Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2021, Nederlandse Zorgautoriteit
- BWB-id
- BWBR0046406
- Type
- zbo
- Ministerie
- Nederlandse Zorgautoriteit
- Geldigheid
- 2021-01-01 t/m 2021-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0046406
- ELI
- /eli/nl/zbo/2021/beleidsregel-beschikbaarheidbijdrage-academische-zorg-2021
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/zbo/2021/beleidsregel-beschikbaarheidbijdrage-academische-zorg-2021/2021-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0046406&g=2021-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0046406&z=2026-06-06&g=2021-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0046406/2021-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/zbo/2021/beleidsregel-beschikbaarheidbijdrage-academische-zorg-2021
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: Academische zorg: bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG Het uitvoeren van topreferente zorg, innovatieve zorg en de ontwikkeling van nieuwe vormen van diagnostiek en behandeling. De omschrijving van academische zorg is opgenomen in onderdeel B van de(Stb. 2012, 396). Academische zorgomzet: De zorgomzet, inclusief het opleidingsfonds en de beschikbaarheidbijdragen, maar exclusief de beschikbaarheidbijdrage academische zorg, in de enkelvoudige jaarrekening. De werkplaatsfunctie wordt in de academische zorgomzet niet meegenomen. Beschikbaarheidbijdrage: artikel 56a Wmg Bijdrage als genoemd in. BBAZ: Beschikbaarheidbijdrage academische zorg. Besluit: Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van 24 augustus 2012 Bijlage: Bijlage B bij artikel 2 van het Besluit . DIS (dbc-Informatiesysteem): Regeling verplichte aanlevering minimale dataset medisch specialistische zorg Digitale databank zoals omschreven in de ‘(MDS)’. Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. NWO-lijst NWO Subsidieregeling 2017 Een lijst van kennisinstellingen die door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) zijn opgenomen in deals instelling waarvan onderzoekers subsidie kunnen aanvragen. Labelscore: Het aantal of het percentage topreferente patienten voor een bepaald label. Labelsystematiek: De labelsystematiek bestaat uit zeven te onderscheiden patiëntgebonden labels. Per label zijn variabelen bepaald die van toepassing kunnen zijn op een patiënt; valt een patiënt onder een van deze labels, dan is sprake van een topreferente patiënt. Poortspecialisme consultatieve psychiatrie (0329 Het medisch specialisme waarnaar een patiënt wordt verwezen voor medisch-specialistische zorg. Als poortspecialismen worden de volgende specialismen onderscheiden: oogheelkunde (0301), KNO (0302), heelkunde/chirurgie (0303), plastische chirurgie (0304), orthopedie (0305), urologie (0306), gynaecologie (0307), neurochirurgie (0308), dermatologie (0310), inwendige geneeskunde (0313), kindergeneeskunde/neonatologie (0316), gastro-enterologie/mdl (0318), cardiologie (0320), longgeneeskunde (0322), reumatologie (0324), allergologie (0326), revalidatie (0327), cardio-pulmonale chirurgie (0328),), neurologie (0330), klinische geriatrie (0335), radiotherapie (0361) en sportgeneeskunde (8416). Referentie kostprijs: De landelijk gemiddelde kostprijzen berekend over 2019 van de dbc-zorgproducten die gekoppeld zijn aan deze subtrajecten ge(de)ïndexeerd naar het niveau van het jaar waar de ontvangers zich over dienen te verantwoorden. In de referentie kostprijs zijn de kostprijzen van de huidige ontvangers van de bbaz meegewogen. Topreferente zorg: Zeer specialistische patiëntenzorg die: De definitie van topreferente zorg is vastgelegd in de positioneringsnota’s umc’s, alsmede in de Kamerbrief van 12 juli 2019 over de positie en rol van umc’s. − gepaard gaat met bijzondere diagnostiek en behandeling waarvoor geen doorverwijzing meer mogelijk is; − een infrastructuur vereist waarbinnen vele disciplines op het hoogste deskundigheidsniveau samenwerken; en − is gekoppeld aan fundamenteel patiëntgericht onderzoek. Topreferente patiënt: Patiënt die topreferente zorg ontvangt. Ontwikkeling en Innovatie (O&I): Ontwikkeling en Innovatie hebben betrekking op het bedenken, uitproberen, systematisch uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en vormen van diagnostiek. Het betreft uitsluitend die vormen van ontwikkeling en innovatie die steunen op fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Variabel deel BBAZ: Deel van de beschikbaarheidbijdrage dat de meerkosten van de behandelde topreferente patiënten dekt. Vast deel BBAZ: Deel van de beschikbaarheidbijdrage dat de kosten dekt voor het in stand houden van de kennis en infrastructuur voor het continu kunnen leveren van topreferente zorg. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 2 — Artikel 2 Doel van de beleidsregel#
Artikel 2 Doel van de beleidsregel Voor een aantal zorgactiviteiten en voorzieningen van zorgaanbieders is het niet mogelijk en/of wenselijk om deze rechtstreeks aan zorgproducten voor individuele consumenten toe te rekenen. Het gaat om specifieke functies of kenmerken van de zorgverlening, zoals beschikbaarheid, specifieke deskundigheid of specifieke voorzieningen. Het doel van deze beleidsregel betreft het vergoeden van kosten die voor bepaalde zorgaanbieders ontstaan omdat zij permanent voorzieningen (in mensen en infrastructuur) aanhouden die hen in staat stellen op elk moment, in wisselwerking met de laatste stand van de wetenschap, zorg te bieden aan topreferente patiënten en welke vallen onder academische zorg. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 3 — Artikel 3 Reikwijdte#
Artikel 3 Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op medisch specialistische zorg in de vorm van academische zorg. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 4 — Artikel 4 Algemeen#
Artikel 4 Algemeen 1 Aangewezen vormen van zorg Besluit artikel 3 van het Besluit Bij hetheeft de Minister de ingenoemde vorm van zorg aangewezen waarvoor de NZa een beschikbaarheidbijdrage kan vaststellen. Mede op basis van dit Besluit heeft de NZa onderhavig beleid ten aanzien van de verstrekking van de BBAZ aan zorgaanbieders vastgesteld. 2 Procedure verstrekken beschikbaarheidbijdrage Het Uniform kader BR/REG-21141 omschrijft de procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verlening en de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage door de NZa op aanvraag omschreven. In enkele gevallen is een uitzondering op de uniforme procedure nodig. Deze uitzondering staat in dat geval omschreven in deze beleidsregel. 3 Dienst van algemeen belang artikel 5 artikel 56a, zevende lid, van de Wmg Indien een aanvraag voldoet aan de voorwaarden genoemd inen aan de zorgfunctie-specifieke bepalingen zoals opgenomen in deze beleidsregel zal de NZa op grond vande zorgaanbieder belasten met een dienst van algemeen economisch belang of dienst van algemeen belang. 4 Indexering De bedragen die worden verleend en vastgesteld op basis van deze beleidsregel zijn op prijspeil 2021. Dat houdt in dat bij de verlening van de beschikbaarheidbijdrage rekening wordt gehouden met de voorlopige indexen 2021. Bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage wordt rekening gehouden met de definitieve indexen 2021. Voor de indexering wordt de verhouding personeel/materieel aangehouden op dezelfde voet als de periode tot 2020. Naast een index voor personeel en materieel wordt ook geïndexeerd voor de demografische groei. De index voor demografische groei wordt berekend over het (geïndexeerde) deel voor topreferente zorg. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 5 — Artikel 5 Academische zorg#
Artikel 5 Academische zorg 1 Criteria verstrekking Aanbieders van academische zorg kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van een BBAZ indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve criteria: In aanvulling op het bovenstaande geldt: Ad a) Zorgaanbieders moeten minimaal drie achtereenvolgende jaren het 35% criterium halen. Hierbij gaat het om de jaren waar de verlening op is gebaseerd. Ad b) Tussen de zorgaanbieder en het kennisinstituut moet een formele regeling zijn overeengekomen door de RvB en RvT van beide instellingen waarmee een gemeenschappelijk beleidsorgaan is ingesteld. Dit beleidsorgaan heeft als taak doelmatige samenwerking op het terrein van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen het kennisinstituut en de zorgaanbieder te bevorderen. Dit beleidsorgaan moet voor de periode waar de verlening op is gebaseerd bestaan hebben. Het betreffende kennisinstituut moet zijn genoemd in de subsidieregeling van NWO, dan wel vergelijkbaar zijn wat betreft belang en omvang. Er moet sprake zijn van het ontwikkelen en instandhouden van een op kennisoverdracht gerichte infrastructuur voor de volle breedte van de medisch specialistische zorg. Er moet sprake zijn van brede uitrol van bewezen innovaties in de zorg (diagnostiek/behandeling). Ad c) De zorgaanbieder realiseert minimaal een verhouding van 1:10 hoogleraar ten opzichte van het aantal medische specialisten. 1 Hiervoor baseert de NZa zich op de DIS. De zorgaanbieder dient tenminste zeven poortspecialismen aanwezig te hebben of structureel in te huren om de zorg op die poortspecialismen te kunnen garanderen; 2 Hiervoor baseert de NZa zich op de DIS. De zorgaanbieder dient zorg te leveren in minimaal veertien verschillende zorgproducthoofdgroepen. De zorgaanbieder vervult de last resort functie. De instelling voert medische verrichtingen uit bij patiënten die anders uitbehandeld zouden zijn en garandeert deze voorziening. Dit gebeurt in nauwe afstemming met ontvangers van de BBAZ. De NZa zal dit casuïstisch beoordelen. a) Van het totaal aantal patiënten van een Nederlandse zorgaanbieder op jaarbasis is minimaal 35% een topreferente patiënt, waarbij een topreferente patiënt voldoet aan de labelsystematiek, die is ontwikkeld in het ROBIJN traject; én b) er is sprake van een bestuurlijk formeel samenwerkingsverband met een Nederlands Instituut voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of een Nederlandse geneeskunde faculteit. Dit samenwerkingsverband wordt ook aanwezig geacht indien beide functies in één organisatie zijn ondergebracht; én c) zorgaanbieders moeten voldoen aan de kenmerken uit de huidige definitie van de topreferente functie waarbij het verrichten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een belangrijk element is. 2 Compartimenten Binnen de BBAZ worden drie compartimenten onderscheiden: 1 3 Academische ziekenhuizen als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Een compartiment voor academische ziekenhuizenwaarbij de topreferente zorg niet volledig bekostigd wordt via prestaties en tarieven; 2 Een compartiment voor zorgaanbieders, niet zijnde academische ziekenhuizen, waarbij de topreferente zorg niet volledig wordt bekostigd via prestaties en tarieven; en 3 Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg volledig wordt bekostigd via prestaties en tarieven. 3 Hoogte beschikbaarheidbijdrage a. De beschikbaarheidbijdrage bestaat uit een vergoeding voor topreferente patiëntenzorg en het beschikbaar houden van de infrastructuur voor het uitvoeren van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de vergoeding bedoeld voor het bedenken, uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en diagnostiek en de ontwikkeling & innovatie die nodig is voor het behandelen van topreferente patiënten. b. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment een en twee gezamenlijk € 788.068.079, dit bedrag is inclusief de het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC. c. Er is € 468.353 bestemd als vergoeding aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) vanwege haar functie als Nationaal Referentie Centrum Histocompatibiliteitsonderzoek. 4 Verdeling beschikbare middelen over het variabele en vaste deel Voor de periode tot en met 2022 is 70% van de totale BBAZ, (exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC), beschikbaar voor het bekostigen van de topreferente patiëntenzorg en 30% van de huidige totale BBAZ voor het bekostigen van het vaste ofwel O&I-deel. Beschikbare middelen Bedrag in € Vast deel 236.279.918 Variabel deel 551.319.808 Totaal beschikbaar 787.599.726 5 e e Initiële verdeling beschikbare middelen over 1en 2compartiment De initiële verdeling tussen compartiment 1 en 2 blijft ongewijzigd op basis van de beleidsregel bbaz 2020 BR/REG 20148. 6 Beschikbare middelen het 3e compartiment 4 Zie oplegbrief bij aanwijzing van 25 september, kenmerk 1533873-190928-PZo. De vergoeding voor zorgaanbieders uit het derde compartiment is gebaseerd op de resultaten van een kostenonderzoek/kostenbegroting zoals vastgesteld door VWS.Het bedrag zal in drie stappen groeien naar het eindniveau, te bereiken in 2023. 7 Verlening binnen compartimenten a. Het variabele deel wordt verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over de jaren 2016 tot en met 2018 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. b. 5 De NZa actualiseert de DIS op maandelijkse basis, afhankelijk van het moment van aanleveren kunnen hier kleine verschillen in ontstaan. Het uitgangspunt is dat de berekening wordt uitgevoerd ná het verversen van de data in oktober. Hiervoor maken van DIS data die is aangeleverd tot oktober 2021. bijlage 1 De functionele omschrijving wordt verder doorontwikkeld in overleg met het zorgveld. De functionele omschrijving c.q. uitwerking van bovenstaande labels is opgenomen in debij deze beleidsregel. De labels van de labelsystematiek: 1. behandelintensiteit; Patiënten met een hogehet betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld. 2. uniek zorgaanbod Patiënten die eennodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur. 3. multispecialistische zorg Patiënten dienodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken. 4. complexe ingreep Patiënten die eennodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan. 5. zeldzame diagnose Patiënten met eendie gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld. 6. tertiaire verwijzing Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder. 7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex. c. Het vaste deel wordt verdeeld op basis van de academische zorgomzet zoals deze blijkt uit de meest recent vastgestelde enkelvoudige jaarrekeningen. Voorwaarde is dat de jaarrekeningen van alle rechthebbenden moeten zijn vastgesteld. Het jaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten in verband met ongewenste effecten als gevolg van COVID-19 op de academische zorgomzet. In plaats daarvan zal gebruik worden gemaakt van de jaarrekeningen van 2019. d. In afwijking van het Uniform kader kan de aanvraag tot verlening tot en met 31 oktober van jaar t-1 worden ingediend. 8 Verantwoording a. Variabel deel: De bijdrage voor het variabele deel wordt verantwoord op basis van het aantal topreferente patiënten volgens de labelsystematiek en de daarmee samenhangende meerkosten ten opzichte van de referentie kostprijs. b. Vaste deel: De bijdrage voor het vaste deel wordt verantwoord aan de hand van acht kostencategorieën op basis van het jaar 2021: 1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health); 2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT; 3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc); 4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed); 5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën; 6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health); 7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen; 8. databankfunctie en big data ontwikkeling; 9. overkoepelende kosten. c. Algemeen De verantwoording door de zorgaanbieder wordt gedaan op basis van het accountantsprotocol. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt in een variabel en een vast deel. De zorgaanbieder rekent zelf de gerealiseerde kosten toe aan één van beide delen. De NZa toetst de ingediende verantwoording mede aan de hand van het vastgestelde accountsprotocol. De methodiek van kostentoerekening moet zijn gebaseerd op een bestendige gedragslijn over meerdere jaren bij de desbetreffende zorgaanbieder. Voor deze verantwoordingsmethodiek zijn instructies vastgesteld door de NZa in het accountantsprotocol. In de specifieke toelichting door de betreffende zorgaanbieder wordt aangegeven hoe de instructies zijn gevolgd. Indien van de instructies is afgeweken wordt dit gemotiveerd. In het geval minder kosten worden verantwoord voor een deel dan vastgesteld zou worden op basis van de nieuwe verdelingssystematiek geldt dat wordt vastgesteld op het niveau van de verantwoorde kosten. Als de vaststellingsbeschikking daarmee lager uitkomt dan verleend, dient het te veel ontvangen bedrag te worden terugbetaald aan het Zorgverzekeringsfonds. Het vastgestelde accountantsprotocol is bedoeld om een integrale verantwoording mogelijk te maken door de zorgaanbieder van de gerealiseerde kosten op basis van de bekostigingssystematiek voor de academische zorg. d. Substitutie Indien voor een jaar meer kosten worden verantwoord dan vastgesteld zou worden geldt dat deze meerkosten niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit is alleen anders wanneer in hetzelfde jaar meer kosten zijn gemaakt voor het variabele deel en tegelijkertijd minder kosten zijn gemaakt voor het vaste deel (of andersom). Voor deze situatie biedt het accountantsprotocol de mogelijkheid om aan te tonen dat deze meerkosten alsnog kunnen worden verantwoord als gemaakt ten behoeve van het andere deel en voor vergoeding in aanmerking moeten komen tot maximaal het totaalbedrag. Als verantwoord is volgens het geldende accountantsprotocol dan is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. De beschreven mogelijkheid tot substitutie van kosten tussen de delen maakt integraal onderdeel uit van de verantwoording op basis van het accountantsprotocol. De kosten dienen te zijn gemaakt voor activiteiten en voorzieningen die vallen onder academische zorg. De mogelijkheid tot substitutie van kosten kan er niet voor zorgen dat uiteindelijk een hoger totaalbedrag wordt vastgesteld dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek. 9 Vaststelling a. 6 De NZa actualiseert de DIS op maandelijkse basis, afhankelijk van het moment van aanleveren kunnen hier kleine verschillen in ontstaan. Het uitgangspunt is dat de berekening wordt uitgevoerd ná het verversen van de data in februari. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het driejaargemiddelde over de jaren 2017, 2018 en 2019 van aantal topreferente patiënten per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2022 gebruikt. b. Mocht een van de labels ten tijde van de verlening onvoldoende zijn uitontwikkeld dan wordt dit label ook niet gebruikt bij de vaststelling. c. Het vaste deel wordt in 2022 vastgesteld op basis van de academische zorgomzet 2019. d. Tussentijdse berekening e De NZa zal in het tweede kwartaal van 2021 aan de ontvangers uit het 1compartiment inzicht geven in de labelscores per instelling over de jaren 2017, 2018 en 2019. De NZa zal daarnaast inzicht geven in de relatieve score op de academische zorgomzet over het jaar 2019. 10 Transitieperiode Het variabele deel wordt voor het jaar 2021 binnen het 1e compartiment gebaseerd op een voortschrijdend gemiddelde van drie jaren. 11 Overgangsregeling De nieuwe verdelingssystematiek van de BBAZ (op basis van de labels en de zorgomzet) heeft geleid tot substantiële mutaties van de individuele BBAZ-vergoedingen. Daarom is in overleg met de huidige ontvangers een overgangsregeling van toepassing. Deze regeling houdt het volgende in. Bij de nieuwe verdelingssystematiek wordt uitgegaan van het niveau van de beschikbare middelen en wordt de gefaseerde afbouw bij ontvangers die minder gaan ontvangen gecompenseerd met een gefaseerde opbouw van de bijdrage voor rechthebbenden die meer gaan ontvangen. In een periode van drie jaar wordt afgebouwd of ingegroeid naar het niveau van de nieuwe BBAZ. Vanaf 2023 wordt de vaststelling volledig op de nieuwe systematiek gebaseerd. De (technische) uitwerking van de overgangsregeling is gebaseerd op een convenant dat de umc’s onderling bestuurlijk hebben gesloten. bijlage 2) De technische uitwerking van bovenstaande stappen 1 tot en met 3 is opgenomen in een Excel-document. Dit document maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregel (. a. e Voor de periode 2020-2022 geldt dat de initiële verdeling over het 1en 2e compartiment is vastgezet. b. Het totaal beschikbare bedrag voor de rechthebbenden uit het eerste compartiment is tot en met 2022 gegarandeerd. c. 1e compartiment 1. Bij de umc’s waarbij de BBAZ wordt afgebouwd, zijn de stappen 25% in 2020, 50% in 2021 en 75% in 2022 voor het verschil tussen de BBAZ voor 2019 en de nieuwe BBAZ vanaf 2020. 2. Bij de umc’s waarbij de BBAZ door de nieuwe systematiek daalt, maar het bedrag als gevolg van de indexering stijgt wordt het bedrag vastgesteld conform de nieuwe systematiek. 3. Bij de umc’s waarbij de BBAZ hoger wordt door de nieuwe systematiek zijn de stappen van 25% in 2020, 50% in 2021 en 75% ingroei in 2022 voor het verschil tussen de BBAZ voor 2019 en de nieuwe BBAZ vanaf 2020, 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 6 — Artikel 6 Intrekken en vervallen oude beleidsregels#
Artikel 6 Intrekken en vervallen oude beleidsregels De Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2020, met kenmerk BR/REG-20148, die een geldigheidsduur had tot en met 31 december 2021, is met ingang van de dag na de laatstgenoemde datum van rechtswege komen te vervallen. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2021 wordt de beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2021, met kenmerk BR/REG-21147, ingetrokken. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 7 — Artikel 7 Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel#
Artikel 7 Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel De ‘Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2020’, met kenmerk BR/REG 20148, blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 8 — Artikel 8 Inwerkingtreding#
Artikel 8 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 en vervalt met ingang van 1 januari 2022. artikel 5, aanhef en onder e, van de Bekendmakingswet Ingevolge, zal deze beleidsregel in de Staatscourant worden geplaatst. www.nza.nl De beleidsregel ligt ter inzage bij de NZa en is te raadplegen op. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 9 — Artikel 9 Citeertitel#
Artikel 9 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2021. Bijlage 1 Functionele omschrijving labelsystematiek Bijlage 2 Technische uitwerking convenant umc’s Bijlage 3 DRG tabel Bijlage 2 3 www.nza.nl enliggen ter inzage bij de NZa en zijn te raadplegen op. 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 2022 6559 09-03-2022 21-12-2021 BR/REG-21147a 01-01-2021 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.