Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg
- BWB-id
- BWBR0043088
- Type
- zbo
- Ministerie
- Nederlandse Zorgautoriteit
- Geldigheid
- 2020-01-18 t/m 2020-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0043088
- ELI
- /eli/nl/zbo/2020/regeling-dbbc-s-zzp-s-en-extramurale-parameters-forensische--bwbr0043088
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/zbo/2020/regeling-dbbc-s-zzp-s-en-extramurale-parameters-forensische--bwbr0043088/2020-01-18
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0043088&g=2020-01-18
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0043088&z=2026-06-06&g=2020-01-18
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0043088/2020-01-18
Absolute ELI: /eli/nl/zbo/2020/regeling-dbbc-s-zzp-s-en-extramurale-parameters-forensische--bwbr0043088
Artikel 1 — Artikel 1 Reikwijdte#
Artikel 1 Reikwijdte – Wetboek van strafrecht Wetboek van strafvordering Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden Penitentiaire Maatregel Penitentiaire beginselenwet 1.1: Deze nadere regel gaat over de dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters fz en de regels die gelden voor het registreren van activiteiten en verrichtingen. De fz in strafrechtelijk kader is van toepassing op vijf wetten: het(Sr), het(Sv), de(Bvt), de(PM) en de(Pbw).
Artikel 2 — Artikel 2 Algemene Bepalingen#
Artikel 2 Algemene Bepalingen – 2.2: De samenloop tussen dbbc’s en zzp-c in de fz wijkt af van de samenloop tussen dbc’s en zzp-b in de curatieve ggz. Dit wordt veroorzaakt doordat de zzp-c is gericht op begeleiding zonder behandeling, en de zzp-b gericht is op voortgezette behandeling met verblijf. In de fz is het toegestaan om tegelijkertijd een ambulante dbbc te registreren in combinatie met een zzp.
Artikel 3 — Artikel 3 Dbbc’s#
Artikel 3 Dbbc’s Wat is een dbbc Waaruit bestaat een dbbc 3.1.1 Registratie Vergelijking met de dbc-systematiek Indicatiestelling Beveiligingsniveau Zorginkoop 3.1.2 Openen dbbc Zorgtraject Wie opent een zorgtraject Relatie tussen zorgtraject en dbbc 3.1.2.1 Openingsdatum dbbc 3.1.2.2 Initiële dbbc 3.1.2.3. Heropenen 3.1.2.4 en 3.1.2.5 Vervolg-dbbc Wanneer een vervolg-dbbc openen Als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging Bij time-out tijdens fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging 3.1.3 Typeren 3.1.3.1 Wie typeert Wanneer typeren 3.1.3.2 Vastleggen identificatiegegevens 3.1.3.3 Vastleggen zorgtype Welk zorgtype gebruiken 3.1.3.5 Vastleggen aard en mate van gevaar 3.1.3.6 Vastleggen aard delict 3.1.3.7 Vastleggen diagnose van de patiënt As 1: Klinische stoornissen As 2: Persoonlijkheidsstoornissen As 3: Somatische aandoeningen As 4: Psychosociale factoren en omgevingsfactoren As 5: GAF-score 3.1.3.8 Registreren primaire diagnose Wijzigen diagnose bij lopende dbbc 3.1.3.9 Omgaan met meerdere primaire diagnoses 3.1.4 Registreren 3.1.4.1 Wie mogen registreren? 3.1.4.2 -3.1.4.10 Diagnostiek en behandeling registreren Patiëntgebonden en niet-patiëntgebonden tijd 3.1.4.4 Directe tijd, indirecte tijd en reistijd Direct patiëntgebonden tijd Indirect patiëntgebonden tijd Indirect patiëntgebonden reistijd Algemeen indirecte tijd Diagnostiek en behandeling registreren Registreren van behandelactiviteiten in klinische setting Bijzonderheden bij het registreren van diagnostiek en behandeling 3.1.4.6 Behandeltijd aan het systeem van de patiënt 3.1.4.7 Meerdere behandelvormen tegelijkertijd 3.1.4.8 Groepstherapie 3.1.4.10 Onderlinge dienstverlening 3.1.4.11 - 3.1.4.17 Dagbesteding registreren Definitie dagbesteding Wie registreert dagbesteding? Wanneer dagbesteding registreren? 3.1.4.12 Wat registreren bij dagbesteding 3.1.4.15 Registreren van dagbesteding 3.1.4.18 - 3.1.4.23 Verblijf registreren 3.1.4.18 Wie registreert verblijf? Wanneer verblijf registreren? Verblijf registreren: Wat? 3.1.4.20 De verblijfssoort vaststellen 3.1.4.21 Verblijf registreren als de patiënt niet aanwezig is 3.1.4.24- 3.1.4.27 Overige deelprestaties 3.1.4.25 Elektroconvulsietherapie 3.1.4.26 Ambulante verstrekking van methadon 3.1.4.27 Forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) 3.1.4.28 Toeslag tolk gebarentaal/communicatiespecialist (ttgc) 3.1.5 Sluiten 3.1.5.1 Wie sluit de dbbc? 3.1.5.2 Waarop controleren bij afsluiting? 3.1.5.3 Afsluitredenen Wanneer moet een dbbc worden afgesloten, en met welke sluitreden? Een zorgtraject sluiten Dbbc staat voor diagnose behandeling beveiliging combinatie. Een dbbc omvat het traject tot maximaal 365 kalenderdagen dat een patiënt doorloopt als hij zorg nodig heeft voor een specifieke diagnose, vanaf het eerste contact bij een fz-zorgaanbieder tot en met de behandeling die hier eventueel uit volgt. De dbbc vormt de basis voor de declaratie van de geleverde zorg in het kader van deze diagnose bij de verzekeraar (i.c. ForZo/JJI). Een dbbc in de fz is opgebouwd uit patiëntgerichte activiteiten, verblijfsdagen, dagbesteding en verrichtingen en de daaraan bestede tijd of aantallen. Afhankelijk van de set van activiteiten, verblijfsdagen, uren dagbesteding en verrichtingen en de tijd of aantallen die hieraan besteed zijn, wordt een aparte behandelprestatie, verblijfsprestatie en/of overige prestatie afgeleid. Aan de behandel- en verblijfsprestaties zijn tarieven verbonden. Deze tarieven worden jaarlijks vastgesteld door de NZa. De dbbc-systematiek in de fz werkt volgens een proces van registratie, validatie en afleiding. Voor de fz gelden andere registratieregels dan voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Wel is de dbbc-systematiek zo goed mogelijk afgestemd op de dbc-systematiek van de ggz om de continuïteit van zorg in de zorgketen te verbeteren. Essentiële verschillen met de dbc-systematiek van de ggz zijn: In de fz vindt voorafgaand aan het zorgtraject een onafhankelijke indicatiestelling plaats. Dit is nodig om de zorgbehoefte en de beveiligingsnoodzaak vast te stellen. Daarnaast is deze indicatiestelling bepalend voor de plaatsing van patiënten bij zorgaanbieders. Een essentieel onderdeel van de fz is het beveiligingsniveau. De mate van en de kosten voor de beveiliging van de patiënt en de behandelomgeving worden in de productstructuur inzichtelijk gemaakt. Daarom is de extra ‘b’ van beveiliging in de naamgeving van de dbbc-systematiek toegevoegd. 6 Wanneer er in deze Nadere Regel sprake is van een zorgverzekeraar, wordt daarmee ForZo/JJI bedoeld. De ForZo/JJI, onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen, is verantwoordelijk voor de inkoop van fz in een strafrechtelijk kader en de plaatsing van volwassenen die deze zorg nodig hebben. In deze sector wordt ForZo/JJI gezien als zorgverzekeraar. Binnen de dbbc-systematiek wordt onderscheid gemaakt tussen de termen ‘zorgtraject’, ‘initiële dbbc’ en ‘vervolg-dbbc’. Een dbbc maakt deel uit van een zorgtraject. Voordat een eerste dbbc geopend kan worden moet eerst een zorgtraject zijn gestart. De aanmeldingsdatum van de patiënt bepaalt de startdatum van het zorgtraject. Het vastleggen van de aanmeldingsdatum is verplicht volgens de minimale dataset (mds). Een initiële dbbc, met eventueel één of meerdere vervolg-dbbc’s, vormen het zorgtraject. Dit omvat de totale zorg die wordt geleverd in het kader van de behandeling van één primaire diagnose. Een zorgtraject kan bijvoorbeeld geopend worden door het secretariaat, op het moment dat een patiënt wordt aangemeld. De startdatum van het zorgtraject kan hetzelfde zijn als de openingsdatum van de initiële dbbc, maar dit hoeft niet. De initiële dbbc wordt namelijk pas geopend wanneer de eerste patiëntgebonden activiteit, uitgevoerd door een beroep waarvan de tijd afleidt naar een prestatie, met een behandelaar plaatsvindt. 7 Omdat de hoofdbehandelaar verantwoordelijk is voor het openen van een dbbc, wordt in de rest van het document aangegeven dat de hoofdbehandelaar de dbbc opent, in gedachten houdende dat het een administratieve handeling is. Het openen van een dbbc is een administratieve handeling. Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdhandelaar kan een dbbc openen. Na plaatsing van de patiënt kan de hoofdbehandelaar starten met het openen van een dbbc. Bij het openen van een dbbc moet een openingsdatum vermeld worden. Dit is verplicht volgens de minimale dataset (mds). De openingsdatum van de initiële dbbc is altijd gelijk aan de datum waarop de eerst(volgende) directe of indirecte patiëntgebonden activiteit, uitgevoerd door een beroep waarvan de tijd afleidt naar een prestatie, plaatsvindt. Een initiële dbbc is de dbbc die wordt geopend voor een eerste of nieuwe primaire zorgvraag van een patiënt. De initiële dbbc is altijd de eerste dbbc binnen een zorgtraject. Wanneer een initiële dbbc openen: Als de patiënt binnen 35 dagen na het afsluiten van de dbbc terugkomt in zorg voor dezelfde diagnose moet, tenzij de doorlooptijd van de dbbc meer dan 365 dagen wordt de voorafgaande dbbc heropend worden. Als de patiënt terugkomt in zorg en een nieuw plaatsingsnummer krijgt, wordt de dbbc niet heropend, maar wordt een nieuwe dbbc geopend. Een vervolg-dbbc is een dbbc die volgt op een initiële dbbc of een voorgaande vervolg-dbbc. Een vervolg-dbbc heeft altijd precies dezelfde primaire diagnose als de eerder afgesloten initiële dbbc of vervolg-dbbc. Een vervolg-dbbc wordt geopend op de dag na sluiting van de voorgaande dbbc. Bij het openen van een vervolg-dbbc is altijd sprake van een bekende patiënt en precies dezelfde primaire diagnose. Een vervolg-dbbc valt altijd onder hetzelfde zorgtraject waaronder de bijbehorende initiële dbbc en eventuele eerdere vervolg-dbbc’s vallen. Let op: Bij een vervolg-dbbc mag de primaire diagnose niet verschillen van de primaire diagnose van de vorige (initiële of vervolg-) dbbc. Dit houdt ook in dat als de primaire diagnose in dezelfde hoofdgroep valt als bij de voorgaande dbbc, maar niet precies hetzelfde is, een initiële dbbc geopend moet worden voor het behandelen van de nieuwe diagnose. In de volgende situaties wordt een vervolg-dbbc geopend: In dat geval wordt de voorgaande (vervolg)-dbbc gesloten (ook als de 365-dagen grens nog niet bereikt is). Als afsluitreden moet worden gekozen voor ‘afsluiten dbbc vanwege openen vervolg-dbbc’ (afsluitreden 4). Eén dag na sluiting van deze dbbc wordt een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend. Wanneer de behandeling na 365 dagen na openingsdatum van de dbbc met zorgtype fpt voortgezet wordt, wordt opnieuw een vervolg-dbbc met zorgtype fpt geopend. Het kan zijn dat de patiënt tijdens het fpt met zorgtype ‘proefverlof’ of ‘voorwaardelijke beëindiging’ in een time-out terechtkomt. art. 51 Bvt art. 38 g Sr In dat geval moet de dbbc met zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten met reden ‘afsluiting time-out’ (afsluitreden 8). Aansluitend wordt in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-dbbc geopend. Tijdens de fase proefverlof heeft deze het zorgtype ‘tbs met proefverlof ()’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege ()’. Let op: Bij een vervolg-dbbc mag de primaire diagnose niet verschillen van de primaire diagnose van de vorige (initiële of vervolg-) dbbc. Dit houdt ook in dat als de primaire diagnose in dezelfde hoofdgroep valt als bij de voorgaande dbbc maar niet precies hetzelfde is, een initiële dbbc geopend moet worden voor het behandelen van de nieuwe diagnose. Het typeren van een dbbc bestaat uit verschillende onderdelen: het vastleggen van de identificatiegegevens van de patiënt, het vastleggen van het zorgtype, het vastleggen van de aard en mate van gevaar, het vastleggen van de aard van het delict en het vastleggen van de (primaire) diagnose van de patiënt. De hoofdbehandelaar is eindverantwoordelijk voor het juist invullen van de volledige typering. Alleen de hoofdbehandelaar mag typeren. 8 BIG-register: Het BIG-register verleent duidelijkheid over de bevoegdheid van een zorgverlener. Alleen zorgverleners die in het BIG-register staan, mogen een beschermde medische titel voeren. Uitsluitend zorgverleners met een beroep dat is opgenomen in het BIG-register, waarvan het beroep is opgenomen op de dbbc-beroepentabel en die bevoegd en bekwaam zijn om patiënten te classificeren volgens de systematiek van de DSM-5, kunnen als hoofdbehandelaar worden aangemerkt. De hoofdbehandelaar is uiteindelijk verantwoordelijk voor het juist invullen van de volledige typering. Met inachtneming van relevante wet- en regelgeving en bovenstaande eisen, mag elke instelling zelf bepalen wie als hoofdbehandelaar wordt aangewezen. De dbbc moet bij het sluiten volledig en juist getypeerd zijn. Bij voorkeur typeert de hoofdbehandelaar de dbbc binnen een maand na opening. Let op: Het eerste onderdeel van de typering is het vastleggen van de identificatiegegevens van de patiënt. Welke gegevens de zorgaanbieder in ieder geval moet invullen bij de identificatiegegevens van een patiënt, is gebaseerd op de minimale dataset (mds). Dit zijn de volgende gegevens: Het tweede onderdeel van de typering is het vastleggen van de aanleiding tot fz. Dit heet het zorgtype. Het zorgtype beschrijft de reden van het (eerste) contact tussen de zorgaanbieder en de patiënt. De aanleiding tot de zorg kan zijn dat een patiënt een strafrechtelijke titel heeft of dat er sprake is van een voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek. Er zijn verschillende zorgtypen (codes) voor initiële en vervolg-dbbc’s. Bijlage 2 Een uitgebreide beschrijving inclusief de te gebruiken codes is te vinden in: Zorgtypen. Het derde onderdeel van de typering is het vastleggen van de aard van het gevaar en de mate waarin de patiënt een gevaar vormt. Dit gevaar wordt in drie categorieën getypeerd: 10 Beleidsondersteuning onderzoek Geestvermogens ten behoeve van forensisch psychiatrisch consulent, ministerie van Justitie en Veiligheid. Bijlage 3 Vastleggen aard van delict Het vierde onderdeel van de typering is het vastleggen van de aard van het delict. De classificatie van de aard delict gebeurt aan de hand van tien clusters die zijn benoemd in het BooG-instrument.Deze clusters staan weergegeven in:. Het is mogelijk om meer dan één aard delict te registreren. Bij het typeren van een aard delict wordt geen onderscheid gemaakt tussen een poging tot het delict en het daadwerkelijk plegen van het delict. Het vijfde onderdeel van de typering is het vastleggen van de diagnose van de patiënt. De diagnoseclassificatie in de dbbc-systematiek sluit aan bij de regels die gelden voor het gebruik van de DSM-5. De DSM-5 diagnose wordt via een conversietabel vertaald naar een DSM-IV-TR diagnose. De hoofdbehandelaar registreert de diagnose met behulp van de diagnosetabel die is gebaseerd op de DSM-IV-TR. De diagnose moet geregistreerd worden op vijf assen. Op As 1 kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd volgens de diagnosetabel. Tabel 1 laat tevens zien hoe de hoofdgroepen van de diagnosetabel volgen uit de hoofdgroepen van de DSM-IV-TR. Op As 2 kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd volgens de diagnosetabel. Geef per stoornis aan of de stoornis aanwezig is of dat er trekken van deze stoornis aanwezig zijn. Naast de registratie van de persoonlijkheidsstoornissen kan maximaal één code voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid worden geregistreerd. Tabel 2 laat zien hoe de hoofdgroepen van de diagnosetabel volgen uit de hoofdgroepen van de DSM-IV-TR. Let op: Registreer alleen de somatische aandoening die een directe relatie heeft met de As 1- of As 2-stoornis (bijvoorbeeld: delirium door een somatische aandoening). De registratie van somatische aandoeningen is in de dbbc-systematiek beperkt tot drie niveaus: Tabel 3 De hoofdbehandelaar beoordeelt of er sprake is van enkelvoudig of complex. Instaan de omschrijvingen van de somatische aandoeningen die op As 3 van de diagnosetabel geselecteerd kunnen worden. Op As 4 worden psychosociale factoren en omgevingsfactoren vastgelegd die een duidelijk zorgverzwarende factor vormen bij de behandeling van de primaire diagnose. Registreer ‘diagnose of aandoening niet aanwezig’ als er geen As 4-factor aanwezig is. Tabel 4 geeft deze factoren weer. Ten slotte registreert de hoofdbehandelaar op As 5 de Global Assessment of Functioning-score (GAF-score) driemaal: Bij openen (tweemaal): Bij sluiten: de GAF-score op de einddatum van de dbbc. De verdeling van de GAF-scores zoals deze wordt gebruikt in de dbbc-systematiek is weergegeven in Tabel 5. Nadat de diagnose op alle assen is geregistreerd, kan worden aangegeven wat de primaire diagnose is. De primaire diagnose is de belangrijkste reden voor de behandeling. Deze is gekoppeld aan het zorgtraject. Alleen een diagnose op As 1 of As 2 kan worden geselecteerd als primaire diagnose. Wanneer de primaire diagnose van een openstaande initiële dbbc wijzigt en de nieuwe primaire diagnose valt in een andere hoofdgroep, dan moeten het zorgtraject en bijbehorende dbbc worden gesloten en wordt opnieuw een initiële dbbc geopend. Let op: Het is mogelijk dat bij een patiënt meerdere (primaire) diagnoses worden vastgesteld. Afhankelijk van hoe de diagnoses zich tot elkaar verhouden kan worden gekozen voor parallelle of opeenvolgende zorgtrajecten. Alle activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de zorg voor een patiënt moeten worden geregistreerd op een dbbc. Registratie kan plaatsvinden door middel van het registreren van tijd op een bepaalde activiteit, en in sommige gevallen door het registreren van een aantal van een specifieke overige deelprestaties. Een behandelaar mag alleen de patiëntgebonden tijd registreren die hij daadwerkelijk heeft besteed aan die activiteit. Op een dbbc kunnen activiteiten op verschillende categorieën geregistreerd worden: diagnostiek en behandeling, dagbesteding, verblijf en verrichtingen. Deze categorieën worden hieronder apart besproken. Bijlage 5 Bijlage 4 Dbbc-beroepentabel Activiteiten en verrichtingen en Bijlage 4A: Verkorte lijst Activiteiten en verrichtingen Alleen behandelaren waarvan het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in de dbbc-Beroepentabel (:) mogen op de dbbc diagnostiek en behandeling registreren zoals beschreven in de Activiteitenlijst (:). Er kunnen verschillende vormen van tijd worden geregistreerd: direct patiëntgebonden tijd, indirect patiëntgebonden tijd en indirect patiëntgebonden reistijd. Patiëntgebonden activiteiten omvatten de activiteiten die een behandelaar uitvoert in het kader van de diagnostiek en behandeling van een specifieke patiënt. Let op: Niet-patiëntgebonden activiteiten kan de behandelaar niet op een dbbc registreren. Dit zijn activiteiten zoals: scholing, algemene vergaderingen, intervisies over het functioneren van collega’s, productontwikkeling en het lezen van vakliteratuur. De behandelaar moet bij het registreren van patiëntgebonden activiteiten aangeven of het om directe of indirecte (reis)tijd gaat. In de activiteiten- en verrichtingenlijst staat per activiteit aangegeven welke vormen van tijd geregistreerd mogen worden. 11 Dit betekent dat alleen tijd geregistreerd kan worden als het een behandelcontact is in het kader van het behandelplan van de patiënt. Bijpraten, koffiedrinken of het maken van een afspraak met het systeem van de patiënt valt hier bijvoorbeeld niet onder. Dit is de tijd waarin een behandelaar, in het kader van de diagnostiek of behandelingcontact heeft met de patiënt of met familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten (het systeem) van de patiënt. Direct patiëntgebonden tijd kan bestaan uit: Dit betreft tijd die de behandelaar besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct patiëntgebonden tijd), maar waarbij de patiënt (of het systeem van de patiënt) zelf niet aanwezig is. Voorbeelden van indirect patiëntgebonden tijd zijn: Dit betreft tijd die de behandelaar besteedt aan het reizen van en naar de patiënt die buiten de instelling behandeling, begeleiding of verpleging ontvangt. De behandelaar mag alleen reistijd registreren als de reistijd in het teken staat van direct patiëntgebonden activiteiten. Uitzondering hierop zijn de algemeen indirecte contacten ‘no show’, ‘activiteiten i.v.m. juridische procedures’ en ‘overleg met derden’. Deze activiteiten kunnen ook in combinatie met reistijd worden geregistreerd - maar alléén als deze reistijd niet via een andere financieringsbron vergoed wordt. Let op: Tijd om binnen de eigen organisatie (AGB-code) de patiënt te bereiken mag niet geregistreerd worden als reistijd. Ook niet als de zorginstelling over meerdere locaties beschikt. Deze tijd is wel patiëntgebonden maar heeft geen betrekking op de uitvoering van een directe behandelactiviteit. Algemeen indirecte tijd wordt bijvoorbeeld geregistreerd bij een multidisciplinair overleg of bij de eindverslaglegging van een behandeltraject. Het betreft de activiteiten met code 7.x. Let op: Het is niet toegestaan om dbbc’s met alleen indirecte tijd te declareren, met uitzondering van de dbbc forensisch psychiatrisch toezicht (fpt). Dit betekent dat er altijd directe tijd geleverd moet worden om de dbbc te declareren. Dit geldt voor zowel de initiële dbbc’s als de vervolg-dbbc. Daarnaast geldt dat er in een initiële dbbc altijd directe tijd door een hoofdbehandelaar moet zijn geregistreerd. Behandelaren mogen beginnen met registreren zodra de dbbc geopend is. Registreren van diagnostiek- en behandelactiviteiten kan direct na het uitvoeren van de activiteit of op een later moment. Behandelaren moeten bij het registreren gebruik maken van de codes die op de registratiedatum in de activiteiten- en verrichtingenlijst staan. Tip: Het beste is de behandelactiviteiten zo snel mogelijk na uitvoering te registreren. Dit bevordert de betrouwbaarheid en juistheid van de geregistreerde activiteiten. Let op : Als er sprake is van parallelle zorgtrajecten, dan moet de behandelaar de geboden zorg registreren op de dbbc waarop deze betrekking heeft. 12 De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de normtijden en herijken/updaten hiervan. Instellingen mogen op hun eigen manier invulling geven aan het registreren van de werkelijk bestede tijd. Bijvoorbeeld door de registratie te koppelen aan het elektronisch patiëntendossier (epd) of een planningsmodule. Het is ook toegestaan om standaardtijden of normtijdenper activiteit vast te stellen. Het hangt van de situatie af of activiteiten in een klinische setting geregistreerd mogen worden. Immers, activiteiten in het kader van 24-uurscontinuiteitszorg mogen niet als patiëntgebonden tijd geregistreerd worden. De kosten van de zorg van sommige beroepen zitten namelijk al in het tarief van verblijf versleuteld. Tabel 7 Aan het registreren van diagnostiek en behandeling is een aantal bijzonderheden verbonden zie ook. Tabel 7 Tijdens een behandeling kan ook behandeltijd besteed worden aan het ‘systeem’ van de patiënt. Met het systeem worden de familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten van de patiënt bedoeld. Registreer deze bestede (in)directe tijd, in het kader van de behandeling van de diagnose/aandoening van de patiënt, op de dbbc van de betreffende patiënt. Tijdsbesteding aan het systeem kan zowel met als zonder aanwezigheid van de patiënt plaatsvinden. Tevens kan het zowel individueel als in een groep plaatsvinden. Hierdoor kent een deel van de behandelactiviteiten zes varianten. Instaan de verschillende varianten toegelicht. Het kan voorkomen dat de behandelaar tijdens één sessie met een patiënt meerdere behandelvormen toepast, bijvoorbeeld het toepassen van farmacotherapie en psychotherapie. De behandelaar verdeelt dan de bestede tijd naar verhouding over deze behandelvormen. Wanneer een patiënt groepstherapie krijgt waarbij twee of meer mensen tegelijkertijd behandeld worden, deelt de behandelaar de bestede tijd door het aantal deelnemers in de groepstherapie. Dus bij een behandeling van 160 minuten waaraan acht patiënten deelnemen, registreert de behandelaar 20 minuten op de dbbc van een patiënt. De hoofdbehandelaar (opdrachtgever) kan een gespecialiseerde behandelaar uit een andere zorginstelling inschakelen (opdrachtnemer), bijvoorbeeld voor het uitvoeren van een psychodiagnostisch onderzoek. In dat geval opent de opdrachtnemer geen eigen dbbc voor de patiënt, maar de hoofdbehandelaar registreert de activiteiten die de opdrachtnemer heeft uitgevoerd op de openstaande dbbc van de patiënt. De bestede tijd moet wel op naam van de opdrachtnemer op de dbbc geregistreerd worden. De opdrachtgever betaalt vervolgens de opdrachtnemer buiten de dbbc-systematiek om. De dbbc wordt na sluiting gedeclareerd. De reden voor deze werkwijze is dat alle bestede zorg voor de behandeling van een diagnose binnen één dbbc geregistreerd wordt. Als een zorgaanbieder een deel van de zorg uitbesteedt voor een patiënt met een lopend zorgtraject, blijft de opdrachtgevende zorgaanbieder verantwoordelijk voor de verlening en declaratie van deze zorg. Let op: het tarief voor prestaties in het kader van onderlinge dienstverlening is vrij en moet onderling bepaald worden door de uitvoerende en opdracht gevende zorgaanbieder. 1 Wanneer in een groep tijd aan het systeem wordt besteed, gelden dezelfde registratieregels als bij groepstherapie. Het doel van dagbesteding is het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de patiënt. Binnen de fz is van belang dat de dagbesteding altijd plaatsvindt in het kader is van de (psychiatrische) behandeling en is terug te vinden in het behandelplan van de patiënt, dat is opgesteld door de behandelaar. Dagbesteding is dus niet: Dagbesteding in de fz wordt met ingang van 1 januari 2013 geregistreerd als een overige deelprestatie. Hiervoor geldt een maximumtarief per patiënt per uur Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar kan binnen de dbbc dagbesteding registreren. Registreren van dagbesteding kan direct nadat de patiënt dagbesteding heeft gekregen. Er moet bij het registreren van dagbesteding gebruik worden gemaakt van de codes die op de openingsdatum van de dbbc in de activiteiten- en verrichtingenlijst staan. Tip : Het beste is om de dagbesteding zo snel mogelijk na afloop te registreren. Dit bevordert de betrouwbaarheid en juistheid van de geregistreerde dagbesteding. De behandelaar registreert het aantal uren dat de patiënt dagbesteding krijgt. In de dbbc-systematiek worden de volgende vormen van dagbesteding onderscheiden: Let op: minuten uren Het schrijven van tijd is anders voor dagbesteding dan voor diagnostiek- en behandelactiviteiten. De registratie van diagnostiek- en behandelactiviteiten gebeurt inen de registratie van dagbesteding gebeurt in. De volgende voorwaarden gelden bij het registreren van dagbesteding: Alleen behandelaren van wie het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in de dbbc-beroepentabel, mogen binnen de dbbc verblijfsdagen registreren. Behandelaren moeten bij het registreren gebruik maken van de activiteitencodes die op de openingsdatum van de dbbc in de activiteiten- en verrichtingenlijst staan. Elke verblijfsdag moet een unieke registratiedatum hebben. Het is dus niet toegestaan om aan het einde van de looptijd van de dbbc het totale aantal verblijfsdagen van meerdere opnameperiodes onder één code te registreren. Er wordt binnen de dbbc-systematiek onderscheid gemaakt tussen het registreren van behandelactiviteiten en van verblijf. Bij de registratie van een verblijfsprestatie gaat het om een ‘kale verblijfsdag’. In het tarief van een verblijfsprestatie is wel meegenomen dat een patiënt eten en drinken ontvangt en wordt verpleegd en verzorgd, maar niet dat een patiënt wordt behandeld. De behandelactiviteiten tijdens een verblijfsdag moeten dus apart geregistreerd worden. 13 Voor extreem vlucht- en beheersgevaarlijke (EVBG) TTT-patiënten geldt een extra opslag voor verblijf (deze opslag geldt per patiënt per verblijfsdag). Bij het registreren van een verblijfsdag moet altijd de verblijfssoortworden genoteerd. Het vaststellen van de verblijfssoort gebeurt in drie stappen: 1 bijlage 6 Voor beveiligingsniveau 2 geldt voor zorg, geleverd aan personen die een indicatie ‘sglvg+’hebben en verblijven in een setting die voldoet aan de omschrijving ‘sglvg+’, geldt een nhc-toeslag. Voor de omschrijving ‘sglvg+’: zie. De verblijfssoort ‘A1’ vertegenwoordigt dus een beveiligingsniveau 1 in combinatie met een lichte verzorgingsgraad; verblijfssoort ‘G4’ staat voor de combinatie tussen een beveiligingsniveau 4 en een zeer intensieve verzorgingsgraad. Verblijf wordt geregistreerd op basis van dagen aanwezigheid. Dagen dat de patiënt afwezig is, mogen niet worden geregistreerd als verblijfsprestatie, met uitzondering van de hieronder beschreven gevallen. Uitgangspunt daarbij is dat kosten die gemaakt worden, ook gedeclareerd kunnen worden: Binnen de zorgcategorie verrichtingen wordt een onderscheid gemaakt tussen elektroconvulsietherapie (ect), ambulante methadonverstrekking (amv), forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) en dagbesteding. Bij elektroconvulsietherapie (ect) moet de behandelaar niet alleen de tijd registreren die hij aan deze activiteit besteedt, maar ook het aantal behandelingen ect. De behandeling kan namelijk niet geheel bekostigd worden met de vergoeding voor de geschreven behandeltijd. Aan de verrichting ect zijn de volgende kosten toegerekend: materiële kosten (zoals afschrijving, onderhoud van ect-apparatuur en overige materialen), loonkosten van betrokken behandelaren die niet op de beroepentabel staan (zoals de anesthesist, anesthesieverpleegkundige en verkoeververpleegkundige) en de tijd die een patiënt na de behandeling door brengt op de verkoeverkamer. Als er sprake is van ect, dan bevat de dbbc dus altijd twee zaken: Is dat niet het geval, dan valt de dbbc uit in de validatie. Bij de verstrekking van methadon aan ambulante patiënten moet de behandelaar niet alleen de tijd registreren die hij aan deze activiteit besteedt, maar ook het aantal verstrekkingen van methadon per kalendermaand. De behandeling kan namelijk niet geheel bekostigd worden met de vergoeding voor de geschreven behandeltijd. Het tarief van de verrichting ‘ambulante methadon’ is vastgesteld op basis van de gemiddelde inkoopprijs voor het medicijngebruik en is een vergoeding voor de medicijnkosten van de stof methadon per maand. Bij de verstrekking van methadon moeten er dus twee zaken geregistreerd worden: Is dat niet het geval, dan valt de dbbc uit in de validatie. Let op: Klinische verstrekking van methadon kan niet worden gedeclareerd. De kosten van klinisch verstrekte methadon worden versleuteld in het tarief van verblijfsdagen. Op een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ en ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ mogen activiteiten geregistreerd worden die in verband staan met de begeleiding tijdens het forensische psychiatrisch toezicht. De behandelaar moet steeds twee zaken registreren: 20 Om de behandel- en begeleidingsactiviteiten en verrichtingen die in het kader van het fpt door een fpc uitgevoerd worden te mogen vergoeden, moeten inkoopafspraken met de zorgverzekeraar worden gemaakt. Het fpc kan dan een dbbc met het zorgtype ‘fpt’ openen en voor elke dag een verrichting fpt registreren. De verrichting fpt kan geregistreerd worden om de kosten te vergoeden van de behandel- en begeleidingsactiviteiten en verrichtingen die in het kader van het fpt door een fpc uitgevoerd worden. De verrichting kan geregistreerd worden per patiënt per dag dat een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend is. Let op: Als er tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging een time-out optreedt, dan moet de dbbc met het zorgtype fpt gesloten worden en mag er dus geen verrichting fpt per dag geregistreerd worden. Een behandelaar moet de activiteiten registreren die uitgevoerd worden in het kader van de fpt van een specifieke patiënt. Het verschilt per zorgtype welke activiteiten wel en niet geregistreerd kunnen worden. In tabel 9 is aangegeven welke activiteiten geregistreerd mogen worden op een dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’. Als er geen sprake is van een time-out en de patiënt dus buiten het fpc verblijft, kunnen er geen verblijfsdagen geregistreerd worden. Wanneer de patiënt wordt teruggeplaatst binnen het fpc vanwege een time-out mogen er wel verblijfsdagen geregistreerd worden. Tijdens de fase proefverlof gebeurt dat op een nieuw te openen dbbc ‘tbs met proefverlof’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging op een nieuw te openen dbbc met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’. Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging mogen er, met het optreden van een time-out, geen verrichtingen fpt geregistreerd worden. Deze verrichting is bedoeld om de kosten te dekken die betrekking hebben op de inzet van de tolk gebarentaal / communicatiespecialist. De verrichting mag maar één keer per dbbc geregistreerd worden. Deze prestatie mag worden gedeclareerd indien er zorg geleverd wordt aan patiënten met een auditieve beperking en waarvoor de inzet van een tolk gebarentaal / communicatiespecialist noodzakelijk is. Het gaat hierbij om vroegdoven, plots-en laatdoven, slechthorenden, doofblinden en patiënten met een gehoorstoornis als tinnitus, hyperacusis, ziekte van ménière of auditieve verwerkingsproblemen Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar mag een dbbc sluiten. Bij het afsluiten van een dbbc moet de hoofdbehandelaar deze controleren (of laten controleren onder zijn of haar verantwoordelijkheid) op de volgende punten: Als één of meer van bovenstaande punten niet of niet correct is ingevoerd, mag de dbbc niet worden afgesloten. Let op: Als de dbbc wordt gesloten met sluitreden 5, kan de dbbc zonder weergave van een diagnoseclassificatie en gevaartypering afgesloten worden. Het zorgtraject moet gesloten worden wanneer een patiënt 365 dagen niet in zorg is geweest. Het zorgtraject moet dus 365 dagen na sluitingsdatum van de laatste dbbc gesloten worden. – Registratie Het registratieproces start op het moment dat een patiënt die in een forensische zorginstelling geplaatst is, bij de zorgbieder komt met een zorgvraag. Op dat moment worden meteen een zorgtraject en een dbbc geopend. Een zorgtraject volgt het zorgproces voor één primaire diagnose en kan bestaan uit een initiële dbbc, waarin de primaire diagnose is gesteld, en een onbeperkt aantal vervolg-dbbc's. – Validatie Als de dbbc is afgesloten volgt de validatie. Tijdens de validatie wordt de dbbc gecontroleerd op een volgens deze nadere regel goede en technisch volledige registratie. – Afleiding Na de validatie wordt via de afleiding bepaald in welke behandelprestatie / productgroep de dbbc terechtkomt. Vervolgens wordt de dbbc als onderdeel van de factuur naar de zorgverzekeraar gestuurd en worden daarnaast de dbbc-gegevens aan het Dbc-informatiesysteem (DIS) geleverd. – Als een nieuwe patiënt zich aanmeldt. Let op: – Beschikt een zorgaanbieder over meerdere locaties en verandert een patiënt van locatie maar niet van primaire diagnose, dan is er géén sprake van een nieuwe patiënt. De hoofdbehandelaar op de andere locatie mag dan geen initiële dbbc openen. Alle geboden zorg op de andere locatie voor dezelfde primaire diagnose moet op de al geopende dbbc worden geregistreerd. – Bij overplaatsing van een patiënt gedurende het fpt is er altijd sprake van een nieuwe patiënt. De zorgaanbieder waarnaar de patiënt overgeplaatst wordt, opent in deze situatie dus een initiële dbbc met het zorgtype fpt proefverlof (144) of fpt voorwaardelijke beëindiging (145). – Als een bekende patiënt voor een andere primaire diagnose in zorg komt dan de diagnose waarvoor de patiënt al in behandeling is. Dit geldt ook als de strafrechtelijke titel gelijk blijft. Let op: Er kan sprake zijn van parallelle of seriële zorgtrajecten. De voorwaarden daarvoor en een nadere toelichting zijn te vinden in het onderdeel 3.1.3.9 Omgaan met meerdere primairediagnoses in deze bijlage. – Als de strafrechtelijke titel verandert. Als van een bekende patiënt de strafrechtelijke titel verandert, is er sprake van een nieuw indicatie- en plaatsingsbesluit en wordt een initiële dbbc geopend voor de nieuwe strafrechtelijke titel. De hoofdbehandelaar sluit de dbbc en opent een initiële dbbc voor de nieuwe strafrechtelijke titel. – Als een strafrechtelijke titel wordt opgelegd. Als een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en hij een strafrechtelijke titel opgelegd krijgt, sluit de hoofdbehandelaar de dbbc met het zorgtype ‘Voorgenomen indicatiestelling’. Vervolgens opent hij een nieuwe initiële dbbc met één van de 21 strafrechtelijke titels. – De lopende dbbc staat 365 dagen open. Als een (initiële of vervolg-) dbbc 365 dagen open staat en de behandeling is nog niet afgerond, sluit de hoofdbehandelaar de lopende dbbc. – In verband met overgang naar forensisch psychiatrisch toezicht (fpt). Zorgtraject en dbbc's Situaties waarin een initiële dbbc moet worden geopend Er kan sprake zijn van een forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) in de fasen transmuraal verlof, proefverlof en voorwaardelijke beëindiging. Specifieke activiteiten en verrichtingen worden tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging door een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) uitgevoerd. Deze activiteiten en verrichtingen moeten geregistreerd worden op een vervolg-dbbc met het zorgtype fpt. Als een patiënt tijdelijk wordt teruggeplaatst in een fpc, wordt gesproken van een time-out. Zie ook Figuur 4en Figuur 5. – zorgtype aard delict De elementenenworden éénmalig aan het begin van het zorgtraject door de hoofdbehandelaar vastgelegd. – diagnose aard en mate van gevaar De elementenenworden door de hoofdbehandelaar ingevuld en kunnen als dat gewenst is gedurende de looptijd van de (initiële) dbbc gewijzigd worden. Bij het wijzigen van de gevaartypering wordt de datum vastgelegd waarop de wijziging heeft plaatsgevonden. – Wanneer het zorgtype ‘Verdiepingsdiagnostiek’ (146) wordt gekozen, kan de dbbc worden afgesloten zonder registratie van aard delict en/of diagnoseclassificatie. – naam patiënt – geboortedatum – geslacht – patiëntnummer – 9 Strafrechtsketennummer (skn): Iedereen die is belast met de toepassing van het strafrecht, is bij het onderling uitwisselen van persoonsgegevens over verdachten en veroordeelden verplicht om het skn te gebruiken. strafrechtsketennummer (skn) – circuit – startdatum dbbc – einddatum dbbc – startdatum strafrechtelijke titel – einddatum strafrechtelijke titel 1. Acuut fysiek gevaar Hierbij geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt een fysiek gevaar vormt voor zijn omgeving en/of voor zichzelf. Het gaat hier om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting gedurende het afgelopen jaar. Als de patiënt korter dan een jaar in de instelling verblijft, gaat het om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting sinds opname. De hoofdbehandelaar baseert de mate van gevaar op de eventuele incidenten die zich in het afgelopen jaar/sinds opname hebben voorgedaan. Voorbeelden van incidenten zijn: De mate van acuut fysiek gevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën: – De patiënt heeft een gevaar gevormd voor een ander. – De patiënt heeft zichzelf of een ander daadwerkelijk schade berokkend. – De patiënt is gesepareerd geweest. 2. Vluchtgevaar Hier geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt, die klinisch is opgenomen, ontsnappingspogingen heeft voorbereid en/of heeft ondernomen. De hoofdbehandelaar gebruikt hiervoor alle hem bekende informatie die hij relevant acht, ook als die ver in het verleden ligt. De mate van vluchtgevaar moet alleen worden beoordeeld als de patiënt klinisch wordt behandeld. De mate van vluchtgevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën: – Geen risico : patiënt heeft geen poging tot ontvluchting ondernomen. – Laag risico : patiënt heeft in het verleden voorbereidingen getroffen voor een vluchtpoging, zonder een daadwerkelijke poging te doen. – Matig risico : patiënt heeft in het verleden daadwerkelijk een vluchtpoging ondernomen. – Hoog risico : patiënt is er in het verleden in geslaagd te ontsnappen. – Niet van toepassing : patiënt wordt ambulant behandeld. 3. Recidivegevaar Het gaat hierbij om het gevaar wanneer de patiënt zich op dit moment in de maatschappij zou begeven. Hiervoor moet de hoofdbehandelaar gebruik maken van één van de volgende risicotaxatie-instrumenten: HKT-30, HCR-20 of SVR-20. Wanneer voor de patiënt risicotaxatie(s) gedaan zijn in het kader van verlofbewegingen, kan informatie uit die risicotaxatie(s) gebruikt worden voor het classificeren van het recidivegevaar. De categorieën voor recidivegevaar zijn: Voor het classificeren van de mate van recidivegevaar maakt de hoofdbehandelaar gebruik van de score op een risicotaxatie-instrument, bijvoorbeeld: De categorieën voor recidivegevaar zijn: Let op: De categorie ‘onbekend’ wordt gebruikt wanneer de hoofdbehandelaar geen uitspraak kan doen over de mate van het recidivegevaar, omdat de patiënt nog niet veroordeeld is (preventieve fase). – HKT-30 – HCR-20 – SVR-20 – geen/laag risico – matig risico – hoog risico – onbekend – Op As 1 is de diagnose 799.9 ‘Diagnose/aandoening uitgesteld’ niet toegestaan. – Registreer V71.09 ‘Geen diagnose of aandoening op As 1 aanwezig’ als er geen As 1-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is – Per persoonlijkheidsstoornis sluiten de antwoordmogelijkheden ‘aanwezig’ en ‘trekken van’ elkaar uit. – Op As 2 kunt u wel kiezen voor de code 799.9 ‘Diagnose/aandoening uitgesteld’, maar deze kan nooit de primaire diagnose van de dbbc zijn. – Registreer V71.09 ‘Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ als er geen As 2-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is. 1. ‘Geen of geen relevante diagnose op As 3’ als er geen somatische aandoening aanwezig is of als de somatische aandoening geen consequenties heeft voor de behandeling van de patiënt. 2. ‘Diagnose op As 3 enkelvoudig’ als er sprake is van een somatische aandoening die beperkte consequenties heeft. Doe dit dus alleen als deze aandoening naar verwachting zorgverzwarend is voor de behandeling van de primaire diagnose. 3. ‘Diagnose op As 3 complex’ als er sprake is van een somatische aandoening die veel consequenties heeft dan wel zorgverzwarend werkt voor de behandeling van de As 1- of As 2-stoornis. Van complex is bijvoorbeeld sprake als: – een medisch specialistische behandeling door een andere medisch specialist dan de psychiater noodzakelijk is; – aanvullende zorg gericht op de somatische aandoening of als gevolg van de somatische aandoening noodzakelijk is. Bijvoorbeeld in geval van doofheid; – er een specifieke behandelafdeling (paaz, puk, pmu/gapz/gaaz) nodig is om zorg te kunnen bieden; – er sprake is van bepaalde specifieke ziektebeelden, zoals ziekte van Alzheimer of Hypothyreoïdie. – De hoogste GAF-score van de voorgaande 365 dagen. Is er geen eerdere GAF-score? Registreer dan de GAF-score bij het begin van de behandeling of maak een inschatting van de hoogste GAF-score van het afgelopen jaar. – De GAF-score op het moment van openen van de dbbc. – De primaire diagnose kan niet een van de volgende codes zijn: ‘799.9 Diagnose/aandoening uitgesteld’ of ‘V71.09 Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’. – Als er bij een diagnose op As 2 ‘Trekken van ..’ wordt gescoord, kan deze wel dienen als primaire diagnose. – De eventuele code op As 2 voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid kan niet als primaire diagnose geregistreerd worden (hieronder vallen ook de codes voor stoornissen in de kindertijd op As 2). – V-codes kunnen als primaire diagnose gekozen worden. – Een vervolg-dbbc heeft altijd precies dezelfde primaire diagnose als de voorgaande (initiële) dbbc. Deze diagnose kan niet worden aangepast. – Dit betekent dat als de primaire diagnose in dezelfde hoofdgroep valt als bij de voorgaande dbbc, maar niet precies hetzelfde is, een initiële dbbc geopend moet worden voor het behandelen van de nieuwe diagnose. – Als de primaire diagnose van een openstaande initiële dbbc wijzigt wordt de diagnose van die initiële dbbc aangepast. Er wordt dus géén nieuwe initiële dbbc (en geen nieuw zorgtraject) geopend. Dit geldt zowel bij wijzigingen naar een diagnose binnen dezelfde hoofdgroep als naar een diagnose in een andere hoofdgroep. Een uitzondering geldt op dit punt bij stepped care. Als eerst één diagnose wordt behandeld en vervolgens de behandeling van een tweede diagnose wordt ingezet, mag voor de behandeling van de tweede diagnose een nieuwe initiële dbc worden geregistreerd. a. Parallelle zorgtrajecten Er is sprake parallelle zorgtrajecten als de hoofdbehandelaar meerdere initiële dbbc’s en bijbehorende zorgtrajecten opent. Parallelle zorgtrajecten kunnen worden geregistreerd als er sprake is van meerdere primaire diagnoses waarvoor gelijktijdig substantieel verschillende behandelingen moeten worden ingezet. De hoofdbehandelaar moet het openen van parallelle zorgtrajecten op dat punt ook kunnen verantwoorden. artikel 3.1.3.9 Parallelle zorgtrajecten mogen niet in eenzelfde diagnosehoofdgroep vallen. Zie hiervoor ookvan deze nadere regel. Onder diagnosehoofdgroep verstaan we een combinatie tussen de hoofdgroepen zoals deze in de DSM-IV-TR worden aangeduid, en de diagnosehoofdgroepen zoals opgenomen in de prestatiecode. In bovenstaande tabel wordt aangegeven welke hoofdgroepen ontstaan wanneer deze combinatie tussen DMS-IV-TR en de prestatiecode wordt gemaakt. In totaal zijn er voor de fz 23 hoofdgroepen. Voorwaarden parallelle zorgtrajecten: Voor behandeling bij elektroconvulsie therapie (ect) geldt een uitzondering op de genoemde voorwaarden voor parallelle trajecten. Als er sprake is van een behandeling in combinatie met ect door twee zorgaanbieders, is het toegestaan om twee zorgtrajecten met dezelfde diagnosehoofdgroep (zoals opgenomen in tabel 6) te declareren. De uitzondering voor ect wordt gemaakt om praktische beperkingen in het declareren van deze zorg weg te nemen. Daarnaast geldt een uitzondering als ambulante behandeling gelijktijdig met proefverlof of voorwaardelijke beëindiging wordt ingezet. In het geval van forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) en een gelijktijdig openstaand regulier zorgtraject, is het niet nodig dat de primaire diagnose van beide zorgtrajecten verschilt. Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging kan gelijktijdig met het fpt of een time-out tijdens het fpt ook ambulante behandeling plaatsvinden. Hiervoor worden een apart zorgtraject en initiële dbbc geopend met het zorgtype ‘tbs met proefverlof’ (tijdens de fase proefverlof) of zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’ (tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging). Tabel 6 Mogelijke parallelle diagnosehoofdgroepen Parallelliteit fz: hoofdgroepen 001 Stoornissen in de kindertijd 002 Schizofrenie en andere psychotische stoornissen 003 Problemen ivm misbruik of verwaarlozing 004 Delirium, dementie en amnestische en andere cognitieve stoornissen 005 Psychische stoornissen door een somatische aandoening 006 Stemmingsstoornissen 007 Angststoornissen 008 Somatoforme stoornissen 009 Nagebootste stoornissen 010 Dissociatieve stoornissen 011 Eetstoornissen 012 Slaapstoornissen 013 Stoornissen in de impulsbeheersing 014 Aanpassingsstoornissen 015 Andere aandoeningen en problemen die een reden voor zorg kunnen zijn 016 Bijkomende codes/ geen diagnose 017 Zwakzinnigheid (Stoornissen in de kindertijd) 018 Zwakbegaafdheid (Bijkomende problemen die een reden voor zorg kunnen zijn) 019 Bijkomende codes/ geen diagnose 020 Seksuele stoornissen 021 Stoornissen in de impulsbeheersing 022 Aan een middel gebonden stoornissen 023 Persoonlijkheidsstoornissen – Een patiënt kan binnen één instelling maximaal drie openstaande zorgtrajecten hebben. – Bij initiële parallelle dbbc’s en bijbehorende zorgtrajecten is het een voorwaarde dat de primaire diagnoses een verschillende parallelliteitscode kennen. Zie Tabel 6. Figuur 9: Parallelle zorgtrajecten b. Seriële (opeenvolgende) zorgtrajecten Er kan sprake zijn van verschillende diagnoses waarvan één diagnose het meest dringend is (comorbiditeit). Er is dan sprake van één primaire diagnose en meerdere nevendiagnoses. In een dergelijke situatie opent de hoofdbehandelaar eerst een initiële dbbc en een zorgtraject voor de primaire diagnose. Als de patiënt voor de primaire diagnose is uitbehandeld, sluit de hoofdbehandelaar het zorgtraject en opent een nieuwe initiële dbbc en een nieuw zorgtraject, waarbij de eerdere nevendiagnose de nieuwe primaire diagnose wordt. We spreken dan van opeenvolgende zorgtrajecten. Deze vorm van opeenvolgend behandelen heet ook wel de ‘stepped care-systematiek’. Let op: De voorwaarde voor opeenvolgende dbbc’s en bijbehorende zorgtrajecten is dat de primaire diagnoses van elkaar verschillen. Voorbeeld: Een patiënt heeft een alcoholverslaving en een depressie. Is de alcoholverslaving de aandoening die het meest dringend moet worden behandeld, dan opent de hoofdbehandelaar daarvoor een initiële dbbc met de alcoholverslaving als primaire diagnose. Als de patiënt voor de alcoholverslaving is uitbehandeld, opent hij een nieuw zorgtraject met een nieuwe initiële dbbc met depressie als primaire diagnose. Figuur 10: Opeenvolgende zorgtrajecten – face-to-face contact – telefonisch contact – schriftelijk/e-mail contact – direct contact via internet (chatten, Skype etc.) – een initiële dbbc moet altijd direct patiëntgebonden tijd van een hoofdbehandelaar bevatten – het voorbereiden van een activiteit (bijvoorbeeld van een sessie psychotherapie); – verslaglegging in het kader van de activiteit (bijvoorbeeld psychiatrisch onderzoek); – hersteltijd na een intensieve behandelsessie. – een reguliere dag structurering die in een 24-uurs verblijfssituatie wordt geboden; – een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke. 1. Dagbesteding sociaal (ontmoeting) De meest basale functie van een dagactiviteitencentrum is de ontmoetingsfunctie. De inloopfunctie is de meest ‘laagdrempelige’ functie in het kader van dag- en arbeidsmatige activiteiten. Aan de deelnemers worden over het algemeen geen strenge eisen gesteld voor wat betreft de deelname aan de inloop. 2. Dagbesteding activering Deze vorm gaat verder dan het ontmoeten van anderen en omvat ook recreatieve, creatieve of sportieve activiteiten. Deze activiteiten worden over het algemeen groepsgewijs aangeboden. De deelname is niet verplicht, maar over het algemeen wel minder vrijblijvend. Voorbeelden van dagbesteding in het kader van activering zijn: tekenen, voetballen en tuinieren. 3. Dagbesteding educatie Educatieve dagbesteding heeft als doel om de patiënt iets te leren. Bij de educatieve activiteiten is er over het algemeen sprake van een vast weekprogramma en een groepsgewijs aanbod. Denk bijvoorbeeld aan een computercursus, cursus boekbinden en gitaarles. 4. Dagbesteding arbeidsmatig Bij arbeidsmatige dagbesteding zijn activiteiten gericht op het begeleiden van patiënten die aan het werk willen in het reguliere arbeidsproces, zoals het opdoen van arbeidsvaardigheden en -ervaring. Het gaat hierbij om onbetaalde werkzaamheden, soms wordt een beperkte onkostenvergoeding verstrekt. 5. Dagbesteding overig Alle dagbesteding die niet onder sociale, activerende, educatieve of arbeidsmatige dagbesteding valt, maar wel wordt ingezet in het kader van de behandeling van een patiënt met een bepaalde primaire diagnose, kan onder overige dagbesteding worden geregistreerd. – Tijdens dagbesteding mag de behandelaar géén direct patiëntgebonden behandelactiviteiten registreren. Tijdens de dagbesteding worden patiënten namelijk niet behandeld of verpleegd. – Dagbesteding mag tegelijkertijd geregistreerd worden met verblijfsdagen. – Er kan alleen dagbesteding geregistreerd worden als de patiënt ook daadwerkelijk aanwezig is. – Er zijn voor elk type dagbesteding twee activiteiten beschikbaar: één als het een laag beveiligingsniveau betreft, en één voor een midden, hoog of zeer hoog beveiligingsniveau. 1. De verblijfsintensiteit bepalen – Een deelprestatie verblijf kan alleen geregistreerd worden als de patiënt op zijn laatst 20:00 uur is opgenomen (dit geldt zowel bij eerste opname als bij heropname) en ’s nachts in de instelling verblijft. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. De grens van 20:00 uur geldt dus voor de eerste dag van de periode van opname. Voor de overige dagen geldt deze grens niet, maar moet de cliënt wel ’s nachts in de instelling verblijven. – Naast de inzet van verzorgend opvoedkundig en verplegend (VOV-personeel) voorziet de productstructuur voor verblijf in beschrijving van de verblijfszorg. Voor de keuze van de deelprestatie van verblijf is de zorgvraag van de patiënt leidend. Op basis van de zorgvraag van de patiënt is van de 28 prestaties van verblijf degene van toepassing die het meest overeenkomt met de beschreven verblijfszorg. 2. 14 Zie bijlage 8 Verschillen in beveiligingsniveaus. Het beveiligingsniveauvaststellen Met het beveiligingsniveau wordt aangegeven wat het niveau is van de beveiliging die is georganiseerd tijdens het verblijf van de betreffende patiënt, dan wel voor de afdeling waar de patiënt verblijft. Er zijn vier beveiligingsniveaus gedefinieerd: bijlage 5 Op basis van het voor de patiënt benodigde beveiligingsniveau wordt een keuze gemaakt uit de niveaus zoals die inbeschreven staan. – Beveiligingsniveau 1: (zeer) laag – Beveiligingsniveau 2: gemiddeld (laag en hoog) – Beveiligingsniveau 3: hoog – Beveiligingsniveau 4: zeer hoog 3. 15 Voor extreem vlucht- en beheersgevaarlijke (evbg) ttt-patiënten geldt een extra opslag voor verblijf (deze opslag geldt per patiënt per verblijfsdag). De verblijfssoortvaststellen In Tabel 8 is te zien tot welke verblijfssoort de verschillende combinaties van beveiligingsniveau en verblijfsintensiteit leiden. – Onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof artikel 37a Sr 37b Sr 14 Bvt 13 Bvt 16 Conform verlofbeleidskader TTT. Als er sprake is van onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof mogen deze afwezigheidsdagen geregistreerd worden als dagen die passen bij de verblijfssoort die feitelijk wordt geleverd. Er is geen maximum gesteld aan het aantal dagen dat in dit geval geregistreerd mag worden. Deze situatie geldt alleen voor de forensische zorgtitels ‘tbs met dwangverpleging (jo.) ‘, ‘Overplaatsing naar een psychiatrisch ziekenhuis ()’ en ‘Tijdelijke plaatsing ter observatie in psychiatrisch ziekenhuis (). – Time-out tbs-gestelde – Vergoeding aan forensische zorgaanbieders art. 37a Sr 37b Sr art. 51 Bvt art 38 g Sr art. 38a Sr 17 Wanneer de situatie voorkomt (bijv. bij onderaanneming of bij geïntegreerde instellingen) dat er door twee zorgaanbieders of twee locaties van één zorgaanbieder, op dezelfde dagen, verblijfsdagen geregistreerd moeten worden op dezelfde dbbc kunt u contact opnemen met Divisie Forensische Zorg van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze nadere regel geldt alleen voor de forensische zorgtitels ‘tbs met dwangverpleging (jo.)’, ‘tbs met proefverlof ()’, ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege ()’ en ‘tbs met voorwaarden ().’ 18 Hieraan stelt de zorgverzekeraar geen verdere eisen of beperkingen. Voor instellingen voor forensische zorg geldt dat als een patiënt in het kader van een time-out tijdelijk wordt teruggeplaatst in een fpc, de afwezigheidsdagen geregistreerd mogen worden op de verblijfssoort die op het moment van overplaatsing of time-outplaatsing van toepassing is. Het gaat om een periode van zeven weken die maximaal nog eens met zeven weken verlengd kan worden. Als er sprake is van meerdere niet aaneengesloten crisisperioden per jaar, die korter zijn dan de tweemaal zeven weken, dan geldt dat er per tbs-gestelde maximaal 14 weken per kalenderjaar vergoeding plaatsvindt voor afwezigheidsdagen in een dergelijke situatie. De zorgverzekeraar vergoedt een zorgaanbieder tijdens een time-out dus maximaal 14 weken per jaar. – Vergoeding aan fpc Het fpc waar een tbs-gestelde geplaatst wordt, registreert de activiteiten, verrichtingen en het verblijf op een eventueel al geopende dbbc. Als er op dat moment geen dbbc geopend is, opent het fpc een initiële dbbc. De benodigde indicatiestelling wordt door het NIFP (achteraf) afgegeven. Wat betreft de duur van de time-out en de vergoeding gelden dezelfde voorwaarden als voor forensische zorgaanbieders. – Kortdurende terugplaatsing gedetineerden vanuit ggz naar penitentiaire inrichting (PI) art. 38p lid 5 Sr art. 38m Sr artikel 15 lid 5 van de Pbw artikel 43 lid 3 van de Pbw Deze nadere regel geldt voor gedetineerden die in een zorginstelling zijn geplaatst en voor wie een tijdelijke terugplaatsing in de PI nodig is. De terugplaatsing is geen sanctie, maar onderdeel van de behandelstrategie wanneer de gestelde voorwaarden zijn overtreden of de behandelrelatie onder druk is komen te staan. In dit geval mogen maximaal 14 dagen geregistreerd worden en moet het bed beschikbaar blijven voor de gedetineerde. Deze situatie is alleen van toepassing op de forensische zorgtitels ‘ISD met voorwaarden ()’, ‘ISD ()’, ‘Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van een gedetineerde met toepassing van’, ‘Overbrenging van een gedetineerde op basis van’ en ‘Penitentiair programma met zorg (art. 15 lid 2 Pbw)’. – No-show klinisch Als een patiënt niet op tijd voor een geplande opname bij de kliniek wordt gebracht om een reden die door de zorgaanbieder niet te beïnvloeden is en er een bed voor hem is vrij gehouden, is er sprake van ‘no-show klinisch’. Deze activiteit is opgenomen in de activiteiten- en verrichtingenlijst. Daarnaast moet óók de juiste verblijfssoort worden geregistreerd, omdat daaraan de kosten zijn verbonden. Wanneer bijvoorbeeld een patiënt niet naar de locatie wordt gebracht en er is een bed vrijgehouden vallend onder verblijfssoort categorie B3 (beperkte verzorgingsgraad/hoog beveiligingsniveau), dan registreert de zorgaanbieder ‘No-show klinisch; 1 dag’ en ‘Verblijfssoort categorie B3; 1 dag’. Aan het registreren van een ‘No-show klinisch’ is een maximum gekoppeld van één dag per opname. – Onttrekking 19 Conform handleiding P&C forensisch psychiatrische centra. Wanneer de patiënt niet terugkomt na verlof (onttrekking) mag er maximaal één dag van de passende verblijfssoort worden geregistreerd. – aantal Verrichting ect: hetbehandelingen ect wordt geregistreerd volgens de activiteiten- en verrichtingenlijst; – tijd Activiteit elektroconvulsietherapie: beroepen die voorkomen op de beroepentabel registreren de bestedemet behulp van de activiteitcode voor ect (Behandeling → Fysische therapie → Elektroconvulsietherapie). – Verrichting ambulante methadon: de behandelaar moet het aantal ambulante verstrekkingen van methadon registreren. Dit is één verrichting per maand ongeacht de hoeveelheid methadon en frequentie van de verstrekkingen. – Activiteit farmacotherapie: bij de ambulante verstrekking van Methadon moet de behandelaar de bestede tijd registreren op de activiteit ‘farmacotherapie’. – de dbbc is ingevuld conform deze nadere regel – de dbbc bevat de juiste informatie – de typering is ingevuld – de diagnose is ingevuld – de GAF-score is ingevuld – er is een geldige sluitreden gebruikt 1. Sluitreden 1: een dbbc afsluiten als de situatie van de patiënt verandert. Dit is het geval als de patiënt: – is overleden. De dbbc moet worden gesloten op de dag van overlijden. – is verhuisd naar een andere regio. – tegen het advies van de behandelaar in langdurig niet meer is op komen dagen, niet meewerkt aan de behandeling en/of de door de rechter opgelegde voorwaarden overtreedt. – 365 dagen geen zorg meer heeft ontvangen. 2. Sluitreden 2 (Reden voor afsluiting bij behandelaar om inhoudelijke redenen). Als de behandelaar de patiënt voor de behandeling van dezelfde primaire diagnose terug- dan wel doorverwijst naar een andere instelling, moet hij de lopende dbbc sluiten. Sluitreden 2 moet ook gebruikt worden als er een nieuw plaatsingsbesluit is afgegeven door een veranderde zorgvraag, maar de zorg geleverd blijft worden door dezelfde zorgaanbieder. 3. Sluitreden 3 (In onderling overleg beëindigd zorgtraject/patiënt uitbehandeld). Als de behandelaar en patiënt in onderling overleg besluiten dat het behandeltraject voor de desbetreffende primaire diagnose is beëindigd, moet de behandelaar de lopende dbbc sluiten. 4. Sluitreden 4. (Afsluiten vanwege openen vervolg-dbbc). Als de maximale looptijd van 365 dagen is bereikt en de behandeling nog niet afgerond is (ongeacht of de patiënt gedurende die looptijd wel of niet zorg heeft ontvangen). Er moet een vervolg-dbbc worden geopend. Sluitreden 4 moet ook gebruikt worden als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging en er ook geen sprake is van een time-out. Hier geldt niet dat de dbbc 365 dagen open moet hebben gestaan. Er moet een vervolg-dbbc worden geopend met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’. 5. Sluitreden 5 (Afsluiten na alleen pre-intake/intake/diagnostiek) Als de patiënt na de pré-intake, intake of diagnostiek niet in zorg komt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een dbbc met het zorgtype ‘verdiepingsdiagnostiek’. 6. Sluitreden 6 Zvw Wlz WMO Reden voor afsluiten is het beëindigen van de strafrechtelijke titel. Als de strafrechtelijke titel van de patiënt afloopt en geleverde zorg niet meer onder de fz in strafrechtelijk kader valt moet de dbbc afgesloten worden. Als er verdere zorg nodig is, wordt deze geleverd in het kader van de wet,of. Let op: Bij deze reden van afsluiten mogen de activiteiten die uitgevoerd zijn na de einddatum van de strafrechtelijke titel niet meer op de dbbc geregistreerd worden. Deze sluitreden moet ook gebruikt worden als een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en een strafrechtelijke titel krijgt opgelegd. De dbbc met het zorgtype ’voorgenomen indicatiestelling’ wordt gesloten. Vervolgens wordt een nieuwe initiële dbbc met één van de 21 strafrechtelijke titels geopend. 7. Sluitreden 7 Reden voor afsluiting is de onvoorziene beëindiging van de strafrechtelijke titel. Als de strafrechtelijke titel van de patiënt onvoorzien wordt beëindigd en de zorgaanbieder kon dit zes weken voor de beëindigingdatum niet weten, moet de dbbc met deze sluitreden gesloten worden. Voorbeeld: contraire beëindiging van een tbs-maatregel, onmiddellijke invrijheidsstelling of het overlijden van de patiënt. De aanspraak fz vervalt dan op de datum van de definitieve uitspraak van de zitting of op de datum van overlijden. – In dit geval mogen maximaal twee weken na de einddatum van de strafrechtelijke titel nog uitgevoerde activiteiten geregistreerd worden. Hiervoor geldt een maximum van tien uur indirecte tijd en twee uur directe tijd. Het registreren van verblijf, dagbesteding en verrichtingen is niet meer mogelijk. – Als het gaat om het zorgtype ‘voorgenomen indicatiestelling’ en er een CIZ-indicatie is aangevraagd, mogen er nog maximaal zes weken activiteiten geregistreerd worden na de einddatum van de strafrechtelijke titel. 8. Sluitreden 8 (Afsluiten vanwege Time-out). Als een time-out optreedt tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging, moet de dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten. Vervolgens wordt tijdens proefverlof een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘tbs met proefverlof’ geopend en tijdens voorwaardelijke beëindiging een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’. Figuur 3: Proces van registratie, validatie en afleiding Figuur 4 Zorgtraject en dbbc's Figuur 5 Situaties waarin een initiële dbbc moet worden geopend Figuur 6 Fpt tijdens fase proefverlof Figuur 7 Fpt tijdens fase voorwaardelijke beëindiging Figuur 8 Situaties waarin een vervolg-dbbc kan worden geopend Figuur 11 Zorgcategorieën Figuur 12 Bepaling directe tijd, indirecte (reis)tijd of algemeen indirecte tijd Tabel 1: As 1 Klinische stoornissen As 1 Klinische stoornissen DSM IV-TR Diagnosetabel Stoornissen in de kindertijd Stoornissen in de kindertijd Delirium, dementie en amnestische en andere cognitieve stoornissen Restgroep diagnoses Psychische stoornissen door een somatische aandoening Restgroep diagnoses Aan een middel gebonden stoornissen Aan een middel gebonden stoornissen Schizofrenie en andere psychotische stoornissen Schizofrenie en andere psychotische stoornissen Stemmingsstoornissen Restgroep diagnoses Angststoornissen Restgroep diagnoses Somatoforme stoornis Restgroep diagnoses Nagebootste stoornissen Restgroep diagnoses Dissociatieve stoornissen Restgroep diagnoses Seksuele stoornissen en genderidentiteitsstoornissen Seksuele stoornissen Eetstoornissen Restgroep diagnoses Slaapstoornissen Restgroep diagnoses Stoornissen in de impulsbeheersing Stoornissen in de impulsbeheersing Aanpassingsstoornissen Restgroep diagnoses Andere aandoeningen en problemen die een reden voor zorg kunnen zijn Restgroep diagnoses Problemen in verband met misbruik of verwaarlozing Tabel 2: As 2 Persoonlijkheidsstoornissen As 2 Persoonlijkheidsstoornissen DSM IV-TR Diagnosetabel Zwakzinnigheid (Stoornissen in de kindertijd) – Lichte zwakzinnigheid – Matige zwakzinnigheid – Ernstige zwakzinnigheid – Diepe zwakzinnigheid – Zwakzinnigheid, ernst niet gespecificeerd Restgroep diagnoses Persoonlijkheidsstoornissen – Paranoïde persoonlijkheidsstoornis – Schizoïde persoonlijkheidsstoornis – Schizotypische persoonlijkheidsstoornis – Antisociale persoonlijkheidsstoornis – Borderline persoonlijkheidsstoornis – Theatrale persoonlijkheidsstoornis – Narcistische persoonlijkheidsstoornis – Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis – Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis – Obsessieve - compulsieve persoonlijkheidsstoornis – Persoonlijkheidsstoornis NAO – Uitgesteld / geen persoonlijkheidsstoornis Persoonlijkheidsstoornissen Zwakbegaafdheid (bijkomende problemen die een reden voor zorg kunnen zijn) Restgroep diagnoses Tabel 3: As 3 Somatische aandoeningen As 3 Somatische aandoeningen Diagnosetabel Bijzonderheden Diagnose op As3, complex Registreer alleen de somatische diagnoses die een directe relatie hebben met de As 1- of As 2-stoornis Diagnose op As3 enkelvoudig Geen of geen relevante diagnose op As3 Tabel 4: As 4 Psychosociale factoren en omgevingsfactoren As 4 Psychosociale factoren en omgevingsfactoren Factoren Bijzonderheden Problemen binnen de primaire steungroep Deze psychosociale factoren en omgevingsfactoren mogen alleen vastgesteld worden als ze duidelijk zorgverzwarend werken. Problemen verbonden aan de sociale omgeving Studie/scholingsproblemen Werkproblemen Woonproblemen Financiële problemen Problemen met de toegankelijkheid van gezondheidsdiensten Problemen met justitie/ politie of met de misdaad Andere psychosociale en omgevingsproblemen Geen diagnose/ factor op As 4 aanwezig Als er geen psychosociale factoren aanwezig zijn of wanneer deze geen consequenties hebben voor de behandeling van de primaire diagnose, moet deze code geregistreerd worden. Tabel 5: As 5 GAF-score As 5: GAF-score GAF GAF score 1-10 GAF score 11-20 GAF score 21-30 GAF score 31-40 GAF score 41-50 GAF score 51-60 GAF score 61-70 GAF score 71-80 GAF score 81-90 GAF score 91-100 Tabel 7: Varianten in behandelactiviteiten Varianten in behandelactiviteiten Variant Omschrijving Patiënt individueel Alleen de patiënt wordt behandeld Patiënt in groep De patiënt wordt behandeld in een groep Systeem (gezin/paar/ouders) met patiënt individueel De patiënt wordt behandeld in bijzijn van het systeem Systeem (gezin/paar/ouders) met patiënt in groep De patiënt wordt behandeld in een groep in bijzijn van het systeem Systeem (gezin/paar/ouders) zonder patiënt individueel Er wordt tijd besteed aan het systeem zonder dat de patiënt aanwezig is 1 Systeem (gezin/paar/ouders) zonder patiënt in groep Er wordt tijd besteed aan een groep van meerdere systemen van meerdere patiënten zonder dat de patiënten aanwezig zijn Tabel 8: overzicht verschillende verblijfssoorten Overzicht verschillende verblijfssoorten Verblijfsintensiteit Beveiligingsniveau 1 1 2 (laag/hoog) 3 4 Lichte verzorgingsgraad (A) A1 A2 A3 A4 Beperkte verzorgingsgraad (B) B1 B2 B3 B4 Matige verzorgingsgraad (C) C1 C2 C3 C4 Gemiddelde verzorgingsgraad (D) D1 D2 D3 D4 Intensieve verzorgingsgraad (E) E1 E2 E3 E4 Extra intensieve verzorgingsgraad (F) F1 F2 F3 F4 Zeer intensieve verzorgingsgraad (G) G1 G2 G3 G4 Tabel 9 Activiteiten en verrichtingen in combinatie met fpt Proefverlof Voorwaardelijke beëindiging Geen time-out Zorgtype ‘fpt proefverlof’ (244) Time-out Zorgtype ‘TBS met proefverlof’ (125/225) Geen time-out Zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ (245) Time-out Zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’ (126/226) Eén verrichting fpt per dag behalve verblijfsdagen Alle activiteiten en verrichtingen in het kader van fpt () inclusief verblijfsdagen Alle activiteiten en verrichtingen in het kader van time-out () Eén verrichting fpt per dag behalve verblijfsdagen Alle activiteiten en verrichtingen in het kader van fpt () inclusief verblijfsdagen Alle activiteiten en verrichtingen in het kader van time-out ()
Artikel 4 — Artikel 4 Zzp’s#
Artikel 4 Zzp’s 4.3.10 Informatiebepalingen De specificaties van het plaatsingsbesluitnummer zijn als volgt: – De vorm is negen tekens alfanumeriek. – De plaatsingsbesluitnummers staan in de webapplicatie ‘Informatievoorziening fz’ (Ifzo). – Als er een plaatsingsbesluitnummer is aangeleverd aan de zorgaanbieder dan is het invullen ervan op de factuur verplicht. – Het plaatsingsbesluitnummer wordt beheerd door het ministerie van JenV.