Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010−2015 (artikel 2.42 van de Mediawet), besluit Commissariaat voor de Media van 23 december 2008
- BWB-id
- BWBR0028050
- Type
- zbo
- Ministerie
- Commissariaat voor de Media
- Geldigheid
- 2010-08-18 t/m 2018-06-05
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0028050
- ELI
- /eli/nl/zbo/2010/beleidsregels-aanwijzing-kerkgenootschappen-en-genootschappe
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/zbo/2010/beleidsregels-aanwijzing-kerkgenootschappen-en-genootschappe/2010-08-18
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0028050&g=2010-08-18
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0028050&z=2026-06-06&g=2010-08-18
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0028050/2010-08-18
Absolute ELI: /eli/nl/zbo/2010/beleidsregels-aanwijzing-kerkgenootschappen-en-genootschappe
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet Op grond vankan het Commissariaat voor de Media eenmaal in de vijf jaren voor een periode van vijf jaren kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag of rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken, aanwijzen voor het verzorgen van media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein. 2 artikel 2.48 van de Mediawet De hoeveelheid uren die voor de genootschappen als bedoeld in lid 1 beschikbaar is, wordt krachtensjaarlijks vastgesteld door de Minister. 3 artikel 2.42, tweede lid, van de Mediawet Voor aanwijzing komen krachtensslechts in aanmerking genootschappen als bedoeld in lid 1 die representatief geacht kunnen worden voor een in Nederland aanwezige kerkelijke of geestelijke hoofdstroming. 4 artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet De genootschappen zijn krachtensgerechtigd de verzorging van hun media-aanbod op te dragen aan een door hen opgericht uitvoeringsorgaan. 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 18-08-2010
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Onder een religieuze dan wel geestelijke hoofdstroming wordt in deze Beleidsregels verstaan, een religieuze dan wel geestelijke stroming die door de kwantiteit van haar aanhang en/of de historie van haar aanwezigheid in de Nederlandse samenleving constituerend is voor de hedendaagse Nederlandse pluriforme religieuze en geestelijke cultuur. 2 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet Voor de aanwijzing op grond vanonderscheidt het Commissariaat voor de periode 2010−2015 zeven hoofdstromingen: het Boeddhisme, het Hindoeïsme, het Humanisme, de Islam, het Jodendom, het Katholicisme en het Protestantisme. 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 18-08-2010
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet artikel 2, lid 2 Aanvragen voor aanwijzing voor het verzorgen van media-aanbod krachtenskunnen uitsluitend worden gedaan ten behoeve van een van de zeven hoofdstromingen als bedoeld in, van deze Beleidregels, door kerkgenootschappen of genootschappen op geestelijke grondslag dan wel door rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken. 2 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat hij representatief is, en voor zover nodig meer representatief is dan de andere aanvrager(s), voor de hoofdstroming waarvoor hij de aanwijzing krachtensaanvraagt. 3 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een gemotiveerde, zo nauwkeurig mogelijke, betrouwbare en valide opgave van het aantal personen dat in Nederland redelijkerwijs geacht kan worden te behoren tot de hoofdstroming waarvoor de aanwijzing krachtenswordt aangevraagd. 4 governance De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een nauwkeurige beschrijving van de-structuur van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat die instelling voldoet aan de eisen aangaande goed bestuur en toezicht, verantwoording, transparantie en integriteit. 5 De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een nauwkeurige beschrijving van de administratieve organisatie van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat door functiescheiding de rechtmatige besteding van de omroepmiddelen is gewaarborgd. 6 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet artikel 2.45, eerste lid, van de Mediawet Indien ten behoeve van een hoofdstroming twee of meer aanvragers die voor deze hoofdstroming representatief geacht kunnen worden, een aanvrage voor media-aanbod krachtensdoen, dan bevordert het Commissariaat krachtenssamenwerking door of samengaan van de aanvragers. 7 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet Indien de in lid 6 bedoelde samenwerking of het in lid 6 bedoelde samengaan binnen een door het Commissariaat gestelde termijn niet tot stand komt dan kan het Commissariaat besluiten de aanvrager die blijkens de getalsmatige grootte van zijn achterban voor de hoofdstroming het meest representatief is, aan te wijzen voor het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in. 8 Indien tijdens de looptijd van de aanwijzing de in lid 6 bedoelde samenwerking of het in lid 6 bedoelde samengaan naar het oordeel van het Commissariaat zonder goede grond is beëindigd, dan trekt het Commissariaat de aanwijzing in. 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 18-08-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet artikel 2, lid 2 Ten behoeve van de aanwijzing voor de verzorging van media-aanbod krachtensworden de zeven hoofdstromingen als bedoeld in, van deze Beleidsregels ingedeeld in drie grootteklassen A, B en C: − A, bij de hoofdstroming van twee miljoen of meer personen; − B, bij de hoofdstroming tussen 500.000 en twee miljoen personen; − C, bij de hoofdstroming van minder dan 500.000 personen. 2 artikel 1, lid 2 De in, van deze regeling bedoelde hoeveelheid uren, die door de Minister jaarlijks wordt vastgesteld, wordt voor een-kwart verdeeld volgens een vaste-voet-systeem (voor elke hoofdstroming een gelijk aantal uren zendtijd) en voor driekwart in de proportie van de grootteklasse waartoe de hoofdstroming behoort. De aan elk der hoofdstromingen toe te wijzen proportionele hoeveelheid uren staat in de verhouding A:B:C = 20:13:3. 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 2010 12827 18-08-2010 23-12-2008 18-08-2010