Wet van 18 december 2019 tot invoering van een bronbelasting op renten en royalty’s (Wet bronbelasting 2021)
- BWB-id
- BWBR0042952
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0042952
- ELI
- /eli/nl/wet/2020/wet-bronbelasting-2021
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2020/wet-bronbelasting-2021/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0042952&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0042952&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0042952/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2020/wet-bronbelasting-2021
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Bronbelasting#
Artikel 1.1 Bronbelasting artikel 2.1 Onder de naam bronbelasting wordt een belasting geheven van het lichaam, bedoeld in. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Definities#
Artikel 1.2 Definities 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. voordeelgerechtigde: artikel 3.1 artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in, met dien verstande dat een lichaam als bedoeld inwordt aangemerkt als voordeelgerechtigde met betrekking tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1 waartoe de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam door tussenkomst van dat lichaam zijn gerechtigd; b. inhoudingsplichtige: 1°. naamloze vennootschappen; 2°. besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid; 3°. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag; 4°. onderlinge waarborgmaatschappijen; 5°. verenigingen; 6°. stichtingen; 7°. andere Nederlandse rechtspersonen; 8°. fondsen voor gemene rekening; 9°. naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen als bedoeld in het tweede lid; 10°. artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 lichamen als bedoeld in, behalve voor zover de voordeelgerechtigde stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten houdt in dat lichaam en is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt; c. aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige: een inhoudingsplichtige: 1°. waarin de voordeelgerechtigde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft; 2°. die onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde; 3°. waarin een derde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft, terwijl die derde tevens onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde; 4°. waarin de voordeelgerechtigde onmiddellijk of middellijk een belang heeft en waarin hij samen met een of meer andere lichamen die met hem een kwalificerende eenheid vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft; 5°. die onmiddellijk of middellijk een belang heeft in de voordeelgerechtigde en die samen met een of meer andere lichamen die met die inhoudingsplichtige een kwalificerende eenheid vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde; of 6°. waarin lichamen die deel uitmaken van een kwalificerende eenheid gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben en die lichamen tevens gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in de voordeelgerechtigde; d. kwalificerend belang: een belang waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van het lichaam kunnen worden bepaald; e. laagbelastende jurisdictie: een bij ministeriële regeling aangewezen staat die: 1°. artikel 5.1, derde lid op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in, lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpt aan een belasting naar de winst; of 2°. artikel 5.1, derde lid is opgenomen in een in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in, geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden; f. vaste inrichting: artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een vaste inrichting als bedoeld in; g. kwalificerende eenheid: lichamen die gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan. 2 Onder de naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9°, worden verstaan naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen: a. artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in; b. artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 waarvan de rechtsvorm niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in, noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in, en die lichamen: 1°. in Nederland zijn gevestigd; of 2°. niet in Nederland zijn gevestigd en de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van een dergelijk lichaam volgens de fiscale regelgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt worden toegerekend aan dat lichaam. 3 artikel 3.1, onderdeel c In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, worden voor de heffing over de voordelen in de vorm van dividenden als bedoeld in, uitsluitend als inhoudingsplichtige aangemerkt de lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3°, 8° en 10°, de lichamen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, en naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 8°. 4 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°: a. bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening; b. lidmaatschapsrechten in een in Nederland gevestigde coöperatie en daarmee op één lijn te stellen bewijzen van deelgerechtigdheid tot het vermogen van een in Nederland gevestigde coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag; c. belangen in een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 8°; d. belangen in een lichaam als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°. 5 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de fondsen voor gemene rekening, coöperaties, verenigingen op coöperatieve grondslag en lichamen, bedoeld in het vierde lid, gelijkgesteld met vennootschappen. 6 artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fonds voor gemene rekening verstaan: een fonds voor gemene rekening als bedoeld in. 7 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam ook aangemerkt als voordeelgerechtigde, mits: a. artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de rechtsvorm van dat lichaam vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in; b. artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van die wet artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de rechtsvorm van dat lichaam niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in, noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in, en dat lichaam: 1°. in Nederland is gevestigd; of 2°. niet in Nederland is gevestigd en de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van dat lichaam volgens de fiscale wetgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt worden toegerekend aan dat lichaam. 8 In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt een staat die voor het eerst bij ministeriële regeling wordt aangewezen als staat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en in relatie waarmee op het moment van die eerste aanwijzing reeds een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van kracht is voor de toepassing van deze wet niet eerder als laagbelastende jurisdictie aangemerkt dan nadat sinds dat moment drie kalenderjaren zijn verstreken. 9 artikel 3.1 artikel 2.14bis, eerste of tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien voordelen als bedoeld inop grond vanworden toegerekend aan een participant in een lichaam als bedoeld in artikel 2.14bis, eerste of tweede lid, van die wet, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die participant aangemerkt als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in artikel 3.1. 10 artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam een met de rechtsvorm van een lichaam als bedoeld inof een met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld invergelijkbare rechtsvorm heeft. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld voor de beoordeling of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam naast de rechtsvorm ook voor het overige met een lichaam vergelijkbaar is als bedoeld in de eerste zin. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Fictieve vestigingsplaats#
Artikel 1.3 Fictieve vestigingsplaats 1 Indien de oprichting van een inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die inhoudingsplichtige geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste zin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht. 2 artikel 5.2 van de Belastingwet BES Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden op de BES eilanden gevestigde inhoudingsplichtigen die door de toepassing vangeacht worden niet op de BES eilanden te zijn gevestigd, geacht in Nederland te zijn gevestigd. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Belastingplichtigen#
Artikel 2.1 Belastingplichtigen 1 artikel 3.1 Belastingplichtig voor de belasting is een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld inen dat: a. naar de omstandigheden beoordeeld in een laagbelastende jurisdictie is gevestigd of volgens de fiscale of andere regelgeving van die jurisdictie aldaar is gevestigd; b. niet in een laagbelastende jurisdictie is gevestigd, waarbij die voordelen worden toegerekend aan een vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie; c. volgens de fiscale regelgeving van een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, in die staat is gevestigd en gerechtigd is tot die voordelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties waarbij: 1°. een constructie of transactie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan; 2°. een constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij, onderscheidenlijk het, niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen; d. volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin de voordeelgerechtigde is gevestigd, niet zijnde een laagbelastende jurisdictie, aldaar niet wordt behandeld als de gerechtigde tot die voordelen omdat die staat een lichaam waarin die voordeelgerechtigde een belang heeft als gerechtigde tot die voordelen beschouwt; of e. volgens de fiscale regelgeving van de staat op grond van wiens recht de voordeelgerechtigde is opgericht, niet zijnde een laagbelastende jurisdictie, aldaar niet wordt behandeld als de gerechtigde tot die voordelen omdat die voordeelgerechtigde volgens de fiscale regelgeving van die staat niet aldaar is gevestigd, en die voordeelgerechtigde niet volgens de fiscale regelgeving van een andere staat in laatstbedoelde staat is gevestigd. 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat de voordeelgerechtigde volgens de fiscale regelgeving van een andere staat, niet zijnde een laagbelastende jurisdictie, tevens in die staat is gevestigd en aldaar wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en die voordeelgerechtigde niet volgens een door die staat met een andere staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht te zijn gevestigd in die andere staat. 3 Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin dat lichaam is gevestigd aldaar als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, wordt beschouwd, in welk geval dat lichaam wordt geacht de voordeelgerechtigde, bedoeld in het eerste lid, te zijn. 4 Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien er geen achterliggende gerechtigde is die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt en aannemelijk wordt gemaakt dat: a. iedere achterliggende gerechtigde die een kwalificerend belang heeft in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin die achterliggende gerechtigde is gevestigd aldaar wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en niet een lichaam is waarop zonder tussenkomst van de voordeelgerechtigde het eerste lid, onderdelen a, b, c of d, van toepassing zou zijn; of b. er geen achterliggende gerechtigde is die een kwalificerend belang heeft in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. 5 Onder een belang als bedoeld in het vierde lid wordt mede verstaan een middellijk belang, mits op het lichaam of de lichamen via welke het middellijke belang wordt gehouden het eerste lid, onderdeel e, van toepassing zou zijn indien dit lichaam, onderscheidenlijk die lichamen, de voordeelgerechtigde zou, onderscheidenlijk zouden, zijn. Van achterliggende gerechtigdheid als bedoeld in het vierde lid is sprake voor zover de gerechtigdheid tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, rechtstreeks verband houdt met een participatie in de voordeelgerechtigde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. 6 Indien aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden wordt voldaan, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de voordeelgerechtigde geacht niet gerechtigd te zijn tot de voordelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in de eerste zin, wordt voldaan, dient de voordeelgerechtigde of de inhoudingsplichtige aannemelijk te maken dat: a. de voordeelgerechtigde niet gerechtigd is tot de voordelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan; of b. sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. 7 artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 3.1 Belastingplichtig voor de belasting is mede een lichaam als bedoeld indat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in, voor zover een achterliggende gerechtigde die een kwalificerend belang heeft in dat lichaam is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt en die gerechtigde op grond van het eerste lid belastingplichtig zou zijn indien hij zonder tussenkomst van dat lichaam de voordeelgerechtigde zou zijn. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Heffingsgrondslag#
Artikel 3.1 Heffingsgrondslag De belasting wordt geheven over de voordelen in de vorm van: a. artikel 3.3 renten als bedoeld in; b. artikel 3.4 royalty’s als bedoeld in; c. artikel 3.4a dividenden als bedoeld in. 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 01-01-2024
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Correctie naar zakelijke voorwaarden#
Artikel 3.2 Correctie naar zakelijke voorwaarden 1 artikel 3.1 Indien ter zake van voordelen als bedoeld invoorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden die voordelen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen. 2 Niet in geld genoten voordelen worden in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Heffingsgrondslag renten#
Artikel 3.3 Heffingsgrondslag renten 1 De voordelen in de vorm van renten zijn de vergoedingen van welke aard dan ook – kosten daaronder begrepen – uit hoofde van geldleningen verschuldigd door: a. een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige; of b. een niet in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige voor zover de met die vergoedingen corresponderende lasten worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een geldlening verstaan: een schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. 3 artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vaste inrichting mede verstaan: onroerende zaken, rechten, schuldvorderingen en werkzaamheden als bedoeld in. 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 01-01-2022
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Heffingsgrondslag royalty’s#
Artikel 3.4 Heffingsgrondslag royalty’s 1 De voordelen in de vorm van royalty’s zijn de vergoedingen, bedoeld in het tweede lid, verschuldigd door: a. een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige; of b. een niet in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige voor zover de met die vergoedingen corresponderende lasten worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder royalty’s verstaan: vergoedingen van welke aard dan ook: a. voor het gebruik van of het recht op gebruik van: 1°. een auteursrecht op een werk op het gebied van de letterkunde, kunst of wetenschap, daaronder begrepen bioscoopfilms en software; 2°. een octrooi; 3°. een fabrieks- of handelsmerk; 4°. een tekening of model; 5°. een plan; 6°. een geheim recept of geheime werkwijze; of b. voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap. 3 artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vaste inrichting mede verstaan: onroerende zaken, rechten, schuldvorderingen en werkzaamheden als bedoeld in. 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 2021 652 27-12-2021 22-12-2021 35928 01-01-2022
Artikel 3.4a — Artikel 3.4a Heffingsgrondslag dividenden#
Artikel 3.4a Heffingsgrondslag dividenden 1 artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 3°, 4° of 6° De voordelen in de vorm van dividenden zijn de voordelen uit hoofde van de gerechtigdheid – rechtstreeks of door middel van certificaten – tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van, kapitaalverstrekkingen als bedoeld inaan en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet aan een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige als bedoeld in. 2 Tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, behoren: a. onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder welke naam of in welke vorm ook gedaan daaronder begrepen hetgeen ter gelegenheid van inkoop van aandelen, anders dan ter tijdelijke belegging, wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal; b. hetgeen bij liquidatie op aandelen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal; c. de nominale waarde van aandelen uitgereikt aan aandeelhouders, voor zover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden, met dien verstande dat bijschrijving op aandelen wordt gelijkgesteld met uitreiking van aandelen; d. gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, voor zover er zuivere winst is, tenzij tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd; e. hetgeen wordt uitgekeerd op winstbewijzen, daaronder begrepen hetgeen wordt genoten ter gelegenheid van afkoop of inkoop daarvan; f. artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vergoedingen voor kapitaalverstrekkingen als bedoeld inen vergoedingen op geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet; g. gehele of gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort, voor zover het vermogen van het fonds uitgaat boven hetgeen op de in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid is gestort; h. het bedrag dat als storting wordt toegerekend aan elk van de bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening voor zover winsten van dat fonds worden bestemd om te gelden als storting op aan deelgerechtigden uit te geven of reeds uitgegeven bewijzen van deelgerechtigdheid; i. renten op inleggelden en, in het algemeen, alle vergoedingen voor kapitaalverstrekkingen aan een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag door leden als zodanig, met uitzondering van de gehele of gedeeltelijke teruggaaf van inleggelden. 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 01-01-2024 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 3.4b — Artikel 3.4b Op aandelen gestort kapitaal bij aandelenruil, splitsing of fusie#
Artikel 3.4b Op aandelen gestort kapitaal bij aandelenruil, splitsing of fusie 1 Voor zover de storting op aandelen in een vennootschap bestaat uit aandelen in een andere vennootschap wordt ten aanzien van alle aandeelhouders slechts als gestort aangemerkt hetgeen op de laatstbedoelde aandelen is gestort, verminderd met hetgeen in contanten is bijbetaald. In afwijking van de eerste zin wordt, ingeval die andere vennootschap niet in Nederland is gevestigd, als gestort kapitaal aangemerkt de waarde in het economische verkeer van de ingebrachte aandelen ten tijde van de storting, tenzij deze aandelenruil in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. 2 In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste een evenredig gedeelte van het bedrag van het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de splitsing toegekende aandelen, en wordt, in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal in dezelfde mate verminderd. Indien in het kader van de splitsing een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de eerste zin het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling. In afwijking van de eerste en tweede zin wordt, ingeval de splitsende rechtspersoon niet in Nederland is gevestigd, als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersoon in het kader van de splitsing uitgereikte aandelen aangemerkt de waarde in het economische verkeer van het vermogen dat als gevolg van de splitsing overgaat op de verkrijgende rechtspersoon voor zover het vermogen niet bestaat uit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap, tenzij deze splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een evenredig gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon. 4 Ingeval de splitsende rechtspersoon in Nederland is gevestigd en de overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, blijft het tweede lid, eerste en tweede zin, buiten toepassing en wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende rechtspersoon. 5 In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon wordt: a. ingeval in het kader van de fusie aandelen worden toegekend: ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met een bijbetaling in contanten die in het kader van de fusie plaatsvindt, aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersoon in het kader van de fusie toegekende aandelen; of b. ingeval in het kader van de fusie geen aandelen worden toegekend en de aandeelhouder ten tijde van de fusie alle aandelen bezit in de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon: ten aanzien van de aandeelhouder het gestorte kapitaal in de verkrijgende rechtspersoon vermeerderd met ten hoogste het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal. 6 Ingeval de verdwijnende rechtspersoon niet in Nederland is gevestigd, wordt voor de toepassing van het vijfde lid als het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt de waarde in het economische verkeer van het vermogen dat als gevolg van de fusie overgaat op de verkrijgende rechtspersoon voor zover het vermogen niet bestaat uit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap, tenzij de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. 7 Een aandelenruil, een splitsing en een fusie worden voor de toepassing van het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, betrokken rechtspersonen. Bij een splitsing worden zakelijke overwegingen voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen, liquide middelen daaronder begrepen, of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan, onderscheidenlijk achterblijven, geen afzondering van ingehouden winst representeren. 8 De rechtspersoon die zekerheid wenst omtrent de vraag of een aandelenruil, een splitsing of een fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de aandelenruil, de splitsing, onderscheidenlijk de fusie, een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025
Artikel 3.4c — Artikel 3.4c Vaststelling gestort kapitaal#
Artikel 3.4c Vaststelling gestort kapitaal De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen in een vennootschap, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 01-01-2024
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Genietingstijdstip#
Artikel 3.5 Genietingstijdstip 1 artikel 3.1, onderdelen a en b De voordelen, bedoeld in, worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij: a. betaald of verrekend worden, ter beschikking van de voordeelgerechtigde worden gesteld of rentedragend worden; of b. vorderbaar en tevens inbaar worden. 2 Gedurende het tijdvak gerijpte doch aan het einde van dat tijdvak nog niet genoten renten of royalty’s worden beschouwd op 31 december van dat tijdvak te zijn genoten. 3 artikel 3.1, onderdelen a en b Voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat over een bedrag reeds met toepassing van het tweede lid belasting is geheven, behoort dat bedrag niet tot de voordelen, bedoeld in, op het moment dat het eerste lid toepassing vindt. 4 artikel 3.1, onderdeel c De voordelen, bedoeld in, worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ter beschikking van de voordeelgerechtigde worden gesteld. 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 01-01-2024
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Tarief#
Artikel 4.1 Tarief artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 3.1 De belasting bedraagt het hoogste percentage, bedoeld in, van de voordelen, bedoeld in. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Belasting voor rekening inhoudingsplichtige#
Artikel 4.2 Belasting voor rekening inhoudingsplichtige artikel 3.1 artikel 4.1 Indien de inhoudingsplichtige de belasting voor zijn rekening neemt, worden voor het berekenen van de belasting de voordelen, bedoeld in, vermenigvuldigd met 100/(100-T), waarbij T staat voor het geldende percentage van het tarief, bedoeld in. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Heffing door inhouding#
Artikel 5.1 Heffing door inhouding 1 artikel 3.1 De belasting wordt geheven door inhouding op de voordelen, bedoeld in. 2 artikel 3.1 De inhoudingsplichtige houdt de belasting in op het tijdstip waarop de voordelen, bedoeld in, worden genoten. 3 De inhoudingsplichtige draagt de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af. 4 artikel 3.1 artikel 3.5 Voor zover de belasting niet op de voordelen, bedoeld in, kan worden ingehouden, wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op het genietingstijdstip, bedoeld in. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Samenloop dividendbelasting#
Artikel 5.2 Samenloop dividendbelasting artikel 3.1, onderdeel c De in te houden belasting op de voordelen, bedoeld in, wordt verminderd met de ten laste van de voordeelgerechtigde ter zake van die voordelen ingehouden dividendbelasting. 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 01-01-2024
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Naheffing#
Artikel 6.1 Naheffing 1 artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Onverminderd het bepaalde inwordt de naheffingsaanslag opgelegd aan de inhoudingsplichtige dan wel aan de belastingplichtige indien de inhoudingsplichtige de belasting die moet worden afgedragen geheel of gedeeltelijk niet heeft betaald. 2 artikel 3.1, onderdeel c De na te heffen belasting ter zake van de voordelen, bedoeld in, wordt verminderd met de ten laste van de belastingplichtige ter zake van die voordelen afgedragen of nageheven dividendbelasting. 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 2021 543 11-11-2021 04-11-2021 35779 01-01-2024
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Informatieverplichting#
Artikel 6.2 Informatieverplichting 1 Artikel 47a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die van belang kunnen zijn voor de heffing van de belasting waarvan de inhouding is opgedragen aan de inhoudingsplichtige en die in het bezit zijn van: a. de voordeelgerechtigde; b. een derde die onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in die inhoudingsplichtige; of c. lichamen die deel uitmaken van een kwalificerende eenheid en die gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in die inhoudingsplichtige. 2 artikel 4.2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingevaltoepassing vindt. 3 Artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing ingeval niet of niet volledig wordt voldaan aan de informatieverplichting ingevolge het eerste lid. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Inlichtingenverplichting#
Artikel 6.3 Inlichtingenverplichting 1 De inhoudingsplichtige is gehouden de inspecteur eigener beweging juiste en volledige inlichtingen of gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hem is opgedragen te verstrekken binnen twee weken nadat hem bekend is geworden dat die inlichtingen of gegevens niet, onjuist of onvolledig door hem zijn verstrekt. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt nagekomen op de door de inspecteur aangegeven wijze. 3 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Vergrijpboete overtreden inlichtingenverplichting#
Artikel 6.4 Vergrijpboete overtreden inlichtingenverplichting 1 artikel 6.3, eerste lid Indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de verplichting, bedoeld in, niet wordt nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. 2 artikel 6.3, eerste lid De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in, niet zou zijn geheven. 3 artikel 67o, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Voor de toepassing van dit artikel isvan overeenkomstige toepassing. 4 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Wijzigingen Wet bronbelasting 2021#
Artikel 7.1 Wijzigingen Wet bronbelasting 2021 Wijzigt deze wet. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2022
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Wijzigingen#
Artikel 7.2 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Wijzigingen Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021 Onderdeel A.
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Wet op de dividendbelasting 1965 Wijzigingen#
Artikel 7.3 Wet op de dividendbelasting 1965 Wijzigingen Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2020
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Algemene wet inzake rijksbelastingen Wijzigingen#
Artikel 7.4 Algemene wet inzake rijksbelastingen Wijzigingen Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 2020 542 23-12-2020 09-12-2020 35573 2020 542 23-12-2020 09-12-2020 35573 01-01-2021 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 Invorderingswet 1990 Wijzigingen#
Artikel 7.5 Invorderingswet 1990 Wijzigingen Wijzigt de Invorderingswet 1990. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Inwerkingtreding#
Artikel 8.1 Inwerkingtreding 1 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. 2 artikel 7.2, onderdelen B en C artikel 7.3 In afwijking van het eerste lid treden, enin werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat artikel 7.2, onderdeel B, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020. 3 artikel 7.1 In afwijking van het eerste lid treedtin werking met ingang van 1 januari 2022. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2020
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Citeertitel#
Artikel 8.2 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet bronbelasting 2021. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2020