niet te boven. Bij verordening wordt bepaald op welke wijze de kostprijs wordt berekend. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor beschermd wonen en opvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de hoogte van de bijdrage; b. de wijze waarop het inkomen en het vermogen bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage worden betrokken. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 2.1.4b — Artikel 2.1.4b#
Artikel 2.1.4b 1 artikel 2.1.4, derde en vierde lid 2.1.4a De bijdragen als bedoeld in, en, worden, met uitzondering van de krachtens het vierde lid van het laatstgenoemde artikel omschreven maatwerkvoorzieningen, vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. 2 In afwijking van het eerste lid wordt bij verordening bepaald door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang wordt vastgesteld en geïnd. Het college draagt er zorg voor dat aan het CAK mededeling wordt gedaan van de bijdragen die door de bedoelde instantie zijn vastgesteld, voor zover niet betrekking hebbende op personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van innen van de in het eerste lid bedoelde bijdragen. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de termijn waarbinnen de verschuldigde bijdrage moet zijn voldaan; b. artikel 2.1.4a, tweede lid het opschorten of beëindigen van de invordering bij het voldoen aan de kostprijs of bij het opschorten of beëindigen van gebruik als bedoeld in; c. de wijze van invordering. 4 artikelen 2.1.4, derde lid 2.1.4a, vierde lid Bij ministeriële regeling kan het bedrag, bedoeld in de, en, jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van dit lid wordt de afronding buiten beschouwing gelaten. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 2.1.5 — Artikel 2.1.5#
Artikel 2.1.5 1 artikel 2.1.4a, eerste lid Indien een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt, kan bij verordening worden bepaald dat de in, bedoelde bijdrage is verschuldigd door: a. artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een opgegrond verzoek is toegewezen, en b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 2 artikelen 406 407 van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 822, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Algemene Kinderbijslagwet Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en geen bedrag is bepaald op de voet van deofof van, is de ouder of stiefouder die ingevolge deonmiddellijk voorafgaande aan de verstrekking van de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag heeft, de bijdrage verschuldigd. 3 In afwijking van het eerste lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. 4 Indien meer dan één persoon een bijdrage is verschuldigd, is ieder der bijdrageplichtigen de bijdrage verschuldigd, met dien verstande dat indien de een heeft betaald, de ander is bevrijd. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 2.1.6 — Artikel 2.1.6#
Artikel 2.1.6 Bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.1.7 — Artikel 2.1.7#
Artikel 2.1.7 Bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.2.1 — Artikel 2.2.1#
Artikel 2.2.1 artikel 2.1.2, tweede lid Het college bevordert en treft de algemene maatregelen om de sociale samenhang, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente te bevorderen, alsmede huiselijk geweld te voorkomen en te bestrijden, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het plan, bedoeld in. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 2.2.2 — Artikel 2.2.2#
Artikel 2.2.2 1 artikel 2.1.2, tweede lid Het college bevordert en treft de algemene maatregelen ter bevordering van mantelzorg en vrijwilligerswerk en ter ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het plan, bedoeld in. 2 artikel 2.1.2, tweede lid Het college bevordert en treft voorts de algemene voorzieningen die ter uitvoering van het plan, bedoeld in, noodzakelijk zijn om de onderscheiden categorieën van mantelzorgers en vrijwilligers zoveel mogelijk in staat te stellen hun taken als mantelzorger en vrijwilliger uit te voeren. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 2.2.3 — Artikel 2.2.3#
Artikel 2.2.3 artikel 2.1.2, tweede lid Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen ter bevordering van de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het plan, bedoeld in. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.2.4 — Artikel 2.2.4#
Artikel 2.2.4 1 Het college draagt er in ieder geval zorg voor dat voor ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. 2 Het college draagt er zorg voor dat bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene uitgangspunt is. 2019 221 24-06-2019 22-05-2019 35070 2019 222 24-06-2019 11-06-2019 01-07-2019 01-01-2018 Artikel VI, eerste lid, van Stb. 2019/221 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3.1 — Artikel 2.3.1#
Artikel 2.3.1 Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 2.3.2 — Artikel 2.3.2#
Artikel 2.3.2 1 Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. 2 Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen. 3 Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 4 Het college onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. Zorgverzekeringswet de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in deen partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. artikelen 2.1.4 2.1.4a welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens deen, verschuldigd zal zijn. 5 Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g. 6 Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 7 De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 8 Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. 9 artikel 2.3.5 Een aanvraag als bedoeld inkan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 2.3.3 — Artikel 2.3.3#
Artikel 2.3.3 artikel 2.3.2, eerste lid In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.3.4 — Artikel 2.3.4#
Artikel 2.3.4 1 artikel 2.3.2, vierde lid artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Bij het onderzoek, bedoeld in, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in. 2 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld inter inzage. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.3.5 — Artikel 2.3.5#
Artikel 2.3.5 1 Het college beslist op een aanvraag: a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie; b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen. 2 Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 3 artikel 2.3.2 Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het inbedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 4 artikel 2.3.2 Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het inbedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 5 De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op: a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt, b. Zorgverzekeringswet zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de, c. Jeugdwet jeugdhulp als bedoeld in dedie de cliënt ontvangt of kan ontvangen, d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen, e. betaalde werkzaamheden, f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen, g. Participatiewet ondersteuning ingevolge de, h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. 6 Wet langdurige zorg Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. 7 artikel 11.1.1, derde lid, van de Wet langdurige zorg Het zesde lid geldt niet voor verzekerden als bedoeld in. 8 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het college bij de beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening, bedoeld in het derde lid. 9 De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 2.3.6 — Artikel 2.3.6#
Artikel 2.3.6 1 Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. 2 Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 3 Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 4 Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 5 Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of; b. artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan. 6 titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht Op een persoonsgebonden budget isniet van toepassing. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.3.7 — Artikel 2.3.7#
Artikel 2.3.7 1 Indien het college heeft beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing aan een woning waarvan de cliënt niet de eigenaar is, dan wel een persoonsgebonden budget daarvoor, is het college dan wel de cliënt, bevoegd zonder toestemming van de eigenaar deze woningaanpassing aan te brengen of te doen aanbrengen. 2 Alvorens de woningaanpassing aan te brengen of te doen aanbrengen, stelt het college de eigenaar van de woning in de gelegenheid zich te doen horen. 3 Het college dan wel de cliënt is niet gehouden de woningaanpassing ongedaan te maken, indien de cliënt niet langer gebruik maakt van de woning. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.3.8 — Artikel 2.3.8#
Artikel 2.3.8 1 artikel 2.3.5 2.3.6 De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld inof. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij regeling van Onze Minister aan te wijzen administraties. 3 De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.3.9 — Artikel 2.3.9#
Artikel 2.3.9 1 artikel 2.3.5 2.3.6 Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld inofte heroverwegen. 2 Artikel 2.3.2, tweede tot en met zesde lid artikel 2.3.5, zesde lid , en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.3.10 — Artikel 2.3.10#
Artikel 2.3.10 1 artikel 2.3.5 2.3.6 Het college kan een beslissing als bedoeld inofherzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen, c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten, d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. 2 Het college bepaalt in de beslissing, bedoeld in het eerste lid, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.4.1 — Artikel 2.4.1#
Artikel 2.4.1 1 artikel 2.3.5 2.3.6 artikel 2.3.10, onderdeel a Indien het college een beslissing als bedoeld inofmet toepassing van, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 2 Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.4.2 — Artikel 2.4.2#
Artikel 2.4.2 artikel 2.3.5 2.3.6 Roerende zaken die aan de cliënt in gebruik zijn verstrekt als onderdeel van een maatwerkvoorziening dan wel zijn aangeschaft met een persoonsgebonden budget, zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, gedurende de periode waarvoor de beslissing, bedoeld inof, geldt. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.4.3 — Artikel 2.4.3#
Artikel 2.4.3 1 artikel 2.4.4 Behoudens toepassing van, heeft een gemeente voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die jegens de cliënt naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht in verband met het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget. 2 Het verhaal beloopt ten hoogste het bedrag, waarvoor aansprakelijke persoon bij het ontbreken van de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de cliënt naar burgerlijk recht is gehouden. 3 Voor zover de geldswaarde van de maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, wordt deze bepaald op een geschat bedrag. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld. 4 Indien de cliënt in dienstbetrekking werkzaam is, gelden het eerste tot en met derde lid, ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de cliënt, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte persoon, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de cliënt jegens wie naar burgerlijk recht de verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien het in het eerste lid bedoelde feit is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk persoon. 5 artikel 34 van de Invorderingswet 1990 Voor de toepassing van het vierde lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.4.4 — Artikel 2.4.4#
Artikel 2.4.4 1 artikel 2.4.3, eerste lid De Vereniging van Nederlandse Gemeenten kan met verzekeraars een overeenkomst sluiten inhoudende een door die verzekeraars te betalen afkoopsom voor de voor de komende periode ingevolge, te verwachten schadelast tengevolge van de schadeplichtigheid van hun verzekerden. 2 De overeenkomst heeft geen betrekking op de schadelast van een gemeente die voor de aanvang van de onderhandelingen over de bedoelde overeenkomst aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te kennen heeft gegeven van haar bevoegdheid in het eerste lid gebruik te maken. 3 De Vereniging van Nederlandse Gemeenten stelt voor aanvang van de periode waarvoor een afkoopsom is overeengekomen, gemeenten op de hoogte van de totstandkoming van bedoelde overeenkomst. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.5.1 — Artikel 2.5.1#
Artikel 2.5.1 1 Het college onderzoekt hoe de cliënten de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning ervaren en publiceert jaarlijks voor 1 juli de uitkomsten hiervan. 2 Het college verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen instelling de in het eerste lid omschreven gegevens. 3 Onze Minister draagt er zorg voor dat op basis van de door de gemeente verstrekte gegevens voor 1 januari van het jaar volgend op het in het tweede lid bedoelde tijdstip een rapportage wordt opgesteld en gepubliceerd waarin de gegevens van de gemeenten worden vergeleken. 4 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de inrichting van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.5.2 — Artikel 2.5.2#
Artikel 2.5.2 1 Het college verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de gegevens die hij nodig heeft om de werking van deze wet te kunnen beoordelen. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de te verstrekken gegevens, de wijze van verstrekking, de tijdvakken waarop de te verstrekken gegevens betrekking hebben en de tijdstippen waarop de verstrekking plaatsvindt. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.5.3 — Artikel 2.5.3#
Artikel 2.5.3 artikel 2.1.2, zesde lid Het college rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad welke resultaten in het voorafgaande jaar zijn behaald op basis van de in het plan, bedoeld in, gestelde resultaten en hierbij uitgaande van de in het plan aangegeven criteria om resultaten te meten en de ten aanzien van aanbieders gehanteerde prestatie-indicatoren. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 2.5.4 — Artikel 2.5.4#
Artikel 2.5.4 1 artikel 2.1.4 tot en met 2.1.4b Het CAK verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de gegevens die hij nodig heeft om de effecten vanin de praktijk te kunnen beoordelen. 2 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. 3 derde lid van artikel 5.1.3 artikelen 5.2.1, tweede lid, onderdeel b 5.2.3 5.2.4, eerste lid artikel 5.1.3, derde lid Dit artikel en het, onder vernummering van het vierde lid tot het derde lid van dat artikel vervallen en de zinsnede «2.1.4b, 2.1.5 of 2.5.4» in de,en, wordt vervangen door «2.1.4b of 2.1.5» op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In(nieuw), vervalt op dat tijdstip eveneens de zinsnede «en derde». 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 2.6.1 — Artikel 2.6.1#
Artikel 2.6.1 1 De colleges werken met elkaar samen, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gebieden worden aangewezen waarbinnen colleges met het oog op de samenhangende uitvoering van de aan de colleges en de gemeenteraden bij of krachtens deze wet en andere wetten opgedragen taken samenwerken, uitsluitend indien de noodzakelijke samenwerking in deze gebieden ontbreekt en nadat Onze Minister op overeenstemming gericht overleg heeft gevoerd met de betrokken colleges. Bij die maatregel kunnen regels worden gesteld over de vorm van samenwerking. 3 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2019 73 08-03-2019 23-01-2019 34857 2019 74 08-03-2019 13-02-2019 09-03-2019
Artikel 2.6.2 — Artikel 2.6.2#
Artikel 2.6.2 1 artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De Sociale verzekeringsbank, genoemd in, voert namens de colleges de betalingen ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de Sociale verzekeringsbank de taak, bedoeld in het eerste lid, uitvoert. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de overeenkomst die de cliënt sluit met de derde van wie hij diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren betrekt en die daarvoor betaling ontvangt uit het persoonsgebonden budget. 2016 268 13-07-2016 08-06-2016 34279 2016 269 13-07-2016 29-06-2016 01-08-2016
Artikel 2.6.3 — Artikel 2.6.3#
Artikel 2.6.3 1 Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden laten verrichten. 2 Het college kan de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt mandateren aan een aanbieder. 2022 188 21-06-2022 25-05-2022 35816 2022 241 21-06-2022 16-06-2022 01-07-2022
Artikel 2.6.4 — Artikel 2.6.4#
Artikel 2.6.4 1 artikel 2.6.3 artikel 2.114 van de Aanbestedingswet 2012 Indien werkzaamheden als bedoeld inworden aanbesteed enniet van toepassing is, wordt: a. in de aanbestedingsprocedure rekening gehouden met de te leveren kwaliteit van de werkzaamheden, en b. niet louter op de laagste prijs gegund. 2 artikel 2.114 van de Aanbestedingswet 2012 Indienop een aanbesteding van toepassing is, wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, om te gunnen op basis van de laagste prijs. 2022 188 21-06-2022 25-05-2022 35816 2022 241 21-06-2022 16-06-2022 01-07-2022
Artikel 2.6.5 — Artikel 2.6.5#
Artikel 2.6.5 1 De aanbieder aan welke een overheidsopdracht voor het leveren van een voorziening wordt gegund, overlegt met de aanbieder of aanbieders die in opdracht van het college laatstelijk voor hem die voorziening leverden dan wel na hem gaan leveren, over de overname van het betrokken personeel. 2 Het college houdt bij het verlenen van een overheidsopdracht voor het leveren van een maatwerkvoorziening rekening met de mate waarin de aanbieder zorg draagt voor continuïteit in de hulpverlening tussen degenen aan wie een maatwerkvoorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3 Het college ziet erop toe dat: a. artikelen 662 663 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek het overleg, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt, onverminderd het bepaalde in deen; en b. de aanbieder of aanbieders, bedoeld in het eerste lid, zoveel mogelijk inspanning leveren om bij het overleg, bedoeld in het eerste lid, de overname van betrokken personeel en het voortzetten van bestaande relaties tussen hulpverleners en cliënten te bewerkstelligen. 2022 188 21-06-2022 25-05-2022 35816 2024 55 15-03-2024 11-03-2024 01-07-2024
Artikel 2.6.6 — Artikel 2.6.6#
Artikel 2.6.6 1 artikel 2.6.3 Indienwordt toegepast, worden bij verordening regels gesteld ter waarborging van: a. een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden, en b. de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning en van de werkzaamheden van Veilig Thuis. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde. 3 Het ontwerp van een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. 4 De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 2022 188 21-06-2022 25-05-2022 35816 2024 55 15-03-2024 11-03-2024 01-07-2024
Artikel 2.6.7 — Artikel 2.6.7#
Artikel 2.6.7 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke initiatieven bij de uitvoering van het beleid kunnen worden betrokken, het uitvoeren van taken van het college op grond van deze wet daaronder begrepen. 2 In de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. welke eisen gelden voor het door ingezetenen en maatschappelijke initiatieven laten uitvoeren van taken van het college; b. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de effecten worden geëvalueerd. 3 Het ontwerp van een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 2.6.7a — Artikel 2.6.7a#
Artikel 2.6.7a 1 In het belang van de beperking van uitvoeringslasten stelt Onze Minister regels. Deze regels kunnen slechts betrekking hebben op: a. de financieringswijzen en administratieve processen, behorende bij de bekostiging van aanbieders door colleges; b. de wijze waarop gegevensuitwisseling tussen aanbieders, colleges en CAK plaatsvindt; c. de wijze waarop verantwoording van aanbieders aan colleges plaatsvindt. 2 De colleges hanteren geen aanvullende of afwijkende eisen aangaande de onderwerpen waarover Onze Minister op grond van het eerste lid, onderdeel a, regels heeft gesteld. 3 artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Het Zorginstituut, genoemd in, is belast met het beheer van standaarden die worden gebruikt in het elektronisch gegevensverkeer tussen de personen en instanties, bedoeld in het eerste lid. 4 Het ontwerp voor een krachtens het eerste lid, onder a, vast te stellen ministeriële regeling die betrekking heeft op de financieringswijzen wordt aan beide kamers der Staten-Generaal voorgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp. 2019 73 08-03-2019 23-01-2019 34857 2019 74 08-03-2019 13-02-2019 01-01-2020
Artikel 2.6.8 — Artikel 2.6.8#
Artikel 2.6.8 1 Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen vaststelt, aan het college, nadat het college gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. 2 In de aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 De aanbieder draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is. 2 Een voorziening wordt in elk geval: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt, b. afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt, c. verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; d. verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van een vorm van maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. 4 Het ontwerp van een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijke aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 2.1.3, tweede lid, onderdelen d en e Indien de aanbieder een voorziening levert als bedoeld in, treft de aanbieder: a. een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt; b. een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van een vorm van maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 De aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 2 De aanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 artikel 6.1 De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in, onverwijld melding van: a. iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden; b. geweld bij de verstrekking van een voorziening. 2 De aanbieder en de beroepskrachten die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens over gezondheid en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn. 3 Persoonsgegevens als bedoeld in het tweede lid, ten aanzien waarvan de aanbieder of de beroepskracht op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht, worden uitsluitend zonder toestemming van betrokkene verstrekt, indien deze niet meer in staat is de toestemming te geven dan wel dit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van cliënten. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 3.4a — Artikel 3.4a#
Artikel 3.4a 1 In dit artikel wordt verstaan onder: – incident: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de cliënt; – contractspartij: a. aanbieder, beroepskracht of bij of voor de aanbieder werkzame rechtspersoon; b. cliënt, vertegenwoordiger van de cliënt of nabestaande van de cliënt. 2 Elk beding in een door contractspartijen gesloten overeenkomst dat het recht beperkt of ontneemt om informatie over een incident openbaar te maken of aan een derde te verstrekken, is nietig. 3 Het tweede lid is niet van toepassing: a. voor zover het beding is overeengekomen ter uitvoering van een daartoe strekkend wettelijk voorschrift; b. op bedingen die overeengekomen zijn voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel. 2022 283 06-07-2022 22-06-2022 35771 2022 391 14-10-2022 06-10-2022 01-07-2023
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de situaties waarin een aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, in het bezit dient te zijn van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invoor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken. 2 Indien de aanbieder of een toezichthoudende ambtenaar redelijkerwijs mag vermoeden dat een beroepskracht niet voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, verlangt de aanbieder dat die beroepskracht binnen tien weken een verklaring overlegt die niet ouder is dan drie maanden. 3 Indien de aanbieder voor een beroepskracht als bedoeld in het tweede lid bij het verstrijken van de in dat lid genoemde termijn niet in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, neemt de aanbieder zo spoedig mogelijk de maatregelen die noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn cliënten. 4 artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de situaties waarin een aanbieder die een solistisch werkende natuurlijk persoon is, in het bezit moet zijn van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in, afgegeven op een tijdstip dat niet langer dan drie jaar is verstreken. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 3a.1.1 — Artikel 3a.1.1#
Artikel 3a.1.1 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak personen met een auditieve beperking door middel van het bekostigen van tolkvoorzieningen te ondersteunen bij het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, mits deze personen ingezetenen van Nederland zijn of vreemdelingen behorende tot een categorie die daaraan bij algemene maatregel van bestuur is gelijkgesteld. 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kent, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, op aanvraag van een persoon als bedoeld in het eerste lid, van een instelling, van een gemeente of ambtshalve een tolkvoorziening toe en bekostigt die voor die personen, gemeenten of instellingen. 3 Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de omvang en de inhoud van de aanspraak, bedoeld in het tweede lid; b. de voorwaarden waaronder de tolkvoorzieningen worden verleend; c. de kwaliteitseisen van tolken. 4 titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 3:18 3:33 3:56 3:57 3:58 3:60 3:62 3:74 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Op het bekostigen van de tolkvoorziening isniet van toepassing. De,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op tolkvoorzieningen. 5 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de toekenning, bedoeld in het tweede lid weigeren, indien: a. het na een eerdere herziening, intrekking of weigering van een toekenning op grond van het vierde lid, heeft vastgesteld dat: 1°. de persoon, bedoeld in het tweede lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2°. de persoon niet voldoet aan de aan de tolkvoorziening verbonden voorwaarden, of 3°. de persoon de tolkvoorzieningen niet of voor een ander doel gebruikt; b. Participatiewet Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet overige OCW-subsidies Wet sociale werkvoorziening de persoon, bedoeld in het tweede lid, aanspraak kan maken op tolkvoorzieningen die zijn getroffen op grond van de, de, deen deof in verband met werkzaamheden als werknemer in de zin van deen die aanspraak op ondersteuning bij de deelname aan onderwijs of arbeidsinschakeling of -ondersteuning betreft. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding van de tolk. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 3a.1.2 — Artikel 3a.1.2#
Artikel 3a.1.2 Onze Minister draagt er zorg voor dat: a. personen op ieder moment van de dag kosteloos een telefonisch of elektronisch gesprek, dat niet direct tot hen herleidbaar is, kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen, en b. personen die bij een melding aan een Veilig Thuis-organisatie zijn betrokken een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 3a.2.1 — Artikel 3a.2.1#
Artikel 3a.2.1 1 artikel 3a.1.1 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet met betrekking tot de ingestelde regels zijn belast de door Onze Minister aangewezen ambtenaren. 2 artikelen 5:16 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht De aan de met het toezicht belaste ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in deen, hebben mede betrekking op dossiers. 3 artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van, niet inroepen tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar. 4 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 3a.2.2 — Artikel 3a.2.2#
Artikel 3a.2.2 artikel 3a.1.1, derde en zesde lid De Raad van bestuur van het UWV is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom ter handhaving van de voorschriften of verplichtingen gesteld krachtens. 2019 221 24-06-2019 22-05-2019 35070 2019 222 24-06-2019 11-06-2019 01-07-2019 Artikel VI, derde lid, van Stb. 2019/221 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3a.3.1 — Artikel 3a.3.1#
Artikel 3a.3.1 1 artikel 3a.1.1, eerste lid De kosten die worden gemaakt voor het bekostigen van tolkvoorzieningen, bedoeld in, komen ten laste van het Rijk. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel. 2019 221 24-06-2019 22-05-2019 35070 2019 222 24-06-2019 11-06-2019 01-07-2019 Artikel VI, derde lid, van Stb. 2019/221 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.1.1 — Artikel 4.1.1#
Artikel 4.1.1 1 Artikel 2.6.1 Het college draagt zorg voor de inrichting van een Veilig Thuis-organisatie.is van overeenkomstige toepassing. 2 Veilig Thuis oefent de volgende taken uit: a. het fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling; b. het naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of daarvan daadwerkelijk sprake is; c. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft; d. het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij huiselijk geweld of kindermishandeling, van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft; e. het in kennis stellen van de politie, de raad voor de kinderbescherming, het openbaar ministerie, de reclassering of Slachtofferhulp Nederland van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, of van informatie die op die melding betrekking heeft, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft; f. indien Veilig Thuis een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming doet, het in kennis stellen daarvan van het college, en g. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen. 3 Veilig Thuis verstrekt aan degene die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling heeft, desgevraagd advies over de stappen die in verband daarmee kunnen worden ondernomen en verleent daarbij zo nodig ondersteuning. 4 Jeugdwet Het college bevordert een goede samenwerking tussen Veilig Thuis, de hulpverlenende instanties, de politie en de gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming in de zin van de. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de werkwijze van Veilig Thuis bij de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede en derde lid, over de deskundigheid waarover een Veilig Thuis-organisatie moet beschikken om een verantwoorde uitvoering van zijn taken te kunnen realiseren en over de samenwerking, bedoeld in het vierde lid. 6 De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.2.1 — Artikel 4.2.1#
Artikel 4.2.1 1 artikel 4.1.1 Veilig Thuis draagt er zorg voor dat de uitvoering van de taken, bedoeld in, van goede kwaliteit is. 2 Veilig Thuis organiseert zich op zodanige wijze, voorziet zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een goede uitvoering van de taken. 3 Veilig Thuis neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 4.2.2 — Artikel 4.2.2#
Artikel 4.2.2 1 artikel 4.2.1, tweede lid Het uitvoeren van, omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit. 2 Ter uitvoering van het eerste lid draagt Veilig Thuis zorg voor: a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit; b. artikel 4.2.1, tweede lid het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen of de wijze van uitvoering van, leidt tot goede kwaliteit, en c. artikel 4.2.1, tweede lid het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop, wordt uitgevoerd. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 4.2.3 — Artikel 4.2.3#
Artikel 4.2.3 1 artikelen 4.2.1, tweede lid 4.2.2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van de uitvoering van de taken dit vereist, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de, en. 2 artikelen 4.2.1, tweede lid 4.2.2 Indien uitvoering van de, enovereenkomstig de op grond van het eerste lid gestelde regels niet blijkt te leiden tot een goede kwaliteit van de uitvoering van de taken, kunnen bij algemene maatregel van bestuur tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 4.2.1, eerste lid. 3 De voordracht voor een krachtens het eerste of tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.2.4 — Artikel 4.2.4#
Artikel 4.2.4 1 artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Veilig Thuis is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invan personen die in zijn opdracht beroepsmatig en niet-incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met personen die bij een melding aan Veilig Thuis betrokken zijn. 2 Een verklaring als bedoeld in het eerste lid is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor Veilig Thuis ging werken. 3 artikel 4.3.1 Indien Veilig Thuis of een ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaar redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, verlangt deze dat die persoon zo spoedig mogelijk opnieuw een verklaring als bedoeld in het eerste lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan, ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit van de uitvoering van de taken, alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze wet met betrekking tot Veilig Thuis gestelde regels, een register worden ingesteld van Veilig Thuis-organisaties en van personen als bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens die maatregel kunnen nadere regels worden gesteld over dat register. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de vorm van het register; b. de in het register op te nemen gegevens; c. de vastlegging van gegevens in het register en de verwijdering van gegevens daaruit; d. de wijze waarop verbetering van onjuistheden in het register plaatsvindt; e. de verstrekking van gegevens; f. de openbaarheid van gegevens, en g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 4.2.5 — Artikel 4.2.5#
Artikel 4.2.5 1 artikel 4.3.1 Veilig Thuis doet aan de ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaren onverwijld melding van: a. artikel 4.1.1, tweede en derde lid iedere calamiteit die bij de uitvoering van de taken, bedoeld in, heeft plaatsgevonden, en b. artikel 4.1.1, tweede en derde lid geweld bij de uitvoering van de taken, bedoeld in. 2 artikel 4.3.1 Veilig Thuis verstrekt bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de ingevolgemet toezicht belaste ambtenaren de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens over gezondheid en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens, die voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 4.2.5a — Artikel 4.2.5a#
Artikel 4.2.5a 1 In dit artikel wordt verstaan onder: – incident: artikel 4.1.1, tweede en derde lid niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de uitvoering van de taken, bedoeld in, en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de betrokkene; – contractspartij: a. Veilig Thuis of een bij of voor Veilig Thuis werkzame natuurlijke persoon of rechtspersoon; b. betrokkene bij een melding van of een adviesaanvraag over huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, vertegenwoordiger van de betrokkene of nabestaande van de betrokkene. 2 Elk beding in een door contractspartijen gesloten overeenkomst dat het recht beperkt of ontneemt om informatie over een incident openbaar te maken of aan een derde te verstrekken, is nietig. 3 Het tweede lid is niet van toepassing: a. voor zover het beding is overeengekomen ter uitvoering van een daartoe strekkend wettelijk voorschrift; b. op bedingen die overeengekomen zijn voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel. 2022 283 06-07-2022 22-06-2022 35771 2022 391 14-10-2022 06-10-2022 01-07-2023
Artikel 4.2.6 — Artikel 4.2.6#
Artikel 4.2.6 1 Veilig Thuis informeert personen die bij een melding betrokken zijn tijdig over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon. 2 Veilig Thuis stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen, waarbij het er in ieder geval voor zorgt dat personen die bij een melding betrokken zijn, zelfstandig, zonder tussenkomst van derden, contact kunnen hebben met een vertrouwenspersoon. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. 4 Een rechtspersoon laat een vertrouwenspersoon slechts voor hem werken nadat deze hem een verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd die niet ouder is dan drie maanden. 5 Een vertrouwenspersoon die niet voor een rechtspersoon werkzaam is, is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan drie jaar. 6 artikel 4.3.1 Indien een ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaar redelijkerwijs mag vermoeden dat een vertrouwenspersoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag of een rechtspersoon als bedoeld in het vierde lid dit ten aanzien van een voor hem werkzame vertrouwenspersoon redelijkerwijs mag vermoeden, verlangt deze ambtenaar of rechtspersoon dat de vertrouwenspersoon zo spoedig mogelijk opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. 7 Een vertrouwenspersoon is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de persoon die hij in het kader van het eerste lid ondersteunt, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid en strafrechtelijke persoonsgegevens, alsmede tot het zonder toestemming van degene die het betreft verwerken van persoonsgegevens van personen die werkzaam zijn voor Veilig Thuis, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de ondersteuning die hij als vertrouwenspersoon dient te leveren. 8 Een vertrouwenspersoon is tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitvoering van zijn taak aan hem is toevertrouwd, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht, uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit of de persoon die hij in het kader van het eerste lid ondersteunt toestemming geeft om vertrouwelijke informatie te delen. 9 Een vertrouwenspersoon kan zich op grond van zijn geheimhoudingsplicht verschonen van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen in een klachtprocedure of een rechterlijke procedure. 2025 274 20-10-2025 08-10-2025 36546 2025 283 21-10-2025 15-10-2025 01-01-2026
Artikel 4.2.7 — Artikel 4.2.7#
Artikel 4.2.7 1 Veilig Thuis treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van Veilig Thuis of van voor hem werkzame personen jegens andere personen in het kader van de uitvoering van de taken van Veilig Thuis. Veilig Thuis brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van de jeugdigen, ouders en pleegouders. 2 De in het eerste lid bedoelde regeling: a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij Veilig Thuis; b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft; c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen een in de regeling vastgelegde termijn na indiening van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en Veilig Thuis schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen; d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en Veilig Thuis, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen; e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd, en f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan. 3 Veilig Thuis ziet erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement. 4 Bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan een klacht tegen een Veilig Thuis-organisatie worden ingediend over een gedraging van die Veilig Thuis-organisatie of van voor haar werkzame personen jegens een andere persoon bij de uitvoering van de taken van Veilig Thuis a. door of namens de persoon op wie de gedraging betrekking had; b. door een nabestaande, indien de onder a bedoelde persoon is overleden. 5 Veilig Thuis deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, binnen een maand na ontvangst van het in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mee of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin genoemde termijn, doet Veilig Thuis daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie, onder vermelding van de termijn waarbinnen Veilig Thuis zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 4.2.8 — Artikel 4.2.8#
Artikel 4.2.8 artikel 4.3.1 Indien een klacht zich richt op een ernstige situatie met een structureel karakter, stelt de klachtencommissie Veilig Thuis daarvan in kennis. Indien de klachtencommissie niet is gebleken dat Veilig Thuis ter zake maatregelen heeft getroffen, meldt de klachtencommissie deze klacht aan de ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaren. Onder een klacht over een ernstige situatie wordt verstaan een klacht over een situatie waarbij sprake is van onverantwoorde hulp. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 4.2.9 — Artikel 4.2.9#
Artikel 4.2.9 artikelen 4.2.7 4.2.8 Deenzijn niet van toepassing op klachten ten aanzien van jeugdigen die op grond van een andere wet onvrijwillig in een accommodatie zijn opgenomen, voor zover deze overeenkomstig een bijzondere wettelijke regeling door een klachtencommissie kunnen worden behandeld. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 4.2.10 — Artikel 4.2.10#
Artikel 4.2.10 1 Veilig Thuis stelt jaarlijks een verslag op over de naleving van deze wet in het voorafgaande jaar met betrekking tot regels omtrent de kwaliteit van de uitvoering van de taken en het klachtrecht. 2 In het in het eerste lid bedoelde verslag geeft Veilig Thuis in ieder geval aan: a. of en op welke wijze zij personen ten behoeve van wie hij zijn taken uitvoert, bij zijn kwaliteitsbeleid heeft betrokken; b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen Veilig Thuis kwaliteitsbeoordeling plaatsvond en het resultaat daarvan; c. welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de uitvoering van de taken; d. artikel 4.2.7, eerste lid een beknopte beschrijving van de klachtenregeling, bedoeld in; e. de wijze waarop zij de klachtenregeling onder de aandacht hebben gebracht van de betrokken personen; f. artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel a de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in; g. artikel 4.2.7, tweede lid in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in; h. het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten; i. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van de klachtencommissie; j. artikel 4.2.7, vijfde lid de aard van de maatregelen, bedoeld in. 3 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.2.11 — Artikel 4.2.11#
Artikel 4.2.11 1 artikel 4.2.10, eerste lid Wet gemeenschappelijke regelingen Veilig Thuis maakt binnen tien dagen na vaststelling van het verslag, bedoeld in, doch uiterlijk voor 1 juni, of 15 juli, indien het verslag betrekking heeft op een Veilig Thuis-organisatie die valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de, van het jaar volgend op het jaar waarop het verslag ziet, de volgende zaken openbaar: a. het verslag; b. de op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid, waaronder begrepen de algemene criteria, welke bij de uitvoering van de taken worden gehanteerd; c. de notulen dan wel de besluitenlijst van de vergaderingen van het bestuur, voor zover deze algemene beleidszaken betreffen, en d. artikel 4.2.7, eerste lid de klachtenregeling, bedoeld in, en van andere voor jeugdigen en ouders geldende regelingen. 2 De openbaarmaking geschiedt op een door Veilig Thuis te bepalen wijze. Veilig Thuis verstrekt personen ten behoeve van wie hij zijn taken uitvoert, op hun verzoek een afschrift. 3 Van de openbaarmaking wordt mededeling gedaan op de bij Veilig Thuis voor het doen van mededelingen aan personen ten behoeve van wie hij zijn taken uitvoert, gebruikelijke wijze. 4 Wet open overheid Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief in rekening worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs, tenzij ten aanzien van Veilig Thuis devan toepassing is. 5 Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 4.3.1 Veilig Thuis zendt het verslag voor 1 juni of 15 juli, indien het verslag betrekking heeft op een Veilig Thuis-organisatie die valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de, van het jaar van vaststelling aan Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming en aan de ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaar, alsmede aan organisaties die in de regio die in algemene zin de belangen behartigen van personen ten behoeve van wie hij zijn taken uitvoert. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.2.12 — Artikel 4.2.12#
Artikel 4.2.12 1 Veilig Thuis verstrekt kosteloos gegevens aan het college, aan Onze Minister en aan Onze Minister voor Rechtsbescherming, ten behoeve van de verwerking van gegevens voor beleidsinformatie. Deze verstrekking kan zowel een structureel als incidenteel karakter hebben. 2 artikel 4.1.1, tweede lid De gegevens kunnen persoonsgegevens zijn, waaronder persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst en religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken, gegevens over gezondheid, gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het inzicht in de wijze waarop een Veilig Thuis-organisatie de taken, bedoeld in, uitoefent, en in de resultaten van die handelwijze. 3 Veilig Thuis verstrekt kosteloos persoonsgegevens aan het college ten behoeve van de verwerking, bedoeld in: a. artikel 7.4.0, eerste lid, van de Jeugdwet ; b. artikel 5.1.1, eerste tot en met derde lid . 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud van de in het eerste lid bedoelde gegevens, de wijze waarop de verstrekking plaatsvindt en de tijdvakken waarop de gegevens betrekking hebben. In die maatregel worden tevens geregeld de termijnen waarbinnen of de tijdstippen waarop de gegevens verstrekt dienen te worden. 5 Bij of krachtens de in het vierde lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat Veilig Thuis de in het eerste lid bedoelde gegevens op een bij of krachtens die maatregel aangewezen wijze bij Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming of een door hen aan te wijzen instantie indient. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.2.13 — Artikel 4.2.13#
Artikel 4.2.13 Veilig Thuis stelt overeenkomstig door Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming te stellen regels de begroting, de balans en de resultatenrekening, alsmede de daarbij behorende toelichting vast en maakt deze op door Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming te bepalen wijze openbaar. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.2.14 — Artikel 4.2.14#
Artikel 4.2.14 Veilig Thuis verstrekt aan Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming de bij regeling van Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming omschreven gegevens betreffende de exploitatie van Veilig Thuis. In de regeling kan worden bepaald dat de gegevens worden verstrekt aan een daarin aangewezen bestuursorgaan. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.3.1 — Artikel 4.3.1#
Artikel 4.3.1 1 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet met betrekking tot Veilig Thuis gestelde regels zijn belast de door Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming aangewezen ambtenaren. 2 artikelen 5:16 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht De aan de met het toezicht belaste ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in deen, hebben mede betrekking op dossiers. 3 artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van, niet inroepen tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.3.2 — Artikel 4.3.2#
Artikel 4.3.2 1 Indien Onze Minister of Onze Minister voor Rechtsbescherming van oordeel is dat een Veilig Thuis-organisatie deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleeft, kan hij die Veilig Thuis-organisatie een schriftelijke aanwijzing geven. 2 In de aanwijzing geeft Onze Minister die het aangaat, met redenen omkleed aan welke maatregelen de Veilig Thuis-organisatie moet nemen met het oog op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 3 De aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de Veilig Thuis-organisatie eraan moet voldoen. 4 artikel 4.3.1 Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door Onze Minister of Onze Minister voor Rechtsbescherming kan worden verlengd. 5 Veilig Thuis is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen. 6 artikel 4.3.1 Mandaat tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet verleend aan een ingevolgemet het toezicht belaste ambtenaar. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.3.3 — Artikel 4.3.3#
Artikel 4.3.3 1 artikelen 4.2.13 4.2.14 artikel 4.3.2 Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming zijn beiden bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van deenen van een krachtensgegeven aanwijzing of bevel. 2 artikel 4.2.7, eerste, tweede, derde en vijfde lid Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming zijn beiden bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 4.3.4 — Artikel 4.3.4#
Artikel 4.3.4 1 artikelen 4.3.2 artikel 4.2.10, tweede lid, onderdelen d tot en met j Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming zijn beiden bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.700,– op te leggen ter zake van een gedraging van een Veilig Thuis-organisatie die in strijd is met een krachtensgegeven aanwijzing, voor zover deze betreft het niet of onvoldoende naleven van. 2 artikelen 4.2.4 4.2.5 4.2.11 Onze Minister en Onze Minister voor Rechtsbescherming zijn beiden bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33.500,– op te leggen ter zake van een gedraging van een Veilig Thuis-organisatie die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de,of. 3 artikel 4.2.5 Een gedraging in strijd metis een strafbaar feit. 4 Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft degene die een strafbaar feit pleegt als bedoeld in het derde lid. 5 Een strafbaar feit als bedoeld in het derde lid is een overtreding. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 5.1.1 — Artikel 5.1.1#
Artikel 5.1.1 1 artikel 2.3.2 artikel 2.3.8 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.1 2.4.3 Het college is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt, waaronder gegevens over gezondheid die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van diens behoefte aan ondersteuning van zijn participatie of zelfredzaamheid dan wel opvang of beschermd wonen, alsmede persoonsgegevens van diens echtgenoot, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten die noodzakelijk zijn om vast te stellen welke hulp deze aan de cliënt bieden of kunnen bieden, voor zover deze zijn verkregen in het kader van het onderzoek, bedoeld in, dan wel op grond van,,,of, en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van,,,,,,,,,,of. 2 artikel 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.1 2.4.3 artikel 2.1.6 Het college is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de mantelzorger van de cliënt die noodzakelijk zijn om vast te stellen welke hulp deze aan de cliënt biedt of kan bieden, voor zover deze zijn verkregen van de mantelzorger of van de cliënt en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van,,,,,,ofdan wel de uitvoering van de verordening, bedoeld in. 3 artikel 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.1 2.4.3 Het college is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van andere personen in het sociale netwerk van de cliënt dan die bedoeld in het eerste en tweede lid die noodzakelijk zijn om vast te stellen welke hulp die deze aan de cliënt bieden of kunnen bieden, voor zover deze zijn verkregen van betrokkene of van de cliënt en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van,,of,,,of. 4 Jeugdwet Participatiewet Wet gemeentelijke schuldhulpverlening artikel 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.1 2.4.3 Het college is voorts, voor zover betrokkene daarvoor zijn uitdrukkelijke toestemming heeft verleend, bevoegd persoonsgegevens van de cliënt, waaronder gegevens over gezondheid die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de behoefte van de cliënt aan ondersteuning van zijn participatie of zelfredzaamheid dan wel opvang of beschermd wonen, alsmede persoonsgegevens van diens echtgenoot, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten die noodzakelijk zijn met het oog op een goede afstemming van te verlenen ondersteuning op hulp aan die personen, die het college heeft verkregen ten behoeve van de uitvoering van de taken die bij of krachtens de, deen deaan het college zijn opgedragen, tevens te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van,,,,,,of. 5 Het college is voorts bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt, waaronder gegevens over gezondheid die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van diens behoefte aan ondersteuning van zijn participatie of zelfredzaamheid dan wel opvang of beschermd wonen, indien: a. artikel 5.2.5, eerste en tweede lid 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.1 2.4.3 Zorgverzekeringswet de betrokkene daarvoor zijn uitdrukkelijke toestemming heeft verleend, de persoonsgegevens met toepassing van, zijn verkregen van een zorgverzekeraar of een zorgaanbieder als bedoeld in de, en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de artikelen,,,,,,of; of b. artikel 5.2.5, derde lid artikelen 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.1 2.4.3 de persoonsgegevens met toepassing van, zijn verkregen van het CIZ en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de,,,,,,of. 6 Het college is bevoegd tot verwerking van persoonsgegevens van de cliënt waaronder gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de overeenkomst met een aanbieder tot levering van maatwerkvoorzieningen. 7 Het college is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid. 8 Het verwerken van persoonsgegevens door het college op grond van dit artikel geschiedt, voor zover het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen verwerkingen betreft, door het Inlichtingenbureau. 9 Indien het Inlichtingenbureau op grond van het achtste lid persoonsgegevens verwerkt, is het voor deze verwerking, in afwijking van het zevende lid, verwerkingsverantwoordelijke. 2023 285 05-09-2023 25-08-2023 35515 2024 266 25-09-2024 20-09-2024 01-01-2025
Artikel 5.1.2 — Artikel 5.1.2#
Artikel 5.1.2 1 Een aanbieder die een maatwerkvoorziening levert en een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt, waaronder gegevens over gezondheid, alsmede persoonsgegevens van de mantelzorger van de cliënt met betrekking tot de hulp die deze aan de cliënt biedt of kan bieden, voor zover deze zijn verkregen van het college, van de cliënt of van de mantelzorger en noodzakelijk zijn voor: a. het aan de cliënt leveren van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen waartoe hij zich jegens het college dan wel de cliënt heeft verbonden; b. artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 de uitvoering van,, of; c. artikel 6.1 de uitoefening van het toezicht, bedoeld in. 2 Een aanbieder die een algemene voorziening levert, is bevoegd tot het verwerken van de persoonsgegevens van de cliënt, voor zover deze van de cliënt zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor: a. het leveren van de algemene voorziening; b. artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 de uitvoering van,, of; c. artikel 6.1 de uitoefening van het toezicht, bedoeld in. 3 De aanbieder respectievelijk de bedoelde derde is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste en tweede lid. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 5.1.3 — Artikel 5.1.3#
Artikel 5.1.3 1 artikel 2.1.4b, tweede lid 2.1.5 artikel 5.2.1 5.2.2 5.2.3 artikel 2.1.4 2.1.4a Het CAK en een andere instantie als bedoeld in, zijn bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt, zijn echtgenoot, inwonende minderjarige kinderen en zijn ouders, waaronder gegevens over gezondheid die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en inning van een bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4b, eerste lid, of, voor zover deze op grond van,ofzijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van, 2.1.4b of 2.1.5. 2 artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.5 artikel 57, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet artikel 20, tweede lid, van de Algemene ouderdomswet artikel 39, tweede lid, van de Werkloosheidswet artikel 57, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen artikel 2:55, tweede lid 3:47, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten artikel 30, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen artikel 54, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering artikel 71, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 40, tweede lid, van de Ziektewet Het CAK is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en inning van een bijdrage als bedoeld in,ofindien de betaling reeds is verricht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank op grond van,,,,, en,,,en. 3 artikel 2.5.4, eerste lid Het CAK is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt of zijn echtgenoot voor de beoordeling van Onze Minister als bedoeld in, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 2.5.4. 4 Het CAK respectievelijk de andere instantie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid en het CAK is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het tweede en derde lid. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 5.1.4 — Artikel 5.1.4#
Artikel 5.1.4 1 artikel 2.6.2 artikel 5.2.1 5.2.2 5.2.4 artikel 2.6.2 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt, waaronder gegevens over gezondheid die noodzakelijk zijn voor het verrichten van betalingen en het budgetbeheer, bedoeld in, voor zover deze zijn verkregen van de cliënt dan wel op grond van,ofen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak, bedoeld in. 2 De Sociale verzekeringsbank is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 5.1.5 — Artikel 5.1.5#
Artikel 5.1.5 1 artikel 4.3.1 6.1 6.2 De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid van de cliënt, alsmede persoonsgegevens, waaronder bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard betreffende personen die betrokken bij calamiteiten, geweld bij de verstrekking van een voorziening, huiselijk geweld of kindermishandeling, voor zover deze zijn verkregen bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in,of, en noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van het toezicht of het nemen van maatregelen ter handhaving van wettelijke voorschriften. 2 De toezichthoudende ambtenaren zijn de verantwoordelijken voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. De aanbieder en de beroepskrachten die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens over gezondheid en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 5.1.6 — Artikel 5.1.6#
Artikel 5.1.6 1 4.1.1, tweede en derde lid Veilig Thuis is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van de goede vervulling van de taken, bedoeld in. Veilig Thuis is de verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking. 2 artikel 4.1.1, tweede lid Veilig Thuis is bevoegd persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken, gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, te verwerken van personen die betrokken zijn bij huiselijk geweld of kindermishandeling, indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling kan worden afgeleid en de verwerking noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in. 3 artikel 4.1.1, derde lid Bij de uitvoering van, kan Veilig Thuis persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, verwerken tijdens een elektronisch gesprek, voor zover deze uit eigen beweging door degene die advies vraagt worden meegedeeld. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 5.1.7 — Artikel 5.1.7#
Artikel 5.1.7 1 artikel 3a.1.2., onderdeel a Bij het voeren van een telefonisch of elektronisch gesprek als bedoeld in, worden IP-adres en telefoonnummer van deze persoon verwerkt, voor zover deze noodzakelijk zijn om: a. het contact tot stand te brengen tussen de persoon en degene die met deze persoon dit gesprek voert; b. de bereikbaarheid te verbeteren. 2 artikel 3a.1.2, onderdeel a Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in, kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, worden verwerkt tijdens een elektronisch gesprek, voor zover deze uit eigen beweging door de persoon met wie het gesprek wordt gevoerd worden meegedeeld. 3 artikel 3a.1.2, onderdeel a De organisatie die de taken als bedoeld in, uitvoert, is slechts bevoegd informatie uit een elektronisch gesprek, waarin mogelijk persoonsgegevens, waaronder bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, zijn opgenomen verder te verwerken als daarop pseudonimisering als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van de Algemene Verordening gegevensbescherming is toegepast en vervolgens onafgebroken wordt gecontinueerd en voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken. 4 artikel 3a.1.2, onderdeel a Bij het in behandeling nemen van klachten kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van de persoon die een telefonisch of elektronisch gesprek heeft gevoerd als bedoeld in, worden verwerkt. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 5.2.1 — Artikel 5.2.1#
Artikel 5.2.1 1 Het college is bevoegd aan de in het tweede lid genoemde derden persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, te verstrekken, die het college heeft verkregen: a. artikel 2.3.2 artikel 2.3.8 2.3.9 5.2.2 5.2.3 5.2.5 in het kader van het onderzoek, bedoeld in, dan wel op grond van,,,of, b. Jeugdwet Participatiewet Wet gemeentelijke schuldhulpverlening artikel 5.1.1, vierde lid ten behoeve van de taken die bij of krachtens de, deen deaan het college zijn opgedragen, voor zover betrokkene het college uitdrukkelijke toestemming tot verwerking daarvan heeft verleend als bedoeld in, c. Zorgverzekeringswet artikel 5.2.5 van een zorgverzekeraar of een zorgaanbieder als bedoeld in deof van het CIZ, voor zover betrokkene uitdrukkelijke toestemming heeft verleend als bedoeld intot het verstrekken daarvan aan het college. 2 Het college is slechts bevoegd tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens aan: a. de aanbieder die zich jegens het college heeft verbonden tot het leveren van de maatwerkvoorziening aan de cliënt, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het aan de cliënt leveren van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen waartoe hij zich jegens het college dan wel de cliënt heeft verbonden; b. artikel 2.1.4b, tweede lid 2.1.5 2.5.4 het CAK of een andere instantie als bedoeld in, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de artikelen 2.1.4b,of; c. artikel 2.6.2 de Sociale verzekeringsbank, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak, bedoeld in; d. toezichthoudende ambtenaren, voor zover deze noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van het toezicht of het nemen van maatregelen ter handhaving van wettelijke voorschriften. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 5.2.2 — Artikel 5.2.2#
Artikel 5.2.2 De aanbieder die een maatwerkvoorziening levert en een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht kosteloos persoonsgegevens van de cliënt, waaronder bijzondere persoonsgegevens, te verstrekken, aan; a. artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 2.3.2 2.3.9 2.3.10 2.4.3 het college, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van,,,,,,ofof de verantwoording van een geleverde maatwerkvoorziening; b. artikel 2.1.4, zevende lid artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 het CAK of een andere instantie als bedoeld in, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van,,of; c. artikel 2.6.2 de Sociale verzekeringsbank, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het verrichten van betalingen en het budgetbeheer, bedoeld in; d. toezichthoudende ambtenaren, voor zover deze noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van het toezicht of het nemen van maatregelen ter handhaving van wettelijke voorschriften. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 Abusievelijk is voor onderdeel a een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 5.2.3 — Artikel 5.2.3#
Artikel 5.2.3 artikel 2.1.4b, tweede lid 2.1.5 2.5.4 De rijksbelastingdienst is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht aan het college, het CAK en een andere instantie als bedoeld in, persoonsgegevens te verstrekken, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de artikelen 2.1.4b,of. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 5.2.4 — Artikel 5.2.4#
Artikel 5.2.4 1 artikel 2.1.4b, tweede lid artikelen 2.1.4b 2.1.5 2.5.4 Het CAK en een andere instantie als bedoeld in, zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, die zijn verkregen ten behoeve van de uitvoering van de,of, te verstrekken aan het college, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de artikelen 2.1.4b, 2.1.5 of 2.5.4 door het college. 2 artikel 2.6.2 artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.3 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, die zijn verkregen ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in, te verstrekken aan het college, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van,,,,,,ofdoor het college. 3 artikel 6.1 artikel 2.1.4 2.1.4a 2.1.4b 2.1.4a 2.1.4b 2.1.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 2.4.3 Toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, die zijn verkregen ten behoeve van de uitoefening van het toezicht, bedoeld in, te verstrekken aan het college, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van,,,,,,,,ofdoor het college. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020
Artikel 5.2.5 — Artikel 5.2.5#
Artikel 5.2.5 1 Zorgverzekeringswet artikel 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 Een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder als bedoeld in dezijn, voor zover betrokkene daarvoor zijn uitdrukkelijke toestemming heeft verleend, bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht aan het college kosteloos persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, te verstrekken van een verzekerde ingevolge die wet, die zorg als omschreven in die wet ontvangt of heeft ontvangen en in aanvulling of in aansluiting daarop aangewezen is of kan zijn op een maatwerkvoorziening, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van,,,,,. 2 Zorgverzekeringswet Het college is, voor zover betrokkene daarvoor zijn uitdrukkelijke toestemming heeft verleend, bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht aan een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder als bedoeld in dekosteloos persoonsgegevens te verstrekken van een cliënt, voor zover die persoonsgegevens voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens de Zorgverzekeringswet aan de zorgverzekeraar of de zorgaanbieder zijn opgedragen, noodzakelijk zijn. 3 artikel 2.3.2 2.3.3 2.3.5 2.3.6 2.3.9 2.3.10 Het CIZ is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht aan het college mede te delen dat een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat een persoon is aangewezen op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van,,of,, of. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 5.2.5a — Artikel 5.2.5a#
Artikel 5.2.5a 1 Verstrekking van persoonsgegevens door of aan het college geschiedt, voor zover het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen verstrekkingen betreft, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. 2 Indien het Inlichtingenbureau op grond van het eerste lid persoonsgegevens verwerkt, is het voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke. 2023 285 05-09-2023 25-08-2023 35515 2024 266 25-09-2024 20-09-2024 01-01-2025
Artikel 5.2.6 — Artikel 5.2.6#
Artikel 5.2.6 Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken, kunnen aan Veilig Thuis deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging verstrekken zonder toestemming van degene die het betreft en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 5.2.7 — Artikel 5.2.7#
Artikel 5.2.7 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald op welke wijze persoonsgegevens worden verwerkt, de technische standaarden voor verwerking daaronder begrepen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming, worden bepaald aan welke beveiligingseisen de in dit hoofdstuk bedoelde verwerking van persoonsgegevens voldoet. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 5.2.8 — Artikel 5.2.8#
Artikel 5.2.8 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht De cliënt verstrekt de aanbieder die een maatwerkvoorziening levert, een document als bedoeld inter inzage waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 5.2.9 — Artikel 5.2.9#
Artikel 5.2.9 1 artikel 2.1.4b, tweede lid artikelen 5.2.1 tot en met 5.2.5 Zorgverzekeringswet Het college, het Inlichtingenbureau, een aanbieder en een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, het CAK, een andere instantie als bedoeld in, de Sociale verzekeringsbank, de toezichthoudende ambtenaren en een zorgverzekeraar of een zorgaanbieder als bedoeld in degebruiken het burgerservicenummer van een persoon bij het verstrekken van persoonsgegevens als bedoeld in demet het doel te waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze wet te verwerken persoonsgegevens op die persoon betrekking hebben. 2 Veilig Thuis gebruikt het burgerservicenummer van een persoon met het doel te waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze wet te verwerken persoonsgegevens op die persoon betrekking hebben. 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde instanties en personen stellen, met uitzondering van het Inlichtingenbureau, het burgerservicenummer van betrokkene vast wanneer zij voor de eerste maal contact met betrokkene hebben in het kader van de uitvoering van deze wet en de daarop berustende bepalingen. 4 artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Teneinde het burgerservicenummer van een persoon vast te stellen worden het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld ingeraadpleegd. 5 De raadpleging kan achterwege gelaten worden, indien: a. artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer het burgerservicenummer is verstrekt door een andere gebruiker als bedoeld indie bij of krachtens wet gehouden is het burgerservicenummer van betrokkene vast te stellen aan de hand van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in, of b. artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen het burgerservicenummer is verkregen uit de basisregistratie personen, bedoeld in. 6 Indien aan een persoon geen burgerservicenummer is toegekend: a. nemen de in het eerste en tweede lid bedoelde instanties en personen in ieder geval de volgende gegevens van betrokkene in hun administratie op: 1°. achternaam; 2°. voornamen; 3°. geboortedatum, en 4°. postcode en huisnummer van het woonadres, en b. vermelden de in het eerste en tweede lid bedoelde instanties en personen de gegevens, bedoeld in onderdeel a, bij het verstrekken van persoonsgegevens met betrekking tot de uitvoering van hun taken. 7 Bij ministeriële regeling wordt bepaald aan welke beveiligingseisen de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid voldoet. 8 De in het eerste en tweede lid bedoelde instanties en personen kunnen van het derde tot en met zesde lid afwijken voor zolang dit noodzakelijk is met betrekking tot spoedeisende gevallen. In zodanig geval is het bepaalde krachtens het zevende lid niet van toepassing. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025 2023 285 05-09-2023 25-08-2023 35515 2024 266 25-09-2024 20-09-2024 01-01-2025
Artikel 5.3.1 — Artikel 5.3.1#
Artikel 5.3.1 1 artikel 4.1.1, tweede lid Indien aan Veilig Thuis bij de uitoefening van de taken, bedoeld in, persoonsgegevens worden verstrekt door een ander dan betrokkene, brengt Veilig Thuis betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte. 2 artikel 4.1.1, tweede lid De in het eerste lid genoemde termijn kan door Veilig Thuis telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. 3 artikel 41, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Gelet opkan Veilig Thuis inzage of verstrekking als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming, bedoeld in dat artikel, aan de betrokkene achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die het huiselijk geweld of kindermishandeling of het vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 01-07-2020
Artikel 5.3.2 — Artikel 5.3.2#
Artikel 5.3.2 1 artikel 2.1.4b, tweede lid Het college, het Inlichtingenbureau, een aanbieder, een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, het CAK en een andere instantie als bedoeld in, de Sociale verzekeringsbank, toezichthoudende ambtenaren en Veilig Thuis verstrekken aan een betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden waarover zij met betrekking tot die betrokkene beschikken. 2 Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan betrokkene geweigerd, indien deze: a. jonger dan twaalf jaren is, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 3 Indien betrokkene jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van betrokkene zich daartegen verzet. 4 artikel 4.1.1, tweede lid Inlichtingen over, inzage in of afschrift van de bescheiden kan worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan betrokkene daardoor zou worden geschaad dan wel dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in, of om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen dan wel een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. 5 De persoon van wie de gegevens zijn opgeslagen, heeft het recht te verzoeken de gegevens te laten corrigeren. 2023 285 05-09-2023 25-08-2023 35515 2024 266 25-09-2024 20-09-2024 01-01-2025
Artikel 5.3.3 — Artikel 5.3.3#
Artikel 5.3.3 1 artikel 2.1.4b, tweede lid Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken het college, het Inlichtingenbureau, een aanbieder, een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, het CAK en een andere instantie als bedoeld in, de Sociale verzekeringsbank, toezichthoudende ambtenaren en Veilig Thuis aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over betrokkene, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van betrokkene. 2 Indien betrokkene minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 3 artikel 2.1.4b, tweede lid Onder anderen dan betrokkene zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking vereist is bij de uitvoering van de taken van het college, een aanbieder, een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, het CAK en een andere instantie als bedoeld in, de Sociale verzekeringsbank, toezichthoudende ambtenaren en Veilig Thuis. 4 artikel 1.1 van de Jeugdwet Bij regeling van Onze Minister, voor zover nodig in overeenstemming met Onze Minister voor Rechtsbescherming, kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een Veilig Thuis-organisatie gegevens verwerkt en over de uitwisseling van gegevens tussen een Veilig Thuis-organisatie en andere Veilig Thuis-organisaties en met de raad voor de kinderbescherming, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025 2023 285 05-09-2023 25-08-2023 35515 2024 266 25-09-2024 20-09-2024 01-01-2025
Artikel 5.3.4 — Artikel 5.3.4#
Artikel 5.3.4 1 artikel 5.3.5 artikel 2.1.4b, tweede lid Onverminderdbewaren het college, het Inlichtingenbureau, een aanbieder, een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, een instantie als bedoeld in, en toezichthoudende ambtenaren de persoonsgegevens die zij op grond van deze wet met betrekking tot een betrokkene onder zich hebben, gedurende vijftien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging van die persoonsgegevens is vastgelegd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van hun taken op grond van deze wet noodzakelijk is. 2 artikel 5.3.5 artikel 4.1.1, tweede lid Onverminderd het bepaalde inbewaart Veilig Thuis de persoonsgegevens die het in verband met de uitoefening van de taken, bedoeld in, met betrekking tot een betrokkene onder zich heeft, gedurende twintig jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging van die persoonsgegevens is vastgelegd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van zijn taken op grond van deze wet noodzakelijk is. 3 artikel 5.3.5 Onverminderdbewaren het CAK en de Sociale verzekeringsbank de persoonsgegevens die zij op grond van deze wet met betrekking tot een betrokkene onder zich hebben, gedurende zeven jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging van die persoonsgegevens is vastgelegd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van hun taken op grond van deze wet noodzakelijk is. 2025 83 02-04-2025 21-03-2025 36579 2025 137 16-05-2025 12-05-2025 01-07-2025
Artikel 5.3.5 — Artikel 5.3.5#
Artikel 5.3.5 1 artikel 2.1.4b, tweede lid Het college, het Inlichtingenbureau, een aanbieder, een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, het CAK en een andere instantie als bedoeld in, de Sociale verzekeringsbank, toezichthoudende ambtenaren en Veilig Thuis vernietigen de persoonsgegevens die zij op grond van deze wet met betrekking tot een betrokkene onder zich hebben, binnen drie maanden na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene op wie de persoonsgegevens betrekking hebben. 2 Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek persoonsgegeven betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. 3 Het verzoek wordt niet ingewilligd indien het gedaan is door iemand die: a. jonger is dan twaalf jaar, of b. minderjarig is en de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 4 In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan. 2023 285 05-09-2023 25-08-2023 35515 2024 266 25-09-2024 20-09-2024 01-01-2025
Artikel 5.3.6 — Artikel 5.3.6#
Artikel 5.3.6 1 artikel 5.3.3, eerste lid In afwijking van, kunnen zonder toestemming van de betrokkene ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid, opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, kinderbescherming of jeugdreclassering aan een ander desgevraagd inlichtingen over de betrokkene of inzage in het dossier worden verstrekt indien: a. het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad, of b. het vragen van toestemming, gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan worden verlangd en de gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. 2 Verstrekking overeenkomstig het eerste lid is slechts mogelijk indien: a. het onderzoek een algemeen belang dient, b. het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en c. voor zover de betrokkene tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt. 3 Bij een verstrekking overeenkomstig het eerste lid wordt daarvan aantekening gehouden in het dossier. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 5.4.1 — Artikel 5.4.1#
Artikel 5.4.1 1 Zorgverzekeringswet Het college stemt de wijze waarop het de taken op grond van deze wet uitvoert af met zorgverzekeraars als bedoeld in de, met het oog op de wettelijke taken van die laatsten. 2 Het college en zorgverzekeraars maken afspraken over beleid ten aanzien van maatschappelijke ondersteuning, publieke gezondheid, zorg, jeugdzorg, welzijn en preventie, teneinde te komen tot een integrale dienstverlening aan cliënten en verzekerden. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van totstandkoming van de afspraken, bedoeld in het tweede lid. 4 Zorgverzekeringswet Het college en aanbieders verstrekken aan zorgverzekeraars als bedoeld in deuit eigen beweging en desgevraagd kosteloos de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de afspraken, bedoeld in het eerste lid. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat overleg omtrent afspraken, bedoeld in het tweede lid, ook plaatsvindt met andere organisaties en instanties dan genoemd in het eerste lid, en kan worden bepaald dat het vierde lid ook van toepassing is ten aanzien van die organisaties en instanties. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de in het vierde lid bedoelde gegevens en standaardisering van de wijze waarop de gegevens worden verstrekt. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 1 Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2 artikelen 5:16 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht De aan de toezichthoudende ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in deen, hebben mede betrekking op dossiers. 3 artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 5.2.4 Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van, niet inroepen tegenover de toezichthoudende ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar, onverminderd. 2024 300 21-10-2024 02-10-2024 36444 2024 323 05-11-2024 25-10-2024 01-01-2025
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 1 artikel 6.1 De ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd dienen de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in, desgevraagd van advies inzake het houden van toezicht en inzake de handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels. 2 artikel 6.1 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren rapporteren jaarlijks aan Onze Minister omtrent de uitvoering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet door de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in, en de effecten daarvan op het niveau van de maatschappelijke ondersteuning. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 Wijzigt de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen artikel 7.1 Op procedures inzake de naleving van de, aangevangen voor inwerkingtreding van, blijft die wet van toepassing. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 Wijzigt de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 1 artikel 7.3 artikel 2 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector Op klachten, voor inwerkingtreding vaningediend bij een klachtencommissie als bedoeld in, blijft die wet van toepassing. 2 artikelen 3 tot en met 3b van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector artikel 7.3 Deblijven van toepassing op gedragingen van een zorgaanbieder die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding van. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.5 — Artikel 7.5#
Artikel 7.5 Wijzigt de Kwaliteitswet zorginstellingen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.6 — Artikel 7.6#
Artikel 7.6 artikelen 8 tot en met 10 van de Kwaliteitswet zorginstellingen artikel 7.5 Deblijven van toepassing op gedragingen van een zorgaanbieder die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding van. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.7 — Artikel 7.7#
Artikel 7.7 Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.8 — Artikel 7.8#
Artikel 7.8 Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.9 — Artikel 7.9#
Artikel 7.9 Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.10 — Artikel 7.10#
Artikel 7.10 Wijzigt de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.11 — Artikel 7.11#
Artikel 7.11 Wijzigt de Leerplichtwet 1969. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.12 — Artikel 7.12#
Artikel 7.12 Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.13 — Artikel 7.13#
Artikel 7.13 Wijzigt de Wet op de expertisecentra. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.14 — Artikel 7.14#
Artikel 7.14 Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.15 — Artikel 7.15#
Artikel 7.15 Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.16 — Artikel 7.16#
Artikel 7.16 Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.17 — Artikel 7.17#
Artikel 7.17 Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.18 — Artikel 7.18#
Artikel 7.18 Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.19 — Artikel 7.19#
Artikel 7.19 Wijzigt de Jeugdwet. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.20 — Artikel 7.20#
Artikel 7.20 Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet en Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (bijdragen bij inkomstenderving ten gevolge van verlenen medisch noodzakelijke zorg aan bepaalde groepen vreemdelingen, en verzekering bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen). 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.21 — Artikel 7.21#
Artikel 7.21 Wijzigt de Wet forensische zorg (Kst. 32 398). 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.22 — Artikel 7.22#
Artikel 7.22 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.23 — Artikel 7.23#
Artikel 7.23 Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.24 — Artikel 7.24#
Artikel 7.24 Wijzigt de Gemeentewet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.25 — Artikel 7.25#
Artikel 7.25 Wijzigt de Werkloosheidswet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.26 — Artikel 7.26#
Artikel 7.26 Wijzigt de Wet basisregistratie personen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.27 — Artikel 7.27#
Artikel 7.27 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.28 — Artikel 7.28#
Artikel 7.28 Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.29 — Artikel 7.29#
Artikel 7.29 Wijzigt de Participatiewet. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.30 — Artikel 7.30#
Artikel 7.30 Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.31 — Artikel 7.31#
Artikel 7.31 Wijzigt de Woningwet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.33 — Artikel 7.33#
Artikel 7.33 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.34 — Artikel 7.34#
Artikel 7.34 Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen. 2016 206 07-06-2016 18-05-2016 34191 2016 270 13-07-2016 29-06-2016 01-08-2016 01-01-2015
Artikel 7.35 — Artikel 7.35#
Artikel 7.35 Wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Kst. 32 399. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.36 — Artikel 7.36#
Artikel 7.36 Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 7.37 — Artikel 7.37#
Artikel 7.37 Wijzigt de Zorgverzekeringswet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 1 artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten De aanspraken op zorg, bedoeld inomvatten met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, niet: a. artikel 4 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 9 van dat besluit persoonlijke verzorging als omschreven in, anders dan in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke beperking, voor zover niet tevens aanspraak bestaat op verblijf als omschreven in, b. artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 9 van dat besluit begeleiding als omschreven in, voor zover niet tevens aanspraak bestaat op verblijf als omschreven in, c. artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ verblijf in een instelling met samenhangende zorg voor een persoon met een psychiatrische aandoening of beperking als bedoeld in, d. artikel 9a van het Besluit zorgaanspraken AWBZ kortdurend verblijf als omschreven inen e. artikel 10 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 6 van dat besluit artikel 9 van dat besluit vervoer als bedoeld innaar een instelling ten behoeve van het ontvangen van begeleiding als bedoeld in, voor zover niet tevens aanspraak bestaat op verblijf als omschreven in; f. artikel 12 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ doventolkzorg bij het voeren van een gesprek in de leefsituatie als bedoeld in. 2 artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Onverminderd het eerste lid besluit het indicatieorgaan, bedoeld inzo spoedig mogelijk op aanvragen met betrekking tot zorg als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, die zijn ingediend voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 1 artikel 40 van die wet artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e Met betrekking tot een verzekerde in de zin van deaan wie een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in, verstrekken het indicatieorgaan, bedoeld in, en de zorgverzekeraar, bedoeld in, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in, zo spoedig mogelijk aan het college van de gemeente waarvan betrokkene ingezetene is, gegevens omtrent de inhoud van: a. artikel 8.1 het indicatiebesluit, met inbegrip van het daarin opgenomen burgerservicenummer, waarin ten aanzien van betrokkene is vastgesteld dat deze is aangewezen op zorg als bedoeld in; b. de grondslag waarop het indicatiebesluit berust; c. artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten de aard, inhoud en omvang van de zorg die betrokkene ontvangt en de zorgaanbieder van wie hij de zorg ontvangt dan wel, indien aan betrokkene subsidie wordt verstrekt als bedoeld in, en gegevens omtrent het bedrag van de subsidie en degene die hem de zorg verleent. 2019 221 24-06-2019 22-05-2019 35070 2019 222 24-06-2019 11-06-2019 01-07-2019 01-01-2018
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 1 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, d en e Indien voor een verzekerde in de zin van deeen indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in, heeft belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan het indicatiebesluit waren verbonden, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 2 Indien de uit een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid voortvloeiende aanspraak op zorg op de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, nog niet tot gelding is gebracht, kan betrokkene de aanspraak in afwijking van het eerste lid slechts tot gelding brengen nadat hij het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze ter zake kenbaar te maken. 3 artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Indien aan een verzekerde als bedoeld in het eerste lid tot de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, op grond van het bepaalde bij of krachtens, een persoonsgebonden budget werd verstrekt, heeft belanghebbende met ingang van die dag jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, recht op een persoonsgebonden budget overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens genoemd artikelonderdeel, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 4 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 1 artikel 40 van die wet artikel 8.2, tweede lid Indien ten aanzien van een verzekerde in de zin van dedoor of namens de zorgverzekeraar, bedoeld in, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in, een besluit is genomen als bedoeld in, heeft belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan dat besluit waren verbonden, gedurende de looptijd van dat besluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 5 artikel 1 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 40 van die wet Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid, treedt het college in de plaats van de zorgverzekeraar, bedoeld in, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in. 6 hoofdstuk 2, paragraaf 1 Artikel 2.3.8 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid, is betrokkene een bijdrage in de kosten van de zorg aan het college verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot deze bijdrage, waaronder in ieder geval regels overeenkomstig de regels die zijn gesteld over de bijdrage, bedoeld in, van deze wet ten aanzien van de hoogte en invordering van die bijdrage.is van overeenkomstige toepassing. 7 artikel 3.1.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet artikel 1.22 van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet artikel 58 van de Zorgverzekeringswet artikel 8.1 Indien een in het buitenland wonende persoon op het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet op grond vanaanspraak heeft op een vergoeding dan wel op grond vanaanspraak heeft op een uitkering ter zake van de kosten van zorg als bedoeld in, behoudt die persoon jegens het Zorginstituut Nederland, bedoeld indie aanspraak gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 8 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, d of e Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een persoon die in het buitenland woont of verblijft en die in geval van behoefte aan zorg hetzij krachtens de, hetzij met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel met toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid aanspraak heeft op zorg als bedoeld in, of vergoeding van de kosten daarvan, met dien verstande dat: a. voor de overeenkomstige toepassing van het eerste, derde en vierde lid in plaats van «verzekerde» telkens wordt gelezen: persoon; b. voor de overeenkomstige toepassing van het eerste tot en met vierde lid in plaats van «het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland; en c. voor de overeenkomstige toepassing van het vijfde en zesde lid in plaats van «het college» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland. 9 artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen De vergoedingen en uitkeringen, bedoeld in het zevende en achtste lid, komen ten laste van het Fonds langdurige zorg, bedoeld in. 2019 185 22-05-2019 24-04-2019 35093 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 01-01-2019
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 1 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 8.1, onderdeel c Indien voor een verzekerde in de zin van deeen indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in, heeft belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan het indicatiebesluit waren verbonden, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip dat niet eerder is gelegen dan de eerste dag van het zesde kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 2 Artikel 8.3, tweede, derde en vijfde tot en met zevende lid , is van overeenkomstige toepassing. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014 Door Stb. 2022/470 is de datum bedoeld in het eerste lid
vastgesteld op 1 januari 2023.
Artikel 8.5 — Artikel 8.5#
Artikel 8.5 Wet marktordening gezondheidszorg artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg artikel 3 van die wet artikel 34 van die wet Deis niet van toepassing op handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in, voor zover uitgevoerd, al dan niet onder eigen verantwoordelijkheid, door personen, ingeschreven in een register als bedoeld inof door personen als bedoeld in, die deel uitmaken van zorg die: a. artikelen 8.3, eerste of vierde lid 8.4, eerste lid op grond van de, of, aan een belanghebbende wordt geleverd; b. artikel 8.3, derde lid door derden wordt geleverd aan een belanghebbende, aan wie op grond van, een persoongebonden budget wordt verstrekt. 2018 260 24-08-2018 11-07-2018 34629 2019 111 14-03-2019 22-02-2019 01-04-2019
Artikel 8.6 — Artikel 8.6#
Artikel 8.6 1 artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 1 artikel 40 van die wet artikel 8.2 artikel 2.3.2, tweede tot en met achtste lid artikel 2.3.2, eerste lid artikel 8.3, eerste of derde lid artikel 8.4, eerste lid artikel 2.3.5. eerste lid Nadat het indicatieorgaan, bedoeld in, en de zorgverzekeraar, bedoeld in, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in, de ingenoemde gegevens hebben verstrekt aan het college van de gemeente waarvan betrokkene ingezetene is, voert het college, met overeenkomstige toepassing van, zonder melding als bedoeld in, het in dat artikel bedoelde onderzoek uit op een zodanig tijdstip dat betrokkene tijdig voor het tijdstip waarop hij niet langer op grond van, of, aanspraak zal hebben op de in die gegevens omschreven zorg onderscheidenlijk de in die gegevens omschreven subsidie, een aanvraag kan doen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in. 2 artikel 1 artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 8.2, tweede lid artikel 2.3.2, tweede tot en met achtste lid artikel 8.3, vierde lid artikel 2.3.5. eerste lid Nadat de zorgverzekeraar, bedoeld in, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in, de in, bedoelde gegevens heeft verstrekt aan het college van de gemeente waarvan betrokkene ingezetene is, voert het college, met overeenkomstige toepassing van, zonder melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, het in dat artikel bedoelde onderzoek uit op een zodanig tijdstip dat betrokkene tijdig voor het tijdstip waarop hij niet langer op grond van, aanspraak zal hebben op de in die gegevens omschreven zorg, een aanvraag kan doen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 8.6a — Artikel 8.6a#
Artikel 8.6a Artikel 2.3.5, zesde lid , geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde cliënten: a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd; b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd; c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd. 2016 268 13-07-2016 08-06-2016 34279 2016 269 13-07-2016 29-06-2016 01-08-2016 Artikel Va van Stb. 2016/268 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.7 — Artikel 8.7#
Artikel 8.7 1 artikel 2.1.2 de artikelen 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.6.6 De gemeenteraad stelt het beleidsplan, bedoeld in, en de verordening, bedoeld in,,,en, vast voor 1 november van het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 2 artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.4 Het college treft de algemene voorzieningen als bedoeld in devoor 1 november van het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden. 3 artikel 2.3.2 Het college draagt er zorg voor dat onderzoeken als bedoeld inkunnen worden uitgevoerd met ingang van 1 november van het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden en dat op aanvragen voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget die worden gedaan voor de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, tijdig een besluit wordt genomen. 4 artikel 2.5.1, eerste lid Het college publiceert voor het eerst voor 1 juli van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, de uitkomsten van het in, bedoelde onderzoek en verstrekt gelijktijdig de in artikel 2.5.1, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen instelling. 5 Het college wijst voor de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 8.8 — Artikel 8.8#
Artikel 8.8 1 artikel 3.5, eerste lid In afwijking van, is de aanbieder voor beroepskrachten als in dat lid bedoeld die op het tijdstip van inwerkingtreden van dat lid voor hem werkzaam zijn en ten aanzien van wie een verklaring omtrent het gedrag is vereist, uiterlijk binnen een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn na dat tijdstip in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die niet eerder dan drie maanden voor het verstrijken van de vastgestelde termijn is afgegeven. De termijn kan voor verschillende groepen beroepskrachten verschillend worden vastgesteld. 2 Artikel 3.5, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing op een aanbieder als bedoeld in het eerste lid. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014
Artikel 8.9 — Artikel 8.9#
Artikel 8.9 1 Wet maatschappelijke ondersteuning Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.1.1 Dewordt ingetrokken, onverminderd de rechten en verplichtingen die onmiddellijk voor het tijdstip waaropin werking is getreden, voor betrokkene zijn verbonden aan een met toepassing van dedoor het college genomen besluit waarbij aanspraak is verstrekt op een individuele voorziening in natura of het ontvangen van een persoonsgebonden budget dan wel een financiële tegemoetkoming. 2 Wet maatschappelijke ondersteuning Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, blijft van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de. 3 Artikel 25 van de Wet maatschappelijke ondersteuning blijft van toepassing op de roerende zaken, voor de aanschaf waarvan krachtens die wet een financiële tegemoetkoming is verstrekt, die zijn aangeschaft met een persoonsgebonden budget of die krachtens die wet in eigendom of bruikleen zijn verstrekt. 4 artikel 9 van de Wet maatschappelijke ondersteuning Het college en Onze Minister geven met betrekking tot het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, uitvoering aanvoor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar onderscheidenlijk 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar. 5 artikelen 11 12 van de Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.1.2 artikel 2.1.3 Deenzijn van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van de vaststelling van het beleidsplan, bedoeld in, en de verordening, bedoeld in. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 8.10 — Artikel 8.10#
Artikel 8.10 Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 8.11 — Artikel 8.11#
Artikel 8.11 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2 Wijzigt deze wet. 3 Wijzigt deze wet en de Algemene wet bestuursrecht. 2016 206 07-06-2016 18-05-2016 34191 2016 270 13-07-2016 29-06-2016 01-08-2016 01-01-2015
Artikel 8.12 — Artikel 8.12#
Artikel 8.12 Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 19-07-2014