Wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)
- BWB-id
- BWBR0040634
- Type
- Wet
- Ministerie
- Justitie en Veiligheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0040634
- ELI
- /eli/nl/wet/2019/wet-forensische-zorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2019/wet-forensische-zorg/2025-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0040634&g=2025-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0040634&z=2026-06-06&g=2025-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0040634/2025-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2019/wet-forensische-zorg
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. behandelplan: een plan dat zo spoedig mogelijk na aanvang van de behandeling wordt opgesteld dat is gericht op het zodanig verminderen van de uit de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap voortvloeiende gevaarlijkheid van de forensische patiënt voor anderen dan de forensische patiënt of de algemene veiligheid van personen of goederen dat de forensische patiënt in de maatschappij kan terugkeren; b. forensische patiënt: een persoon met een aanspraak op forensische zorg; c. forensische zorg: zorg als omschreven in het tweede lid; d. gedetineerde: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een penitentiaire inrichting plaatsvindt; e. indicatiestelling: een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van deskundigen, opgesteld op basis van onderzoek van de verdachte, veroordeelde of gedetineerde, waarin de forensische zorgbehoefte en het noodzakelijke beveiligingsniveau is opgenomen; f. instelling: een rijksinstelling of een private instelling; g. instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden: artikel 3.3, eerste lid een rijksinstelling of een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in; h. Onze Minister: de Minister voor Rechtsbescherming; i. Onze Ministers: de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; j. private instelling: artikel 3.2 een door Onze Minister aangewezen instelling bedoeld in, waarvan de verpleeg- en behandelkosten worden vergoed op basis van een schriftelijke overeenkomst die de zorgaanbieder met Onze Minister heeft gesloten; k. rijksinstelling: artikel 3.1, eerste lid een door Onze Minister aangewezen instelling als bedoeld in, onder beheer van Onze Minister; l. strafrechtelijke titel: een beslissing van een rechter, officier van justitie of Onze Minister die het verlenen van geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg omvat; m. sepot: artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering een beslissing van het openbaar ministerie tot het afzien van verdere vervolging, bedoeld in; n. ter beschikking gestelde: artikel 37b 38c van het Wetboek van Strafrecht een forensische patiënt ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege, bedoeld inof, is gegeven; o. voorwaarde: een beperkende bepaling bij een straf, maatregel, sepot of gratie, of de tenuitvoerlegging daarvan, die inhoudt dat een persoon zich laat opnemen in een instelling dan wel zich onder behandeling stelt van een zorgverlener of door een zorgverlener voorgeschreven of aangeboden geneesmiddelen gebruikt dan wel gedoogt dat hij zich geneesmiddelen laat toedienen; p. zorgaanbieder: een rechtspersoon die bedrijfsmatig of beroepsmatig forensische zorg als bedoeld bij of krachtens artikel 1, tweede lid, verleent, een organisatorisch verband van natuurlijke personen die bedrijfsmatig of beroepsmatig forensische zorg als bedoeld bij of krachtens artikel 1, tweede lid, verlenen of doen verlenen, of een natuurlijk persoon die bedrijfsmatig of beroepsmatig forensische zorg als bedoeld bij of krachtens artikel 1, tweede lid, doet verlenen. 2 Eerste boek, Titel VIII A, van het Wetboek van Strafrecht artikel 3:2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg artikel 1, vierde lid artikel 2, eerste lid, van de Wet zorg en dwang Onder forensische zorg wordt verstaan zorg, die wordt verleend aan een justitiabele met een psychische stoornis, verslaving daaronder begrepen, een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap, en die al dan niet als een voorwaarde, onderdeel uitmaakt van een straf of een maatregel, of van de ten uitvoerlegging van een straf of maatregel, of als voorwaarde onderdeel uitmaakt van een sepot, een schorsing van de voorlopige hechtenis, of een gratieverlening op grond van de Gratiewet, dan wel onderdeel uitmaakt van een strafbeschikking waarbij een gedragsmaatregel wordt opgelegd. De eerste volzin is niet van toepassing op zorg die al dan niet als voorwaarde onderdeel uitmaakt van een straf of maatregel bedoeld in het. Forensische zorg omvat de zorg als bedoeld inen, en. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere vormen van zorg worden aangemerkt als forensische zorg dan wel daarvan worden uitgesloten. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 1 Met inachtneming van het karakter van de vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zo veel als mogelijk aangewend voor herstel van de forensische patiënt en vermindering van de kans op recidive, ten behoeve van de veiligheid van de samenleving. 2 De forensische zorg voorziet in de noodzakelijke aansluiting met andere vormen van geestelijke gezondheidszorg. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 Aan de forensische patiënt wordt de forensische zorg verleend, waarop hij blijkens de strafrechtelijke titel is aangewezen. 2 Onze Minister voorziet in het doen ten uitvoer leggen van forensische zorg. 3 Van de forensisch patiënt kan een bijdrage in de kosten voor verblijf in een instelling worden gevraagd. Onze Minister is belast met het vaststellen en innen van de bijdrage van de forensische patiënt in de kosten van de forensische zorg. Hij kan een organisatie aanwijzen die namens hem belast wordt met het vaststellen en innen van de bijdrage. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de gevallen waarin de eigen bijdrage in de forensische zorg wordt geheven en kunnen nadere regels worden gesteld inzake de inning van de eigen bijdrage. 5 De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2025 46 27-02-2025 19-02-2025 36600 2025 46 27-02-2025 19-02-2025 36600 28-02-2025 01-01-2025
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg artikel 6:5, aanhef en onderdeel a, van die wet Indien de rechter van oordeel is, dat voldaan is aan de criteria voor het afgeven van een zorgmachtiging krachtens de, kan hij, ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie, met toepassing van die wet een zorgmachtiging ingevolge die wet afgeven als bedoeld in. Aan deze bevoegdheid kan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke beslissing toepassing worden gegeven: 1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld; 2°. artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstigwordt bepaald dat geen straf wordt opgelegd; 3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt vrijgesproken; 4°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging; 5°. bij de rechterlijke beslissing op vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging of tot verlenging van de tenuitvoerlegging van de op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegde maatregel; 6°. op vordering van het openbaar ministerie; 7°. indien de rechter de maatregel van terbeschikkingstelling niet verlengt; 8°. indien de rechter de maatregel van terbeschikkingstelling, waarvan de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd, niet verlengt; 9°. indien de rechter de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt; 10°. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt; 11°. bij rechterlijke beslissing op vordering van het openbaar ministerie tot omzetting van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel van terbeschikkingstelling; 12°. artikel 6:3:14 van het Wetboek van Strafvordering indien de voorwaarden, bedoeld in, zijn geëxpireerd. 2 artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten Indien de rechter van oordeel is, dat voldaan is aan de criteria voor het afgeven van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf als bedoeld in, kan hij, ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie, met toepassing van die wet een rechterlijke machtiging ingevolge die wet afgeven voor de maximale duur van zes maanden. Aan deze bevoegdheid kan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke beslissing toepassing worden gegeven op een van de in het eerste lid genoemde gronden. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 Vervallen 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 1 artikel 3.2, eerste lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg artikel 1, derde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijke gehandicapte cliënten Zes weken voor afloop van de justitiële titel treft de zorgaanbieder voorbereidingen voor aansluitende zorg, indien de zorgverlener of de behandelaar van oordeel is dat na afloop van de strafrechtelijke titel verdere zorg als bedoeld inofnodig is. 2 De zorgaanbieder verwerkt persoonsgegevens, met inbegrip van persoonsgegevens over gezondheid of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, ter uitvoering van het eerste lid. 3 De zorgaanbieder verstrekt persoonsgegevens, met inbegrip van persoonsgegevens over gezondheid of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, ter uitvoering van het eerste lid aan: a. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg de geneesheer-directeur, de officier van justitie, de psychiater belast met de medische verklaring, de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke, in de zin van de; en b. Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten het CIZ, de officier van justitie, de ter zake kundige arts belast met de medische verklaring, de zorgaanbieder, en de zorgverantwoordelijke, in de zin van de. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 1 paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Ten behoeve van de indicatiestelling, de plaatsing van forensische patiënten bij zorgaanbieders, de verlening van forensische zorg, de declaratie en de betaling van de forensische zorg en het toezicht op de forensische zorg zoals deze op grond van deze wet wordt verleend, worden persoonsgegevens van forensische patiënten, met inbegrip van bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld inen van justitiële gegevens in de zin van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, verwerkt. 2 artikel 5.2, eerste lid Onze Minister, het orgaan, bedoeld in, de zorgaanbieder, de reclassering en het openbaar ministerie zijn verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. 3 Onze Minister verstrekt aan de zorgaanbieder ten behoeve van de plaatsing van de forensische patiënt bij die zorgaanbieder, de zorgverlening aan deze patiënt, de declaratie en de betaling van de forensische zorg, het strafrechtsketennummer van de forensische patiënt of bij het ontbreken van dit nummer, zijn bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander persoonsidentificerend nummer voor strafvorderlijke en penitentiaire doeleinden, alsmede de strafrechtelijke titel, de duur daarvan, de eventuele gestelde voorwaarden die betrekking hebben op de forensische zorg, de indicatiestelling en de wijze waarop het toezicht op de tenuitvoerlegging wordt vormgegeven. 4 Bij de verwerking van gegevens ten behoeve van de declaratie wordt het strafrechtsketennummer van de forensische patiënt of bij het ontbreken van dit nummer, zijn bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander persoonsidentificerend nummer voor strafvorderlijke en penitentiaire doeleinden gebruikt, wordt de strafrechtelijke titel en de duur daarvan verwerkt, alsmede de verleende forensische zorg. Ten behoeve van de declaratie en de betaling van de forensische zorg is de zorgaanbieder bevoegd de in de voorgaande volzin genoemde gegevens te verstrekken aan Onze Minister. 5 Ten behoeve van de begeleiding en het toezicht op de forensische zorg verstrekt het openbaar ministerie aan de reclassering de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens, betreffende de strafrechtelijke titel en duur daarvan en betreffende de in het kader van de strafrechtelijke titel te verlenen forensische zorg. 6 Indien noodzakelijk ten behoeve van het toezicht op de naleving van de voorwaarden inzake de verlening van forensische zorg verstrekt de zorgaanbieder aan het openbaar ministerie dan wel aan de reclasseringsinstelling de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens betreffende de behandeltrouw van de forensische patiënt. Dit betreft in ieder geval gegevens betreffende de data dat de forensische patiënt zorg heeft genoten, dan wel afwezig was en gegevens betreffende de medewerking van de forensische patiënt aan de verleende forensische zorg. Tevens verstrekt de zorgaanbieder na het voltooien van de forensische zorg, of in een eerder stadium op verzoek van het openbaar ministerie of uit eigen beweging indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is in verband met het voorkomen van recidive, een advies over de kans op herhaling van het gedrag in verband waarmee de forensische zorg is opgelegd. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 De wijziging is in werking getreden op 28 juli 2018 met
terugwerkende kracht tot en met 25 mei 2018 (Stb. 2018/248).
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: a. artikel 2.6 tot welke gegevens de verplichting, bedoeld in, zich in ieder geval uitstrekt; b. artikel 2.6 op welke wijze de gegevens, bedoeld in, worden verstrekt en verder worden verwerkt; c. volgens welke technische standaarden gegevensverwerking plaatsvindt; d. aan welke beveiligingseisen de gegevensverwerking voldoet; e. de omvang van de gegevensverstrekking, de wijze waarop de reclasseringsinstelling en de zorgaanbieder forensische zorg gegevens van forensische patiënten verwerken en over de gegevensverwerking ten behoeve van statistiek en onderzoek. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 1 Onze Minister verwerkt gegevens die betrekking hebben op forensische zorg met het oog op het beleid van die forensische zorg. 2 De zorgaanbieder die forensische zorg verleent, het hoofd van de instelling of de directeur van de instelling waar forensische zorg wordt verleend en de reclasseringsinstelling verstrekken desgevraagd en kosteloos gegevens aan Onze Minister ten behoeve van de verwerking, bedoeld in het eerste lid. 3 De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen persoonsgegevens zijn, inclusief het strafrechtsketennummer, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de taak, bedoeld in het eerste lid. Het strafrechtsketennummer wordt slechts verwerkt bij het verstrekken en ontvangen van deze persoonsgegevens teneinde te waarborgen dat deze persoonsgegevens betrekking hebben op de juiste betrokkene. 4 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet verwerkt voor andere doeleinden dan aldaar bedoeld en worden daar waar mogelijk verwerkt op een wijze die waarborgt dat zij niet tot een persoon herleidbaar zijn. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud van de gegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, de wijze waarop de verwerking en de verstrekking plaatsvinden, de tijdvakken waarop de gegevens betrekking hebben en de tijdstippen waarop de gegevens dienen te worden verstrekt. 6 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de gegevens in plaats van aan Onze Minister op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen wijze kunnen worden verstrekt aan en kunnen worden verwerkt door een door Onze Minister aan te wijzen instantie. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 Onze Minister wijst de instellingen aan welke bestemd zijn als rijksinstelling voor forensische zorg. 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden Penitentiaire beginselenwet Door de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, is devan toepassing, tenzij de wet anders bepaalt. Indien de instelling als organisatorisch verband onderdeel uitmaakt van een penitentiaire inrichting kan in de aanwijzing devan toepassing worden verklaard. 3 Het beheer van de rijksinstellingen berust bij Onze Minister. 4 Het dagelijks beheer van een rijksinstelling berust bij het hoofd van de instelling, die als zodanig door Onze Minister wordt aangewezen. Het dagelijks beheer van een instelling welke deel uit maakt van een penitentiaire inrichting berust bij de directeur van de inrichting. 5 Het hoofd van de instelling wijst, met machtiging van Onze Minister, één of meer personen als zijn vervanger aan. 2018 37 16-02-2018 24-01-2018 32399 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 Onze Minister wijst de instellingen aan welke bestemd zijn als private instelling voor forensische zorg. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 artikel 3.2 Onze Minister kan in de aanwijzing, bedoeld in, bepalen dat deze instelling in het bijzonder bestemd is als private instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden. 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden In de private instelling bedoeld in het eerste lid is de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van toepassing, tenzij de wet anders bepaalt. Delen van dekunnen bij wet van toepassing worden verklaard ten aanzien van ter beschikking gestelden die verblijven in een private instelling, niet zijnde een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in het eerste lid. 3 Het beheer van de private instelling, bedoeld in het eerste lid, berust bij het hoofd van de instelling, die als zodanig door de Raad van toezicht wordt benoemd. Van de benoeming wordt schriftelijk bericht gezonden aan Onze Minister. 4 Het hoofd van de private instelling, bedoeld in het eerste lid, wijst, met machtiging van de Raad van toezicht, één of meer personen als zijn vervanger aan. Van de aanwijzing wordt schriftelijk bericht gezonden aan Onze Minister. 5 Onze Minister is bevoegd tot het geven van een aanwijzing aan de Raad van bestuur indien de bij of krachtens de wet gestelde bepalingen met betrekking tot ter beschikking gestelden onvoldoende worden nageleefd. 6 Onze Minister kan het beheer van de private instelling overnemen en of een bewindvoerder aanstellen, het hoofd van de private instelling schorsen dan wel het hoofd van de private instelling voordragen voor ontslag, indien de aanwijzing, bedoeld in het vijfde lid, onvoldoende wordt nageleefd. 7 Onze Minister benoemt één van de leden van de Raad van toezicht van de private instelling, die als bijzondere taak heeft om toezicht te houden op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde bepalingen met betrekking tot ter beschikking gestelden en daarover ruggespraak te kunnen houden. 8 De Raad van toezicht benoemt één van de leden van de Raad van toezicht van de private instelling tot voorzitter, na overleg met Onze Minister. 9 Ten aanzien van het sluiten van overeenkomsten tot kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen door de private instelling is machtiging of toestemming van Onze Minister vereist. 10 Wijziging van de statuten, juridische fusie en of splitsing van de private instelling geschiedt niet zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 Het hoofd van de instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden stelt huisregels vast voor de instelling of voor een of meer afdelingen daarvan, met inachtneming van het bij regeling van Onze Minister vast te stellen model. 2 Het hoofd van de instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden is, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de instelling of een ongestoord verloop van de verpleging of behandeling, bevoegd aan de forensische patiënten aanwijzingen te geven. De forensische patiënten zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden Penitentiaire beginselenwet Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, deen de, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren voor zover het bepaalde betrekking heeft op: a. de toeleiding naar forensische zorg, b. de verlening van forensische zorg aan personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in een instelling plaatsvindt, en c. de tenuitvoerlegging van deze straf of maatregel. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 3 De met het toezicht belaste ambtenaren hebben te allen tijde toegang tot een instelling. 4 § 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming De met het toezicht belaste ambtenaren zijn, voor zover dit voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd tot inzage van de dossiers die betrekking hebben op personen aan wie forensische zorg wordt verleend, het maken van kopieën daarvan en het vorderen van inlichtingen. De inzage, het maken van kopieën en het vorderen van inlichtingen strekken zich ook uit tot de in die dossiers verwerkte persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens over gezondheid of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de zin van. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn de met het toezicht belaste ambtenaren bevoegd de in dit lid bedoelde gegevens voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs. 5 artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Voor zover de desbetreffende beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of overeenkomst tot geheimhouding van het dossier en de daarin opgenomen persoonsgegevens verplicht is, kan hij deze verplichting, in afwijking van, niet inroepen tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren. Op de met het toezicht belaste ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de desbetreffende beroepsbeoefenaar. 6 § 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming De toezichthouder en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd maken in het belang van een doelmatig en doeltreffend toezicht op de naleving afspraken en stellen daartoe gezamenlijk een samenwerkingsprotocol vast. Het samenwerkingsprotocol kan mede betrekking hebben op de verstrekking van persoonsgegevens, van gegevens over gezondheid en van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de zin van, en de wijze waarop deze verstrekking plaatsvindt tussen deze toezichthouders onderling. Het samenwerkingsprotocol wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. 7 artikel 36 van de Gezondheidswet § 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming De toezichthouder en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd zijn bevoegd aan elkaar de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak bedoeld in het eerste lid, of de taak, bedoeld in, voor zover betrekking hebbend op forensische zorg, mits de beoogde ontvangende partij ook zelfstandig bevoegd is om de betreffende gegevens in te zien of op te vragen. De verstrekking kan, voor zover dit noodzakelijk is, ook betrekking hebben tot de in de dossiers, bedoeld in het vierde lid, verwerkte persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens over gezondheid of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de zin van. In voorkomend geval mogen de gegevens in afwijking van eventuele geheimhoudingsplichten worden verstrekt. De ontvangende partij is ten aanzien van die gegevens verplicht tot geheimhouding, zoals de verzendende partij hiertoe in beginsel verplicht was. 8 artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het vierde lid en van. 9 Aan de leden van het Subcomité ter preventie als bedoeld in het op 18 december 2002 te New York tot stand gekomen Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 2005, 243) en het Comité als bedoeld in het op 26 november 1987 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (Trb. 1988, 19), zoals gewijzigd door Protocol 1 en 2 (Trb. 199, 106 en 107), komen dezelfde bevoegdheden toe als waarover de met het toezicht belaste ambtenaren beschikken. Zij maken van deze bevoegdheid slechts gebruik voor zover dit voor hun taak redelijkerwijs nodig is. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. het beheer van Onze Minister van de rijksinstellingen; b. de aanwijzing als private instelling, de daaraan te verbinden voorwaarden en de gevallen waarin de aanwijzing wordt opgeschort of ingetrokken. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere eisen gestelde inzake de verlening van forensische zorg aan forensische patiënten, de interne en externe beveiliging van de instellingen, bouwkundige eisen en eisen omtrent de huisvesting van forensische patiënten. 3 artikel 6:6:12, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het houden van aantekeningen bedoeld inen het aantekenen van andere belangrijke voorvallen omtrent de ter beschikking gestelde in instellingen als bedoeld in het eerste lid in een register waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 1 Onze Minister koopt forensische zorg in bij zorgaanbieders, met uitzondering van rijksinstellingen, op basis van schriftelijke overeenkomsten. 2 artikelen 196 317 509g van het Wetboek van Strafvordering Onze Minister koopt tevens de observatieplaatsen in, bedoeld in de,en. 3 De Nederlandse Zorgautoriteit geeft advies aan Onze Minister over de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 artikel 4.1, eerste lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inhoud van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 Ten behoeve van de strafrechtelijke titel, de plaatsing, de zorgverlening en de declaratie daarvan, wordt een indicatiestelling opgemaakt. 2 artikel 5.2, eerste lid De rechter, de officier van justitie of Onze Minister beslist op basis van een indicatiestelling over de te verlenen forensische zorg. Indien de rechter, de officier van justitie, of Onze Minister afwijkt van de indicatiestelling wordt de indicatiestelling in overeenstemming gebracht met de strafrechtelijke titel door het orgaan, bedoeld in. 3 artikel 6.1, eerste lid De indicatiestelling, bedoeld in het eerste lid, danwel in het geval toepassing is gegeven aan het tweede lid, de indicatiestelling, bedoeld in het tweede lid,wordt tevens toegezonden aan Onze Minister ten behoeve van het plaatsingsbesluit bedoeld in. 4 artikel 6.1, eerste lid In het geval eerst ter zitting blijkt dat forensische zorg moet worden verleend en er geen indicatiestelling voorhanden is, kan de rechter in afwijking van het tweede lid beslissen dat forensische zorg wordt verleend. In dat geval gelast Onze Minister zo spoedig mogelijk na de beslissing van de rechter een indicatiestelling ten behoeve van het plaatsingsbesluit als bedoeld in. 5 Onze Minister zendt de indicatiestelling die hij heeft ontvangen door aan de zorgaanbieder, waar de forensische patiënt is geplaatst, ten behoeve van de zorgverlening en de declaratie daarvan. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 1 Een door Onze Minister aan te wijzen orgaan is bevoegd een indicatiestelling af te geven aan de rechter, officier van justitie of Onze Minister. 2 Onze Minister is bevoegd om een nieuwe indicatiestelling te gelasten, indien deze naar zijn oordeel of naar het oordeel van de zorgaanbieder niet meer voorziet in de noodzakelijke forensische zorg. Alvorens een nieuwe indicatiestelling te gelasten, worden de zorgaanbieder en de forensische patiënt hierover gehoord. 3 artikelen 196 197 198 317 509g 509h van het Wetboek van Strafvordering De,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op het onderzoek ten behoeve van de indicatiestelling. 4 In spoedeisende gevallen kan de officier van justitie gelasten dat forensische zorg wordt verleend, alvorens een indicatiestelling is afgegeven en de strafrechtelijke titel is verleend. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de organisaties die de indicatiestelling verrichten en kunnen nadere regels worden gesteld over de deskundigheid van de personen die het onderzoek verrichten, de kwaliteit van de indicatiestelling, het toezicht op de kwaliteitseisen die aan de indicatiestelling worden gesteld en de ontwikkeling en de implementatie van kwaliteitsinstrumenten, scholing, deskundigheidsbevordering en onderzoek. 2 Over de procedure met betrekking tot de indicatiestelling en de daarbij te gebruiken modellen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. 3 artikel 5.2, vierde lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de totstandkoming van een indicatiestelling in de spoedeisende gevallen als bedoeld in. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 1 De plaatsing van forensische patiënten bij een zorgaanbieder geschiedt door of vanwege Onze Minister, op basis van een gedagtekend besluit. Onze Minister neemt het besluit bedoeld in de eerste volzin slechts nadat hij zich een indicatiestelling heeft doen overleggen. 2 Onze Minister informeert de zorgaanbieder schriftelijk en onverwijld na de beslissing, bedoeld in het eerste lid, over de strafrechtelijke titel, de eventuele gestelde voorwaarden en de wijze waarop het toezicht wordt vormgegeven. 3 Na plaatsing van de forensische patiënt is de zorgaanbieder verplicht om de geïndiceerde zorg en beveiliging te bieden. De instelling is verplicht de forensische patiënt op te nemen en forensische zorg te verlenen. 4 Onze Minister kan de zorgaanbieder een bestuurlijke boete opleggen, indien de zorgaanbieder niet voldoet aan de verplichting tot opneming en verlening van forensische zorg bedoeld in het derde lid. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 1 artikel 6.1, eerste lid Bij de plaatsing, bedoeld in, worden in ieder geval in de overwegingen betrokken: a. de eisen die de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de forensische patiënt voor de veiligheid van anderen dan de forensische patiënt of de algemene veiligheid van personen of goederen stelt; b. de eisen die de verlening van forensische zorg aan de forensische patiënt gezien de aard van de bij hem geconstateerde psychische stoornis of verstandelijke beperking stelt; c. de forensische zorgbehoefte en het beveiligingsniveau zoals opgenomen in de indicatiestelling. 2 Ten aanzien van de overplaatsing van de forensische patiënt naar een andere zorgaanbieder is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3 In verband met de in het eerste lid, onder a, genoemde eisen kan Onze Minister bij de plaatsing of overplaatsing voorwaarden stellen, waaraan verlening van forensische zorg aan de forensische patiënt dient te voldoen. 4 De officier van justitie geeft op verzoek van Onze Minister advies over het niveau van beveiliging dan wel over de te stellen voorwaarden, bedoeld in het derde lid. 5 artikel 6.1, eerste lid De gegevens welke zijn opgenomen in de indicatiestelling worden door Onze Minister slechts gebruikt ten behoeve van het besluit, bedoeld inen voor het maken van prognoses. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 1 artikel 6.1, eerste lid De plaatsing, bedoeld in, van een ter beschikking gestelde in een instelling geschiedt binnen een termijn van vier maanden na aanvang van de termijn van terbeschikkingstelling. Deze termijn kan telkens worden verlengd met vier maanden. Met een beslissing tot verlenging wordt gelijk gesteld een weigering om binnen de in de eerste volzin genoemde termijn te beslissen. 2 Zolang de opname van ter beschikking gestelden in een voor hen bestemde plaats niet mogelijk is, is Onze Minister bevoegd om hen, gedurende een termijn van maximaal één jaar, te plaatsen in een instelling die als organisatorisch verband deel uitmaakt van een penitentiaire inrichting. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 1 artikel 3.3, eerste lid artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 14c artikel 38p van het Wetboek van Strafrecht artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering Opneming van ter beschikking gestelden in een rijksinstelling of een private instelling met een aanwijzing als bedoeld in, aan wie door de rechter een voorwaarde is opgelegd op grond van, ter beschikking gestelden die op eigen verzoek opnieuw in een instelling willen worden opgenomen, personen aan wie door de rechter een voorwaarde is opgelegd op grond vanenofen voortzetting van het verblijf van ter beschikking gestelden die opnieuw in een instelling opgenomen willen worden, geschiedt niet zonder machtiging van Onze Minister. 2 artikel 3.3, eerste lid Opneming van ter beschikking gestelden in een rijksinstelling of een private instelling met een aanwijzing als bedoeld in, die opnieuw in een instelling opgenomen willen worden en voorzetting van het verblijf van ter beschikking gestelden die hun verblijf in een instelling willen voorzetten, geschiedt slechts indien zij schriftelijk hiermee instemmen. 3 Onze Minister kan aan het hoofd van de instelling een machtiging verlenen tot beëindiging van de behandeling en ontslag van de forensische patiënt uit de instelling, indien: a. de werkingsduur van de strafrechtelijke titel is geëindigd; b. een forensische patiënt niet gedwongen is opgenomen en hij heeft verzocht om beëindiging van de opname; c. artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 14c artikel 38p van het Wetboek van Strafrecht artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering de beëindiging van de behandeling en het ontslag betrekking hebben op ter beschikking gestelden aan wie door de rechter een voorwaarde is opgelegd op grond van, ter beschikking gestelden die op eigen verzoek hun verblijf in een inrichting willen voorzetten of op eigen verzoek opnieuw in een instelling willen worden opgenomen en personen aan wie door de rechter een voorwaarde is opgelegd op grond vanenofen zich één van de navolgende omstandigheden voordoet: 1°. de psychische stoornis of verstandelijke beperking van de forensische patiënt zodanig is verminderd dat het, mede gelet op de veiligheid van anderen dan de forensische patiënt of de algemene veiligheid van personen of goederen, verantwoord is hem in de maatschappij te doen terugkeren; 2°. de voortzetting van het verblijf in de instelling van de forensische patiënt gevaar oplevert voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de instelling of de behandeling van andere verpleegden en in plaatsing elders is voorzien; 3°. het belang van de forensische patiënt meebrengt dat zijn behandeling elders wordt voortgezet en in plaatsing elders is voorzien; 4°. de behandeling van de forensische patiënt onvoldoende resultaten te zien geeft en in plaatsing elders is voorzien. 4 artikel 14c artikel 38, eerste lid artikel 38p van het Wetboek van Strafrecht artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering artikel 6:6:11 artikel 6:6:21, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering De machtiging tot beëindiging van de behandeling en het ontslag, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, onder 1°, wordt niet eerder afgegeven dan nadat Onze Minister het openbaar ministerie heeft geïnformeerd over de voorgenomen beëindiging van de behandeling en ontslag bij een persoon aan wie door de rechter een voorwaarde is opgelegd op grond van,,of. Indien het openbaar ministerie niet besluit een vordering in te stellen als bedoeld inofkan Onze Minister de machtiging tot beëindiging en ontslag verlenen. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-01-2024
Artikel 6.5 — Artikel 6.5#
Artikel 6.5 1 Indien het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan Onze Minister bepalen dat een forensische patiënt tijdelijk voor een periode van ten hoogste zeven weken wordt geplaatst in een andere instelling dan de instelling waar de forensische patiënt is geplaatst, teneinde te bezien of een overplaatsing met het oog op de veiligheid nodig is. 2 Indien de behandeling van de forensische patiënt gezien de aard van de bij hem geconstateerde psychische stoornis, verslaving daaronder begrepen, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap zulks eist, kan Onze Minister bepalen dat een forensische patiënt tijdelijk voor een periode van ten hoogste zeven weken wordt geplaatst in een andere instelling dan de instelling waar de forensische patiënt is geplaatst, teneinde te bezien of een overplaatsing met het oog op een andere behandeling nodig is. 3 Indien de tijdelijke plaatsing, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet leidt tot de overplaatsing van de forensische patiënt naar een andere instelling, keert hij na het verstrijken van de termijn van ten hoogste zeven weken terug naar de instelling, waarin hij was geplaatst. 4 Onze Minister kan, indien dit met het oog op de voorbereiding van de terugkeer van de forensische patiënt naar de instelling waarin hij was geplaatst noodzakelijk is, de termijn, bedoeld in het derde lid, met ten hoogste vier weken verlengen. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 6.6 — Artikel 6.6#
Artikel 6.6 artikel 4, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet Forensische patiënten die hiervoor ingevolge, in aanmerking komen, kunnen in het kader van de verlening van forensische zorg door Onze Minister in de gelegenheid worden gesteld tot deelname aan een penitentiair programma en daarbij voor de duur van het programma of een gedeelte daarvan onder elektronisch toezicht worden gesteld. Bij het niet voldoen aan de voorwaarden voor deelname, bedoeld in artikel 4, derde lid, Penitentiaire beginselenwet kan de deelname worden beëindigd. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.7 — Artikel 6.7#
Artikel 6.7 artikel 3.3, eerste lid Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten Indien de aard van de bij de forensische patiënt geconstateerde psychische stoornis, verslaving daaronder begrepen, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bepalen dat de forensische patiënt naar een private instelling, niet zijnde een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in, zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is, te worden verpleegd. Voor deze overbrenging is een zorgmachtiging vereist op grond van deof een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname op grond van de. Een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging als bedoeld in de vorige volzin kan achterwege blijven indien de forensische patiënt schriftelijk en vrijwillig met de overbrenging instemt. 2023 202 19-06-2023 24-05-2023 35936 2023 307 28-09-2023 25-09-2023 01-10-2023
Artikel 6.8 — Artikel 6.8#
Artikel 6.8 Onze Minister draagt zorg voor overbrenging van de forensische patiënt naar de daartoe bestemde plaats, indien dit vanuit het oogpunt van sociale verzorging en hulpverlening noodzakelijk is en een dergelijke overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.9 — Artikel 6.9#
Artikel 6.9 Onze Minister is bevoegd om een forensische patiënt over te brengen naar een instelling, indien dit ten behoeve van de indicatiestelling noodzakelijk is. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.10 — Artikel 6.10#
Artikel 6.10 1 Het hoofd van de instelling bij welke de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen betreffende de forensische patiënt aan Onze Minister. 2 Het hoofd van de instelling, bedoeld in het eerste lid, verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen. 3 Penitentiaire beginselenwet Indien de instelling deel uitmaakt van een penitentiaire inrichting, meldt de directeur van die penitentiaire inrichting ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen betreffende de forensische patiënt volgens de regels gesteld bij of krachtens de. 4 De zorgaanbieder die forensische zorg verleent of doet verlenen aan een forensische patiënt, die buiten de instelling of de penitentiaire inrichting verblijft bij welke de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, draagt er zorg voor, met het oog op de in de voorgaande leden bedoelde verplichtingen, dat het hoofd van die instelling of de directeur van die penitentiaire inrichting in kennis wordt gesteld van de ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen die de forensische patiënt betreffen. De zorgaanbieder meldt de ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen tevens aan de persoon of de instelling die is belast met begeleiding van en het toezicht op de forensische patiënt. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.10a — Artikel 6.10a#
Artikel 6.10a 1 Het hoofd van de instelling stelt voor personeelsleden en medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 2 artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in. 3 artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in. 4 Het hoofd van de instelling bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. 2013 142 19-04-2013 14-03-2013 33062 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 6.11 — Artikel 6.11#
Artikel 6.11 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. artikel 6.1, vierde lid de hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in. Deze bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan € 25.000 per niet nagekomen verplichting. b. de plaatsing en de overplaatsing van forensische patiënten en de wijze waarop het vervoer plaatsvindt; c. de overbrenging van forensische patiënten met het oog op de aanvang of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de uitspraak of beslissing en de te volgen procedure bij ongeoorloofde afwezigheid van de forensische patiënt. 2 artikel 6.10 Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud en wijze van melding bij ongeoorloofde afwezigheid van de forensische patiënt en andere bijzondere voorvallen, bedoeld in. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 wijzigt het Wetboek van Strafrecht. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2019 453 05-12-2019 26-11-2019 01-01-2020 Onderdeel E. 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2019 453 05-12-2019 26-11-2019 01-01-2020 De wijziging is in werking getreden op 1 januari 2015 (Stb. 2014/541). 2018 37 16-02-2018 24-01-2018 32399 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 wijzigt het Wetboek van Strafvordering. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2018 30 16-02-2018 31-01-2018 34736 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.3a — Artikel 7.3a#
Artikel 7.3a wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2019 435 27-11-2019 19-11-2019 28-11-2019
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 Vervallen 2018 37 16-02-2018 24-01-2018 32399 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 7.7 — Artikel 7.7#
Artikel 7.7 wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.7a — Artikel 7.7a#
Artikel 7.7a wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.8 — Artikel 7.8#
Artikel 7.8 wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. 2018 37 16-02-2018 24-01-2018 32399 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 7.8a — Artikel 7.8a#
Artikel 7.8a wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.8b — Artikel 7.8b#
Artikel 7.8b wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.9 — Artikel 7.9#
Artikel 7.9 wijzigt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.10 — Artikel 7.10#
Artikel 7.10 wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 7.11 — Artikel 7.11#
Artikel 7.11 wijzigt de Zorgverzekeringswet. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2015 502 16-12-2015 02-12-2015 33683 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.12 — Artikel 7.12#
Artikel 7.12 wijzigt de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 7:13a — Artikel 7:13a#
Artikel 7:13a wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7:13b — Artikel 7:13b#
Artikel 7:13b Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/225. wijzigt de Wet cliëntenrechten zorg. 2013 225 25-06-2013 19-06-2013 33012 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.13c — Artikel 7.13c#
Artikel 7.13c Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/225. wijzigt de Wet cliëntenrechten zorg. 2013 225 25-06-2013 19-06-2013 33012 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.13d — Artikel 7.13d#
Artikel 7.13d Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/225. wijzigt de Wet cliëntenrechten zorg. 2013 225 25-06-2013 19-06-2013 33012 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2015 407 11-11-2015 07-10-2015 32402 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.13e — Artikel 7.13e#
Artikel 7.13e wijzigt de Wijzigingswet Wet maatschappelijke ondersteuning (uitbreiding gemeentelijke taken, enz). Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 7.14 — Artikel 7.14#
Artikel 7.14 wijzigt de Algemene nabestaandenwet. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.15 — Artikel 7.15#
Artikel 7.15 wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.16 — Artikel 7.16#
Artikel 7.16 wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.17 — Artikel 7.17#
Artikel 7.17 wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.18 — Artikel 7.18#
Artikel 7.18 wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.19 — Artikel 7.19#
Artikel 7.19 wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.20 — Artikel 7.20#
Artikel 7.20 wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 7.21 — Artikel 7.21#
Artikel 7.21 wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 Deze wet wordt aangehaald als: Wet forensische zorg. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 De artikelen (hoofdstukken) van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen (hoofdstukken) of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2018 38 16-02-2018 24-01-2018 32398 2018 498 24-12-2018 11-12-2018 01-01-2019