Regeling protonentherapie
- BWB-id
- BWBR0037204
- Type
- zbo
- Ministerie
- Nederlandse Zorgautoriteit
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2015-11-19
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0037204
- ELI
- /eli/nl/zbo/2015/regeling-protonentherapie
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/zbo/2015/regeling-protonentherapie/2015-11-19
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0037204&g=2015-11-19
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0037204&z=2026-06-06&g=2015-11-19
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0037204/2015-11-19
Absolute ELI: /eli/nl/zbo/2015/regeling-protonentherapie
Artikel 1 — Artikel 1 Reikwijdte#
Artikel 1 Reikwijdte artikel 2 WBMV Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van een vergunning ex, afgegeven door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), gerechtigd zijn om protonentherapie aan te bieden en te leveren. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015
Artikel 2 — Artikel 2 Doel van de regeling#
Artikel 2 Doel van de regeling artikel 1 In deze regeling legt de NZa regels vast die zorgaanbieders als bedoeld inin acht moeten nemen bij het aanbieden en leveren van protonentherapie. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015
Artikel 3 — Artikel 3 Begripsbepalingen#
Artikel 3 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. DBC-zorgproduct voor protonentherapie: een declarabele prestatie in het kader van protonentherapie. b. Protonentherapie: 1 Artikel 1 Regeling protonentherapie. een vorm van radiotherapie, waarbij protonen uit waterstofkernen worden toegepast. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015
Artikel 4 — Artikel 4 Algemeen#
Artikel 4 Algemeen Regeling ‘Medisch specialistische zorg’ De begrips-, registratie- en declaratiebepalingen zoals opgenomen in dezijn van overeenkomstige toepassing op de aanbieders van protonentherapie, tenzij in de onderhavige regeling anders is bepaald. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015
Artikel 5 — Artikel 5 Registratiebepalingen#
Artikel 5 Registratiebepalingen 1 Een DBC-zorgproduct voor protonentherapie wordt geregistreerd op het moment dat de eerste activiteit in dit kader plaatsvindt gericht op een nieuwe zorgvraag van de patiënt. 2 Het DBC-zorgproduct ‘Follow-up na protonenbehandeling’ wordt geregistreerd op het eerste contactmoment in het kader van de follow-up. 3 Een DBC-zorgproduct voor protonentherapie beslaat een periode van 120 dagen, ongeacht de feitelijke behandelduur. 4 Indien na het verstrijken van de 120 dagen termijn, bedoeld in het derde lid, nog activiteiten worden uitgevoerd die behoren bij de protonenbehandeling, moeten deze activiteiten en de daaraan verbonden kosten worden toegerekend aan het initiële DBC-zorgproduct voor de behandeling met protonen. Voor deze activiteiten mag geen nieuw DBC-zorgproduct worden geregistreerd. 5 Indien van toepassing, moeten DBC-zorgproducten serieel worden geregistreerd. Slechts de volgende seriële combinaties zijn mogelijk: – Planningsvergelijking protonen- en fotonentherapie – Voorbereiding protonentherapie (niet gevolgd door bestraling); – Protonentherapie licht, middel, zwaar – Follow up na protonenbehandeling; – Planningsvergelijking protonen- en fotonentherapie – Protonentherapie licht, middel, zwaar – Follow up na protonenbehandeling; – Protonentherapie oog, kind – Follow up na protonenbehandeling. 6 bijlage 1a De verleende zorg wordt vastgelegd in door de NZa vastgestelde enkelzijdig omschreven zorgactiviteiten. Dit betreft voor protonentherapie de zorgactiviteiten, zoals opgenomen in. 7 De beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert, is verantwoordelijk voor de juiste registratie van de ICD-10 code van de hoofddiagnose. 8 De beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert, is verantwoordelijk voor de juiste registratie van de lokalisatie van de tumor, voor zover deze niet al eenduidig kan worden afgeleid uit de geregistreerde diagnose en relevant is voor de typering van het te declareren DBC-zorgproduct. 9 De beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert, is verantwoordelijk voor de juiste registratie van de uitkomst van de planningsvergelijking protonen- en fotonentherapie. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015
Artikel 6 — Artikel 6 Declaratiebepalingen#
Artikel 6 Declaratiebepalingen 1 Een zorgverlener mag een DBC-zorgproduct voor protonentherapie niet declareren, indien niet is voldaan aan de bepalingen van deze regeling en die van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven protonentherapie’. 2 Bijlage 3 behorend bij de Regeling Protonentherapie Een zorgverlener mag een DBC-zorgproduct voor protonentherapie slechts declareren, indien aantoonbaar is voldaan aan voorschrift 1 vand.d. 29 juli 2013, kenmerk 129230-106270-CZ, van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, luidend: 1. De vergunninghouder stelt samen met de andere vergunninghouders en de beroepsgroep landelijke uniforme indicatieprotocollen vast en hanteert deze protocollen bij de beoordeling of patiënten in aanmerking komen voor protonentherapie. 3 Het DBC-zorgproduct voor protonentherapie moet worden gedeclareerd bij de patiënt of bij de zorgverzekeraar waar de patiënt op de startdatum van het DBC-zorgproduct is verzekerd. 4 Declaratie van parallelle DBC-zorgproducten voor behandeling met protonen is niet toegestaan. 5 DBC-zorgproducten voor protonentherapie mogen alleen in rekening worden gebracht indien sprake is van een op zichzelf staande protonenbehandeling. Hiermee wordt bedoeld dat geen sprake is van een protonenbehandeling gecombineerd met een fotonenbehandeling voor dezelfde tumor. 6 Een declaratie van een DBC-zorgproduct voor protonentherapie vermeldt minimaal de volgende gegevens: a) DBC-zorgproduct startdatum: Een subtraject wordt afgeleid tot een DBC-zorgproduct en heeft een eigen startdatum. b) DBC-zorgproduct einddatum: Een subtraject wordt afgeleid tot een afzonderlijk DBC-zorgproduct en heeft een eigen einddatum. c) (Typerende) Diagnose (ICD-10): De diagnose die de geleverde zorg over de te declareren periode het beste typeert. d) Lokalisatie: De lokalisatie van de tumor dient vermeld te worden op de declaratie, voor zover deze niet al eenduidig kan worden afgeleid uit de geregistreerde diagnose en relevant is voor de typering van het te declareren DBC-zorgproduct. e) Uitkomst planningsvergelijking protonen- en fotonentherapie f) Gedeclareerd bedrag : Op de declaratie dient het gedeclareerde bedrag van het DBC-zorgproduct opgenomen te zijn. g) Type verwijzer : Op de declaratie dient het type verwijzer vermeld te worden naar onderstaande classificatie: 1. Zelfverwijzer SEH (een patiënt die zich meldt bij de SEH zonder verwijzing). 2. Zelfverwijzer niet-SEH (bijvoorbeeld een patiënt die zich meldt bij de polikliniek zonder verwijzing). 3. Verwezen patiënt SEH (Een patiënt die zich meldt bij de SEH met een verwijzing). 4. Verwezen patiënt niet-SEH vanuit eerstelijn (bijvoorbeeld een patiënt die zich meldt bij de polikliniek met een verwijzing vanuit de eerstelijn). 5. Verwezen patiënt niet-SEH vanuit ander specialisme binnen dezelfde instelling (bijvoorbeeld een patiënt die zich meldt bij de polikliniek met een verwijzing van een ander medisch specialisme binnen dezelfde instelling). 6. Verwezen patiënt niet-SEH vanuit andere instelling (bijvoorbeeld een patiënt die zich meldt bij de polikliniek met een verwijzing van andere instelling). 7. Eigen patiënt (bijvoorbeeld ingeval vervolg traject of nieuwe zorgvraag van eigen patiënt). 8. Verwezen patiënt niet-SEH vanuit eerstelijn, maar verwijzer heeft geen AGB-code (bijvoorbeeld ingeval van optometristen). h) AGB-code verwijzer : Indien er sprake is van type verwijzer genoemd onder g3, g4 en g6 dient op de declaratie een AGB-code van de verwijzende zorgaanbieder vermeld te worden. Dit kan een instelling, een praktijk of een natuurlijk persoon zijn. Indien er sprake is van type verwijzer genoemd onder g5 en g7 dient op de declaratie een AGB-code vermeld te worden van de natuurlijke persoon die doorverwijst. i) AGB-code verwijzend specialisme: Indien er sprake is van type verwijzer genoemd onder g5, g6 of g7 dient op de declaratie ook een AGB-code van het verwijzend specialisme vermeld te worden. j) Zorgactiviteiten: 1. Vermelding zorgactiviteiten – bijlage 1b Indien één van de ingenoemde zorgactiviteiten deel uit maakt van het lokale profiel van een DBC-zorgproduct voor protonentherapie, dienen de code, omschrijving, het aantal en de uitvoerdatum van deze zorgactiviteit te worden vermeld op de declaratie. 2. Privacyverklaring – artikel 6 onderdeel j sub 1 bijlage 11 van de Regeling medisch specialistische zorg De verplichting genoemd ondervan deze Regeling, blijven buiten toepassing indien de patiënt en de zorgaanbieder gezamenlijk een privacyverklaring hebben ondertekend als bedoeld in. Deze verklaring dient voor de zorgverzekeraar te allen tijde opvraagbaar te zijn. 3. Bewaren afschrift – De zorgaanbieder is verplicht in zijn administratie een afschrift te houden van de verklaring genoemd onder j2. 4. Controle door de zorgverzekeraar – Controle door de zorgverzekeraar op de rechtmatigheid van nota’s die, vergezeld van een verklaring als bedoeld onder j2, ter betaling aan die zorgverzekeraar zijn aangeboden, vindt uitsluitend plaats door of onder de verantwoordelijkheid van een medisch adviseur. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015
Artikel 7 — Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel#
Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg Deze regeling treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant. Ingevolge(Wmg) zal deze regeling in de Staatscourant worden geplaatst. Deze regeling kan worden aangehaald als: ‘Regeling protonentherapie’. 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 2015 40723 18-11-2015 10-11-2015 NR/CU-265 19-11-2015