Wet van 2 november 2022, houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen)
- BWB-id
- BWBR0047436
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0047436
- ELI
- /eli/nl/wet/2022/wet-hersteloperatie-toeslagen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2022/wet-hersteloperatie-toeslagen/2026-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0047436&g=2026-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0047436&z=2026-06-06&g=2026-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0047436/2026-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2022/wet-hersteloperatie-toeslagen
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: berekeningsjaar: kalenderjaar waarop de toeslag betrekking heeft; huurtoeslag: artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag huurtoeslag als bedoeld in; inspecteur: artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de inspecteur, bedoeld in; kind: artikel 4, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet eigen kind als bedoeld in; kinderopvangtoeslag: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang kinderopvangtoeslag als bedoeld in; kindgebonden budget: artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het kindgebonden budget kindgebonden budget als bedoeld in; ontvanger: artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 de ontvanger, bedoeld in; Onze Minister: Onze Minister van Financiën; overleden aanvrager: artikel 2.7 aanvrager van een kinderopvangtoeslag die is overleden en ten aanzien van wie een herstelmaatregel als bedoeld inis toegepast of ten aanzien van wie aannemelijk is dat deze zou zijn toegepast, indien diegene: a. nog in leven zou zijn geweest op het moment van toepassing van de herstelmaatregel naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; of b. daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en is overleden voor 1 januari 2024; overleden kind: afdeling 2.2 een kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat is overleden voordat aan hem een tegemoetkoming als bedoeld inis toegekend en van wie aannemelijk is dat aan hem die tegemoetkoming zou zijn toegekend indien: a. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoetkoming ambtshalve zou zijn toegekend; b. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoetkoming zou zijn toegekend naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; of c. artikel 6.1, tweede lid hij daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en hij is overleden voordat de aanvraagtermijn, bedoeld in, is verlopen; partner: artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 5 van die wet partner als bedoeld in, met overeenkomstige toepassing van; pleegkind: artikel 4, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet pleegkind als bedoeld inof een kind dat met een pleegkind wordt gelijkgesteld krachtens artikel 4, vierde lid, van die wet; toeslag: kinderopvangtoeslag, huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget; zorgtoeslag: artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de zorgtoeslag zorgtoeslag als bedoeld in. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.1 Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1 De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of b. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wet kinderopvang de toepassing van de, deof de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. 2 De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. 3 artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. 4 Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd. 5 artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 2.6 De compensatie en de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade blijven achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien of voor zover aan de aanvrager een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag van de O/GS-tegemoetkoming, of als bedoeld inis toegekend. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Componenten compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.2 Componenten compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag De compensatie bestaat uit: a. artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering; b. artikel 40 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond vanofvoor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag; c. een bedrag voor materiële schade; d. een bedrag voor immateriële schade; e. een bedrag voor invorderingskosten; f. een bedrag voor proceskosten; g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 26-01-2021
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Hoogte compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.3 Hoogte compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.2, onderdeel a Het bedrag, bedoeld in, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met: a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft. 2 artikel 2.2, onderdeel b Het bedrag, bedoeld in, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald. 3 artikel 2.2, onderdeel c Het bedrag, bedoeld in, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b. 4 artikel 2.2, onderdeel d Het bedrag, bedoeld in, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen. 5 artikel 2.2, onderdeel e Het bedrag, bedoeld in, is gelijk aan de kosten die door de Dienst Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente. 6 artikel 2.2, onderdeel f Het bedrag, bedoeld in, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding. 7 artikel 2.2, onderdeel g artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Het bedrag, bedoeld in, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing vanen de daarop berustende bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen luidden op 31 december 2025, en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan. 8 De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%. 9 artikel 2.1, derde lid Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in, vermeerderd met 1%. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Herziening compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.4 Herziening compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.2, onderdeel a De Dienst Toeslagen kan een toegekende compensatie herzien indien de beschikking tot toekenning of herziening van de kinderopvangtoeslag alsnog op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan waarvan is uitgegaan bij de berekening van de hoogte van de compensatie. De herziening bedraagt het hieruit voortvloeiende verschil, doch maximaal het bedrag, bedoeld in. 2 artikel 2.2, onderdeel g artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Indien de compensatie een bedrag omvat voor in rekening gebrachte en betaalde of verrekende invorderingsrente of voor rente als bedoeld in, wordt het bedrag van de compensatie verminderd met de rente die op basis vanen de daarop berustende bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen luidden op 31 december 2025, wordt vergoed over de verhoging, bedoeld in het eerste lid, doch maximaal met het bedrag dat in de compensatie ter zake van de genoemde rentecomponenten is begrepen. 3 Indien de compensatie wordt herzien, kan het daaruit voortvloeiende terug te vorderen bedrag worden verrekend met het aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag uit te betalen bedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, eerste zin. 4 Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot terugvordering of beschikking tot herziening van de terugvordering. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Ambtshalve toekenning compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.5 Ambtshalve toekenning compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag artikel 49, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 2.7 artikel 2.1, eerste lid Indien aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag voor 26 januari 2021 bij beschikking een bedrag is toegekend op grond vanof een herstelmaatregel als bedoeld inonderzoekt de Dienst Toeslagen ambtshalve of compensatie als bedoeld in, na toepassing van artikel 2.1, vijfde lid, zou leiden tot toekenning van een aanvullend bedrag. Indien dit het geval is, wordt dit bedrag door de Dienst Toeslagen bij beschikking vastgesteld en uitbetaald. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 O/GS-tegemoetkoming en aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.6 O/GS-tegemoetkoming en aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wet kinderopvang De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de, de daarop berustende bepalingen of debij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. 2 De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering. 3 Aan een aanvrager van een O/GS-tegemoetkoming die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de onbillijkheden van overwegende aard, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de O/GS-tegemoetkoming, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade toegekend. 4 artikel 2.1 De O/GS-tegemoetkoming en de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade blijven achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld inover hetzelfde berekeningsjaar of voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Forfaitair bedrag voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.7 Forfaitair bedrag voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1 Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats. 2 Indien een aanvrager van een kinderopvangtoeslag gedurende een periode een partner had, zij beiden in aanmerking komen voor toepassing van een herstelmaatregel en ten minste een van hen in aanmerking komt voor een herstelmaatregel over een deel van die periode, wordt het forfaitaire bedrag alleen toegekend aan degene van wie de Dienst Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld. Aan de ander wordt een bedrag van € 10.000 toegekend als diegene op het moment van het toekennen van het forfaitaire bedrag niet de partner is van degene aan wie het forfaitaire bedrag wordt toegekend, met dien verstande dat het bedrag van € 10.000 wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die deze persoon op het moment van toekenning van dit bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats. 3 artikelen 2.1, vijfde lid 2.6, vierde lid Indien een aanvrager van een kinderopvangtoeslag of de partner, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel over een deel van de periode, bedoeld in het tweede lid, en zij elkaars partners waren op het moment van het toekennen van het forfaitaire bedrag aan een van hen, wordt voor de toepassing van de, en, aan ieder van hen een percentage van € 30.000 toegerekend, met een maximum van het uitbetaalde bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming. Dit percentage wordt voor ieder van hen berekend door de som van de aan hem op grond van herstelmaatregelen toegekende bedragen, vóór toepassing van de in die artikelleden bedoelde verminderingen, te delen door de som van de aan hen beiden op grond van herstelregelmaatregelen toegekende bedragen, vóór toepassing van de in die artikelleden bedoelde verminderingen, met dien verstande dat bij de berekening van het percentage toegekende bedragen die compensatie of tegemoetkoming voor hogere werkelijke schade bieden, buiten beschouwing worden gelaten. 4 Een herstelmaatregel is: a. artikel 49 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen toekenning van een hardheidstegemoetkoming als bedoeld in, zoals dat luidde op 25 januari 2021; b. artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 2.1 toekenning van compensatie als bedoeld in, zoals dat luidde op 25 januari 2021, of als bedoeld in; c. artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 2.6 toekenning van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag van de O/GS-tegemoetkoming, of als bedoeld in; d. het verlagen of op nihil vaststellen van een terug te vorderen bedrag kinderopvangtoeslag in bijzondere omstandigheden vanwege de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van een beschikking tot vaststelling of tot terugvordering kinderopvangtoeslag in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen; e. het vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag naar rato van het bedrag van de kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald; f. herziening van een op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande beschikking tot terugvordering kinderopvangtoeslag, in bijzondere omstandigheden vanwege de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van deze beschikking in verhouding tot de met de beschikking te dienen doelen; of g. herziening van een op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande beschikking tot toekenning kinderopvangtoeslag waarbij het recht op kinderopvangtoeslag wordt vastgesteld naar rato van het bedrag van de kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald. 5 In afwijking van het vierde lid is geen sprake van een herstelmaatregel indien: a. een toekenning, verlaging of vaststelling op nihil, naar rato vaststelling of herziening als bedoeld in het vierde lid, onderdelen c tot en met g, betrekking heeft op een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd; of b. een verlaging, vaststelling op nihil of naar rato vaststelling als bedoeld in het vierde lid, onderdelen d en e, van toepassing is op een beschikking met een oorspronkelijke dagtekening van na 22 oktober 2019. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Incidentele noodvoorziening voor aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.8 Incidentele noodvoorziening voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.7 De Dienst Toeslagen kan een incidentele noodvoorziening toekennen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die zich in een acute financiële noodsituatie bevindt waardoor hij noodzakelijke uitgaven niet kan doen, indien hij een aanvraag heeft gedaan om toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inen de Dienst Toeslagen het forfaitaire bedrag, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of de herstelmaatregel of een eerste betaling daarvan, niet op korte termijn aan de aanvrager kan toekennen. 2 Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag komt niet in aanmerking voor een incidentele noodvoorziening indien hij geen recht had op een kinderopvangtoeslag en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Vangnetbepaling bijzondere tegemoetkoming kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.9 Vangnetbepaling bijzondere tegemoetkoming kinderopvangtoeslag 1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wet kinderopvang artikel 2.6 In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kan onder bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te stellen regels op een voor 1 januari 2024 aan de Dienst Toeslagen gedaan verzoek van de belanghebbende een bijzondere tegemoetkoming worden toegekend indien sprake is van een schrijnend geval waarin toepassing van, de daarop berustende bepalingen of debij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot ernstige onbillijkheden van overwegende aard, die zich hebben voorgedaan bij een beschikking tot vaststelling of tot terugvordering inzake de kinderopvangtoeslag, dan wel bij het niet toekennen van een persoonlijke betalingsregeling vanwege de onterechte kwalificatie opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering inzake de kinderopvangtoeslag, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de belanghebbende te laten en waarvoor andere compensaties, herzieningen, hardheidstegemoetkomingen, O/GS-tegemoetkomingen als bedoeld inof vergoedingen ter zake van die onbillijkheden niet voldoende zijn. 2 In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kan onder bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te stellen regels op een aan de Dienst Toeslagen gedaan verzoek van de partner of het kind van een overleden aanvrager, het kind, pleegkind en voormalig pleegkind, de partner, het kind of de ouder van een overleden kind of de ex-partner een bijzondere tegemoetkoming worden toegekend indien sprake is van een schrijnend geval waarin toepassing van deze wet leidt tot ernstige onbillijkheden van overwegende aard, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van die partner of dat kind van de overleden aanvrager, dat kind, pleegkind of voormalig pleegkind, die partner, dat kind of die ouder van het overleden kind onderscheidenlijk die ex-partner, te laten en waarvoor de voorzieningen ter zake van die onbillijkheden niet voldoende zijn. 3 De voordracht voor een krachtens het eerste en tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld, wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 2.9a — Artikel 2.9a Compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding bestuursrechtelijke schulden en overneming en betaling privaatrechtelijke schulden van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag voor partner van overleden aanvrager#
Artikel 2.9a Compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding bestuursrechtelijke schulden en overneming en betaling privaatrechtelijke schulden van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag voor partner van overleden aanvrager 1 Aan degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag van overlijden wordt een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend: hoofdstuk 3 artikelen 3.1 tot en met 3.12 overeenkomstige toepassing vanop de geldschulden, bedoeld in de, van een overleden aanvrager voor zover deze ten laste van de partner zijn gekomen, en de daar bedoelde schulden van die partner. a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen: 1°. artikel 2.1, eerste lid compensatie die op grond van, aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden; 2°. artikel 2.6, eerste lid tegemoetkoming die op grond van, aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden; 3°. artikel 2.7 het forfaitaire bedrag dat op grond vanaan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden; b. afdeling 4.1 op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing vanop de daar bedoelde geldschulden van een overleden aanvrager voor zover deze ten laste van de partner zijn gekomen, en op de daar bedoelde schulden van die partner; c. artikelen 3.1 tot en met 3.12 ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de: 2 artikel 2.1, derde lid artikel 2.6, derde lid Aan degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag van overlijden wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden. 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag van overlijden, dit niet meer was op de eerste dag van de maand die volgt op de dag van overlijden van de aanvrager als gevolg van een omstandigheid anders dan het overlijden van de aanvrager. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 2.9b — Artikel 2.9b Compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding bestuursrechtelijke schulden en overneming en betaling privaatrechtelijke schulden van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag voor kind van overleden aanvrager#
Artikel 2.9b Compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding bestuursrechtelijke schulden en overneming en betaling privaatrechtelijke schulden van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag voor kind van overleden aanvrager 1 artikel 2.9a Indien een overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden, indien degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van, of indien de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet, worden aan het kind van de overleden aanvrager een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend: hoofdstuk 3 artikelen 3.1 tot en met 3.12 overeenkomstige toepassing vanop de geldschulden, bedoeld in de, van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen. a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen: 1°. artikel 2.1, eerste lid compensatie die op grond van, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden; 2°. artikel 2.6, eerste lid tegemoetkoming die op grond van, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden; 3°. artikel 2.7 het forfaitaire bedrag dat op grond vanaan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden; b. afdeling 4.1 op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing vanop de daar bedoelde geldschulden van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen; c. artikelen 3.1 tot en met 3.12 ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de: 2 artikel 2.1, derde lid artikel 2.6, derde lid Aan het kind van een overleden aanvrager wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden, in het geval dat: a. de overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden; b. artikel 2.9a degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van; of c. artikel 2.9a, derde lid de situatie, bedoeld in, zich voordoet. 3 artikel 6.1b, eerste lid Indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in, een aanvraag indienen voor de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt het bedrag van de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verminderd naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die compensatie of tegemoetkoming. 4 artikel 6.1b Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van het tweede lid, indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn die op grond vanop hen van toepassing is, een aanvraag daartoe indienen. 5 hoofdstuk 4a artikel 5.2 hoofdstuk 6 Het eerste tot en met vierde lid alsmede,en de daarop berustende bepalingen envoor zover die betrekking hebben op aanvragen als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kind van een overleden aanvrager: a. artikel 2.9a indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, overlijdt op of na de dag van inwerkingtreding van; b. artikel 2.9a voor zover die partner is overleden voordat toekenning heeft plaatsgevonden van de voorzieningen, de aanvullende compensatie of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming die aan die partner zouden zijn toegekend op grond vanindien deze niet was overleden; c. met dien verstande dat: 1°. artikel 6.1b, eerste lid voor de toepassing van, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager; 2°. artikel 6.1b, tweede lid artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2° , van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Tegemoetkoming voor kind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner#
Artikel 2.10 Tegemoetkoming voor kind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner artikel 2.7 artikel 2.12 Aan een kind van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inof van diens partner, indien die tevens diens partner was op 26 januari 2021, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld intoe, indien het kind op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag waarop dit artikel in werking is getreden, is geboren. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Tegemoetkoming voor pleegkind of voormalig pleegkind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner#
Artikel 2.11 Tegemoetkoming voor pleegkind of voormalig pleegkind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner 1 artikel 2.7 artikel 2.12 Aan een pleegkind van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inof van diens partner, indien die tevens diens partner was op 26 januari 2021, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld intoe, indien het pleegkind: a. uiterlijk op de dag waarop dit artikel in werking is getreden, pleegkind is geworden van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens partner; en b. op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag waarop dit artikel in werking is getreden, is geboren. 2 artikel 2.7 artikel 2.12 Aan een voormalig pleegkind van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, of van diens partner, indien die tevens diens partner was op 26 januari 2021, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld intoe, indien het voormalige pleegkind: a. onderdeel van het huishouden is geweest van de aanvrager van de kinderopvangtoeslag in de periode tussen de eerste beschikking van de Dienst Toeslagen waarvoor herstel wordt geboden door middel van de herstelmaatregel tot en met de dag waarop dit artikel in werking is getreden; en b. op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag waarop dit artikel in werking is getreden, is geboren. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.11a — Artikel 2.11a Tegemoetkoming voor kind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.11a Tegemoetkoming voor kind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.12 Aan een kind van een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld intoe, indien het kind: a. is geboren voordat de ex-partner de partner werd van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag; en b. op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag voordat het toeslagpartnerschap met de aanvrager van een kinderopvangtoeslag begon, is geboren. 2 Artikel 2.14g, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.11b — Artikel 2.11b Tegemoetkoming voor pleegkind of voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.11b Tegemoetkoming voor pleegkind of voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.12 Aan een pleegkind van een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld intoe, indien het pleegkind: a. pleegkind van de ex-partner is geworden voordat de ex-partner de partner werd van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag; en b. op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag voordat het toeslagpartnerschap met de aanvrager van een kinderopvangtoeslag begon, is geboren. 2 artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.12 Aan een voormalig pleegkind van een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld intoe, indien het voormalige pleegkind: a. pleegkind van de ex-partner is geworden voordat de ex-partner de partner werd van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag; b. onderdeel van het huishouden is geweest van de aanvrager van de kinderopvangtoeslag en diens ex-partner in de periode tussen de eerste beschikking van de Dienst Toeslagen waarvoor herstel wordt geboden door middel van de herstelmaatregel, tot en met de dag voordat het toeslagpartnerschap tussen de aanvrager van de kinderopvangtoeslag en diens ex-partner is geëindigd; en c. op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag voordat het toeslagpartnerschap met de aanvrager van een kinderopvangtoeslag begon, is geboren. 3 Artikel 2.14g, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Hoogte tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind#
Artikel 2.12 Hoogte tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind 1 De tegemoetkoming bedraagt voor een kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat op 1 juli 2023: a. jonger is dan zes jaar: € 2.000; b. ten minste zes jaar is, maar jonger is dan twaalf jaar: € 4.000; c. ten minste twaalf jaar is, maar jonger is dan vijftien jaar: € 6.000; d. ten minste vijftien jaar is, maar jonger is dan achttien jaar: € 8.000; e. ten minste achttien jaar is: € 10.000. 2 Een kind, pleegkind of voormalig pleegkind komt eenmaal in aanmerking voor de tegemoetkoming. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner op aanvraag#
Artikel 2.13 Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner op aanvraag artikel 2.10 artikel 2.11, eerste lid artikel 2.12 Een kind als bedoeld in, een pleegkind als bedoeld in, of een voormalig pleegkind als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, kan een aanvraag doen tot toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld inindien: a. artikel 2.7 de Dienst Toeslagen de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld inheeft bekendgemaakt; en b. artikel 6.4, onderdeel a of b de Dienst Toeslagen de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming niet ambtshalve binnen zes maanden na de datum, bedoeld in, heeft vastgesteld. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.13a — Artikel 2.13a Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag op aanvraag#
Artikel 2.13a Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag op aanvraag artikel 2.11a artikel 2.11b, eerste lid artikel 2.12 Een kind als bedoeld in, een pleegkind als bedoeld in, of een voormalig pleegkind als bedoeld in artikel 2.11b, tweede lid, kan een aanvraag doen tot toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld inindien: a. artikel 2.14h, eerste lid de Dienst Toeslagen de beschikking tot toekenning van de compensatie, bedoeld in, heeft bekendgemaakt; en b. artikel 2.12 artikel 6.4a de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in, niet ambtshalve is gegeven binnen zes maanden na de datum van dagtekening van de beschikking, bedoeld in. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een aanvrager kinderopvangtoeslag in geval van overlijden van de aanvrager#
Artikel 2.14 Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een aanvrager kinderopvangtoeslag in geval van overlijden van de aanvrager 1 artikel 2.12 artikelen 2.10 2.11 De Dienst Toeslagen kent op aanvraag een tegemoetkoming als bedoeld intoe aan een kind van een overleden aanvrager, dat op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of is geboren in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag waarop deenin werking zijn getreden. 2 artikel 2.11, eerste lid, onderdeel a Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een pleegkind als bedoeld in, en een voormalig pleegkind als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel a, van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag en op een kind, een pleegkind als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, onderdeel a, en een voormalig pleegkind als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel a, van de partner van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, indien hij tevens diens partner was op 26 januari 2021. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.14a — Artikel 2.14a Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag in geval van overlijden van de ex-partner#
Artikel 2.14a Tegemoetkoming voor kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag in geval van overlijden van de ex-partner 1 artikel 2.12 De Dienst Toeslagen kent op aanvraag een tegemoetkoming als bedoeld intoe aan een kind van een ex-partner van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag indien: a. het kind is geboren voordat de ex-partner de partner werd van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag; b. het kind op 1 januari 2005 jonger was dan 21 jaar of is geboren in de periode van 1 januari 2005 tot en met de dag voordat het toeslagpartnerschap met de aanvrager van een kinderopvangtoeslag begon; en c. artikel 2.14h, eerste lid de ex-partner is overleden en ten aanzien van hem aannemelijk is dat een compensatie als bedoeld in, zou zijn toegekend, indien diegene: 1°. nog in leven zou zijn geweest op het moment van toepassing van de herstelmaatregel naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; of 2°. diegene daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en is overleden voor 1 januari 2024. 2 artikel 2.11b, eerste lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een pleegkind van de ex-partner als bedoeld in, en op een voormalig pleegkind van de ex-partner als bedoeld in artikel 2.11b, tweede lid. 3 Artikel 2.14g, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.14b — Artikel 2.14b Begripsbepaling overleden kind#
Artikel 2.14b Begripsbepaling overleden kind Vervallen 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 2.14c — Artikel 2.14c Tegemoetkoming voor partner van overleden kind#
Artikel 2.14c Tegemoetkoming voor partner van overleden kind 1 De Dienst Toeslagen kent aan degene die partner was van het overleden kind op de dag van overlijden, op aanvraag een tegemoetkoming toe. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien degene die partner was van het overleden kind op de dag van overlijden, dit niet meer was op de eerste dag van de maand die volgt op de dag van overlijden van het kind, als gevolg van een omstandigheid anders dan het overlijden van het kind. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 99 19-04-2024 08-04-2024 22-04-2024
Artikel 2.14d — Artikel 2.14d Tegemoetkoming voor kind van overleden kind#
Artikel 2.14d Tegemoetkoming voor kind van overleden kind artikel 2.14c, tweede lid Indien het overleden kind geen partner had op de dag van overlijden of indien de situatie, bedoeld in, zich voordoet, kent de Dienst Toeslagen aan het kind van een overleden kind op aanvraag een tegemoetkoming toe. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 99 19-04-2024 08-04-2024 22-04-2024
Artikel 2.14e — Artikel 2.14e Tegemoetkoming voor ouder van overleden kind#
Artikel 2.14e Tegemoetkoming voor ouder van overleden kind 1 artikel 2.14c, tweede lid Indien het overleden kind geen partner of kind had op de dag van overlijden of indien de situatie, bedoeld in, zich voordoet, kent de Dienst Toeslagen aan de ouder van een overleden kind op aanvraag een tegemoetkoming toe. 2 artikel 1.1 Als ouder wordt aangemerkt de persoon van wie het overleden kind op de dag van overlijden kind was in de zin van. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 99 19-04-2024 08-04-2024 22-04-2024
Artikel 2.14f — Artikel 2.14f Hoogte tegemoetkoming overleden kind#
Artikel 2.14f Hoogte tegemoetkoming overleden kind 1 artikel 2.14c artikel 2.14d artikel 2.14e artikel 2.12 De tegemoetkoming, bedoeld in,of, is gelijk aan het bedrag dat ingevolgebij leven aan het overleden kind zou zijn toegekend, met dien verstande dat bij de vaststelling van dat bedrag wordt uitgegaan van de leeftijd van het overleden kind op 1 juli 2023, dan wel op de dag van overlijden indien deze dag ligt voor 1 juli 2023. 2 artikel 6.1a artikel 2.14d artikel 2.14e Indien meerdere personen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in, een aanvraag indienen voor de tegemoetkoming, bedoeld inof, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd naar evenredigheid met het aantal personen dat in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 2.14g — Artikel 2.14g afdeling 2.3 Begrip ex-partner en invulling overige begrippen in#
Artikel 2.14g afdeling 2.3 Begrip ex-partner en invulling overige begrippen in 1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ex-partner verstaan degene die: a. artikel 2.7 partner was van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inop: 1°. enig moment in een berekeningsjaar indien de beschikking vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag voor dat berekeningsjaar en geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de kinderopvang van het kind of het toenmalige pleegkind van die partner; 2°. enig moment in een berekeningsjaar indien het terug te betalen bedrag aan kinderopvangtoeslag waarvoor op grond van de beschikking vanwege een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke betalingsregeling is geweigerd, betrekking heeft op dat berekeningsjaar en geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de kinderopvang van het kind of het toenmalige pleegkind van die partner; of 3°. de datum van de dagtekening van de beschikking vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid of de beschikking vanwege een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld en gedurende ten minste een jaar daarna; b. artikel 2.7 zelf niet in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in; en c. geen partner meer was van die aanvrager op de peildatum als gevolg van een omstandigheid anders dan het overlijden van die aanvrager. 2 artikel 2.7 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inmede verstaan de overleden aanvrager. 3 De peildatum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is: a. artikel 3.1, tweede lid de peildatum, bedoeld in; of b. de eerste dag van de maand die volgt op de dag van overlijden van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, indien de peildatum, bedoeld in onderdeel a, in verband met dat overlijden, niet kan worden vastgesteld op de in dit onderdeel eerstgenoemde dag. 4 artikel 2.1, eerste lid Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder beschikking vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid verstaan: aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, gerichte beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag welke beschikking een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in, onderdeel a, of hardheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b. 5 Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder beschikking vanwege een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld verstaan: aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, gerichte beschikking waarin staat dat geen persoonlijke betalingsregeling wordt toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd welke beschikking een direct gevolg is van een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens huidige of gewezen partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. 6 artikel 1.1 artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen In afwijking vanwordt voor de toepassing van dit artikel het begrip partner bij de beoordeling of sprake is van het al dan niet zijn van partner op het in dit artikel bedoelde tijdstip of in de dit artikel bedoelde periode om in aanmerking te komen voor compensatie als bedoeld in het eerste lid, beoordeeld op basis vanzoals dat artikel luidde in die periode of op dat tijdstip. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 2.14h — Artikel 2.14h Compensatie voor ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.14h Compensatie voor ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag 1 De Dienst Toeslagen kent op aanvraag een compensatie van € 10.000 toe aan een ex-partner, met dien verstande dat de compensatie nihil bedraagt indien een ex-partner eerder compensatie heeft ontvangen op grond van dit lid. 2 De ex-partner doet de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, via een daartoe door de Dienst Toeslagen ter beschikking gesteld formulier. 3 Compensatie blijft achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming is voorzien ter zake van geleden schade als gevolg van een beschikking vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid of een beschikking vanwege een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld. Onder vergoeding of tegemoetkoming als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een bedrag dat de ex-partner heeft ontvangen van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag vanwege het met de ex-partner delen van een tegemoetkoming of compensatie die de aanvrager heeft ontvangen op grond van deze wet. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 371 03-12-2024 28-11-2024 04-12-2024
Artikel 2.14i — Artikel 2.14i Incidentele noodvoorziening voor ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 2.14i Incidentele noodvoorziening voor ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag artikel 2.14h, eerste lid Indien de Dienst Toeslagen niet op korte termijn overgaat tot uitbetaling van compensatie als bedoeld in, kan de Dienst Toeslagen een incidentele noodvoorziening toekennen aan een ex-partner, aan wie de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, is toegekend en die zich in een acute financiële noodsituatie bevindt waardoor noodzakelijke uitgaven niet mogelijk zijn. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 Ondersteuning en vergoedingen voor gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en diens gezin woonachtig buiten Nederland#
Artikel 2.15 Ondersteuning en vergoedingen voor gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en diens gezin woonachtig buiten Nederland 1 artikel 2.7 Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, ten behoeve van die aanvrager, diens partner en het kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een van beiden, indien: a. die aanvrager op 31 december 2021 niet in Nederland woonde; b. die aanvrager, die partner en dat kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een van beiden op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont. 2 Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning. 3 In geval van een wens tot remigratie naar Nederland van de aanvrager, diens partner of een kind of pleegkind van een van hen, die binnen drie maanden na het ambtshalve aanbod, bedoeld in het eerste lid, kenbaar is gemaakt aan Onze Minister kan Onze Minister op verzoek eenmalig: a. de redelijke reiskosten van remigratie van ieder van hen vergoeden of voor zijn rekening nemen, mits de partner of het kind of pleegkind voor de remigratie naar Nederland op hetzelfde adres buiten Nederland wonen als de aanvrager; en b. de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen. 4 Onze Minister verleent de ondersteuning, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, op basis van een plan van aanpak dat in overleg met de aanvrager van de kinderopvangtoeslag is opgesteld. 5 Onze Minister vergoedt of neemt voor zijn rekening de kosten, bedoeld in het derde lid, indien het plan van aanpak is vastgesteld voor 1 juli 2025 en indien de remigratie naar Nederland plaatsvindt uiterlijk een jaar nadat het plan van aanpak is vastgesteld. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024 24-06-2022
Artikel 2.15a — Artikel 2.15a Ondersteuning en vergoedingen voor een ex-partner van een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en diens gezin woonachtig buiten Nederland#
Artikel 2.15a Ondersteuning en vergoedingen voor een ex-partner van een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en diens gezin woonachtig buiten Nederland 1 artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.12 Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, ten behoeve van die ex-partner en diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner, indien: a. die ex-partner op 31 december 2021 niet in Nederland woonde; b. artikel 2.12 die ex-partner, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont. 2 Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning. 3 artikel 2.12 In geval van een wens tot remigratie naar Nederland van de ex-partner, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner, die binnen drie maanden na het ambtshalve aanbod, bedoeld in het eerste lid, kenbaar is gemaakt aan Onze Minister kan Onze Minister op verzoek eenmalig: a. de redelijke reiskosten van remigratie van ieder van hen vergoeden of voor zijn rekening nemen, mits voornoemde gezinsleden voor de remigratie naar Nederland op hetzelfde adres buiten Nederland wonen als de ex-partner; b. de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen. 4 Onze Minister verleent de ondersteuning, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, op basis van een plan van aanpak dat in overleg met de ex-partner is opgesteld. 5 Onze Minister vergoedt of neemt voor zijn rekening de kosten, bedoeld in het derde lid, indien het plan van aanpak is vastgesteld binnen drie maanden nadat de wens tot remigratie kenbaar is gemaakt en indien de remigratie naar Nederland plaatsvindt uiterlijk een jaar nadat het plan van aanpak is vastgesteld. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024 15-07-2023
Artikel 2.15b — Artikel 2.15b Ondersteuning en vergoedingen voor de partner en diens gezin of het kind van een overleden aanvrager kinderopvangtoeslag woonachtig buiten Nederland#
Artikel 2.15b Ondersteuning en vergoedingen voor de partner en diens gezin of het kind van een overleden aanvrager kinderopvangtoeslag woonachtig buiten Nederland 1 Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden: a. artikel 2.9a artikel 2.12 op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een partner van een overleden aanvrager die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in, ten behoeve van die partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner, indien: 1°. die partner van een overleden aanvrager op 31 december 2021 niet in Nederland woonde; 2°. artikel 2.12 die partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont; b. artikel 2.9b op de vier leefgebieden financiën, werk, wonen en zorg aan een kind van een overleden aanvrager dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in, indien dat kind op 7 juli 2020 niet in Nederland woonde en op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont. 2 Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning. 3 In geval van een wens tot remigratie naar Nederland die binnen drie maanden na het ambtshalve aanbod, bedoeld in het eerste lid, kenbaar is gemaakt aan Onze Minister kan Onze Minister op verzoek van: a. artikel 2.12 de partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner eenmalig de redelijke reiskosten van remigratie van ieder van hen vergoeden of voor zijn rekening nemen, mits voornoemde gezinsleden voor de remigratie naar Nederland op hetzelfde adres buiten Nederland wonen als die partner van een overleden aanvrager en eenmalig de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen; of b. het kind van een overleden aanvrager eenmalig de redelijke reiskosten van remigratie vergoeden of voor zijn rekening nemen en eenmalig de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen. 4 Onze Minister verleent de ondersteuning, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, op basis van een plan van aanpak dat in overleg met de partner of het kind van een overleden aanvrager van een kinderopvangtoeslag is opgesteld. 5 Onze Minister vergoedt of neemt voor zijn rekening de kosten, bedoeld in het derde lid, indien het plan van aanpak is vastgesteld binnen drie maanden nadat de wens tot remigratie kenbaar is gemaakt en indien de remigratie naar Nederland plaatsvindt uiterlijk een jaar nadat het plan van aanpak is vastgesteld. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 Tegemoetkoming voor aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget vanwege institutionele vooringenomenheid#
Artikel 2.16 Tegemoetkoming voor aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget vanwege institutionele vooringenomenheid 1 De Dienst Toeslagen kent ambtshalve een tegemoetkoming toe aan een aanvrager van een huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget, indien: a. ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; b. hij hierdoor schade heeft geleden; en c. hij betrokken is geweest bij een onderzoek van het Combiteam Aanpak Facilitators. 2 De tegemoetkoming wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget geleden schade is te wijten aan een ernstige onregelmatigheid die aan hem toerekenbaar is. 3 De tegemoetkoming bedraagt 130 procent van het bedrag van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget dat is teruggevorderd, niet is toegekend of niet is uitbetaald als voorschot, als een direct gevolg van institutionele vooringenomenheid. 4 De tegemoetkoming wordt verminderd met: a. een nog niet betaald bedrag van een terugvordering als bedoeld in het derde lid; b. een alsnog toegekende verhoging van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget over het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, met dien verstande dat de vermindering niet meer bedraagt dan het niet toegekende bedrag, bedoeld in het derde lid; of c. artikel 2.17 het bedrag van een tegemoetkoming die toegekend is op grond van. 5 De tegemoetkoming blijft achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 Tegemoetkoming voor aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget vanwege onterechte kwalificatie opzet of grove schuld#
Artikel 2.17 Tegemoetkoming voor aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget vanwege onterechte kwalificatie opzet of grove schuld 1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wet op de huurtoeslag Wet op de zorgtoeslag Wet op het kindgebonden budget De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget ambtshalve een tegemoetkoming toe indien de toepassing van de, de, de, deof op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard omdat aan de aanvrager geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van de aanvrager of diens partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget. 2 De tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering. 3 De tegemoetkoming blijft achterwege voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.18 — Artikel 2.18 Incidentele noodvoorziening voor aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget#
Artikel 2.18 Incidentele noodvoorziening voor aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget 1 De Dienst Toeslagen kan een incidentele noodvoorziening toekennen aan een aanvrager van een huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget die zich in een acute financiële noodsituatie bevindt waardoor hij noodzakelijke uitgaven niet kan doen, indien: a. aannemelijk is dat de acute financiële noodsituatie mogelijk een gevolg is van: 1°. institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen die voor 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden tijdens een onderzoek van het Combiteam Aanpak Facilitators bij de uitvoering van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget; of 2°. het niet toekennen van een persoonlijke betalingsregeling of het weigeren van een buitengerechtelijke schuldregeling vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget; en b. hij zich kenbaar heeft gemaakt bij de Dienst Toeslagen als iemand die mogelijk aanspraak maakt op een tegemoetkoming als gevolg van een situatie als bedoeld in onderdeel a, onder 1° of 2°. 2. Een aanvrager komt niet in aanmerking voor een incidentele noodvoorziening, indien hij geen recht heeft op de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 2.19 — Artikel 2.19 Vangnetbepaling bijzondere tegemoetkoming huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget#
Artikel 2.19 Vangnetbepaling bijzondere tegemoetkoming huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget 1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wet op de huurtoeslag Wet op de zorgtoeslag Wet op het kindgebonden budget In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kan een bijzondere tegemoetkoming worden toegekend indien sprake is van een schrijnend geval waarin de toepassing van de, de, de, deof een op een van die wetten berustende bepaling bij de uitvoering van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget heeft geleid tot ernstige onbillijkheden van overwegende aard, die zich hebben voorgedaan bij een beschikking tot vaststelling of tot terugvordering inzake de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, dan wel bij het niet toekennen van een persoonlijke betalingsregeling of het weigeren van een buitengerechtelijke schuldregeling vanwege de onterechte kwalificatie opzet of grove schuld van de aanvrager of van diens partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering inzake de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de aanvrager te laten. 2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld, wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022
Artikel 2.20 — Artikel 2.20 Moratorium#
Artikel 2.20 Moratorium 1 artikel 2.7, eerste lid Op het moment waarop aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag in de vorm van een forfaitair bedrag als bedoeld in, een bedrag wordt uitgekeerd, gaat van rechtswege een afkoelingsperiode in voor een periode van een jaar. 2 artikel 2.7 Ten aanzien van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die voor 12 februari 2021 een aanvraag heeft ingediend om toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld ingeldt van rechtswege een afkoelingsperiode van 12 februari 2021 tot en met 1 mei 2021. 3 Tijdens de afkoelingsperiode kan elke bevoegdheid van een schuldeiser tot verhaal op de goederen van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens partner en tot opeising van goederen die zich in de macht van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens partner bevinden niet worden uitgeoefend, voor zover die bevoegdheid betrekking heeft op vorderingen die zijn ontstaan door een verzuim in de nakoming van een verbintenis door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens partner dat heeft plaatsgevonden vóór de afkoelingsperiode. 4 Tijdens de afkoelingsperiode is een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens partner die heeft plaatsgevonden vóór de afkoelingsperiode geen grond voor wijziging van verbintenissen of verplichtingen jegens de schuldenaar, voor opschorting van de nakoming van een verbintenis jegens de schuldenaar of voor ontbinding van een met de schuldenaar gesloten overeenkomst. 5 artikel 4:85 van de Algemene wet bestuursrecht Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een betalingsverplichting die voortvloeit uit een bestuursrechtelijke geldschuld als bedoeld in, een administratiefrechtelijke afdoening op grond van de, een publiekrechtelijke rechtshandeling of een uitspraak van een gerecht als bedoeld in, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of de Centrale Raad van Beroep. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 12-02-2021
Artikel 2.21 — Artikel 2.21 Brede ondersteuning door gemeente voor gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of voor een ex-partner van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of voor de partner of het kind van een overleden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, hun gezin en het thuiswonende kind#
Artikel 2.21 Brede ondersteuning door gemeente voor gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of voor een ex-partner van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of voor de partner of het kind van een overleden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, hun gezin en het thuiswonende kind 1 Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan brede ondersteuning bieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een ingezetene van die gemeente die: a. artikel 2.7 een aanvrager van een kinderopvangtoeslag is en een aanvraag heeft ingediend tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in; b. artikel 2.12 een kind, een pleegkind of een voormalig pleegkind is dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in; c. artikel 2.14h, eerste lid een ex-partner is die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend; d. artikel 2.9a een partner is die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in; e. artikel 2.9b een kind is dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in. 2 artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet Brede ondersteuning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend ten behoeve van de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, alsmede hun gezin als bedoeld inen het thuiswonende kind of pleegkind van 18 jaar of ouder van de personen, bedoeld in het eerste lid, of van hun partner. 3 Het eerste en tweede lid zijn in bijzondere omstandigheden van toepassing op een ingezetene van een andere gemeente, zo nodig in overleg met het college van die andere gemeente. 4 Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente verleent de brede ondersteuning op basis van een plan van aanpak dat ziet op het kunnen maken van een nieuwe start in het kader van herstel dat is opgesteld met de persoon die op basis van het eerste lid in aanmerking komt voor brede ondersteuning. Het plan van aanpak wordt opgesteld binnen acht weken na het eerste gesprek waarin de hulpvraag voor brede ondersteuning is vastgesteld, tussen die persoon en het college van burgemeester en wethouders. 4a Indien de hulpvraag een of meer materiële voorzieningen betreft, worden die voorzieningen uitsluitend toegekend indien die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn voor het maken van een nieuwe start in het kader van herstel. De toekenning van die voorzieningen vindt plaats binnen zes maanden na het eerste gesprek. 4b Het college van burgemeester en wethouders beëindigt de brede ondersteuning ten behoeve van een persoon als bedoeld in het eerste of tweede lid, indien die persoon naar het oordeel van dat college een nieuwe start in het kader van herstel heeft kunnen maken, maar uiterlijk twee jaar na het eerste gesprek. 5 Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan de uitvoering van dit artikel, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de persoon die op basis van het eerste of tweede lid in aanmerking komt voor brede ondersteuning en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. 6 artikel 2.7 Indien de aanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld inwordt afgewezen, beëindigt het college van burgemeester en wethouders de brede ondersteuning van de personen die op grond van het eerste of tweede lid in aanmerking komen voor brede ondersteuning binnen 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen het college van burgemeester en wethouders heeft geïnformeerd dat ten aanzien van de aanvrager van de kinderopvangtoeslag een afwijzende beschikking is gegeven. 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen#
Artikel 3.1 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen 1 artikel 31bis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen In afwijking vanscheldt de Dienst Toeslagen ambtshalve kwijt het voor 1 januari 2021 nog niet betaalde bedrag van de terugvordering van een toeslag die betrekking heeft op een berekeningsjaar van voor 2021, de met die terugvordering samenhangende rente, de met die terugvordering samenhangende kosten van invordering alsmede het bedrag van een met die terugvordering samenhangende bestuurlijke boete van: a. artikel 2.7 degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in; b. degene die op de peildatum de partner was van degene, bedoeld in onderdeel a; c. degene die op 31 december 2020 de partner was van degene, bedoeld in onderdeel a, mits degene, bedoeld in onderdeel a, uiterlijk op 1 juni 2021 heeft verzocht om toepassing van de herstelmaatregel; en d. artikel 2.14h, eerste lid een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend. 2 artikel 2.7, eerste lid De peildatum is de datum waarop het forfaitaire bedrag, bedoeld in, is uitbetaald aan degene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Indien dit forfaitaire bedrag is verminderd tot nihil, is de peildatum de datum waarop aan diegene voor het eerst een bedrag is uitbetaald op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7. Indien aan degene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, slechts geen forfaitair bedrag is uitgekeerd vanwege de toepassing van artikel 2.7, tweede lid, eerste zin, en artikel 2.7, tweede lid, tweede zin, niet op diegene van toepassing is, is de peildatum de datum waarop het forfaitaire bedrag is uitbetaald aan degene aan wie het forfaitaire bedrag op grond van die zin wel is uitbetaald. Indien dit forfaitaire bedrag is verminderd tot nihil, is de peildatum de datum waarop aan de laatstbedoelde persoon voor het eerst een bedrag is uitbetaald op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7. Indien aan degene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geen forfaitair bedrag is uitgekeerd vanwege de toepassing van artikel 2.7, tweede lid, eerste zin, en artikel 2.7, tweede lid, tweede zin, op diegene van toepassing is, is de peildatum de datum waarop het bedrag dat op grond daarvan is toegekend, is uitbetaald aan diegene. Indien het bedrag, bedoeld in de vorige zin, is verminderd tot nihil, is de peildatum de datum waarop aan diegene voor het eerst een bedrag is uitbetaald op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7. 3 In afwijking van het eerste lid wordt het voor 1 januari 2021 nog niet betaalde bedrag van de terugvordering van een toeslag, die het gevolg is van een herzien voorschot, niet kwijtgescholden voor zover een over hetzelfde berekeningsjaar toegekend bedrag van die toeslag op enig moment: a. wordt verrekend met die terugvordering; of b. kon worden verrekend met die terugvordering indien in 2021 of later geen aflossing van die terugvordering had plaatsgevonden. 4 Indien het nog niet betaalde bedrag, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een aflossing of verrekening, niet zijnde een verrekening als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, betaalt de Dienst Toeslagen het bedrag van die vermindering, na aftrek van het bedrag dat op grond van het derde lid, aanhef en onderdeel b, niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, uit aan degene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c. 5 Geen kwijtschelding wordt verleend wanneer het ontstaan of niet voldoen van de toeslagschuld het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van degene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, of c. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 artikel 26a van de Invorderingswet 1990 Invoeging#
Artikel 3.2 artikel 26a van de Invorderingswet 1990 Invoeging Wijzigt de Invorderingswet 1990. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-06-2021
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 artikel 232 van de Provinciewet Wijziging#
Artikel 3.3 artikel 232 van de Provinciewet Wijziging Wijzigt de Provinciewet. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-06-2021
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 artikel 255 van de Gemeentewet Wijziging#
Artikel 3.4 artikel 255 van de Gemeentewet Wijziging Wijzigt de Gemeentewet. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-06-2021
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 artikel 144 van de Waterschapswet Wijziging#
Artikel 3.5 artikel 144 van de Waterschapswet Wijziging Wijzigt de Waterschapswet. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-06-2021
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen#
Artikel 3.6 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen 1 Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikelen 30, eerste lid 32d, eerste en tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 3.1, eerste lid Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in, scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de taak, bedoeld in, en, voor zover die op 31 december 2020 niet voldaan waren, of voor zover die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 en de schuld na die datum is vastgesteld, van een persoon als bedoeld in. 2 De kwijtschelding, bedoeld in het eerste lid, is tevens van toepassing op de met de schuld verband houdende verhogingen. 3 Indien de schuld na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een aflossing of verrekening restitueert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het bedrag waarmee de schuld is verminderd. 4 In afwijking van het eerste en derde lid scheldt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet kwijt en restitueert het niet indien de schuld is ontstaan door: a. een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen jegens de persoon, bedoeld in het eerste lid, handelend in de hoedanigheid van werkgever; b. een terugvordering of bestuurlijke boete in verband met het opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in: 1°. artikel 12 van de Toeslagenwet ; 2°. artikel 25 van de Werkloosheidswet ; 3°. artikel 70 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ; 4°. artikelen 2:7, eerste lid 3:74, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten de, en; 5°. artikel 12, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen ; 6°. artikel 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ; 7°. artikel 27, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ; 8°. artikelen 31, eerste lid 49 van de Ziektewet de, en; c. naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen misbruik van sociale zekerheid of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten, van dien aard dat kwijtschelding of restitutie achterwege dient te blijven. 5 artikel 2:23 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten artikel 34a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen In afwijking van het eerste en derde lid scheldt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een lening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal verstrekt als voorziening ter bevordering en ondersteuning van arbeid als zelfstandige als bedoeld inofslechts kwijt of restitueert deze slechts voor zover het betreft: a. achterstallige betalingen; of b. de hoofdsom, welke voor 1 januari 2021 is teruggevorderd omdat de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk zijn nagekomen. 6 Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van dit artikel. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Sociale verzekeringsbank#
Artikel 3.7 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Sociale verzekeringsbank 1 Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikelen 34 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 3.1, eerste lid De Sociale verzekeringsbank, genoemd in, scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de taak, bedoeld in deen, voor zover die op 31 december 2020 niet voldaan waren, of voor zover die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 en de schuld na die datum is vastgesteld, van een persoon als bedoeld in. 2 De kwijtschelding, bedoeld in het eerste lid, is tevens van toepassing op de met de schuld verband houdende verhogingen. 3 Indien de schuld, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een aflossing of verrekening restitueert de Sociale verzekeringsbank het bedrag waarmee de schuld is verminderd. 4 In afwijking van het eerste en derde lid scheldt de Sociale verzekeringsbank niet kwijt en restitueert niet indien de schuld is ontstaan door: a. een terugvordering of bestuurlijke boete in verband met het opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in: 1°. artikel 15 van de Algemene Kinderbijslagwet ; 2°. artikel 35 van de Algemene nabestaandenwet ; 3°. artikel 49 van de Algemene Ouderdomswet ; 4°. artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet ; 5°. artikel 5a van de Remigratiewet ; b. naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank misbruik van sociale zekerheid of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten, van dien aard dat kwijtschelding of restitutie achterwege dient te blijven. 5 Artikel 3.6, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 Participatiewet Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door college van burgemeester en wethouders met betrekking toten enige andere wetten#
Artikel 3.8 Participatiewet Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door college van burgemeester en wethouders met betrekking toten enige andere wetten 1 Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen artikel X van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige artikel 3.1, eerste lid Het college van burgemeester en wethouders scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de, de, deen(Stb. 2012, 430), voor zover die op 31 december 2020 niet voldaan waren of voor zover die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 en de schuld na die datum is vastgesteld, van een persoon als bedoeld in. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de met de schuld verband houdende verhogingen. 3 Indien de schuld, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een aflossing of verrekening restitueert het college van burgemeester en wethouders het bedrag waarmee de schuld is verminderd. 4 In afwijking van het eerste lid en derde lid scheldt het college van burgemeester en wethouders niet kwijt en restitueert niet indien de schuld is ontstaan door: a. een besluit van het college van burgemeester en wethouders jegens de persoon, bedoeld in het eerste lid, handelend in de hoedanigheid van werkgever; b. een terugvordering of een bestuurlijke boete in verband met het opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in: 1°. artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet ; 2°. artikel 13, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ; 3°. artikel 13, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ; 4°. artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ; c. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders misbruik van sociale zekerheid of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten, van dien aard dat kwijtschelding of restitutie achterwege dient te blijven. 5 artikel 78f van de Participatiewet In afwijking van het eerste en derde lid scheldt het college van burgemeester en wethouders een lening verstrekt als bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal als bedoeld inslechts kwijt of restitueert deze slechts voor zover het betreft: a. achterstallige betalingen; of b. artikel 58, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet de hoofdsom, welke op grond vanvoor 1 januari 2021 is teruggevorderd. 6 Artikel 3.6, zesde lid artikel 8c van de Participatiewet artikel 40 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers artikel 40 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ,,, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 Wet inburgering Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekking tot de#
Artikel 3.9 Wet inburgering Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekking tot de 1 Wet inburgering artikel 3.1, eerste lid Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de, zoals die wet luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021, voor zover die op 31 december 2020 niet voldaan waren, of voor zover die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 en de schuld na die datum is vastgesteld, van een persoon als bedoeld in. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de met de schuld verband houdende verhogingen. 3 Indien de schuld, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een aflossing of verrekening restitueert Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het bedrag waarmee de schuld is verminderd. 4 In afwijking van het eerste en derde lid scheldt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet kwijt en restitueert niet indien de schuld is ontstaan door naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken misbruik van het stelsel van inburgering of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten, van dien aard dat kwijtschelding of restitutie achterwege dient te blijven. 5 Artikel 3.6, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door CAK#
Artikel 3.10 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door CAK 1 artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg artikel 3.1, eerste lid Het CAK, bedoeld in, scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de wettelijke taken op het terrein van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport, die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 voor zover deze niet zijn voldaan, van een persoon als bedoeld in. 2 De kwijtschelding is tevens van toepassing op de met de schuld verband houdende verhogingen. 3 Indien de schuld na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een aflossing of verrekening restitueert het CAK het bedrag waarmee de schuld is verminderd. 4 artikel 3.1, eerste lid, onderdeel a, b, of c Het CAK kan dit artikel buiten toepassing laten indien het CAK ten aanzien van een persoon als bedoeld in, aangifte heeft gedaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en diens schuld, bedoeld in het eerste lid, direct voortvloeit uit dat misdrijf of die persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een zodanig misdrijf. 5 Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport regels worden gesteld voor de uitvoering van dit artikel. 6 artikel 3.2.5 van de Wet langdurige zorg artikel 1, onderdeel i, van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 2 van het Bijdragebesluit zorg artikel 11.2.10 van de Wet langdurige zorg De kwijtschelding van schulden die zien op de eigen bijdrage, bedoeld in, komt ten laste van het Fonds langdurige zorg als bedoeld in. De kwijtschelding van schulden die zien op de eigen bijdrage als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van intrekking van dat besluit, komt tot de datum bedoeld in, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten en daarna ten laste van het Fonds langdurige zorg. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Wlz-uitvoerder#
Artikel 3.11 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door Wlz-uitvoerder 1 artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg artikel 3.1, eerste lid De Wlz-uitvoerder, bedoeld in, scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de wettelijke taken op het terrein van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport, die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 voor zover deze niet zijn voldaan, van een persoon als bedoeld in. 2 Artikel 3.10, tweede tot en met vijfde lid , en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Wet langdurige zorg artikel 1, onderdeel i, van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 11.2.10 van de Wet langdurige zorg De kwijtschelding van schulden in verband met de uitvoering van dekomt ten laste van het Fonds langdurige zorg als bedoeld in. De kwijtschelding van schulden in verband met de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten komt tot de datum, bedoeld in, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten en daarna ten laste van het Fonds langdurige zorg. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 Jeugdwet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door college van burgemeester en wethouders met betrekking toten#
Artikel 3.12 Jeugdwet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Kwijtschelding schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag door college van burgemeester en wethouders met betrekking toten 1 artikel 1.1 van de Jeugdwet artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 3.1, eerste lid Het college, bedoeld inen, scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de wettelijke taken op het terrein van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport, die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 voor zover deze niet zijn voldaan, van een persoon als bedoeld in. 2 Artikel 3.10, tweede tot en met vijfde lid , en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 Compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 3.13 Compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.7 artikel 2.14h, eerste lid Onze Minister verleent op aanvraag compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden aan degene die voor 1 januari 2021 een bedrag heeft ontvangen op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in, als diegene tussen het moment van het ontvangen van dat bedrag en 1 januari 2021 een bedrag heeft afgelost aan bestuursrechtelijke schulden of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, als die ex-partner tussen het moment van het ontvangen van dat bedrag en de kwijtschelding van de bestuursrechtelijke schulden op grond van dit hoofdstuk een bedrag heeft afgelost aan bestuursrechtelijke schulden. 2 Het bedrag van de compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden is gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van kinderopvangtoeslag dan wel de ex-partner in de respectievelijke perioden, bedoeld in het eerste lid, heeft afgelost aan bestuursrechtelijke schulden. 3 artikel 4.3 artikel 2.14h, eerste lid De som van de compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden en de compensatie voor afgeloste geldschulden en kosten als bedoeld inis maximaal het bedrag dat de aanvrager van kinderopvangtoeslag ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel dan wel de ex-partner heeft ontvangen op grond van. 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een bestuursrechtelijke schuld verstaan een schuld die door een overheidsorganisatie zou zijn kwijtgescholden in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag indien deze schuld niet voor 1 januari 2021 zou zijn afgelost. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 Maximumbedrag kwijt te schelden zakelijke bestuursrechtelijke schulden#
Artikel 3.14 Maximumbedrag kwijt te schelden zakelijke bestuursrechtelijke schulden 1 artikelen 3.6, vijfde lid 3.8, vijfde lid 3.13 Verordening (EU) nr. 1407/2013 Bij de toepassing van de,, enwordt de kwijt te schelden schuld of restitutie van de lening, bedoeld in de artikelen 3.6, vijfde lid, en 3.8, vijfde lid, en de compensatie voor afgeloste zakelijke bestuursrechtelijke schulden, bedoeld in artikel 3.13, vastgesteld op maximaal het bedrag dat de aanvrager nog kan ontvangen als de-minimissteun als bedoeld in artikel 3 vanvan de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), indien degene wiens schulden het betreft, wordt aangemerkt als ondernemer of, indien hij in staat van faillissement verkeert en voorafgaand aan het faillissement zou zijn aangemerkt als ondernemer. 2 artikel 3.8, eerste lid De persoon, bedoeld in, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de gegevens, inlichtingen en documenten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit artikel. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-06-2021
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 4.1 Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 2.14h, eerste lid artikel 4.6 4.7 Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond vanvan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inof diens partner, bedoeld in, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partnerofvan toepassing is. 2 De geldschulden die worden overgenomen: a. zijn ontstaan na 31 december 2005; b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. 3 Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn: a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser; b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt; c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen; d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten; e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en f. hoofdstuk 3 bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van. 4 Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn: a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak; b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden; c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad; d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; e. artikel 2.1 een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld inof een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend; of f. een geldschuld die al is overgenomen van een aanvrager of diens partner of van een ex-partner. 5 artikel 30 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek Indien een schuldeiser geen toestemming geeft tot overneming van een geldschuld, voldoet Onze Minister de geldschuld en is de betreffende verbintenis nagekomen als bedoeld in. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Overneming van schulden bij een zorgverzekeraar of het Landelijk Bureau Invordering Ouderbijdragen gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner#
Artikel 4.2 Overneming van schulden bij een zorgverzekeraar of het Landelijk Bureau Invordering Ouderbijdragen gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet Onze Minister voldoet op aanvraag van een zorgverzekeraar als bedoeld in, of het Landelijk Bureau Invordering Ouderbijdragen de opeisbare schulden: a. artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 18d 18e van de Zorgverzekeringswet die een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inof diens partner, bedoeld in, op wie op 1 juni 2021 de wanbetalersregeling, bedoeld inof, van toepassing is, heeft bij een zorgverzekeraar; of b. artikel 4.1, eerste lid die voortvloeien uit alimentatieverplichtingen van de persoon, bedoeld in, en waarvoor het Landelijk Bureau Invordering Ouderbijdragen de gemachtigde invorderaar is. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Compensatie afgeloste privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner#
Artikel 4.3 Compensatie afgeloste privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner 1 artikel 2.7 artikel 2.14h, eerste lid artikel 4.1 Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inof aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond vanvoor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. 2 artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag worden ingediend door degene, bedoeld in, indien hij geen partner meer is op het tijdstip waarop die aanvraag wordt ingediend. 3 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 2.14h, eerste lid De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld inof de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend: a. artikel 2.7 artikel 2.14h, eerste lid na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld indan wel de compensatie, bedoeld in; of b. artikelen 2.7, eerste lid artikel 2.14h, eerste lid tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Dienst Toeslagen waarin staat dat de Dienst Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en het moment van de dagtekening van de beschikking waarin toch recht op een forfaitair bedrag als bedoeld in de, of, is vastgesteld. 4 artikel 4.6 4.7 De compensatie wordt niet verleend indienofwordt toegepast. 5 Artikel 3.13, derde lid De hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld en kosten is gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie in de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel., is van toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Forfaitaire kostenvergoeding voor curator en bewindvoerder#
Artikel 4.4 Forfaitaire kostenvergoeding voor curator en bewindvoerder 1 artikel 4.1, eerste lid artikel 4.3, eerste lid artikel 378 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 431 van die wet Onze Minister kent op aanvraag een forfaitaire kostenvergoeding toe aan de curator onderscheidenlijk bewindvoerder van degene, bedoeld in, of, die onder curatele staat als bedoeld inof voor al de hem toebehorende onderscheidenlijk gaan toebehorende goederen onder bewind is gesteld als bedoeld in. 2 De vergoeding bedraagt vier uren tegen het door Onze Minister van Justitie en Veiligheid vastgestelde uurtarief. 3 artikel 4.1, eerste lid artikel 4.3, eerste lid De aanvraag tot toekenning van de forfaitaire kostenvergoeding wordt door de curator of bewindvoerder ingediend bij de aanvraag, bedoeld in, of. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Maximumbedrag over te nemen of te betalen zakelijke privaatrechtelijke schulden#
Artikel 4.5 Maximumbedrag over te nemen of te betalen zakelijke privaatrechtelijke schulden Artikel 3.14 artikel 4.1 artikel 4.3 is van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van het bedrag van over te nemen of te betalen zakelijke schulden, bedoeld in, en van compensatie voor afgeloste zakelijke schulden als bedoeld in. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 29-10-2021
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Betaling schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag in wettelijk schuldsaneringstraject#
Artikel 4.6 Betaling schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag in wettelijk schuldsaneringstraject 1 artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 2.14h, eerste lid titel III van de Faillissementswet Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen De Dienst Toeslagen betaalt op aanvraag de schulden van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inen diens partner, bedoeld in, op wie de schuldsaneringsregeling, bedoeld in, toepassing vindt die is ingegaan voor de dag waarop dit artikel in werking is getreden of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, op wie deze schuldsaneringsregeling toepassing vindt en die is ingegaan voor de dag waarop dein werking is getreden. 2 artikel 328 van de Faillissementswet Het bedrag van de te betalen schulden is gelijk aan de som van het bedrag van de vorderingen op de lijst van erkende schuldeisers welke zijn geverifieerd overeenkomstig. 3 artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht Een schuld die voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf als bedoeld indat in kracht van gewijsde is gegaan binnen vijf jaren voor de aanvang van de schuldsaneringsregeling, wordt niet betaald. 4 artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet De aanvraag tot het geven van een beschikking tot betaling van de schulden geschiedt door de bewindvoerder, bedoeld in, bij de Dienst Toeslagen. De beschikking wordt bekendgemaakt aan de bewindvoerder en aan de belanghebbende. 5 De aanvraag bevat in ieder geval: a. het bedrag van de som van de vorderingen op de lijst van erkende schuldeisers, of het bedrag van de som van de vorderingen van alle bij de bewindvoerder bekende schuldeisers; b. een berekening van de vergoeding, bedoeld in het zesde lid; en c. de afschriften van de boedelrekening. 6 artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet De Dienst Toeslagen betaalt aan de bewindvoerder een vergoeding ter grootte van het salaris vermeerderd met de door hem betaalde verschotten en kosten van publicaties, verminderd met eventueel verstrekte voorschotten of genoten vergoedingen. Het salaris wordt berekend overeenkomstig het bepaalde bij en krachtenswaarbij ervan wordt uitgegaan dat de schuldsaneringsregeling ten minste drie jaren heeft geduurd. Het salaris wordt verhoogd met € 543 en de daarover verschuldigde omzetbelasting. 7 artikel 350 van die wet Artikel 320, derde lid, van die wet Nadat uitbetaling van de bedragen, bedoeld in het tweede en zesde lid, heeft plaatsgevonden, gaat de bewindvoerder niet over tot vereffening van de boedel als bedoeld in titel III, zevende afdeling, van de Faillissementswet en verzoekt hij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen als bedoeld in. Deze beëindiging wordt aangemerkt als een beëindiging op grond van artikel 350, derde lid, onder a, van die wet.is niet van toepassing. 8 artikel 356, vierde lid, van de Faillissementswet De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing indien op een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, diens partner of een ex-partner als bedoeld in het eerste lid door heropening op grond van, van de schuldsaneringsregeling, welke initieel is aangevangen voor de dag waarop dit artikel in werking is getreden, opnieuw de schuldsaneringsregeling van toepassing is. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Betaling schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag in buitengerechtelijke schuldregeling#
Artikel 4.7 Betaling schulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag in buitengerechtelijke schuldregeling 1 artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c De Dienst Toeslagen betaalt op aanvraag een bedrag ter grootte van de schulden, bedoeld in het tweede lid, van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inen diens partner, bedoeld in, en die: a. artikel 48, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het consumentenkrediet zich bevindt in een buitengerechtelijke schuldregeling die voor de dag waarop dit artikel in werking is getreden, is aangevangen in de vorm van schuldbemiddeling om niet als bedoeld indoor de werkgever waarmee hij een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst heeft afgesloten, waarbij een buitengerechtelijk akkoord is getroffen met zijn schuldeisers; of b. artikel 48, eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet op het consumentenkrediet zich bevindt in een buitengerechtelijke schuldregeling die voor de dag waarop dit artikel in werking is getreden, is aangevangen in de vorm van schuldbemiddeling door een persoon of instelling als bedoeld in, waarbij een buitengerechtelijk akkoord is getroffen met zijn schuldeisers; of c. zich bevindt in een buitengerechtelijke schuldregeling die voor de dag waarop dit artikel in werking is getreden, is aangevangen waarbij een saneringskrediet is verstrekt door een gemeentelijke kredietbank en waarbij een buitengerechtelijk akkoord is getroffen met zijn schuldeisers. 1a artikel 2.14h, eerste lid Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, met dien verstande dat een buitenrechtelijke schuldregeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, is aangevangen voor de dag waarop dein werking is getreden. 2 Het bedrag van de te betalen schulden is gelijk aan de som van de openstaande vorderingen, die onderdeel zijn van een buitengerechtelijke schuldregeling. 3 artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht artikel 358, vierde lid, van de Faillissementswet Een schuld die voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf als bedoeld indat in kracht van gewijsde is gegaan binnen vijf jaren voor de aanvang van de buitengerechtelijke schuldregeling, of een veroordeling als bedoeld inbinnen vijf jaar voor de aanvang van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt niet betaald. 4 artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b en c artikel 2.14h, eerste lid De aanvraag tot het geven van een beschikking tot betaling van het bedrag aan te betalen schulden geschiedt door de werkgever of de persoon of instelling, bedoeld in het eerste lid, of de gemeentelijke kredietbank bij de Dienst Toeslagen. De beschikking wordt bekendgemaakt aan die werkgever, die persoon, die gemeentelijke kredietbank of die instelling en degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, diens partner, bedoeld in, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend. 5 artikel 4.6, zesde lid De Dienst Toeslagen betaalt aan de werkgever of de persoon of instelling, bedoeld in het vierde lid, een vergoeding voor het opzetten en uitvoeren van de buitengerechtelijke schuldregeling en voor eventueel financieel beheer. De vergoeding bedraagt nooit meer dan het salaris van de bewindvoerder, bedoeld in. 6 De aanvraag bevat in ieder geval: a. het bedrag van de vorderingen binnen de buitengerechtelijke schuldregeling; en b. een berekening van de vergoeding, bedoeld in het vijfde lid. 7 De werkgever, de persoon of de instelling gebruikt het aan hem uitbetaalde bedrag ter uitdeling aan de schuldeisers met wie het buitengerechtelijke akkoord is getroffen. 8 De gemeentelijke kredietbank gebruikt het aan hem uitbetaalde bedrag ter aflossing van het saneringskrediet. 9 artikel 3, tweede lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Nadat het zevende of achtste lid is toegepast, isniet van toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Maximumbedrag over te nemen of te betalen zakelijke privaatrechtelijke schulden in geval van wettelijk schuldsaneringstraject of buitenrechtelijke schuldsanering#
Artikel 4.8 Maximumbedrag over te nemen of te betalen zakelijke privaatrechtelijke schulden in geval van wettelijk schuldsaneringstraject of buitenrechtelijke schuldsanering Artikel 3.14 artikel 4.6 4.7 is van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van het bedrag aan te betalen zakelijke schulden, bedoeld inof. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022
Artikel 4a.1 — Artikel 4a.1 Begripsbepalingen Hoofdstuk 4a#
Artikel 4a.1 Begripsbepalingen Hoofdstuk 4a In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: betrokkene: a. artikel 2.9a de partner van een overleden aanvrager die in aanmerking kan komen voor toekenning van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van; b. artikel 2.9b het kind van een overleden aanvrager dat in aanmerking kan komen voor toekenning van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van; persoonlijke bijstand: bijstand door de Dienst Toeslagen bij aanvragen en regelingen waar de betrokkene op grond van deze wet aanspraak kan maken. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 4a.2 — Artikel 4a.2 Persoonlijke bijstand en persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers#
Artikel 4a.2 Persoonlijke bijstand en persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers 1 De betrokkene krijgt persoonlijke bijstand. 2 Tijdens de persoonlijke bijstand coördineert een persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers van de Dienst Toeslagen de procedure en fungeert voor de betrokkene tevens als aanspreekpunt. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 4a.3 — Artikel 4a.3 Persoonlijk gesprek#
Artikel 4a.3 Persoonlijk gesprek 1 In het kader van de persoonlijke bijstand vinden tussen de betrokkene en de Dienst Toeslagen een of meerdere persoonlijke gesprekken plaats, waarbij de persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers eveneens aanwezig is. 2 Een persoonlijk gesprek ziet desgewenst in ieder geval op: a. uitleg over de regelingen waarop de persoonlijke bijstand betrekking heeft; b. uitleg over de mogelijkheden voor persoonlijke bijstand; c. informatie over het gebruik van de regelingen waar de betrokkene recht op heeft; d. artikelen 2.9a 2.9b het door de betrokkene overleggen van informatie met betrekking tot een aanvraag op grond van deof; e. artikelen 2.9a 2.9b het ondersteunen bij het doen van een aanvraag op grond van deof. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 4a.4 — Artikel 4a.4 Zorgplicht persoonlijke bijstand#
Artikel 4a.4 Zorgplicht persoonlijke bijstand De Dienst Toeslagen draagt zorg voor een goede afhandeling van de persoonlijke bijstand en zorgt dat hierover afstemming plaatsvindt met andere personen of organen, voor zover de verantwoordelijkheid voor de uitvoering hiervan bij die personen of organen ligt en voor zover afstemming het belang van de betrokkene dient. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 4a.5 — Artikel 4a.5 Mandaat Dienst Toeslagen#
Artikel 4a.5 Mandaat Dienst Toeslagen artikelen 2.9a, tweede lid 2.9b, tweede lid artikel 4a.2, derde lid Onze Minister verleent mandaat aan de Dienst Toeslagen om een beschikking als bedoeld in, of, te nemen, indien de betrokkene een verzoek als bedoeld in, heeft gedaan dat ook betrekking heeft op een dergelijke beschikking. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is
ingetrokken door Stb. 2024/400.
Artikel 4a.6 — Artikel 4a.6 Samenvoegen beschikkingen#
Artikel 4a.6 Samenvoegen beschikkingen Op verzoek van de betrokkene voegt de Dienst Toeslagen voor zover mogelijk alle beschikkingen op grond van deze wet die de betrokkene betreffen samen tot één beschikking, die bestaat uit één of meer besluitonderdelen. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is
ingetrokken door Stb. 2024/400.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Oudercommissie#
Artikel 5.1 Oudercommissie 1 Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister een commissie in bestaande uit gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag of hun partners. 2 De commissie heeft tot taak het gevraagd en ongevraagd adviseren van Onze Minister over de uitvoering, de juridische aspecten en het beleid van en de communicatie over de hersteloperatie, gericht op het herstellen van de problemen met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, mede naar aanleiding van het eindrapport van de Adviescommissie uitvoering Toeslagen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de commissie. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Andere commissies#
Artikel 5.2 Andere commissies 1 artikelen 2.1 tot en met 2.6 2.9, eerste lid 2.9a 2.9b Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister commissies in met het oog op de uitvoering van de,,en. 2 artikelen 2.1 tot en met 2.6 2.9, eerste lid artikelen 2.9a 2.9b De commissies hebben tot taak het dossier van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag of de partner of het kind van een overleden aanvrager dat door de Dienst Toeslagen aan hen is voorgelegd te voorzien van een advies over de toepassing van deen, onderscheidenlijk deen. De Dienst Toeslagen verstrekt daartoe aan de betrokken commissie een afschrift van de op de zaak betrekking hebbende gegevens, waaronder mede wordt begrepen de informatie die niet aan het dossier is toegevoegd, maar wel van invloed is geweest op de beoordeling of behandeling ervan. 3 artikelen 2.1 tot en met 2.6 2.9, eerste lid artikelen 2.9a 2.9b De Dienst Toeslagen zendt de beschikking omtrent de toepassing van deen, onderscheidenlijk deen, aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, onderscheidenlijk de partner of het kind van een overleden aanvrager, tezamen met het advies van de betrokken commissie en de gegevens die direct ten grondslag liggen aan de beschikking. Indien de beschikking in het nadeel van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, onderscheidenlijk de partner of het kind van een overleden aanvrager, afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beschikking de reden voor die afwijking vermeld. 4 De Dienst Toeslagen verstrekt desgevraagd tevens het onderzoekdossier, inclusief die informatie die niet aan het dossier is toegevoegd, maar wel van invloed is geweest bij de beoordeling ervan, aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, onderscheidenlijk de partner of het kind van een overleden aanvrager. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de commissies. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Mogelijkheid instellen commissies met betrekking tot de overige aanvullende regelingen#
Artikel 5.3 Mogelijkheid instellen commissies met betrekking tot de overige aanvullende regelingen 1 artikelen 2.14 2.14g, tweede lid Bij ministeriële regeling kan Onze Minister commissies instellen met het oog op de uitvoering van deen, die adviseren met betrekking tot de toets of sprake is van een overleden aanvrager. 2 Artikel 5.2, tweede tot en met vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de commissies die zijn ingesteld op grond van dit artikel en de daarmee samenhangende bevoegdheden en verplichtingen van de Dienst Toeslagen. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Aanvraagtermijnen#
Artikel 6.1 Aanvraagtermijnen 1 artikel 2.1, eerste lid 2.6, eerste lid 3.13, eerste lid 4.1, eerste lid 4.2 4.3, eerste lid 4.4, eerste lid 4.6, eerste lid 4.7, eerste lid door Stb. 2026/32 gesteld op 1 april 2026 Een aanvraag als bedoeld in,,,,,,,, of, wordt ingediend voor 1 januari 2024. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of 2.6, derde lid, wordt ingediend voor een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2 artikel 2.13 2.14 2.14a artikel 2.7 Een aanvraag als bedoeld in,ofwordt ingediend bij de Dienst Toeslagen binnen een jaar na de uiterste datum voor het doen van een aanvraag van een herstelmaatregel als bedoeld in. In afwijking van de eerste zin wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.13 ingediend tot een jaar na de dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, indien die beschikking een dagtekening heeft van na 31 december 2023. 3 artikel 3.13, eerste lid 4.3, eerste lid In afwijking van het eerste lid, eerste zin, wordt een aanvraag als bedoeld in, of, indien een beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na 1 juli 2023 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend. 3a artikel 2.1, derde lid 2.6, derde lid door Stb. 2026/32 gesteld op 1 oktober 2025 In afwijking van het eerste lid, tweede zin, wordt een aanvraag als bedoeld in, of, indien een beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstiponherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend. 4 4.1, eerste lid 4.2 4.4, eerste lid 4.6, eerste lid 4.7, eerste lid artikel 2.1, eerste lid artikel 2.6, eerste lid In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in,,,, of, indien de eerste beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in, na 1 juli 2023 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend. 5 artikel 2.13a artikel 2.14h, eerste lid Een aanvraag als bedoeld inwordt ingediend uiterlijk 31 december 2024, of indien de beschikking tot toekenning van een compensatie als bedoeld in, een dagtekening heeft van na 31 december 2023, tot en met een jaar na de datum van de dagtekening van die beschikking. 6 artikel 2.14h, eerste lid Een aanvraag als bedoeld in, wordt ingediend: a. voor 1 juli 2024; of b. binnen zes maanden na de datum waarop die aanvraag voor het eerst gedaan kan worden, indien deze termijn van zes maanden verstrijkt op of na 1 juli 2024. 7 artikel 2.14h, eerste lid Indien de ex-partner een brief heeft ontvangen van de Dienst Toeslagen met een uitnodiging tot het aanvragen van compensatie met dagtekening van na 31 december 2023, wordt een aanvraag als bedoeld in, in afwijking van het zesde lid ingediend binnen zes maanden na dagtekening van die brief. 8 artikel 4.1, eerste lid 4.4, eerste lid 4.6, eerste lid 4.7, eerste lid artikel 2.14h, eerste lid In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in,,, of, van of met betrekking tot een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, ingediend binnen zes maanden na dagtekening van de beschikking tot toekenning van de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid. 2026 32 16-02-2026 10-02-2026 2026 32 16-02-2026 10-02-2026 01-04-2026
Artikel 6.1a — Artikel 6.1a Aanvraagtermijn tegemoetkoming nabestaanden van overleden kind#
Artikel 6.1a Aanvraagtermijn tegemoetkoming nabestaanden van overleden kind 1 artikelen 2.14c 2.14d 2.14e Een aanvraag als bedoeld in de,of, wordt ingediend: a. artikel 2.14c artikel 2.14d artikel 2.14e binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van,, onderscheidenlijk, indien het overleden kind is overleden voor of op de datum van inwerkingtreding van die artikelen; of b. afdeling 2.2a binnen zes maanden na de datum van overlijden van het overleden kind, indien het overleden kind is overleden na de datum van inwerkingtreding van. 2 artikelen 2.14c 2.14d 2.14e artikel 2.7 artikelen 2.10 2.11 In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in de,ofingediend tot zes maanden na de dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld indoor de partner, het kind, onderscheidenlijk de ouder van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van deof, indien: a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; en b. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking. 3 artikelen 2.14c 2.14d 2.14e artikel 2.14h, eerste lid artikelen 2.11a 2.11b In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in de,ofingediend tot zes maanden na de dagtekening van de beschikking tot het toekennen van compensatie als bedoeld in, door de partner, het kind, onderscheidenlijk de ouder van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van deof, indien: a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; en b. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024 22-04-2024
Artikel 6.1b — Artikel 6.1b Aanvraagtermijn compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 6.1b Aanvraagtermijn compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikelen 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid 2.9b, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid Een aanvraag als bedoeld in de, of, wordt ingediend: a. artikelen 2.9a artikel 2.9b binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de, onderscheidenlijk, indien de overleden aanvrager is overleden voor of op de datum van inwerkingtreding van die artikelen; of b. artikel 2.9a artikel 2.9b bij overlijden na de inwerkingtreding van, onderscheidenlijk, binnen zes maanden na de datum van overlijden van de overleden aanvrager. 2 artikel 2.1, eerste lid artikel 2.6, eerste lid artikelen 2.9a, tweede lid 2.9b, tweede lid Indien voorafgaand aan het overlijden van de overleden aanvrager aan die overleden aanvrager geen toekenning heeft plaatsgevonden van compensatie als bedoeld in, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in, wordt een aanvraag als bedoeld in de, of, in afwijking van het eerste lid ingediend: a. artikelen 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2° 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2° niet eerder dan na toekenning van een voorziening als bedoeld in de, of, aan de nabestaande; en b. uiterlijk zes maanden na de datum waarop: 1°. artikel 2.9a, tweede lid de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk vast komt te staan indien het een aanvraag betreft als bedoeld in; of 2°. artikel 2.9b, tweede lid de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend indien het een aanvraag betreft als bedoeld in. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6.1c — Artikel 6.1c Uiterste aanvraagdatum tegemoetkoming voor gedupeerde aanvragers huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget#
Artikel 6.1c Uiterste aanvraagdatum tegemoetkoming voor gedupeerde aanvragers huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget artikelen 2.16 2.17 Een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in deofwordt uiterlijk 12 februari 2026 ingediend. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Beslistermijnen bij beschikking op aanvraag#
Artikel 6.2 Beslistermijnen bij beschikking op aanvraag 1 artikel 2.1, eerste of derde lid 2.6, eerste of derde lid 2.13 2.13a 2.14 2.14a 2.14h, eerste lid Op een aanvraag als bedoeld in,,,,,of, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 2 artikel 3.13, eerste lid 4.1, eerste lid 4.2 4.3, eerste lid 4.4, eerste lid Op een aanvraag als bedoeld in,,,, of, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 3 artikel 4.6, eerste lid artikel 4.7, eerste lid Op een aanvraag als bedoeld in, of, besluit de Dienst Toeslagen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. 4 artikel 2.14h, eerste lid In afwijking van het eerste lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in, binnen een termijn van zes maanden na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 2, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen, indien die aanvraag is gedaan voor ontvangst van een brief van de Dienst Toeslagen met een uitnodiging een aanvraag te doen en voor inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 5 artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.14g, eerste lid artikel 2.7, eerste lid In afwijking van het eerste en vierde lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in, binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de beschikking waarin voor de aanvrager van een kinderopvangtoeslag, bedoeld in, het recht op het forfaitaire bedrag, bedoeld in, het recht op het bedrag van € 10.000, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, of het recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 wordt vastgesteld, indien: a. artikel 2.1, eerste lid artikel 2.6, eerste lid die aanvrager voor een kinderopvangtoeslag diens aanvraag als bedoeld in, of als bedoeld in, heeft ingediend voor 1 januari 2024; en b. nog geen beschikking is gegeven op de aanvraag, bedoeld in onderdeel a, op: 1°. artikel 2.14h, eerste lid de dag van ontvangst van de aanvraag, bedoeld in; of 2°. artikel I, onderdeel M, onder 2, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen artikel 2.14h, eerste lid de dag van inwerkingtreding vanin de situatie dat de aanvraag, bedoeld in, is gedaan voor ontvangst van een brief van de Dienst Toeslagen met een uitnodiging een aanvraag te doen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.2bis — Artikel 6.2bis Beslistermijn bij beschikking op aanvraag nabestaanden van overleden kind#
Artikel 6.2bis Beslistermijn bij beschikking op aanvraag nabestaanden van overleden kind 1 artikel 2.14c, eerste lid Op een aanvraag als bedoeld in, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 2 artikel 2.14c, eerste lid In afwijking van het eerste lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 3 artikel 2.14c, eerste lid artikel 2.7 artikelen 2.10 2.11 In afwijking van het eerste en tweede lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in, binnen een termijn van zes maanden na dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld in, indien het een aanvraag betreft van de partner van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van deof, indien: a. die aanvraag is gedaan voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking; en b. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024. 4 artikel 2.14c, eerste lid artikel 2.14h, eerste lid artikelen 2.11a 2.11b In afwijking van het eerste en tweede lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in, binnen een termijn van zes maanden na dagtekening van de beschikking tot het toekennen van compensatie als bedoeld in, indien het een aanvraag betreft van de partner van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van deof, indien: a. die aanvraag is gedaan voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking; en b. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024. 5 artikelen 2.14d 2.14e, eerste lid artikel 6.1a Op een aanvraag als bedoeld in deof, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond vangeldende aanvraagtermijnen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 6.2ter — Artikel 6.2ter Beslistermijn bij beschikking op aanvraag nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 6.2ter Beslistermijn bij beschikking op aanvraag nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag 1 artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a Op een aanvraag als bedoeld in, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 2 artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a In afwijking van het eerste lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 3 artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel b Op een aanvraag als bedoeld in, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager kinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien die gedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 4 artikel 2.9a, tweede lid artikel 6.1b, eerste lid Op een aanvraag als bedoeld in, waarop de in, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 5 artikel 2.9a, tweede lid In afwijking van het vierde lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 6 artikel 2.9a, tweede lid artikel 6.1b, tweede lid Op een aanvraag als bedoeld in, waarop, van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, onherroepelijk is geworden. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 7 artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a artikel 6.1b Op een aanvraag als bedoeld in, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond vangeldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 8 artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel b artikel 6.1b Op een aanvraag als bedoeld in, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond vangeldende aanvraagtermijn, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager kinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien die gedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 9 artikel 2.9b, tweede lid artikel 6.1b, eerste lid Op een aanvraag als bedoeld in, waarop de in, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b, eerste lid, geldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 10 artikel 2.9b, tweede lid artikel 6.1b, tweede lid Op een aanvraag als bedoeld in, waarop de in, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6.2a — Artikel 6.2a Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/400.#
Artikel 6.2a Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/400. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Samenloop aanvragen#
Artikel 6.3 Samenloop aanvragen 1 artikel 2.1, eerste lid artikel 2.6, eerste lid Alleen ten aanzien van de voorbereiding van een beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in, of een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in, wordt een aanvraag tot toepassing van artikel 2.1 of 2.6 geacht te zijn gericht op de toepassing van beide artikelen tenzij uit de aanvraag het tegendeel blijkt. 2 artikel 49 49b 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 2.1 2.6 artikel 6.2, eerste lid Indien een aanvraag tot toepassing van,of, zoals dat luidde op 25 januari 2021 of vanofwordt gevolgd door een aanvraag tot toepassing van een ander van deze artikelen, wordt de beslistermijn inzake laatstgenoemde aanvraag, in afwijking van, verkort met het reeds verstreken deel van de voor eerstgenoemde aanvraag geldende beslistermijn. De aldus resterende beslistermijn bedraagt minimaal de beslistermijn, bedoeld in. 3 artikel 2.1, derde lid artikel 2.6, derde lid Het tweede lid is niet van toepassing op een aanvraag van aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in, of van een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 26-01-2021
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Beslissing over tegemoetkoming kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner#
Artikel 6.4 Beslissing over tegemoetkoming kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner artikel 2.10 artikel 2.11, eerste lid Een beschikking tot toekenning van een tegemoetkoming aan een kind als bedoeld in, een tegemoetkoming aan een pleegkind als bedoeld in, of een tegemoetkoming aan een voormalig pleegkind als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, wordt door de Dienst Toeslagen vastgesteld: a. artikelen 2.10 tot en met 2.13 artikel 2.7 artikelen 2.10 tot en met 2.13 op of na de datum waarop dein werking zijn getreden, indien de Dienst Toeslagen het recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld invoor de inwerkingtreding van deheeft vastgesteld; of b. artikel 2.7 na de dagtekening van de beschikking waarin door de Dienst Toeslagen het recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inis vastgesteld. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.4a — Artikel 6.4a Beslissing over tegemoetkoming kind, pleegkind of voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag#
Artikel 6.4a Beslissing over tegemoetkoming kind, pleegkind of voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag artikel 2.11a artikel 2.11b, eerste lid artikel 2.14h, eerste lid Een beschikking tot toekenning van een tegemoetkoming aan een kind als bedoeld in, een pleegkind als bedoeld in, of een voormalig pleegkind als bedoeld in artikel 2.11b, tweede lid, wordt door de Dienst Toeslagen gegeven na de dagtekening van de beschikking waarin door de Dienst Toeslagen het recht op compensatie, bedoeld in, is vastgesteld. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Beslistermijn vergoeding gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en diens gezin of de ex-partner van een gedupeerde aanvrager woonachtig buiten Nederland of de partner of het kind van een overleden gedupeerde aanvrager#
Artikel 6.5 Beslistermijn vergoeding gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en diens gezin of de ex-partner van een gedupeerde aanvrager woonachtig buiten Nederland of de partner of het kind van een overleden gedupeerde aanvrager artikel 2.15, eerste, tweede of derde lid artikel 2.15a, eerste, tweede of derde lid artikel 2.15b, eerste, tweede en derde lid Een beschikking tot toekenning van ondersteuning als bedoeld in,, of, wordt door Onze Minister vastgesteld binnen zes weken nadat het plan van aanpak, bedoeld in artikel 2.15, vierde lid, artikel 2.15a, vierde lid, of artikel 2.15b, vierde lid, is vastgesteld. Het plan van aanpak is vastgesteld op het moment dat het is ondertekend door de aanvrager, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, de ex-partner, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid, of de partner of het kind van een overleden aanvrager, bedoeld in artikel 2.15b, eerste lid. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 Beslistermijn kwijtschelding door Dienst Toeslagen#
Artikel 6.6 Beslistermijn kwijtschelding door Dienst Toeslagen artikel 3.1 artikel 2.7, tweede lid De Dienst Toeslagen verleent de kwijtschelding, bedoeld in, uiterlijk drie maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden of, indien dit later is, uiterlijk binnen drie maanden na het toekennen, afwijzen op grond van, of verminderen tot nihil van het forfaitaire bedrag, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of indien dit nog later is, uiterlijk binnen drie maanden nadat de toekenning van de toeslag, waarop de terugvordering, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, betrekking heeft, over het berekeningsjaar waarop die terugvordering betrekking heeft, onherroepelijk is geworden. Deze termijn kan door de Dienst Toeslagen eenmaal met maximaal drie maanden worden verlengd. De Dienst Toeslagen stelt de belanghebbende hiervan uiterlijk op de laatste dag van deze termijn in kennis. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Vooraankondiging compensatiebedrag#
Artikel 6.7 Vooraankondiging compensatiebedrag 1 artikel 2.1, eerste lid Voorafgaande aan de beslissing op een aanvraag als bedoeld in, informeert de Dienst Toeslagen de aanvrager schriftelijk over deze beslissing door middel van een vooraankondiging. Bij een voorgenomen toekenning van de aanvraag berekent de Dienst Toeslagen het voorlopige bedrag van de compensatie en wordt de aanvrager hierover in de vooraankondiging geïnformeerd. 2 De aanvrager kan binnen twee weken na de dagtekening van de vooraankondiging zijn zienswijze hierover naar voren brengen. 3 De termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de aanvrager eenmalig verlengd tot ten hoogste zes weken vanaf de dagtekening van de vooraankondiging. 4 artikel 2.1, eerste lid In het geval van toekenning van een aanvraag als bedoeld in, stelt de Dienst Toeslagen het bedrag van de compensatie vast na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede of derde lid. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Wijze van uitbetalen#
Artikel 6.8 Wijze van uitbetalen 1 artikel 2.1 artikel 2.14h artikel 2.6 artikel 2.7, eerste lid artikel 2.8 artikel 2.14i 2.18 artikel 2.15, tweede of derde lid artikel 2.15a, tweede of derde lid artikel 2.15b, tweede en derde lid artikel 2.16 2.17 artikel 3.13 artikel 4.3 Uitbetaling van compensatie of aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld inof, een O/GS-tegemoetkoming of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in, het forfaitaire bedrag, bedoeld in, het bedrag van maximaal € 10.000, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, een incidentele noodvoorziening als bedoeld in,of, een tegemoetkoming of vergoeding als bedoeld in,, of, een tegemoetkoming als bedoeld inof, compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden als bedoeld inof compensatie voor afgeloste privaatrechtelijke geldschulden en kosten als bedoeld invindt plaats op een daartoe door de rechthebbende bestemde bankrekening die op diens naam staat. 2 artikel 2.12 Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld invindt indien het kind, pleegkind of voormalige pleegkind meerderjarig is, plaats op een daartoe door hem bestemde bankrekening die op diens naam staat. 3 artikel 2.12 Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld invindt indien het kind, pleegkind of voormalige pleegkind minderjarig is, plaats op een bankrekening die daartoe is bestemd door diens wettelijke vertegenwoordiger en op naam staat van het kind, pleegkind of voormalige pleegkind. 4 artikel 4.4 Uitbetaling van een kostenvergoeding als bedoeld invindt plaats op een daartoe door de curator of de bewindvoerder, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, bestemde bankrekening. 5 artikel 4.6, zesde lid Uitbetaling van een vergoeding als bedoeld in, en betaling van de schulden, bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, vindt plaats op een daartoe door de bewindvoerder, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, bestemde bankrekening. 6 artikel 4.7, vijfde lid Uitbetaling van een vergoeding als bedoeld in, en betaling van de schulden, bedoeld in 4.7, tweede lid, vindt plaats op een daartoe door de werkgever, de persoon, de instelling of de gemeentelijke kredietbank, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, bestemde bankrekening. 7 Een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, een kind, pleegkind of voormalig pleegkind als bedoeld in het tweede lid, een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het derde lid, een curator of bewindvoerder als bedoeld in het vierde lid, een bewindvoerder als bedoeld in het vijfde lid, een werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank als bedoeld in het zesde lid, of een rechthebbende of een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het negende lid kan niet meer dan één bankrekening bestemmen voor de uitbetaling. 8 Indien een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, een kind, pleegkind of voormalig pleegkind als bedoeld in het tweede lid, een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het derde lid, een curator of bewindvoerder als bedoeld in het vierde lid, een bewindvoerder als bedoeld in het vijfde lid, een werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank als bedoeld in het zesde lid, of een rechthebbende of een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het negende lid niet binnen een redelijke termijn een bankrekening heeft bestemd voor de uitbetaling, vindt de uitbetaling plaats op een bankrekening die op naam staat van de rechthebbende, het kind, pleegkind of voormalige pleegkind, de wettelijke vertegenwoordiger, de curator, de bewindvoerder, de werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank, onderscheidenlijk de rechthebbende of de wettelijke vertegenwoordiger, bedoeld in het negende lid. 9 artikelen 2.9a 2.9b artikel 2.14f Uitbetaling van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in deofof van een tegemoetkoming als bedoeld invindt plaats op een daartoe door de rechthebbende bestemde bankrekening die op diens naam staat. Indien de rechthebbende minderjarig is, vindt de uitbetaling plaats op een bankrekening die daartoe is bestemd door diens wettelijke vertegenwoordiger en die op naam staat van de rechthebbende. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Uitbetaling#
Artikel 6.9 Uitbetaling 1 artikel 6.7, eerste lid Uitbetaling van het voorlopige bedrag van de compensatie, bedoeld in, vindt plaats door de Dienst Toeslagen bij de bekendmaking van de vooraankondiging. 2 artikel 6.7, vierde lid Uitbetaling van het bedrag van de compensatie, bedoeld in, vindt plaats door de Dienst Toeslagen bij de vaststelling dit bedrag, onder aftrek van het bedrag dat reeds bij de bekendmaking van de vooraankondiging is uitbetaald. 3 artikel 2.7, eerste lid Uitbetaling van het forfaitaire bedrag, bedoeld in, vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7. 4 artikel 2.7, tweede lid Uitbetaling van het bedrag van maximaal € 10.000, bedoeld in, vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen zes maanden na inwerkingtreding van dit lid of, indien dit later is, binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7. 5 artikel 2.12 Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld invindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of, indien het kind, pleegkind of voormalig pleegkind dan wel, als hij minderjarig is, diens wettelijke vertegenwoordiger daarom heeft verzocht, op een latere datum, doch niet later dan 31 december 2025. In afwijking van de eerste zin kan een kind, pleegkind of voormalig pleegkind, dan wel als hij minderjarig is, diens wettelijk vertegenwoordiger, verzoeken om uitstel van uitbetaling tot een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van een tegemoetkoming indien die beschikking na 31 december 2024 is bekendgemaakt. 6 artikel 2.16 2.17 Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld inofvindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of, indien de rechthebbende daarom heeft verzocht, op een latere datum, doch niet later dan een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van die tegemoetkoming. 7 artikel 2.15, tweede of derde lid artikel 2.15a, tweede of derde lid artikel 2.15b, tweede of derde lid artikel 4.6, zesde lid artikel 4.7, vijfde lid Uitbetaling van een tegemoetkoming of vergoeding als bedoeld in,, of, door Onze Minister en uitbetaling door de Dienst Toeslagen van een vergoeding als bedoeld in, of, en betaling van schulden als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, of 4.7, tweede lid, vindt plaats binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt. 8 artikel 2.16 2.17 Een tegemoetkoming als bedoeld inofwordt niet betaald indien zij minder dan € 24 bedraagt. 9 artikel 2.14h, eerste lid Uitbetaling van de compensatie, bedoeld in, vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen zes weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of op een later moment indien de ex-partner daarom heeft verzocht, doch niet later dan een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van die compensatie. 10 artikelen 2.9a 2.9b artikel 2.14f Uitbetaling van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in deofof van een tegemoetkoming als bedoeld invindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen zes weken nadat de beschikking tot toekenning daarvan is bekendgemaakt of op een later moment indien de rechthebbende daarom heeft verzocht, doch niet later dan een jaar na dagtekening van die beschikking. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026
Artikel 6.10 — Artikel 6.10 Terugvordering#
Artikel 6.10 Terugvordering 1 artikel 2.1, eerste lid artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.6, eerste lid De Dienst Toeslagen kan compensatie als bedoeld in, of, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, terugvorderen van de aanvrager, indien hij de aanvraag heeft ingediend nadat dit artikel in werking is getreden en hij bij de aanvraag opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op toekenning van de compensatie, de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, de O/GS-tegemoetkoming of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 2 artikel 2.7, eerste lid De Dienst Toeslagen kan het forfaitaire bedrag, bedoeld in, terugvorderen van de aanvrager van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 indien hij de aanvraag van de herstelmaatregel heeft ingediend na 19 maart 2021 en bij de aanvraag opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op toekenning van een herstelmaatregel en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 3 artikel 2.15, tweede lid artikel 2.15a, tweede lid artikel 2.7 artikel 2.14h, eerste lid Onze Minister kan een financiële tegemoetkoming als bedoeld in, of, terugvorderen, indien degene die een aanvraag heeft ingediend om toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inonderscheidenlijk een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in, bij het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 2.15, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 2.15a, vierde lid, opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, onderscheidenlijk op toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en de aanvrager dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 4 artikel 3.13, eerste lid artikel 4.3, eerste lid Onze Minister kan compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden als bedoeld in, of compensatie voor afgeloste privaatrechtelijke schulden als bedoeld in, terugvorderen van de aanvrager, indien hij de aanvraag heeft ingediend nadat dit artikel in werking is getreden en hij bij de aanvraag opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op compensatie voor afgeloste bestuursrechtelijke schulden respectievelijk compensatie voor afgeloste privaatrechtelijke schulden en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 5 De Dienst Toeslagen kan compensatie of tegemoetkoming die is verstrekt op grond van de artikelen 2.9a of 2.9b terugvorderen van de aanvrager, indien deze aanvrager opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op die compensatie of tegemoetkoming en de aanvrager dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 6 Onze Minister kan een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.15b, tweede lid, terugvorderen, indien de partner of het kind van een overleden aanvrager bij het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 2.15b, vierde lid, opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a onderscheidenlijk artikel 2.9b en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 6.10a — Artikel 6.10a Bezwaartermijn#
Artikel 6.10a Bezwaartermijn 1 artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift dat is gericht tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen die op grond van deze wet is gegeven zestien weken. 2 artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanvangt de termijn voor het maken van bezwaar tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen die op grond van deze wet is gegeven aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 6.10aa — Artikel 6.10aa Aanvang beslistermijn op bezwaar#
Artikel 6.10aa Aanvang beslistermijn op bezwaar artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanvangt de beslistermijn op een bezwaar gericht tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen op grond van deze wet aan op de dag na ontvangst van het bezwaarschrift, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder aanvangt dan zes weken nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 6.10b — Artikel 6.10b Beroepstermijn#
Artikel 6.10b Beroepstermijn artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanvangt de termijn voor het instellen van beroep tegen een beslissing op bezwaar die door de Dienst Toeslagen is gedaan op een beschikking die op grond van deze wet is gegeven aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de beslissing op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Informatieverstrekking aan Dienst Toeslagen#
Artikel 6.11 Informatieverstrekking aan Dienst Toeslagen 1 hoofdstukken 2 3 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden de lichamen, instellingen, diensten, rechtspersonen of personen aangewezen die gehouden zijn aan de Dienst Toeslagen desgevraagd kosteloos de gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de artikelen van de,en. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verstrekking van het burgerservicenummer van degene op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben. 3 Aan een lichaam dat of een instelling, dienst, rechtspersoon of persoon die gegevens en inlichtingen heeft verstrekt, maar van oordeel is dat de verplichting daartoe onrechtmatig is opgelegd, kan op verzoek een vergoeding worden toegekend voor de kosten die rechtstreeks verband houden met de nakoming van de verplichting. De Dienst Toeslagen kent bij beschikking een redelijke kostenvergoeding toe in geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt de rechtmatigheid van de opgelegde verplichting, bedoeld in het eerste lid, geacht deel uit te maken van het geschil in bezwaar en beroep tegen de beschikking tot toekenning van een kostenvergoeding. 4 artikel 2.20 Een schuldeiser met een opeisbare vordering of diegene die optreedt namens die schuldeiser kan de naam, de geboortedatum, de adresgegevens en, indien de schuldeiser het burgerservicenummer rechtmatig mag verwerken, het burgerservicenummer van een schuldenaar op wie de opeisbare vordering betrekking heeft en op wie de afkoelingsperiode als bedoeld inmogelijk van toepassing is verstrekken aan de Dienst Toeslagen, zodat de Dienst Toeslagen aan de schuldeiser of degene die namens hem optreedt kan bevestigen of ten aanzien van die schuldenaar de afkoelingsperiode van toepassing is. De Dienst Toeslagen kan na de verstrekking van die gegevens de bevestiging van de afkoelingsperiode en de datum waarop de afkoelingsperiode is ingegaan verstrekken aan de schuldeiser of diegene die optreedt namens de schuldeiser. 5 artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gegevensverstrekking door een gerechtsdeurwaarder, een gerecht als bedoeld in, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep. 6 artikel 4:85 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op gegevensverstrekking met betrekking tot een betalingsverplichting die voortvloeit uit een bestuursrechtelijke geldschuld als bedoeld in, een administratiefrechtelijke afdoening op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften, een publiekrechtelijke rechtshandeling of een uitspraak van een gerecht als bedoeld in, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of de Centrale Raad van Beroep. 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het vierde lid. 8 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Als binnen die twee weken door of namens een der Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld, wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. 9 De inspecteur of ontvanger verstrekken desgevraagd aan de Dienst Toeslagen de gegevens en inlichtingen, die nodig zijn voor de uitvoering van deze wet, onder vermelding van het burgerservicenummer van degene op wie de gegevens of inlichtingen betrekking hebben. 10 artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 2.20 artikel 2.14h, eerste lid Een gerechtsdeurwaarder die optreedt namens een schuldeiser met een opeisbare vordering van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, of diens partner, bedoeld in, en voor wie de afkoelingsperiode, bedoeld in, meer dan zes maanden geleden aangevangen is of van de ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, kan de naam, de geboortedatum, de adresgegevens, het bedrag aan schulden en bijkomende kosten en het burgerservicenummer van de schuldenaar op wie de opeisbare vordering betrekking heeft, verstrekken aan de Dienst Toeslagen, om de Dienst Toeslagen in staat te stellen die schuldenaar te benaderen om voor de opeisbare vordering tot een oplossing te komen. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 6.12 — Artikel 6.12 Verstrekking en gebruik van gegevens door Dienst Toeslagen en Onze Minister#
Artikel 6.12 Verstrekking en gebruik van gegevens door Dienst Toeslagen en Onze Minister 1 artikel 2.7 artikel 2.21 artikel 2.9a artikel 2.9b Indien een aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft verzocht om toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld inen kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor ondersteuning als bedoeld indoor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarvan die aanvrager ingezetene is of indien een partner of kind van een overleden aanvrager als bedoeld in, onderscheidenlijk, kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor ondersteuning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarvan die partner of dat kind ingezetene is, kan de Dienst Toeslagen op verzoek van deze aanvrager, deze partner of dit kind, het burgerservicenummer en de contactgegevens verstrekken aan dat college van burgemeester en wethouders om dat college in staat te stellen die aanvrager, die partner, of dat kind een aanbod van ondersteuning te doen op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg. 2 Indien een aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft verzocht om compensatie of een tegemoetkoming als bedoeld in deze wet en kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor hulpverlening van Stichting Slachtofferhulp Nederland, kan de Dienst Toeslagen op verzoek van die belanghebbende zijn burgerservicenummer, en contactgegevens verstrekken aan die stichting, om die stichting in staat te stellen die belanghebbende een aanbod voor hulpverlening te doen bij emotionele en psychische problematiek. 3 afdeling 2.2 Bij de uitvoering van de artikelen inverwerkt de Dienst Toeslagen gegevens van de ouder, diens partner of voormalige partner, en de pleegouder. 4 artikel 2.7 artikel 2.9a artikel 2.9b artikel 2.14h, eerste lid artikelen 2.15 2.15a 2.15b De Dienst Toeslagen verstrekt aan Onze Minister het burgerservicenummer en de contactgegevens van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, een partner of kind van een overleden aanvrager als bedoeld inonderscheidenlijk, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, ten behoeve van de uitvoering van de,en. 5 artikelen 3.13 4.1 4.3 De Dienst Toeslagen verstrekt aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de,en. 6 artikelen 2.20 3.1 tot en met 3.12 4.1 4.7, vierde lid artikel 2.7, eerste lid artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 Voor de toepassing van de,,en, kan de Dienst Toeslagen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Centraal Administratie Kantoor, de Dienst Uitvoering Onderwijs, de Sociale Verzekeringsbank, het Centraal Justitieel Incassobureau, het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de inspecteur, bedoeld in, de ontvanger, bedoeld in, gemeenten en waterschappen uit eigen beweging voor zover nodig, de naam, de geboortedatum, de adresgegevens, het burgerservicenummer en indien van toepassing de datum waarop een bedrag van in totaal ten minste € 30.000 in de vorm van een forfaitair bedrag als bedoeld in, of op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 is uitgekeerd, verstrekken: a. van degenen aan wie dit bedrag wordt uitgekeerd; b. artikel 2.20 van degenen op wie de afkoelingsperiode als bedoeld invan toepassing is; c. artikel 2.14h, eerste lid van een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend. 7 Indien een schuldeiser aan de Dienst Toeslagen bevestigt dat er in redelijkheid wordt gezocht naar een voor alle betrokken partijen passende oplossing voor de financiële situatie van degenen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen a, b en c, kan de Dienst Toeslagen op verzoek van die schuldeiser gegevens verstrekken die noodzakelijk worden geacht voor de totstandkoming van die passende oplossing. De schuldeiser kan bij zijn verzoek aan de Dienst Toeslagen gegevens verstrekken die noodzakelijk worden geacht voor de totstandkoming van de passende oplossing. 8 artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie De Dienst Toeslagen registreert welke gegevens van degenen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen a, b en c, zijn verstrekt aan een schuldeiser, aan iemand die optreedt namens een schuldeiser, aan gerechtsdeurwaarders, aan een gerecht als bedoeld in, aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven of aan de Centrale Raad van Beroep. 9 artikel 6.14 artikel 2.7 artikel 2.14h, eerste lid De Dienst Toeslagen kan op diens verzoek en indien noodzakelijk ter ondersteuning van de uitvoering vanaan het stelsel van kredietregistratie de naam, de geboortedatum en de adresgegevens verstrekken van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in, diens partner, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend. 10 artikel 4:85 van de Algemene wet bestuursrecht Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie Het zesde tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op gegevensverstrekking met betrekking tot een betalingsverplichting die voortvloeit uit een bestuursrechtelijke geldschuld als bedoeld in, een administratiefrechtelijke afdoening op grond van de, een publiekrechtelijke rechtshandeling of een uitspraak van een gerecht als bedoeld in, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of de Centrale Raad van Beroep. 11 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste, en zesde tot en met achtste lid. 12 artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.21 Indien een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, bij de Dienst Toeslagen kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor ondersteuning als bedoeld indoor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarvan die ex-partner ingezetene is, kan de Dienst Toeslagen op verzoek van die ex-partner het burgerservicenummer en de contactgegevens verstrekken aan dat college van burgemeester en wethouders om dat college in staat te stellen die ex-partner een aanbod van ondersteuning te doen op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg. 13 artikel 2.21, zesde lid artikel 2.14h, eerste lid artikel 2.12 Ten behoeve van de uitvoering van, verstrekt de Dienst Toeslagen het burgerservicenummer en informatie over de status van het verzoek om toepassing van een herstelmaatregel of informatie over een wijziging in de status van de gedupeerdheid van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, of het kind, het pleegkind of het voormalige pleegkind dat in aanmerking komt voor de tegemoetkoming, bedoeld in, aan het college van burgemeester en wethouders dat aan die aanvrager, die ex-partner of dat kind, pleegkind of het voormalige pleegkind brede ondersteuning biedt. 14 artikel 2.14h, eerste lid Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend en die bij de Dienst Toeslagen kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor hulpverlening van Stichting Slachtofferhulp Nederland. 15 afdeling 2.3 artikel 2.14h, eerste lid Bij de uitvoering vanverwerkt de Dienst Toeslagen gegevens van kinderen en voormalige partners van degene die een brief van de Dienst Toeslagen heeft ontvangen met een uitnodiging tot het aanvragen van compensatie of van degene die, zonder daartoe bij brief van de Dienst Toeslagen te zijn uitgenodigd, een aanvraag doet voor de compensatie, bedoeld in. 16 artikel 4.1 artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 2.14h, eerste lid Bij de uitvoering vanverstrekt Onze Minister gegevens met betrekking tot de bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, ingediende schulden, de persoonsgegevens en, indien noodzakelijk, het burgerservicenummer van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, diens partner, bedoeld in, of van een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, aan diens schuldeisers of kredietbank. 17 artikel 2.7 artikel 2.9a artikel 2.9b artikel 2.14h, eerste lid Bij een wens tot remigratie verstrekt Onze Minister aan het college van burgemeester en wethouders het burgerservicenummer en de contactgegevens van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, de partner van een overleden aanvrager die in aanmerking komt voor een compensatie als bedoeld in, een kind van een overleden aanvrager die in aanmerking komt voor een compensatie als bedoeld in, of van een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend, indien die aanvrager, partner, kind of ex-partner kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor ondersteuning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarvan die aanvrager of ex-partner ingezetene wordt. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026 15-07-2023
Artikel 6.13 — Artikel 6.13 Verwerking bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard#
Artikel 6.13 Verwerking bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard 1 hoofdstukken 2 3 4 De Dienst Toeslagen verwerkt gegevens en inlichtingen die betrekking hebben op bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, indien dat noodzakelijk is voor het vaststellen van een recht op compensatie, een tegemoetkoming, kwijtschelding of overneming van schulden als bedoeld in de,envan deze wet of voor de uitvoering daarvan. 2 artikel 2.21 Het college van burgemeester en wethouders verwerkt gegevens en inlichtingen die betrekking hebben op bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder verwerking van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het eerste en tweede lid kan plaatsvinden. 4 Indien de verwerking van gegevens en inlichtingen betrekking heeft op een of meer bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, wordt voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 6.14 — Artikel 6.14 Verwijdering gegevens uit stelsel van kredietregistratie#
Artikel 6.14 Verwijdering gegevens uit stelsel van kredietregistratie artikel 4:32 van de Wet op het financieel toezicht artikel 2.7 artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c artikel 2.14h, eerste lid Een registratie in een stelsel van kredietregistratie als bedoeld inin verband met een betalingsachterstand aangaande een overeenkomst met een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in, diens partner, bedoeld in, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in, en aan wie deze is toegekend wordt door degene die deze heeft geregistreerd per omgaande verwijderd uit het stelsel van kredietregistratie, indien de betalingsachterstand is komen te vervallen. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Financiën#
Artikel 7.1 Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Financiën artikel 2.21 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over een specifieke uitkering aan gemeenten ter bekostiging van door gemeenten te verlenen brede ondersteuning als bedoeld in. 2023 264 14-07-2023 12-07-2023 36352 2023 265 14-07-2023 12-07-2023 15-07-2023 05-11-2022
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties#
Artikel 7.2 Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties artikel 26a van de Invorderingswet 1990 Hoofdstuk XV, paragrafen 2 en 3, van de Gemeentewet Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gesteld over een specifieke uitkering aan gemeenten ter bekostiging van verleende kwijtschelding en restitutie op grond vanvan verschuldigde gemeentelijke belastingen als bedoeld inalsmede belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten door de gemeente geschiedt. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 01-07-2021
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid#
Artikel 7.3 Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid artikel 3.8 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld over een specifieke uitkering aan gemeenten ter bekostiging van de door het college van burgemeester en wethouders verleende kwijtschelding en restitutie op grond van. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 01-07-2021
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wijzigingen van de#
Artikel 8.1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wijzigingen van de Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-10-2020
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Vervallen van artikelen#
Artikel 8.2 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Vervallen van artikelen Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 26-01-2021
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 Algemene wet bestuursrecht Wijzigingen van de#
Artikel 8.3 Algemene wet bestuursrecht Wijzigingen van de Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 01-07-2021
Artikel 8.4 — Artikel 8.4 Wijzigingen van Wet hersteloperatie toeslagen#
Artikel 8.4 Wijzigingen van Wet hersteloperatie toeslagen Wijzigt deze wet. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024 Onderdeel F.
Artikel 8.5 — Artikel 8.5 Wet hardheidsaanpassing Awir Wijziging#
Artikel 8.5 Wet hardheidsaanpassing Awir Wijziging Wijzigt de Wet hardheidsaanpassing Awir. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 26-01-2021
Artikel 8.6 — Artikel 8.6 afdelingen 2.1 2.4 3.1 4.1 4.2 Overgangsrecht in verband met terugwerking van de artikelen van de,,,en#
Artikel 8.6 afdelingen 2.1 2.4 3.1 4.1 4.2 Overgangsrecht in verband met terugwerking van de artikelen van de,,,en afdeling 2.1 2.4 3.1 4.1 4.2 Beschikkingen ter zake van compensatie, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, O/GS-tegemoetkomingen, aanvullende O/GS-tegemoetkomingen voor de werkelijke schade of andere tegemoetkomingen of vergoedingen, ter zake van brede ondersteuning op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag, hun partners, kinderen en pleegkinderen van een van hen die woonachtig zijn buiten Nederland, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden en betaling of overneming van privaatrechtelijke schulden die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van,,,onderscheidenlijk, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 26-01-2021
Artikel 8.7 — Artikel 8.7 Overgangsrecht eenmalige tegemoetkoming herstel#
Artikel 8.7 Overgangsrecht eenmalige tegemoetkoming herstel artikel 49g van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Op een beschikking die is gebaseerd open op 26 januari 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, blijft artikel 49g van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals dat luidde op 25 januari 2021, van toepassing. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 01-01-2024 26-01-2021 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577
Artikel 8.8 — Artikel 8.8 Overgangsrecht kwijtschelding SZW-domein#
Artikel 8.8 Overgangsrecht kwijtschelding SZW-domein Vervallen 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024 01-01-2024
Artikel 8.9 — Artikel 8.9 Overgangsrecht verlenging bezwaartermijn en aanvang beslistermijn op bezwaar#
Artikel 8.9 Overgangsrecht verlenging bezwaartermijn en aanvang beslistermijn op bezwaar artikelen 6.10a, eerste lid 6.10aa artikel I, onderdeel Y De, enzijn niet van toepassing ter zake van een beschikking die is gegeven voor de dag van inwerkingtreding van, onderscheidenlijk artikel I, onderdeel Z, van de Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen en een bezwaar gericht tegen die beschikking. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 8.10 — Artikel 8.10 Overgangsrecht introductie termijnen voor verlenen van brede ondersteuning door gemeenten#
Artikel 8.10 Overgangsrecht introductie termijnen voor verlenen van brede ondersteuning door gemeenten 1 artikel I, onderdeel Ga, van de Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen artikel 2.21, eerste lid Indien voor de datum van inwerkingtreding vanhet eerste gesprek waarin de hulpvraag voor brede ondersteuning is vastgesteld tussen een persoon als bedoeld in, en het college van burgemeester en wethouders heeft plaatsgevonden, maar nog geen plan van aanpak is opgesteld, geldt, in afwijking van artikel 2.21, vierde lid, tweede zin, lid 4a en lid 4b, dat: a. het plan van aanpak wordt opgesteld binnen acht weken na die datum; b. materiële voorzieningen worden toegekend binnen zes maanden na die datum; c. het college van burgemeester en wethouders de brede ondersteuning beëindigt uiterlijk twee jaar na die datum. 2 artikel I, onderdeel Ga, van de Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen artikel 2.21, vierde lid Indien voor de datum van inwerkingtreding van, een plan van aanpak als bedoeld in, is opgesteld, geldt, in afwijking van artikel 2.21, lid 4a en lid 4b, dat: a. materiële voorzieningen worden toegekend binnen zes maanden na die datum; b. het college van burgemeester en wethouders de brede ondersteuning beëindigt uiterlijk twee jaar na die datum. 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 2025 441 19-12-2025 10-12-2025 36779 01-01-2026
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Hardheidsclausules#
Artikel 9.1 Hardheidsclausules 1 2.1 2.6 2.7 2.10 2.11 2.11a 2.11b 2.14 2.14a 2.16 2.17 3.1 4.6 4.7 6.1 De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van,,,,,,,,,,,,,ofvoor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning. 2 Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan: a. artikel 2.15 2.15a 2.15b 3.13 4.1 4.2 4.3 Onze Minister afwijken van,,,,,of; b. Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 3.6 het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in, afwijken van; c. Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 3.7 de Sociale verzekeringsbank, genoemd in, afwijken van; d. artikel 3.8 2.21 het college van burgemeester en wethouders afwijken vanof; e. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijken van artikel 3.9; f. artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg artikel 3.10 het CAK, bedoeld in, vanafwijken; g. artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg artikel 3.11 de Wlz-uitvoerder, bedoeld in, vanafwijken; en h. artikelen 1.1 van de Jeugdwet 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 3.12 het college, bedoeld in deen, vanafwijken. 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel Q,
van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen in
werking treedt.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Inwerkingtreding#
Artikel 9.2 Inwerkingtreding 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en werkt terug ten aanzien van: a. artikel 8.1, onderdelen B en C , tot en met 2 oktober 2020; b. artikel 8.1, onderdeel A , tot en met 4 december 2020; c. artikel 8.1, onderdeel D , tot en met 16 december 2020; d. artikel 7.1 tot en met 1 januari 2021; e. artikelen 2.1 tot en met 2.6 2.7, met uitzondering van het tweede lid, tweede en derde zin 2.8 2.9 2.18 2.21 5.1 5.2 6.1, eerste lid artikelen 2.1, eerste en derde lid 2.6, eerste en derde lid 6.2, eerste lid artikel 2.6, eerste lid 6.3 6.7 6.8, eerste lid, en zevende en achtste lid 6.9, eerste tot en met derde lid 6.12, eerste lid 8.2, onderdeel A 8.5 8.6 de,,,,,,,,, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in de, en,, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en,,,juncto eerste lid, met betrekking tot uitbetalingen op basis van de artikelen 2.1, 2.6, 2.7, eerste lid, 2.8 en 2.18,,, en elfde lid, met betrekking tot nadere regels ter uitvoering van het eerste lid,,entot en met 26 januari 2021; f. artikelen 2.20 6.11, vierde tot en met zevende lid 6.12, zesde tot en met tiende lid en elfde lid 6.14 8.2, onderdeel B de,,, met betrekking tot nadere regels ter uitvoering van het zesde tot en met achtste lid,en, tot en met 12 februari 2021; g. artikelen 3.10 tot en met 3.12 detot en met 1 juni 2021; h. artikelen 3.1 tot en met 3.5 3.13 3.14 4.6 4.7 6.1, eerste lid artikelen 4.6, eerste lid 4.7, eerste lid 6.2, tweede lid 6.8, eerste lid, en zevende en achtste lid 6.9, zevende lid de,,,,,, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, 6.1, eerste en vierde lid, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in de, en,, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, 6.2, derde lid, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in de artikelen 4.6, eerste lid, en 4.7, eerste lid,juncto eerste lid, met betrekking tot uitbetalingen op basis van artikel 3.13, 6.8, vijfde lid, en zevende en achtste lid juncto vijfde lid, met betrekking tot uitbetalingen op basis van artikel 4.6, 6.8, zesde lid, en zevende en achtste lid juncto zesde lid, met betrekking tot uitbetalingen op basis van artikel 4.7 en, met betrekking tot uitbetalingen op basis van de artikelen 4.6 en 4.7, en 6.12, vijfde lid, met betrekking tot de gegevensverstrekking ten behoeve van artikel 3.13, tot en met 2 juni 2021; i. artikelen 3.6 tot en met 3.9 7.2 7.3 8.3 de,,entot en met 1 juli 2021; j. artikelen 4.1 tot en met 4.5 6.1, eerste en derde lid artikel 4.3, eerste lid artikelen 4.1, eerste lid 4.2 4.4, eerste lid 6.2, tweede lid 4.3, eerste lid 6.8, vierde lid, en zevende en achtste lid artikel 6.12, vijfde lid de,, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in, 6.1, eerste en vierde lid, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in de,en,, met betrekking tot aanvragen als bedoeld in de artikelen 4.1, eerste lid, 4.2,, en 4.4, eerste lid, 6.8, eerste lid, en zevende en achtste lid juncto eerste lid, met betrekking tot uitbetalingen op basis van artikel 4.3, enjuncto vierde lid, met betrekking tot uitbetalingen op basis van artikel 4.4, en, met betrekking tot de gegevensverstrekking ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 4.1 en 4.3, tot en met 29 oktober 2021; en k. artikel 8.4, onderdelen A en B , tot en met 24 februari 2022; l. artikelen 2.15 6.5 6.8, eerste lid 6.9, zevende lid artikel 2.15, tweede of derde lid 6.10, derde lid de,,, en, met betrekking tot uitbetalingen op basis van, en, tot en met 24 juni 2022. 2 In afwijking van het eerste lid: a. artikel 8.7 treedtin werking met ingang van 1 januari 2024 en werkt terug tot en met 26 januari 2021; b. artikel 8.4, onderdelen C en D treedt, in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; c. artikel 8.4, onderdeel E artikel IV, onderdeel H, van de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen treedt, in werking op het tijdstip waaropin werking treedt; en d. artikel 8.4, onderdeel G treedt, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat niet ligt voor 1 januari 2024; e. artikel 8.4, onderdeel F treedt, in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 3 artikelen 6.8, negende lid 6.9, tiende lid afdeling 2.2A artikel I, onderdelen SSa, onder 3, en TTa, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen De, en, zoals deze luiden direct na inwerkingtreding van, werken terug tot en met 22 april 2024 met betrekking tot een tegemoetkoming op grond van. 2024 400 13-12-2024 11-12-2024 36577 2024 401 13-12-2024 11-12-2024 14-12-2024
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 Citeertitel#
Artikel 9.3 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet hersteloperatie toeslagen. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022