Wet van 2 december 2020, houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021)
- BWB-id
- BWBR0044770
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-10-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0044770
- ELI
- /eli/nl/wet/2022/wet-inburgering-2021
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/2022/wet-inburgering-2021/2025-10-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0044770&g=2025-10-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0044770&z=2026-06-06&g=2025-10-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0044770/2025-10-21
Absolute ELI: /eli/nl/wet/2022/wet-inburgering-2021
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: brede intake: artikel 14 brede intake, bedoeld in; college: artikelen 10, eerste lid 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inburgeringsplichtige woonplaats heeft als bedoeld in de, en, met dien verstande dat als de inburgeringsplichtige rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het gaat om de gemeente waar hij op grond vangehuisvest is; cursusinstelling: de aanbieder van onderwijs, gericht op het voldoen aan de inburgeringsplicht; geestelijke bedienaar: persoon die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, werkzaamheden verricht als geestelijk voorganger, godsdienstleraar of zendeling, of voor een kerkgenootschap of ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht; inburgeringsexamen: artikel 7, eerste lid examen, bedoeld in; inburgeringsplicht: artikel 6, eerste lid inburgeringsplicht, bedoeld in; inburgeringsplichtige: artikel 3 persoon die op grond vaninburgeringsplichtig is; leerroute: artikel 7 8 9 route, bedoeld in,of; module Arbeidsmarkt en Participatie: artikel 6, eerste lid, onderdeel b module, bedoeld in; onderwijsroute: artikel 8 route, bedoeld in; Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; participatieverklaringstraject: artikel 6, eerste lid, onderdeel a participatieverklaringstraject, bedoeld in; taalschakeltraject: artikel 8, tweede lid taalschakeltraject, bedoeld in; verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd: artikel 28, van de Vreemdelingenwet 2000 verblijfsvergunning, bedoeld in; verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd: artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000 verblijfsvergunning, bedoeld in; Wet inburgering: Wet inburgering de, zoals die wet luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet; zelfredzaamheidsroute: artikel 9, eerste lid traject, bedoeld in. 2 Bij ministeriële regeling kan de geestelijke bedienaar, bedoeld in het eerste lid, nader worden omschreven. 2022 487 07-12-2022 19-10-2022 36078 2022 488 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 2 — Artikel 2 Rechtshandelingen door minderjarigen#
Artikel 2 Rechtshandelingen door minderjarigen Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening en de nakoming van de voor hem uit deze wet en de daarop berustende bepalingen voortvloeiende rechten en verplichtingen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 3 — Artikel 3 Inburgeringsplichtig#
Artikel 3 Inburgeringsplichtig 1 artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van, die 16 jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, nog niet heeft bereikt, en: a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft; of b. geestelijke bedienaar is. 2 In afwijking van het eerste lid is niet inburgeringsplichtig: a. de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; b. richtlijn 2004/38/EG het familielid van de persoon, bedoeld in onderdeel a, dat onderdaan is van een derde staat en dat uit hoofde van, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gerechtigd is Nederland binnen te komen en er te verblijven; c. richtlijn 2003/109/EG richtlijn 2011/51 de vreemdeling die ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin vanvan 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16), gewijzigd door/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) te verkrijgen; d. de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht kan worden opgelegd. 3 De inburgeringsplicht ontstaat niet met terugwerkende kracht. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden. 5 artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 4 — Artikel 4 Vrijstelling van de inburgeringsplicht#
Artikel 4 Vrijstelling van de inburgeringsplicht 1 Onze Minister verleent vrijstelling van de inburgeringsplicht aan degene die: a. Leerplichtwet 1969 ten minste acht jaar leerplichtig of kwalificatieplichtig is geweest op grond van de; b. artikel 7, eerste lid beschikt over een bij ministeriële regeling aangewezen diploma, certificaat of ander document waaruit blijkt dat diegene beschikt over de vaardigheden en kennis, bedoeld in; c. Leerplichtwet 1969 leerplichtig of kwalificatieplichtig is op grond van de; d. artikel 7, eerste lid een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een bij ministeriële regeling aangewezen diploma, certificaat of ander document waaruit blijkt dat diegene beschikt over de vaardigheden en kennis, bedoeld in; of e. heeft aangetoond al voldoende te zijn ingeburgerd. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het eerste lid en kunnen regels worden gesteld omtrent verdere gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht. 3 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor de vrijstelling, gebaseerd op het eerste lid, aanhef en onderdeel e, kan een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag worden vastgesteld dat is verschuldigd. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 5 — Artikel 5 Ontheffing van de inburgeringsplicht#
Artikel 5 Ontheffing van de inburgeringsplicht 1 Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht als diegene heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking, blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht, of een gedeelte daarvan, te voldoen. 2 Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige voorts van de inburgeringsplicht als het de inburgeringsplichtige, gelet op bijzondere individuele omstandigheden die hem niet kunnen worden verweten, onmogelijk of uiterst moeilijk is om te voldoen aan de inburgeringsplicht. 3 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing of voor een deskundigenverklaring voor de ontheffing, kunnen bij ministeriële regeling te bepalen bedragen worden vastgesteld die zijn verschuldigd. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het eerste lid, waarbij in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de belemmering kan worden aangetoond en de omstandigheden waaronder daarvoor gemaakte kosten vergoed worden. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het tweede lid. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 6 — Artikel 6 De inburgeringsplicht#
Artikel 6 De inburgeringsplicht 1 De inburgeringsplicht bestaat uit: a. het afronden van het participatieverklaringstraject; b. het afronden van de module Arbeidsmarkt en Participatie; en c. het behalen van het inburgeringsexamen, de onderwijsroute of de zelfredzaamheidsroute. 2 De inburgeringsplichtige die voldaan heeft aan de inburgeringsplicht ontvangt een diploma indien deze het inburgeringsexamen dan wel de onderwijsroute heeft behaald, en een certificaat indien deze de zelfredzaamheidsroute heeft behaald. 3 Het college biedt het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie aan. 4 Het participatieverklaringstraject behelst een inleiding in de kernwaarden van de Nederlandse samenleving en wordt afgesloten met het ondertekenen van de participatieverklaring. 5 Deze verklaring bevat de volgende slotformule: Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving en dat ik deze respecteer, en dat ik de universele mensenrechten eerbiedig en niet daarmee in strijd zal handelen. Ik verklaar dat ik actief een bijdrage wil leveren aan de Nederlandse samenleving en reken erop dat ik daarvoor ook de ruimte krijg van mijn medeburgers. 6 De module Arbeidsmarkt en Participatie behelst in ieder geval een kennismaking met en voorbereiding op de Nederlandse arbeidsmarkt. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het diploma en certificaat, bedoeld in het tweede lid, en de inhoud en vormgeving van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie. 8 Onverminderd het vijfde lid wordt de tekst van de participatieverklaring bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 7 — Artikel 7 De B1-route#
Artikel 7 De B1-route 1 Het inburgeringsexamen bestaat uit: a. de examinering van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen; en b. de examinering van de kennis van de Nederlandse maatschappij. 2 Onze Minister of Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt het inburgeringsexamen aan. 3 De inburgeringsplichtige die beschikt over een bij ministeriële regeling aangewezen diploma, certificaat of ander document waaruit blijkt dat diegene beschikt over een deel van de vaardigheden en kennis, bedoeld in het eerste lid, is vrijgesteld van de verplichting om dat deel van die kennis of vaardigheden te verwerven. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: a. de inhoud en vormgeving van het inburgeringsexamen; b. het afnemen en beoordelen van het inburgeringsexamen; c. de ter zake van het inburgeringsexamen verschuldigde kosten; d. de identificatie van de persoon die aan het inburgeringsexamen deel neemt. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het tweede en derde lid. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 8 — Artikel 8 De onderwijsroute#
Artikel 8 De onderwijsroute 1 De inburgeringsplichtige die tijdens de brede intake aangeeft een opleiding in het beroeps- of hoger onderwijs te willen volgen, volgt het taalschakeltraject indien naar het oordeel van het college een grote kans bestaat dat deze na het volgen van dat traject in staat is om in het genoemde onderwijs een diploma te behalen. 2 artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Onder het taalschakeltraject wordt verstaan een opleiding educatie als bedoeld inaan een instelling met diploma-erkenning als bedoeld in, welke opleiding is gericht op het begeleiden van anderstaligen richting het beroeps- of hoger onderwijs. 3 De verplichting om de module Arbeidsmarkt en Participatie af te ronden is niet van toepassing op de inburgeringsplichtige die het taalschakeltraject volgt of heeft afgerond. 4 Indien de inburgeringsplichtige de onderwijsroute niet heeft behaald, heeft deze het inburgeringsexamen behaald, indien hij heeft voldaan aan de examenonderdelen: a. mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen; en b. kennis van de Nederlandse maatschappij. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 9 — Artikel 9 De zelfredzaamheidsroute#
Artikel 9 De zelfredzaamheidsroute 1 artikel 11, eerste lid De inburgeringsplichtige die naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen of het taalschakeltraject te behalen binnen de termijn, bedoeld in, volgt een intensief traject dat aansluit bij de persoonlijke capaciteiten van de inburgeringsplichtige, gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, zelfredzaamheid, activering en participatie in de Nederlandse maatschappij. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inhoud en vormgeving van het traject. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 10 — Artikel 10 Voorbereiding op de inburgering#
Artikel 10 Voorbereiding op de inburgering artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over een aanbod tot voorbereiding op de inburgering voor de inburgeringsplichtige die nog niet is ingeschreven in de gemeente waar hij op grond vanwordt gehuisvest, alsmede over de financiering van dat aanbod. Bij ministeriële regeling kan een instelling worden aangewezen die belast is met de voorbereiding op de inburgering. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 11 — Artikel 11 Duur en aanvang van de termijn#
Artikel 11 Duur en aanvang van de termijn 1 De inburgeringsplichtige voldoet binnen drie jaar aan de inburgeringsplicht. 2 artikel 15, derde lid De termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in. 3 Het moment van aanvang wijzigt niet, indien het persoonlijk plan inburgering en participatie: a. al dan niet gedeeltelijk herroepen of vernietigd wordt, en er in de plaats daarvan een gewijzigd plan wordt vastgesteld; of b. opnieuw wordt vastgesteld. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 12 — Artikel 12 Verlenging van de termijn#
Artikel 12 Verlenging van de termijn 1 artikel 11, eerste lid Onze Minister verlengt telkens de termijn, bedoeld in, als de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat: a. het overschrijden van die termijn hem niet te verwijten valt; of b. artikel 15 na aanzienlijke inspanningen van de inburgeringsplichtige, verlenging leidt tot het voldoen aan de inburgeringsplicht conform de op grond vanvastgestelde leerroute. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de toepassing van het eerste lid; en b. de verdere verlenging van de termijn. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 13 — Artikel 13 Maatschappelijke begeleiding#
Artikel 13 Maatschappelijke begeleiding 1 Het college voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de inburgeringsplichtige die rechtmatig verblijf heeft op grond van een: a. verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of b. verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, voor verblijf bij een houder van een: 1°. verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; 2°. artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in; of 3°. artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die is verleend met een aantekening internationale bescherming als bedoeld in. 2 De maatschappelijke begeleiding bevat in ieder geval de volgende componenten: a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen; en b. voorlichting over basisvoorzieningen in de Nederlandse samenleving. 3 artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 De maatschappelijke begeleiding vangt aan op de dag dat de inburgeringsplichtige in de basisregistratie personen is ingeschreven, met dien verstande dat als hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond vanis gehuisvest. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inhoud en vormgeving van de maatschappelijke begeleiding. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 14 — Artikel 14 De brede intake#
Artikel 14 De brede intake 1 Het college roept de inburgeringsplichtige op voor de afname van de brede intake en stelt daarbij een termijn. Indien de inburgeringsplichtige binnen deze termijn niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft het college een schriftelijke waarschuwing, doet het college een herhaalde oproep en stelt daarbij een nieuwe termijn. 2 Indien de inburgeringsplichtige na drie oproepen niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, voltooit het college de brede intake in afwezigheid van de inburgeringsplichtige. 3 De brede intake is een onderzoek naar de mogelijkheden die de inburgeringsplichtige heeft om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De brede intake bestaat in ieder geval uit: a. artikel 11, eerste lid een leerbaarheidstoets, waarmee inzicht wordt gegeven in het te behalen niveau van de Nederlandse taal van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde talen binnen de termijn, bedoeld in; b. een onderzoek omtrent gevolgd onderwijs en werkervaring in het land van herkomst; c. een verkenning naar de persoonlijke omstandigheden, waaronder mede verstaan wordt de fysieke en mentale gezondheid, met het oog op het bieden van maatwerk tijdens het inburgeringstraject; en d. artikel 1.1 van de Wet kinderopvang artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs voor zover van toepassing, een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inhoud en verslaglegging van de brede intake. 5 artikel 15, eerste lid, onderdeel a De leerbaarheidstoets wordt afgenomen door een of meer bij ministeriële regeling aangewezen instanties, waaronder mede kan worden verstaan het college. Indien een andere instantie dan het college wordt aangewezen, adviseren deze instantie of instanties het college over de vaststelling, bedoeld in. 6 Het college verleent de inburgeringsplichtige ontheffing van het afleggen van de leerbaarheidstoets, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, indien de inburgeringsplichtige: a. een visuele beperking heeft; b. een auditieve beperking heeft, en niet in staat wordt geacht de leerbaarheidstoets af te leggen. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid. 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2022 544 27-12-2022 21-12-2022 28-12-2022 01-01-2022
Artikel 15 — Artikel 15 Het persoonlijk plan inburgering en participatie#
Artikel 15 Het persoonlijk plan inburgering en participatie 1 Het college stelt op basis van de brede intake vast: a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute; b. de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding; c. de intensiteit van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie; en d. artikel 1.1 van de Wet kinderopvang artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs voor zover van toepassing, welke afspraken er zijn gemaakt met de inburgeringsplichtige over het deelnemen van diens kind aan de voorschoolse educatie, bedoeld in, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in. 2 artikel 13, eerste lid Het college stelt voor een inburgeringsplichtige als bedoeld in, de intensiteit van de leerroute vast. 3 Participatiewet artikel 56a van die wet Voor zover van toepassing voegt het college bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, beschikkingen op grond van dewaarin rechten zijn toegekend of plichten zijn opgelegd met het oog op de bevordering van participatie en waarin de verplichting, bedoeld in, is vastgesteld, wat tezamen het persoonlijk plan inburgering en participatie vormt. 4 artikel 14, derde lid, tweede zin, aanhef en onderdelen a en b Als de inburgeringsplichtige, voor wie de leerroute is vastgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente in afwijking vande leerroute vast conform de eerder vastgestelde leerroute. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald binnen welke termijn het persoonlijk plan inburgering en participatie wordt opgesteld. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het vaststellen door het college en het persoonlijk plan inburgering en participatie. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 16 — Artikel 16 Het inburgeringsaanbod voor asielstatushouders#
Artikel 16 Het inburgeringsaanbod voor asielstatushouders 1 artikel 13, eerste lid artikel 15 Het college biedt de inburgeringsplichtige als bedoeld in, tijdig een cursus of opleiding aan waarmee die inburgeringsplichtige aan de op grond vanvastgestelde leerroute kan voldoen. 2 Het college waarborgt een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van het aanbod, bedoeld in het eerste lid. Het college draagt zorg voor de continuïteit van het aanbod. 3 artikel 28, eerste lid artikel 32 artikel 2.78a, derde en vierde lid, van de Aanbestedingswet 2012 De cursusinstelling die de cursus, bedoeld in het eerste lid, gericht op het behalen van het inburgeringsexamen of de zelfredzaamheidsroute aanbiedt, is in het bezit van een certificaat als bedoeld in, of een keurmerk als bedoeld in, onverminderd het bepaalde in. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de eisen in het tweede lid. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 17 — Artikel 17 Ondersteuning en begeleiding en wijzigen leerroute#
Artikel 17 Ondersteuning en begeleiding en wijzigen leerroute 1 artikel 15, eerste lid, onderdeel b De vaststelling van de ondersteuning en begeleiding, bedoeld in, is zodanig dat het college voldoende zicht heeft op de voortgang van het voldoen aan de inburgeringsplicht door de inburgeringsplichtige. 2 artikel 15 Wanneer het college van oordeel is dat er sprake is van onvoldoende voortgang of een grotere voortgang dan op grond van het persoonlijke plan inburgering en participatie, bedoeld in, was te verwachten, kan het college op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute opnieuw vaststellen. 3 artikel 7 artikel 11, eerste lid artikel 12 artikel 25, tweede lid Wanneer, na aanzienlijke inspanningen van de inburgeringsplichtige die de leerroute, bedoeld involgt, uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat deze inburgeringsplichtige niet in staat is het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen te behalen binnen de termijn, bedoeld in, de op grond vanverlengde termijn, of de op grond van, vastgestelde nieuwe termijn, kan het college bepalen dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, in afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden geëxamineerd. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het derde lid waarbij in ieder geval regels worden gesteld over de aanzienlijke inspanningen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 18 — Artikel 18 Gemeentelijke samenwerking#
Artikel 18 Gemeentelijke samenwerking Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 8 van die wet artikel 39 hoofdstuk 10 Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in dede uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering vanen, in de plaats van de betrokken colleges. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 19 — Artikel 19 De doelgroep#
Artikel 19 De doelgroep artikel 13, eerste lid, onderdeel b Dit hoofdstuk is van toepassing op de inburgeringsplichtige die verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met uitzondering van een inburgeringsplichtige als bedoeld in. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 20 — Artikel 20 Het recht op de lening#
Artikel 20 Het recht op de lening 1 artikel 15 Onze Minister verstrekt op aanvraag aan de inburgeringsplichtige die voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een lening voor de kosten van de cursus, de opleiding of het examen waarmee de inburgeringsplichtige aan de op grond vanvastgestelde leerroute kan voldoen. 2 Aanspraak op een lening bestaat niet of niet langer voor: a. artikel 11, eerste lid artikel 12 de inburgeringsplichtige die niet aan de inburgeringsplicht heeft voldaan binnen zes jaar na het verstrijken van de in, bedoelde termijn, of de op grond vanverlengde termijn; b. de persoon die niet langer inburgeringsplichtig is. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verstrekken van een lening aan anderen dan inburgeringsplichtigen. 4 artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 3 van die wet De hoogte van de lening wordt overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels vastgesteld aan de hand van de hoogte van het overeenkomstigte berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in. 5 Het bedrag van de lening wordt overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels betaald aan de door de inburgeringsplichtige aangewezen cursusinstelling of exameninstelling. 6 De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 21 — Artikel 21 Terugbetaling van de lening#
Artikel 21 Terugbetaling van de lening 1 artikel 20, derde lid De inburgeringsplichtige, de voormalige inburgeringsplichtige of de persoon, bedoeld in, betaalt de lening vermeerderd met een volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug. 2 artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 3 van die wet Onze Minister stelt een termijnbedrag vast dat de debiteur in maandelijkse termijnen moet terugbetalen. Het termijnbedrag kan worden vastgesteld aan de hand van de hoogte van het overeenkomstigte berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in. 3 De terugbetalingsperiode start zes maanden na: a. het voldoen aan de inburgeringsplicht; of b. artikel 20, tweede lid het vervallen van de aanspraak op een lening, op grond van. 4 Onze Minister kan het terug te betalen bedrag invorderen bij dwangbevel. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over kwijtschelding van de lening. Als de lening wordt kwijtgescholden gaat de over het kwijtgescholden bedrag opgebouwde rente op het tijdstip van kwijtschelding teniet. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 22 — Artikel 22 Boete niet verschijnen brede intake en meewerkplicht#
Artikel 22 Boete niet verschijnen brede intake en meewerkplicht 1 artikel 14, eerste lid, tweede zin Het college legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige als deze niet is verschenen binnen de in, bedoelde termijn of als deze onvoldoende meewerkt aan de brede intake, waaronder het afleggen van de leerbaarheidstoets, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a. 2 Het college stelt in de boetebeschikking een nieuwe termijn van ten hoogste twee maanden waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog geacht wordt te verschijnen of medewerking te verlenen. 3 Het college legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige als deze niet is verschenen of onvoldoende meewerkt binnen de op grond van het tweede lid vastgestelde termijn. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 23 — Artikel 23 Boete tijdens het inburgeringstraject#
Artikel 23 Boete tijdens het inburgeringstraject 1 artikel 15, eerste lid, onderdeel b Het college legt een boete op aan de inburgeringsplichtige als die niet of onvoldoende meewerkt aan de geboden ondersteuning en begeleiding, bedoeld in, of niet voldoet aan hetgeen op grond van de vastgestelde intensiteit van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel c, of de vastgestelde intensiteit van de leerroute, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van hem verwacht wordt. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de omstandigheden waaronder en de frequentie waarmee een boete als bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 24 — Artikel 24 Boete participatieverklaringstraject en module Arbeidsmarkt en Participatie#
Artikel 24 Boete participatieverklaringstraject en module Arbeidsmarkt en Participatie 1 artikel 11, eerste lid artikel 12 Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die het participatieverklaringstraject of de module Arbeidsmarkt en Participatie niet heeft afgerond binnen de in, bedoelde termijn, of de op grond vanverlengde termijn. 2 Artikel 12, eerste lid, onderdeel a Onze Minister stelt in de boetebeschikking een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaar waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog het participatieverklaringstraject of de module Arbeidsmarkt en Participatie afrondt., is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de nieuwe termijn. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de nieuwe termijn. 3 artikel 12 Onze Minister legt de inburgeringsplichtige die niet binnen de op grond van het tweede lid vastgestelde termijn, of de op grond vanverlengde termijn, het participatieverklaringstraject of de module Arbeidsmarkt en Participatie heeft afgerond een bestuurlijke boete op. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 4 Zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de op grond van het derde lid gestelde termijn het participatieverklaringstraject of de module Arbeidsmarkt en Participatie niet afrondt, legt Onze Minister iedere twee jaar een bestuurlijke boete op. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 25 — Artikel 25 Boete leerroute#
Artikel 25 Boete leerroute 1 artikel 15 artikel 11, eerste lid artikel 12 Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die de op grond vanvastgestelde leerroute niet heeft behaald binnen de in, bedoelde termijn, of de op grond vanverlengde termijn. 2 Artikel 24, tweede, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 18 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 19 van die wet In afwijking van het eerste lid, legt Onze Minister geen boete op als bij of krachtensde aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen of bij of krachtensde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingetrokken. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 26 — Artikel 26 Hoogte boete#
Artikel 26 Hoogte boete 1 artikelen 22 23 24 25 De bestuurlijke boetes, bedoeld in de,,en, zijn niet hoger dan: a. artikel 22 € 250 voor de boetes, bedoeld in; b. artikel 24 € 340 voor de boete, bedoeld in; c. artikel 23 € 800 voor de boetes, bedoeld in; d. artikel 25 € 1 000 voor de boete, bedoeld in. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boetes en de omstandigheden waaronder deze worden opgelegd. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 27 — Artikel 27 Geen boete als de bijstand is verlaagd#
Artikel 27 Geen boete als de bijstand is verlaagd artikel 18 18b van de Participatiewet Het opleggen van een bestuurlijke boete blijft achterwege als voor dezelfde gedraging de bijstand is verlaagd op grond vanof. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 28 — Artikel 28 Certificering#
Artikel 28 Certificering 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de afgifte van een certificaat aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf werkzaamheden verricht gericht op het toeleiden van inburgeringsplichtigen naar het inburgeringsexamen of de zelfredzaamheidsroute. 2 artikel 29 Onze Minister of een door Onze Minister op grond vanaangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte van het certificaat en is bevoegd een afgegeven certificaat in te trekken. 3 Een certificaat wordt afgegeven voor een beperkte tijdsduur. Aan een certificaat kunnen voorschriften worden verbonden. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de aanvraag en de gegevens die daarbij van de aanvrager worden verlangd; b. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een certificaat kan worden geweigerd of een afgegeven certificaat kan worden verlengd of ingetrokken; c. de vergoeding die verschuldigd is in verband met de afgifte van een certificaat en de betaling daarvan. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 29 — Artikel 29 Aanwijzen instelling#
Artikel 29 Aanwijzen instelling 1 artikel 28, tweede lid Onze Minister kan op aanvraag een instelling aanwijzen die de bevoegdheden, bedoeld in, uitoefent. 2 Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. 3 De aangewezen instelling verstrekt op verzoek kosteloos aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan worden gegeven, ingetrokken of gewijzigd; b. het opstellen van een verslag van werkzaamheden voor Onze Minister; c. het toezicht op de aangewezen instelling. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 30 — Artikel 30 Aanwijzing aan instelling#
Artikel 30 Aanwijzing aan instelling 1 artikel 29 Onze Minister kan de krachtensaangewezen instelling aanwijzingen geven over de uitoefening van haar taken. Onze Minister treedt daarbij niet in individuele gevallen. 2 artikel 29 De krachtensaangewezen instelling is gehouden overeenkomstig de aanwijzing te handelen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 31 — Artikel 31 Noodzakelijk voorzieningen treffen#
Artikel 31 Noodzakelijk voorzieningen treffen 1 artikel 29 Als de op grond vanaangewezen instelling zijn taak naar het oordeel van Onze Minister ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. 2 artikel 29 De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de krachtensaangewezen instelling in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog haar taak naar behoren uit te voeren. 3 Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getrokken voorzieningen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 32 — Artikel 32 Keurmerk#
Artikel 32 Keurmerk 1 artikel 29 artikel 2.78a van de Aanbestedingswet 2012 Zolang op grond vangeen regels zijn gesteld over de afgifte van een certificaat verleent Onze Minister, of een door Onze Minister aangewezen instelling, een keurmerk als bedoeld inaan cursusinstellingen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de aanwijzing van een instelling; b. de verlening van een keurmerk aan cursusinstellingen; c. artikel 2.78a, eerste lid, onderdeel b, van de Aanbestedingswet 2012 de invulling van de eisen van het keurmerk, bedoeld in; d. de vergoeding die is verschuldigd in verband met de afgifte en het beheer van het keurmerk, en het toezien of wordt voldaan aan de eisen van het keurmerk. 2022 487 07-12-2022 19-10-2022 36078 2022 488 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 33 — Artikel 33 Gegevensverstrekking door Onze Minister#
Artikel 33 Gegevensverstrekking door Onze Minister Onze Minister verstrekt, uit eigen beweging of op verzoek, aan: a. het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die het college op grond van deze wet heeft ten aanzien van de voorbereiding, ondersteuning en begeleiding, en handhaving van de inburgeringsplicht; b. Rijkswet op het Nederlanderschap artikelen 16a 18 19 21 34 45b van de Vreemdelingenwet 2000 Onze Minister van Justitie en Veiligheid de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap op grond van deen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de,,,,en; c. artikel 12, vierde lid van de Wet register onderwijsdeelnemers artikel 4 van die wet Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de diplomagegevens, bedoeld in, ten behoeve van het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in; d. artikel 10 de instantie die belast is met de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die taak; e. cursusinstellingen de gegevens die noodzakelijk zijn voor het zicht op de voortgang van de inburgeringsplicht; f. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met de uitvoering van een internationale diplomawaardering, de gegevens die noodzakelijk zijn in verband met die diplomawaardering. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 34 — Artikel 34 Gegevensverstrekking aan Onze Minister#
Artikel 34 Gegevensverstrekking aan Onze Minister 1 Het college verstrekt, uit eigen beweging of op verzoek, aan Onze Minister de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die Onze Minister op grond van deze wet heeft ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsplicht, de examinering, het verlengen van de termijn, het verstrekken van leningen en de handhaving in het kader van de inburgeringsplicht. 2 artikelen 20 21 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek aan Onze Minister de inkomensgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deen. 3 artikel 20, vijfde lid Cursusinstellingen verstrekken, uit eigen beweging of op verzoek, aan Onze Minister de gegevens die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de inburgeringsplicht en de verlenging van de inburgeringstermijn, en de aangewezen cursusinstelling, bedoeld in, verstrekt op verzoek aan Onze Minister, de gegevens die noodzakelijk zijn in verband met de verstrekte lening aan de inburgeringsplichtige. 4 De door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met de uitvoering van een internationale diplomawaardering verstrekken, uit eigen beweging of op verzoek, aan Onze Minister de gegevens die noodzakelijk zijn in verband met die diplomawaardering. 5 artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het College voor toetsen en examens, genoemd inverstrekken, uit eigen beweging of op verzoek, aan Onze Minister de gegevens die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de inburgeringsplicht en de examinering. 6 artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers artikel 28 van de Huisvestingswet Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in, verstrekt Onze Minister gegevens over de verblijfsplaats van de inburgeringsplichtige, waaronder de verblijfsplaats waar de inburgeringsplichtige op grond vanzal worden gehuisvest. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 35 — Artikel 35 Gegevensverstrekking door en aan het college#
Artikel 35 Gegevensverstrekking door en aan het college 1 artikel 14, vijfde lid artikel 22 De instantie, bedoeld in, verstrekt de uitkomsten van de leerbaarheidstoets aan het college voor het afnemen van de brede intake en de uitvoering van. 2 artikel 10, tweede zin De instantie die belast is met de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in, verstrekt aan het college de gegevens die zij voor de uitvoering van die taak hebben verkregen, voor het afnemen van de brede intake. 3 artikel 8, tweede lid artikelen 17 23 Het college verstrekt de gegevens aan cursusinstellingen en de instelling, bedoeld in, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taak, en cursusinstellingen of de instelling, bedoeld in artikel 8, tweede lid, verstrekken de gegevens over de door de inburgeringsplichtige geleverde inspanningen aan het college voor de uitvoering van deen. 4 artikel 15, derde lid Indien de inburgeringsplichtige zijn woonplaats verplaatst, verstrekt het college het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in, evenals gegevens over de voortgang van de inburgeringsplicht en opgelegde boetes, op verzoek aan het college van de andere gemeente, bedoeld in artikel 15, vierde lid. 5 Participatiewet Het college is bevoegd de gegevens die zij heeft verkregen voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens deaan het college zijn opgedragen, ook te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 36 — Artikel 36 Gebruik burgerservicenummer#
Artikel 36 Gebruik burgerservicenummer artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Onze Minister, het college en een of meer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties gebruiken het nummer, bedoeld inbij het verwerken van gegevens op grond van deze wet. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 37 — Artikel 37 Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens#
Artikel 37 Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens 1 Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om persoonsgegevens te verwerken waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken, niet van toepassing als de verwerking geschiedt door Onze Minister of het college en voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de vaststelling of de vreemdeling geestelijke bedienaar is. 2 Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming, is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing als de verwerking geschiedt door Onze Minister of het college en voor zover de verwerking noodzakelijk is voor: a. artikel 5, eerste lid, of het tweede lid artikel 12 de beoordeling van de gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht, bedoeld in, en de verlenging van de termijn, bedoeld in; of b. artikel 15, derde lid artikel 17, eerste lid de afname van de brede intake, de vaststelling van het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in, en de ondersteuning en begeleiding, bedoeld in. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 38 — Artikel 38 Wijze van gegevensuitwisseling#
Artikel 38 Wijze van gegevensuitwisseling artikelen 33 tot en met 35 artikelen 36 37 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gegevens die worden verstrekt op grond van deen de wijze waarop deze gegevensverstrekkingen plaatsvinden, alsmede over deen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 39 — Artikel 39 Gegevens ten behoeve van statistiek, monitoring en evaluatie#
Artikel 39 Gegevens ten behoeve van statistiek, monitoring en evaluatie 1 Het college en een of meer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties verstrekken kosteloos, uit eigen beweging of op verzoek, aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die voor de statistiek, monitoring en evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid met betrekking tot deze wet nodig zijn. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de soort informatie die het college of de instantie verstrekt en de wijze waarop het college of instantie de gegevens en inlichtingen verzamelt en verstrekt, waarbij kan worden bepaald, dat categorieën van gemeenten of instanties bepaalde inlichtingen niet hoeven te verstrekken. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 40 — Artikel 40 Uitkering en verdeling over gemeenten#
Artikel 40 Uitkering en verdeling over gemeenten 1 Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering voor de kosten van voorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht. 2 Bij wet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld. 3 De uitkering aan het college wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft bekend gemaakt door Onze Minister. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van de uitkering onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van deze verdeling. 5 artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet Het college verstrekt de gegevens voor de verdeling van de uitkering als onderdeel van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de betaling van de uitkering als het college de gegevens niet, niet volledig of niet tijdig verstrekt of als de kwaliteit van die gegevens tekort schiet. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de betaalbaarstelling van de uitkering. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 40a — Artikel 40a Aanpassing van de uitkering#
Artikel 40a Aanpassing van de uitkering 1 artikel 40, tweede lid Het totale bedrag, bedoeld in, voor de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft, eenmalig bij wet herzien op basis van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen geactualiseerde gegevens. 2 artikel 40, eerste lid Bij herziening van het totale bedrag, wordt het bedrag waarmee de uitkering, bedoeld in, wordt aangepast, binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Minister bekendgemaakt. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de herziening, bedoeld in het tweede lid. 2025 177 09-07-2025 06-03-2025 36535
Artikel 41 — Artikel 41 Aanpassing van de uitkering#
Artikel 41 Aanpassing van de uitkering 1 artikel 40, tweede lid Het totale bedrag, bedoeld in, voor de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt na afloop van het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet bijgesteld op basis van het werkelijke volume van inburgeringsplichtigen in Nederland in het uitvoeringsjaar. 2 De verdeling van de uitkering aan gemeenten wordt tegelijk met de bijstelling van het totale bedrag, bedoeld in het eerste lid, herzien op basis van geactualiseerde gegevens. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de herziening bedoeld in het tweede lid. 4 De herziening van de uitkering wordt uiterlijk zes maanden na afloop van het uitvoeringsjaar aan gemeenten bekend gemaakt. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 42 — Artikel 42 Verantwoording en terugvordering uitkering#
Artikel 42 Verantwoording en terugvordering uitkering 1 artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet Het college legt verantwoording af aan Onze Minister over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in. 2 artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet artikel 40 Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in, blijkt dat de uitkering, bedoeld in, niet volledig is besteed, wordt het niet bestede deel van de uitkering door Onze Minister teruggevorderd. Indien uit het verslag van bevindingen, bedoeld in, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de besteding van de uitkering fout of onzeker is, wordt de uitkering voor het deel dat de besteding fout of onzeker is, door Onze Minister teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college. 3 Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, niet volledig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, wordt de uitkering teruggevorderd. Als volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast. Onze Minister doet binnen drie maanden na afloop van de achttien maanden mededeling van terugvordering aan het college. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de terugvordering. Daarbij kan worden bepaald dat een gedeelte van het niet bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 42a — Artikel 42a Specifieke uitkering onderwijsroute#
Artikel 42a Specifieke uitkering onderwijsroute 1 Onze Minister verstrekt een specifieke uitkering aan het college ten behoeve van het realiseren van aanbod voor de onderwijsroute en voor voorzieningen die, totdat dat aanbod is gerealiseerd, voor de doelgroep van de onderwijsroute worden getroffen vanwege de vertraging die als gevolg van het ontbreken van aanbod van de onderwijsroute is ontstaan. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitwerking van de specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, waaronder in ieder geval over de bestedingseisen van de uitkering, de bevoorschotting, de hoogte van de uitkering, de verdeling onder de gemeenten en de verantwoording door het college. 3 artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet Onze Minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien niet uit de informatie die is verstrekt op grond vanblijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met het eerste lid. 4 Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het van toepassing blijft op geschillen die op dat tijdstip in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn met betrekking tot besluiten van Onze Minister die op grond van dit artikel zijn genomen. 2025 177 09-07-2025 06-03-2025 36535 2025 278 20-10-2025 13-10-2025 21-10-2025
Artikel 43 — Artikel 43 Gemeentewet Wijziging van de#
Artikel 43 Gemeentewet Wijziging van de Wijzigt de Gemeentewet. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 44 — Artikel 44 Participatiewet Wijziging van de#
Artikel 44 Participatiewet Wijziging van de Wijzigt de Participatiewet. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 45 — Artikel 45 Wet educatie en beroepsonderwijs Wijziging van de#
Artikel 45 Wet educatie en beroepsonderwijs Wijziging van de Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 46 — Artikel 46 Vreemdelingenwet 2000 Wijziging van de#
Artikel 46 Vreemdelingenwet 2000 Wijziging van de Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 47 — Artikel 47 Wet kinderopvang Wijziging van de#
Artikel 47 Wet kinderopvang Wijziging van de Wijzigt de Wet kinderopvang. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 48 — Artikel 48 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wijziging van de#
Artikel 48 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wijziging van de Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 49 — Artikel 49 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wijziging van de#
Artikel 49 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wijziging van de Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 50 — Artikel 50 Wet register onderwijsdeelnemers Wijziging van de#
Artikel 50 Wet register onderwijsdeelnemers Wijziging van de Wijzigt de Wet register onderwijsdeelnemers. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 51 — Artikel 51 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wijziging van de#
Artikel 51 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wijziging van de Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 52 — Artikel 52 Algemene wet bestuursrecht Wijziging van de#
Artikel 52 Algemene wet bestuursrecht Wijziging van de Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 53 — Artikel 53 Evaluatie#
Artikel 53 Evaluatie artikel 1.1 van de Wet kinderopvang artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de mate waarin en de wijze waarop afspraken over het deelnemen aan voorschoolse educatie, bedoeld in, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in, bijdragen aan het deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie bij deze groep. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 54 — Artikel 54 Wet inburgering Intrekking van de#
Artikel 54 Wet inburgering Intrekking van de 1 Wet inburgering Dewordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de personen op wie deze wet van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. 2 artikelen 18b, tweede lid, onderdeel b 64, eerste lid, onderdeel p 67, eerste lid, onderdeel h, van de Participatiewet artikel 7.3.1, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikelen 16, eerste lid, onderdeel h 18, eerste lid, onderdeel i, van de Vreemdelingenwet 2000 artikelen 45, eerste lid, onderdeel o 48, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen artikelen 45, eerste lid, onderdeel n 48, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers artikel 1, begripsbepaling «onderwijsdeelnemer», onderdeel c, onder 2°, van de Wet register onderwijsdeelnemers artikel 54, derde lid, onderdeel m, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bijlage 3 van de Algemene wet bestuursrecht De,, en,, de, en, de, en, de, en,,en artikel 2 van, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid. 3 artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inburgering artikel 4, eerste lid, onderdeel d Een vrijstelling op grond van het bepaalde bij of krachtens, wordt beschouwd als een vrijstelling als bedoeld in, van deze wet. 4 artikelen 6, derde lid 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a 16, vijfde lid, van de Wet inburgering Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van de,, engestelde regels, ter begunstiging regels worden gesteld: a. omtrent de voorwaarden waaronder en de termijn waarbinnen een ontheffing kan worden afgegeven; b. artikelen 7a, derde lid 7b, derde lid, van de Wet inburgering omtrent de voorwaarden waaronder de termijnen op grond van de, enkunnen worden verlengd; c. artikelen 7a 7b, van de Wet inburgering waarmee de verplichting om de lening terug te betalen wanneer sprake is van overschrijding van de termijnen, genoemd in deen, wordt beperkt of tenietgedaan, en omtrent het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van de terugbetaling van de lening. 5 Wet inburgering Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het aanbieden van begeleiding aan de inburgeringsplichtige op wie devan toepassing is ter bespoediging van de afronding van de inburgeringsplicht, bedoeld in die wet. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een goede uitvoering van het eerste lid. 7 Artikel 32, tweede lid, onderdeel d artikel 12a van de Wet inburgering , en de daarop berustende bepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing op het keurmerk, bedoeld in. 2022 487 07-12-2022 19-10-2022 36078 2022 488 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023 01-01-2018
Artikel 55 — Artikel 55 Inwerkingtreding#
Artikel 55 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022
Artikel 56 — Artikel 56 Citeertitel#
Artikel 56 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet inburgering met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst. 2021 38 02-02-2021 02-12-2020 35483 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022