Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke regels omtrent het kunnen verlengen van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd (Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten)
- BWB-id
- BWBR0043425
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2020-06-26 t/m 2020-10-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0043425
- ELI
- /eli/nl/wet/2020/tijdelijke-wet-verlenging-tijdelijke-huurovereenkomsten
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2020/tijdelijke-wet-verlenging-tijdelijke-huurovereenkomsten/2020-06-26
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0043425&g=2020-06-26
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0043425&z=2026-06-06&g=2020-06-26
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0043425/2020-06-26
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2020/tijdelijke-wet-verlenging-tijdelijke-huurovereenkomsten
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikel 271, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Deze wet is van toepassing op huurovereenkomsten als bedoeld in, waarvan de huur verstrijkt na 31 maart 2020 en vóór 1 juli 2020. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 271, eerste lid, tweede, derde en vijfde volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikelen 4 5 In afwijking vanwordt, onverminderd deen, de duur van de huurovereenkomst op schriftelijk verzoek van de huurder verlengd met een maand, met twee maanden of met drie maanden doch niet tot een later datum dan 1 november 2020. 2 artikel 6, eerste lid Het verzoek wordt gedaan niet later dan een week nadat de verhuurder de huurder schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt en heeft voldaan aan de verplichting om te informeren, bedoeld in. 2020 203 25-06-2020 17-06-2020 2020 203 25-06-2020 17-06-2020 26-06-2020
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 271, eerste lid, tweede, derde en vijfde volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek In afwijking vanwordt de duur van de huurovereenkomst op schriftelijk verzoek van de verhuurder, indien de huurder daar schriftelijk mee instemt, verlengd met een maand, met twee maanden, of met drie maanden doch niet tot een later datum dan 1 november 2020. 2020 203 25-06-2020 17-06-2020 2020 203 25-06-2020 17-06-2020 26-06-2020
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2 De verhuurder kan binnen een week na ontvangst van het inbedoelde verzoek schriftelijk weigeren in te stemmen met de verlenging van de huurovereenkomst indien hij de woning: artikel 2 op een datum die gelegen is voor het verstrijken van de door de huurder verzochte verlenging en de verhuurder de verplichting is aangegaan voor 1 april 2020. De verhuurder kan voorts binnen een week na ontvangst van het inbedoelde verzoek schriftelijk weigeren in te stemmen met de verlenging van de huurovereenkomst op de grond dat de huurder zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt. In andere gevallen dan bedoeld in de eerste en tweede volzin kan de verhuurder verzoeken dat de rechter bepaalt dat de huurovereenkomst op een eerder tijdstip eindigt dan het door de huurder verzochte tijdstip en dat de rechter het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst eindigt. a. aan een derde vrij van huur en gebruik in eigendom of belast met een zakelijk genotsrecht over dient te dragen, b. opnieuw verhuurd heeft en de huurovereenkomst ingaat, c. zelf wil betrekken en hij geen andere woonruimte meer heeft, d. wil renoveren, dat zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, en hij zich jegens derden verplicht heeft om de woning vrij van huur en gebruik daarvoor beschikbaar te stellen, e. wil slopen en hij zich jegens derden verplicht heeft om de woning vrij van huur en gebruik daarvoor beschikbaar te stellen, 2 artikel 2 Indien de verhuurder op een van de in het eerste lid, eerste of tweede volzin, genoemde gronden weigert in te stemmen met de op grond vangevraagde verlenging, kan de huurder verzoeken dat de rechter bepaalt dat de huurovereenkomst wordt verlengd. 3 artikel 2 Artikel 230a, zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek De rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, derde volzin, slechts kan toewijzen indien de verhuurder een zwaarwichtig belang heeft bij beëindiging van de huurovereenkomst op een eerder tijdstip dan het door de huurder op grond vanverzochte tijdstip.is van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 271, eerste lid, derde volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek De huurovereenkomst blijft, in afwijking vanvan rechtswege van kracht tot de rechter heeft beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, derde volzin, of het tweede lid. 5 artikel 2 Indien de rechter het verzoek van de verhuurder afwijst dan wel het verzoek van de huurder toewijst, wordt de huurovereenkomst van rechtswege verlengd met de termijn, genoemd in het verzoek, bedoeld in. De rechter kan bepalen dat de huurovereenkomst met een andere termijn wordt verlengd. 6 Tegen een beschikking krachtens dit artikel staat geen hogere voorziening open. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikelen 2 3 artikel 271, eerste lid, tweede, derde en vijfde volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek In afwijking van deenkunnen de huurder en de verhuurder, indien de verhuurder de huurder vóór 12 maart 2020 schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt, schriftelijk overeenkomen dat de huurovereenkomst, in afwijking van, wordt verlengd met een maand, met twee maanden of met drie maanden doch niet tot een later datum dan 1 september 2020. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 271, eerste lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek De verhuurder informeert de huurder tegelijk met het informeren over de dag waarop de huur verstrijkt als bedoeld inschriftelijk over de mogelijkheden op grond van deze wet. 2 artikel 249, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Indien een huurovereenkomst als bedoeld inis verlengd met toepassing van deze wet vangt de termijn, bedoeld in dat lid aan op het tijdstip waarop de verlengde huurovereenkomst eindigt. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikelen 2, eerste lid 3 5 9, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur kan eenmalig in de,,en, «1 september 2020» worden vervangen door «1 oktober 2020», «1 november 2020» of «1 december 2020». 2 Indien uitvoering is gegeven aan het eerste lid: a. artikelen 2 3 4 5 kunnen huurovereenkomsten die overeenkomstig de,,ofzijn verlengd, nogmaals worden verlengd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2, 3 en 4 en b. artikel 1 artikel 271, eerste lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is in afwijking vandeze wet voorts van toepassing op huurovereenkomsten als bedoeld in, waarvan de bepaalde tijd verstrijkt na 30 juni 2020 en niet later dan twee maanden vóór de overeenkomstig het eerste lid bepaalde vervaldatum van deze wet. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 2, tweede lid In afwijking van, wordt, indien de verhuurder de huurder vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt, het in dat lid bedoelde verzoek gedaan binnen een week na de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2 artikel 7, eerste lid artikel 2, tweede lid Indien uitvoering is gegeven aan, wordt in afwijking van, indien de verhuurder de huurder vóór 1 juni 2020 schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt en die huur verstrijkt na 30 juni 2020, het in artikel 2, tweede lid bedoelde verzoek gedaan voor 9 juli 2020. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 6, eerste lid Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2020, met uitzondering van. 2 Deze wet vervalt met ingang van 1 november 2020. 2020 203 25-06-2020 17-06-2020 2020 203 25-06-2020 17-06-2020 26-06-2020
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten. 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 2020 123 24-04-2020 22-04-2020 35431 25-04-2020 01-04-2020