Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hieronder te noemen: ‘de toezichthouder’) van 19 september 2006, voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van personen ingevolge de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Bta), hieronder gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk te noemen: ‘de toezichtwet’
- BWB-id
- BWBR0020318
- Type
- zbo
- Ministerie
- Autoriteit Financiële Markten
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2006-10-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020318
- ELI
- /eli/nl/zbo/2006/beleidsregel-06-01-betrouwbaarheid-personen-ex-wet-toezicht-
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/zbo/2006/beleidsregel-06-01-betrouwbaarheid-personen-ex-wet-toezicht-/2006-10-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020318&g=2006-10-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020318&z=2026-06-06&g=2006-10-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020318/2006-10-01
Absolute ELI: /eli/nl/zbo/2006/beleidsregel-06-01-betrouwbaarheid-personen-ex-wet-toezicht-
Artikel 1 — Artikel 1 Omtrent de uitleg van wettelijke voorschriften#
Artikel 1 Omtrent de uitleg van wettelijke voorschriften 1 Onder betrouwbaarheid wordt voor de toepassing van de toezichtwet verstaan het zich onthouden van één of meer gedragingen die naar het oordeel van de toezichthouder in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler. 2 Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoren in ieder geval gedragingen die blijk geven van het niet hebben van eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie en rechtschapenheid. 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 01-10-2006
Artikel 2 — Artikel 2 Omtrent de vaststelling van de feiten#
Artikel 2 Omtrent de vaststelling van de feiten 1 De beoordeling van de betrouwbaarheid geschiedt door op basis van voornemens, handelingen en antecedenten (hierna gezamenlijk te noemen: antecedenten) te toetsen of betrokkene blijk geeft of heeft gegeven van zodanige gedragingen dat daardoor naar het oordeel van de toezichthouder diens betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. 2 De bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in acht te nemen antecedenten zijn: Bijlage A2 bevat een limitatieve opsomming van antecedenten; de overige bijlagen zijn niet limitatief. – bijlage A1 bijlage A2 strafrechtelijke antecedenten (en); – bijlage B financiële antecedenten (); – bijlage C toezichtantecedenten (); – bijlage D fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten (); – bijlage E overige antecedenten (). 3 Inzicht in de in het tweede lid genoemde antecedenten wordt verkregen door gebruik te maken van onder meer: – de door de (kandidaat)(mede)beleidsbepaler ingevulde vragenlijst volgens het door de toezichthouder vastgestelde model; – de mogelijkheid om bij de Landelijk Officier van Justitie gegevens uit politieregisters op te vragen; – uitspraken van tuchtrechtelijke instanties; – raadpleging van de database Vennoot ’98 van het Ministerie van Justitie; – raadpleging van het Nederlands Faillissementen Register; – raadpleging van de Belastingdienst; – gegevens of inlichtingen verkregen van Nederlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse van overheidswege aangewezen instanties die op enigerlei wijze belast zijn met het toezicht op accountantsorganisaties in Nederland of op natuurlijke personen en rechtspersonen die bij die organisaties werkzaam zijn; – gegevens of inlichtingen verkregen van buitenlandse overheidsinstanties dan wel van buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die op enigerlei wijze belast zijn met het toezicht op accountantspraktijken in het buitenland of op natuurlijke personen en rechtspersonen die bij die accountantspraktijken werkzaam zijn; – ambtsberichten van het Openbaar Ministerie; – de accountantsregisters van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Registeraccountants (NIVRA) en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA); – referenties. 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 01-10-2006
Artikel 3 — Artikel 3 Omtrent de afweging van belangen#
Artikel 3 Omtrent de afweging van belangen 1 artikel 1 De toezichthouder concludeert dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat indien naar zijn oordeel uit de antecedenten van betrokkene blijkt dat deze één of meer van de inbedoelde gedragingen heeft vertoond. 2 De toezichthouder betrekt bij zijn oordeelsvorming – in voorkomend geval het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging(en) en de overige omstandigheden van het geval; – de belangen die de toezichtwet beoogt te beschermen; alsmede – de overige belangen van de accountantsorganisatie en betrokkene. 3 bijlage A2 genoemde bijlage Gelet op de aard en de ernst van de misdrijven genoemd in, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de toezichtwet beoogt te beschermen. De toezichthouder stelt vast dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat indien uit de antecedenten van betrokkene blijkt dat deze bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld ter zake van een misdrijf als vermeld in, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken. 4 bijlage A1 bijlage A2 artikel 3, derde lid Indien een antecedent kan worden gekwalificeerd als een antecedent in de zin van zowelals, dan geldt het bepaalde van, hiervoor. 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 01-10-2006
Artikel 4 — Artikel 4 Toezichtmaatregelen#
Artikel 4 Toezichtmaatregelen In het geval dat de toezichthouder heeft geconcludeerd dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat en uit de toezichtwet zelf geen directe consequenties voortvloeien, kan de toezichthouder gebruik maken van de hem ingevolge de toezichtwet toekomende bevoegdheden (bijvoorbeeld het geven van een aanwijzing, het niet verlenen c.q. intrekken van een vergunning). 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 01-10-2006
Artikel 5 — Artikel 5 Inwerkingtreding#
Artikel 5 Inwerkingtreding De bekendmaking van deze beleidsregel geschiedt door publicatie in de Staatscourant. De beleidsregel treedt in werking op 1 oktober 2006. 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 2006 190 29-09-2006 19-09-2006 01-10-2006
Artikel 2#
artikel 2, tweede lid
Artikel 2#
artikel 2, tweede lid
Artikel 3#
artikel 3, derde lid
Artikel 2#
artikel 2, tweede lid
Artikel 2#
artikel 2, tweede lid
Artikel 2#
artikel 2, tweede lid
Artikel 2#
artikel 2, tweede lid